PDF van tekst

PDF van tekst

285 Pages · 2015 · 1.73 MB · Dutch

vertoont overeenkomsten met Oskar uit Grass' Die Blechtrommel: in beide gevallen gaat het om een van het werk van Rob Birza, Marlene Dumas en Marien Schouten zijn in spiegelbeeld afgedrukt, een . Dumas in het boek van Rudi Fuchs al heel vanzelfsprekend als Nederlandse kunstenares 

PDF van tekst free download


Neerlandica extra Mur os Jaargang 43 br on Neerlandica extra Mur os Jaar gang 43 Rozenber gPublishers, Amsterdam 2005 Zie voor verantwoording: http://www dbnlor g/tekst/_nee005200501_01/colofonphp © 2015 dbnl is m 1 [Neerlandica extra Mur os februari 2005] Ralf Grüttemeier Nederlandse migrantenliteratuur in Duitse vertaling Een receptieonderzoek naar de journalistieke literatuurkritiek 1 Migrantenliteratuur wordt meestal omschreven als de literatuur van schrijvers die niet meer in hun moedertaal of, van de tweede generatie, in de taal van hun ouders schrijven Het fenomeen op zich is beslist niet uniek voor het einde van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw men denke maar aan wereldwijd bekende namen als Vladimir Nabokov of Joseph Conrad Maar wat wel specifiek lijkt voor migrantenliteratuur is dat voor het eerst binnen de nationale literaire debatten een grotere groep schrijvers op grond van biografisch bepaalde verschillen in taal en cultuur wordt onderscheiden Dat nieuwe fenomeen doet zich in W estEuropa voor aan het eind van de twintigste eeuw in een aantal staten tegelijk, en wel op grond van massale arbeidsmigratie sinds eind jaren vijftig, dekolonisatie en andere politieke en economische migratiegolven Door die spreiding is het een geschikt uitgangspunt voor ver gelijkend onderzoek In een analyse van de literatuurwetenschappelijke omgang met migrantenliteratuur in Duitsland en Nederland die eerder in dit tijdschrift verscheen (Neerlandica extra Mur os ,oktober 2001), is gebleken dat die omgang wordt bepaald door verschillen in literatuuropvattingen, dat wil zeggen: verschillen in poëticale normen In de Duitse literatuurwetenschappelijke receptie spelen politieke en maatschappelijke normen een grote rol en is de aandacht vooral gericht op onderwerpen als het identiteitsprobleem, de discriminatie en de emancipatie van de migranten Daarentegen domineert in de Nederlandse literatuurwetenschappelijke receptie van migrantenliteratuur eerder het aspect van het ‘pendelverkeer tussen twee culturen’ (Jaap Goedegebuure) en de culturele verrijking die daaraan wordt verbonden Een ander verschil kon geconstateerd worden met betrekking tot de positie die de wetenschappers ten opzichte van hun object de migrantenliteratuur innamen Terwijl in Duitsland tot in de handboeken de literatuurwetenschappers zich vooral als pleitbezor gers van migrantenliteratuur presenteren, lijkt in Nederland de academische omgang met migrantenliteratuur zich te voltrekken volgens dezelfde conventies als die met andere literatuur De hier genoemde verschillen duiden erop dat in Nederland de migrantenliteratuur naar het centrum van de positiebepalende debatten in het literaire veld is door gedrongen, terwijl ze in Duitsland eerder nog een soort subveld vormt dat naar erkenning streeft Neerlandica extra Muros Jaargang 43 2 In wat volgt zal ik deze stellingen bekijken aan de hand van een onderzoek naar de journalistieke literaire kritiek in Nederlandse en Duitse dag en weekbladen, alsmede andere periodieken en media als de radio Als casus dient de receptie van twee auteurs die twee verschillende types van migratie representeren Abdelkader Benali (*1975) ging als vierjarige vanuit Marokko samen met zijn moeder bij zijn vader in Rotterdam wonen Zijn debuutroman Bruiloft aan zee verscheen in 1996 en werd binnen anderhalf jaar twaalf keer herdrukt Onder de titel Hochzeit am Meer verscheen de roman 1998 bij de Duitse uitgever Piper in een gebonden uitgave In 2000 verscheen de roman in Duitsland ook als paperback De roman gaat over het bezoek van een Rotterdamse Marokkaanse familie aan Marokko, waar dochter Rebekka met de broer van haar vader zou moeten trouwen Voor dit plan dat vooral door de Nederlandse migratiewetten is ingegeven, voelt noch de bruid, noch de bruidegom veel Omdat de bruidegom opeens is verdwenen, moet Lamarat, de broer van Rebekka en tevens de hoofdpersoon van de roman, hem gaan zoeken Uiteindelijk wordt er dan toch nog getrouwd, maar de roman eindigt met een groteskbloederig fiasco Kader Abdolah kwam in 1988 op zesendertigjarige leeftijd als Iraans politiek vluchteling naar Nederland, zonder kennis van het Nederlands In 1993 verscheen zijn debuut in het Nederlands, de verhalenbundel De adelaars In 2000 publiceerde Abdolah reeds zijn tweede roman, Spijkerschrift ,die drie jaar later in het Duits onder de titel Die geheime Schrift bij KlettCotta werd uitgegeven In die roman worden op verschillende verhaalniveaus de voor geschiedenis en de omstandigheden van de vlucht van de ikverteller Ismaiel uit Khomeini's Iran naar Nederland verteld Centraal in de roman staat het ontcijferen van aantekeningen van de doofstomme vader van Ismaiel Vandaar ook de ondertitel van de roman: Notities van Aga Akbar De Nederlandse en Duitse recensies van Benali's debuut en van Abdolahs laatste roman zullen worden onderzocht vanuit de vraag of ze poëticale verschillen in de Duitse en Nederlandse receptie van migrantenliteratuur laten zien Het corpus werd aan Nederlandse kant gevormd door de bestanden op LiteROM ,die systematisch Nederlandstalige recensies ontsluit In Duitsland waar een der gelijke makkelijke manier om aan recensies te komen niet bestaat werd de uitgevers gevraagd om de hun bekende recensies op te sturen In beide gevallen is het corpus waarschijnlijk niet compleet, maar wel representatief 2 1 Abdelkader Benali: Bruiloft aan zee /Hochzeit am Meer Als de receptie van migrantenliteratuur in Duitsland in hoge mate door politiekmaatschappelijke normen is bepaald, dan zou je verwachten dat de recensies met betrekking tot Hochzeit am Meer vooral de reeds genoemde onderwerpen als het identiteitsproblemen, discriminatie en emancipatie aan de orde stellen Dat blijkt echter niet het geval Alleen bij wijze van uitzondering komen der gelijke interpretaties in de recensies voor Zo eindigt bijvoorbeeld de recensie in Neerlandica extra Muros Jaargang 43 3 de Berlijnse krant Tagesspiegel met de volgende bemoedigende woorden: ‘Met zijn succesvol debuut heeft Benali zijn generatie een hart onder de riem gestoken en de Nederlanders laten zien, dat ook de tweede generatie immigranten literair succes kan hebben’ 3Hetzelfde emancipatorische perspectief treft men aan in de bespreking van de roman door de Deutsche Welle ,op de radio: ‘T erwijl wij in Duitsland nog fel aan het debatteren zijn wie onder welke voorwaarden het Duits staatsbur gerschap mag krijgen, zijn onze Nederlandse buren al een heel eind verder hier werpen de integratiepogingen van de tweede generatie reeds literaire vruchten af in een aan talenten sowieso al rijke omgeving’ Ook de topos van de verscheurdheid van de migrant is in deze recensie te vinden, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van de ‘gespleten identiteit van de ouders’ die ook op de zoon over gaat: ‘In de nieuwe Heimat een vreemdeling, in de oude een exoot’ 4Dezelfde gedachte is ook op een eerder mar ginale plek in de receptie te vinden, in de bespreking door de Dokumentationsstelle für Islamische Kunst und Kultur Volgens Helene Eriksen is het boek ‘een spiegel van de spetterende multiculturele botsing van werelden die in de hoofden van de “buitenlanderkinderen”’ plaatsvindt, die onze medemensen zijn Ze hangen tussen de werelden in: veel is vertrouwd, maar ner gens is men echt thuis’ 5 Interpretaties als deze vormen echter ,zoals gezegd, een uitzondering onder de in totaal vijfendertig Duitse besprekingen van de roman W eliswaar gaat bijna iedere bespreking expliciet in op de biografische achter grond van Benali, maar dat is meestal alleen de opstap voor de constatering dat de roman juist niet over het lijden en moeilijke conflicten tussen twee culturen gaat De omroep SWR constateert bijvoorbeeld naar aanleiding van het verschijnen van de paperbackuitgave: ‘Benali vertelt van de ontmoeting tussen Europa en de Maghreb, echter niet problematiserend en dramatisch, maar licht, vermakelijk en met verrassende wendingen 223 bladzijden lang puur leesplezier!’ 6Exemplarisch is in dit opzicht ook het weekblad Der Spiegel ,dat Benali's manier van vertellen snel en laconiek noemt, zijn anarchistisch plezier in taal roemt en concludeert: ‘Ook in deze herfst zullen de stands op de boekenbeurs weer overstelpt worden met ambitieuze psychogrammen van de Duitse jeugd tussen techniekcultus en technocultuur Het fulminante verhaal van Benali is meer en minder tegelijk: een complex verhaal over de ontmoeting tussen Europa en NoordAfrika’ 7De meeste recensies prijzen de roman blijkbaar ,omdat er geen politiek en geen loodzware problemen in voorkomen Christoph Amend is bijvoorbeeld in de gerenommeerde Süddeutsche Zeitung (8 september 1998) van mening dat Benali een schitterend boek zou hebben geschreven en dweept met de schrijver: gewoon vertellen, dat kan hij, zo heeft hij zijn boek geschreven Dit vertelplezier wordt steeds weer aan de orde gesteld en de term ‘fabuleren’ loopt als een Leitmotiv door veel recensies 8In verband met dat ‘fabuleren’ wordt ook herhaaldelijk expliciet het nabije oosten ter sprake gebracht Zo kan men in Elle (oktober 1998) lezen: ‘Zo hebben ooit de oriëntaalse vertellers gefabuleerd’ en Der Spiegel heeft het over ‘1001 fabels, anekdotes, oriëntaalse sprookjes en occidentaalse alledaagse catastrofes’ 9 Dominant in de Duitse recensies lijkt dus juist niet de politiek, maar het Neerlandica extra Muros Jaargang 43 4 spelen met oosterse verhaalpatronen: ‘De auteur wrijft zich steeds de ogen uit: wat een rare wereld Hij moet glimlachen over het verlangen van de Marokkanen naar Europa [] Dit glimlachen gaat van de auteur over op de lezer En het is nooit uit de hoogte’ 10 Dit beeld van een amusante verteller wordt in de recensie geschraagd door wat men als de evenwichtige middenpositie van Benali beschouwt in deze ‘ontmoeting’ van Europa en Afrika Zo constateert Die Welt :‘Als kind van een immigrantenfamilie die thuis alleen Berbers spreekt, kan hij alles absurd vinden wat hij in Nederland ziet En ook in Marokko [] heeft Lamarat de distantie waaruit het komische kan ontstaan’ 11Nog preciezer in dat opzicht is de Berlijnse tageszeitung die de roman als het landschap van een transculturele ziel opvat dat ‘door de verhalen en wonderlijkheden van Marokko net zo bepaald wordt als door het kleinbur gerlijke leven in Rotterdam’ 12 Hetzelfde ‘net zo’ treft men ook in de reeds aangehaalde bespreking door de Deutsche Welle aan: ‘De vreemde wereld van de ouderlijke cultuur wordt net zo trefzeker geschetst als de schijnbare normaliteit van de “maanzaadstad” Rotterdam, die vanuit het perspectief van de auteur plotseling eveneens een exotische indruk maakt’ 13 Als men vanuit deze constatering nu een blik op de schaarse Nederlandse recensies werpt, dan is dit ‘net zo’ het meest in het oog springende verschil Alle recensies zijn het er namelijk over eens dat de roman niet probeert om een standpunt in het midden tussen Europa en Afrika in te nemen, maar vooral op de Marokkaanse cultuur in Nederland mikt Zo schrijft Hans Goedkoop in NRC Handelsblad dat de ikverteller weinig op heeft met de zogenaamde Marokkaanse tradities, ‘want van het Marokkaanse leven in ons land laat Bruiloft aan zee niet bar veel heel’ (NRC Handelsblad, 25 oktober 1996) Nog explicieter is in dat opzicht Marc Guillet in het Algemeen Dagblad van 1november 1996: ‘Hij [Benali] trapt met sardonisch genoegen tegen de heilige huisjes van de Marokkaanse migrantengemeenschap, niet uit bitterheid of uit behoefte zich af te zetten tegen cultuur en geloof van zijn ouders, [] maar omdat hij de hypocrisie en het “heimweegeleuter” van al die “kronkelletterbabbelaars” graag wil doorprikken’ De kop van de recensie is overigens ‘Benali prikt “heimweegeleuter” door ’Het ‘sardonisch genoegen’ komt letterlijk een half jaar later in een stuk van Xandra Schutte in de Gr oene Amster dammer van 14 mei 1997 weer terug En Jeroen Vullings schrijft in het weekblad Vrij Nederland (5 april 1997) dat de roman een ‘opgewekte satire op een Marokkaanse achter grond’ is Deze achter grond wordt in de roman gepresenteerd als ‘een failliete maatschappij die stoelt op feodale folklore en hypocrisie De spot wordt gedreven met het verplichte ontmaagdingsritueel in de huwelijksnacht’, aldus Vullings Vanuit deze consensus onder de Nederlandse critici bekeken, ziet het er naar uit alsof de Duitse receptie wellicht toch politieker zou kunnen zijn dan het eerst leek De politieke dimensie van de Duitse receptie zou hem dan vooral in de politieke correctheid kunnen zitten, die het bespotten van een deel van de migrantencultuur niet ziet of wellicht niet wil of kan verwoorden 14 Bij het ‘oosterse verhalen’ past immers hooguit de begrijpende glimlach, evenredig over de culturen verdeeld, en niet de satirische spot, die maar één kant op gaat, Neerlandica extra Muros Jaargang 43 5 de Marokkaanse, zo zou men de de Duitse recensies kunnen karakteriseren Het ‘fabuleren’ speelt in de Nederlandse recensies dan ook een onder geschikte rol De roman wordt in overeenstemming met de Duitse receptie gekarakteriseerd als het vermengen van zeer heterogene elementen Dat wordt door Hans Goedkoop echter niet met de oriënt in verband gebracht, maar met het mixen van een barmixer en vooral: bekritiseerd Goedkoop constateert een ontbrekende samenhang in de roman en vraagt zich af of sommige episodes die men als voorbeeld van een Marokkaanse verteltraditie zou kunnen lezen niet gewoon mislukt zijn: ‘W at hier nog mist, om kort te gaan, is dwingende vorm en concentratie’ (NRC Handelsblad , 25 oktober 1996) Een ver gelijkbare kritiek formuleert Jeroen Vullings: ‘Benali's stilistische mengelmoes is te veel van het goede Vertellen kan Benali, maar hij zal moeten besluiten welke planten hij in zijn wildbegroeid exotisch tuintje na het wieden laat staan’ (Vrij Nederland ,5april 1997) Deze twee recensies combineren dus lof met duidelijke literaire kritiek Het is opvallend dat in de Duitse recensie daarentegen bijna ner gens een kritische opmerking over Benali te vinden is En die paar schimmen van kritiek zijn bovendien in bladen te vinden die niet bepaald voor gezaghebbend door gaan 15 De tussenbalans van dit onderzoek is niet eenduidig Bij de Duitse recensies valt onder andere op hoe welwillend de roman wordt beoordeeld kritiek wordt bijna niet geuit In Nederland daarentegen werd Benali door twee recensenten expliciet in literair opzicht bekritiseerd, maar het geringe aantal ter beschikking staande Nederlandse recensies laat geen generaliseringen toe Ook bij de oppositie ‘politiekmaatschappelijke normen’ tegenover ‘culturele verrijking’ is voorlopig enige terughoudendheid op zijn plaats Op het eerste gezicht lijken de Duitse recensies juist allesbehalve politiek van aard Pas de omweg via de Nederlandse besprekingen leidde tot de gedachte, dat het ontbreken van de satirische dimensie tegenover delen van de Marokkaanse migrantenliteratuur in de Duitse recensies wellicht door politieke correctheid zou kunnen zijn ingegeven De Nederlanders waren het er namelijk roerend over eens, dat Benali de Marokkanen een spiegel zou voorhouden, niet de Nederlanders Het is denkbaar dat de Nederlandse recensies inderdaad uitgaan van de gedachte dat Benali's roman een culturele verrrijking van het Nederlandse literaire circuit vormt Zo bekeken, verrijkt hij de Nederlandse literatuur met een satirische blik op de Marokkaanse migrantencultuur Maar ook deze interpretatie is allesbehalve dwingend Een analyse van de journalistieke receptie van Kader Abdolahs Spijkerschrift in Nederland en van de vertaling in Duitsland kan er toe dienen om de genoemde generalisaties te bevestigen of te ontkrachten 2 Kader Abdolah: Spijkerschrift /Die geheime Schrift De recensent van het weekblad Elsevier is duidelijk over de positie die Kader Abdolah volgens hem inneemt Volgens Jan Paul Bresser is Abdolah het boegbeeld van een groep auteurs die niet uit Nederland komen en nu in het Nederlands schrijven: ‘Ze verrijken ons taalgebied met een nieuwe manier van Neerlandica extra Muros Jaargang 43 6 kijken en schrijven’ (Elsevier ,15 april 2000) In een groot deel van de andere recensies is deze norm eveneens te herkennen, maar meestal blijft hij impliciet Zo wordt de gelaagdheid en meerstemmigheid van de roman geprezen en over het algemeen ook positief beoordeeld De meeste beschouwen het vaderzoonmotief als het middelpunt van de roman en wijzen in dat verband op de autobiografische dimensie dat net zoals Aga Akbar ook de vader van Kader Abdolah doofstom was Janet Luis bijvoorbeeld prijst in NRC Handelsblad (28 april 2000) de vondst om de stomme vader na zijn dood via het ontcijferen van notities tot spreken te brengen In de Volkskrant (28 april 2000) wordt de roman gepresenteerd als ‘eerbewijs van een zoon aan een vader ’ Beide recensies in de belangrijkste Nederlandse dagbladen zijn ook in zoverre representatief dat zij alleen terloops en kort op de historischpolitieke dimensie van de roman ingaan, waarin onder andere de beide laatste sjahs en Khomeini ter sprake komen Die politieke achter grond wordt volgens Janet Luis in de roman slechts ‘beknopt uit de doeken’ gedaan, waarbij de recensent van de Volkskrant ,Arjan Peters, in dat verband aan ‘een redelijke documentaire’ moet denken Deze interpretatie wordt kernachtig verwoord in het Nederlands Dagblad (5 mei 2000), waar Rien van den Ber gschrijft: ‘Het blijft gaan om Ismaiel en zijn vader ,de grote thema's blijven waar ze horen: op de achter grond’ Ook in de Duitse recensies van Die geheime Schrift is de gelaagdheid van de roman de rode draad door bijna alle recensies Maar de verdeling van de accenten is in Duitsland anders Voor een deel van de besprekingen wordt de toon gezet door een uitvoerige recensie van KarlMarkus Gauss in het weekblad Die Zeit Daarin wordt de roman een meesterlijk, sprankelend werk genoemd, waarin in totaal vier draden zijn verweven Om te beginnen het verhaal van de doofstomme Aga Akbar ,vervolgens het verhaal van Aga Akbar en zijn zoon Ismaiel Verder: ‘Die geheime Schrift is ten derde een grote epitaaf voor de honderduizenden die zich hebben verzet tegen de dictatuur van de sjahs en de mullahs, en die daarom doodgemarteld, vermoord, in graven zonder naam bijgezet werden’ 16 Ten vierde is de roman het heldere relaas van de ervaringen van een migrant Al deze lagen hebben uiteindelijk de functie om de lezer te doordringen van het fascinerende inzicht dat onze wereld in talloze werelden uiteen is gevallen, maar tevens toch die éne wereld blijft, waarin alles met alles samenhangt, aldus Gauss Als men op de recensie in Die Zeit afgaat, slingert de roman dus heen en weer tussen de twee polen van het vaderzoonverhaal en de politiek Een ver gelijkbare interpretatie kan men aantref fen in de Berliner Zeitung (28 april 2003), de Mitteldeutsche Zeitung (21 mei 2003), de Westfälischer Anzeiger (22 juli 2003) en de Gießener Anzeiger (6 augustus 2003), waar men kan lezen: ‘Zo slingert de roman heen en weer tussen droomachtige poëzie en een knalharde werkelijkheid, waarin voor kritische geesten geen plaats meer is’ 17 Terwijl de Nederlandse recensies het politiekhistorische van de roman dus voornamelijk op de achter grond zagen, wordt de politieke en historische dimensie in de tot nu toe besproken recensies als het ware tot het tweede krachtcentrum van de roman gepromoveerd De meerderheid van de Duitse recensies gaat zelfs nog een stap verder Zo Neerlandica extra Muros Jaargang 43 7 vertrekt Sabine Berking in de Frankfurter Allgemeine Zeitung eveens vanuit de gelaagdheid van de roman Maar uiteindelijk domineert volgens haar de politieke dimensie: ‘Het personage van de doofstomme tapijtenknoper die zijn lot trotseert, wordt tot een metafoor voor het Perzische volk dat in zijn verzen opstandig wordt’ 18 Met literaire middelen mikt de roman vanuit dit perspectief op de recente geschiedenis de ondertitel van de recensie is dan ook ‘Kader Abdolahs beklemmende kroniek van de Perzische dictatuur ’Een ver gelijkbare interpretatie kan men aantref fen in de tageszeitung (20 maart 2003), de Augsbur ger Allgemeine (14 juni 2003), de Kieler Nachrichten (23 september 2003), het Neue Deutschland (30 januari 2004) en de Berliner Mor genpost (22 maart 2003) Al deze recensies stellen dat de kern van de roman uiteindelijk de politiek is en al deze recensies beoordelen de roman positief Bij een laatste groep besprekingen weegt het politieke nog zwaarder ,waarbij men het er echter niet over eens is of Die geheime Schrift aan de politieke norm voldoet Deze geluiden komen echter allemaal eerder uit de mar ge van het literaire debat Uli Rothfuss bijvoorbeeld meent dat Abdolah gewoon een geschiedenis van Perzië heeft geschreven, waardoor het boek voor de Iraanse machthebbers tot intellectueel dynamiet zou worden (www swodektbuchtipp35html) Op de website Schwarz auf Weiss wordt de roman aan diegenen aanbevolen die op zoek zijn naar verklaringen voor de huidige ontwikkelingen in islamitische samenlevingen, omdat Abdolah vanuit het perspectief van de gewone boeren en de jonge intellectuelen zou vertellen De bespreking eindigt als volgt: ‘Een ontroerend verhaal, voor het eerst verschenen in het jaar 2000, dus voor alle “gebeurtenissen” Als iemand dit boek op de lijst van de verplichte lectuur van het Pentagon had gezet, dan had dit misschien tot meer redelijkheid daar geleid, of misschien zelfs tot dat wat de mensen in ber gregio rond de grot van de profeet kenmerkt: menselijkheid’ 19 Zelfs wanneer recensies zoals deze eerder een curiositeit zijn, dan kan men toch constateren dat over het algemeen in de Duitse receptie van Die geheime schrift aan het politiekmaatschappelijke een grotere betekenis wordt toegekend dan in de Nederlandse receptie In de Nederlandse literatuurkritiek domineert eerder het aspect ‘culturele verrijking’ Een der gelijke interpretatie kan worden gesteund door een analyse van de naamverwijzingen in de recensies In bijna alle Duitse en Nederlandse besprekingen vallen de namen uit de actuele geschiedenis, van Reza Chan via Reza Pahlevi en Mossadeq tot aan Khomeini Maar in de Nederlandse recensies treft men daarnaast ook veel verwijzingen naar en citaten van schrijvers en literaire titels aan, die bijna allemaal ook in de roman voorkomen Zo worden bijvoorbeeld de Nederlandse dichters Van Eyck, Bloem en Kopland in tien van de veertien Nederlandse recensies genoemd Multatuli, die in de roman een belangrijke rol speelt en uitvoerig aan het woord komt, wordt slechts in één Nederlandse recensie niet genoemd Daarnaast staan in drie recensies verwijzingen naar internationaal bekende auteurs als Salman Rushdie, Joseph Brodsky en Isabel Allende, en in twee andere naar de Perzische dichters Hafez, Khayyam en Farahini, die ook allemaal een belangrijke rol spelen in de roman Neerlandica extra Muros Jaargang 43 8 Al deze verwijzingen lijken te onderstrepen, dat in de Nederlandse receptie de roman allereerst in een literair cultureel kader wordt gelezen en besproken In de Duitstalige recensies vindt men nauwelijks verwijzingen naar schrijversnamen De namen van Nederlandse auteurs worden in het geheel niet genoemd alleen in de Berliner Zeitung (28 april 2003) kan de lezer door een summiere zin te weten komen dát deze in de roman voorkomen Hetzelfde geldt voor de Westfälische Anzeiger (22 juli 2003) met betrekking tot de Perzische literatuur Enkele Perzische schrijvers worden wél in de Berliner Zeitung genoemd, zo bijvoorbeeld de dichter Firdausi in verband met de verklaring waarom de Perzische taal in haar schrift van Arabische tekens gebruik maakt In de Frankfurter Allgemeine Zeitung (10 februari 2004) wordt in verband met de surrealistischsprookjesachtige stijl van Abdolah verwezen naar ‘de grote man van de moderne Iraanse literatuur , Huschang Golschiri’ Eén keer worden auteurs genoemd die niet in hun moedertaal schrijven, zoals Joseph Conrad en Vladimir Nabokov (Mitteldeutsche Zeitung ,21 mei 2003) Maar men treft dus in elf van de veertien Duitse recensies geen enkele verwijzing naar schrijversnamen aan tegenover één van de veertien in Nederland Net zoals bij Benali komt men ook in de Duitse recensies van Abdolahs roman nauwelijks kritische opmerkingen tegen Zo klaagt de recensent van Neues Deutschland (30 januari 2004), Benjamin Jakob, dat het lezen vanwege de vele lagen voor hem ‘soms’ een kwelling was Maar een beredeneerde kritiek op grond van stilistische of structurele literaire normen mag dit nauwelijks heten Dat is in Nederland wederom anders Kritiek op de stijl van Abdolah, die voor sommigen te houterig en monotoon is, treft men onder andere in Vrij Nederland, Het Par ool en HP/De Tijd aan, ook al domineren daar uiteindelijk de positieve argumenten Dat kan bepaald niet worden gezegd van de kritiek van Arjan Peters in de Volkskrant (28 april 2000) Hij karakteriseert de stijl van Abdolah met woorden als ‘onbeholpenheid’, ‘gekwebbel’, ‘verkleutering’ en ‘kitscherig’ Zijn oordeel luidt dan ook: ‘Spijkerschrift is een Hollandse broddellap die je als een gevleugelde Pers wordt verkocht’ Een ver gelijkbare kritiek treft men bij Piet de Moor in het weekblad Hervormd Nederland aan De korte zinnen van Abdolah zouden in een kort verhaal functioneel zijn, maar in een lange roman niet Daarom is volgens Piet de Moor de roman niet echt geslaagd: ‘Een mislukking? Bijna Misschien moeten we deze roman beschouwen als een experiment dat beter niet herhaald wordt Een verhaal dat zich had geconcentreerd op de essentie, met weglating van alle bijkomstigheden, had wellicht een beter boek opgeleverd’ (Hervormd Nederland ,3juni 2000) Het gaat mij er niet om wie hier gelijk heeft W el lijkt het mij duidelijk dat de Nederlandse literatuurkritiek de migrantenliteratuur blijkbaar volgens normen beoordeelt die op stilistische en structurele criteria stoelen Daarom lijkt het er op dat in Nederland de migrantenschrijvers in het centrum van het literaire veld in directe concurrentie staan met alle andere schrijvers die daar hun positie trachten te verbeteren of te verdedigen Uit de Duitse kritieken valt niet op te maken dat dat in Duitsland ook zo is Neerlandica extra Muros Jaargang 43 9 3 Conclusie Ter afsluiting zou ik enkele punten graag in een wat breder kader aan de orde stellen Allereerst is gebleken dat er inderdaad poëticale verschillen in de Duitse en Nederlandse literatuurkritiek met betrekking tot migrantenliteratuur geconstateerd kunnen worden Terwijl in de Nederlandse besprekingen de culturele verrijking door middel van de migrantenliteratuur op de voor grond staat, wordt in de Duitse recensies aan de politiekmaatschappelijke dimensie van literatuur een grotere betekenis toegekend Het gaat dan om historisch en/of politieke informatie, om de oppositionele houding tegenover de machthebbers en daarbij wordt de satirische blik op de migrantencultuur onzichtbaar Ten tweede heeft de analyse laten zien dat in Duitsland de besprekingen van migrantenliteratuur over het algemeen geen kritiek behelzen: noch inhoudelijke noch formele of stilistische kritiek In Nederland daarentegen zijn er geen aanwijzingen voor dat migrantenliteratuur met andere maatstaven wordt gemeten dan, laten we zeggen de laatste romans van Arnon Grunber gof Rascha Peper Dit zou je kunnen beschouwen als een indicatie voor de grotere openheid van het Nederlandse literaire systeem, waar de migrantenliteratuur sneller naar het centrum van de poëticale debatten is door gestoten Elrud Ibsch heeft iets ver gelijkbaars geconstateerd met betrekking tot de postmoderne holocaustliteratuur en de literatuur van joodse schrijvers van de tweede generatie (vgl Neerlandica extra Mur os ,oktober 2004, 6567) In Duitsland lijkt de migrantenliteratuur eerder nog een subsysteem van het literaire veld te zijn Ten derde lijken de Duitse en Nederlandse recensies in een opzicht veel met elkaar gemeen te hebben: hun negeren van literatuurwetenschappelijke ideeën uit de hoek van onder andere de postkoloniale studies In geen enkele van de onderzochte recensies ben ik begrippen als ‘hybriditeit’ of Homi K Bhabha's ‘third space’ tegengekomen Dat bijna alle recensies daarentegen de biografie van de migrantenauteur beklemtonen de Duitse tageszeitung lijkt dat heel bewust niet te doen is een indicatie voor de ongebroken betekenis van de concrete auteur uit vlees en bloed in de literatuurkritiek Men zou dus kunnen zeggen dat de receptie van vertaalde migrantenliteratuur in Duitsland niet zo zeer een vuurwerk aan culturele diversiteit laat zien, waarin alle culturele aspecten van de uitgangstekst nog eens op een derde niveau vermenigvuldigd worden Het lijkt er eerder op dat in de receptie van de vertaling de interculturele dimensie ingelijfd wordt in de debatten en normen die in de Duitse literaire wereld spelen Eindnoten: 1 Een eerdere versie van dit artikel werd als voordracht gehouden op het internationale colloquium ‘Biographie(n) zwischen Kulturen und Nationen im mittel und ostmitteleuropäischen Kulturtransfer ’van 2t/m 5oktober 2004 inBachotek/Polen, dat geor ganiseerd werd door Karol Sauerland (Torun), Rainer Grübel (Oldenbur g) en Gerd Hentschel (Oldenbur g) Neerlandica extra Muros Jaargang 43 2 Voor Abdolah staan veertien Nederlandse en veertien Duitse recensies ter beschikking; voor Benali vier Nederlandse en vijfendertig Duitse Het gering aantal Nederlandse recensies voor Benali kan worden verklaard door het feit dat het hier om een debuut ging dat pas na de ontvangst van de Geertjan Lubberhuizen Prijs voor het beste romandebuut en de nominatie voor de Libris Prijs 1997 tot een verkoopsucces werd Het grote aantal Duitse recensies wordt deels veroorzaakt door de aandacht soms van maar enkele regels die ook bladen als Elle, Journal für die Frau, Freundin, Cinema of Allegra aan Benali besteedden 3 ‘Mit seinem erfolgreichen Debüt hat Benali seiner Generation Mut gemacht und den Niederländern gezeigt, daß auch die zweite Generation der Einwanderer literarisch erfolgreich sein kann’ (Rolf Brockschmidt, Tagesspiegel ,9september 1998) 4 ‘Während wir inDeutschland noch eifrig darüber diskutieren, wer unter welchen Bedingungen die deutsche Staatsbür gerschaft erhalten soll, sind unsere niederländischen Nachbarn schon ein gutes Stück weiter hier tragen die Integrationsanstrengungen der zweiten Generation bereits literarische Früchte in einer an Talenten ohnehin reichen Szene’ En: ‘In der neuen Heimat ein Fremder ,in der alten ein Exot die gespaltene Identität vermittelt sich auch dem in Marokko geborenen, aber inder Fremde aufgewachsenen Sohn’ (Daniel Scheschkewitz, Deutsche Welle , 9april 1999) 5 ‘ein Spiegel des irren multikulturellen Zusammenpralls der Welten, der in den Köpfen der “Ausländerkinder” stattfindet, die unsere Mitmenschen sind Zwischen den Welten hängen sie: vieles ist vertraut, aber nir gends gehört man wirklich hin’ (DIKK 4/99) 6 ‘Benali erzählt von der Begegnung zwischen Europa und dem Maghreb, aber nicht problembeladen und dramatisch, sondern leicht, kurzweilig und mit überraschenden Wendungen 223 Seiten lang reiner Lesespaß!’ (Michaela Grom, SWR 1,Taschenbuchtipps, 23 februari 2000) 7 ‘Auch in diesem Herbst werden die Stände der Buchmesse wieder mit ambitionierten Psychogrammen der deutschen Jugend zwischen Technikkult und Technokultur überschwemmt Benalis furiose Erzählung ist weniger und mehr: eine komplexe Geschichte von der Begegnung zwischen Europa und Nordafrika’ (Niklas Maak, Der Spiegel /Kultur Extra, oktober 1998) 8 Bijvoorbeeld inBrigitte (‘dieser freche Fabulierer aus Marokko ist enorm begabt’, januari 1999), de Kölner Stadtanzeiger (‘Benali fabuliert schneller als der Wind’, 7oktober 1998), de NDR (‘die sprühende Lust des Autors am Fabulieren’, Marianne Schönbach, NDR 1,26 november 1998) en de Süddeutsche Zeitung (‘Benali's begnadete Fabulierkunst’ (Extra ,3september 1998); ‘Fabulierer ohne Gnade’ (Karin Steinber ger ,SZ ,9september 1998) 9 ‘So haben einst die orientalischen Geschichtenerzähler fabuliert’ (Elle ,oktober 1998); ‘1001 Fabeln, Anekdoten, orientalische Märchen und okzidentale Alltagskatastrophen’ (Der Spiegel /Kultur Extra, oktober 1998) 10 ‘Der Autor reibt sich dabei immer wieder die Augen: So eine seltsame Welt hier Schmunzeln muß er über die Sehnsucht der Marokkaner nach Europa [] Das Schmunzeln überträgt sich vom Autor auf den Leser Und ist nie überheblich’ (Jetzt/SZ ,Nr40, 8september 1998) 11 ‘Als Kind einer Einwandererfamilie, die zu Hause die Sprache der Berber spricht, kann eralles skurril finden, was er in den Niederlanden sieht Und auch in Marokko [] hat Lamarat jenen Abstand, aus dem sich Komik gewinnen läßt’ (Die Welt,17 oktober 1998) 12 ‘von den Geschichten und Wunderlichkeiten Marokkos genauso geprägt [ist] wie von dem kleinbür gerlichen Leben in Rotterdam’ (Edith Kresta, Tageszeitung ,21 december 1998) 13 ‘Die fremde Welt der elterlichen Kultur wird dabei genauso tref fsicher dar gestellt, wie die scheinbare Normalität der “Mohnsamenstadt” Rotterdam, die aus der Perspektive des Autors plötzlich ebenfalls exotisch wirkt’ (Scheschkewitz, Deutsche Welle 9april 1999) 14 Een uitzondering lijkt de recensie van Christine Koller inhet Hambur ger Abendblatt (8 augustus 1998) Koller heeft het erover dat Benali met tradities zou breken maar zij zegt inieder geval niet expliciet om welke tradities het zou gaan 15 Zo ‘fabuleert’ volgens Wolfgang Kroener in de RheinZeitung (18 augustus 1998) Benali op een boeiende manier ,maar dat kan ook vermoeien, zegt hij: de man uit Marokko zou instilistisch opzicht zich wat beperkingen mogen opleggen: ‘Gut als Urlaubslektüre in fremden Welten, an fernen Stränden, NUR :Geduld mitbringen beim Lesen ellenlanger verpuzzelter Sätze’ Een andere bijnakritische opmerking staat in de Berliner Mor genpost (6 september 1998; Aimée Torre Brons), waar sprake isvan een onrustig vertellen waar men aan moet wennen maar daar staat tegenover dat het op het einde ook echt spannend wordt, zo wordt de lezer gerustgesteld 16 ‘Die geheime Schrift ist drittens ein großer Epitaph auf die Hunderttausende, die der Diktatur des Schahs und jener der Mullahs Widerstand leisteten und zu Tode gefoltert, ermordet, in Neerlandica extra Muros Jaargang 43 namenlosen Gräbern verscharrt wurden’ (KarlMarkus Gauss, Zeit Literaturbeilage maart 2003) 17 ‘So pendelt der Roman her zwischen traumhafter Poesie und knallharter Wirklichkeit, in der für kritische Geister kein Bleiben mehr ist’ (Gießener Anzeiger ,6augustus 2003) 18 ‘Die Gestalt des taubstummen Teppichflickers, der sich über sein Schicksal hinwegsetzt, wird zur Metapher des persischen Volkes, das in seiner Dichtung rebelliert’ (Sabine Berking, FAZ , 10 februari 2004) 19 ‘Eine anrührende Geschichte, zuerst veröf fentlicht im Jahr 2000, also vor allen “Ereignissen” Hätte doch einer sie dem Pentagon zur Pflichtlektüre verschrieben, vielleicht herrschte dort mehr Sinn und Verstand, ganz zu schweigen von dem, was die Menschen in der Ber gregion bei der Prophetenhöhle auszeichnet: Menschlichkeit’ (www schwarzaufweissde/buecherecke/romane/iranhtm) Neerlandica extra Muros Jaargang 43 12 Eva van Lier Straattaal 1 1 Inleiding Een groot deel van de huidige generatie jongeren die opgroeit in Amsterdam en de andere grote steden van Nederland komt dagelijks in contact met verschillende etniciteiten, culturen en talen Dit leidt tot vormen van taalgebruik, waarbij het Nederlands in enigerlei mate beïnvloed wordt door de oorspronkelijke talen van de migrantengroepen in Nederland en door het Engels Sinds het einde van de jaren negentig is er een toenemende belangstelling voor deze gemengde vormen van taalgebruik door jongeren, niet alleen van de kant van journalisten en televisiemakers, maar ook vanuit de wetenschappelijke hoek In 1999 gaf René Appel 2de eerste aanzet voor de sociale en taalkundige analyse van wat hij, in navolging van de sprekers, ‘straattaal’ noemde Appels studie was vooral gericht op het ‘wie’ en ‘waarom’ van deze meertalige jongerentaal; het ‘wat’ bleef beperkt tot het lexicon Later is er ook meer aandacht gekomen voor de morfologische en syntactische kenmerken van straattaal (zie Cornips, te verschijnen, en Cornips en De Rooij 2003) De moeilijkheid bij iedere analyse blijft echter ,dat straattaal geen ‘afgeronde’ variëteit is Veeleer zijn er een aantal verschillende varianten, met bepaalde linguïstische eigenschappen, die door verschillende groepen jonge sprekers in verschillende situaties in verschillende mate gesproken worden Bovendien zijn deze variëteiten aan voortdurende verandering onderhevig en daardoor vaak zeer vluchtig en individueel In deze bijdrage signaleer ik dan ook slechts enkele varianten, gebruikt door enkele groepen jongeren, in enkele situaties Om deze vormen van taalgebruik gezamenlijk aan te duiden zal ik desalniettemin de term ‘straattaal’ gebruiken 2 De gegevens De gegevens die in dit artikel worden besproken zijn afkomstig uit verschillende bronnen Enerzijds is er materiaal uit veldwerkopnames Een deel daarvan is gemaakt door twee onderzoeksters van Surinaamse afkomst: Merlien Hardenber gmaakte opnames van Surinaamse jongeren in de Rotterdamse wijk Feyenoord Sprekers van deze groep worden bij de voorbeelden hieronder Neerlandica extra Muros Jaargang 43 13 vermeld als S1 en S2 In de Amsterdamse Bijlmer werden opnames gemaakt door Natasja Nelstein van Surinaamse vrienden Deze sprekers worden aangeduid als S3, S4 en S5 Een ander deel van het veldwerk isdoor mijzelf uitgevoerd onder een vriendengroep in AmsterdamW est, die ik gedurende de eerste twee maanden van 2004 gemiddeld twee keer per week zag Meestal trof fen we elkaar in een jongerencentrum in de wijk, maar soms ook op straat of in en bij uitgaansgelegenheden De groep bestaat vrijwel geheel uit jongens van Marokkaanse afkomst Zij worden aangeduid als M1, M2, M3, M4 en M5 Verder maakt één Turkse jongen deel uit van de groep; hij wordt T genoemd Alle jongens zijn geboren en getogen in Amsterdam of daar op jonge leeftijd komen wonen en 15 tot 17 jaar oud Zij noemen zich als groep graag KGB, wat staat voor ‘Kinker Gang Bang’ (De Kinkerbuurt, genoemd naar de Kinkerstraat, een drukke winkelstraat, is een buurt in AmsterdamW est waar overwegend allochtonen wonen) Om de situatie zo informeel mogelijk te houden, was ik weliswaar bij de opgenomen gesprekken aanwezig, maar altijd op de achter grond en zonder me te mengen in de conversatie W el was er altijd een jongerenwerker bij, Reggie genaamd, die soms ook deelnam aan de gesprekken Hoewel Reggie geen deel uitmaakte van de vriendengroep als zodanig, was hij een zeer vertrouwde verschijning voor de bezoekers van het jongerencentrum Naast de gegevens afkomstig uit de transcripten van de veldwerkopnames, heb ik gebruik gemaakt van enkele internetbronnen De belangrijkste betreft een discussieforum voor jongeren Uit de inhoud van de berichten op het forum kan worden opgemaakt dat het vooral bezocht wordt door Amsterdamse jongeren, vaak van Surinaamse afkomst Voorbeelden afkomstig van dit forum zijn hieronder voorzien van een ‘F’ Ter aanvulling heb ik ten slotte een tweede internetbron gebruikt: een ‘straattaal woordenlijst’ die onderdeel uitmaakt van de website van het Rotterdams wijktheater 3en volgens deze site bedoeld is voor nietingewijde toeschouwers van de voorstellingen waarin vaak straattaal gebruikt wordt Daar waar ik voorbeelden geef uit deze lijst, wordt dit duidelijk aangegeven Hieronder zal ik, aan de hand van bovengenoemde bronnen, achtereenvolgens enkele linguïstische kenmerken (eerst lexicale en daarna grammaticale verschijnselen) en sociale eigenschappen van straattaal bespreken 3 Kenmerken van straattaal 31 Lexicale verschijnselen Straattaal wordt gekarakteriseerd door het gebruik van woorden uit andere talen dan het Nederlands Het gaat hierbij om inhoudswoorden (zelfstandig naamwoorden, bijvoeglijk naamwoorden en werkwoorden) en interjecties of discourse markers In (1) ak wordt een aantal voorbeelden gegeven van ‘vreemde’ zelfstandig naamwoorden: 4 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 14 1) W aarom was er trobie in de Bijlmer sporthal? (> Sranan (Sranan tongo =het Surinaams): ‘problemen’, ‘ruzie’) F5 a b W anneer komt iemand met een goede torie? (> Sranan: ‘verhaal, roddel’) F c Heeft hij een tanga? (> Sranan tanta :‘tante’, ‘wijf ’? en/of tanga: ‘tang’? ‘meisje’, ‘vriendinnetje’) F d Je hebt die osso gefixed, toch? (> Sranan: ‘huis’) S4 e Doekoe moet ik echt bij mekaar vinden (> Sranan: ‘geld’) S3 f Als jij 'teen motyo vindt (> Sranan: ‘hoer ’,‘slettebak’) S5 g Hee sma, wie ben je dan? (> Sranan: ‘vriendin’? ‘meisje’) F h Allemaal tata's lopen daar (> Iberisch patata (‘aardappel’)?? (scheldnaam voor) ‘Nederlander ’) M5 i Nee, hij heeft hem voor twee barkies ofzo (> Sranan: ‘honderd gulden’? ‘vijftig euro’) M5 j Kijk, gewoon matties van hem, die kleintjes (> Sranan: ‘vriend’) M1 k Kijk, hij maakt een fatoe, weetje (> Sranan: ‘grapje’, ‘grappig’) T De woordenlijst van het Rotterdams wijktheater vermeldt verder bijvoorbeeld nog de naamwoorden scor o(‘school’), en scotoe (‘politie’), beide afkomstig uit het Sranan, en patas (‘schoenen’ of ook wel ‘sportvelgen van een auto’), waarschijnlijk van Iberisch (via Papiaments?) patas (‘poten’) Een ander woord dat uit het Papiaments komt, maar daarin terechtkwam vanuit het Nederlands is sunchi (van zoentje :‘kusje’) Overige woorden die ik regelmatig opving hebben te maken met (drugs) roken: jonkoe (‘joint’) en tabakka (‘sigaretten’), beide uit het Sranan, en ook dyompo, wat in straattaal ‘high’, ‘stoned’ betekent, vermoedelijk een afgeleide van de betekenis in Sranan: ‘springen’ Ook bijvoeglijk naamwoorden zijn vaak van nietNederlandse origine, zoals de voorbeelden (2) af laten zien 2) Heel Aga is faya (> Sranan: ‘vervelend’, ‘er g’ Kan ook gebruikt worden als element met bereik over de hele zin, dus om een uiting a als geheel kracht bij te zetten: Faja en ik geef die tanga echt gelijk, hoor!) F b Al mijn cd's zijn loesoe (> Sranan ‘weg’) S2 c Deze gozer is loco ,jongen (> Iberisch: ‘gek’) M1 d Is fok op ,maar ja, wat kan je eraan doen? (> Engels fucked up : ‘vervelend’) S5 e Eh, hou je ma bigipampang bek over Jef frey! (> Sranan yu ma bigi panpan :‘je moeders grote kut’: algemene pejoratieve betekenis) F f Hee, die Gregory is echt tantu spang !(> Iberisch tanto :‘alles’ en Sranan ‘spannend’? ‘heel lekker ’,‘er gleuk om te zien’) F Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Een derde belangrijke categorie inhoudswoorden is de werkwoorden Ook deze zijn afgeleid van nietNederlandse woorden: 3) Skip nu gewoon al die tories! (> Engels to skip :‘overslaan’? ‘niet doen, niet zeggen’) F a Neerlandica extra Muros Jaargang 43 15 b Terwijl ze elkaar ook gewoon kunnen power en (> Engels power : ‘kracht’? ‘ondersteunen’) F c Die van jou moet ook een beetje gefr eshed worden (> Engels fresh : ‘opfrissen’,? ‘opnieuw modelleren’ [in dit geval van kapsel]) S1 d Gaan we lekker een kinootje checken (> Duits Kino :‘bioscoop’ en Engels to check :‘controleren’? ‘naar de film gaan’) S3 e Okay haar man was laatst geshot ,weet je (> Engels shot : ‘beschoten’/‘neer geschoten’) S3 f Ik space al heel lang op die ene tanga uit de tweede Jasmijn (> Engels space :‘ruimte’? ‘leuk vinden’, ‘verliefd zijn op’) F g Dus niet elkaar komen killen hiero, gewoon joinen (> Engels to kill :‘vermoorden’? ‘bestrijden’, ‘ruzie maken’ en Engels to join : ‘zich voegen bij’? ‘op een prettige manier met anderen omgaan’) F h Gelijk fitti ,gelijk vechten (> Sranan feti :‘vechten’) S1 Andere werkwoorden, die ook genoemd worden in de Rotterdamse woordenlijst, zijn dissen (> Engels to disr espect :‘niet respecteren’? ‘voor de gek houden’, ‘uitschelden’ etc), flowen (> Engels to flow ‘stromen’? ‘versieren’ Ook: in de flow zijn :‘in de eerste fase van je verkering zitten’, ‘pas verliefd zijn’) en brasa (van Iberisch abrazar :‘kussen’, ‘omhelzen’) Ten slotte worden vaak oorspronkelijk anderstalige tussenwerpsels gebruikt om uitingen kracht bij te zetten, zoals in voorbeeld (4) 4) Ja maar tezz dan heeft hij hem toch nieuw! (> Arabisch: ‘shit’) M1 a b Die vrouw gebruikt hem hoor ,whallah !(> Arabisch wallah en Turks vallah :‘(ik zweer) bij Allah’? ‘ik zweer het’, algemeen versterkende invloed op de uiting) M2 Verwant aan dit soort woordjes zonder syntactische functie is wellicht de categorie ‘begroetingen’, waarbinnen fawaka (soms afgekort tot faka ,>Sranan: ‘hoe gaat het?’) het meest gehoord wordt Bij het weggaan worden verschillende formules gebruikt, zoals bijvoorbeeld laters (> Engels see you later ) Behalve materiaal uit andere talen, worden ook nietstandaard varianten van het Nederlands gebruikt als bron voor straattaal: evenals bij eentalige jongerentaal wordt gebruik gemaakt van de lokale stadstaal en/of het zogenaamde Bar goens Hiervan zijn enkele voorbeelden gegeven in (5): 5) Goser ,ga dan S1 a b Je hebt ze ook hier oM5 c Deze mensen zijn helemaal lijp (‘gek’) T Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Een laatste belangrijke bron van straattaallexicon is te beschouwen als een ver gaarbak van creatieve nieuwvormingen in verschillende categorieën Een bekend verschijnsel (ook bij ‘gewone’ jongerentaal) is semantische verschuiving: allerlei woorden met verschillende (zelfs tegengestelde) betekenissen kunnen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 16 worden gebruikt om iets positief te kwalificeren (voorbeeld 6a) Ook worden vaak woorden met een oorspronkelijk andere betekenis gebruikt om seksuele handelingen te benoemen (6 b), of om een algemeen versterkend betekeniselement toe te voegen (6 c): 6) Etta enzo waren moeilijk :ze regelen alles zelf (‘er gleuk’) M3 a b Tijdens het ballen ?(‘seksen’) M5 c Kapot duur! (‘er g’, ‘zeer ’) M1 Een tref fend straattaalwoord vinden we in: 7) Spanje is ook helemaal verkaasd ,hoor (‘vernederlandst’) M5 Soms worden ook Nederlandse elementen gekoppeld aan nietNederlandse bij de vorming van nieuwe woorden: 8) Greg en Earl zijn echt die mooiboys van daar! (‘knappe jongens’) F Dit voorbeeld laat ook zien hoe er met klanken gespeeld wordt; het eerste deel van de samenstelling ‘rijmt’ op het tweede deel Ook wordt er veel gebruik gemaakt van afkortingen Net als in de ‘gewone’ (jongeren)taal (denk bijvoorbeeld aan aso (asociale (als substantief))) duiden ze vaak verschillende, in dit geval etnische groepen aan: 9) Melvin had laatst een graffiti met twee Pako's (Pakistanen) S1 a b Maar hoe kom je bij een Mokr o? (Marokkaan) S2 Volgens hetzelfde procédé worden gevormd: Suri's (‘Surinamers’), Anti's (‘Antillianen’) en Cabo's (‘Kaapverdianen’) Ook de namen van steden in Nederland (dat wil zeggen, die waar straattaal gesproken wordt), worden verbasterd Zo vinden we bijvoorbeeld Damsko (Amsterdam), Roto/Roffa/Rocca (Rotterdam), Agga (Den Haag) en Ally (Almere) De uitdrukking in (10) ten slotte, die vermeld wordt in de lijst van het wijktheater , geef ik hieronder als een laatste duidelijk voorbeeld van creatief taalgebruik: 10) W at is de leeftijd? (‘Hoe laat is het?’) W at kan er nu in het algemeen worden opgemerkt over straattaal, op basis van de besproken lexicale kenmerken? Appel (1999, 39) schrijft in zijn pionierende artikel over straattaal: ‘Duidelijk is dat het een mengtaal is: Nederlands met woorden of Neerlandica extra Muros Jaargang 43 uitdrukkingen uit andere talen’ Bakker en Mous (1994, 45, zie ook Bakker en Muysken 1995, 41) definiëren een mengtaal als een taal waarbij het lexicon en de grammatica afkomstig zijn van verschillende brontalen Straattaal Neerlandica extra Muros Jaargang 43 17 valt, mijns inziens, bovendien in een subcategorie van mengtalen, die symbiotic mixed language genoemd zijn door Smith (1995), waarbij het lexicon uit verschillende bronnen kan zijn samengesteld: (the words come) ‘either from another language (often the original language of the gr oup), or else from avariety of sour ces, some wor ds possibly being constructed or deformed deliberately’ (Smith 1995, 332) Mengtalen kunnen worden onderscheiden van gevallen van ‘gewone’ ontlening op basis van het soort vreemde woorden dat gebruikt wordt Bij mengtalen maken die deel uit van het basislexicon; bij ‘gewone’ ontlening meestal niet Straattaalwoorden vervangen meestal frequente Nederlandse woorden 6Ze hebben betrekking op de dagelijkse werkelijkheid van jongeren en het leven ‘op straat’; jongens, meisjes, verschillende etniciteiten, school, feesten, de politie, seks, drugs en roken, geld, uitgaan, lachen en roddelen W anneer we de herkomst van de nietNederlandse straattaalwoorden wat nader beschouwen, valt op dat het over grote deel van de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden afkomstig is uit het Sranan, zoals al werd opgemerkt door Appel (1999) Hij geeft hiervoor twee mogelijke verklaringen De eerste is van linguïstische aard en heeft te maken met de klankstructuur van het Sranan: de meeste woorden in het Sranan bestaan uit opeenvolgingen van telkens een medeklinker en een klinker Dit is een universele basisstructuur voor woordklanken (denk aan het gebrabbel van baby's of aan een universeel woord als ‘mama’ of ‘papa’) waardoor deze woorden ‘lekker bekken’, een effect dat nog versterkt wordt wanneer er sprake is van twee dezelfde klinkers, zoals bijvoorbeeld in loesoe en doekoe Appels tweede verklaring voor de populariteit van woorden uit het Sranan in straattaal is cultureel van aard: Surinaamse jongeren lopen, zoals hij het uitdrukt, vaak voorop wat betreft stijlkenmerken, zoals kleding, schoeisel en haardracht, maar ook in gedragspatronen en op het gebied van muziek Deze uitstraling verleent Surinaamse jongeren blijkbaar een status die ook invloed op taalkundig gebied met zich meebrengt Dit sluit aan bij de hier besproken voorbeelden, waaruit blijkt dat de Marokkaanse en de Turkse jongens veel woorden uit het Sranan gebruiken (en maar weinig uit hun moedertaal) Dit is des te opvallender ,omdat mijn ervaring is dat er weinig sprake is van direct contact tussen de verschillende etnische groepen: Marokkanen gaan vooral met Marokkanen om (en eventueel met Turken, in het geval van de KGB), Surinamers hebben meestal Surinaamse vrienden Ik heb bovendien geen voorbeelden gevonden waarbij de weinige Marokkaanse woorden die in de data voorkomen, door Surinaamse jongeren worden gebruikt Een ander opvallend verschijnsel met betrekking tot de herkomst van straattaalwoorden is dat de nietNederlandse werkwoorden in de data vrijwel allemaal uit het Engels komen Ze worden ingebed in de Nederlandse morfologisch structuur , wat duidelijk te zien is aan de voor en achtervoegsels in bijvoorbeeld power en en ge fr esh ed (zie ook Cornips, te verschijnen) 7W erkwoorden uit het Sranan worden blijkbaar minder gebruikt dan Engelse, en (zoals fitti in voorbeeld 3h) niet gecombineerd met een Nederlandse uitgang Mogelijk heeft Neerlandica extra Muros Jaargang 43 18 dit ook weer te maken met letter greepstructuur: in het Nederlands eindigen de stammen van werkwoorden op medeklinkers, in ‘vervoegingen’ soms (zoals bij infinitief) gevolgd door uitgangen die beginnen met klinkers Dit zou kunnen ‘botsen’ met de werkwoorden in het Sranan die eindigen op een klinker De letter greepstructuur van Engelse werkwoorden daarentegen, die net als in het Nederlands eindigen op een medeklinker ,is gemakkelijker te integreren in de Nederlandse verbale morfologie Daarbij is het Engels eveneens (net als het Sranan) te beschouwen als een ‘stoere’ taal, daar deze geassocieerd wordt met de Amerikaanse rap en hiphopcultuur Ook buiten Nederland wordt in multietnische en multilinguale urbane situaties door jongeren gebruik gemaakt van gemengde variëteiten Hierbij worden op ver gelijkbare wijze lexicale elementen uit verschillende talen gebruikt en soms vervormd Het combineren van affixen uit de ene taal met woorden uit de andere (zoals bij de Engelse werkwoorden in straattaal), is bijvoorbeeld kenmerkend voor de vele gemengde jongerentalen die gesproken worden in grote steden in Afrika, zoals Abidjan en Nairobi (zie Kießling en Mous) Ook andere verschijnselen zoals afkortingen en semantische verschuiving komen daarin veel voor In het Verlan, een multietnische jongerentaal in Frankrijk, worden in veel woorden de letter grepen omgedraaid: zo is de naam Verlan de mondelinge omkering van de Franse benaming voor dit kenmerkende proces: l'Anvers :‘het omgekeerde’ (Doran 2000) Cornips (te verschijnen) noemt ook een voorbeeld uit straattaal van een ver gelijkbare ‘omkering’: Jaxie in plaats van Ajax Uit de tot nu toe besproken gegevens blijkt dat straattaal in elk geval een prominent lexicaal verschijnsel is In de literatuur lopen de meningen uiteen wat betreft de vraag in hoeverre het lexicale aspect het enige kenmerkende aspect van straattaal is Van Krieken en Muysken (2004) maken bijvoorbeeld een expliciet onderscheid tussen straattaal enerzijds en etnolect (door Appel 1999 gedefinieerd als ‘“dialect” van een qua etnische herkomst specifieke bevolkingsgroep’) anderzijds In hun visie wordt straattaal gekenmerkt door veranderingen in het lexicon, terwijl er bij etnolecten daarentegen sprake is van afwijkende syntaxis, uitspraak en prosodie Ook Boumans (2003, 17) betoogt dat het zinvol is een onderscheid te maken tussen enerzijds de etnische variëteiten van het Nederlands en anderzijds de algemene of interetnische jongerentaal Anders dan Van Krieken en Muysken benadrukt hij echter dat etnolecten kunnen dienen als inspiratiebronnen voor jongerenvariëteiten, zodat er juist een overlap in kenmerken ontstaat, dat wil zeggen een combinatie van lexicale en grammaticale eigenschappen Boumans' dynamische benadering, waarbij expliciet ingegaan wordt op de manier waarop jongerentaal en etnische variëteiten elkaar beïnvloeden, komt ook aan de orde in de literatuur over taalcontact in het buitenland: Auer (2003, 156) betitelt het Türkenslang dat gedocumenteerd werd in verschillende Duitse steden als ‘ein jugendsprachlicher Etnolect ’Volgens hem verenigt deze variëteit de lexicale kenmerken van een jongerentaal met de grammaticale kenmerken Neerlandica extra Muros Jaargang 43 19 van een etnolect Op ver gelijkbare wijze noemt W iese (2004) de Berlijnse KiezSprache een ‘Ethnolecbased youth language’ In de volgende paragraaf zal blijken dat de straattaal, zoals die in dit onderzoek is gedocumenteerd, een combinatie is van lexicale en grammaticale kenmerken 32 Grammaticale verschijnselen Een eerste opvallend grammaticaal kenmerk van straattaal is een van het standaard Nederlands afwijkend gebruik van een aantal hulpwerkwoorden Om te beginnen wordt het werkwoord gaan gebruikt voor de neutrale uitdrukking van toekomende tijd in straattaal: 11) Als je naar mijn vader kijkt zie je mij Dan gaan ze mij ook niet mogen, toch? S3 a b Je gaat een brada krijgen, je gaat zien! S1 c Maar jij gaat een omweg maken T d Twee afoe ga je 'm vinden in de stad M5 In het standaard Nederlands kan de toekomende tijd op drie manieren worden uitgedrukt: eenvoudigweg als presens (12 a), met gaan (12 b) of met zullen (12 c): 12) Mor gen doe ik de boodschappen voor het feest a b Mor gen ga ik de boodschappen voor het feest doen c Mor gen zal ik de boodschappen voor het feest doen Het gebruik van het presens is in het standaard Nederlands in de meeste gevallen de neutrale vorm: zullen kan eventueel geassocieerd worden met onzekerheid (over de modale eigenschappen van dit hulpwerkwoord, zie Haeseryn et al 1997, 980), terwijl gaan gebruikt kan worden wanneer er sprake is van intentionaliteit bij een animaat subject (cf Cornips, te verschijnen) 8Dit laatste betekenisaspect lijkt niet aanwezig bij het straattaalgebruik van gaan in de toekomende tijd: in straattaal is de constructie van gaan met een infinitief de meest neutrale vorm Het is zeer goed mogelijk dat dit grammaticale verschijnsel afkomstig is uit het Surinaams Nederlands, waar dit ook het geval is (De Kleine, 220222) Overigens lijkt het erop dat dit semantisch neutraal gebruik van gaan in het futurum zich in straattaal uitbreidt over andere, zelfstandige werkwoorden, die functioneren als hulpwerkwoorden, zoals komen (13) en beginnen (14): 13) Ja, dat ik niet straks een Mokro op m'n dak kom krijgen S1 a b Niet stoer komen praten over Agga, oké? F 14) Begin eerst goed Nederlands te praten F Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 20 Beginnen kan bovendien gebruikt worden in het imperfectum of in de imperatief: 15) Dus hij begon ook niet meer te eten enzo S3 (ipv standaard Nederlands: Dus hij at ook niet meer enzo) a b Begin je smoel te houden! F(ipv standaard Nederlands: Hou je smoel!) Een tweede, veel beschreven grammaticaal kenmerk van straattaal is het gebruik van grammaticaal woordgeslacht In straattaal is sprake van over generalisatie van het nietneuter geslacht: de meeste het woorden krijgen het lidwoord de (zie 16 a) In overeenstemming met deze foutieve toewijzing van nietneuter geslacht aan het nomen krijgen ook bij het nomen behorende elementen de nietneuter vorm: die en deze in plaats van dit en dat (demonstratief (16 b) en relatief pronomen (16 c)) en toevoeging van eaan het attributief gebruikte adjectief (16 d): 16) De stokje is kapot M5 a b Die stuk hadden jullie ook kunnen opvragen M4 c Per bandje, die je volmaakt M3 d Hij heeft ook een nieuwe nummer M4 Dit van het standaard Nederlands afwijkend gebruik van woordgeslacht, is eveneens kenmerkend voor etnische variëteiten van het Nederlands (Cornips 2002 en Zekhnini 2001) Verder is het een verschijnsel dat ook voorkomt in andere gemengde jongerenregisters; zowel binnen het Nederlandse taalgebied, namelijk in het Algemeen Cités, gesproken in de arbeiders en migrantenwijken van Belgisch Limbur g (Ramaekers 1998) als daarbuiten, in de jongerentalen van Zweedse, Deense en Duitse steden (zie respectievelijk Kotsinas 1998 en 2001, Quist 2004 en Auer 2003) Bovendien komt dit kenmerk niet alleen voor in meertalige situaties; ook eentalig Nederlandssprekende kinderen maken bij hun taalverwerving een periode door waarbij het nietneuter woordgeslacht wordt over gegeneraliseerd: 17) Jij wil niet straks die boekje lezen? (Laura 3; 028) a b Een gevaarlijke mes (Sarah 3; 522) (V oorbeelden uit Cornips en De Rooij 2003, 8, zie ook Gillis en Schaerlaekens 2000) Dat het lastig is om het grammaticaal geslacht van het Nederlands te verwerven, hangt uiteraard samen met de ondoorzichtigheid ervan, waardoor bijna voor elk woord het geslacht apart geleerd moet worden Het feit dat de woorden in het Nederlands een stuk vaker voorkomen (75%) dan het woorden draagt verder bij aan verklaring van over generalisatie van het nietneuter geslacht Het gebrek aan Neerlandica extra Muros Jaargang 43 transparantie maakt het Nederlandse woordgeslacht systeem bovendien gevoelig voor verandering Dit blijkt niet alleen uit de straattaaldata, maar ook Neerlandica extra Muros Jaargang 43 21 uit andere variëteiten die onstonden in situaties waarbij het Nederlands in contact stond met andere talen In het (inmiddels uitgestorven) Negerhollands bestond het geslachtonderscheid niet en was het adjectief onveranderlijk nietverbogen Ook het Afrikaans verloor het Nederlandse onderscheid tussen neuter en nietneuter geslacht De daardoor onduidelijk geworden verbuigingsregel voor het adjectief veranderde in een fonologische regel: polysyllabische adjectieven krijgen in het Afrikaans wel de uitgang e(aangename weer ),maar monosyllabische niet (die sterkman) (Holm 2004, 98, Donaldson 1993, 170) In het Surinaams Nederlands is te zien hoe de vorm van anaforische pronomina bepaald wordt door het semantisch geslacht van het antecedent, in plaats van door het grammaticaal geslacht: 18) Ja er was een sluis ,dus je had een eh tijden dat het werd bediend door die sluiswachters Voorbeeld van De Kleine 2002, 225) Een belangrijke vraag, die overigens voor alle grammaticale kenmerken in straattaal geldt, is of de sprekers zich van de veranderingen in het gebruik van het woordgeslacht bewust zijn In het kader van de Duitse gemengde jongerentaal meent Auer (2003, 260) dat er wel degelijk sprake is van een keuzemogelijkheid bij de sprekers: zij zouden het standaard Duitse woordgeslachtsysteem beheersen en afhankelijk van de situatie ook gebruiken Cornips (te verschijnen) gaat er echter van uit dat sprekers, soms in tegenstelling tot hun lexicale keuzes, zich niet bewust zijn van hun grammatica In dit kader is onderstaande dialoog interessant: M5: Hee M4 doe eens die water! T:Doe eens die water ,toch? M5: Ja M1: Doe eens die water ,M4! T:Doe eens die water ,ja, het is die water of dat water? M5: Geef eens die water ,effe T:M1, M1! M1: Ja? T:Volg jij Nederlands? M1: Volg ik Nederlands? Nee T:Op school M1: Jij wel? T:Op school M1: Ik? Nee T:Nee? M1: Nee, jij wel? T:Moet je aanvragen M1: Ik? Aanvragen? T:Zeker weten Neerlandica extra Muros Jaargang 43 22 M1: W aarom? T:Als je niet eens weet het verschil tussen die water en dat water Deze conversatie laat zien dat niet alleen per situatie, maar ook per spreker variatie kan bestaan wat betreft de aanwezigheid en het bewustzijn van grammaticale verschijnselen in verschillende vormen van taalgebruik Een ander opvallend syntactisch verschijnsel in straattaal heeft te maken met subordinatie: bij werkwoorden als denken, weten, zien en hor en wordt vaak de complementeerder dat weggelaten en krijgt de complementzin hoofdzinvolgorde: 19) Hij denkt hij is boeng spang F a b Hij denkt hij is in Moskou met z'n dikke kleding S2 c Ik weet veel Surinamers lopen soms met een rode bandana F W oordvolgordeveranderingen zijn ook weer kenmerkend voor de contacttalen die hierboven werden genoemd in het kader van woordgeslacht In het Afrikaans bijvoorbeeld, wordt vaak het voegwoord dat weggelaten, waarbij dan de onder geschikte zin, net als in straattaal, in de volgorde van een hoofdzin wordt gerealiseerd: (20) Ek weet jy het dit gedoen Donaldson 1993, 146, geciteerd in Holm 2004, 123) In het Surinaams Nederlands heeft een andere soort volgordeverandering plaatsgevonden: terwijl in het standaard Nederlands inversie optreedt wanneer er een adverbium vooraan in de zin staat (Gister en was hij hier ,ipv Hij was gister en hier) ,gebeurt dat in het Surinaams Nederlands niet: 21) Toevallig hij is doodgegaan laatst (De Kleine 2002, 219) Precies hetzelfde gebeurt in het RinkebyZweeds, het multietnolect van Stockholm (Kotsinas 1998, 137), en in het Duitse Türkenslang (Auer 2003) Zowel dit verlies van inversie als de verandering in de volgorde van complementzinnen in straattaal is te interpreteren als een vereenvoudiging van het systeem, waarbij twee volgordes worden gereduceerd tot één Als laatste in deze paragraaf over de grammatica van straattaal wil ik nog kort de invloed van het Randstedelijke nietstandaard Nederlands noemen Een tweetal zeer veel voorkomende verschijnselen uit dit dialect zijn ook te vinden in straattaal: het gebruik van heb in plaats van heeft in de derde persoon enkelvoud (22 a) en het gebruik van hun in subjectfunctie (22 b): 22) Iedereen in Amerika heb deze gezien T a Neerlandica extra Muros Jaargang 43 b Hun zijn geil M5 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 23 Uit de in deze paragraaf besproken gegevens is gebleken dat straattaal niet uitsluitend een lexicaal verschijnsel is, maar ook grammaticale kenmerken heeft, die zich kunnen voordoen in een breder kader van taalcontact, zowel binnen als buiten Nederland In de volgende paragraaf worden de sociale aspecten van straattaal besproken 33 Het gebruik en de gebruikers van straattaal: sociale aspecten Door wie en waarom wordt straattaal nu precies gesproken? Het gebruik van straattaal signaleert het ‘anderszijn’ van de sprekers Jongeren willen zich onderscheiden: niet alleen van oudere mensen en kleine kinderen (zoals ‘gewone’ jongerentaal sprekers ook doen), maar in het bijzonder ook van de autochtone, eentalige meerderheid De vraag wie de sprekers van straattaal precies zijn, hangt cruciaal samen met het probleem dat in de inleiding werd genoemd: aangezien straattaal geen ‘afgeronde’ variëteit is, is het ook moeilijk vast te stellen wie aangemerkt kan worden als straattaalspreker Dit wordt gereflecteerd in de onenigheid over dit onderwerp in de taalcontactliteratuur Van Krieken en Muysken (2004) zijn bijvoorbeeld van mening dat straattaal gebruikt wordt door meerdere etnische groepen, waaronder ook autochtonen Karakteristiek voor etnolecten daarentegen is volgens hen dat deze worden gesproken door één etnische groep en niet door autochtonen Echter ,volgens Auer (2003), kan een etnolect ook worden geassocieerd (zowel door ‘insiders’ als door ‘outsiders’) met meer dan één allochtone groep Clyne (2000) spreekt in dit kader van een ‘multietnolect’ en voegt bovendien toe dat een der gelijke variëteit in sommige gevallen ook gebruikt kan worden door autochtone jongeren: () several minority gr oups use itcollectively to expr ess their minority status andlor as areaction to that status to upgrade it In some cases, wher emembers of the dominant (ethnic) gr oup, especially young people, shar eitwith the ethnic minorities (), itis the expr ession of anew kind of gr oup identity Voor dit laatste verschijnsel, het gebruik door autochtone jongeren van de multietnische taal om sociale grenzen te overschrijden, werd door Rampton (1995) de term crossing geïntroduceerd W at betreft mijn eigen veldwerk is moeilijk te zeggen of het feit dat er geen autochtonen deel uitmaakten van mijn informantengroep opgevat moet worden als ondersteuning voor de gedachte dat autochtonen geen straattaal zouden spreken Ik heb mij vooral gericht op het verzamelen van spontane gesproken data en heb geen specifieke vragen gesteld over de sociale functie van het taalgebruik Uit het onderzoek van Merlien Hardenber g(zie Cornips, te verschijnen en Cornips en De Rooij 2004) blijkt echter dat straattaal in principe alleen door jongeren met een nietNederlandse etniciteit gebruikt wordt Volgens haar informanten ‘horen’ Nederlanders het niet te spreken, behalve wanneer ze Neerlandica extra Muros Jaargang 43 24 intensief en persoonlijk omgaan met leden van andere etnische groepen In andere gevallen wordt het imiteren van straattaal door autochtone Nederlanders beschouwd als hinderlijk en tamelijk ridicuul gedrag Het onderzoek naar andere gemengde jongerentalen in Europa levert een ver gelijkbaar beeld op (zie bijvoorbeeld Hewitt 1986, Kotsinas 1998) 4 Samenvatting en conclusie Straattaal is zowel een taalkundig als een sociaal verschijnsel Op het taalkundige vlak is er sprake van zowel lexicale als grammaticale eigenaardigheden Veel inhoudswoorden in straattaal komen uit het Sranan en uit andere minderheidstalen, evenals uit het Engels Deze ontleningen worden gecombineerd met al dan niet bewust geconstrueerde woordvormen en woordbetekenissen De grammaticale eigenschappen van straattaal vinden hun oorsprong in etnisch Nederlands Als zodanig zijn het veranderingen die te maken hebben met vereenvoudiging van structuren Der gelijke processen zijn meer in het algemeen kenmerkend voor situaties van (tweede) taalverwerving en creolisering Jongeren die straattaal spreken, laten daarmee niet alleen zien dat ze anders zijn dan andere generaties, maar vooral dat ze anders zijn dan de eentalige, autochtone Nederlandse meerderheid Noot van de redactie: Allochtone meisjes spreken blijkbaar geen straattaal Neerlandica extra Muros Jaargang 43 25 Bibliografie APPEL ,R: ‘Straattaal: de mengtaal van jongeren in Amsterdam’ Toegepaste Taalwetenschap in Artikelen 62, 3955 (1999) APPEL ,REN SCHOONEN ,R: ‘Street language: amultilingual youth register in the Netherlands’ (ongepubliceerd manuscript) AUER ,P:‘Türkenslang; Ein jugendsprachliger Ethnolekt des Deutschen und seine Transformationen’ A Häcki Buhofer (Hrsg), Spracherwerb und Lebensalter Tübingen, 2003, 225264 BAKKER ,PEN M OUS ,M: ‘Introduction’ PBakker en M Mous (eds), Mixed languages 15 Case studies in language intertwining Amsterdam, 1994, 11 1 BAKKER ,PEN M UYSKEN ,P:‘Mixed language and language intertwining’ J Arends et al (eds), Pidgins and creoles An intr oduction Amsterdam en Philadelphia, 1995, 4152 BOUMANS ,L: ‘Zeima: een Noordafrikaans epistemisch partikel dat zich verspreidt’ Gramma= 10 1(2003), 126 CLYNE ,M: ‘Lingua franca and ethnolects in Europe and beyond’ Socioliguistica 14 (2000), 8389 CORNIPS ,L: ‘Etnisch Nederlands in Lombok’ H Bennis et al (red), Een buurt in beweging Talen en cultur en in het Utr echtse Lombok en Transvaal Amsterdam, 2002 CORNIPS ,L: ‘Straattaal: sociale betekenis en morfosyntactische verschijnselen’ M Devos, et al (red), te verschijnen CORNIPS ,LEN ROOIJ ,VDE :‘Jongerentaal heeft de toekomst’ Jan Stroop (red), Het Nederlands van nu en straks Waar gaat het Nederlandse naar toe? Amsterdam, 2003 DONALDSON ,B: A grammar of Afrikaans Berlijn en New York, 1993 DORAN ,M: ‘Speaking Verlan: Performing Hybrid Identity in Suburban Paris’ Paper read at the 2000 AAAL Conference GILLIS ,SEN SCHAERLAEKENS ,A (RED ):Kindertaalverwerving Een handboek voor het Nederlands Groningen, 2000 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 26 HEWITT ,R: White talk, black talk Interracial friendship and communication amongst adolescents Cambridge, 1986 HOLM ,J: Languages in contact; the partial restructuring of vernaculars Cambridge, 2004 KIEFING ,REN M OUS ,M: Urban youth languages in Africa Teverschijnen KLEINE ,CDE :‘Surinamese Dutch’ EB Carlin en J Arends (eds), Atlas of the languages of Suriname Leiden, 2002, 209230 KOTSINAS ,UB: ‘Language contact in Rinkeby ,an immigrant suburb’ JK Androutsopoulos en A Scholz (eds), Jugendsprache, Langue des jeunes, Youth language Frankfurt am Main, 1998, 125148 KOSTSINAS ,UB: ‘Pidginization, creolization and creoloids in Stockholm, Sweden’ N Smith en TVeenstra (eds), Cr eolization and contact Amsterdam, 2001, 125155 M UYSKEN ,PEN KRIEKEN ,EVAN :‘Ethnolect and straattaal in Nijmegen and elsewhere’ Paper presented at the Youth Language Symposium, Amsterdam, 27 februari 2004 NOR TIER ,J: Murks en straattaal; vriendschap en taalgebruik onder jonger en Amsterdam, 2001 QUIST ,P:‘Creating identities of crossing Examples from aCopenhagen high school’ Paper presented at Sociolinguistics Symposium 15, NewcastleuponT yne, 14 april 2004 RAMAEKERS ,W :‘Mi, maak me geen eiers! Het Algemeen Cités’ Onze Taal 4(1998), 9495 RAMPT ON ,B: Cr ossing: language and ethnicity among adolescents Londen en New York, 1995 SMITH ,N: ‘An annotated list of creoles, pidgins, and mixed languages’ J Arends et al (eds), Pidgins and Cr eoles: An intr oduction Amsterdam, 1995 SNIJDERS ,R: Surinaams van de straat Sranantongo fu strati Amsterdam, 2000, 5e uitgebreide druk W IESE ,H: ‘Grammatical reduction in multiethnic adolescent communication: The rise of new contact languages?’ Paper presented at the Sociolinguistics Symposium 15, NewcastleuponT yne, 14 april 2004 ZEKHNINI ,A: ‘T oen zei ie: “W at een gladde hoofd!” Het gebruik van woordgeslacht in Lombokse moppen’ TMeder (red), ‘Er war en een Mar okkaan, een Turk en een Nederlander ’ Volkskundige en taalkundige opstellen over het vertellen van moppen in de multicultur ele wijk Lombok Amsterdam, 2001 Eindnoten: 1 Ik ben veel dank verschuldigd aan Leonie Cornips en René Appel voor hun commentaar op een eerdere versie van dit artikel Neerlandica extra Muros Jaargang 43 2 Appel 1999 Zie Appel en Schoonen (ongepubliceerd manuscript) voor een vervolgstudie Verder gaat Nortier 2001 specifiek in op jongerentaal in de stad Utrecht 3 www network54com/Forum/121533?it=212_en www rotterdamswijktheater nl Een andere leuke, Surinaams georiënteerde website is: www bradaznl 4 Voor de verklaringen van de herkomst van de nietNederlandse woorden in straattaal heb ik gebruik gemaakt van Snijders 2000 en Boumans 2003, en overigens van mijn eigen kennis van het Engels, Spaans en (in mindere mate) Papiaments 5 Zeer veel straattaalwoorden die uit het Sranan komen, zijn op hun beurt afkomstig van de lexifier language Engels, zoals bijvoorbeeld trobie van trouble, torie van story en osso van house 6 Hopelijk ten overvloede (zie Appel 1999) benadruk ikhier dat het gebruik van lexicale elementen uit andere talen niets temaken heeft met een gebrekkige taalvaardigheid in het Nederlands Straattaal kwam in de jaren negentig negatief in de publiciteit als ‘smurfentaal’: een straattaalspreker zou bijvoorbeeld het woord ‘osso’ gebruiken, omdat hij het Nederlandse woord ‘huis’ niet zou kennen (zoals de blauwe kabouters erom bekend staan veel woorden tevervangen door ‘smurf ’) Het onderzoek van Appel liet juist een positieve correlatie zien tussen goede taalvaardigheid in het Nederlands en het gebruik van straattaal: het vereist een gedegen taalbeheersing om creatief met talig materiaal om tekunnen gaan in de vorm van mixen 7 Natuurlijk isdit verschijnsel niet uniek voor straattaal: alle Engelse leenwoorden worden op dezelfde manier morfologisch ingebed, zoals bijvoorbeeld bij gemaild of geüpdate 8 Appel (persoonlijke communicatie) merkt terecht op dat hierbij geen rekening gehouden ismet vormen in de alledaagse Nederlandse spreektaal Volgens zijn, naar eigen zeggen nietsystematische observaties, zou het gebruik van ‘gaan’ bij de toekomende tijd voor een deel over genomen worden door ‘zullen’ Deze hypothese zou met behulp van corpusonderzoek kwantitatief kunnen worden getoetst Hetzelfde geldt voor het gebruik in de Nederlandse spreektaal van andere ‘straattaalconstructies’ zoals bijvoorbeeld het weglaten van de complementeerder Neerlandica extra Muros Jaargang 43 27 Philippe Hiligsmann Enkele recente woordenboeken Nederlands onder de NVTloep 1 Inleiding In dit besprekingsartikel worden enkele recente woordenboeken onder de loep genomen Sinds het begin van de 21ste eeuw is de Nederlandse lexicografische wereld bijzonder actief Behalve geheel herziene edities van bestaande woordenboeken, zoals de derde druk van Van Dale Gr oot woor denboek hedendaags Nederlands (V an Sterkenbur g2002, voortaan HVD), zijn er de laatste drie jaar nieuwe woordenboeken verschenen: de eerste druk van Kramers Woor denboek Nederlands (Coenders et al 2002, voortaan KRA), de eerste druk van Van Dale Pocketwoor denboek Nederlands als tweede taal (NT2) (V erbur gen Stumpel 2003, voortaan VDNT2), het Combinatiewoor denboek van Nederlandse substantieven met hun vaste verba (De Kleijn 2003, voortaan DK), het VlaamsNederlands woor denboek (Bakema et al 2003, voortaan VLNL) Aangezien de samenstellers niet dezelfde doelgroep op het oog hebben, is het zeker niet overbodig de woordenboeken in kwestie binnen een typologie te plaatsen Hiervoor is uitgegaan van Swanepoel (2003, 4867) In navolging van Swanepoels typologie kunnen taalkundige woordenboeken onderverdeeld worden in een of twee/meertalige woordenboeken Binnen de eentalige/monolinguale of verklarende woordenboeken kan er afhankelijk van het beschreven taalgebruik een onderscheid worden gemaakt tussen historische/diachrone en synchrone woordenboeken Binnen de algemene synchrone woordenboeken kunnen er drie grote subcategorieën worden onderscheiden: ‘comprehensive synchronic dictionaries’ zoals het meerdelige Woor denboek der Nederlandsche Taal (WNT), ‘standard synchronic dictionaries’ zoals de vele (vaak ééndelige) (hand)woordenboeken die tot doel hebben de standaardtaal te beschrijven en de zgn leer(ders)woordenboeken (‘pedagogical dictionaries’) die bedoeld zijn voor vreemde en tweedetaalleerders Van de vijf bovengenoemde woordenboeken zijn er drie die onder deze categorie vallen: HVD en KRA zijn algemene synchrone woordenboeken, terwijl VDNT2 het allereerste leer(ders)woordenboek van het Nederlands is Naast algemene woordenboeken zijn er ook gespecialiseerde en vaktaalwoordenboeken Zulke woordenboeken onderscheiden zich van algemene woordenboeken door de macro en microstructurele beperkingen 1die de redacteuren zichzelf opleggen, bijvoorbeeld basis, dialect, collocatie, uitdrukkingen en synoniemenwoorden Neerlandica extra Muros Jaargang 43 28 boeken Onder deze categorie vallen de twee andere woordenboeken, namelijk DK en VLNL In 2worden de vijf bovengenoemde woordenboeken afzonderlijk gepresenteerd In 21 staan de twee gespecialiseerde woordenboeken centraal, namelijk DK en VLNL De drie synchrone woordenboeken komen in 22 (HVD en KRA) en in 23 (VDNT2) aan bod In 24 wordt ingegaan op de kwaliteit van de opgenomen definities in de drie synchrone woordenboeken 2 Presentatie van de vijf woordenboeken 21 De gespecialiseerde en vaktaalwoordenboeken: DK en VLNL DK is in de eerste plaats bedoeld voor ‘personen van wie het Nederlands niet de moedertaal is’ (5) Ten grondslag aan dit (pioniers)werk ligt een dubbele constatering Ten eerste: het Nederlands kent veel vaste nietidiomatische combinaties van een substantief en een verbum, zonder welke ‘[g]een enkele taalgebruiker en geen enkele taalleerder () adequaat [kan] functioneren’ (5) Ten tweede is de behandeling van zulke vaste combinaties in alle bestaande woordenboeken ergonvolledig en willekeurig (zie in dit verband De Kleijn 1999) DK is dan ook een welkome aanvulling op de bestaande Nederlandse woordenboeken DK bevat de nietidiomatische, vaste verbindingen van 3000 substantieven met hun verba en verbale uitdrukkingen Andere vaste verbindingen (bijvoorbeeld adjectief +substantief) en idiomatische verbindingen worden niet behandeld De substantieven zijn ‘geselecteerd op grond van frequentie, verbindbaarheid met verba en nut voor de doelgroep’ (10) Hiervoor is onder andere uitgegaan van Van Dales Basiswoor denboek van de Nederlandse taal (1987) Omdat synonieme en betekenisverwante substantieven (bijvoorbeeld hyponiemen) vaak met dezelfde verba gecombineerd worden, heeft De Kleijn besloten om die substantieven groepsgewijs te behandelen Bij de ingang bedrijf wordt er onder andere naar concern, fabriek en maatschappij verwezen De gebruiker kan er hierbij van uitgaan dat de opgenomen verba zowel met bedrijf als met alle betekenisverwante substantieven gecombineerd kunnen worden Ook de leden van een groep worden niet allemaal afzonderlijk behandeld Substantieven zoals appel, banaan, druif enz worden als representanten van de categorie of groep fruit behandeld Indien bepaalde verba toch niet met alle synoniemen of hyponiemen gebruikt worden, wordt dat in een voetnoot aangegeven De synonieme substantieven en de substantieven die deel uitmaken van een groep worden uiteraard ook afzonderlijk in het woordenboek opgenomen, met verwijzing naar het substantief respectievelijk de groep waar het behandeld wordt (8) Aangezien bijna alle substantieven gepaard kunnen gaan met meer dan één werkwoord, heeft De Kleijn ernaar gestreefd ‘deze verba zoveel mogelijk te presenteren in een logische samenhang’ (7) Een bedrijf wordt bijvoorbeeld opgericht /opgezet /opgebouwd /geopend voordat het geëxploiteer d/geleid /gerund wordt of voordat het draait /loopt /functioneert De enige uitzondering hierop Neerlandica extra Muros Jaargang 43 29 heeft betrekking op de antoniemen die opgenomen worden meteen na de verba waaraan ze tegengesteld zijn Sluiten, opdoeken staan dan ook meteen na openen en worden door het <>teken voorafgegaan De verba die niet in de logische samenhang passen, worden als ‘restgroep’ opgenomen (7) Verder staat er bij elke combinatie van substantief +verbum een voorbeeldzin die speciaal voor het woordenboek is gemaakt Op die manier wordt het de gebruiker duidelijk hoe de bewuste combinatie zich syntactisch gedraagt Om aan te geven dat een bepaald woord binnen een vaste verbinding vervangen kan worden door een soortgelijk woord, is in DK gebruik gemaakt van () In de verbinding: bruine () hebben bij oog kan bruine vervangen worden door een soortgelijk adjectief, bijvoorbeeld blauwe (9) Jammer genoeg heeft DK geen soortgelijk systeem gebruikt voor lidwoorden De vaste verbindingen worden altijd zonder (on)bepaald lidwoord vermeld, ook al wordt de vaste verbinding verplicht met of zonder (on)bepaald lidwoord gebezigd Bij nieuws staat de verbinding in zijn dus voor in het nieuws zijn ;bij onrust staat stoken voor onrust stoken Ook al ‘zullen de voorbeeldzinnen een indicatie geven over het gebruik van het lidwoord’ (7), ik ben toch van mening dat de beoogde doelgroep, namelijk NVT en NT2leerders, baat hebben bij preciezere informatie over het (niet)gebruik van het (on)bepaald lidwoord W ellicht kan voor de tweede druk van DK aan het volgende compromis worden gedacht: in de vaste verbinding zelf expliciet aangeven waar het (on)bepaald lidwoord verplicht aanof afwezig is: bijvoorbeeld bij nieuws :in het zijn ,bij onrust :stoken Als er verschillende mogelijkheden zijn, zouden die tussen haakjes aangegeven kunnen worden, bijvoorbeeld bij bedrijf :(het, een) openen In de inleiding gaat De Kleijn ook in op de ‘pragmatische aanpak’ die hij gevolgd heeft bij het zoeken naar de combinaties substantief +werkwoord voor de 3000 ingangen van zijn woordenboek (101 1) Immers: ‘systematisch zoeken naar verba bij 3000 (en als ook op de meervoudsvorm moet worden gezocht 6000) substantieven () was qua tijdsbeslag en werklast absoluut onmogelijk’ (10) De Kleijn heeft bronnen zoals de tekstcorpora van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (Leiden) en de archieven van Nederlandse kranten dan ook slechts incidenteel geraadpleegd Zijn pragmatische aanpak houdt in dat er in eerste instantie in verschillende verklarende en synoniemenwoordenboeken systematisch gezocht is naar vaste verba Verder heeft hij de gevonden verbindingen met elkaar ver geleken ‘Dit betekent dat de verba die gevonden waren bij substantief aver geleken werden met de verba bij het min of meer verwante substantief b(c enz) en/of met substantieven die geplaatst kunnen worden in hetzelfde semantische veld’ (10) Ten slotte zijn veel verbindingen ‘tot stand gekomen door associatie of door mij af te vragen: W elke verba bewegen zich “in een kring” rond het geselecteerde substantief of wat zijn de verschillende stadia die het substantief doorloopt (ontstaan, beginnen, aanwezig zijn, groter worden, kleiner worden, eindigen, verdwijnen enz)’ (11) Het lijdt geen twijfel dat De Kleijns aanpak goede resultaten heeft opgeleverd (zie in dit verband Miceli (2004) voor een ver gelijking van DK en corpusge Neerlandica extra Muros Jaargang 43 30 gevens voor werkwoordsparen die het stijgen of dalen van een economische variabele uitdrukken) Toch valt het enigszins te betreuren dat er in DK geen enkele indicatie wordt gegeven van de relatieve frequentie van de synonieme werkwoorden Ondanks bovengenoemde iets minder positieve kenmerken zouden veel lexicografen een voorbeeld kunnen nemen aan het pioniers en monnikenwerk dat ten grondslag lag aan het Combinatiewoor denboek Zoals reeds gezegd, is DK onder andere tot stand gekomen omdat de behandeling van vaste nietidiomatische combinaties in alle bestaande woordenboeken ‘zeer onvolledig en zeer willekeurig’ is (De Kleijn 2003, 5 Zie ook De Kleijn 1999) 2Verder is DK van onschatbare waarde voor ontwikkelaars van NVT en NT2materiaal Ten slotte zouden (gevorderde) leerders van het Nederlands het Combinatiewoor denboek niet alleen als naslagwerk kunnen gebruiken maar ook als leer(woorden)boek VLNL probeert ‘een deel van de Vlaamse woordenschat te inventariseren, waarbij [de samenstellers] vooral oog hebben voor de verschillen met het Nederlands’ (8) Ook al richt het boek zich tot ‘iedereen die in het Nederlands geïnteresseerd is of die zijn ervaring aan beide kanten van de grens wil toetsen’ (8), men krijgt toch snel het gevoel dat het boek voor Nederlanders is bedoeld Dit blijkt onder andere uit het feit dat de samenstellers vrij vaak slechts een omschrijving van het Vlaamse begrip opnemen, terwijl er een Nederlands equivalent bestaat Naast het Vlaamse onr oer ende voor heffing bijvoorbeeld ontbreekt het Nederlandse onr oer endezaakbelasting Naast woorden waarvan een (of meer) betekenis(sen) typisch is (zijn) voor Vlaanderen, bestaat een groot deel van het corpus uit ‘specifiek Vlaamse collocaties, idiomen en uitdrukkingen’ (9) Een van de verdiensten van de samenstellers van dit woordenboek is het opnemen van citaten uit de Vlaamse pers (met bronvermelding) als illustratie bij de meeste trefwoorden of uitdrukkingen Er is ook rekening gehouden met de ‘verschillende verhoudingen’ tussen Vlaamse en Nederlandse woorden (8): van ‘woorden die zaken noemen die in Nederland onbekend zijn, zoals alarmpr ocedur e, gewest, taalr ol’(8) is een betekenisomschrijving gegeven; ‘officiële termen, zoals schepen [in Nederland: wethouder] of pr ocur eur des konings [in Nederland: officier van justitie]’ (8) krijgen het label naast zich; naast de vele nietofficiële woorden staan ‘een of meer algemeen Nederlandse synoniemen van het Vlaamse woord’ (89) 3 22 De algemene woordenboeken: HVD en KRA De redactie van HVD typeert haar woordenboek als een ‘typisch gebruikswoordenboek’ dat met zijn ca 90000 trefwoorden ‘een overzicht [moet] geven van actueel, gebruikelijk Nederlands’ (XI) Ten opzichte van de vorige druk is HVD uitvoerig bewerkt Er zijn zo'n 3900 nieuwe trefwoorden toegevoegd, zoals amusementswaar de, eur omunt, onthaasten en zoekmachine Onder de nieuwe trefwoorden is er ook een grote hoeveelheid nieuwe BelgischNederlandse woorden, zoals gezondheidsindex en SISkaart (XI) Vermeldenswaard is ook dat Neerlandica extra Muros Jaargang 43 31 werkwoorden met een vast voorzetsel als aparte ingangen zijn opgenomen (bijvoorbeeld afgaan op, houden van, uitgaan naar )Hiervoor is terecht afgeweken van de strikt alfabetische volgorde: uitgaan van bijvoorbeeld wordt meteen na uitgaan, uitgaan naar en uitgaan op verklaard en niet na uitgaansverbod Verder is de artikelstructuur volledig herzien: de in de eerste druk ingevoerde cijferpuntcijfercode voor de ordening van woordgroepen is vervangen door een strikt alfabetische ordening van woordgroepen, 4met een kleurmarkering van het ‘gidswoord’, dit is het opzoekwoord van een woordgroep (XIII) Als de gebruiker een bepaalde woordgroep opzoekt, kan hij immers zijn weg naar de opgezochte woordcombinatie makkelijker vinden door in eerste instantie uitsluitend naar de woorden in het blauw te kijken Een andere nieuwigheid betreft het opnemen binnen de artikelen van de betekenisverwante woorden uit het Van Dale Gr oot woor denboek van Synoniemen Met betekenisverwante woorden worden niet alleen synoniemen bedoeld maar ook antoniemen, hyperoniemen (dit is overkoepelende termen) en hyponiemen (dit is woorden met een nauwere betekenis) Een voorbeeld ter illustratie: naast de eerste betekenis van aanbidden ,namelijk ‘als goddelijk wezen vereren’ staat het hyperoniem eren ,bij de tweede betekenis, namelijk ‘(iem) met geestdrift bewonderen’ worden onder andere de volgende synoniemen opgenomen: aan iemands voeten liggen, ador eren, iem op een voetstuk plaatsen, iem op handen dragen, verafgoden, weglopen met en enkele hyponiemen, onder andere iem naar de ogen zien Door betekenisverwante woorden bij de alfabetisch gerangschikte trefwoorden op te nemen, vervult HVD eveneens een onomasiologische functie (cf infra) Op die manier is het tevens op taalproductie gericht Nieuw zijn ook de kaderteksten Die hebben betrekking op algemene zaken, zoals dieren, emoticons, het schoolsysteem in Nederland, het schoolsysteem in België, vitamine, en op grammatica (morfologie en syntaxis): achtervoegsel, afleiding, morfeem, 'tkofschip, valentie; balansschikking, ellips, hoofdzin, woordvolgorde KRA biedt in één band ‘een algemeen verklarend woordenboek, een zakenwoordenboek en een synoniemenwoordenboek’ (V) dat voor een breed publiek is bedoeld Het bevat ca 75000 trefwoorden, waaronder enkele duizenden ‘die vooral betrekking hebben op domeinen in de zakelijke sfeer ’(V), zoals marketing, economie, bank en geldwezen, recht en ICT In ver gelijking met andere woordenboeken van dit type heeft KRA vrij veel termen of gebruikswijzen van termen die typisch zijn voor het BelgischNederlands Bijzonder nuttig voor de gebruiker zijn de synoniemen en betekenisverwante woorden die onderaan op elke pagina zijn afgedrukt en die telkens corresponderen met de trefwoorden op dezelfde pagina De redactie heeft betekenisverwantschap ruim opgevat: ze heeft ‘niet alleen de strikte synoniemen () opgenomen (nuttig handig, dienstbaar ), maar ook woorden die betekenisverwant zijn en misschien een grammaticaal of stilistisch van het trefwoord afwijkend gebruik in het Nederlands hebben (slim bedachtzaam, schrander ,, maar ook: Neerlandica extra Muros Jaargang 43 32 goochem, gewiekst,)’ (VIII) Jammer is echter dat de redactie zich hier meestal beperkt heeft tot het woordniveau Synonieme of betekenisverwante uitdrukkingen komen er namelijk niet systematisch in voor Naast definities staan er in KRA talrijke voorbeeldzinnetjes die het (syntactische) gebruik van de trefwoorden illustreren Om de gebruiksvriendelijkheid te verhogen, heeft de redactie gebruik gemaakt van onderstreepte labels om aan te geven dat een woord (of een betekenis ervan) typisch is voor een vakgebied (recht, computer ,), een dialect of een groep taalgebruikers Naast hun (traditionele) semasiologische functie vervullen HVD en KRA ook een onomasiologische functie Deze verklarende woordenboeken kunnen immers ook als synoniemenwoordenboeken worden gebruikt In HVD worden de synoniemen en betekenisverwante termen binnen de artikelen zelf geclusterd (zie in dit verband de tabellen 1en 2), in KRA staan ze onderaan op de pagina (cf supra) Aangezien de betekenisverwantschap zowel in HVD als in KRA ruim is genomen, dient de gebruiker die zijn taalgebruik wil nuanceren of variëren, voorzichtigheid aan de dag te leggen HVD neemt de volgende termen zonder label als synoniemen van loon op: arbeidsloon, bezoldiging, pr ee, salaris, traktement en wedde ,in KRA staan vermeld: bezoldiging, inkomsten, pr ee, remuneratie, salariëring, salaris, soldij, ver dienste, ver goeding, wedde In de algemene betekenis van loon komen pr ee en wedde uitsluitend in België voor (beide termen staan trouwens ook in VLNL) Verder is de betekenis van bezoldiging ,van traktement en van soldij duidelijk nauwer dan die van loon en salaris Zoals reeds gezegd, valt het te betreuren dat KRA bijna uitsluitend synoniemen op woordniveau opgenomen heeft Synonieme of betekenisverwante uitdrukkingen komen er niet systematisch in voor Bij bijdehand ontbreekt bijvoorbeeld de synonieme uitdrukking bij de pinken De opgenomen synoniemen en betekenisverwante termen maken het ook mogelijk na te gaan in welke mate de samenstellers van het woordenboek enige systematiek aan de dag hebben gelegd voor wat de macrostructuur betreft HVD vermeldt taal als hyperoniem van Amerikaans en van Vlaams ,bij Duits, Engels, Frans, Nederlands en Turks is het hyperonieme taal (in het blauw) gemarkeerd Bij het lemma taal vindt men alle namen van talen, waaronder de zonet genoemde termen, als hyponiemen Bij het doornemen van de lijst hyponiemen bij taal constateert men dat het woordenboek vreemde lacunes vertoont ServoKr oatisch en Turks staan wel in HVD, Hongaars, Pools, Sloveens en Tsjechisch niet! Catalaans wel, Baskisch niet! Frankisch wel, Saksisch niet! Het is verder zeer de vraag waarom Hollands en Waals, sociolect en vaktaal niet als hyponiemen bij taal opgenomen zijn, terwijl ze wel degelijk als ingang fungeren 23 Het leer(ders)woordenboek VDNT2 VDNT2 is, voor zover ik weet, het eerste leer(ders)woordenboek van het Nederlands In dit woordenboek is‘vooral basisinformatie () opgenomen, en met name informatie Neerlandica extra Muros Jaargang 43 die gericht is op betekenis en begrip’ (787) Verder hebben de samenstellers ook besloten synoniemen en antoniemen op te nemen, omdat die Neerlandica extra Muros Jaargang 43 33 ‘soms kunnen helpen de betekenis van een woord te begrijpen, zeker als dat synoniem een internationaal karakter heeft’ (791) Voor de definitie van de ruim 14000 trefwoorden is een beroep gedaan op de 2000 woorden uit het Basiswoor denboek Nederlands van De Kleijn en Nieuwbor g, ‘een boeiende uitdaging’ die de redactie ‘soms voor de keus stelde om duidelijkheid en eenvoud boven precisie te stellen’ (789) Om al te ingewikkelde definities te vermijden, zijn de samenstellers soms van dit systeem afgeweken door binnen de definitie een woord te gebruiken dat niet in het Basiswoor denboek staat of door naast de ingang een tekening op te nemen die de betekenis van het woord duidelijker maakt (zie 24) Bij het selecteren van de trefwoorden zijn de samenstellers uitgegaan van een door Van Dale aangelegd bestand van vijf jaar gangen van Nederlandstalige dagbladen Behalve woorden die vaak in krantenmateriaal voorkomen, hebben ze ook plaats ingeruimd voor ‘zaken die in het dagelijks leven frequent voorkomen (tandpasta, kam )’ (787) In tegenstelling tot de meeste woordenboeken wordt er voor de valentie van de werkwoorden naast voorbeeldzinnen een beroep gedaan op een kort zinnetje met het werkwoord, het subject en de eventuele objecten Naast de eerste betekenis van manker en (‘niet helemaal goed zijn’) staat bijvoorbeeld [er mankeert iets (aan iets)] Naast de tweede betekenis (‘niet gezond zijn; een ziekte hebben’) treft men [iemand mankeert iets] aan Net als HVD neemt VDNT2 werkwoorden met een verplicht vast voorzetsel als aparte ingangen op, bijvoorbeeld ontbr eken aan Verder vindt de gebruiker in VDNT2 een aantal ‘informatieve teksten’ over de Nederlandse en Belgische samenleving (bijvoorbeeld maaltijden, politiek, religie,) Ook typografisch onderscheidt VDNT2 zich van andere woordenboeken: de ingangen zijn in het blauw gedrukt, wat een betere opzoekbaarheid met zich meebrengt, en het genus staat vóór elk substantief Ook bij de synoniemen van substantieven wordt systematisch het lidwoord vermeld Ten slotte dient ook vermeld dat de uitspraak van alle trefwoorden beluisterd kan worden op de gratis bijgeleverde cd 24 De definities in de drie synchr one woordenboeken In deze paragraaf staat een lexicografisch aspect centraal dat van belang is voor NVT en NT2leerders, namelijk definities Ook al horen definities tot de kern van de lexicografische activiteit, toch worden woordenboeken eigenaardig genoeg vrij zelden naar de kwaliteit van de opgenomen definities beoordeeld Op de zwakheden van woordenboekdefinities is al meermaals gewezen (zie onder andere W ierzbicka 1996, Verlinde et al 1998 en Hiligsmann (te verschijnen)) W oordenboekdefinities zijn wel eens circulair: X wordt met Y geparafraseerd en Y wordt dan weer omschreven met X Hiernaast lijden definities vaak ook aan obscuriteit of opaciteit, waarbij ze soms moeilijker termen bevatten dan de te definiëren term zelf Ook al ben ik me ervan bewust dat het hier om een algemeen probleem gaat dat weliswaar niet specifiek van toepassing is op de bovengenoemde woordenboeken, het lijkt me toch nuttig hierbij stil te staan: als iemand naar het Neerlandica extra Muros Jaargang 43 34 Tabel 1: Enkele namen van vissen in HVD, KRA en VDNT25 5 VDNT2 KRA HVD een vis die in zoet water leeft + tekening zalmachtige vis in ber gstromen, Salmo trutta of Salmo gair dneri zalmachtige, gevlekte zoetwatervis, ↓ beekforel, regenboogforel for el een vis +tekening +kadertje 6 bekende, voor consumptie geschikte zeevis (Clupea har engus ) zilver grijze zoutwatervis, ↑ zeevis ↓bokking, grasharing, groenharing, haring harderwijker , kantjesharing, kipper ,kolharing, koninginnenharing, kuilharing, kuitharing, maatjesharing, pekelharing, rolmops een soort vis + tekening koppotig weekdier koppotig weekdier met vangarmen en inktvis een klier die een zwart vocht afscheidt, vaak ook met inwendige schelp, ↓kraak, octopus, pijlinktvis, zeekat een vis +tekening schelvisachtige zeevis (Gadus zoutwatervis met een witte streep over de flank, ↑ zeevis ↓stokvis kabeljauw mor hua ),die veel voor de consumptie gevangen wordt een lange, dunne vis +tekening vissenfamilie waarvan de leden slangvormige vis van de soort paling een slangachtig Anguilla anguilla, lichaam hebben, → aal, meeraal ↓ vooral de in Europa aal, glasaal, zilveraal voorkomende soort Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Anguilla anguilla , ook aal genoemd een vis +tekening platvissoort met een gladde huid en veel gegeten soort platvis, → pladijs ↓ spreischol schol kleine schubben, levend als bodemvis, onder andere in de Noordzee (Pleur onectes platessa ) een grote vis die in zoet water zwemt + tekening grote, van roof levende zoetwatervis, Esox lucius vraatzuchtige roofvis met een gestrekt lichaam en platte kop, waarvan alle benige delen snoek met tanden bezet zijn, ↑zoetwatervis ↓jager een vis tongvormige platvis uit de familie platvis van de soort Solea solea ↓las, sliptong tong Soleidae, gekenmerkt door op de rechterzijde gelegen ogen, onder andere voorkomend in de Noordzee een vis +tekening grote makreelachtige vis, (sub)tropische zeevis van het geslacht Thunnus tonijn veel voorkomend in de Middellandse Zee (Thunnus thynnus ) een vis met roze vlees, die veel gegeten wordt zeevis met roze of rood vlees die voor het kuitschieten de rivieren opzwemt in de noordelijke zeeën levende weekvinnige vis met rood vlees, die zalm de rivieren opzwemt om kuit te schieten Neerlandica extra Muros Jaargang 43 35 woordenboek grijpt, dan is dat over het algemeen in de eerste plaats om de definitie van een term op te zoeken In wat volgt, wordt dan ook onder andere kort ingegaan op het gebrek aan een systematische definitiestijl van verwante termen of termen die tot eenzelfde familie behoren, iets waar de woordenboekgebruikers (in het bijzonder NVT en NT2leerders) behoefte aan hebben om een bepaalde term van andere te kunnen onderscheiden (zie in dit verband ook Hiligsmann te verschijnen) Dit wil ik illustreren aan de hand van enkele voorbeelden uit HVD, KRA en VDNT2 In tabel 1vindt men definities van enkele namen van vissen W at uit tabel 1duidelijk naar voren komt, is de uiteenlopende manier waarop termen die tot eenzelfde familie behoren, ic namen van vissen, in HVD, KRA en VDNT2 gedefinieerd worden Ten eerste zou ik willen wijzen op het gebrek aan nuttige informatie Men kan zich bijvoorbeeld afvragen waarom er niet bij elke vis in tabel 1staat of het een zoutwater/zeevis of een zoetwatervis is Verder zijn al die vissen voor consumptie geschikt Aangezien andere vissoorten niet voor consumptie geschikt zijn, zou het wellicht niet overbodig zijn dat stukje informatie op te nemen bij alle vissen die gegeten kunnen worden Ten tweede: in de definitie van een term hoort geen woord te worden gebruikt dat moeilijker is dan de te definiëren term zelf Als iemand bijvoorbeeld het woord kabeljauw opzoekt, dan is de kans groot dat hij/zij ook de term ‘schelvis’ (KRA) niet kent, wat impliceert dat hij/zij er in dat geval toe gedwongen zal worden dat woord op te zoeken Ook de samenstellers van VDNT2 hebben voor hun leerderswoordenboek niet altijd een beroep gedaan op een homogene definitiestijl Op basis van tabel 1kan men bijvoorbeeld betreuren dat niet alle namen van vissen een tekening naast zich hebben gekregen Het is eveneens de vraag waarom er slechts bij enkele vissoorten een distinctieve eigenschap wordt opgenomen (bijvoorbeeld for el, paling )Om haring, kabeljauw ,schol en tonijn van elkaar te onderscheiden, is de gebruiker aangewezen op de tekening Bij tong moet hij het zelfs zonder tekening stellen en genoegen nemen met het feit dat de tong ‘een vis’ is! Ten slotte komt het wel eens voor dat definities niet nauwkeurig genoeg of helemaal verkeerd zijn In VDNT2 wordt bijvoorbeeld inktvis verkeerd gedefinieerd Een inktvis is niet ‘een soort vis’ maar een weekdier (cf de definitie in HVD en in KRA) De samenstellers van VDNT2 hebben zich bij deze definitie blijkbaar laten misleiden door de morfologische opbouw van het woord Ook HVD en KRA laten in dit verband af en toe een steek vallen Dit is onder andere het geval met de definitie van Waals (cf tabel 2) Het W aals is niet ‘het Frans dat in W allonië gesproken wordt’, maar een romaans dialect dat in W allonië [het zuidelijke deel van België] (door steeds minder mensen) gesproken wordt Voor het Frans dat in W allonië gesproken wordt, wordt de benaming BelgischFrans gehanteerd Het gebrek aan nauwkeurigheid kan verder worden geïllustreerd aan de hand van enkele andere voorbeelden van namen van talen (tabel 2) Neerlandica extra Muros Jaargang 43 36 Tabel 2: Enkele namen van talen in HVD, KRA en VDNT2 VDNT2 KRA HVD de taal die in Nederland wordt 1 de taal van Holland (bet 2[= Nederlands Hollands gesproken =het Nederlands populaire benaming voor Nederland]); het Nederlands 2 de tongval van Holland (bet 1[= de provincies Noord en ZuidHolland tezamen; het gebied van het voormalige graafschap Holland] de taal die in Nederland en in de taal die gesproken wordt in de algemene taal van Nederland en Nederlands Vlaanderen wordt gesproken Nederland, NoordBelgië en de Vlaanderen, → Hollands ↓Indisch, noordwesthoek van MiddelNederlands, Frankrijk, tevens OudNederlands, ZuidNederlands officiële taal in Suriname en op de Nederlandse Antillen het Nederlands zoals dat in België gesproken wordt de taal van de Vlamingen, de in Vlaanderen gesproken dialecten het Nederlands dat in de Nederlandstalige gewesten van Vlaams België gesproken wordt, ↑taal ↓ Verkavelingsvlaams / Frans zoals dat in W allonië en een het Frans dat in W allonië wordt gesproken W aals deel van NoordFrankrijk wordt gesproken Uit tabel 2blijkt dat HVD en VDNT2 Nederlands en Hollands vrij onnauwkeurig gedefinieerd hebben, althans in ver gelijking met de definitie in KRA W at Vlaams betreft, hadden de samenstellers van de drie woordenboeken (naar het voorbeeld van de definitie van Hollands in KRA) een onderscheid moeten maken tussen twee betekenissen, namelijk de tongval van de Belgische provincies Oost en W estVlaanderen, en de betekenis: ‘algemene benaming voor de taal (talen) die in het Nederlandssprekende gedeelte van België gesproken wordt (worden)’ Neerlandica extra Muros Jaargang 43 3 Conclusie Al met al zijn de besproken woordenboeken handige hulpmiddelen voor de neerlandistiek extra muros Ondanks de bovengenoemde tekortkomingen zijn HVD en KRA degelijke algemene verklarende en synoniemenwoordenboeken en VLNL een degelijke verzameling van de BelgischNederlandse woordenschat Voor NVT en NT2leerders zijn DK en VDNT2 echter nuttiger en interessanter ,al was het maar omdat die twee woordenboeken specifiek voor die leerdersgroepen bedoeld zijn Aan de lexicografische onderbouwing van deze leerderswoordenboeken (onder andere de aanpak van DK) zouden algemene verklarende woordenboeken trouwens een voorbeeld kunnen nemen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 37 Besproken woordenboeken BAKEMA ,PET AL :VlaamsNederlands woor denboek Antwerpen en Utrecht, 2003 COENDERS ,HET AL :Kramers woor denboek Nederlands Utrecht, 2002 KLEIJN ,PDE :Combinatiewoor denboek van Nederlandse substantieven met hun vaste verba Amsterdam, 2003 STERRENBURG ,PVAN :Van Dale Gr oot woor denboek hedendaags Nederlands Utrecht en Antwerpen, 2002 VERBURG ,M EN STUMPEL ,R: Van Dale Pocketwoor denboek Nederlands als tweede taal (NT2) Utrecht en Antwerpen, 2003 Bibliografie HILIGSMANN ,PH:‘Naar een nieuwe definitie van “definitie”?’ Ph Hiligsmann (red), Handelingen van het colloquium ‘Neerlandistiek in Frankrijk en in Franstalig België’, LouvainlaNeuvemaart 2004 Teverschijnen KLEIJN ,PDE :‘Nederlandse woordenboeken als basis voor een woordenboek van vaste verbindingen?’ Neerlandica extra Mur os (37) 3(1999), 1422 M ICELI ,M: ‘Stijgers en dalers in zakelijk Nederlands’ G Janssens, S Sereni, en E Spring (red): n/f 4 Onderzoek en praktijk in de Franstalige neerlandistiek (2004), 177191 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 38 SWANEPOEL ,P:‘Dictionary typologies: apragmatic approach’ Pvan Sterkenbur g(red), A Practical Guide to Lexicography ,Amsterdam en Philadelphia, 2003, 4469 VERLINDE ,SET AL :‘Redéfinir la définition’ Th Fontenelle et al (red), Actes Euralex '98 Pr oceedings Luik, 1998, 375384 W IERZBICKA ,A: Semantics Primes and Universals Oxford en New York, 1996 Eindnoten: 1 De macrostructuur van het woordenboek heeft onder andere betrekking op de opgenomen woordenschat en het aantal trefwoorden, de microstructuur op de opbouw van elk trefwoord en de informatie die bij elke ingang wordt opgenomen 2 Ook HVD, KRA en VDNT2 schieten op dit gebied duidelijk tekort Van de 29 verba die DK bij reis opneemt, staan er in HVD vier ,namelijk annuler en, boeken, maken en ondernemen ,in KRA één, namelijk maken VDNT2, dat voor leerders van het Nederlands bedoeld is, vermeldt slechts maken en op reis gaan Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de synoniemen uitstapje en excursie Van de 13 verba bij woor denboek staan er twee in HVD (raadplegen, in het woor denboek staan ),in KRA en in VDNT2 ontbreken ze allemaal! 3 Dit betekent niet dat de Vlamingen de standaardtalige equivalenten niet zouden kennen Integendeel! Trouwens: de heteronymie isinVlaanderen meestal groter dan inNederland Voor een bepaald begrip kent het BelgischNederlands vaak meer betekenisverwante termen dan het Standaardnederlands 4 De term ‘woordgroepen’ wordt hier vrij ruim opgevat Hieronder vallen zowel voorbeeldzinnen als collocaties, idiomen en spreekwoorden 5 De pijltjes vervangen de door de redactie van HVD gebruikte tekens, ↑duidt hyperoniemen aan, ↓hyponiemen en → synoniemen 6 De tekst van het kadertje luidt als volgt: ‘Een typisch Nederlands gebruik ishet eten van een zoute haring aan een kar of bij een kraam De rauwe haring met stukjes ui wordt dan bij de staart gepakt en zo in de mond gedaan’ (VDNT2, 246) Neerlandica extra Muros Jaargang 43 39 Stefan Kiedr oń Literatura Niderlandzka? A co to? Literatuur uit de Lage Landen in Polen in het laatste decennium Inleiding ‘Nederlandse literatuur? W at is dat?’ Een doorsnee Pool weet weinig van de letterkunde van de Lage Landen Het wordt de laatste tijd in Polen wel wat beter met de algemene bekendheid van de Nederlandse cultuur Maar de Nederlandse literatuur? Nee, die is in Polen niet bekend De Poolse neerlandici doen hun best om daar verandering in te brengen In 1993 organiseerde Jerzy Koch van de Universiteit W rocław in het voor de Poolse cultuur zeer belangrijke Nationale OssolińskiInstituut in W rocław een tentoonstelling over Nederlandse literatuur in Poolse vertaling In zijn catalogus Książka niderlandzka w przekładzie polskim Katalog wystawy w bibliotece Zakładu Nar odowego im Ossolińskich /Het Nederlandse boek in Poolse vertaling Catalogus van de tentoonstelling in de bibliotheek van het Nationale OssolinskiInstituut (W rocław 1228 mei 1993 Kłodzko: W itryna Artystów ,1993) vindt men gedetailleerde informatie over de aanwezigheid van de Nederlandse literatuur in Polen vanaf de vroege 19e eeuw Tien jaar later ,in 2003, organiseerde hetzelfde OssolińskiInstituut weer een tentoonstelling, nu onder de ‘multimediale’ titel ‘www literaturaniderlandzkapl’ Het idee kwam van de Nederlandse ambassade in W arschau die een gelijknamig digitaal project opstartte, waaraan ook neerlandici uit W arschau, Krakau en W rocław deelnamen Deze twee gebeurtenissen lijken een geschikt kader om een beeld van de Nederlandse literatuur in Polen in het decennium 19932003 te schetsen Een decennium twee gezichten Vooraf moeten twee andere belangrijke gebeurtenissen worden vermeld die met 1993 en 2003 samenhangen: een literaire en een culturele In 1993 verscheen de moderne Poolse versie van het bekendste werk uit Nederland, Het achter huis van Anne Frank, in de vertaling van Alicja DehueOczko, en in 2003 werd het voor de derde keer heruitgegeven nu als definitieve tekst bij de prestigieuze uitgeverij ZNAK Eveneens in 1993 verscheen (bij uitgeverij W ydawnictwo Dolnośląskie in W rocław) het boek Martwa natura zwędzidłem (‘Stilleven met bit’) van de mi grootste Poolse dichter van de 20e eeuw ,Zbigniew Herbert Neerlandica extra Muros Jaargang 43 40 een door de Poolse lezerswereld zeer goed ontvangen verzameling essays over de Nederlandse Gouden Eeuw ,waarin ook schrijvers als Huygens, Bontekoe en Langendijk besproken worden Het boek werd zo goed ontvangen, dat de prestigieuze Fundacja Zeszytów Literackich uit W arschau, het in 2003 nog een keer (inmiddels de derde, nadat W ydawnictwo Dolnośląskie in 1998 een tweede editie maakte) heeft gepubliceerd Nóg twee feiten zijn voor de LagelandsPoolse literaire connecties van belang Ten eerste de toekenning van de Martinus Nijhof fPrijs voor Vertalingen in 1995 aan Jerzy Koch Ten tweede de publicatie in 1999 van Słownik pisarzy niderlandzkiego obszaru kultur owego flamandzkich iholenderskich, nowołacińskich, surinamskich, afrykanerskich ifryzyjskich (‘W oordenboek van schrijvers uit het Nederlandse cultuur gebied Vlaamse en Hollandse, Neolatijnse, Surinaamse, Afrikaanse en Friese schrijvers’, W arszawa: W iedza Powszechna) van Andrzej Dąbrówka Voor de eerste keer verscheen daarmee op de Poolse markt een immens lexicon (600 pp) dat uitsluitend aan de Nederlandse literatuur is gewijd W elk beeld krijgt men nu van de Nederlandse literatuur in Polen? Dat beeld heeft twee gezichten; het ene is mooi en optimistisch, het andere niet Het optimistische gezicht Ik begin met het eerste, het optimistische gezicht Als we naar de in dit decennium vertaalde dichters, schrijvers en dramatur gen uit de Lage Landen kijken, dan krijgen we al gauw een imposante lijst van vijfentwintig namen en zevenenveertig vertaalde titels Dat is veel Verheugend is ook dat er eindelijk ook werken uit vroegere perioden vertaald worden, zoals Multatuli's Maks Havelaar czyli aukcje kawy Holenderskiego Towarzystwa Handlowego (‘Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handel Maatschappij’) dat in 1994 in de vertaling (met uitvoerig commentaar) van Jerzy Koch in de prestigieuze reeks ‘Biblioteka Narodowa’ van het Nationaal OssolińskiInstituut in W rocław verscheen De publicatie van twee werken uit de late middeleeuwen en de renaissance is de verdienste van Piotr Oczko, een anglistneerlandicus uit Krakau die zich in de historische letterkunde specialiseert Het gaat ten eerste om Cudowna historia Maryjki zNijmegen, która przez siedem lat miała do czynienia zdiabłem Anonimowy mirakl niderlandzki zXV wieku (‘W onderbare historie van Mariken van Nieumeghen die zeven jaar lang met de duivel te maken had Een anoniem Nederlands mirakel uit de 15e eeuw’), in 1998 in Krakau verschenen Het tweede is de Poolse vertaling van Vondels Lucyfer uit 2002 Vondel in het Pools dat moet toegejuicht worden! In het Multatulijaar 1994 verschenen er naast Max Havelaar nog vijf andere vertalingen Dit jaar vormt als het ware het nieuwe begin van een ‘Nederlandse golf ’ op de Poolse literaire markt na een zeer moeilijke periode in begin jaren negentig, toen de hele boekenmarkt ten gevolge van politieke veranderingen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 41 drastisch veranderde, om niet te zeggen ineenstortte Talrijke vroegere staatsuitgeverijen raakten in grote financiële en organisatorische moeilijkheden en nieuwe privéuitgeverijen wilden op korte termijn enkel winst maken (met boeken van Ludlum of Tom Clancy) Het duurde enkele jaren tot er op de verstoorde boekenmarkt een soort evenwicht terugkeerde Voor de Nederlandse literatuur dus: tot 1994 Het volgende jaar 1995 was een recordjaar met negen vertaalde titels Zoveel zou het later niet meer worden In 1996 vinden we nog acht vertaalde titels uit de Lage Landen, maar daarna is het abrupt afgelopen: in 1997 één vertaald werk, in 1998 twee Maar toch: vijfentwintig namen en zevenenveertig vertaalde titels is niet niets W el moet opgemerkt worden dat meer dan de helft van die productie te vinden is in de eerste helft van het decennium Het zijn vertalingen van Hugo Claus (Het ver driet van België ,en Omtr ent Deedee ),W illem Frederik Hermans (De donker ekamer van Damokles en zijn verhalen De laatste roker en De onversleten wandelaar ),Cees Nooteboom (Rituelen en Het volgende ver haal ),verhalen van Kristien Hemmerechts, Oer oeg van Hella Haasse, Zanger es op Zanzibar van Lieve Joris, De virtuoos van Mar griet de Moor), een verhaal van Milo Anstadt (Het rode lint )alsook gedichten van Gerrit Achterber g, Tom van Deel, Hans Faverey ,Ida Gerhardt, Leonard Nolens, Toon Tellegen en Anton van W ilderode In de tweede helft van ons decennium wordt het rustiger Het blijft nu bij een gemiddelde van ca vier vertaalde werken per jaar W evinden hier Harry Mulisch (De Pr ocedur e),Nooteboom (Het volgende ver haal en Rituelen ),een nieuwe Hella Haasse (Een gevaarlijke ver houding of DaalenBer gse brieven ),een nieuwe Lieve Joris (Terug naar Kongo ),twee dramatici: Judith Herzber g(Kras )en Karst W oudstra (Een zwarte Pool ),Het dagboek van Anne Frank, Milo Anstadt (Kind in Polen ),Etty Hillesum (Het verstoor de leven en Het denkende hart van de barak ),Moses Isegawa (Slangenkuil en Abessijnse Kr onieken ) Verder Het gouden ei van Tim Krabbé, gedichten van Claus en de reeds genoemde Vondel Literaire ‘golven’ De boven aangegeven vertaalproductie stelt Poolse lezers in staat om de praktisch onbekende literatuur uit de Lage Landen tóch te leren kennen Maar krijgen die potentiële lezers een compleet en evenwichtig beeld van deze literatuur? Helaas niet Het is zoals altijd: de keuze van de vertaler bepaalt de lectuur van de lezer En die keuze is enerzijds verbonden met persoonlijke voorkeuren van de vertalers, anderzijds met de prioriteiten van de betrokken uitgeverij En zo verloopt ook de literaire bemiddeling tussen de Lage Landen en Polen in golven die veroorzaakt zijn door de twee bovengenoemde factoren Neerlandica extra Muros Jaargang 43 De eerste golf noem ik de ‘poëtische’ Heel veel vertaalde werken zijn gedichten Niet minder dan elf poëzietitels staan op de vertalingenlijst dat is bijna één Neerlandica extra Muros Jaargang 43 42 vierde van alle vertalingen W ezien tevens een reeks van negen Nederlandse en Vlaamse dichters dat is meer dan één derde van alle vertaalde auteurs Daarbij moet gezegd worden dat deze gedichten niet in de meest verspreide literaire tijdschriften verschijnen Zo vinden we bijvoorbeeld de gedichten van Anton van W ilderode in Podkowiański Magazyn Kulturalny (‘Cultureel Magazine van Podkowa’ [Leśna bij W arschau]) in vertaling van de Leuvense poloniste Zofia KlimajGoczoł en de W arschause neerlandicus Andrzej Dąbrówka Dit tijdschrift, hoewel niet zo bekend, verzamelt onder zijn auteurs de beste ‘literaire’ namen in Polen, zoals de criticus Tomasz Burek of de dichter Jarosław Marek Rymkiewicz Een ander geval van een vrij elitair tijdschrift waarin Nederlandse en Vlaamse dichters worden gedrukt, is het blad KRESY Kwartalnik Literacki (‘Grensland Literair Kwartaalblad’) In aflevering 4, jaar gang 28 (1996) publiceerde Andrzej Dąbrówka een vertaling van werk van zes dichters: vijf van Gerrit Achterber g(uit de bundels ‘Eiland der ziel’, ‘Thebe’, ‘Moriendo’, ‘Sphinx’ en ‘Ener gie’); drie van Ida Gerhardt; vier van Tom van Deel (uit de bundels ‘Achter de waterval’ en ‘Manuscript’); vijf gedichten van Toon Tellegen uit diens cyclus ‘Ik en ik’; het titelgedicht uit de bundel ‘Het ontbrokene’ van Hans Faverey; en vijf gedichten uit de cyclus ‘Liefdesverklaringen’ van Leonard Nolens Poëziebundels verschijnen met grote regelmaat bij de kleine maar buitengewoon verdienstelijke uitgeverij W itryna Artystów (‘Kunstenaarsvitrine’) van het Cultureel Centrum in Kłodzko, een klein provinciestadje ten zuiden van W rocław Een klein stadje, een kleine uitgeverij en toch werden ze ooit bezocht door niemand minder dan Hugo Claus Zijn vertaler ,Jerzy Koch, publiceerde ook later nieuwe bundels met gedichten van bijv Leonard Nolens: Słowo jest uczciwym znalazcą (‘Het woord is een eerlijke vinder ’,met gedichten uit de bundels ‘Orpheushanden’, ‘Incantatie’ en ‘Liefdesverklaring’) of opnieuw Claus: Mały ,łagodny ,okrutny kat Wiersze zlat 19481963 (‘Een kleine, milde, wrede beul Gedichten uit de jaren 19481963’) Bij een andere uitgeverij, het W rocławse Leopoldinum, verscheen een volgende bundel, nu van Fernand Florizoone: Źródła Izery (‘De bronnen van de IJzer ’,met gedichten uit de bundels ‘T ussen kriek en wielewaal’, ‘Het plukken van het riet’ of ‘Zee van naamloosheid’) Koch geeft hier trouwens een interessante omschrijving van Florizoone, deze ‘Nederlandse dichter uit Koksijde in Vlaander en ’ Een volgende golf is de ‘dramatur gische’ In feite was deze golf maar van korte duur; toch is ze vermeldenswaard Het gaat hier om het toneelstuk van Karst W oudstra, Polak na czarno (‘Een zwarte Pool’) in de vertaling van Elżbieta Osuch, en Judith Herzber gs toneelstuk Zgrzyt (‘Kras’), vertaald door Joanna Oziębła De beide stukken werden afgedrukt in het belangrijkste Poolse tijdschrift voor dramatur gie Dialog (nr 4van 2001) Dit was trouwens een heel ‘Nederlands’ Dialog nummer (op een modern Pools drama na), met essays en gesprekken over Nederlandse dramatur gie W ijvinden hier Ruud Engelanders ‘I wszyscy w to wierzą O dramatur gii Judit Herzber g’ (En allen geloven dat Over de dramatur gie van Judith Herzber g), vertaald door Anna Błasiak, verder Rob Klinkenber gs Neerlandica extra Muros Jaargang 43 43 ‘Niedowierzanie słowom’ (W antrouwen in woorden), vertaald door Elżbieta Osuch, en Dragan Klaic’ ‘T eatralna mapa Amsterdamu’ (De theatrale kaart van Amsterdam) Klaic', directeur van het Theater Instituut Nederland, neemt ook samen met Sonja van der Valk van dat instituut, Liesbeth Coltof van het Huis a/d Amstel, Chris Keulemans en Ellen W alraven van de groep 'tBarre Land deel aan een redactiegesprek met W im van Stam (alweer vertaald door Elżbieta Osuch) Een laatste gebeurtenis in de ‘dramatur gische’ golf was de première van Hugo Claus' Polowanie na kaczki (‘De Metsiers’) van 1981 in de vertaling van Zofia Klimaszewska Het Theater van de Poolse Radio heeft er in januari 2002 een opname van gemaakt met beroemde Poolse acteurs In de laatste tijd is er echter vooral een ‘prozagolf ’merkbaar Het zijn romans, essays, herinneringen of verhalen die zowel in boeken als in tijdschriften verschijnen Het belangrijkste Poolse tijdschrift voor buitenlandse literatuur ,Literatura na świecie (‘Literatuur in de wereld’) publiceerde met nummer 8/9 van 1995 een als het ware Nederlands nummer met een lange reeks van werken van en essays over schrijvers uit de Lage Landen Als eerste vinden we hier Rytuały (‘Rituelen’) van Cees Nooteboom in de vertaling van Elżbieta OsuchStańczuk, die ook een essay over ‘Postmodernistyczny dyletantyzm’ (‘Postmodernistisch dilletantisme’) en één over ‘Opowieści Ceesa Nootebooma’ (‘De verhalen van Cees Nooteboom’) geschreven heeft Verder Nootebooms Następna historia (‘Het volgende verhaal’), vertaald door Zofia Klimaszewska Elżbieta OsuchStańczuk had voor dit nummer Hermans' verhaal Ostatni papier os (‘De laatste roker ’) vertaald Het gaat ver gezeld van een gesprek van Andrzej Dąbrówka met Hermans Dit interview ,onder de titel ‘T en Hermans to niezłe ziółko’ (‘Deze Hermans is me een lieverdje’), is een van de laatste vraaggesprekken met Hermans, die in 1995 overleed Verder is hier Hermans' Wędr ownik bez skazy (‘De onversleten wandelaar ’) in de vertaling van Zofia Klimaszewska te vinden De Vlaamse literatuur werd in dit nummer van Literatura na świecie vertegenwoordigd door Kristien Hemmerechts en haar vier Opowiadania (‘V erhalen’): Przed laty (‘Jaren geleden’, vertaald door Zofia Klimaszewska), Szóstego czerwca tysiąc dziewięćset sześćdziesiątego szóstego roku (‘Zes juni negentienhonderdzesenzestig’, vertaald door Urszula Fabisiak), Podręcznik latynoamerykański (‘LatijnsAmerikaans leerboek’, vertaald door Iwona Piotrowska) en Róża (‘De roos’, vertaald door Ewa Burak) Een ‘subgolf ’in het Nederlands proza in Poolse vertaling zijn de Nederlandsjoodse schrijvers, in de eerste plaats uiteraard Anne Frank met niet minder dan drie uitgaven van haar Het achter huis in de vertaling van Alicja DehueOczko Daarnaast Etty Hillesum en Milo Anstadt De laatste schrijver ,die joodse én Poolse wortels heeft, is auteur van Czerwona wstążka (‘Het rode lint’) dat door het tijdschrift Midrasz (nr 9van 1998) van de Poolse Joodse Gemeenten werd gepubliceerd, in de vertaling van Małgorzata Zdzienicka Zdzienicka heeft in Neerlandica extra Muros Jaargang 43 44 hetzelfde Midrasz (nr 5van 1999) een volgend verhaal van Anstadt gepubliceerd: Amster dam 1930 In 2000 heeft ze eerst onder het pseudonim Mar ga Nicka in het tijdschrift Krasnogruda (nr 11van 2000) fragmenten van diens Dzieciństwo we Lwowie gepubliceerd en daarna het geheel in boekvorm als Dziecko ze Lwowa (‘Kind in Lwów’, W rocław: W ydawnictwo Dolnośląskie, 2000) De originele titel van Anstadts memoires is Kind in Polen ;het is belangrijk om te weten dat hij zijn kinderjaren in de stad Lember gPools Lwów ,Oekraïens Lviv doorbracht Vóór 1945 was dat een Poolse stad, daarna niet meer; vandaar de Poolse titel In hetzelfde jaar 2000, dat duidelijk in het teken van Nederlandsjoodse teksten in Poolse vertaling stond, verscheen naast de volledig nieuwe uitgave van Anne Franks Dziennik (‘Het achterhuis’) bij de prestigieuze Krakause uitgeverij Znak en het boek van de reeds genoemde Milo Anstadt (die in dat jaar als eerste de belangrijke Poolse Andrzej Drawiczprijs ontving) ook nog Przerwane życie (‘Het verstoorde leven’) van Etty Hillesum in de vertaling van Iwona Piotrowska bij de katholieke Krakause uitgeverij WAM In 2002 werd een volgend werk van Etty Hillesum gepubliceerd, Myślące ser ce Listy (‘Het denkende hart van de barak’), eveneens in de vertaling van Iwona Piotrowska bij WAM De subgolf ‘allochtone literatuur ’wordt door Moses Isegawa vertegenwoordigd Zijn Kr oniki abisyńskie (‘Abessijnse kronieken’) in de vertaling van Alicja DehueOczko waren een groot succes: binnen drie jaar (20002003) drie uitgaven! En dan kwam nog in hetzelfde jaar bij dezelfde uitgeverij van dezelfde vertaalster zijn Gniazdo węży uit (‘Slangenkuil’) Het pessimistische gezicht Nu aandacht voor de pessimistische kant Globaal gezien is de situatie slecht In Polen verschijnen per jaar enkele duizenden nieuwe boeken en enkele duizenden literaire nieuwigheden Daarvan zijn ca vierduizend boeken vertalingen van buitenlandse werken dus meer dan driehonderd titels per maand Het leeuwendeel ervan wordt gevormd door vertalingen uit het Engels De krap dertig Nederlandse boeken in de beschreven tien jaar bedragen zo'n 1% van alle vertalingen Dat éne procent bevat heel veel poëzie Vanwaar die grote interesse voor poëzie? Een feit is dat dit soort vertalersactiviteiten minder risico's met zich meebrengt Risico's van financiële aard voor beide partijen (vertalers en uitgevers) De Poolse boekenmarkt is nog steeds niet zo stabiel dat men als vertaler jaren vooruit plannen kan Zelfs de meest prestigieuze uitgeverijen als ZNAK, W ydawnictwo Dolnośląskie, Noir sur Blanc, W AB of Albatros kunnen aan de vertalers geen garantie op verkoopsucces geven De melding van iemand uit die vertalerskring: ‘Om een boek te kunnen vertalen, moet men een contract met de uitgeverij sluiten Het Nederlands Literair Productie en Vertalingenfonds ondersteunt de beoogde vertaling met Neerlandica extra Muros Jaargang 43 45 70% van de kosten, maar nooit op voorhand Dus de uitgever moet eerst investeren, zonder te weten of hij het boek verkoopt De vertalers worden door het NLPVF enkel erkend als zij op de lijst van het Fonds zelf staan De uitgevers weten praktisch niets van Nederlandse literatuur tenzij een of ander werk op buitenlandse bestsellerlijsten staat of verfilmd werd’ Een voorbeeld: Tim Krabbé zag zijn Złote jajko (‘Het gouden ei’) in het Pools vertaald aldus Andrzej Dąbrówka in zijn lexicon; maar het boek was vervolgens spoorloos verdwenen, in geen boekhandel te vinden Pas in 2002 werd het zichtbaar: in een nieuwe versie van de uitgeverij Rebis uit Poznań in de belangrijke reeks ‘Salamandra’ De vertaler ,Jacek W ietecki, gaf het boek de titel Zniknięcie (‘V erdwijning’) Het werd dus (uit het Engels) vertaald en uitgegeven naar aanleiding van de Hollywoodfilm ‘The vanishing’ Leuk en karakteristiek! is een internetrecensie van dit boek: ‘Een goede thriller Over Hollandse literatuur: vroeger kende ik alleen “Het Dagboek” van Anne Frank en ik dacht dat er van deze natie geen boek meer zou komen dat me zou interesseren Ik had me duidelijk ver gist Zniknięcie is echt de moeite waard om te lezen Zijn enige grote mankement is de te korte inhoud’ Opnieuw de vertaler aan het woord: ‘Er bestaat geen beeld van de Nederlandse literatuur in Polen Zelfs in grote steden kunnen mijn gesprekspartners (hogere opleiding, uitgeverskringen) geen enkele Nederlandse of Vlaamse schrijver noemen Een Nederlandse of Vlaamse schilder wel ’En verder: ‘Er is geen gebrek aan goede vertalers in Polen Die zijn er wel en die willen graag vertalen Er is wel het probleem van lage honoraria en geen zekerheid over een volgende “bestelling” Er zou vanuit Nederland en Vlaanderen meer informatie naar Poolse uitgevers toe moeten Onbekend maakt onbemind Er wordt geen reclame gemaakt dat doen de Duitsers of Fransen wel Iemand moet die uitgevers toch vertellen dat deze literatuur het lezen waard is’ Droevige woorden, die naar de ‘literaire politiek’ vanuit de Lage Landen vragen En terecht Maar hoe ziet die ‘literaire politiek’ eruit? Bestaat er überhaupt zo'n politiek? Toegegeven: er wordt vaak financiële steun uit Nederland en Vlaanderen verleend voor het uitgeven van Nederlandse literatuur Veel boeken zijn voorzien van een dankbetuiging aan verschillende instellingen vooral het Nederlandse Literair Productie en Vertalingenfonds Er worden bezoeken van schrijvers aan Polen geor ganiseerd In het laatste decennium vonden enkele van der gelijke bezoeken plaats Hugo Claus kwam in 1994 naar W arschau voor de promotie van ‘Het verdriet van België’; er werd op de Poolse radio zelfs een programma over ‘Flandria Hugo Clausa’ (Het Vlaanderen van Hugo Claus) uitgezonden W illem Frederik Hermans kwam eveneens in 1994 naar W arschau naar aanleiding van ‘De donkere kamer van Damokles’ in het Pools Ook Anton van W ilderode kwam naar W arschau, in 1995 Rutger Kopland kwam in 1996 met lezingen naar de Neerlandica extra Muros Jaargang 43 46 universiteiten in W arschau en W rocław (nu bij wijze van uitzondering niet voor een promotie van een boek, maar gewoon zo ;dit was een emeritaatsgeschenk van zijn eigen Universiteit Groningen) Milo Anstadt bezocht Polen in 2000 naast de reeds genoemde prijsuitreiking in W arschau vond er ook een bezoek plaats aan het ‘Ośrodek Kultury Niderlandzkiej’ (‘Centrum voor Cultuur van de Lage Landen’) van de Universiteit W rocław En ten slotte kwam in 2001 naar W arschau, voor de promotie van ‘De procedure’: Harry Mulisch W el een interessante balans, zou iemand kunnen zeggen Maar aan de andere kant: zou het toch niet een ‘ietsje’ meer kunnen? Meer informatie, meer reclame? En moet het altijd dit lijkt de vaste regel te zijn voorafgegaan worden door in het Pools gepubliceerde boeken van de gasten? Kunnen ze niet gewoon zo komen om voor een in literatuur geïnteresseerd publiek te spreken? Zo'n publiek bestaat wel: in W arschau, in W rocław ,in Poznań, in Krakau en elders De regel ‘eerst een vertaald boek’ zou moeten betekenen: vooral de vertalers bij hun werk ondersteunen Zij zijn in mijn ogen de belangrijkste schakel tussen de Nederlandse en Vlaamse auteurs en hun potentiële Poolse lezers Maar: worden de vertalers wel voldoende ondersteund? Inderdaad: men zou vanuit de Lage Landen beter met goede Poolse uitgeverijen moeten samenwerken Zelfs belangrijke uitgeverijen als het W arschause ‘Noir sur Blanc’ spannen zich niet altijd in om hun eigen boeken goed te verkopen Concreet voorbeeld: de twee bij ‘Noir sur Blanc’ uitgegeven ‘Hella Haasses’ zien er zeer onooglijk uit en hebben zeer onaantrekkelijke omslagen Bij ‘Oeroeg’ staat op de achterkant zelfs een noot van de uitgeverij die verbazing wekt: ‘De waarde van haar werk, haar psychologische analyses worden vaak met het werk van Mar guerite Yourcenar ver geleken (de hermetische Vlaamse [!] taal verhindert echter een ver gelijkbare populariteit)’ Er wordt met geen woord over gerept dat Haasse een (Noord)Nederlandse schrijfster is Alleen de romanheld wordt als holenderski chłopiec (‘een Hollandse jongen’) voor gesteld Pas in het tweede Haasseboek wordt zij als een ‘Hollandse’ schrijfster voor gesteld Samenvatting Het beeld van de Nederlandse literatuur in Polen is veelzijdig Het is een combinatie van verschillende factoren en het resultaat van de samenwerking van veel partners In deze samenwerking zijn de vertalers een belangrijke schakel Zij zouden voor deze literatuur een golf van interesse kunnen bewerkstelligen zoals ooit voor de Scandinavische of IberoAmerikaanse literaturen gebeurde En wat gebeurt er nou met die vertalers? Slechts weinigen die in de jaren zeventig en tachtig actief waren, zijn gebleven Ryszard Pyciak is directeur van een economische adviesor ganisatie geworden, Ryszard Turczyn vertaalt nu Duitse literatuur ,Andrzej W ojtaś en Andrzej Dąbrówka hebben hun interesses veranderd Vertalers van Nederlandse literatuur worden schaars, zij moeten beschermd worden! Neerlandica extra Muros Jaargang 43 47 Maar om met een optimistisch accent te eindigen: heel wat goede vertalers zijn nog steeds bereid om de literatuur uit de Lage Landen naar Poolse lezers te brengen Zofia Klimaszewska, Jerzy Koch; en ook Alicja DehueOczko, Elżbieta OsuchStańczuk, Iwona Piotrowska en Małgorzata Zdzienicka Zij moeten slagen! Nederlandse werken in Poolse vertaling 19932003 1993 FRANK ,ANNE :Dziennik (Het achterhuis) Vert Alicja DehueOczko, Poznań SAA W 1994 CLAUS ,HUGO :Cały smutek Belgii (Het verdriet van België) Vert Axel Holvoet en Zofia Klimaszewska W arszawa, Państwowy Instytut W ydawniczy CLAUS ,HUGO :Sakrament (Omtrent Deedee) Vert Zofia Klimaszewska W rocław ,W ydawnictwo Dolnośląskie FLORIZOONE ,FERNAND :Źródla Izery (= De bronnen van de IJser) Vert Jerzy Koch W rocław ,Leopoldinum HERMANS ,W ILLEM FREDERIK :Ciemnia Damoklesa (De donkere kamer van Damokles) Vert Andrzej Dąbrówka W arszawa, AlfaW ero M UL TATULI :Maks Havelaar czyli aukcje kawy Holenderskiego Towarzystwa Handlowego (Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappij) Vert Jerzy Koch W rocław , W arszawa en Kraków ,Zakład Narodowy im Ossolińskich (Biblioteka Narodowa, nr236, seria II) NOLENS ,LEONARD :Słowo jest uczciwym znalazcą (= Het woord is een eerlijke vinder) Vert Jerzy Koch, Kłodzko, W itryna Artystów 1995 HEMMERECHTS ,KRISTIEN :Przed laty (Jaren geleden) Vert Zofia Klimaszewska Literatura na świecie 8/9 HEMMERECHTS ,KRISTIEN :Szóstego czerwca tysiąc dziewięćset sześćdziesiątego szóstego roku (Zes juni negentienhonderdzesenzestig) Vert Urszula Fabisiak Literatura na świecie 8/9 HEMMERECHTS ,KRISTIEN :Podręcznik latynoamerykański (LatijnsAmerikaans leerboek) Vert Iwona Piotrowska Literatura na świecie 8/9 HEMMERECHTS ,KRISTIEN :Róża (De roos) Vert Ewa Burak Literatura na świecie 8/9 HERMANS ,W ILLEM FREDERIK :Ostatni papier os (De laatste roker) Vert Elżbieta OsuchStańczuk Literatura na świecie 8/9 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 HERMANS ,W ILLEM FREDERIK :Wędr ownik bez skazy (De onversleten wandelaar) Vert Zofia Klimaszewska Literatura na świecie 8/9 M OOR ,M ARGRIET DE :Wirtuoz (De virtuoos) Vert Maria Zaleska Poznań, Historia iSztuka Neerlandica extra Muros Jaargang 43 48 NOOTEBOOM ,CEES :Rytuały (Rituelen) Vert Elżbieta OsuchStańczuk Literatura na świecie 8/9 NOOTEBOOM ,CEES :Następna historia (Het volgende verhaal) Vert Zofia Klimaszewska, Literatura na świecie 8/9 W ILDERODE ,ANT ON VAN :Wiersze (Gedichten) Vert Zofia KlimajGoczoł en Andrzej Dąbrówka Podkowiański Magazyn Kulturalny 2(9) 1996 W ILDERODE ,ANT ON VAN :Ludzka kraina (Menselijk land) Vert Zofia KlimajGoczołowa Białystok, W ydawnictwo łuk ACHTERBERG ,GERRIT :Wiersze (Gedichten) Vert Andrzej Dąbrówka, KRESY Kwartalnik Literacki 4(28) DEEL ,TOM VAN :Wiersze (Gedichten) Vert Andrzej Dąbrówka KRESY Kwartalnik Literacki 4(28) FAVEREY ,HANS :Odłamane (Het ontbrokene) Vert Andrzej Dąbrówka KRESY Kwartalnik Literacki 4(28) GERHARDT ,IDA :Wiersze (Gedichten) Vert Andrzej Dąbrówka KRESY Kwartalnik Literacki 4(28) JORIS ,LIEVE :Śpiewaczka na Zanzibarze (Zangeres op Zanzibar) Vert Zofia Klimaszewska KRESY Kwartalnik Literacki 4(28) NOLENS ,LEONARD :Wiersze (Gedichten) Vert Andrzej Dąbrówka KRESY Kwartalnik Literacki 4(28) TELLEGEN ,TOON :Wiersze (Gedichten) Vert Andrzej Dąbrówka KRESY Kwartalnik Literacki 4(28) 1997 HAASSE ,HELLA S:Urug (Oeroeg) Vert Zofia Klimaszewska W arszawa, Noir sur Blanc 1998 ANST ADT ,M ILO :Czerwona wstążka (Het rode lint) Vert Małgorzata Zdzienicka Midrasz 9/17 Cudowna historia Maryjki zNijmegen, która przez siedem lat miała do czynienia zdiabłem Anonimowy mirakl niderlandzki zXV wieku (W onderbare historie van Mariken van Nieumeghen die zeven jaar lang met de duivel te maken had Een anoniem Nederlands mirakel uit de 15e eeuw) Vert Piotr Oczko Kraków ,Script 1999 ANST ADT ,M ILO :Amster dam 1930 Vert Małgorzata Zdzienicka Midrasz 5/25 JORIS ,LIEVE :Powrót do Konga (T erug naar Kongo) Vert Iwona Piotrowska W arszawa, W ydawnictwo Prószyński iSka NOOTEBOOM ,CEES :Następna historia Rytuały (Het volgende verhaal /Rituelen) Vert Zofia Klimaszewska en Elżbieta OsuchStańczuk W arszawa, PIW Neerlandica extra Muros Jaargang 43 2000 ANST ADT ,M ILO :Dzieciństwo we Lwowie (Kind in Polen; fragmenten) Vert Mar ga Nicka [Małgorzata Zdzienicka] Krasnogruda 11 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 49 ANST ADT ,M ILO :Dziecko ze Lwowa (Kind in Polen) Vert Małgorzata Zdzienicka W rocław ,W ydawnictwo Dolnośląskie CLAUS ,HUGO :Mały ,łagodny ,okrutny kat Wiersze zlat 19481963 (Een kleine, milde, wrede beul Gedichten uit de jaren 19481963) Vert Jerzy Koch Kłodzko W itryna Artystów FRANK ,ANNE :Dziennik (Het Achterhuis) Vert Alicja DehueOczko Kraków ,W ydawnictwo ZNAK HILLESUM ,ETTY :Przerwane życie (Het verstoorde leven) Vert Iwona Piotrowska Kraków ,WAM ISEGA WA,M OSES :Kr oniki abisyńskie (Abessijnse Kronieken) Vert Alicja DehueOczko W arszawa, Albatros/Andrzej Kuryłowicz 2001 ISEGA WA,M OSES :Kr oniki abisyńskie (Abessijnse Kronieken) Vert Alicja DehueOczko W arszawa, Albatros/Andrzej Kuryłowicz (2e uitg) HERZBERG ,JUDIT :Zgrzyt (Kras) Vert Joanna Oziębła Dialog 2001/4 M ULISCH ,HARR Y:Pr ocedura (De procedure) Vert Jerzy Koch W arszawa, W AB W OUDSTRA ,KARST :Polak na czarno (Een zwarte Pool) Vert Elżbieta Osuch Dialog 2001/4 2002 HILLESUM ,ETTY :Myślące ser ce Listy (Het denkende hart van de barak) Vert Iwona Piotrowska Kraków ,WAM HAASSE ,HELLA S: Niebezpieczny związek albo listy zDaal en Ber g (Een gevaarlijke verhouding of DaalenBer gse brieven) Vert Alicja DehueOczko W arszawa, Noir sur Blanc KRABBÉ ,TIM :Zniknięcie (Het gouden ei) Vert Jacek W ietecki Poznań, Rebis VONDEL ,JOOST VAN DEN :Lucyfer (Lucifer) Vert Piotr Oczko Kraków ,Universitas 2003 FRANK ,ANNE :Dziennik (Het achterhuis) Vert Alicja DehueOczko Kraków ,W ydawnictwo ZNAK (2e uitg) ISEGA WA,M OSES :Gniazdo węży (Slangenkuil) Vert Alicja OczkoDehue W arszawa, Albatros ISEGA WA,M OSES :Kr oniki abisyńskie (Abessijnse Kronieken) Vert Alicja DehueOczko W arszawa, Słówko (3e uitg) NB Kijk naar www kfnuniwrocpl voor de recente ontwikkelingen! Neerlandica extra Muros Jaargang 43 50 Pde Kleijn Van A1 (Breakthrough) naar C1 (Ef fectiveness) Kroniek van het Nederlands voor anderstaligen Go Dutch! Go Dutch! is een beginnerscursus Nederlands die leidt naar het laagste niveau van het Common European Framework of Reference (‘breakthrough’ of A1 geheten) De cursus is tot stand gekomen in het kader van Small is beautiful een project dat gesubsidieerd werd door de Europese Unie en dat in zijn geheel en dus ook voor het Nederlands werd gecoördineerd door de Universiteit van Hull Doelstelling van project en cursus is: niettalenstudenten die een stage of een uitwisselingsprogramma volgen, via zelfstudie de basisvaardigheden van het Nederlands bijbrengen zodat ze in Vlaanderen of in Nederland sociaal kunnen overleven De cursus staat in zijn geheel op cdrom, de uitlegtaal is Engels en er is aandacht voor het dagelijkse leven en de cultuur in Vlaanderen en in Nederland De cursus begint met informatie over het alfabet, spelling, uitspraak, getallen en der gelijke, gevolgd door vijf lesthema's: W ie ben ik, Basisbehoeften, Er gens naartoe gaan, Vrije tijd, Het universitaire leven Binnen ieder thema worden er vijf ‘situaties’ behandeld en in die situaties komen, in video, audio of foto, steeds de protagonisten van de ‘story’ aan bod In die situaties zijn ook allerlei oefeningen onder gebracht (grammatica, woordenschat, luisteroefeningen, begripsvragen, dictees, korte schrijfopdrachten) Bij de ‘story’ kan men desgewenst de Nederlandse tekst en/of de Engelse vertaling laten meelopen Verder is er een zogenaamd ‘Resource Centre’ en daarin vindt men ‘het woordenboek’ (met uitspraak, grammaticale verwijzing en vertaling in het Engels), een traditionele uitleg van de grammatica en een alternatieve (waarmee bedoeld wordt: heel weinig uitleg, veel voorbeelden), informatie over de cultuur en over taalfuncties Je kunt vanuit thema's en situaties naar dit ‘Resource Centre’ gaan, bijvoorbeeld voor de vertaling van een woord of voor grammaticale uitleg Je kunt de onderwerpen van het ‘Resource Centre’ natuurlijk ook apart bestuderen De cursus is knap in elkaar gezet, makkelijk te hanteren en er is met inventiviteit en duidelijk plezier aan gewerkt Omdat de doelgroep van nature niet bovenmatig gemotiveerd zal zijn waarom zou je Nederlands leren als je in je Neerlandica extra Muros Jaargang 43 51 gastland ook heel goed met Engels uit de voeten kunt en als de gastuniversiteit zelf steeds meer verengelst? is het terecht dat de auteurs de multimediale mogelijkheden het volle pond hebben gegeven Gelukkig hebben ze voor de student die meer wil dan alleen wat ronddobberen in de Nederlandse taal dat ‘Resource Centre’ gecreëerd waardoor de mogelijkheid bestaat dieper op taal en cultuur van de Lage Landen in te gaan Boven is gezegd dat men mikt op A1 Dat impliceert een zekere beheersingsgraad niet alleen van de receptieve maar ook van de productieve vaardigheden Gezien de geringe aandacht die in Go Dutch! wordt gegeven aan productie, vooral aan vrije productie, heb ik mijn twijfels over de sociale overlevingskansen op het gebied van spreken en schrijven Daarnaast vind ik de cultuurrubriek van het ‘Resource Centre’ problematisch De informatie over nogal wat onderwerpen is inmiddels achterhaald en bij thema's als politieke partijen of de geschiedenis van Vlaanderen en Nederland is de behandeling zo summier dat de buitenlander er niet veel wijzer van zal worden Dat geldt ook voor: De Vlaming is een Bour gondiër en de Nederlander een calvinist W at moet de buitenlandse student daarmee, nog afgezien van het feit dat het niet waar is? Niet vanzelfsprekend Als zich voor onze NT2cursussen nieuwe leerlingen inschrijven, wordt gevraagd welke cursus of welk cursusboek ze al bestudeerd hebben Dat levert vaak niet meer op dan ‘blauwe boek’ of, als het meezit, ‘ijsbeerke’ Begrijpelijk W ant door een beginnerscursus Vanzelfspr ekend en het vervolg daarop Niet vanzelfspr ekend te noemen leidt men moeder én vreemdetaalgebruiker binnen in de wereld van de Kantiaanse categorieën Daar komen, bij het opslaan in het geheugen, brokken van Niet vanzelfspr ekend begint, in de terminologie van het reeds genoemde Common European Framework of Reference (CEF), op A2niveau (Waystage level )en voert naar B1 (Thr eshold level )Je ziet steeds vaker dat materiaalmakers hun producten proberen af te stemmen op dat Framework Dat heeft grote voordelen maar die afstemming is niet probleemloos Ook Niet vanzelfspr ekend heeft er moeite mee Het CEF geeft aan wat men kan op het gebied van spreken en schrijven Maar voor die onderdelen worden er in Niet vanzelfspr ekend geen expliciete oefeningen aangeboden (omdat de cursus ook voor zelfstudie bedoeld is) Voldoe je dan toch aan de CEFcriteria voor B1? Omgekeerd geven de niveauomschrijvingen van het CEF geen indicatie voor woordenschat en grammatica De auteurs van Niet vanzelfspr ekend doen dat wel: 3000 woorden en de volledige basisgrammatica Ik vind die afbakening heel zinvol, maar waarop is ze gebaseerd? In ieder geval niet op het CEF Die volledige basisgrammatica lijkt overigens op zijn beurt op gespannen voet te staan met een van de vele didactische principes die de schrijvers van Niet Neerlandica extra Muros Jaargang 43 52 vanzelfspr ekend hanteren, te weten: aandacht voor verschillende leerstijlen Sommige studenten, zeggen ze, zijn grammaticaal georiënteerd en willen duidelijke regels Andere zijn op communicatie gericht, willen geen regels maar taalfuncties Dat is zo, maar men vraagt zich dan wel af hoe deze laatste categorie die basisgrammatica en dan ook nog volledig onder de knie krijgt Het leerboek omvat twaalf delen en ieder deel drie lessen In die delen komen de vertrouwde onderwerpen aan bod (geld, wonen, werken, studeren, kunst, gezondheid, liefde ed) In de lessen wordt aandacht besteed aan woordenschat, functies en grammatica De presentatie daarvan is gebaseerd op soapafleveringen, een dialoog of een authentieke tekst, terwijl lees en luisteroefeningen ervoor moeten zor gen dat de cursist zich woordenschat, functies en grammatica eigen maakt De samenstellers van Niet vanzelfspr ekend vinden video in het algemeen en hun eigen soapverhaal in het bijzonder heel belangrijk: Het werkt motiverend en het biedt een natuurlijk kader voor woordenschat, taalfuncties en grammatica Dat laatste is zeker waar Of zo'n soap motiverend werkt, hangt voor een belangrijk deel af van de vorm waarin hij is gegoten De protagonisten heten Xavier ,Vera en Anton maar in verband met hun geheime missie ook X862, V1 11en A321 Die James Bondachtige optuiging komt echter maar matig uit de verf De soap ziet er mooi uit, is aardig, inventief en soms heel leuk, maar niet spannend, snel of scherp Tegen het einde hijst de bejaarde X862 zich in voetbaluitrusting om meer indruk te maken op zijn buurvrouw en valt de studente Vera alsnog voor haar professor Dat is misschien wel ‘des soaps’ maar ook een beetje oubollig De soapafleveringen worden afgewisseld met een aantal goed gekozen authentieke televisieopnamen In het Hulpboek staan alle nieuwe woorden met daarbij een voorbeeldzin, de sleutel bij de oefeningen, het transcript van zowel de soap als van de authentieke luisterfragmenten en informatie voor de docent In Niet vanzelfspr ekend worden een aantal doelstellingen en didactische principes iets te gemakkelijk als een mooi samenhangend geheel gepresenteerd Gelukkig is dat geen belemmering voor de productie van een zeer verzor gde, rijk gevarieerde en nuttige cursus Nederlands voor gevorderde anderstaligen ‘Je behoort tot de grote, bontgekleurde groep van gevorderde anderstaligen Het Nederlands is niet je moedertaal maar je kunt je al aardig redden Iedereen begrijpt je wel maar toch heb je het gevoel dat je woordenschat en je taalvaardigheid soms tekortschieten Dan zijn de Tekstboeken 1en 2van Nederlands voor gevor der de anderstaligen voor jou bestemd’ ‘V ertaald’ in de niveauomschrijvingen van het Europees Referentiekader betekent dat dat Tekstboek 1is afgestemd op ‘V antage’ (B2) en Tekstboek 2op Neerlandica extra Muros Jaargang 43 53 ‘Ef fectiveness’ (C1) En uitgedrukt in tijd kun je Tekstboek 1aan na drie schooljaren (zes lesuren per week) en Tekstboek 2na vier schooljaren (ook zes lesuren per week) De aanpak van deze cursus is thematisch In deel 1toerisme, geloof en bijgeloof, muziek, interculturele communicatie, sport, politieke instellingen, onderwijs, gezondheid, sociale instellingen, criminaliteit In deel 2milieu, wetenschap, verkeer , oorlog en vrede, werk, media, informatica, kunst, geld, recht De behandeling van ieder onderwerp volgt vrijwel steeds hetzelfde stramien Na een korte inleiding wordt er aandacht besteed aan de traditionele vaardigheden: lezen, schrijven, spreken en luisteren Afgezien van de opdrachten die gegeven worden (een zin, een brief, een tekst schrijven; een gesprek, een discussie, een sollicitatiegesprek voeren, vragen bij luister en leesfragmenten beantwoorden) betreft die aandacht in zeer ruime mate het lexicon waarbij de woordvorming niet wordt ver geten Het aantal woordenschatoefeningen is verheugend groot en verheugend gevarieerd Er zijn ook heel nuttig veel oefeningen met preposities Maar verder komt de grammatica als zodanig alleen nog systematisch en veelvuldig aan bod bij vragen over het imperfectum en het perfectum Valt er voor gevorderden verder niets te oefenen? Ik zie ze op dit niveau toch nog vaak worstelen met bijvoorbeeld het passief, de modaliteit, met modale partikels en, niet te ver geten, de woordvolgorde Het boek is niet geschikt voor luie docenten want het geeft bij schrijven veel open opdrachten en daar moet, naar ik aanneem, naar gekeken en over gesproken worden Ook belangrijk lijkt me de rol van de docent bij de onderdelen ‘spreken’ en ‘luisteren’ Er zijn bij de cursus geen cassettes of cd's: alles staat in het boek Niet alleen conversatie, gespreks en discussieopdrachten maar ook vragen En die moet je stellen Vragen zoals ‘Heb je zelf ooit in een hotel gelogeerd?’ of ‘Op welke manier kan muziek inwerken op je lichaam?’ Bij ‘luisteren’ staan de vragen die beantwoord moeten worden in het boek maar ook de luisterfragmenten waarop die vragen betrekking hebben De bedoeling zal zijn dat de docent in de klas (of eerst op een cassette) die fragmenten voorleest Zegt hij of zij daarbij dan eerst: Doe allemaal je boek dicht? De oplossing bij de schriftelijke oefeningen vindt men, volgens de inleiding, op de website van de uitgever: www accobe In beide boeken staat achterin een ‘schrijfhulp’ en een ‘spreekhulp’ (identiek voor boek 1en 2) met veel tips voor het schrijven van brieven, teksten en samenvattingen en voor het voeren van een conversatie, een telefoongesprek, een discussie, spreekbeurt of sollicitatiegesprek Daarbij wordt niet alleen verteld hoe je een brief, tekst of gesprek moet structureren, maar er wordt ook aangegeven welke formuleringen daarbij van pas kunnen komen (Hartelijk dank voor uw uitnodiging; Samenvattend kunnen we stellen dat; Zullen we dan maar beginnen?) Daarbij is het een gelukkige vondst dat de auteur bij veelge Neerlandica extra Muros Jaargang 43 54 bruikte startzinnen aangeeft of het ontbrekende deel een substantief, een hoofdzin, een bijzin enz moet zijn: Ik moet toegeven dat +bijzin; Het spijt me maar + hoofdzin; Dat blijkt uit +substantief Zowel bij de schrijf als bij de spreekhulp zijn die passepartoutformuleringen talrijk Dat is prettig, maar het roept wel de vraag op hoe al dat moois in de hoofden van de leerling wordt opgeslagen en wie controleert of het goed wordt opgeslagen Ook hier lijkt me voor de docent werk aan de winkel De cursus besteedt zowel aandacht aan het leven in Vlaanderen als in Nederland, ook aan taalverschillen Dat laatste gebeurt vooral in de extra woordenlijsten die aan de behandeling van ieder thema worden toegevoegd: de officier van justitie (N1), de procureur des konings (B), taakleraar (B), de lector (N1), doppen (B) Dat gebeurt maar zelden in de teksten en de oefeningen Ook daar echter is er menigmaal reden voor het plaatsen van een B Nederlands voor gevor der de anderstaligen is een interessant boek Er wordt soms wat onorthodox omgesprongen met wat gebruikelijk is bij vaardigheidstraining (de leesteksten bijvoorbeeld zijn veel meer een kapstok voor woordtraining dan voor begripstraining), maar wie voor gevorderden veel en gevarieerd materiaal zoekt voor uitbreiding van de woordenschat, veel spreek en schrijfopdrachten met nuttige tips en handige formules, is hier aan het goede adres Uitdrukkingen en vaste verbindingen W ie een taal wil leren moet woordcombinaties leren Op de cdrom Konnex genaamd, wordt geoefend met drie soorten vaste verbindingen: die met een voorzetsel (blij zijn met), uitdrukkingen (in de put zitten) terwijl de derde categorie op de cdrom wordt aangeduid met ‘courante verbindingen’ In het boekje dat bij de cdrom hoort luidt de omschrijving daarvan: combinaties die een gewone nietfiguurlijke betekenis hebben (centraal staan, vast en zeker) De combinaties zijn onder gebracht in zes lessen en in iedere les zijn er vijf oefenvormen: 1 Je hoort en ziet een zin In die zin is een woord weggelaten Bij het invullen kun je kiezen uit drie mogelijkheden 2 Je ziet een zin waarin een woord is weggelaten Bij het invullen kun je kiezen uit drie mogelijkheden 3 Je hoort een zin waarin een woord is weggelaten Het weggelaten woord moet je opschrijven 4 Hetzelfde als bij 3, maar nu wordt geoefend met nog niet aangeboden zinnen 5 Hetzelfde als bij 3, maar de zin met het ontbrekende woord moet worden ingesproken Alle combinaties worden meerdere malen aangeboden, steeds in een zinvolle context Bij moeilijke verbindingen wordt een korte uitleg gegeven (alles is in Neerlandica extra Muros Jaargang 43 55 kannen en kruiken =geregeld) De computer houdt bij welke verbindingen de cursist onder de knie heeft en welke nog niet De cdrom mikt op halfgevorderde volwassenen (vanaf niveau B1 van het Common Eur opean Framework of Refer ence ),is bedoeld voor zelfstudie, maar een docent kan (delen van) de cursus ook inpassen in zijn of haar eigen les In dat verband is het heel handig dat alle combinaties, die op de cdrom worden behandeld, ook in een apart boekje staan, gerangschikt naar les Op de cdrom zelf vindt men, in alfabetische volgorde, een lijst van alle combinaties, met verwijzing naar de les waarin de combinatie behandeld wordt, met een omschrijving van de combinatie en met voorbeeldzinnen In NVT/NT2lesmateriaal beperkte zich de aandacht voor vaste verbindingen tot nu toe hoofdzakelijk tot combinaties met voorzetsels Sinds het verschijnen van Beeldtaal (V an der ToornSchutte) en De spijker op de kop (De Boer en Lijmbach) is er ook oefenmateriaal op het gebied van idiomatische combinaties Dat ook Konnex aan beide onderwerpen aandacht besteedt, is prima want zowel bij preposities als bij idioom zit de nietNederlandstalige tot op hoge leeftijd met de handen in het haar Over de aandacht voor combinaties die een ‘gewone nietfiguurlijke betekenis hebben’ op zich natuurlijk ook prima ,het volgende De definitie die Konnex geeft van ‘courante verbindingen’ en ‘uitdrukkingen’ mist scherpte en dat wreekt zich bij het plaatsen van een combinatie in de ene of in de andere categorie Maar dat is een theoretisch probleem Zor gelijker is het feit dat van die gewone nietfiguurlijke combinaties er maar zo weinig zijn opgenomen Als de auteurs aangeven wat we in hun categorie ‘courante verbindingen’ kunnen aantref fen, noemen ze commentaar leveren, de telefoon aannemen, gewond raken Maar dit type is in het oefenprogramma tamelijk uitzonderlijk Regel is ook hier figuurlijk, idiomatisch taalgebruik In het gewone leven, evenwel, doen meer mensen een lamp aan of uit dan dat ze er tegenaan lopen Er worden in Konnex ongeveer 1000 combinaties aangeboden Het enige dubieuze ordeningsprincipe is: van makkelijk naar moeilijk Binnen een les krijgen we vijf maal twintig zinnen met voorzetsels, vijf maal twintig met ‘courante verbindingen’ en vijf maal twintig met ‘uitdrukkingen’ Tussen die zinnen is geen enkel verband Dat maakt het leren en onthouden er niet gemakkelijker op Ik denk dat in de categorie ‘courante verbindingen’ en ‘uitdrukkingen’ een aantal combinaties herleid zou kunnen worden tot een thema of een bepaald begrip, bijvoorbeeld tot ‘problemen’ of ‘succes’ of ‘beweging’ Zo'n ordening kan het semantiseren ver gemakkelijken Bovendien kan ze ook eens wat andere oefenvormen genereren W ant Konnex is heel nuttig, maar duizend zinnen die steeds door dezelfde twee stemmen worden voor gelezen en waarbij steeds weer dezelfde opdrachten volgen, geeft niet direct het gevoel dat er een engeltje op je tong piest (les 1, uitdrukkingen) Neerlandica extra Muros Jaargang 43 56 Besproken titels INSTITUUT VOOR LEVENDE TALEN KULEUVEN IN SAMENWERKING MET UNIVERSIT AIR TALENCENTRUM UNIVERSITEIT TILBURG :Go Dutch !A language course on cdrom Bussum, Coutinho en BerchemAntwerpen, EPO ISBN 90 6283 359 4 €30 LOO ,HELGA VAN EN SCHOENAER TS ,PETER :Niet vanzelfspr ekend Een vervolgmethode Nederlands voor anderstaligen Leuven, Uitgeverij Acco, 2003 Leerboek 384 pp ISBN 90 334 549 7 €45 Hulpboek 200 pp ISBN 90 334 5430 0 €24,50 2cd's, ongeveer 90 minuten, ISBN 90 334 5431 9 €26,50 Video, ongeveer 100 minuten, ISBN 90 334 5432 7 €26,50 W UYTS ,AN:Nederlands voor gevor der de anderstaligen Leuven en Leusden, Acco 2003 Tekstboek 1256 pp ISBN 9033451506 €24,60 Tekstboek 2262 pp ISBN 9033451689 €24,60 Konnex Uitdrukkingen en vaste verbindingen in de Nederlandse taal Cdrom Utrecht en Zutphen, ThiemeMeulenhof f,2004 ISBN 90 06 81 129 7 Bij de cdrom hoort een boekje met dezelfde titel en hetzelfde ISBN ,51 pp €29, 90 (cdrom +boekje) Neerlandica extra Muros Jaargang 43 57 Ludo Beheydt Misverstand Nederland en Mysterie Vlaanderen Kroniek van cultuur en maatschappij Over Nederland bestaan niet slechts misverstanden Nederland is een misverstand Het is een samenleving die al eeuwen in hoge mate functioneert bij de gratie van genegeerde feiten, onverzoende tegenstellingen en omzeilde confrontaties Dat komt niet doordat Nederlanders dommer zijn Integendeel Net als alle andere volkeren denken ze zelfs stilletjes dat ze een beetje slimmer zijn dan de rest Maar een verschil is weer dat onze beste denkers al eeuwen uitblinken in het zaaien van twijfel over de vaderlandse identiteit (De Gids 2004, 333) Dit citaat is afkomstig uit het speciale nummer van De Gids ,het eerbiedwaardige tijdschrift dat al sinds 1837 bericht over literatuur ,cultuur ,politiek en wetenschap in Nederland Deze speciale aflevering die ter gelegenheid van het Nederlandse EUvoorzitterschap in de tweede helft van 2004 tegelijkertijd in het Nederlands, Engels, Frans en Duits verschijnt is bedoeld als een Europees visitekaartje van Nederland En wat een visitekaartje! Ik mag dit nummer bij alle docenten neerlandistiek die ‘cultuur en maatschappij’ verzor gen voor buitenlanders van harte aanbevelen Zelden is een land erin geslaagd om door ontkenning van alle clichés en stereotypes, de clichés en stereotypes zo sterk te bevestigen In een bundel die probeert alle aspecten van het Nederlandse maatschappelijke leven te bestrijken doen auteurs van de meest uiteenlopende signatuur een verwoede poging om telkens in een kort en snedig stukje een onjuiste stelling over Nederland te bestrijden Alles wat altijd over Nederland gezegd wordt, wordt hier met klem ontkend Daarmee wenst Nederland voor de buitenwacht nog maar eens in alle toonaarden te ontkennen dat er zoiets zou kunnen bestaan als een vaderlandse identiteit Paradoxaal genoeg bevestigen ze daarmee hun heel eigen identiteit, namelijk als dat Europese volk dat zich van alle andere Europese volkeren onderscheidt door de ontkenning van zijn culturele identiteit Als De Gids de eigenheid van Nederland in de schijnwerper wilde zetten, dan had het geen betere keuze kunnen maken Met een op het randje af lachwekkende arrogantie wordt alles wat over Nederland wordt beweerd, gewogen en te licht bevonden: de spreekwoordelijke properheid, de vredelievendheid, de homovriendelijkheid, het antikolonialisme, het poldermodel, de progressiviteit, de eigenheid van de Nederlandse kunst Alles moet Neerlandica extra Muros Jaargang 43 58 eraan geloven Nederlanders zijn een ‘virtueel volk’ zoals W illem Otterspeer het in zijn opstel uitdrukt Om de teneur van de bundel te illustreren laat ik ugenieten van dit staaltje van ontkenning van de identiteit uit zijn opstel: W ijNederlanders hebben iets paradoxaals in onze kijk op onszelf, en dat paradoxale laat zich het beste illustreren aan de hand van onze omgang met de middelen bij uitstek om een volk te vormen of te definiëren, de geschiedenis en de taal Het is heel opvallend dat wij de geschiedenis van ons land hoofdzakelijk beoefenen als een vorm van discussie over onszelf, het is misschien nog wel frappanter dat wij onze taal zien als iets waar onophoudelijk aan gesleuteld moet worden Beide ontberen een vaste kern, beide zijn sociale constructies, vormen van aanpassing, variabel en virtueel (2004, 409) Die absolute ontkenning klinkt op zijn minst grappig voor diegenen die dagelijks omgaan met Nederlanders en merken hoe sterk ‘de franje van Oranje’ nog steeds is, hoe Nederlanders plotseling hun identiteit ontdekken tijdens het wereldkampioenschap voetbal of tijdens de Olympische Spelen Hoed je voor diegenen die zeggen geen culturele identiteit te hebben! En toch zit er iets in, in die beklemtoonde ongrijpbaarheid van Nederland W ant wie nauwlettend de ontwikkelingen in BV Nederland gevolgd heeft, merkt dat er forse verschuivingen plaatsgevonden hebben in het openbare debat Sinds Pim Fortuyn heeft de eeuwenoude traditie van ‘tolerantia’ kennelijk aan gezag ingeboet Nederland dat erom bekend stond de eigen identiteit van de nieuwkomers volgens het tolerante model van de multiculturele maatschappij met zor gte omringen, heeft nu officieel afscheid genomen van ‘het normatieve ideaal van de multiculturele maatschappij’, zoals NRC Handelsblad vastgesteld heeft Toen Nederland in 2002 in de Volkskrant van 9februari het interview las met Pim Fortuyn waarin hij de islam een achterlijke cultuur noemde en toen Ayaan Hirsi Ali bedreigd werd omdat zij Mohammed een naar onze normen ouderwetse macho noemde, was het hek van de dam en was de multiculturele maatschappij ineens een probleem geworden De kritische journalist Bas Heijne formuleerde die omslag als volgt: De geruststellende clichés van de multiculturele samenleving, die jarenlang als een warme deken over ons land hadden gelegen, klonken nu pas echt potsierlijk Met de verharding in de retoriek kwam ook een welkome ontnuchtering Islamitische Nederlanders die zich jarenlang gerieflijk hadden kunnen koesteren in hun permanente anderszijn, werden gedwongen hun houding tegenover de politieke islam en vooral tegenover Nederland als gekozen vaderland te bepalen De sluier van de hypocrisie werd weggetrokken die jarenlang de illusie van een onbekommerde multiculturele samenleving in stand hield Neerlandica extra Muros Jaargang 43 59 Nederland is daarmee wat nauwer gaan aansluiten bij de rest van Europa en toen het in de tweede helft van 2004 het voorzitterschap kreeg van de EU, greep zijn premier Jan Peter Balkenende meteen de kans om het debat over ‘waarden en normen’ dat Nederland sinds het geruchtmakende artikel van Paul Schef fer over het Multicultur ele drama (NRC Handelsblad 29 januari 2000) in permanente beroering houdt, ook Europees aan te kaarten Ook in het Europese kader wil Nederland nu de discussie over de identiteit en de normen en de waarden die een samenleving samenhouden aanzwengelen Balkenende is daar heel expliciet over Hij vindt dat in het debat tussen links en rechts, tussen onbegrensde solidariteit en eenkennige nationaliteit de derde weg van het ‘communitarisme’ moet worden geëxploreerd en daarom heeft hij bij het begin van het EUvoorzitterschap die opmerkelijke normenenwaardenconferentie geor ganiseerd Hoe het allemaal zover is kunnen komen, is te lezen in een ander boek dat ik hier op tafel heb liggen Van polder en tot polariser en van Kees Lunshof, de parlementaire verslaggever van De Telegraaf Lunshof volgt al meer dan dertig jaar op het Binnenhof de Nederlandse politiek en in een goedgedocumenteerd relaas over het premierschap sinds Joop den Uyl schetst hij ons de pendelbeweging in de Nederlandse politiek van polarisatie naar gepolder en terug Met het kabinet Den Uyl begon er in de jaren zeventig een hevige polarisatieperiode tussen de confessionele partijen en de PvdA, die na hevige uitbarstingen bedaarde in een luwte van zakelijk regeren en polderen Met de periode van Paars onder W im Kok bereikte dit consensusmodel zijn hoogtepunt De stroperigheid en de besluiteloosheid in belangrijke dossiers, samen met de economische crisis leidden dan tot het einde van Paars Dit einde werd abrupt versneld door de katalysator Fortuyn die de gezapigheid en de besluiteloosheid van BV Nederland op de agenda zette Na de moord op Fortuyn is de tijd van het polderen voorbij De kiezer zet Paars aan de kant en in het politieke debat kiest het CDA onder leiding van Balkenende voor een ideologischer geladen discussie De zakelijke afstandelijkheid van W im Kok heeft afgedaan en de kiezer eist dat er weer geluisterd wordt Tijd voor een nieuwe polarisatie dus Lunshof doet zijn verhaal chronologisch en aan de hand van portretten van vier premiers Joop den Uyl, Dries van Agt, Ruud Lubbers en W im Kok, van twee liberale voormannen Hans W iegel en Frits Bolkestein en ten slotte van de tafelspringer Pim Fortuyn In een epiloog bespreekt hij de recentste politieke ontwikkelingen onder het kabinet Balkenende Het belang van dit boek ligt in zijn documentair gehalte Anders dan persoonlijke memoires heeft een der gelijke portrettengalerij het voordeel van enige afstandelijkheid De protagonisten van de afgelopen dertig jaar politieke ontwikkeling worden met journalistieke vaardigheid geportretteerd, ook met hun kleine kanten en Lunshof heeft kans gezien de portretten in een samenhangend politiek ontwikkelingskader te plaatsen En dan kan men eventueel afdingen op de juistheid van de grote schets, als bronnenboek van de Nederlandse politiek is dit een onmisbaar instrument W ie bijvoorbeeld, naar het geaccepteerde beeld van de mediaoverzichten, meent dat de discussie over de multiculturele maatschappij is begonnen door toedoen van Fortuyn en Hirsi Neerlandica extra Muros Jaargang 43 60 Ali, zal bij het doorlezen van Bolkensteins politieke opkomst merken dat hij eigenlijk degene geweest is die de discussie over het multiculturele Nederland in gang gezet heeft Al in 1994 komt hij met zijn ‘tienpuntenplan’, dat in Nederland heftige beroering wekt: Asielzoekers moeten in de eigen regio worden opgevangen en alleen worden toegelaten als ze persoonlijk bedreigd zijn met vervolging, marteling en erger De asielprocedure moet zor gvuldig, maar kort zijn en het asielrecht is tijdelijk Criminele asielzoekers moeten, net als illegalen, direct worden uitgezet en reisdocumenten moeten in het land van herkomst worden gefotokopieerd Collectieve voorzieningen als huisvesting, onderwijs en medische hulp worden voor hen ontoegankelijk (Lunshof, 2004, 182) Toen Bolkestein dit tienpuntenplan formuleerde, viel heel links Nederland over hem heen Bolkestein was de gebeten hond en de PvdA reageerde zich verontwaardigd op hem af, maar met dit plan heeft hij als eerste de knuppel in het hoenderhok gegooid W ie dit voorstel na tien jaar opnieuw bekijkt, kan alleen maar verbaasd zijn hoeveel van deze toen hoogst omstreden aanbevelingen ondertussen feitelijk beleid zijn geworden in het nieuwe Nederland en hoezeer het tolerante Nederland is verhard Lunshof is een rijke bron voor wie de ontwikkeling van de Nederlandse politiek op de voet wil volgen, maar men moet erop bedacht blijven dat dit een journalistieke documentaire is en geen wetenschappelijk werk Het boek leest heel redelijk, al werd mijn leesplezier wel eens ver gald door de informatieve overlast W el was ik bijzonder opgetogen over de inleiding die erin slaagt in een bestek van een zestal bladzijden een goed overzicht en een handige leeswijzer te bieden voor een politieke periode van dertig jaar In die zin ook is dit boek toch een aanrader Om in het journalistieke genre te blijven, sluit ik nu aan met het nieuwe boek van DerkJan Eppink Avontur en van een Nederbelg Een Nederlander ontdekt België (2004) Eppink is geen onbekende bij de lezers van Neerlandica extra Mur os Zijn vorige boek Vreemde bur en ,dat net opnieuw is uitgegeven, gaf een vaak hilarisch beeld van de verschillen tussen Nederland en Vlaanderen Zijn nieuwe boek is eigenlijk een beetje Kuifje in Belgenland Hij vertelt zijn persoonlijke avontuur in België Als Nederlands journalist bij de gerespecteerde krant NRC Handelsblad besluit hij op een goeie dag naar België te emigreren Onbegrip alom W aarom zou je ook? Het commentaar van zijn chef op zijn besluit sprak boekdelen: ‘Je weet toch dat België een vreemd land is, een soort wespennest Niemand van ons begrijpt het en dan ga jij er naartoe!’ (10) Om zijn keuze te verantwoorden vertelt hij eerst zijn antecedenten Hij had al eens zo'n wilde verhuizing gedaan, van de Achterhoek naar ‘Holland’ en nu was hij rijp voor een gelijksoortig avontuur Met veel kwinkslagen en understatement vertelt hij hoe hij aankomt in de menagerie van een Belgische krantenredactie, die van de kwaliteitskrant De Standaar d Het verhaal is vaak geestig, omdat de Neerlandica extra Muros Jaargang 43 61 botsing van de culturen er zo uitgesproken uit de verf komt Die cultuurbotsing blijkt zowel uit terloopse commentaren als uit dovemansdialogen van het type: ‘Je moet toch wel pech hebben als je hier geboren bent’, zei ik hardop Tot mijn verbazing stuitte ik op een muur van verontwaardiging ‘W ezijn heel gelukkig, we wonen niet zoals jullie in van die eenvormige hokken, we eten beter en we maken meer plezier ’Ze keken boos op (20) Het boek is meer een autobiografie dan een analyse, meer een pro domo dan een Werdegang ,maar daardoor juist leuk om lezen W ie intercultureel onderwijs geeft, weet dat cultuurbotsingen erginstructief zijn en vaak de aanzet tot eigenlijk intercultureel gedrag, waarbij men met voldoende begrip voor de ander ,zelf een modus vivendi gaat vinden om vrij van clichés, onbeschroomd met de ander om te gaan Cultuurbotsingen zijn vaak de aanleiding tot een gezonde kritische ontdekking van de ander én van zichzelf en dat illustreert Eppinks boek op elke bladzijde Ik heb met een zucht van erkenning typeringen gelezen van Vlamingen als de hiernavolgende: Vlamingen zijn voorzichtig, ze zeggen niet wat ze denken en denken vaak niet wat ze zeggen Ze blijven in een veilig en mysterieus omhulsel, een persoonlijke dampkring, ondoordringbaar voor vreemden Ze geven zich niet snel bloot en houden altijd een slag om de arm (47) Maar ik heb evenzeer de zelfkritiek geapprecieerd die uit opmerkingen als de volgende blijkt: Een Nederlander is uitgesproken Hij heeft meteen een mening, of het nu gaat over het stierenvechten in Spanje of het lot van de Indianen in het Amazonegebied Hoe verder weg, hoe duidelijker die mening en hoe luider ze wordt verkondigd (237) En ik begrijp dat hij als Nederlander schrijft: ‘Het pad van de macht bezat meer valkuilen dan een rechtlijnige protestant kan verwerken, laat staan overleven’ (49) Het hele boek is trouwens een illustratie van deze verzuchting Als rechtlijnige Nederlander komt hij terecht in de opera van de Belgische politiek en als journalist wordt van hem verwacht dat hij zich houdt aan de ongeschreven gedragscode voor politieke journalisten In zijn onschuld loopt hij soms met zijn gezicht tegen de muur , maar wordt hij al even vaak de speelbal van de politieke katten Zijn verhalen over de contacten met de krokodillen van de macht in België Mark Eyskens, éminence grise van de christendemocraten, Herman De Croo, eerste bur ger van het land en notoir liberaal, Guy Verhofstadt, premier van het land en kennelijk journalistiek intrigant zijn vaak hilarisch, omdat hij vanuit een Nederlands normbesef schrijft en dus niet Neerlandica extra Muros Jaargang 43 62 begrijpend blundert Geestig is ook zijn verhaal over zijn aankoop van een woning in België Kennelijk heeft hij toch wel snel de plaatselijke mores onder de knie als het op zijn eigen profijt aankomt! W at hij niet heeft kunnen vermijden is het bouw en verbouwleed, waaraan geen enkele Belg ontkomt, Nederbelg of niet Ik heb van het boek genoten omdat het zo'n mengeling is van Guus Flater en Kuifje Guus Flater , omdat Eppink als journalist toch een beetje te veel schuttert en er niet in slaagt een betrouwbaar beeld te geven van de krachten en de evenementen in zijn nieuwe vaderland De hoofdstukken over de IJzebedevaart, de Ronde van Vlaanderen, de receptie van de Gestelde Lichamen, Opus Dei, de Loge zijn leerrijk maar niet inzichtelijk W ie België echt wil begrijpen kan beter terecht bij Geert Van Istendael Die slaagt er beter in de buitenstaander wegwijs te maken in het Belgisch labyrint , zoals zijn boek terecht heet Anderzijds is Eppinks Kuifjeattitude charmant en bij momenten vertederend Hij blijft het enthousiasme van de stripheld etaleren, vaak tegen beter weten in Bovendien debiteert hij in de loop van zijn relaas een hoop wijsheden die het overdenken waard zijn Ik beperk mij tot een bedenking die in het kader van deze kroniek een nadere overweging waard is: Als Nederlander in Vlaanderen sprak ik dezelfde taal maar vaak begreep ik iets niet Niet elk woord had dezelfde betekenis of gevoelswaarde Dat je dezelfde taal spreekt betekent niet dat je eenzelfde manier van denken hebt, of eenzelfde manier om problemen op te lossen Het spreken van dezelfde taal kan dus heel makkelijk leiden tot misverstanden, teleurstelling en afstoting Je denkt dat je duidelijk bent en toch begrijpt die ander het niet Je raakt wantrouwend en denkt dat die ander jou niet wil begrijpen Je denkt dat hij je niet mag en dat hij probeert je onderuit te halen (237) Daarmee zit Eppink tegen de kern aan van de cultuurshock die hij meegemaakt heeft In de war gebracht door ogenschijnlijk dezelfde taal, dacht hij al te vaak dat hij Vlaanderen begreep, maar tot zijn schade en schande, en later tot zijn genoegen, moest hij ontdekken dat hij toch altijd de andere bleef, dat de mentale programmering door zijn opvoeding, hem verschillend gemaakt had van deze taalgenoten Lees dit boek als ontspannende vakantielectuur ,bij mij heeft het een stuk van mijn Toscaanse vakantie kleur gegeven, omdat het er mij onbewust toe aanzette met andere ogen naar mijn Italiaanse entourage te kijken Om in de journalistieke branche te blijven en België een beetje dichterbij te brengen, kan het boek van Hugo Camps en Bernard Dewulf goede diensten bewijzen Hun boek Camps en Dewulf 2003 Stukjesgewijs is opgezet volgens de bekende formule van Jan Mulder en Remco Campert (zie mijn bespreking van Camu 2002 in een vorige NEM) Het is een verzameling van kleine columns die de Belgische krant De Mor gen elke dag op haar voorpagina publiceert, zoals de Volkskrant dat doet met de stukjes van Campert en Mulder Het is een boeiend en verhelderend experiment om die twee boeken eens Neerlandica extra Muros Jaargang 43 63 naast elkaar te leggen Dat van Campert en Mulder is zeer Nederlands, dat van Camps en Dewulf zeer Vlaams, en dat geldt zowel voor de inhoud als voor de stijl Inhoudelijk is Camps en Dewulf natuurlijk zeer Belgisch: de splinters actualiteit en de bobo's die het voorwerp zijn van het ironisch commentaar komen steevast uit het Belgische landschap W ie kent nu buiten Vlaanderen Paul De Keersmaeker ,Erwin Pairon, Meneer Boma of Urbanus? En wie is vertrouwd met de schilderijen van Kamerlid Mark Eyskens, het taalgebruik van Herman De Croo, of de koelboxtoeristen van Knokke? Maar daar gaat het mij niet om Mij gaat het om het stijlverschil Campert formuleert helder ,zuinig, ironisch afstandelijk Hij zet een stukje op met een zor gvuldige woordkeus en rondt het netjes af Mulder is misschien wat heftiger , maar ook hij gaat bedachtzaam ironisch om met de taal Hij meet zijn medemens vaak af aan diens taalgebruik en formuleert doordacht De beide Vlamingen daartegenover zijn barokke versierders In overladen beelden verven ze een chaotisch tafereel Ik citeer eerst even Dewulf om ute laten meeproeven van die Vlaamse neiging tot ornament en stilistisch vertoon Het gaat oironie over een ‘dagje Nederland’: Men spreekt er mijn taal, maar met een afwijkend strottenhoofd, geassembleerd uit raspender materiaal Ook beweegt men er een andersoortig geraamte voort Dat lijkt telkens eensgezind opgeschoten, immer wassende reuzen in een land zonder ber gen Jonge mannen als eiken, die onmogelijk nog in hun ouderlijke huisjes kunnen Jonge vrouwen met heupen als dijken, wonderwel geïntegreerd in de vormvaste ruimtelijke ordening van de lichamen Ze scheppen uiterwaarden van zelfbewustzijn om zich heen (80) Vlamingen lezen dit soort proza met plezier ,gewend als ze zijn aan fantasierijke beelden en ongewone ver gelijkingen Ze zijn niet verbaasd een der gelijk ‘beelderig’ proza in het hoekje van hun krant te vinden Ook hun krant verdraagt der gelijke verbale opsmuk En dat dit soort barokke verbeelding geen uitzondering is, illustreer ik met een fragmentje uit het hoekjesproza van de andere van het duo, Hugo Camps, die overigens bekend staat om zijn gechar geerde taalgebruik Het gaat hier over Kim Clijsters, de Vlaamse tennisvedette: Kim zo zeiden kenners, is nog te goedlachs voor een grand slam Teweinig Balkan aan het net, te veel parlando op de baseline En na de verloren wedstrijd alweer met het hoofd in de wolken want nog steeds verliefd op Lleyton en haar hondje [] Kim en Justine [Henin] moeten weg uit het placebo van de Celestijnse belofte Vroom gerijmel moet plaatsmaken voor het verlangen te doden (81) Zou der gelijk gedurfd beeldmateriaal (‘het placebo van de Celestijnse belofte’!) op het goedkeurend geknik kunnen rekenen van de gemiddelde Nederlandse lezer? Ik betwijfel het Nochtans zijn de stukjes in Vlaanderen ergpopulair ,populair genoeg in elk geval om ze achteraf te bundelen in een jaaroverzicht Neerlandica extra Muros Jaargang 43 64 En dat jaaroverzicht is leuk om lezen, ‘stukjesgewijs’ Meer dan veel indringende opstellen van een hoog intellectueel gehalte leggen ze België bloot in een kleurige caleidoscoop Ze vormen geen samenhangend verhaal, maar ze dompelen je in de betekenisaura's en de associaties die mede de cultuur van Vlaanderen uitmaken In dezelfde sfeer moet, geloof ik, het boekje van André Alexander Galle gelezen worden dat de Stichting Zannekin heeft uitgegeven onder de titel Vertel nog eens van België Dit boek is een bundeltje verhalen die een Belgische expat als een soort proeverij aan de lezer voorschotelt De verhalen zijn op zichzelf niemendalletjes, maar als getuigenissen door de tijd heen roepen ze met nostalgie het interculturele leven van een ontheemde op De anomie die altijd bezit neemt van wie in zijn kosmopolitische bestaan met heimwee terugdenkt aan zijn bakermat, breekt in bijna alle verhalen door Aan docenten die zich bezig houden met de opleiding van tolken wil ik graag het verhaal ‘Charlotte aux pommes’ aanbevelen Speelse humor en een afstandelijke kijk op de charmes van het tolken, geschreven door een exconferentietolk, maken dit verhaal tot een literaire versnapering Veel ambitieuzer is het boek van de historicusjournalist Marc Reynebeau dat hier voor mij ligt Een geschiedenis van België is de titel Niet zonder reden staat er ‘een’ geschiedenis van België, want Reynebeau is een typisch postmodernistisch auteur die zich zeer bewust is van de relativiteit van naties en zeker van geschiedenissen van naties Hij wil zich niet binden aan een lineair verhaal zoals wij ons dat uit onze schooltijd herinneren, eenvoudig omdat dit verhaal er niet is De postmoderne historicus is zich bewust van de artificiële constructie die elke nationale geschiedenis is en hij legt zich dan ook toe op de deconstructie van de mythische verhalen Zo ook Reynebeau Zijn techniek om dat te doen bestaat erin de mythe te vervangen door een goedgeor ganiseerde anekdotische bundeling van gedetailleerde deelverslagen Reynebeau brengt het dagelijkse bestaan tot leven door persoonlijke anekdotes en fait divers als aanleiding te nemen voor een schets van een periode Als journalist kent hij de knepen van het vak en slaagt hij erin geschiedenis te presenteren alsof je er bij bent Zo introduceert hij de gruwelen van de Eerste W ereldoorlog (‘De Groote Oorlog’) als volgt: In november 1914 raakte LouisFerdinand Destouches, de latere schrijver Céline maar toen nog een ser geant bij de Franse 12de kurassiers, zwaar gewond bij Ieper Een kogel verbrijzelde zijn arm en hij liep een hoofdwonde op waarvan hij nooit meer herstelde Ze bezor gde hem voor de rest van zijn leven een stekende hoofdpijn en een nimmer ophoudend, gekmakend gezoem in zijn oren Daar en toen, in Ieper in november 1914, aldus diens biograaf Frédéric Vitoux, ontstond ‘de volledige Céline, zijn wanhoop, zijn obsessies, zijn revolte, zijn verontwaardiging, zijn deliriums, zijn lijden, zijn tederheid ook’ Dat is wat oorlog met mensen doet (183) Neerlandica extra Muros Jaargang 43 65 Geschiedenis wordt op die manier een wel heel leesbaar verhaal en het moet gezegd dat het verhaal van Reynebeau ner gens verveelt Maar wat er na lectuur overblijft is toch een enigszins gefragmenteerd beeld, een kleurrijke waaier van menselijk gedrag die een beetje arbitrair is in zijn kleuren De waaier lijkt meer het resultaat van een toevallig batikbad dan van zor gvuldig penseelwerk, maar misschien is dit boek wel zo bedoeld In de inleiding van zijn boek schrijft Reynebeau dat de Duitse historicus Sebastian Haf fner de Teutoonse inval in België in 1914 tot ‘de zeven hoofdzonden van Duitsland tijdens de Eerste W ereldoorlog’ rekende Een boek dat de terreur die met deze inval gepaard ging op een verrassende en schrijnende wijze beschrijft en dat daardoor wel een historische correctie vormt op het hoofdstuk over de Groote Oorlog van Reynebeau is de studie van Larry Zuckermann De verkrachting van België Het verzwegen ver haal over de Eerste Wereldoorlog (2004) Deze uitvoerige synthese van de Duitse inval en de daaropvolgende plundering van het neutrale België geeft een verschrikkelijk beeld van de executies, platgebrande dorpen en plunderingen die met de installatie van het totalitaire regime gepaard gingen Dit indringende verslag van deze Britse auteur heeft toch meer kracht en grijpt de lezer meer bij de keel dan de vrijblijvende historiografie van Reynebeau W ie geïnteresseerd is in de Groote Oorlog mag dit boek beslist niet ongelezen laten Het geeft een ander beeld van België, dat meer was dan een historisch toeval, zoals Reynebeau wil laten geloven, namelijk de op vijf na grootste industriële macht ter wereld en een van de oudste democratieën ter wereld De postmoderne deconstructivist heeft blijkbaar toch ook een te eenzijdig beeld van de geschiedenis Besproken publicaties De Gids Amsterdam, Meulenhof f,juni 2004 261 pp €7,75 CAMPS ,HUGO EN DEWULF ,BERNARD :Camps en Dewulf 2003 Stukjesgewijs Amsterdam, De Bezige Bij, 2003 282 pp ISBN 90 234 1284 2 €17,90 GALLE ,ANDRÉ ALEXANDER :Vertel nog eens van België Ieper ,Vereniging Zannekin, 2004 160 pp ISBN 90 71326 20 9 €14,20 EPPINK ,DERK JAN :De avontur en van een Nederbelg Een Nederlander ontdekt België Tielt, Lannoo, 2004 248 pp ISBN 90 209 4886 5 €19,95 LUNSHOF ,KEES :Van polder en tot polariser en Amsterdam, Bert Bakker ,2003 320 pp ISBN 90 351 2642 4 €19,95 REYNEBEAU ,M ARC :Een geschiedenis van België Tielt, Lannoo, 2003 448 pp ISBN 90 209 4993 4 €29,95 ZUCKERMANN ,LARR Y:De verkrachting van België Het verzwegen ver haal over de Eerste Wereldoorlog Utrecht, Het Spectrum, 2004 351 pp ISBN 90 712 0608 4 €21,95 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 66 Tvan Deel Over de bloei van het lange gedicht Kroniek van de poëzie Het lange gedicht en de lange, samenhangende reeks gedichten zijn in Tot die conclusie moet je wel komen als je de bundels van de afgelopen tijd bekijkt Die worden niet alleen almaar dikker ,ook de gedichten die erin staan hebben de neiging uit te dijen Het hoeft niet meteen een spraakwaterval te betekenen, maar de hedendaagse dichter trekt de teugels van de taal onmiskenbaar wat minder strak aan Dat verlengen van het gedicht is trouwens al veel eerder begonnen, met Bezoek aan het vrachtschip van Ed Leeflang in 1985, Pornschlegel van Dirk van Bastelaere in 1988, Charme van Huub Beurskens in datzelfde jaar en Goede manier en van Robert Anker in 1989 De trend werd in 1994 voortgezet door Benno Barnard met De schipbr eukeling Misschien kan Leo Vroman gelden als de voorloper in deze poëtische marathon, hij publiceerde immers in 1981 zijn indrukwekkende Liefde, sterk ver gr oot Als we de lengte van het gedicht als maatstaf nemen, wint Pieter Boskma de wedstrijd met gemak, want zijn ‘romangedicht’ De aar dse komedie uit 2002 telt liefst meer dan tweehonderdvijftig bladzijden Al deze dichters moeten zich bewust zijn geweest van de beperkingen die het gebruikelijke, betrekkelijk korte gedicht met zich meebrengt Ze willen, of wilden althans voor één keer ,meer armslag hebben en doorbraken de conventie dat het gedicht in gesloten afzondering verschijnt op de witte bladzijde Ook hun strofen en versregels konden uitgroeien, zonder dat ze het gevaar liepen in proza te vervallen Het poëtische principe van de verdichting, dat tot zoveel korte, hecht gestructureerde gedichten heeft geleid, leek hier overboord gegooid, maar dat was schijn In werkelijkheid werden allerlei middelen te baat genomen om ook het episodische, vertellende gedicht op spanning te houden Nijhof fs ‘A water ’of ‘Het uur U’ klinken niet zelden mee, klassieke voorbeelden van het lange gedicht als ze zijn De andere manier waarop het gedicht verlengd kan worden, is er een reeks of cyclus van maken W eliswaar bestaat een reeks of cyclus uit afzonderlijke gedichten, maar de opbouw en de betekenis van het geheel is door hun volgorde bepaald Het verhalende element behoeft niet te overheersen, het episodische kan zich ook uitdrukken in de herneming en variëring van een thema, of zelfs van een vorm Echte reeksdichters zijn bijvoorbeeld Christine D'haen, Hugo Claus, HC ten Ber ge, Huub Beurskens, Hans Tentije Op het ogenblik zijn er, Neerlandica extra Muros Jaargang 43 67 is mijn indruk, nog maar heel weinig dichters die zich niet laten verleiden tot een van de twee manieren van verlenging van hun poëzie: Anton Korteweg hij heeft zijn naam mee is een goed voorbeeld, ook Rob Schouten of Jean Pierre Rawie Voor deze kroniek heb ik een aantal recente lange gedichten uitgekozen om de verschillende verschijningsvormen van de soort aan te kunnen illustreren Een probleem is wel dat lange gedichten noodzakelijkerwijs alleen fragmentarisch geciteerd kunnen worden, reden waarom ze in bloemlezingen vaak ontbreken De jonge dichter Ramsey Nasr (1974) bleek al in zijn debuut 27 gedichten en Geen lied (2000) een voorkeur en een talent te hebben voor het lange gedicht ‘Geen lied’ is namelijk een episch gedicht van dertig bladzijden, door Nasr zelf als theatermonoloog gespeeld bij Het Zuidelijk Toneel Het is een traditioneel, metrisch gedicht, waarvan elke versregel, op een enkele lyrische interruptie na, tien of elf letter grepen telt Het verhaal varieert de mythe van Orfeus en Euridice: een jongeman zoekt in de onderwereld zijn eerste liefde, hij vindt haar en probeert haar mee te lokken naar het leven Speels is het feit dat het motief van het omkijken hier aan de vrouw wordt gekoppeld: Kijk om Ik wil nu weten hoe het afloopt Je bent niet meer alleen; ik ben hier ook, Gekomen om de dood kapot temaken Draai jeom Kijk om Desnoods breek ik jenek Ook Nasrs nieuwste bundel Onhandig bloesemend (2004) bevat een gedicht van ver gelijkbare lengte, de cyclus ‘wintersonate’ (de hoofdletters zijn intussen afgeschaft), geschreven op basis van Sjostakovitsj' altvioolsonate op 147 De drie delen moderato, allegretto en adagio weerspiegelen zich in de tekst, die anders dan het geval was in ‘Geen lied’ een uiterst gefragmenteerde indruk maakt Aan het woord is de componist zelf, met wie de dichter zich vereenzelvigt, en het belangrijkste thema van het gedicht is, naast de muziek natuurlijk, alweer de dood De biografie van de componist zal de dichter ongetwijfeld aan de nodige woorden hebben geholpen die hij wilde inzetten als antwoord op de muziek Het resultaat is een meeslepende collage, die vooral in de voordracht het meest recht doet aan de muzikale inspiratiebron Een fragment: vroeger luisterde men niet als ik wat zei (ze beweren dat glazoenov als hij naar een concert ging zijn oren met watten dichtstopte en aan zijn eigen zaken zat tedenken hij had monumentale gedachten) ik houd van glazoenov ik houd van kamermuziek Neerlandica extra Muros Jaargang 43 68 ik beken dat ik het moeilijk vind om in het openbaar onze taak ishet tejubelen ik dank uvoor het gesprek ‘ons vaderland hoort het’ ik geloof dat ik toch over mezelf teveel over mezelf nog een paar woorden ik ben bang voor pijn ik ben bang om over een plas testappen ik denk dat het een afgrond is wij kennen elkaar niet mijn naam issjostakovitsj zal ik maar zeggen ik houd van glazoenov Nasr schreef zijn lange muziekgedicht in opdracht van De Rode Hoed in Amsterdam, ter gelegenheid van het festival ‘Een noot een woord’ Door dit soort initiatieven verschijnen er opeens in onze poëzie muziekgedichten die er anders vermoedelijk niet geweest zouden zijn Ad Zuiderent opent zijn bundel Fietser naar niets (2004) met een lang, zesdelig titelgedicht geschreven bij de pianocompositie ‘Men go their ways’ van Ton de Leeuw ,ook in opdracht van De Rode Hoed Het is een ingenieus gedicht, waarin muziek, autobiografie en dichtkunst zich met elkaar verstrengelen De fietser is als zo vaak in Zuiderents werk zowel de mens als de dichter ,en de fietstocht derhalve is altijd in laatste instantie het gedicht zelf Een sterk voorbeeld hiervan vormt de cyclus ‘Pinksteren’, die een fietstocht beschrijft ten zuiden van Amsterdam naar het plassengebied bij Nieuwveen, op pinksterdag welteverstaan Doordat de route, met naam en toenaam, nauwgezet gevolgd wordt, blijft de tocht heel aards en zintuigelijk; zelfs zinspeelt het gedicht ironisch op het eigen werk als er staat: ‘waarover iemand schreef /dat daar zijn fiets de lucht in wou’ Een andere verwijzing is ook niet van belang ontbloot, namelijk die naar de Australische dichter Les Murray De twee fietsers rusten even uit en schuilen voor de regen: Wehadden de tijd en we hadden hem nodig Jij las mij Les Murray voor ,lang, een gedicht als een weg door de Outback Les Murray heeft patent op het lange gedicht, denk aan zijn kolossale roman in verzen Fr edy Neptune ,in 1998 door Peter Ber gsma in het Nederlands vertaald Maar Australië is Nederland niet, daar heb je een weg ‘die langer was dan de woorden ervoor ’,hier ‘op de /fiets naar een polder vlakbij, en terug, /niet veel meer dan drie uur in principe’ Neerlandica extra Muros Jaargang 43 69 ‘Met Pinksteren is de smaad van Babel /uitgewist’ staat in het achtste gedicht van deze cyclus, dat er nogal uitspringt omdat het polemiseert met dichters die er andere schrijfopvattingen op na houden: Rob Schouten schrijft: jebent een boer wanneer jeschrijft waar iets gebeurde en wanneer , een dichter uit de tijd vóor deze tijd Een ander pijpt tussen zijn vals gebit satanisch dat jeniets tezeggen hebt als jeniet zingt; dat dat jeboodschap is Doe niet gewoon, dan ben jeslecht genoeg (een derde in het koor) of schrijf jetijd, niet op de fiets, ook in de sauna niet, maar in de zwetende taal van Rimbaud (laat jenakijken: wij als een ander) Schrijf in compacte geheimen, symbool van het lijf dat op temperatuur komt, van een hart dat daar brandt Waag jeniet aan mystiek voor beginners, dat kennen we Zo passeren verschillende poetica's de revue (de pijper uit de tweede strofe zal zeker terugslaan) en wordt het duidelijk dat Zuiderent zich daarbij niet thuisvoelt, zoals uit het gedicht zelf al blijkt Met Pinksteren zou toch het spreken in zo verschillende tongen als dichters doen voor iedereen acceptabel en verstaanbaar moeten zijn De hele fietstocht, die in het gedicht in woorden nog eens herhaald wordt, komt er ten slotte op neer dat deze dag op aarde, met de ogen open naar de werkelijkheid, intens is beleefd, ‘gezelschap was het’ en dat geldt ook voor de poëzie, die de lezer deelgenoot wil maken van wat het betekent te leven De dichter die het bestaan misschien wel het meest als onderhevig aan de tijd ervaart is W illem van Toorn Zijn vorige bundel heette ronduit Tegen de tijd (1997) en de gelijknamige reeks was dan ook te beschouwen als een dichterlijk protest tegen ver gankelijkheid en verdwijnen Het gedicht eindigde met: Wijzijn hier maar even, een onrust die tast in de stilte naar taal, een wet om de angst tebeheersen Lees maar Wijhebben bestaan Neerlandica extra Muros Jaargang 43 70 De bundel Het stuwmeer (2004) besluit Van Toorn weer met zo'n lange, samenhangende reeks met veel verhalende en bespiegelende elementen Het tempo is kalm, maar die kalmte dekt een grote betrokkenheid bij wat er in het gedicht verteld en gedacht wordt: Er staat een man in de zon aan de rand van een blauw meer Zo eenvoudig als het begon schrijf ik het hier neer Het iseen zuidelijk land en voor het seizoen begint De man houdt vanwege de wind zijn hoed vast met één hand De andere steekt hij misschien op om mij tebegroeten Hij kan alleen mij bedoelen: niemand anders tezien Deze man staat daar aan de oever van het meer ,dag aan dag, en na enige tijd, als de twee elkaar al een aantal keer gegroet hebben, wijst hij naar het midden van het meer en zegt hij: ‘Ons huis stond daar /beneden aan de rivier /Toen is de dam gesloten /en steeg het water tot hier ’Het stuwmeer onttrekt dus zijn vroegere bewoning en daarmee zijn hele vroegere wereld, zijn verleden aan het oog Dan volgt een voorstelling van zaken zoals Van Toorn die eerder heeft gegeven in verband met een nieuwbouwwijk opgetrokken in voorheen boerenland, in zijn bundel Het landleven (1981) W ie weet hoe het was, ziet het oude door het nieuwe heen schemeren, alsof twee tijden door elkaar lopen De man zegt: Ik moet dus niet tegen uzeggen stond, want het staat er nog steeds, natuurlijk Het pad tussen de twee heggen naar de voordeur ,de boomgaard, wie weet de stenen bank op de oever waar mijn grootvader vredig dood bleef in de avondzon Nu zwemmen er alleen vissen dwars doorheen Deze man nu wordt een soort begeleider voor de ikfiguur ,die hem op de rand van de slaap opwacht en met hem afdaalt in het meer Het beeld van het stuwmeer dat alles bedekt, is in al zijn eenvoud tref fend genoeg: de tijd als Neerlandica extra Muros Jaargang 43 71 water dat zich ophoopt en het leven overspoelt De reeks vervolgt dan met een aantal opgediepte herinneringen aan voorbije gezichten, stemmen, landschappen, maar zo zichtbaar en aanwezig gemaakt door de poëzie dat ze er ook in bewaard kunnen blijven Dat is Van Toorns tovenarij, hij roept met zijn gedichten het verleden op uit het stuwmeer van zijn hoofd, zijn herinnering en dan ligt het veilig bewaard in de taal ‘Het stuwmeer ’is een verlengd gedicht, waarmee ik bedoel dat het eerste gedicht van de reeks zich verhalend en thematisch voortzet in de tien gedichten die er op volgen De lijn in het geheel vormt de samenhang, het slotgedicht is echt de afhechting van de reeks Rutger Kopland heeft één lang gedicht geschreven, ‘Gulliver onder de reuzen’, het staat in Wie wat vindt heeft slecht gezocht (1974) Hij is zich later meer op reeksen gaan toeleggen, grotere en kleinere, waarvan het begingedicht in de volgende gedichten zich in allerlei variaties herhaalt Een uitgesproken voorbeeld hiervan is ‘Die Kunst der Fuge’ uit Voor het ver dwijnt en daarna (1985) Een meer verhalendbespiegelend zich voortzettende reeks is ‘Dichtgroeiende weg’ uit Geduldig ger eedschap (1993), waarin de dichtgroeiende weg als metafoor optreedt voor de verdwijning van het verleden, ook in de herinnering voor het stuwmeer in je hoofd, om het in Van Toornse termen te zeggen In Een man in de tuin (2004) heeft Kopland een kleine reeks variaties bij het werk van de Vlaamse schilder Roger Raveel opgenomen, waarin nagedacht wordt over de verhouding tussen kunst en werkelijkheid, in zowel schilderkunst als poëzie Het is een interessante reeks, die zowel typerend is voor Raveel als voor Kopland Daarnaast verschijnt in de bundel een uitvoerige reeks van elf gedichten getiteld ‘Stroomdal’, ogenschijnlijk simpele, want zeer geraffineerde gedichten die het landschap met rivier tot onderwerp hebben Telkens weer vraagt een waarnemer zich af wat hij eigenlijk ziet of ervaart als hij daar op het terras aan de rivier naar het water en het landschap zit te kijken Dit is het begin: I Al die jaren dat ik zat tekijken op het terras aan de rivier dacht ik hetzelfde: niet omdat dit uitzicht zo mooi is, niet om het mooie moet ik blijven kijken maar omdat dit landschap met zijn rivier aan niets anders doet denken dan aan zichzelf de rivier neemt mijn gedachten mee het landschap in en van alles wat ik zie weet ik dat het anders had kunnen zijn maar dat ishet niet Neerlandica extra Muros Jaargang 43 72 Via negen volgende stadia van beschouwing, waarin veel hernomen wordt en vooral de verhouding tussen waarnemer en wereld centraal staat (‘Het landschap met de rivier ziet mij niet’, ‘hoe overbodig ik ben’) rondt Kopland de reeks, misschien liever: cyclus, op een besluitvaardige wijze af: XI Al die jaren dat ik zat tekijken op het terras aan de rivier dacht ik: zoals hier ,zo moet het zijn niets ontbreekt, niets isoverbodig het isteeenvoudig om tebegrijpen tevanzelfsprekend om tebeschrijven zo ligt het daar het landschap met de rivier ik zal het nooit kennen Hoewel Kopland al vaker water in verband heeft gebracht met tijd, een topos immers, lijkt hier het water in dit stroomdal niet de hoofdzaak, al is er van tijdsverloop sprake, maar thematiseert hij de onkenbaarheid van de ons omringende wereld, die daar volkomen vanzelfsprekend ligt en zich niet van ons bewust is, bestaat ‘zonder enige zin /zonder enige bedoeling’ De cyclus van Kopland is een wonder van precisie, hij ontpopt zich bij de lectuur als mechaniek dat telkens drie stappen vooruit doet en vervolgens twee stappen terug De herhalingen wisselen af met uitbreidingen, de verdeling van het taalaanbod over de versregels en strofen is perfect Kopland heeft het zich trapsgewijs verlengende gedicht volkomen in de hand In het kader van het lange gedicht zouden in feite ook nog dichters als Leonard Nolens, Peter Verhelst, Arjen Duinker ,Mustafa Stitou, Frans Kuipers en HH ter Balkt ter sprake moeten komen, maar de ruimte laat dit niet toe Ze lenen zich uitstekend voor bestudering door diegenen die zijn geïnteresseerd in de nieuwe poëzie en in de bloei van het lange gedicht in het bijzonder Besproken titels KOPLAND ,RUTGER :Een man in de tuin Amsterdam, Van Oorschot, 2004 72 pp ISBN 90 282 4035 7 €14,50 NASR ,RAMSEY :Onhandig bloesemend Amsterdam, De Bezige Bij, 2004 80 pp ISBN 90 234 1429 2 €15 TOORN ,W ILLEM VAN :Het stuwmeer Amsterdam, Querido, 2004 55 pp ISBN 90 214 8470 6 €18,95 ZUIDERENT ,AD:Fietser naar niets Amsterdam, Querido, 2004 48 pp ISBN 90 214 8902 3 €16,95 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 73 JM van der Horst Kroniek van de taalkunde 2003/2004 Veel mensen denken dat spreekwoorden een diepe wijsheid bevatten Ik geloof daar niets van Ik moet het eerste spreekwoord nog tegenkomen dat ook maar een klein beetje wijsheid bevat, diep of ondiep Spreekwoorden zijn gewoon een andere nogal oubollige manier om te zeggen wat je van iets vindt Neem nu eens een spreekwoord als: ‘Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten’ W at is daar diep aan? Men gebruikt zo'n spreekwoord om aan te geven dat iemand zijn medemensen, zijn collega, zijn buurman, niet vertrouwt, en dat dat komt doordat hij zelf ook vals speelt Maar of het echt daardoor komt, is zeer de vraag Als mijn collega een oplichter is, en ik weet dat, heb ik reden om hem te wantrouwen Dat hoeft niet te komen doordat ik zelf ook een schurk ben Iemand kan nu zeggen: in die situatie gebruiken we dit spreekwoord dan ook niet Akkoord, maar ik concludeer dan dat het spreekwoord alleen maar bruikbaar is in situaties waarin iemands achterdocht inderdaad voortvloeit uit zijn eigen kwade inborst Oftewel dat dit spreekwoord alleen maar bruikbaar is, als het bruikbaar is Dat is een open deur intrappen Je kunt niet in het algemeen zeggen dat wantrouwen komt door eigen slechtigheid Soms wel en soms niet Het spreekwoord heeft daar niets aan toe te voegen In situaties waarin het wèl zo is, kan je het gebruiken, en anders niet W ie het spreekwoord gebruikt, zegt in feite niets anders dan: dit is zo'n situatie Soms is één vogel in de hand beter dan tien in de lucht Maar menigmaal is het andersom veel beter: beter tien in de lucht dan een in de hand Niet alleen uit oogpunt van milieu is dat beter ,maar ook als het gaat om investeren Ik geef toe dat we dan het spreekwoord niet gebruiken, maar dat is precies wat ik zeggen wil: het spreekwoord is alleen maar waar in situaties dat het waar is Het idee dat spreekwoorden wijsheid zouden bevatten, is een merkwaardige ver gissing Spreekwoorden geven slechts commentaar ,en dat op een afgezaagde manier Of het nu daardoor komt of door iets anders, spreekwoorden worden tegenwoordig minder gebruikt dan vroeger En als men ze gebruikt, dan vaak met iets van een verontschuldiging Iedereen kent die van de ezel: ‘Een ezel stoot zich in 'tgemeen geen tweemaal aan dezelfde steen’ W ekennen die ezel zo goed, dat het banaal is om het spreekwoord weer eens te debiteren Het is een afgezaagde overjarige ezel Je komt hem dan ook zelden meer tegen in zijn natuurlijke staat Ondertussen kennen we hem wel, allemaal W ehouden hem als het ware vlak Neerlandica extra Muros Jaargang 43 74 onder het oppervlak van onze spraak; hij is er,maar we laten hem niet te voorschijn komen Althans niet helemaal Of anders met de toevoeging: ‘spreekwoordelijk’ Dan zeggen we, als de situatie daar aanleiding toe geeft: ‘Je bent nog erger dan de spreekwoordelijke ezel’ Afgaande op het gebruik van het woord ‘spreekwoordelijk’, moeten veel mensen een hekel hebben aan de volle spreekwoorden Hetzelfde lijkt te gelden voor een stoet aan vaste uitdrukkingen Spreekt iemand over ‘het topje van de ijsber g’, dan is nu de kans groot dat hij het heeft over ‘het spreekwoordelijke topje van de ijsber g’ Men zegt niet meer: ‘Dat is de druppel die de emmer doet overlopen’, maar: ‘Dat is de spreekwoordelijke druppel’ Als men de gehele uitdrukking of het hele spreekwoord gebruikt, lijkt men zich daarvoor als het ware te verontschuldigen door er ‘spreekwoordelijk’ bij te zeggen: ‘Als het spreekwoordelijke kalf verdronken is, dempt men de put’ Men heeft het over: ‘want ik zie door de bomen het spreekwoordelijk bos niet meer ’Of: ‘W ewillen benadrukken dat er geen sprake is van het spreekwoordelijke addertje onder het gras’ Of zelfs twee keer: ‘Tja, in dit verhaal worden de spreekwoordelijke appels weer ver geleken met de spreekwoordelijke peren’ Het ziet ernaar uit dat hoe minder de spreekwoorden en uitdrukkingen in tel zijn, hoe vaker men het woord ‘spreekwoordelijk’ in de mond neemt Een heel arsenaal aan spreekwoorden en uitdrukkingen dat nog wel algemeen bekend is, kan men feitelijk niet of nauwelijks meer in ernst gebruiken Karel van het Reve heeft daar bij verschillende gelegenheden al eens op gewezen Ondertussen heeft onze samenleving een stroom van geheel andersoortige uitdrukkingen en zegswijzen ontwikkeld die in de handboeken voor spreekwoorden en uitdrukkingen nog hoegenaamd niet vermeld staan Die zijn vaak ontleend aan de reclame, aan boek en filmtitels, of aan uitspraken van beroemdheden Zo zijn uit de reclame afkomstig: blij dat ik rij ;vakmanschap is meesterschap ;een ei hoort erbij ;even een vlekje wegwerken ;en dan is er koffie ;hij klopt, hij veegt en hij zuigt (oorspronkelijk gezegd van een stofzuiger; nadien ook van huismannen); hapt zo heerlijk weg ;met de wilde frisheid van limoenen ;witter dan het witste konijn ;uweet wel waar om ;vlug, veilig en voor delig ;laat niet als dank voor 'taangenaam verpoozen, den eigenaar van 'tbosch de schillen en de doozen ;een kind kan de was doen ,en zo talloze meer Ook citaten en titels van boeken en films worden tot gevleugelde woorden Iedereen kent de uitspraak over de neus van Cleopatra, dat als die korter was geweest, het aanzien van de wereld anders was geweest Of: ‘Mijn koninkrijk voor een paard!’ Of: ‘Partir c'est mourir un peu’ Of: ‘Meedoen is belangrijker dan winnen’ Maar van wie zijn ze afkomstig? Hoe lang zeggen we dit al? Gaat het om citaten van beroemdheden, dan is dat vaak terug te vinden in citatenwoordenboeken Maar de grenzen tussen citaat, reclame, boektitel, dichtregel, gevleugeld woord enz zijn dikwijls vaag Lexicografisch is dit grotendeels een braakliggend terrein Zo goed als de echte spreekwoorden gedocumenteerd zijn (die weinig meer gebruikt worden), zo slecht is dit grote gebied van de gevleugelde woorden beschreven (die wel veel gebruikt worden, en onmisbaar zijn voor het verstaan van hedendaags Nederlands) Neerlandica extra Muros Jaargang 43 75 Marc De Coster heeft in zijn Woor denboek van populair euitdrukkingen, cliché's, kreten en slogans van 1998 al een serieus begin gemaakt met het inventariseren Een belangrijke volgende stap is nu gezet door Jaap Engelsman, met zijn Bekende citaten uit het dagelijks taalgebruik Engelsman bespreekt er minder dan De Coster ,maar hij gaat er veel dieper op in Engelsmans belangstelling ligt trouwens ook iets meer bij de citaten, maar de afgrenzing is niet zeer streng De neus van Cleopatra staat er niet in (teruggaand op Pascal, Pensées VIII, 29), maar wel andere bekende als het krinklende winklende water ding (Gezelle) en overigens ben ik van mening (Cato) Die mogen eenvoudig te traceren zijn, moeilijker zijn al de omgevallen boekenkast (waarschijnlijk van Frank van der Goes), het nuttige met het aangename ver enigen (Horatius), Nee we noemen geen namen (Seth Gaaikema en W im Kan) en Meedoen is belangrijker dan winnen (Pierre de Coubertin), De wer eld wil bedr ogen wor den (minstens al sedert 1494), En dan is er koffie (Theo Strengers en Peter Verhoef, 1968) of De wer eld gaat aan vlijt ten onder (Max Dendermonde) Om nog maar te zwijgen van notoir moeilijke gevallen als het ijzer en gor dijn en de beroemde uitspraak Als de wer eld ver gaat, ga ik naar Nederland, want daar gebeurt alles vijftig jaar later (niet van Heine) Dat de afgrenzing van wat Engelsman opneemt, uiterst ondoorzichtig is, beschouw ik volstrekt niet als een bezwaar Ik denk eigenlijk dat hij opnam waarover hij iets interessants wist te melden, en wegliet wat hij vooralsnog niet weet Hooguit kan men wensen dat hij voortgaat, en ons over enige tijd een tweede en een derde deel levert Dat is absoluut nodig Een ander belangrijk handboek, vorig jaar verschenen, is het nieuwe Etymologisch woor denboek van het Nederlands (EWN) van M Philippa, FDebrabandere en A Quak Toegegeven, er is voorlopig alleen deel 1, AE Maar dat is genoeg om te zien wat het geheel gaat worden Het is een serieus en degelijk wetenschappelijk werk In verschillende opzichten beter dan alles wat we op dit gebied hadden Al was het maar omdat recente inzichten erin verwerkt zijn (daar zaten we al decennia op te wachten), en omdat op vele plaatsen verwijzingen gegeven worden naar vakliteratuur Ik moet een gedetailleerde beoordeling van de taalkundige merites overlaten aan recensies in de gespecialiseerde tijdschriften, maar ik heb het volste vertrouwen in de uitkomst ervan Dit nieuwe etymologisch woordenboek weet een fraai evenwicht te bereiken tussen informatie over de (soms verre) voor geschiedenis van de woorden en hun latere lotgevallen Zowel de vanouds Nederlandse woorden als leenwoorden uit alle eeuwen krijgen gepaste aandacht, zodat er veel meer woorden besproken worden dan in bijna alle andere ver gelijkbare werken Naast arm ,dat al een zeer oud woord is, komen zo ook woorden als bikini (sedert 1952), callgirl (sedert 1968) en camper (sedert 1984) aan de orde Allemaal op hun alfabetische plaats En dan heb ik de aller grootste verdienste van dit werk nog niet eens genoemd Namelijk dat dit het eerste en enige etymologische woordenboek in de hele wereld is dat ik ken, waarin de zaken behoorlijk en begrijpelijk uitgelegd worden Soms weten de auteurs het niet, en dan staat dat er eerlijk bij: we weten het niet Maar heel vaak weten ze het wel, en dan wordt het uitgelegd op een Neerlandica extra Muros Jaargang 43 76 manier die de hoogste lof verdient Het is een goudmijn aan boeiende informatie, en een begrijpelijke, toegankelijke goudmijn Uit mijn recensie in Neerlandica/Nederlands van nu (52 (2004), 2729) citeer ik de volgende alinea, omdat ze mijns inziens niet vaak genoeg herhaald kan worden Het is al bij al bitter om te bedenken hoe lang mevrouw Philippa, de oermoeder van het project, heeft moeten leuren bij allerlei instanties om een beetje geld teneinde haar werk te kunnen voortzetten Een blamage vind ik dat voor de overheidsinstellingen die wetenschappelijk onderzoek dienen te financieren (ik bedoel: afgewogen tegen de prullen die ze soms wel subsidiëren) In het begin deed ze het werk in haar eentje, soms met hulp van een paar studenten en onbezoldigde liefhebbers Later kreeg ze de krachtige steun van twee andere professionals: Debrabandere en Quak Maar de onbezoldigde liefhebbers bleven in touw ,onder het wakend oog van Philippa, Debrabandere en Quak, en zij allen verdienen een pluim op hun hoed Bij dezen Trouwens ook de uitgever verdient een pluim, de Amsterdam University Press, die het heeft aangedurfd dit boek uit te geven, en zo mooi uit te geven Laten we hopen dat dit eerste deel het pad effent voor de resterende delen 2, 3en 4 Nu, dat ze er komen, daar twijfel ik niet aan; maar laat het voor de redactie iets minder een financiële lijdensweg zijn Voor de etymologie mag hier trouwens ook wel even genoemd worden het onlangs verschenen Etimologiewoor denboek van Afrikaans ,door GJ van W yk et al, een uitgave van het ‘Buro van die W oordenboek van die Afrikaanse Taal’ (2003) Vorig jaar schreef ik op deze plaats: ‘Er is een snel groeiende belangstelling voor actuele taalveranderingen’; en: ‘Niet alleen de taalwetenschap, ook het grotere publiek heeft een groeiende belangstelling voor taalgeschiedenis en taalverandering’ Daar was, lijkt me, niets te veel mee gezegd Het verschijnen van deel Ivan het Etymologisch Woor denboek sluit daar geheel bij aan Maar ook de intussen al fameuze bundel Waar gaat het Nederlands naartoe? Panorama van een taal ,samengesteld door Jan Stroop (Amsterdam 2003) Vijfendertig specialisten beschrijven, elk op zijn of haar terrein, wat er volgens hen aan het veranderen is in de Nederlandse taal Dat gaat over de klanken, de vormleer en de syntaxis, maar evengoed over de invloed van het Engels, de positie van andere talen in Nederland en België, over diver gentie of conver gentie van het noordelijke en het zuidelijke Nederlands, over Verkavelingsvlaams en Poldernederlands, jongerentaal en Murks, over het taalonderwijs en over de moeilijkheid of je iemand met uof met jij moet aanspreken Het lijkt me een onmisbaar boek, zowel voor intramurale neerlandici als voor de neerlandici extra muros Ook al is de functie van het boek voor deze twee doelgroepen allicht niet precies gelijk Voor ‘die van binnen’ is het onthullend om allerlei verschijnselen die men uit het dagelijkse taalgebruik wel kent, maar waar men geen acht op slaat, hier beschreven te zien als taalverandering De extramurale neerlandici hebben, juist door hun grotere afstand, daar dikwijls een beter oog voor Maar anderzijds kan ‘die van buiten’ juist door die afstand makke Neerlandica extra Muros Jaargang 43 77 lijker iets ontgaan Ik bedoel dit: als extramurale neerlandici iets opmerken, besef fen ze eerder dat iets een verandering is; maar soms weten ze überhaupt niet dat iets voorkomt Kortom: een boek voor iedereen W aar ik ergveel plezier aan beleefd heb, dat is Het gr oot gebar enboek der Lage Landen ,van Herman Pieter de Boer ,met tekeningen van Pat Andrea Eigenlijk moet ik zeggen: weer veel plezier aan beleefd heb Het Gr oot gebar enboek is namelijk een herziene en vermeerderde uitgave van het Nederlands gebar enboekje (1979) en het Nieuw Nederlands gebar enboekje (1982) Hier worden de gebaren beschreven, en getekend, die wij dagelijks in onze gesprekken maken, soms ter ondersteuning van wat we zeggen, soms in plaats van woorden Bijvoorbeeld het gebaar voor ‘getikt’ (met wijsvinger tegen het voorhoofd), voor ‘koppie koppie’ (tikkend tegen zijkant van het hoofd), voor ‘achter de ellebogen’ (klop klop op de elleboog), voor ‘door de vingers zien’ (hand met gespreide vingers voor het gezicht) En zo nog vele, vele andere Al bladerend besef je hoe veel van der gelijke gebaren er eigenlijk zijn En hoe bekend en algemeen gangbaar ze zijn Ik ken ze nagenoeg allemaal Nee, met gebarentaal van doven heeft dit niets te maken Dat is inderdaad een taal De gebaren van Herman Pieter de Boer zijn losse gebaren, veelzeggend, niet zelden beledigend of komisch, maar ze vormen tezamen geen taal W el zijn ze conventioneel; en ze worden frequent gebruikt Men kan feitelijk niet aan de taalgemeenschap deelnemen zonder althans de belangrijkste te kennen Veel van die gebaren zijn internationaal, maar er zijn er ook die elders niet bestaan of een andere betekenis hebben En nu ik me toch begeef op het raakvlak van taal en cultuur ,vraag ik ook even aandacht voor de studie van Jeroen Blaak, Geletter de levens; dagelijks lezen en schrijven in de vroegmoderne tijd in Nederland 16241770 Over onze geleerden en grote schrijvers uit de 17de en 18de eeuw is dikwijls wel een en ander bekend; maar hoe stond het met het lezen en schrijven van de gewone man en de gewone vrouw? W eweten dat een aanzienlijk deel van de bevolking inderdaad kon lezen en schrijven, maar wat lazen ze zoal? Hoe vaak schreven ze, en wat, en aan wie? Hadden de mensen zelf boeken, of leenden ze die? En van wie dan? Uit de dagboeken van enkele personen uit die tijd is daarover wel wat te leren; Jeroen Blaak heeft die gegevens in een uiterst boeiende studie samengebracht Niet onvermeld mag blijven dat het Belgische tijdschrift Nederlands van Nu (dat lang geleden Nu Nog heette) vanaf zijn 51ste jaar gang, di met ingang van 2003, samengaat met het tijdschrift Neerlandia van het Algemeen Nederlands Verbond De Combinatie heet Neerlandia/Nederlands van Nu De redacties blijven gescheiden, en het is ook zichtbaar welke bladzijden van Neerlandia zijn en welke van Nederlands van Nu Het redactieadres blijft: Peter Debrabandere, Lotenhullestraat 74, B9881, België (peter [email protected]) En ten slotte kunnen weer enkele feestbundels genoemd worden Eerst die voor Geert Dibbets, die in Nijmegen doceerde: Bon jours Neef, ghoeden dagh Cozyn! , Neerlandica extra Muros Jaargang 43 78 ed Els Ruijsendaal, Gijsbert Rutten en Frank Vonk (2003) Een slechte titel, maar een rijke en gevarieerde inhoud Dat geldt ook voor de omvangrijke bundel voor Johan Taeldeman, die afscheid heeft genomen van de Universiteit Gent: Taeldeman, man van de taal, schatbewaar der van de taal En als derde: de afscheidsbundel voor Arjan van Leuvensteijn die afscheid heeft genomen van de Vrije Universiteit Amsterdam: Taal in verandering Besproken titels BLAAK ,JEROEN :Geletter de levens; dagelijks lezen en schrijven in de vroegmoderne tijd in Nederland 16241770 Hilversum, Verloren, 2004 368 pp ISBN 90 6550 803 1 €32 BOER ,HERMAN PIETER DE ,MET TEKENINGEN VAN ANDREA ,PAT:Het gr oot gebar enboek der Lage Landen Zaltbommel, Kempen, 2004 Gebonden 264 pp ISBN 90 6657 192 6 €24,50 CALUWE ,JOHAN DE;SCHUTTER ,GEORGES DE;DEVOS ,M AGDA EN KEYMEULEN , JACQUES VAN (RED ): Taeldeman, man van de taal, schatbewaar der van de taal Gent, Vakgroep Nederlandse Taalkunde Universiteit Gent en Academia Press, 2004 Gebonden, 1111pp ISBN 90 382 0651 8 €25 Tebestellen bij J StoryScientia bvba W etenschappelijke boekwinkel, PVan Duyseplein 8, B9000 Gent; tel 0032 9225 57 57; fax 0032 9233 14 09; [email protected] DAALDER ,SASKIA ;JANSSEN ,THEO EN NOORDEGRAAF ,JAN (RED ): Taal in verandering Artikelen aangeboden aan Arjan van Leuvensteijn bij zijn afscheid van de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur aan de Vrije Universiteit Amster dam Amsterdam, Stichting Neerlandistiek VU; Münster ,Nodus Publikationen, 2004 214 pp ISBN 90 72365 81 x €25 Tebestellen bij: Stichting Neerlandistiek VU, De Boelelaan 1105, NL1081 HV Amsterdam, of bij: Nodus Publikationen, Münster , ENGELSMAN ,JAAP :Bekende citaten uit het dagelijks taalgebruik Den Haag, Sdu, 2004; gebonden met stofomslag 560 pp ISBN 90 12 10521 8 €39,90 PHILIPP A,M ;DEBRABANDERE ,FEN QUAK ,A:Etymologisch woor denboek van het Nederlands deel I(A/E), Amsterdam, Amsterdam University Press, 2003 725 pp ISBN 90 5356 653 8 €55 RUIJSENDAAL ,ELS ;RUITEN ,GIJSBER TEN VONK ,FRANK (RED ): Bon jours Neef, ghoeden dagh Cozyn! (Feestbundel G Dibbets) Münster ,Nodus Publikationen, 2003 392 pp ISBN 389323 219 2 €47 STROOP ,JAN (SAMENSTELLER ):Waar gaat het Nederlands naartoe? Panorama van een taal Amsterdam, Bert Baldcer ,2003 362 pp ISBN 90 351 2571 1 €25 W YK ,GJVAN ET AL :Etimologiewoor denboek van Afrikaans Uitgave van het ‘Buro van die W oordenboek van die Afrikaanse Taal’, 2003 612 pp ISBN 09584401 31 €25,50 Tebestellen bij: Buro van die WAT,postbus 245, 7599 Stellenbosch, ZuidAfrika Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 79 Besprekingen en aankondigingen Annelies van Hees et al (red): Prisma groot woordenboek DeensNederlands 2004 877 pp ISBN 90 274 7987 9 €49,50 Godelieve Laur eys (red): Prisma groot woordenboek NederlandsDeens 2004 1135 pp, ISBN 90 274 7986 0 €49,50 In 1996 verscheen bij Van Dale een uitgebreid ZweedsNederlands en NederlandsZweeds woordenboek, in 2004 zag het DeensNederlandse en NederlandsDeense Prisma woordenboek het licht Naar verluidt zijn ook voor het Noors en het Fins woordenboeken in de maak, dus binnen afzienbare tijd zullen er voor alle grote Scandinavische talen moderne en vrij uitgebreide woordenboeken beschikbaar zijn Er is lange tijd geen Nederlands woordenboek Deens in de handel geweest Het woordenboek van Geerte de Vries verscheen in 1976 1(de tweede druk in 1986), maar is al jaren uitverkocht Hoewel het niet zeer omvangrijk was en niet volgens expliciete lexicografische principes geschreven, was het toch een nuttig hulpmiddel voor de taalleerder voordat hij of zij op een Nederlands of Deens verklarend woordenboek kon overschakelen De enige andere mogelijkheid voor de student was een vertaalwoordenboek vanuit een hoofdtaal (Engels, Duits, Frans) naar het Deens of Nederlands te gebruiken Die situatie heeft nu gelukkig een verandering onder gaan met het verschijnen van de Prisma woordenboeken Deens en Nederlands De woordenboeken zijn door twee aparte redacties geschreven, het NederlandsDeense woordenboek in Gent en het DeensNederlandse in Amsterdam Volgens de voorwoorden bevatten de woordenboeken ca 45000 trefwoorden en evenveel collocaties en voorbeelden, ze zijn dus voor wat betreft het aantal trefwoorden met de serie Handwoor denboeken van Van Dale te ver gelijken De woordenboekartikels bevatten na het trefwoord een fonetische transcriptie (IP A), informatie over woordsoort en flexie; bij zelfstandige naamwoorden wordt in het DeensNederlandse woordenboek ook bij het vertaalequivalent het geslacht aangegeven De opbouw van de lemma's is vrij traditioneel en heeft niet het zeer gedif ferentieerde cijfer systeem dat gebruikt wordt in de Zweedse en andere vertaalwoordenboeken van Van Dale In een bijzondere afdeling worden collocaties en idiomen die het trefwoord bevatten, Neerlandica extra Muros Jaargang 43 80 aangegeven Het juiste gebruik van preposities is een van de moeilijkste problemen, zelfs voor de gevorderde taalleerder; is het nu gissen naar ,op of aan ?Veel woordenboeken zijn zuinig met het aangeven van vaste preposities bij werkwoorden en zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden Dat is hier niet het geval De vele voorbeelden garanderen het juiste gebruik Een recensie als deze zou eigenlijk pas na langdurig werken met de woordenboeken en het gebruik ervan in de lessen geschreven kunnen worden Daar is helaas geen tijd voor geweest Een eerste indruk is dat de woordbeschrijvingen dekkend zijn, en er is zonder twijfel heel veel werk verzet om goede equivalenten van de vele collocaties en idiomatische uitdrukkingen te vinden Het spreekt vanzelf dat er in de eerste editie van zo'n omvangrijk werk ook minder precieze oplossingen gevonden kunnen worden Ik geef een paar voorbeelden Folketingssamling wordt door ‘ver gadering van de Tweede kamer ’weer gegeven; folketingssamling duidt echter de periode van oktober tot juni aan waar de Folketing (het parlement) ver gadert, dus ver gaderjaar of zittingsjaar zijn de juiste equivalenten Moeilijker wordt het in de gevallen waar een semantisch veld door de twee talen verschillend gestructureerd is Voor de Nederlandse woorden politiek en beleid heeft het Deens alleen maar politik ,desnoods kan in de betekenis ‘beleid’ het vreemde woord policy gebruikt worden, je zou dus van de politik /policy van een bedrijf ten aanzien van seniormedewerkers kunnen spreken Het overeenkomstige bijvoeglijke naamwoord politisk, heeft echter slechts met ‘politiek’ en niet met ‘beleid’ te maken Het is het daarom mijns inziens niet doeltref fend zekere samenstellingen met beleid(s) door politisk te vertalen; een beleidsmedewerker is namelijk allesbehalve een politisk medarbejder (‘politieke medewerker ’) 2 Er zijn in de woordenboeken heel veel goede vondsten bij de vertaling van idiomatische uitdrukkingen, maar af en toe signaleer ik een gemiste kans Hoewel ze heel verschillende beelden oproepen, zijn de uitdrukkingen bij de pakken (blijven) neerzitten en opgive aevr ed meestal functioneel equivalent, maar beide woordenboeken vermelden in plaats van het equivalent kleurloze vertalingen zoals (ikke) give op, het opgeven en der gelijke De voorwoorden laten zich niet uit over de samenwerking tussen de twee redacties; de woordenboekgebruiker vraagt zich af of deze opsplitsing in alle gevallen ideaal is geweest en soms wekken de woordenboeken de indruk dat dat niet het geval was De uitdrukking spå ikaffegrums wordt correct met het overeenkomstige koffiedik kijken vertaald; in de tegenover gestelde richting wordt dat is koffiedik kijken echter door det er ren spekulation (‘dat is pure speculatie’) omschreven zonder dat het idioom vermeld wordt Een ver gelijkbare asymmetrie blijkt bij de lexicale verschillen tussen Noord en ZuidNederlands In het Gentse woordenboek zijn ook lemmata zoals kotmadam, beenhouwer en kuisen opgenomen; in het Amsterdamse woordenboek worden als vertaling van vaertinde, slagter ,gør erent alleen maar de NoordNederlandse equivalenten hospita, slager en schoonmaken vermeld Inzage in het manuscript van de andere redactie zou vermoedelijk zulke onef fenheden hebben kunnen voorkomen Dat ik hier een paar kritische opmerkingen heb gemaakt, verandert niets aan Neerlandica extra Muros Jaargang 43 81 de uiterst positieve indruk van de Prisma woordenboeken en van de prestaties die erachter liggen In betrekkelijk korte tijd is het gelukt een set woordenboeken te voltooien die qua opzet en uitvoering dat wat tot nu toe voorhanden was verre overtreft De woordenboeken bevatten een schat aan materiaal dat van nu af aan het leven gemakkelijker maakt voor iedereen die zich op welk niveau dan ook met de vertaling tussen het Nederlands en het Deens bezighoudt Zowel samenstellers en gebruikers kunnen met het resultaat tevreden zijn De onvolkomenheden die geconstateerd kunnen worden, kunnen in een hopelijk volgende druk verbeterd worden PS De woordenboeken zijn tegelijkertijd door de Deense uitgeverij Gyldendal uitgebracht in de befaamde serie ‘Gyldendals rode woordenboeken’ met de titels HollandskDansk en DanskHollandsk Or dbog Het is te betreuren dat men niet de gelegenheid aangegrepen heeft om de benaming nederlandsk te bevorderen in plaats van het in het Deens gebruikelijke hollandsk ,maar dat heeft blijkbaar niet mogen zijn NielsErik Larsen C van Baalen, L Beheydt en A van Kalsbeek: Cultuur in taal: interculturele vaardigheden voor docenten Nederlands aan anderstaligen Utr echt, Nederlands Centrum Buitenlanders, 2003 167 pp ISBN 90 551 7419 X €25 W at is nou precies het verschil tussen ‘leuk’ en ‘lekker ’? W aarom vindt een leuke meid het eventueel minder geslaagd om een ‘lekkere meid’ genoemd te worden (4041)? Het is slechts een van de vele culturele knelpunten waar leerders van het Nederlands mee geconfronteerd worden Dit boek richt zich echter niet op de leerder , maar op de docent, en hoe deze de leerder kan helpen bij het ontwarren van dit soort knopen; hem/haar kan helpen bij het verwerven van inter cultur ele competentie Dit boek is bedoeld als cursus, en de auteurs raden aan dat cursisten het onder leiding van een trainer doorwerken Het bestaat uit een drietal modules: Interculturaliteit in het vreemdetalenonderwijs, Taal en cultuur of cultuur en taal? en Crosscultureel taalonderwijs Alle modules zijn voorzien van een groot aantal taken, meestal gericht op discussie De eerste module, verzor gd door Ludo Beheydt, biedt een overzicht van de ontwikkeling van de definities van het begrip ‘cultuur ’Ook wordt aandacht Neerlandica extra Muros Jaargang 43 82 besteed aan hoe verschillende typen leer gangen ‘cultuur ’opvatten en aanbieden Ten slotte wordt gesproken over het nut van contrastiviteit (lange tijd een vies woord in het vreemdetalenonderwijs) in het verwerven van culturele competentie Alice van Kalsbeek is verantwoordelijk voor de tweede module, die wat mij betreft het beste uit de verf komt Deze module houdt zich bezig met de relatie tussen taal, cultuur en denken Hier wordt een definitie van het begrip ‘interculturele competentie’ gepresenteerd De module gaat onder meer in op wat de integratie van taal en cultuur betekent voor de onderwijspraktijk Ook hier komen culturele verschillen en overeenkomsten aan bod De laatste module, van Christine van Baalen, richt zich op het normen en waardenaspect van cultuur ,en het socialisatieproces dat de vreemdetaalleerder doormaakt Hierbij komen zaken als taalconventies, routines en beleefdheidsstrategieën aan de orde Daarnaast wordt in deze module aandacht besteed aan de zogenaamde Natuurlijke Semantische Metataal (NSM), een verzameling van zo'n zestig ‘universele’ begrippen die gebruikt kan worden om vrijwel elk concept te definiëren en de definities van ver gelijkbare concepten in verschillende talen te ver gelijken NSM is een interessant gegeven, dat in dit boek redelijk helder wordt uitgelegd Toch denk ik dat de gemiddelde docent, om er in de onderwijspraktijk ook echt wat mee te kunnen, meer training nodig zou hebben W at dat betreft was het misschien beter geweest om het in dit boek buiten beschouwing te laten, en er apart aandacht aan te besteden in een andere publicatie Mijn enige andere punt van kritiek betreft het feit dat de cursus zich vrij expliciet lijkt te richten op docenten die nietmoedertaalsprekers van het Nederlands zijn Zie bijvoorbeeld dit citaat uit de inleiding: Het begrip ‘intercultureel’ verwijst hier naar de positie van de vreemdetaaldocent als intermediair tussen verschillende talen en culturen (de eigen taal en cultuur ,de ‘vreemde’ taal en cultuur en cultuur van de studenten) (11) Ook in een aantal taken komt dit vrij duidelijk naar voren, bijvoorbeeld bij de taak gerelateerd aan de tekst over ‘leuk’ en ‘lekker ’: ‘1 Zijn er culturele equivalenten van “leuk” en “lekker” in je eigen taal?’ (40) Nu heb ik als moedertaalspreker wellicht meer cultureel inzicht, maar na negen jaar in het buitenland is mijn kennis vermoedelijk niet meer helemaal uptodate, en bovendien is deze nogal eenzijdig (mijn kennis van de Vlaamse cultuur is nog steeds tamelijk beperkt) Ook lijkt het me niet juist om te veronderstellen dat iemand automatisch in staat is leerders te onderwijzen in interculturele competentie, enkel en alleen omdat hij/zij in een bepaalde cultuur is opgegroeid Ik vermoed echter dat de auteurs het niet helemaal zo bedoeld hebben, en dat het eerder een kwestie van formulering is Het doet verder aan de inhoud niets af; ook ik heb zonder trainer! veel van deze cursus geleerd, en kan hem daarom van harte aanbevelen Miranda van Rossum Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Eindnoten: 1 Geerte de Vries: Van Goor's Deens woor denboek I:DeensNederlands; II: NederlandsDeens Den Haag, Van Goor Zonen, 1976 Tweede druk onder de titel Kramers Woor denboeken Amsterdam en Brussel, Elsevier ,1986 2 ‘Politisk medarbejder ’wordt vaak een journalist genoemd, die als ressort de (binnenlandse) politiek heeft Neerlandica extra Muros Jaargang 43 83 W idjajanti Dharmowijono Poep en schildpadsoep Mijn moeder had me nooit veel verteld over haar jeugd, die ze op het tineiland Bangka doorbracht Ik had het trouwens te druk met krijgertje spelen om naar haar te luisteren, en later vond ik jongens interessanter dan haar verhalen over mijn opa, die zeeschildpadden vrijkocht van dorpelingen die daar soep van wilden maken, en over de boottochtjes die ze samen met haar broers en zussen naar de kokosplantage van hun vader maakte Nog later ,toen ik geen krijgertje meer speelde en getrouwd was, wilde ik meer weten Maar ik zat in België en zij in Indonesië Daarna zat ik op Bali en zij op Java Zij werd ziek, en toen ik eindelijk terug was in mijn geboortestad kon ze alleen nog maar onverstaanbare klanken uitbrengen en geen potlood meer vasthouden, mijn moeder ,die de HCK, de HollandschChineesche Kweekschool, had doorlopen en mij Nederlands had leren lezen met behulp van boekjes waarin een zekere Jaap en Joop de hoofdrollen speelden Nu zat ik naast mijn 86jarige collega, cassetterecordertje tussen ons in, op het terrasje voor haar kleine appartement W aar moest ze over vertellen, vroeg ze De HCK? opperde ik Nee, ze begon bij het begin, haar eerste schooldag op de particuliere school van mevrouw Godschalk Haar vader stelde haar voor met haar Chinese naam En mevrouw Godschalk zei: ‘Nou, bij mij heet je Trees’ Vanaf dat moment ging ze als Trees door het leven Als mijn collega begint te vertellen, ontsluit ze voor mij een nieuwe wereld, een wereld die mijn moeder mij misschien had kunnen tonen als ik maar had willen luisteren Ik zie haar als opgeschoten tiener een gschrijven: ‘in de aula, de hele school keek naar je En de directeur ,die de les gaf, wees de fouten aan Deze bocht is te groot, híér mag helemáál geen bocht zijn, dit is te dun, enzovoorts, in één letter maakte ik volgens hem vijf fouten’ Ik staar met haar mee op de blinde kaart van Nederland, ik denk koortsachtig na als ze doodzenuwachtig mondeling examen doet voor Vaderlandsche Geschiedenis, ‘de Republiek der Zeventien Verenigde Nederlanden, welk jaar? Nooit van gehoord’ En dan is ze eindelijk onderwijzeres, zoals ze altijd had willen zijn ‘Na de Japanners kwamen de Geallieerden en toen de Hollanders weer ,ik kwam op de Algemene Christelijke School, op hetzelfde erf als een indonesische school En als de sfeer van de besprekingen over de machtsoverdracht niet goed was, zag ik dat wel aan mijn bord, dat was dan volgekrast met vieze woorden Een keer waren ze zo ontevreden dat ze poep op het bord hadden gegooid’ De volgende dag, als ik de klas binnenkom, bekijk ik mijn bord met andere ogen Geen vieze woorden Geen poep Ik schrijf ‘gelukkig’ op het bord en maak de bochten van de g's lekker groot En ik neem me voor vanavond mijn kinderen te mailen en ze de verhalen te vertellen van hun oma over mijn opa en de schildpadden van Bangka Neerlandica extra Muros Jaargang 43 84 Auteursinformatie NEM 1, 2005 LUDO BEHEYDT is hoogleraar Nederlandse taalkunde en Nederlandse cultuur aan de Université Catholique de Louvain in LouvainlaNeuve en bijzonder hoogleraar ‘De Nederlanden in de wereld’ aan de Universiteit Leiden [[email protected]] TOM VAN DEEL is als universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde verbonden aan de Universiteit van Amsterdam Hij is literair criticus van dagblad Trouw Hij publiceerde diverse essay en dichtbundels [[email protected]] W IDJAJANTI DHARMOWIJONO is hoofd van de studierichting Nederlands van de Akademi Bahasa 17 Agustus te Semarang Ze vertaalt Nederlandse literatuur in het Indonesisch en werkt aan een proefschrift over het beeld van de Chinezen in IndischNederlands verhalend proza Zij is lid van de Redactieraad van NEM [[email protected]] RALF GRÜTTEMEIER is hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Carl von Ossietzky Universität Oldenbur g Hij maakt deel uit van de redactie van NEM [[email protected] gde] PHILIPPE HILIGSMANN is docent Nederlandse taalkunde aan de Université catholique de Louvain Zijn onderzoek heeft betrekking op de tussentaal van Franstalige leerders van het Nederlands en op contrastieve taalkunde NederlandsFrans Hij is verder coördinator van het lexicografisch project Leerwoor denboek zakelijk Nederlands [[email protected]] JOOP VAN DER HORST is hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven voor historische taalkunde van het Nederlands [[email protected]] STEF AN KIEDRO ńis hoogleraar Nederlandse literatuur aan de Universiteit W roclaw (Polen); hij is neerlandicus en germanist en publiceert over Duitse en Nederlandse literatuur van de Renaissance en de Barok [[email protected]] PIET DE KLEIJN docent Nederlands als tweede taal en Frans, eerst bij de Nuffic, thans bij het Taleninstituut Babel, beide in Den Haag Is sinds 1981 verbonden aan de Zomercursus Nederlandse taal en cultuur (Breukelen/Zeist) en verzor gt sinds 1987 de didactiekcolleges voor het Seminarium voor Nederlandse taal en cultuur (Amsterdam) Hij is de auteur van onder andere het Combinatiewoor denboek (Amsterdam, 2003) [[email protected]] NIELS ERIK LARSEN is lector Nederlands aan de Universiteit van Kopenhagen Hij publiceert hoofdzakelijk over historische taalkunde Hij is lid van het ‘groot’ bestuur van de IVN [[email protected]] EVAVAN LIER studeerde Algemene Taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam Als onderzoeker in opleiding aan het Meertens Instituut nam zij deel aan een project over straattaal Nu werkt zij bij de Universiteit van Amsterdam aan een promotieonderzoek over de typologie van lexicale en grammaticale categorieën Neerlandica extra Muros Jaargang 43 [[email protected]] M IRANDA VAN ROSSUM werkt voor University College London aan Lagelands 2,een online cursus Nederlands voor halfgevorderden Daarnaast iszij verbonden aan de Universiteit van Hull, waar zij werkzaam is voor het Educational Development Team, dat de training van universitaire docenten verzor gt [[email protected] Neerlandica extra Muros Jaargang 43 1 [Neerlandica extra Mur os mei 2005] Mary Kemperink Utopisme en Schoonheid rond 1900 ‘De tijd die wij beleven is schoon’ Onthoudt: het schoone is het eerste; dan het goede, want het goede is zelfs niet goed, als het niet schoon is; en als het hoogste zult gij zien, dat het schoone en goede ten slotte één worden (Carel Vosmaer ,Inwijding ,1888) ich [schliesse] mein monistisches Glaubensbekenntniss mit den W orten: ‘Das walte Gott, der Geist des Guten, des Schönen und der W ahrheit!’ (Ernst Haeckel, Der Monismus als Band zwischen Religion und Wissenschaft ,1892) Het goede, het ware en het schoone Dat zijn geen gevoelens van bovennatuurlijke aard maar: ‘voor recht van Nu, voor Schoonheid van Nu, voor waarheid van Nu’ (Herman Gorter ,‘Kritiek op de litteraire beweging van 1880 in Holland’, 1898/99) Schoonheid en Tachtig ‘Schoonheid ogij wier naam geheiligd zij’, dichtte Perk in zijn Mathilde en Kloos onderstreepte deze heiligverklaring door in zijn inleiding op de bundel de Schoonheid voor te stellen als bron en doel van het dichterschap en als dat specifieke ingrediënt waardoor de kunst zich van de nietkunst onderscheidde Vanaf 1882 werd ‘Schoonheid’, bij voorkeur geschreven met een hoofdletter ,door de Tachtigers gemunt als het centrale begrip in hun kunstleer In de jaren tachtig van de negentiende eeuw zetten Kloos en al wat jong was en zich als voorhoede wenste te profileren, de cultus van de Schoonheid in tegen wat door hen werd ervaren als de ongeïnspireerde, retorische, aan fatsoensnormen onderworpen, kleinbur gerlijke kunst van de voor gangers Zij stelden zich in het gelid tegen de Jan Ten Brinken en de Fiore Della Neves, maar op den duur ook tegen Kloos' aanvankelijke leidsman, Carel Vosmaer (18261888), die de Schoonheid toch hoog in het vaandel had staan Ook al continueerde het schoonheidsconcept van Tachtig een aantal oudere filosofischesthetische ideeën, het bezat zeker nationaal gezien een eigen profiel dat het van de esthetica van de directe voor gangers onderscheidde Neerlandica extra Muros Jaargang 43 2 Voor de Tachtigers was Schoonheid in de eerste plaats uitdrukking van een persoonlijke beleving Daarbij werd graag de onbewustheid van het creatieve proces benadrukt De schoonheidsemotie baande zich spontaan een weg: scheppen was nu eenmaal een natuurlijk expressie die zich los van eruditie en intellectuele bezinning voltrok Kunst maken viel niet aan te leren, want scheppen moest niet in verband gebracht worden met denken, maar met voelen Dat schoonheidsgevoel kon gestimuleerd worden door een zintuiglijke indruk, maar het kon ook helemaal van binnenuit ontstaan De schoonheidsbeleving oversteeg het conventionele ‘mooi’ Ook het lelijke (een afgeploeterde visser bijvoorbeeld) of het moreel laakbare (een zinderend gevoel van haat) maakten, mits ervaren en uitgedrukt door een kunstenaar , aanspraak op het predikaat Schoonheid Daardoor ,onder andere, kreeg of beter gezegd behield bij Tachtig het begrip Schoonheid ook de connotatie van Waar heid De emotie bond deze beide begrippen als het ware Aangezien echte kunst alleen maar kon voortkomen uit een echt gevoel, veronderstelde Schoonheid noodzakelijkerwijze ook W aarheid In dit verband ging het dan wel om een specifiek soort waarheid, namelijk om authenticiteit Die waarheid hoefde dan ook niet noodzakelijkerwijze samen te vallen met datgene wat objectief als ‘waar ’erkend werd Tegen de achter grond van dit concept speelde de gedachte van een Schoonheid die met de tijd mee veranderde, die evolueerde, en wel in stijgende lijn Zo werd in de loop der eeuwen de schoonheid die door de mens werd voortgebracht, steeds maar groter 1Een prettige implicatie van deze grondgedachte was dat de schoonheid van de eigen garde, van een jongere generatie behorende bij een nieuwe tijd, dus per definitie groter was dan die van de voor gangers In dit esthetische model werd als vanzelfsprekend een hoge plaats ingeruimd voor de kunstenaar/dichter als een fijnbesnaarde, boven het gewoel van de massa uitstekende schoonheidsgevoelige Alleen híj was begiftigd met het vermogen om schoonheid te ervaren en uit te drukken Dat laatste deed hij in de eerste plaats ter wille van zichzelf en in de tweede plaats misschien ook enigszins ter wille van een kleine groep gelijkgestemden die in staat waren hem te verstaan Tegelijk zat er en naar mijn mening wordt dat in de literatuur geschiedenis over het algemeen iets te weinig beklemtoond 2een sterk metafysisch element in deze visie op literatuur en kunst in het algemeen dat een tegenwicht bood aan het fluctuerende, wisselende dat deze kunstleer impliceerde Het belang van de zich caleidoscopisch wijzigende zintuiglijke waarneming en de niet aflatende golfslag van de stemming gingen bij Tachtig hand in hand met de behoefte aan iets blijvends Dat blijvende duidden zij bij voorkeur aan als het ‘Leven’ of de ‘Natuur ’En daarmee bedoelden ze iets als het eeuwige dat zich in een niet aflatende stroom gedaanten liet zien Daarbij werd het innerlijk van de kunstenaar ,zijn Ziel, opgevat als het metafysische centrum waarnaar de zintuigen hun input doorseinden Op deze manier gaven zij aan het individuele en accidentele van stemming en zintuiglijke waarneming van meet af aan een metafysische lading Kloos, Verwey ,Van Deyssel, Gorter ,Van Eeden, allemaal zochten ze al in een vroeg stadium van hun schrijverschap naar mogelijkheden om de individuele, al dan niet zintuiglijk beleefde schoonheidservaring te zien in Neerlandica extra Muros Jaargang 43 3 het licht van iets blijvends en hogers Ook voor deze op emotie en zintuiglijke beleving gerichte schrijvers stond de Schoonheid van meet af aan in het licht van een fundamentelere W aarheid die meer was dan authenticiteit alleen Het was vooral die W aarheid die hun schrijverschap in hun eigen ogen als het ware body gaf Deze ter inleiding van dit artikel zeer gestroomlijnde schets van het artistieke concept van Tachtig laat zien dat het Schone en het War edaarin een verbond aangaan Het is een vertrouwd tweetal, dat vanaf Plato tot en met de romantiek door gaans ver gezeld wordt van een derde lid: het Goede Dat derde element ontbreekt bij de Tachtigers en dat is niet toevallig Vóór alles zetten zij zich immers schrap tegen de moraliserende kunst van hun directe voor gangers Een kunst die zichzelf onder geschikt had gemaakt aan ethische normen, een kunst die in hun ogen de dienst aan de zuivere Schoonheid had verzaakt In hun esthetica was het Goede als de vaste begeleider van het Schone dan ook niet ergwelkom Op weg naar Utopia Vanaf het eind van de jaren tachtig zien we ook in Nederland een breed om zich heen grijpend verlangen naar een betere, gelukkigere maatschappij Dit utopisme kreeg gestalte in allerlei soms zeer diverse bewegingen, die nogal eens door elkaar heen liepen Ik noem het socialisme, het christenanarchisme, de ReinLevenbeweging Zo ontstond er aan het eind van de negentiende eeuw weer aansluiting bij het utopistische denken van de late achttiende en de vroege negentiende eeuw Dit nieuwe, sterk idealistisch gekleurde maatschappelijk engagement hield ook een groot aantal jonge schrijvers in zijn ban, zoals Gorter ,Henriette Roland Holstvan der Schalk, Van Eeden, Heijermans, Querido, om een paar bekende namen te noemen En daarmee stonden die schrijvers voor de taak om hun streven naar een betere, op democratie en gelijkheid gegrondveste samenleving een fundamentele plaats te geven in hun kunstopvattingen Anders gezegd, het Goede kwam nu pontificaal op tafel te liggen Dit betekende evenwel niet dat het schoonheidsbegrip uit de jaren tachtig van tafel verdween, in tegendeel Volgens Henriette Roland Holst was de schoonheid ‘het wezen der literatuur ’3En zij was niet de enige die dat zo zag, of bleef zien De verschuiving naar een meer maatschappelijk betrokken houding die we bij veel jonge schrijvers in de jaren negentig kunnen waarnemen betekende geen breuk met het schoonheidsbegrip van Tachtig en de esthetische principes die daaraan vastzaten Vrijwel nooit werd een kunstwerk verdedigd alleen met een beroep op het goede, ethische ervan Schoonheid bleef een centrale notie, zeker in verband met kunst, maar zelfs ook in relatie tot die nieuwe zo sterk verlangde maatschappij Pas na de Tweede W ereldoorlog verbrandde zij lelijk haar gezicht In dit artikel wil ik iets van deze door gaande ontwikkeling laten zien Ik abstraheer daarbij van naar mijn idee in dit kader onderschikte verschillen tussen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 4 auteurs onderling en tussen poëticale opvattingen over poëzie enerzijds en over proza anderzijds Het gaat mij om de grote lijn: de Tachtigers verwierven ruimte voor hun sterk door de buitenlandse romantiek bepaalde esthetisch concept, dat uitging van een filosofisch idealisme en een sterk organistisch natuurdenken Dat artistieke concept, dat zij geneigd waren niet alleen op de literatuur (poëzie) toe te passen maar op de kunst in het algemeen, was in de jaren negentig nog maar net verworven De jonge zoekers naar een nieuwe wereld waren er in hun ontwikkeling als kunstenaar zogezegd mee opgevoed Het werd door hen over het algemeen dan ook niet losgelaten, maar zo goed en zo kwaad als het ging compatibel gemaakt met hun recentelijk verworven maatschappelijke idealen Gorter ,Henriette Roland Holst en Van Eeden bleven zich in hun beschouwend werk van rond 1900 binnen het Tachtiger paradigma bewegen, ook al zou hun strijdbare antiT achtighouding op het eerste gezicht misschien anders doen vermoeden 4 Het Goede en het Schone Voor kunstenaars betekende het zich inzetten voor een betere, meer rechtvaardig ingerichte wereld dat hun kunst in die strijd een plaats kreeg En dit bracht met zich mee dat hun esthetica op de een of andere manier aan dit maatschappelijke ideaal moest worden aangepast Logisch gesproken zou daardoor het Goede de centrale plaats van het Schone moeten gaan innemen Een sociaal geëngageerde schrijver als Léo Tolstoi zag dat ook zo Zijn maatschappelijke betrokkenheid deed hem het schoonheidsbegrip als onbruikbaar overboord gooien 5Tolstoi was in de jaren rond 1900 voor Nederlandse socialisten en maatschappelijk idealisten een bijzonder inspirerende figuur Zijn naam viel vaak in utopistische kringen van verschillende signatuur en veel van zijn beschouwende werk werd ook in het Nederlands vertaald 6 Tolstois verwijdering van het schoonheidsbegrip uit de esthetica vond echter weinig weerklank Henriette Roland Holst, hoezeer zij ook op veel punten met Tolstoi mee kon gaan, tikte hem er gevoelig voor op de vingers Tolstoi had, vond zij, geen oog voor de bijzondere aard van het gevoel dat door de kunst werd over gebracht, en dat was nu juist de Schoonheid 7Maar hoe viel die Schoonheid als het wezenlijke kenmerk van de kunst nu te rijmen met het maatschappelijke engagement dat de kunst moest gaan uitstralen? Dat was een probleem waarvoor veel schrijver (en kunstenaars in het algemeen) zich gesteld zagen Zij kwamen met verschillende oplossingen De meest rigoureuze was om het Goede eenvoudig gelijk te stellen aan het Schone In dit concept bestond er dus geen Schoon zonder Goed en geen Goed zonder Schoon Die weg koos Frank van der Goes In zijn opstel ‘Socialistische aesthetiek’ uit 1892 betoogde hij dat de toekomstige socialistische maatschappij kunst eenvoudig overbodig zou maken 8Alles in die maatschappij zou dan immers schoon zijn Naar Van der Goes' idee was kunst maar een armzalig hulpmiddel dat door de grote universele Schoonheid van de nieuwe wereld op den duur overbodig zou worden In die nieuwe wereld zou ook de kunstenaar Neerlandica extra Muros Jaargang 43 5 van het tapijt verdwenen zijn En volgens Van der Goes was dat maar goed ook Zo'n verheven status het was hem blijkbaar onmogelijk om de kunstenaar anders dan in termen van verhevenheid te definiëren paste niet meer in een op gelijkheid en broederschap gebouwde samenleving Die hele in zijn ogen griezelig elitaire schoonheidscultus van de kunstenaars zag hij ‘als een gespleten hoef uitsteken onder den rand van den brokaten mantel’ 9 Zijn gelijkstelling tussen Goed en Schoon deed dus de kunst en daarmee ook de kunstenaar als specifieke categorie uit het zicht verdwijnen Voor Van der Goes was dat geen enkel bezwaar Misschien heeft dit laatste te maken met het feit dat hij zelf als persoon niet zo sterk de behoefte had om zich als kunstenaar te profileren, maar zich meer in de zijlijn van de artistieke wereld bewoog In de ogen van de meeste schrijvers echter ,voor wie het kunstenaarschap het wezen van hun persoonlijkheid uitmaakte, betekende de gelijkstelling tussen het Goede en het Schone een doodlopende weg Voor hen was het daarom zaak die twee categorieën elkaar niet volledig te laten overlappen Tegelijk moesten ze wel naar elkaar toe bewogen worden Om die twee dingen te bereiken werd er op allerlei manieren een beetje gemorreld aan het begrip Schoonheid Een eerste manier was het te onderwerpen aan een handige herdefinitie Schoonheid is Zo werd er om te beginnen ruimte gecreëerd door het toepassingsterrein van het begrip Schoonheid flink te ver groten Niet alleen zintuiglijke gewaarwordingen en individuele emoties waren schoon, maar daden, opvattingen, ideeën en idealen om met Henriette Roland Holst te spreken: ‘heel de inhoud des levens’ waren dat in potentie evenzeer 10Daarmee werd ook het ethische binnen het bereik van de Schoonheid gehaald Vanuit die optiek was het Frederik van Eeden mogelijk om de Schoonheid van zijn roman Van de koele meer en des doods te verdedigen als de schone zege van ‘geloofsmoed en Godsvertrouwen’ 11 Van Eeden ging in de loop van de jaren negentig nog een stap verder Volgens hem kwam eerst het Goede en dan pas het Schone Zonder het Goede kon het Schone eenvoudig niet bestaan: ‘de Schoonheid [is] onderworpen aan het Recht’, schreef hij in het beruchte Kr oniek debat uit 1896, naar aanleiding van de kroning van de tsaar 12 Maar het omgekeerde gold voor hem niet Het Goede was niet per definitie ook het Schone Morris' utopistische roman News from Nowher e(1891) was voor hem qua maatschappelijke, ethische strekking volstrekt in orde, maar tegelijk vond hij het ‘kunst om een cent te geven’ 13 Ten onrechte was tegenwoordig het ethische element uit het schoonheidsbegrip van de kunstenaars verdwenen, meende ook Henriette Roland Holst De schuld daarvan lag bij het kapitalisme Dat had de kunstenaars blind gemaakt voor de glans van de ‘schoonheidengoedheid vereenigd’ en hen verboden Schoonheid te zien in een maatschappelijk, zedelijk ideaal 14Maar net als Van Eeden keerde zij de relatie tussen het Goede en het Schone niet om ‘Dat het goede niet altijd schoon is, weten wij nu’, stelde zij, schoonheid is in wezen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 6 ‘zedelijk noch onzedelijk, het heeft met de ethische gevoelens niets te maken, het staat buiten de moraal’ 15 Op deze manier bleef Schoonheid, geheel in de geest van Tachtig, in principe onafhankelijk van moraal Tegelijk bood zij er wel ruimte aan De waterenvuurverhouding tussen die twee was daarmee wat aan het zicht onttrokken W el werd het probleem verschoven, in zoverre nu een nieuwe kwestie om een antwoord vroeg W anneer er Schoonheid bestond zónder en Schoonheid mét een ethische component, waren beide dan gelijkwaardig of stond de ene boven de andere? Het antwoord laat zich raden Schoonheid in soorten en maten Er is niet één absolute schoonheid, maar het is mogelijk om verschillende soorten ‘mooi’ te onderscheiden Die gedachte zien we bij Gorter ,bij Henriette Roland Holst en bij Van Eeden Door het schoonheidsconcept op deze manier te relativeren werd het mogelijk de eigen nieuwe ethischmaatschappelijk gekleurde schoonheid als hoogste te profileren, zonder de andere schoonheid, de nietethische, helemaal buiten spel te zetten en daarmee een poëticale breuk met de Tachtigers te forceren Schoonheid, schreef Gorter in de na zijn socialistische bekering geconcipieerde ‘Kritiek op de litteraire beweging van 1880 in Holland’ (189899), was: ‘iets betrekkelijks, iets wat ook hooger of minder kan’ 16En ook Van Eeden was er op gebrand om ‘soorten mooi’ te kunnen onderscheiden Maar bij dit neutrale relativisme bleef het uiteraard niet De aap moest uit de mouw komen: ethische kunst stond hoger dan kunst die zich van elke moraal had losgezongen In 1891 gaf Van Eeden een schot voor de boeg Kunst kon weliswaar onethisch zijn en schoon tegelijk, schreef hij, maar dan ontbrak er,esthetisch gesproken, toch iets aan Van Eeden bracht die zienswijze op dat moment nog als een zeer persoonlijke mening Hij voelde dat nu eenmaal zo, bekende hij, er ontbrak voor hem dan iets aan de schoonheid, ‘een klank in de mooiharmonie’ 17En die schoonheid die vijandig was aan het goede het bestaan van zo'n schoonheid achtte Van Eeden dus wel zeker mogelijk meende hij àtitr epersonnel te mogen verwerpen 18 Gorter pakte het in zijn ‘Kritiek op de litteraire beweging van 1880 in Holland’ wat fundamentalistischer aan Zijn relativisme in verband met de schoonheid ontleende hij linea recta aan het marxistische uitgangspunt dat elk tijdperk (in de zin van elke daarin dominerende sociale klasse) haar eigen schoonheid genereerde Daardoor was Schoonheid dus niet iets statisch, maar juist in permanente beweging en ontstonden er ook voortdurend nieuwe soorten mooi Sterker nog, voor Gorter school het wezen van de Schoonheid in dit dynamische element, voorzover juist de Schoonheid de maatschappelijke ontwikkeling liet zien 19Op deze manier werd in zijn visie Schoonheid op twee manieren in beweging gezet: door een mindere en een meerdere mate ervan mogelijk te achten en door het begrip te definiëren als iets dat in wezen dynamisch was Onuitgesproken zweeft in deze benadering op de achter grond Neerlandica extra Muros Jaargang 43 7 de gedachte dat hoe beter de maatschappelijke ontwikkeling is die de Schoonheid laat zien, des te hoger haar gehalte Die gedachte werkte Henriette Roland Holst uit in haar artikelenreeks ‘Socialisme en literatuur ’uit 1899 Volgens haar was er sprake van twee soorten schoonheid: een oude en een nieuwe De oude schoonheid, die van de Tachtigers, richtte zich op de zintuiglijke gewaarwording, die nieuwe schoonheid, die van het heden en van de tijd die komen zou, richtte op de gemeenschap Tegelijk verbond ze, net als Gorter , op marxistische wijze Schoonheid met sociale klasse De oude Schoonheid was die van de bour geoisie, de nieuwe Schoonheid die van het ‘ontwakend proletariaat’ Die laatste was een ‘heroïsche schoonheid’ 20Ze was zedelijk, niet gericht op de buitenkant maar op de binnenkant Het was de Schoonheid van het menselijk handelen en denken Het was een Schoonheid die op haar beurt ook weer nieuwe Schoonheid van denken en handelen wekte Henriette Roland Holst zag deze Schoonheid beslist niet als de kunst van het proletariaat zonder meer ,maar als de kunst van het ‘ontwakend’ proletariaat Deze toevoeging is in haar betoog cruciaal De nieuwe schoonheid die haar voor ogen stond was namelijk niet zichtbaar in de oude zogenaamde volkskunst of volkspoëzie Dit was weliswaar kunst van het volk, maar tegelijk ook een product van een vertrapte en onderdrukte klasse Pas vanaf nu, in de nieuwe tijd die komen ging, zou het proletariaat zijn stem in vrijheid kunnen laten klinken Pas dan zou de nieuwe heroïsche schoonheid ontstaan 21 Opvallend in al deze redeneringen, zowel bij Van Eeden als bij Gorter als bij Henriette Roland Holst is niet alleen de gerichtheid op de toekomst, maar tegelijk ook de optimistische stelligheid waarmee iedereen meende de toekomstige Schoonheid te kunnen voorspellen Uiteraard was de wens hier de vader van de gedachte Maar dat was niet het enige Een flinke steun in de rug kwam van een als wetenschappelijk erkend concept dat ook de marxisten zich hadden toegeëigend, namelijk de evolutieleer Schoonheid in evolutie Zoals paste in het organistische denken van de negentiende eeuw ,zagen ook de utopistisch georiënteerde schrijvers de tijdperken en de daarbij behorende samenlevingen als organismen die, net als alle ‘echte’ biologische natuur ,onderhevig waren aan een voortdurend proces van evolutie Zo stelde Gorter bij zijn terugblik naar de negentiende eeuw dat die eeuw ‘een levend organisme’ was, ‘net als een mensch’ 22Binnen socialistische en utopistische kringen, en overigens ook daarbuiten, werd in dit evolutionistische concept ‘verandering’ gemakkelijk gelijkgesteld aan ‘vooruitgang’ 23In de loop der tijd ging de maatschappij en dus ook de mens vooruit, niet alleen qua schoonheid en intelligentie maar ook qua moreel gehalte Zo zouden de producten die de mens vervaardigde eveneens aan schoonheid winnen Hoe beter dus de maatschappij, des te groter de schoonheid die zij voorbracht De twee begrippen ‘Goed’ en ‘Schoon’ werden daarbij niet aan elkaar gelijkgesteld maar wel als innig met Neerlandica extra Muros Jaargang 43 8 elkaar verbonden gezien Voor Van Eeden kon het niet anders dan dat ‘de zuivering der aarde van barbaarschheid, domheid en verdrukking’ de Schoonheid ten goede moest komen 24De kunst nam dus evolutionair in schoonheid toe Volgens Henriette Roland Holst was het ‘rijk der schoonheid [] gegroeid’, was het ‘oneindig dieper , rijker en wijder geworden’ 25Maar dat niet alleen, ook het menselijke vermogen om die schoonheid als zodanig te onderscheiden werd steeds maar groter Van der Goes sprak in dit verband van ‘een evolutie van gevoelens’ die maakte dat in de toekomst alle kunstenaars zouden walgen van ethische onreinheid 26 Deze ontwikkeling in opgaande lijn werd gezien als iets noodzakelijks Niet alleen in de zin van iets dat noodzakelijk geacht werd (als iets wenselijks dus), maar ook als iets dat een onafwendbare gang van de natuur vertegenwoordigde Met het veranderen van de maatschappij stierven oude kunstvormen af en kwamen er nieuwe op Zo kon Gorter zich permitteren om, terugkijkend op de poëzie van Tachtig waaraan hij en nog maar kort geleden zo intensief had deelgenomen, te stellen dat die beweging ‘noodzakelijk na een zóó korten bloei sterven moest’ 27 Tegelijk bood de evolutieleer nog een andere interpretatiemogelijkheid die het mogelijk maakte om kunst en ethiek aan elkaar vast te klinken Die school in een herdefinitie van goed en kwaad; als datgene namelijk wat voor de mens onnuttig of wel nuttig was De mens koos naarmate hij al doorevoluerend steeds meer de jaren des verstands bereikte, op evolutionistische utiliteitsgronden voor het goede En dus stond voor hem ook dié Schoonheid bovenaan die dat Goede vertegenwoordigde 28 Gorter kwam in dit evolutionaire kader voor de dag met een heel rijtje deugden zoals eerlijkheid, rechtvaardigheid en zelfopof fering 29Het waren volgens hem natuurlijke oerkrachten die diep in de mens zaten Zij vormden een door de evolutie aangereikt overlevingspakket dat het de mens mogelijk had gemaakt om zoveel honderdduizenden jaren te blijven voortbestaan In deze door de evolutieleer (en het marxisme) geïnspireerde denktrant ging hij nog een stap verder Eigenlijk was alleen datgene schoon wat in de loop der eeuwen zijn bruikbaarheid had bewezen, en dat dus per definitie goed was 30Het was juist die schoonheid van het goede en bruikbare die, zoals hij niet expliciet zei maar wel suggereerde, het ons mogelijk zou maken om de strijd tegen het kapitalisme aan te gaan en die ook te winnen En om die ‘schone strijd’ was het hem te doen Emotie en expressie Voor de Tachtigers hield Schoonheid onmiddellijk verband met gevoel Schoon was datgene wat als schoon gevoeld werd Dat gevoel diende de dichter/kunstenaar als motor bij zijn expressie van Schoonheid Door Van Eeden, Gorter en Henriette Roland Holst werd ‘gevoel’ nog steeds als een spilbegrip gebruikt Maar tegelijk werd het door hen ingezet om als brug te dienen tussen het Schone en het Goede In hun voorstelling van zaken stond een kunstenaar centraal die creëerde Neerlandica extra Muros Jaargang 43 9 vanuit een schoonheidsontroering Gorter stelde het zo ongeveer als een axioma: ‘De zaak is zoo eenvoudig, als men haar zien kan De kunstenaar beeldt zijn gevoelens af, dat geeft ieder toe, daarbuiten kan hij niet gaan’ 31Hoe heftiger dit gevoel, des te groter de schoonheid die de kunstenaar wist uit te drukken ‘Hoe dieper de gemoedsbeweging is die hij onder gaat, des te hooger de vlam der schoonheid in hem opslaat’, schreef Henriette Roland Holst 32 Maar waardoor werd de kunstenaar/dichter nu vooral het heftigst ontroerd? Dat was niet zozeer door het zintuiglijk waarneembare, maar door de binnenkant van de dingen, door ‘de innerlijke betekenis van alle feiten en verhoudingen’ zoals Van Eeden het nog behoedzaam in algemene termen formuleerde 33Het wordt al snel duidelijk waar die innerlijke betekenis in school, in het Goede namelijk In concreto ging het Van Eeden om de schone strijd die zijn hoofdpersonage Hedwig uit de roman Van de koele meer en des doods voert tegen het kwaad Henriette Roland Holst stelde het met nadruk Het gaat de socialistische schrijver om ‘de uitstorting der gevoelens die dit besef [van het goede] opwekt’ 34 Emotie behield dus haar plaats in het esthetische concept door het Goede te laten optreden als datgene dat in staat is om de mens en in het bijzonder de kunstenaar het sterkst te emotioneren Door te stellen dat niet alleen (conform Tachtig) de Schoonheid het bepalende element was van de emotie waaruit kunst ontstond, maar dat ook vooral het Goede emotie wist te wekken werd het Goede onmiddellijk aan het Schone vastgeknoopt Verder werd die emotie niet louter meer beschouwd als een individuele aangelegenheid Hiermee nam men duidelijk afstand van de individualistische kant van de Tachtiger kunstleer De dichter ,heette het nu, gaf uitdrukking aan het gevoelsleven van vele mensen en op die manier leverde hij kunst voor de gemeenschap ‘Poëzie is het beeld van het gevoelsleven van een tijd zooals het in een aantal menschen is’ 35Dit stelde Gorter niet als iets wenselijks dat zo zou moeten zijn, maar als een gegeven, als iets dat in deze tijd qualitate qua zo was Dat hij dit zo kon zien houdt verband met zijn visie op het kunstenaarschap, waarover verderop meer Hier komt bij dat de uitdrukking van Schoonheid in zijn algemeenheid gepresenteerd werd als een daad van mensenliefde Expressie, zei Van Eeden, richtte zich altijd op de ander Degene die zich veruiterlijkte liet anderen delen in wat hij zelf voelde Daarmee gold voor hem dat elk artistiek werk per definitie en ongeacht de expliciete doelstelling ervan een daad was van (gemeenschaps)liefde 36In dezelfde redeneertrant ligt de stelling van Henriette Roland Holst, dat Schoonheid onmiddellijk een gevoel van geluk opwekt, en dat een kunstenaar met de Schoonheid de mensheid dus tegelijk ook geluk geeft 37 Vooral geen tendenskunst Ook de nieuwe kunst was dus een manifestatie van het schone en een uitdrukking van gevoel In zoverre was alles nog conform het oude Tachtiger adagium Bleef nog de kwestie dat ethiek in de kunst al gauw ook een bepaald ethisch idee, een uitgesproken visie op het een en ander ,veronderstelde En dat Neerlandica extra Muros Jaargang 43 10 was een gevaarlijke zaak, want elke gedachte aan de nog vers in het geheugen liggende moraliserende negentiendeeeuwse tendenskunst moest in de kiem worden gesmoord Van Eeden, Gorter en Roland Holst stonden dan ook voor de taak om tussen de twee steile klippen van tendenskunst en autonome kunst door te zeilen Dat vereiste enige behendigheid Het ging er volgens hen dan ook niet om via kunst te leren over het Goede, maar om in kunst daaraan spontaan uitdrukking te geven Dit gebeurde alleen wanneer de kunstenaar zelf ook goed ‘was’, anders werd het een dor onartistiek lesje Filosofie, stelde Van Eeden, deed over het algemeen afbreuk aan de kunst ‘T reft ons niet veel dieper dan de woorden van wie ons tot edel doen willen bewegen, de uitingen van den edelen man, die vanzelf zoo is door hetgeen hij wil en voelt’ W erken met een duidelijke strekking, die het wilden hebben over op zich waardevolle dingen zoals vrede, volkswelvaart en gezondheid waren volgens hem ‘verreweg inferieur en dus bepaald vijandelijk aan kunstwerken met een zuivere strekking naar mooi’ 38 De dichter/kunstenaar moest dus niet willen beleren, hij moest iets schoons willen maken Het scheppen diende dan ook spontaan te gaan, alleen omdat de kunstenaar daartoe aandrang voelde en niet omdat hij zo nodig iets wilde betogen De kunstenaar wilde niet getuigen van zijn maatschappelijkethische ideeën, maar hij werd door die idealen ontroerd en gaf aan die ontroering uiting Zo wilden Van Eeden, Gorter en Henriette Roland Holst het graag voorstellen Gorter zag het opschuiven in de richting van tendenskunst als een reëel gevaar , dat voor hem als overtuigd socialist nog meer op de loer lag dan voor wat minder leerstellig bevlogen idealisten Voor de socialistische kunstenaar was kennis van de leer immers onontbeerlijk Maar wel moest hij er angstvallig voor waken niet door die theorie te worden beheerst Zijn kunst diende net als alle andere kunst voort te vloeien uit werkelijkheidservaring Zij moest ‘uit het lichaam’ komen, uit zintuiglijke ervaringen en gewaarwordingen De kunstenaar moest er dan ook voor zor gen zijn kennis niet over het lichaam te laten heersen Tegelijk stond hij wel voor de taak om kunst te leveren die doordrongen was van een gedegen inzicht in de sociaaldemocratische theorieën 39Het was een moeilijke opgave Henriette Roland Holst formuleerde die taak met evenveel nadruk als Gorter Alleen was zij geneigd de bron van de kunst wat minder lichamelijk op te vatten Maar ook haar ging het om een kunst die haar doel in zichzelf vond Alleen bracht die nu, in deze veranderende tijd, spontaan de schoonheid van een nieuw ideaal tot uitdrukking 40 Het was lastig maar wel mogelijk, zeiden de maatschappelijkidealisten Als bewijsmateriaal voor een geslaagd samengaan van maatschappelijke betrokkenheid en groot kunstenaarschap voerde Van Eeden strategisch het Tachtigeridool Shelley ten tonele Daarbij liet hij het ingewikkelde punt van hoe diens dichtwerk zich tot die ethische strijd verhield gemakshalve even ter zijde 41Al was dat nu juist de kwestie waarom het voordurend draaide Met dat poëzie en kunst in het algemeen een op de maatschappij gerichte ethische functie kregen aanwezen, deed zich onmiddellijk de vraag voor naar de plaats van de dichter/kunstenaar Vanaf het moment dat deze een maatschappe Neerlandica extra Muros Jaargang 43 11 lijke taak op de schouders nam, dreigde hij zijn onafhankelijke ivorentorenpositie te verliezen Stond hij op deze manier nog wel boven de gemeenschap of zat hij er middenin? W as het nog wel zijn eigen ziel die hij veruiterlijkte, of fungeerde hij als boodschappenjongen van de nieuwe wereld die er moest komen? W as een kunstenaar eigenlijk nog wel een ander soort mens dan een nietkunstenaar? Het waren allemaal bijzonder klemmende vragen, omdat hierbij voor alle betrokkenen meteen ook hun eigen identiteit in het geding was De plaats van de kunstenaar In de definitie van de kunstenaar en zijn plaats ten opzichte van de samenleving was het zaak om enerzijds de ‘natuurlijke’ betrokkenheid van de dichter/ kunstenaar met de samenleving te laten zien en anderzijds toch zijn bijzondere positie te blijven claimen Een manier om dat te doen was de kunstenaar in wezen te presenteren als een idealist, als iemand die bezield was van een grote liefde voor de mensheid Misschien hadden de Tachtigers niet zo bijster veel laten blijken van die liefde, zei Van Eeden, maar dat kwam omdat de mensheid hen had teleur gesteld 42Nu waren de tijden veranderd Volgens Gorter moest de dichter zich in het heerlijke leven van zijn eigen tijd storten ‘De tijd die wij beleven is schoon’, stelde hij 43Daar kwam nog bij dat elke kunst per definitie het product was van een tijd en daarmee van de hele in die tijd levende gemeenschap, niet van een enkel mens 44 Hierbij deed zich onmiddellijk de vraag voor wat er op die manier nog over bleef van de scheppende kracht van de kunstenaar W as hij nog wel meer dan een stem waardoor een volk zich uitsprak? De antwoorden hierop gingen sterk in de richting van een positivistisch gekleurde invulling van het kunstenaarschap, in de trant van de Franse historicus Hippolyte Taine (18281893) 45Juist dankzij zijn geniale aanleg zou de kunstenaar in staat zijn om alle nieuwe bewegingen in het leven als eerste te signaleren en te vertalen in kunst Van Eeden gaf zelfs nog een evolutionaire injectie aan deze benadering door de kunstenaar voor te stellen als een proefwerkplaats van de natuur Hij was een eerste specimen van de nieuwe mens die de aarde zou gaan bevolken De natuur probeerde de komende ontwikkelingen als het ware vast in hem uit 46 Hoe kwam het nu dat de kunstenaar in staat was dit nieuwe op een of andere wijze te veruiterlijken? Dat kwam door zijn speciale gevoeligheid; daarin school het bijzondere van het kunstenaarschap In elke tijd, schreef Gorter leefden maar een paar mensen, die in staat waren om het beeld van een geheel volk op te vangen en uit te drukken Dat waren de kunstenaars 47Sterker nog, doordat de kunstenaar vast vooruit wees naar wat komen ging, was hij als een enkel individu in staat om aan de gemeenschap richting te geven ‘Niet om niets wordt hij een Maker genoemd’, stelde Gorter 48Ja, zei ook Van Eeden, de individualiteit van de kunstenaar bleef voorop staan Die zou hij nooit of te nimmer aan zijn ethische idealen ten offer brengen: ‘Zijn ziel en hare fijn genuanceerde gevoeligheden is zijn hoogste goed’ 49 Zo bleef ook de elitaire positie van de kunstenaar ondanks alle sociale Neerlandica extra Muros Jaargang 43 12 engagement gehandhaafd Voor Van Eeden bezette hij de hoogste positie, zij aan zij met de wetenschapper en de wijsgeer Drie functies die Van Eeden overigens bij voorkeur in zichzelf verenigd zag 50Op die manier kon ook de gedachte gehandhaafd blijven dat kunstenaarschap een gave was Het was iets aangeborens, ver gelijkbaar met het hebben van sterke spieren of goede ogen, schreef Henriette Roland Holst terugblikkend op haar eigen carrière 51 Alleen Van der Goes was van harte bereid de hoge positie van het kunstenaarschap te relativeren Voor hem bestond er tussen de kunstenaar en de ‘gewone’ mens hoogstens een gradueel verschil In wezen was de aanleg van alle mensen gelijk Kunstenaars ondervonden alleen indrukken van een grotere intensiteit en een langere duur Overigens gaf Van der Goes met deze omschrijving er blijk van nog steeds, net als Gorter ,Henriette Roland Holst en Van Eeden, bij de Tachtigerdefinitie van kunst als ‘de expressie van een impressie’ aan te sluiten Hij bracht dit uitgangspunt zelfs als iets dat zo ongeveer wetenschappelijk zou zijn vastgesteld ‘Dit alles staat vast, is door denkers onder de artisten vastgesteld, behoeft niet te worden gediskussieerd’, schreef hij ernstig 52 Ouder gedachtegoed Maatschappelijk geëngageerde schrijvers van rond 1900 zetten dus in veel opzichten de esthetische principes van Tachtig voort Dat die zo in het collectieve geheugen waren ingebrand kwam in de eerste plaats door het overweldigende gezag en de status van de Tachtigers Maar dat niet alleen, denk ik Belangrijk was ook dat het hier een eigentijdse bewerking van veel ouder gedachtegoed betrof dat de hele negentiende eeuw al een spoor getrokken had W at we rond 1900 in de esthetica van Gorter ,Henriette Roland Holst en Van Eeden tegenkomen vond zijn oorsprong voor een groot deel in het verleden Het kwam uit de idealistische filosofie (schoonheid als manifestatie van het hogere), de romantische esthetica (het belang van gevoel en emotie; de verheven positie van de kunstenaar) en de biologie (de evolutieleer) Dezelfde ingrediënten hadden even tevoren ook grotendeels de kunstopvattingen van de Tachtigers vormgegeven Bij Plato vinden we al de veronderstelde eenheid tussen het Schone en het Goede en het W are Alledrie zijn het voor hem eigenschappen van het goddelijke die op aarde gestalte krijgen in het klassieke ideaal van harmonie 53Evenals de oudere negentiendeeeuwse schrijver Carel Vosmaer en evenals Kloos refereerden Gorter en Henriette Roland Holst en Van Eeden graag aan het platoonse gedachtegoed W at hen in het bijzonder daarin aansprak was het samenvallen van het Schone met het Goede en het W are In haar esthetische beschouwingen viel Henriette Roland Holst expliciet terug op deze klassieke drieëenheid Het Grieks, zegt zij, kende slechts een enkel begrip om het Goede, het W are en het Schone te vatten Maar naar haar mening was de eenheid van deze drie begrippen voor elke cultuur geldig Zij vond immers haar kracht in ‘de samenstemming van het ethisch en aesthetisch ideaal in één algemeen levensideaal’ 54Ook Gorter refereerde expliciet aan het Goede, het Schone en het W are als één cluster van eigenschappen Alleen bracht hij deze eenheid, in tegenstelling tot Plato, terug Neerlandica extra Muros Jaargang 43 13 tot aardse dimensies Deze begrippen stonden in zijn ogen niet voor ‘bovennatuurlijke gevoelens’, maar ‘voor recht van Nu, voor Schoonheid van Nu, voor waarheid van Nu’ 55Daarbij had hij, gegeven zijn socialistische overtuiging, sterk de neiging om Marx vóór Plato te schuiven W at Plato zag als het goddelijke dat doorscheen in de Schoonheid, was volgens Gorter in feite het maatschappelijke Kunst was namelijk per definitie maatschappelijk 56Ook Van Eeden gaf Plato, met alle instemming die hij hem betuigde, een kleine correctie Plato was volgens hem te veel geneigd kunst als een lesje te zien en dat was het nu juist niet Kunst was schijnbaar moraalloos, maar bezat tegelijkertijd een diepe ethische kracht Dat was jammer genoeg niet tot Plato door gedrongen En ook de positie van de kunstenaar schatte hij veel te laag Voor Van Eeden lag die niet ònder maar náást die van de wijsgeer 57Los van deze kleine kanttekeningen bleven Gorter ,Henriette Roland Holst en Van Eeden blijkbaar graag aansluiting houden bij het platoonse concept van het Goede, W are en Schone De autonome schoonheidsleer van Kant zor gde bij hen begrijpelijkerwijze voor meer problemen 58 Plato's concept is er ook een dat in negentiendeeeuwse kunstenaarskring zijn waarde leek te hebben bewezen Van Plato loopt er een stevige lijn naar de Duitse geloofsfilosofen en naar aan het eind van de negentiendeeeuw nog steeds gezaghebbende dichters als Goethe (17491832) en Schiller (17591805) Ook in de poëzieopvattingen van de bij de Tachtigers zeer geliefde Keats (17951821) en Shelley (17921822) stond een platoons gekleurd schoonheidsverlangen centraal W evinden het eveneens bij de aan het eind van de negentiende eeuw zeer populaire domineefilosoof Ralph W aldo Emerson (18031882): ‘T ruth, and goodness, and beauty ,are but dif ferent faces of the same All’ 59Daar komt bij dat deze platoons gekleurde esthetica in de trant van Goethe en de vroege romantici op min of meer vanzelfsprekende wijze een plaats kreeg in de evolutieleer ,zoals die door Charles Darwin en in het bijzonder door Ernst Haeckel, die een groot Goethebewonderaar was, werd geformuleerd Door dat laatste was het voor schrijvers aan het eind van de negentiende eeuw ook mogelijk, zoals we zagen, om de evolutie een plaats te geven in hun esthetica en zo aan het begrip Schoonheid een zekere dynamiek te geven Voor Charles Darwin was ook Schoonheid namelijk de vrucht van evolutie In On the origin of species schreef hij ik citeer naar de Nederlandse vertaling van TC W inkler uit 1883: In zekere mate kunnen wij begrijpen, hoe het komt dat de natuur zoo schoon is: de schoonheid der natuur moet grootendeels te danken zijn aan de werking der keus Dat die schoonheid, naar ons begrip van dat woord, evenwel niet algemeen is, moet toegestemd worden door iedereen, die het oog vestigt op sommige ver giftigde slangen, sommige visschen en sommige vleermuizen, welker aangezicht min of meer op dat van een leelijk mensch gelijkt 60 In deze passage klinkt door Darwins voorbeeld van de ‘ver giftigde slangen’ onwillekeurig een vereenzelviging van het Schone met het Goede door ,zoals die door de utopisten ook graag werd toegepast Neerlandica extra Muros Jaargang 43 14 In dezelfde geest zag ook de Duitse bioloog Ernst Haeckel de Schoonheid als een wezenskenmerk van de natuur Volgens hem openbaarde de kunstenaar in zijn werk dezelfde schone platoonse eenheid die de natuur liet zien Het was de natuurlijke schone orde die Haeckel zelfs bij de kleinste diertjes onder zijn microscoop had kunnen waarnemen 61 En ten slotte kon door maatschappelijk bevlogen kunstenaars uit de jaren negentig in hun vereniging van kunst en samenleving het schoonheidsprincipe een plaats krijgen door aan te haken bij andere oudere negentiendeeeuwse ideeën over gemeenschapskunst In Nederland kwamen deze in eerste instantie uit katholieke hoek In het midden van de negentiende eeuw pleitte de architect PJH Cuypers (18271921) voor een katholieke kunst die dienstbaar was aan de maatschappij Katholieke kunstenaars konden zich goed in zijn ideeën vinden Dat gold niet alleen voor zijn generatiegenoot de schrijver JA Alberdingk Thijm, maar ook voor de jongere katholieke componist en cultuurfilosoof Alphons Diepenbrock In Diepenbrocks ogen was het Cuypers geweest die, ‘belijdend [] de Eenheid van Kunst en Leven, en de ‘Schoonheid als afstraling der W aarheid’, de grondlegger was geweest van de gemeenschapskunst 62 Deze op katholieke leest geschoeide gemeenschapskunst diende evenwel een geheel ander ideaal dan het socialisme van Gorter en Henriette Roland Holst en het sloot evenmin aan bij het sterk humanistisch en utopistisch ideeëngoed van Van Eeden en verwante idealisten W el werd door alle partijen kunst op een of andere manier ingezet in de strijd voor een betere wereld Maar alleen voor de katholieke emancipatoren stond die betere wereld gelijk aan de herleving van het katholieke ideaal Dichter bij het eindnegentiendeeeuwse idee van socialistische en utopistische maatschappijhervorming lagen de ideeën van de Engelse Art and Crafts beweging Een van de leidende figuren daarin was de Engelse schilder en boekillustrator W alter Crane (18451915) Zijn programmatische boek Claims of decorative art (1892) werd in 1894 door Jan Veth in het Nederlands bewerkt onder de titel Kunst en samenleving Ook in Cranes pleidooi voor het samengaan van kunst en samenleving neemt het schoonheidsbegrip een centrale plaats in Kunst is voor alles uitdrukking van schoonheid, het is volgens Crane ‘een vorm van levenskracht aan de uitdrukking van schoonheid dienstbaar gemaakt’ 63In combinatie daarmee vinden we ook bij hem de grondgedachte dat kunst direct voortvloeit uit de samenleving waarbinnen ze ontstaat: hoe beter (mooier) een samenleving, des te mooier de kunst Gecombineerd met een sterk als vooruitgang gedacht idee van evolutie leidt dit aan het eind van zijn boek ten slotte tot het optimistische idee dat de kunst op den duur steeds maar mooier en mooier zal worden 64 Conclusie Socialistische en utopistische kunstenaars als Gorter ,Henriette Roland Holst en Van Eeden hebben zich in de jaren negentig en daarna steeds duidelijk willen afzetten tegen de individualistische kunstopvattingen van de Tachtigers Zij Neerlandica extra Muros Jaargang 43 15 claimden een andere, nieuwe schoonheid die antikapitalistisch en antibour geois zou zijn en die op de een of andere manier uitdrukking zou geven aan hun maatschappelijke idealen Het moest een nieuwe kunst zijn die zich niet meer isoleerde maar zich innig verbond met het maatschappelijke leven Maar in feite was er goed beschouwd in hun denken over poëzie en kunst, ver geleken bij de Tachtigers, eigenlijk maar weinig veranderd Ook voor hen was ‘Schoonheid’ nog steeds het centrale begrip en ‘emotie’ de motor van het creatieve proces Kunst was voor alles uitdrukking van Schoonheid en kunst ontstond spontaan uit het gevoel Het maken ervan was voorbehouden aan die begenadigden die in het bezit waren van het speciale vermogen om Schoonheid te ervaren en tot uitdrukking te brengen Zo bleef Kloos' definitie van kunst als ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ voor een groot deel overeind Alleen het ‘allerindividueelste’ daaruit moest in het kader van het nieuwe ideaal worden bijgeschaafd Dat ideaal vroeg om een kunst die zich niet isoleerde, maar die daarintegen juist nauw verbonden was met de maatschappij Vanuit dit nieuwe perspectief was kunst nog steeds individueel voorzover ze voortkwam uit de emotie van een enkele kunstenaar ,maar tegelijk ook iets collectiefs voorzover die kunstenaar verondersteld werd qualitate qua bij het collectieve leven betrokken te zijn Het grote verschil tussen de Tachtigers en hun strijdbare idealistische collega's zat hem dus, naar mijn idee, niet zozeer in hun artistieke, maar in hun politiekmaatschappelijke opvattingen Voor de ene partij ging het louter en alleen om de kunst Voor de andere stond het streven naar een betere (mooiere) samenleving centraal W at de maatschappelijkidealisten wilden was niet zozeer het poëticale, artistieke kader van Tachtig loslaten, maar het nieuwe politieke ideaal daarin een plaats te geven Daarbij hadden ze twee grote zor gen De eerste was om niet terecht te komen in de valkuil van de tendenskunst De tweede was om het concept van de kunstenaar als een buitengewoon begenadigde overeind te houden Bij deze manoeuvre werd voor een groot deel geput uit dezelfde bronnen als de Tachtigers en hun romantische voor gangers hadden gedaan, te weten: ten eerste, een platoonse schoonheidsopvatting, waarin het Schone, het W are en het Goede en hecht verbond aangingen en ten tweede, een sterk organistische, evolutionistische opvatting van de natuur Tegelijk distantieerden Gorter ,Henriette Roland Holst en Van Eeden zich publiekelijk van de kunst van Tachtig Ze stelden zich uiterst kritisch op tegenover het recente verleden Hun houding was er een van verzet, waarbij ze zichzelf als grote vernieuwers presenteerden Ze deden dit vooral om een plaats voor hun eigen maatschappelijke overtuiging te vinden Tegelijk bleven ze zich bewegen binnen het esthetische concept van Tachtig, dat ze in hun perceptie van de kunst en de kunstenaar niet in staat waren om los te laten Onder het rode vaandel van het socialisme waren de kunstopvattingen van Kloos nog springlevend Neerlandica extra Muros Jaargang 43 18 Bibliografie AKKER ,W ILJAN VAN DEN /DORLEIJN ,GILLIS :‘Hoe lang duurt tachtig? Reproductie van normen en literatuur geschiedschrijving’ Korthals Altes, Liesbeth/Schram, Dick (red), Literatuurwetenschap tussen betr okkenheid en distantie Assen, 2000, 314 BAUER ,M ARIUS :Brieven en schetsen van zijn reizen naar Moskou en Constantinopel, gevolgd door enige polemieken tussen socialisten en estheten Amsterdam/Antwerpen, 1964 Buiting, Henny ,De Nieuwe Tijd Sociaaldemokratisch Maandschrift 18961921 Spiegel van socialisme en vroeg communisme in Nederland Amsterdam, 2003 CRANE ,W AL TER :Kunst en samenleving Naar W alter Crane's Claims of decorative art, in het Nederlandsch bewerkt door Jan Veth en vercierd met talrijke vignetten, in hout gesneden door GW Dysselhof Amsterdam, 1894 DAR WIN ,CHARLES :Het ontstaan der soorten door middel van de natuurkeus of het bewaar dblijven van bevoorr echte rassen in den strijd voor het bestaan Uit het Engelsch vertaald door TC W inkler Utrecht, 1883 tweede, vermeerderde en verbeterde druk DIEPENBROCK ,ALPHONS :Verzamelde geschriften Bijeengebracht en toegelicht door Eduard Reeser in samenwerking met Thea Diepenbrock Utrecht/Brussel, 1950 EEDEN ,FREDERIK VAN :‘Over de toekomst’ Nieuwe Gids 6(1891), 115 EEDEN ,FREDERIK VAN :Studies Tweede reeks Amsterdam, 1894 EEDEN ,FREDERIK VAN :Van de koele mer en des doods Amsterdam/Antwerpen, 1972 negende druk [eerste druk 1900] Neerlandica extra Muros Jaargang 43 19 EMERSON ,RALPH W ALDO :The portable Emerson Edited by Carl Bode in collaboration with Malcolm Cowley Z p, 1984 GOES ,FVAN DER :‘Studies in socialisme’ Nieuwe Gids 6, I,369404 (1891) GOES ,FVAN DER :Verzamelde opstellen Eerste bundel Amsterdam, 1898 GOR TER ,HERMAN :‘Kritiek op de litteraire beweging van 1880 in Holland’ Verzamelde werken Deel III Kritiek op Tachtig Bussum/Amsterdam, l949, 799 [eerste druk 1897] GOR TER ,HERMAN :‘Over poëzie’ Verzamelde werken Deel III Kritiek op Tachtig Bussum/Amsterdam, l949, 103108 [eerste druk 1903] HAECKEL ,ERNST :Der Monismus als Band zwischen Religion und Wissenschaft Glaubensbekenntnis eines Naturforschers Vorgetragen am 9 Oktober in Altenbur gbeim 75 jährigen Jubiläum der Naturforschenden Gesellschaft des Osterlandes Leipzig, 191 1fünfzehnte Auflage JANS ,RUDOLF :Tolstoj in Nederland Bussum, 1952 KEMPERINK ,MG: ‘Jungle en paradijs Darwinisme in de Nederlandse roman (18851910)’ Nederlandse Letterkunde 4(1999), 136 KEMPERINK ,M AR Y:‘Een happy end volgens Darwin Utopisme en evolutieleer in de Nederlandse literatuur van het fin de siècle’ Haverkort, Marco,/De Roder , Jan (red), Darwin & Co Over taal, evolutie en literatuur Speciaalnummer van Armada 29, 29/30 (2003), 156167 KLOOS W ILLEM :‘V erleden, heden en toekomst’ Nieuwe Gids 6(1891) II, 160171 KOCKERBECK ,CHRIST OPH :Ernst Haeckels ‘Kunstformen der Natur ’und ihr Einfluss auf die deutsche bildende Kunst der Jahr hundertwende Frankfurt aM/Bern/New York, 1986 ROLAND HOLST ,HENRIËTTE :Socialisme en literatuur Amsterdam, 1900 tweede druk [eerste druk 1899] ROLAND HOLST VAN DER SCHALK ,HENR :‘Studies in socialistische aesthetica’ Over leven en schoonheid Arnhem, 1925, 1146 [eerste publicatie 1906/7] ROLAND HOLST VAN DER SCHALK ,HENRIETTE :Het vuur brandde voort Levensherinneringen con fuoco Met een nawoord van Garmt Stuiveling Amsterdam, 1979 vierde druk [PrivéDomein nr52] PLA TO:‘Phaedrus of over de schoonheid’ Verzameld werk Deel II Vertaald door Xaveer de W in Haarlem, 1962, 227538 THISSEN ,SIEBE :De spinozisten Wijsgerige beweging in Nederland (18501907) Den Haag, 2000 TIBBE ,ELISABETH PAULINE ,RNROLAND HOLST :Arbeid en schoonheid ver eend Opvattingen over gemeenschapskunst Amsterdam, 1994 (Deel II Nijmeegse Kunsthistorische Studies) TIBBE ,LIESKE :Vier kunstdebatten omstr eeks 1900 Meningen over kunst en samenleving van Herman Gorter ,Henriëtte en Richar dRoland Holst, Herman Heijermans, Jan Toor op, Theo van Doesbur g, Piet Mondriaan en ander en Nijmegen, 2000 (Deel VIII Nijmeegse Kunsthistorische Studies) TOLST OY ,LEO :Wat is kunst? Uit het Engelsch door J Sevenster Amsterdam, 1899 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Eindnoten: 1 Ik wijs indit verband bijvoorbeeld op de volgende uitspraak van Willem Kloos: ‘In allen gevalle zal de aanleg van de menschen der toekomst om het Schoone tevolvoeren, niet kleiner maar grooter dan tegenwoordig zijn, want de menschheid gaat vooruit, en schoonheid, jade schoonheid isde heerlijke werkelijkheid, waar het Leven op doelt’ (Kloos 1891, 167) 2 In zijn studie over het spinozisme wijst Siebe Thissen er zeer terecht op dat het verlangen naar wijsgerige reflectie ook bij de Tachtigers nog altijd hoog in het vaandel stond (Thissen 2000, 170) 3 Roland Holst 1900, 12 4 In ander verband, dat van het katholieke en protestante circuit gedurende de eerste twee decennia van de twintigste eeuw ,isdoor Van den Akker en Dorleijn aleerder gewezen op de grote impact van de poëtica van Tachtig (Van den Akker/Dorleijn 2000) Voor het kunstdebat binnen de kring van maatschappelijk geëngageerde (beeldende) kunstenaars in Nederland rond 1900 verwijs ik naar de publicaties van Lieske Tibbe daarover (Tibbe 1894 en 2000) In haar studie over het tijdschrift De Nieuwe Tijd behandelt Henny Buiting kort ook de daarin geventileerde ideeën over kunst en literatuur (Buiting 2003) 5 Tolstoi kon inhet kader van zijn maatschappelijke overtuiging niet goed uit weg met de manieren waarop dit begrip tot dan toe werd ingevuld, namelijk ofwel als een hoge metafysische categorie, of wel als een louter esthetische categorie in de zin van Kants ‘interessenloses Wohlgefallen’ Zie Tolstoi 1899, 55 6 Van Tolstois beschouwende, maatschappelijk geëngageerde werken werden in de periode van 1887 tot 1910 vijfentwintig titels in Nederlandse vertaling op de markt gebracht In romans en beschouwend werk van Nederlandse schrijvers uit de periode 18901910 wordt frequent naar hem verwezen De verhouding van Nederlandse utopisten rond 1900 tot de maatschappelijke en esthetische ideeën van Leo Tolstoi verdient beslist nadere onderzoek Op dit moment moeten we het doen met de oudere studie Tolstoj in Nederland van Rudolf Jans, die ik niet meer dan een aanzet zou willen noemen (Jans 1952) 7 ‘Er iswel waars en tref fends in Tolstoi's beschouwingen, maar zij zijn niet volledig en dus niet juist, omdat zij geen licht laten vallen op de bijzondere natuur van door het middel der kunst over gebrachte gevoel, op de schoonheid’ (Roland Holstvan der Schalk 1925, 15) 8 Van der Goes 1898, 3551 9 In ‘Socialistische aesthetiek’ (Van der Goes 1898, 3839) 10 Roland Holstvan der Schalk 1925, 34 11 Inleiding van Van Eeden bij de tweede druk uit 1904 van Van de koele meer en des doods (Van Eeden 1972, 6) 12 In ‘Aan de lezers van “de Kroniek” naar aanleiding van het stuk van drA Diepenbrock tegen PL Tak’ uit 1896 (Bauer 1964, 123) 13 In ‘Nieuw Engelsch proza’ uit 1891 (Van Eeden 1894, 125162, citaat 158) 14 In ‘Studies in socialistische aesthetica’ (Roland Holstvan der Schalk 1925, 89) 15 In ‘Studies in socialistische aesthetica’ (Roland Holstvan der Schalk 1925, 50) 16 Gorter 1949, 63 17 In: ‘Nieuw Engelsch proza’ uit 1891 (Van Eeden 1894, 125162, citaat 131) 18 Ibidem, 149 19 Gorter 1949, 63 20 Roland Holst 1900, 68 21 Roland Holst 1900, 28 22 Gorter 1949, 8 23 Over utopisme en darwinisme bij Nederlandse schrijvers van rond 1900 verwijs ik naar mijn artikel daarover (Kemperink 2003) 24 In: ‘Aan de medewerkers van “de Kroniek”’ uit 1896 (Bauer 1964, 151) 25 Roland Holstvan der Schalk 1925, 11 26 Van der Goes 1891, 376 27 Gorter 1949, 78 28 Gorter 1949, 36 29 Gorter 1949, 6667 30 In ‘Over poëzie’ uit 1903 (Gorter 1949, 106) 31 Gorter 1949, 9596 32 Roland Holstvan der Schalk, 63 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 33 In zijn inleiding op Van de koele meer en des doods uit 1904 (Van Eeden 1972, 5) 34 Roland Holst 1900, 66 35 Gorter 1949, 24 36 In ‘Over humaniteit’ uit 1891 (Van Eeden 1894, 8299, citaat 95) 37 Roland Holstvan der Schalk 1925, 33 38 Respectievelijk in ‘Over kritiek’ uit 1893/1894 (Van Eeden 1894, 763, citaat 27) en ‘Nieuw Engelsch proza’ uit 1891 (Van Eeden 1894, 125162 citaat 149) 39 Gorter 1949, 2931 40 Roland Holstvan der Schalk 1925, 34 41 Frederik van Eeden, ‘Aan de lezers van “de Kroniek” naar aanleiding van het stuk van drA Diepenbrock tegen PL Tak’ uit 1896 (Bauer 1964, 126) 42 In ‘Over humaniteit’ uit 1891 (Van Eeden 1894, 8299, citaat 93) 43 Gorter 1949, 2526, 30 44 Gorter 1949, 2526; Van Eeden 1894, 10 45 Een directe verwijzing naar Taine vinden we bijvoorbeeld bij Henriette Roland Holst in Socialisme en literatuur (Roland Holst 1900, 15) 46 In ‘Over kritiek’ uit 1893/1894 (Van Eeden 1894, 763, ihb 4647) 47 Gorter 1949, 25 48 Gorter 1949, 64 49 In Frederik van Eeden, ‘Over humaniteit’ uit 1891 (Van Eeden 1894, 8299, citaat 98) 50 In: ‘Over de toekomst’ uit 1890 (Van Eeden 1951, ihb 14) 51 Roland Holst 1974, 10 52 Van der Goes 1898, 39 53 Zie bijvoorbeeld de volgende passage uit de Phaedrus :‘Het goddelijke nu isschoon, wijs, goed en bezit alder gelijke tref felijkheden meer ’(Plato 1962, 482) 54 Roland Holstvan der Schalk 1925, 39 55 Gorter 1949, 67 56 Gorter 1949, 96 57 In ‘Over kritiek’ uit 1893/1894 (Van Eeden 1894, 763, ihb 1920) 58 Henriette Roland Holst leverde fel kritiek op Kants veronderstelling dat kunst geen doel zou hebben en niet meer zou beogen dan ‘Interessenloses Wohlgefallen’ (Roland Holstvan der Schalk 1925, 29, 34) 59 Emerson 1984, 19 60 Kemperink 2003, 163164 Darwin 1883, 411412 61 Zie over Haeckels kunst en natuuropvattingen om: Kockerbeck 1986; Kemperink 1999 62 In ‘De wijze bouwmeester ’uit 1895 (Diepenbrock 1950, 101103, citaat 103) 63 Crane 1894, 73 64 Crane 1894, 6667, 170171 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 20 Mieke KT Desmet De vier dochters van Dr March Een klassiek Amerikaans meisjesboek in een Nederlands jasje Kinderliteratuur vertalen en bewerken Niet alleen is de voor de jeugd bestemde literatuur heel divers, onder critici bestaat nauwelijks overeenstemming over aard en functie van die literatuur Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat er evenmin consensus bestaat over wat ‘goede’ kinderboeken zijn of over de vraag hoe jeugdliteratuur vertaald zou moeten worden Zowel de keuze van te vertalen kinderboeken als de vorm van de uiteindelijke vertalingen, lijkt bepaald door uiteenlopende en vaak tegenstrijdige factoren en doelstellingen W el hebben critici vastgesteld dat bij het vertalen van kinderliteratuur vaak drastische aanpassingen voorkomen (Oittinen 2000; BenAri 1992; Klingber g 1986) Die sterke voorkeur voor bewerking en adaptatie wordt door gaans toegeschreven aan opvattingen over de cognitieve beperkingen van kinderen en aan het educatieve karakter van kinderliteratuur (zo bijvoorbeeld Shavit 1986, 11213) De criticus Göte Klingber gmeent dat bij het vertalen van kinderliteratuur vier pedagogische motiveringen meespelen, twee die een vertaling dicht tegen de brontekst laten aanleunen en twee die mogelijk tot adaptatie leiden De vertaling kan erop gericht zijn kinderen vertrouwd te maken met werk van literaire waarde In dat geval zal de vertaler aandacht besteden aan het esthetische karakter van de brontekst Een ander doel is kinderen kennis van vreemde landen en culturen bij te brengen, met als ethische motivatie het bevorderen van solidariteit en tolerantie Ook in dit geval zal de vertaling dicht bij de brontekst blijven en vreemde cultuurelementen behouden Een derde pedagogische overweging is erop gericht kinderen teksten aan te bieden die vooral gemakkelijk toegankelijk zijn en puur leesplezier verschaf fen En tenslotte kan de vertaler beogen kinderen gepaste waarden en normen bij te brengen, wat een ethische of ideologische doelstelling inhoudt De laatste twee gevallen gaan algauw gepaard met inhoudelijke veranderingen (Klingber g1986, 10) De pedagogische aspecten van kinderliteratuur kunnen een vertaling dus op heel verschillende manieren bepalen Grof gesteld kan men zeggen dat, afhankelijk van de wijze waarop een vertaler de vreemde elementen in een brontekst waardeert en de kennis van het kind om met het vreemde om te gaan inschat, de vertaler van een kinderboek ofwel vervreemdend ofwel assimilerend te werk Neerlandica extra Muros Jaargang 43 21 zal gaan In dit laatste geval vervaagt het verschil tussen vertalen en bewerken Al deze overwegingen zijn ook van toepassing op het vertalen en bewerken van ‘klassieke’ kinderliteratuur Klassiekers in de kinderliteratuur Al naar gelang de origine van de brontekst onderscheiden de meeste critici drie types klassieke kinderboeken Zo spreekt Emer O'Sullivan van 1 adaptaties van volwassenenliteratuur voor kinderen, 2 werken die op sprookjes en legenden gebaseerd zijn en 3 werken uit de canon van de kinderliteratuur zelf (O'Sullivan 2000, 39293) 1 Het proces waarmee een tekst klassieke status verwerft verloopt bij kinderboeken anders dan bij boeken voor volwassenen Enerzijds bepalen populariteit, duurzaamheid en commerciële waarde de klassieke status van een boek Om klassiek te worden en te blijven moet een kinderboek gedurende meer dan één generatie aftrek vinden, zowel onder kinderen als onder volwassenen (O'Sullivan 2000, 395; Brantas 1994, 153; W atson 1994, 3234; Griswold 1992, viii) Anderzijds ziet men literaire waarde, vernieuwende functie en lovende besprekingen als voorwaarden om een kinderboek klassiek te noemen (Frey en Griffith 1987, vii; Griswold 1992, x; W atson 1994, 32; Brantas 1994, 154; Nodelman 1985, 91 1) In de eerste overweging (populariteit), staan de kindlezer en zijn of haar voorkeur centraal, terwijl het argument van de literaire kwaliteit een volwassenenvisie laat zien Die tweespalt verleent de kinderliteratuurklassieker een zekere ambivalentie Net zoals boeken op verschillende gronden de status van klassieker kunnen verwerven, laten klassiekers zich op verschillende manieren vertalen Nadruk op literaire waarde resulteert in de regel in brontekstgerichte vertalingen Het vooropstellen van leesplezier kan betekenen dat radicale aanpassingen nodig zijn om de tekst vooral genietbaar te maken Daar komt bij dat klassiekers vaak oudere teksten zijn die als ‘verouderd’ geldende waarden en normen propageren Dat kan in de vertaling tot veranderingen leiden om ideologische redenen Omdat bij het vertalen van klassiekers zo ongeveer alles mogelijk is, hebben onderzoekers behoefte aan termen om die uiteenlopende vertaal en bewerkingspraktijken te benoemen Zo maakt Quirin van Os gebruik van begrippen uit de klassieke retorica bij de ver gelijking van Nederlandse versies van het Odysseusverhaal bestemd voor volwassenen en voor kinderen (V an Os 1996, 171172) De beschrijvende categorieën die de critici hanteren, overlappen elkaar uiteraard Ten behoeve van de onderstaande analyse onderscheid ik vier soorten ingrepen Eerst is er weglating ,gericht op het buiten de deur houden van al wat ongewenst is W eglating kan op grote of kleine schaal toegepast worden en verschillende aspecten van de tekst tref fen, zoals karakterisering of het vertellersstandpunt Vervolgens is er purificatie, dat ook als een selectieve vorm van weglating gezien kan worden Purificatie weert alleen bepaalde elementen of Neerlandica extra Muros Jaargang 43 22 past die aan, bijvoorbeeld omdat de vertaler ze in hun oorspronkelijke vorm als storend ervaart Op die manier wordt een vertaalde tekst aanvaardbaar gemaakt voor de doelcultuur Een derde ingreep bestaat uit substitutie, het vervangen van elementen uit de broncultuur door elementen van de doelcultuur die geacht worden een ver gelijkbare gevoelswaarde te bezitten Een door gedreven vorm van substitutie is ‘localisatie,’ waarbij alle broncultuurelementen in doelcultuurelementen worden omgezet en een boek dat oorspronkelijk bijvoorbeeld in New York speelde nu Amsterdam als decor krijgt Vertalers die niet hun toevlucht nemen tot substitutie maar hun jeugdige lezers ook niet willen overdonderen met vreemde cultuurelementen, zullen de vreemde begrippen, verwijzingen of gebruiken door gaans uitleggen Dat kan discreet gebeuren door het inlassen van een paar extra woorden, maar soms treft men hele bijkomende passages of uitgebreide antropologisch getinte voetnoten aan Ten slotte is er de ingreep van het aanbrengen van vereenvoudigingen Hoewel de brontekst zich meestal al tot een impliciete kindlezer richt, kan de vertaler een heel andere impliciete kindlezer op het oog hebben Door de bank genomen komt vereenvoudiging voort uit het taxeren van het cognitieve vermogen van het beoogde lezerspubliek De vier dochters van Dr March In wat volgt zal ik Louisa May Alcotts boek Little women 2nader bekijken Het boek, dat voor het eerst in 1868 verscheen, wordt algemeen als een klassiek meisjesboek beschouwd Het verhaal speelt zich af tijdens de Amerikaanse Bur geroorlog en bestrijkt een jaar in het leven van de vier dochters van dominee March, Jo, Beth, Meg en Amy Doordat dominee March, die dienst heeft genomen in het leger ,zijn vermogen heeft verloren bij een poging een ongelukkige vriend te helpen, moeten de oudste twee meisjes in hun eigen onderhoud voorzien Little women is in vele talen vertaald en bewerkt 3en heeft de laatste jaren ook in de Engelstalige wereld heel wat kritische aandacht gekregen 4De eerste Nederlandse vertaling van Little women introduceerde het genre ‘meisjesboek’ in Nederland en Vlaanderen De tekst die ik onder de loep neem, is De vier dochters van Dr Mar ch vertaald door Attie Spitzers en uitgegeven door Hemma in 1993 De vertaling verscheen in de ‘Jeugdclub’reeks, een serie die klassiekers uitbrengt voor een groot publiek De uitgever staat bekend als producent van goedkope series voor kinderen (Krikhaar 1990, 192) Met dit gegeven voor ogen kunnen we een vertaalstrategie verwachten die vooral de populaire aspecten van de klassieker in acht neemt Eerdere vertalingen van Little women waren verschenen onder de titel Onder moeders vleugels ,maar Attie Spitzers heeft voor een zakelijker titel gekozen, De vier dochters van Dr Mar ch De nieuwe versie wordt overigens niet als een vertaling aangeboden maar als een bewerking ‘naar Louisa May Alcott’, zoals de titelpagina aangeeft Dit is een eerste indicatie dat deze versie verregaande aanpassingen te zien zal geven, een verschijnsel dat in de kinderliteratuur niet ongewoon is ‘Met dit boek wordt een prachtig beeld geschetst van het Ameri Neerlandica extra Muros Jaargang 43 23 kaanse leven in de tweede helft van de XIX eeuw’, staat op het omslag Dat doet vermoeden dat het behoud van vreemde cultuurelementen deel uitmaakt van de doelstelling van de vertaler Maar deze doelstelling staat op gespannen voet met de commerciële overwegingen die juist op een vlot leesbare tekst mikken Het Amerikaanse origineel is niet op een specifieke leeftijdsgroep gericht en wordt door zowel jongere als oudere lezers gelezen De Nederlandse versie bevat geen vermelding van een beoogde leeftijdsgroep maar richt zich duidelijk op een heel jong publiek Dat leid ik af uit de illustraties, die de romanfiguren als veel jonger voorstellen dan ze in het verhaal zijn In de tekst zelf zijn de beschrijvingen van de figuren fors ingekort Verwijzingen naar hun leeftijd zijn weggelaten of vaag gehouden Het boek is ook drastisch ingekort De Nederlandse versie is ruim éénderde van het origineel (37% van het aantal woorden) om de eenvoudige reden dat alle boeken in de ‘Jeugdclub’serie nu eenmaal 160 pagina's tellen De doeltekst bevat tien hoofdstukken terwijl het origineel er 23 heeft: acht hoofdstukken zijn geschrapt, drie zijn sterk ingekort, twaalf hoofdstukken zijn paarsgewijs bij elkaar gevoegd en één hoofdstuk in de Nederlandse versie heeft geen tegenhanger in de brontekst Laat ik eerst de weglatingen op macroniveau en het effect daarvan bekijken Vervolgens ga ik in op de veranderingen op microniveau Macroniveau Zeven van de geschrapte hoofdstukken (4, 7, 8, 9, 11, 13, en 19) zijn met elkaar verbonden doordat ze expliciet naar John Bunyans beroemde The pilgrim's pr ogr ess verwijzen Bunyans boek fungeert als een belangrijke intertekst in Little women Het bepaalt de structuur ervan, modelleert de moraliserende en didactische toon, introduceert het thema van de zelfontwikkeling en karakterverbetering, en creëert een omgeving doordrongen van protestantse ethische waarden Niet alleen zijn de Bunyanhoofdstukken verdwenen, ook in de hoofdstukken die wél vertaald werden zijn alle verwijzingen naar The pilgrim's pr ogr ess geschrapt Natuurlijk zouden veel kinderen die verwijzingen niet opmerken Niettemin is het resultaat van de weglatingen een verandering in teksttype Het socialisatieproces dat de meisjes doormaken, hun morele groei en de offers die ze ten behoeve van hun karaktervorming moeten brengen, het is allemaal verdwenen De legger onder het patroon is zoek geraakt Er treden nog andere macroverschuivingen op Het schrappen van hoofdstuk 10 uit het origineel heeft zijn weerslag op de karaktertekening van een van de hoofdfiguren, Jo, en op het thema van schrijven als een creatieve vorm van zelfexpressie Een groot aantal details die tezamen een beeld van Jo als zich ontwikkelend schrijver creëren, zijn uit de Nederlandse versie verdwenen, bijvoorbeeld het schrijven van een kerstspel waarin Jo zich een mannelijke rol toebedeelt (79/8), 5het verbranden van Jo's sprookjes (1011 16/41), het verhaalspel (177182/52) en het schrijven van brieven naar moeder in W ashington (232242/83) Jo's droom om schrijfster te worden en Neerlandica extra Muros Jaargang 43 24 daarmee in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien, ontbreekt Het enige schrijversmotief dat overblijft, betreft de publicatie van haar verhaal in een krant (206218/5566), maar de intensiteit van het motief wordt ondermijnd Dat blijkt bijvoorbeeld uit substituties als de volgende: ‘Quite absorbed in her work, Jo scribbled away till the last page was filled, when she signed her name with aflourish, and threw down her pen’ > ‘Met een tevreden trek om de mond schreef ze in grote letters het woord “Einde”’ (206/55) ‘W ell, I've left two stories with anewspaper man and he's to give his answer next week’ >‘Ik heb de door mij geschreven verhaaltjes aan de directeur van de “Kinderkrant” gegeven en hij vertelt me volgende week of hij ze gaat plaatsen’ (21 1/59) In de originele tekst zien we een gedreven schrijfster die haar entree maakt in de grotemensenwereld In de Nederlandse versie wordt Jo's werk gereduceerd tot wat ‘verhaaltjes’ voor de ‘Kinderkrant’ De tragische afloop van het verhaal dat Jo aflevert, wordt verzwegen: ‘as most of the characters died in the end’ >‘O’ (216/64) In tegenstelling tot de brontekst komen we over Jo's verhaal in de Nederlandse versie nauwelijks iets te weten In een toevoeging van de bewerker staat een moraliserend commentaar dat het strijdbare aspect van Jo's schrijverschap teniet doet: ‘O’ >‘Het was een keurig verhaal, dat overeenkwam met de goede opvoeding van de schrijfster ’ (217/65) W aar Jo zich in het origineel dankzij haar schrijven tot een zelfbewuste jonge vrouw ontwikkelt, is dit gegeven in de Nederlandse tekst een bijkomstigheid Little women wordt gekenmerkt door complexe relaties tussen de seksen Dit kenmerk is verdwenen in de doeltekst Van de weerzin van de romanfiguren tegen het vereiste keurslijf van het ‘kleine vrouwtje’, is niets te merken Jo zou liever een jongen dan een meisje zijn, maar die wensdroom, die de roman inluidt, is geschrapt: ‘I hate to think I've got to grow up, and be Miss March, and wear long gowns, and look as prim as aChinaaster! It's bad enough to be agirl, anyway ,when Ilike boys' games and work and manners! Ican't get over my disappointment in not being aboy; and it's worse than ever now ,for I'm dying to go and fight with papa, and Ican only stay at home and knit, like apoky old woman!’ >‘O’ (4/8) Jo blijft wel behouden als een meisje met jongensallures, maar er is niets over van haar opstandige beschouwingen omtrent de vele beperkingen die haar sekse worden opgelegd Doordat bijna tweederde van de brontekst achterwege is gelaten, wordt wat overblijft van veel groter belang voor de interpretatie van het geheel Zo komt de liefde tussen Meg en John Brooke meer centraal te staan, terwijl Jo's afkeer van het huwelijk en haar afwijzing van John Brooke worden afgezwakt en een Neerlandica extra Muros Jaargang 43 25 huwelijk tussen Jo en Laurie aan het verhaal wordt toegevoegd De belangrijkste macrostructurele wijziging is de toevoeging van dit hoofdstuk aan de doeltekst Dat brengt een ‘happy ending’ en verandert deze Bildungsroman in een sentimenteel sprookje In dit nieuwe hoofdstuk belooft Jo dat ze met Laurie zal trouwen en zullen ook haar zusters Beth en Amy aan een man komen Om dit einde aannemelijk te maken, worden her en der romantische details door het verhaal gestrooid, zoals Jo's verrukking tijdens een dans op een feest: ‘O’ >‘Laurie bleek heel goed te dansen en Jo vond het heerlijk in zijn armen te zweven’ (42/24) Deze macrostructurele aanpassingen veranderen de structuur en het thema van het verhaal onherstelbaar Microniveau Naast deze grootschalige veranderingen treden er ook heel wat kleinere verschuivingen op in de Nederlandse versie Het verhaal wordt verteld in kortere alinea's en kortere zinnen Beschrijvende en beschouwende passages alsook emotionele dialogen en vertellercommentaren komen geregeld te vervallen, met als resultaat een doeltekst die veel meer dan de brontekst op actie gericht is Op narratologisch vlak treedt een meer afstandelijke derdepersoonsverteller op Semantische vereenvoudiging blijkt uit de woordkeuze en het verwijderen van metaforisch taalgebruik, zoals in: ‘heliotrope and tearoses’ >‘rozen’ (76/37) ‘and the year seemed getting ready for its death’ >‘O’ (256/94) ‘a sabbath stillness reigned through the house’ >‘Binnen echter heerste volslagen rust’ (278/104) Humor op basis van woordspelingen, zoals Amy's gewoonte om moeilijke woorden verkeerd te gebruiken, wordt vrijwel altijd weggelaten: ‘I know what Imean, and you needn't be statirical about it’ >‘O’ (3/8) Literaire allusies verdwijnen systematisch onder tafel: ‘Macbeth ’>‘O’ (9/8), ‘Heir of Redclyffe ’>‘het verhaal’ (32/17), ‘Hamlet’ >‘O’ (208/58), and ‘Undine and Sintram ’>‘twee boeken’ (305/134) Verkeerd en/of idiosyncratisch taalgebruik wordt verbeterd, scheldwoorden of ‘slang’ geneutraliseerd De Nederlandse tekst gebruikt ook opvallend veel diminutieven, die de lezer infantiliseren en de tekst sentimenteler maken Het sentimentaliteitsgehalte neemt nog toe door het veelvuldige gebruik van woorden als ‘lief ’,‘vrolijk’ en ‘leuk’ Doordat het taalgebruik eenvoudig wordt gehouden, kan de lezer een vlot leesritme ontwikkelen Het resultaat van al deze simplificaties is een onschuldige, homogene tekst waarin toegankelijkheid, leesplezier en de voortgang van de intrige voorop staat Naast simplificatie in structuur en stijl vinden we expliciteringen die maken dat de tekst op ieder moment volkomen begrijpelijk blijft Alles wat problematisch zou kunnen zijn, wordt uitgelegd Logische relaties worden aangegeven, emoties benoemd, telkens wordt keurig aangegeven wie spreekt, enz Het is Neerlandica extra Muros Jaargang 43 26 duidelijk dat interpretatie niet aan de lezer kan worden over gelaten De op het boekomslag beleden doelstelling om de lezer met een vreemde cultuur kennis te laten maken, is dan ook amper uitgewerkt Sommige historische verwijzingen die bewaard gebleven zijn, worden toegelicht: ‘thinking of father far away ,where the fighting was’ >‘Ze wisten dat hun vader middenin de strijd zat, waarin het Noor den en het Zuiden war en verwikkeld ’(1/8; cursief van mij, MD) en elders, met een moraliserend terzijde: ‘The invalids improved rapidly’ >‘De zieken knapten snel op en de vreselijke oorlog die het land verscheur de zou snel ten einde zijn ’(303/133; cursief van mij, MD) Hoewel veruit de meeste cultuur gebonden elementen uit het origineel aangepast zijn, blijven er af en toe enkele behouden, zoals ‘plumpudding’ >‘plumpudding’ (308/137) Besluit Een klassieker in de kinderliteratuur bezit een ambivalente status doordat populariteit bij kinderen én de waardering van het boek door volwassenen een rol spelen Dat maakt dat de vertaling in verschillende richtingen gestuurd kan worden Vooral bij assimilerend vertalen vervalt het onderscheid tussen vertalen en bewerken De analyse van een recente Nederlandse versie van Little women heeft een duidelijke hiërarchie laten zien in de doelstellingen die de vertaler/bewerker blijkbaar voor ogen stonden De voornaamste strategie was gericht op het aanbieden van een gemakkelijk leesbaar boek Die strategie liet zich zowel op macro als op microniveau natrekken Daarbij kwamen verschuivingen aan het licht die bij het vertalen van gecanoniseerde volwassenenliteratuur nauwelijks voorkomen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 27 Bibliografie ALBERGHENE ,JANICE M EN CLARK ,BEVERL YLYON (EDS ): Little women and the feminist imagination Criticism, contr oversy ,personal essays New York en Londen, 1999 ALCOTT ,LOUISA M AY:Little women New York en Londen Puffin, 1868; 1994 ALCOTT ,LOUISA M AY:De vier dochters van Dr Mar ch Vertaling/bewerking Attie Spitzers Chevron, 1993 BEN ARI,NITSA :‘Didactic and pedagogic tendencies in the norms dictating the translation of children's literature: the case of postwar GermanHebrew translations’ Poetics Today Vol 131 (1992), 221230 BRANT AS ,GERARD :‘Bestaan er Nederlandse klassieke kinderboeken?’ Leesgoed 21 (1994) 5, 15355 FREY ,CHARLES EN GRIFFITH ,JOHN :The literary heritage of childhood An appraisal of childr en's classics in the Western tradition W estport, Connecticut, 1987 GINKEL ,SANDRA VAN :‘V raag naar klassiek’ Leesgoed 21 (1994) 5, 14750 GRISWOLD ,JERR Y:Audacious kids Coming of age in America's classic childr en's books New York en Oxford, 1992 KLINGBERG ,GÖTE :Childr en's fiction in the hands of the translators Malmö, 1986 KRIKHAAR ,M ARGOT :‘Het andere kinderboek Over goedkope preschoolboeken, serieboeken en jeugdpockets’ Leesgoed 17 (1990) 5, 19195 KÜMMERLING M EIBAUER ,BETTINA :Klassiker der Kinder und Jugendliteratur Ein internationales Lexikon Stuttgart, 1999 M ACKEY ,M ARGARET :‘Little women go to market: shifting texts and changing readers’ Childr en's Literatur ein Education 29 (1998) 3, 15373 M ATSIER ,NICOLAAS :‘Klassieken en kinderen’ Literatuur zonder Leeftijd 33 (1995) 3339 NESBIT ,EVAM ARIA :‘Classic novels’ Bernice E Cullinan en Diane G Person (eds), The Continuum Encyclopedia of Childr en's Literatur e New York en Londen, 2001, 17175 NODELMAN ,PERR Y(ED ): Touchstones: reflections on the best in childr en's literatur e Vol One, W est Lafayette, 1985, 112 OITTINEN ,RIITT A:Translating for childr en New York en Londen, 2000 OS,QUIRIN VAN :‘“W oorden reizen langs kromme wegen” De literaire bewerking voor de jeugd’ Literatuur zonder Leeftijd 38 (1996), 16591 O'SULLIV AN ,EMER :Kinderliterarische Komparatistik Heidelber g, 2000 SHA VIT ,ZOHAR :Poetics of childr en's literatur e Athene en Londen, 1986 W ATSON ,VICT OR :‘What makes achildren's classics?’ Chris Powling (ed) The Best of Books for Keeps Londen, 1994, 3238 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Eindnoten: 1 Andere onderzoekers gebruiken gelijkaardige onderscheidingen met kleine variaties, zie bijvoorbeeld Bettina KümmerlingMeibauer 1999, x;Nesbit 2001, 171; en voor de Nederlandse context Matsier 1995, 3536 en Van Ginkel 1994, 148 2 In Amerikaanse kritische kringen wordt Little women vaak samen met het vervolgboek Good wives besproken Ze worden ook geregeld in één boekband uitgebracht De Nederlandse vertalingen zien de twee boeken als aparte werken Little women verwijst hier enkel naar het eerste deel 3 Voor een overzicht van de enorme hoeveelheid brontekstversies en bewerkingen inverschillende media, zie Mackey 1998 4 Voor een gedetailleerde analyse van Little women en de kritische receptie ervan, zie Alber ghene en Clark 1999 5 Het eerste getal tussen haakjes verwijst naar de pagina's in de brontekst, het tweede cijfer naar de overeenkomstige passages in de doeltekst Het symbool ‘O’ duidt een weglating aan Neerlandica extra Muros Jaargang 43 28 Jan Oosterholt Cultuurkritiek aan de hand van een representatie van de holocaust: De keisnijder van Fichtenwald van Louis Ferron De representatie van de gruwelen van het Naziregime en meer specifiek van de Shoah brengt de gemoederen nog altijd snel in beweging: de discussie over de Duitse verfilming van de laatste dagen uit het leven van Hitler is hiervan een recent voorbeeld De Duitse filmer W im W enders verweet de makers van Der Unter gang dat zij feit en fictie op een oneigenlijke manier vermengd hebben: de film wekt de suggestie een getuigeverslag te zijn het scenario is deels gebaseerd op aantekeningen van Traudl Junge, Hitlers laatste secretaresse maar belangrijke delen van de film, aldus W enders, blijken aan de fantasie van de makers ontsproten te zijn De kijker wordt volgens W enders zo op het verkeerde been gezet 1 De verhouding tussen feit en fictie is ook bij literaire representaties van de Nazitijd en de Shoah een heikel thema Net als voor de film naast Der Unter gang kan de Italiaanse succesfilm La vita èbella genoemd worden als een veel besproken voorbeeld van een vrije omgang met het holocaustthema geldt ook voor de literatuur dat de authentieke getuigenis steeds meer plaats lijkt te maken voor fictie Bij de verbeelding van dit trauma uit de geschiedenis van de twintigste eeuw gaan schrijvers als DM Thomas en Edgar Hilsenrath het experiment niet uit de weg Voor een aantal Duitse literatuurbeschouwers was dit aanleiding tot bezor gdheid: vraagt de ‘postmoderne’ literaire representatie van de Shoah niet om een deskundige begeleiding van dÌe lezers, die het ontbreekt aan kennis van het verleden en die bovendien weinig leeservaring hebben opgedaan? Deze onderzoekers juichen de vrijere benadering van het thema weliswaar toe, maar zij waarschuwen ervoor dat een humoristische of groteske benadering nooit mag leiden tot een relativering van de uniciteit van de holocaust als historisch feit 2 Is er in Nederland een soortgelijke reactie op nieuwe ontwikkelingen in de holocaustliteratuur te bespeuren? Een antwoord op deze vraag is niet eenvoudig te geven, al was het maar omdat er in de Nederlandstalige literatuur vooralsnog weinig voorbeelden zijn van ‘postmoderne verhalen’ (Ibsch 1996) waarin de Shoah een belangrijke rol speelt W el verschenen in de afgelopen decennia in Nederland de ‘getuigenisromans’ van auteurs als Gerard Durlacher en Jona Oberski Maar waar het om fictie gaat, lijken Nederlandstalige schrijvers veeleer gefascineerd te zijn door het thema van de collaboratie Dit geldt bijvoorbeeld Neerlandica extra Muros Jaargang 43 29 voor Louis Ferron, in 1942 geboren als zoon van een Duitse vader en een Nederlandse moeder ,die in werken als Hoor mijn lied, Violetta (1982) en Toonkunst (1987) schreef vanuit het perspectief van Nederlanders die in de Tweede W ereldoorlog sympathiseerden met de bezetters Al in 1976 echter verscheen van Ferron de roman De keisnijder van Fichtenwald, een tekst die wel degelijk gelezen kan worden als een representatie van de holocaust In het vervolg wil ik dit voorbeeld van een Nederlandse ‘postmodernistische’ roman over de holocaust wat uitgebreider bekijken Hoe verwerkt Ferron het holocaustthema in De keisnijder en hoe is er door de Nederlandse critici gereageerd op deze tekst? Is het ‘Duitse’ voorbehoud bij de literaire verbeelding van de Shoah ook bij Ferron en zijn critici terug te vinden? Het valt niet mee om in een kort bestek een indruk te geven van De keisnijder van Fichtenwald of de metamorfosen van een bultenaar ,zoals de gehele titel van de roman luidt In het relaas van de twee vertellers, de bultenaar Friedolien en de kamparts Jankowsky ,lopen Wahr heit und Dichtung zozeer in elkaar over ,dat de lezer eigenlijk met meerdere geschiedenissen wordt geconfronteerd Plaats van handeling is de psychiatrische inrichting Fichtenwald De kliniek blijkt al snel niet meer dan een camouflage te zijn voor een concentratiekamp, waarin politieke tegenstanders van het naziregime zijn opgesloten De lezer wordt in deze setting rondgeleid door Friedolien Mahler ,een gewezen barpianist in het nachtclubcircuit Friedoliens taak in Fichtenwald is aanvankelijk onduidelijk, maar via zijn contacten met Irmgard, de vrouw van de oorlogswoekeraar Zelewski Friedolien begeleidt deze gemankeerde Brünhilde in het romantische liedrepertoire maakt hij promotie: hij wordt de secretaris van kamparts Jankowsky In deze hoedanigheid komt hij het nodige te weten over de sinistere medische experimenten in Fichtenwald Meer dan door verontwaardiging over de mensonterende praktijken in het kamp lijkt Friedoliens handelen bepaald te worden door zijn libido: hij is verliefd op Irmgard, die op haar beurt idolaat is van Heinrich Himmler Ter ere van een bezoek van Himmler aan de Zelewski's vat Irmgard het plan op een toneelstuk op te voeren Samen met Friedolien speelt ze ‘Het drama van W annsee’ oftewel de liefdesdood van Heinrich von Kleist en Henriette Vogel na, waarbij zowel Irmgard als Friedolien hun rol bij voortduring uit het oog dreigen te verliezen Het geheel loopt zozeer uit de hand, dat Friedolien in het tweede deel van het boek als patiënt opgenomen blijkt te zijn in Fichtenwald Hij krijgt steeds meer inzicht in de ware toedracht van de behandelmethodes waaraan de zogenaamde patiënten in Fichtenwald worden onderworpen W ederom wordt hij verliefd: nu op de jodin Rebecca, de dochter van het welvarende echtpaar Benda Rebecca moet echter weinig van hem hebben Uit rancune besluit Friedolien Jankowsky en de familie Benda aan te geven bij Hermann Goering, de aartsrivaal van SSleider Himmler Vlak voor de arrestatie wordt er wederom een toneelstuk opgevoerd Nu gaat het om Kleists Penthesilea ,waarin Friedolien de rol van de tragische Amazonekoningin voor zijn rekening neemt Ook deze voorstelling loopt uit de hand: Penthesilea, alias Friedolien doodt zichzelf door middel van een gruwelijke castratie Dit laatste komen we overigens Neerlandica extra Muros Jaargang 43 30 te weten via de pseudoarts Jankowsky ,die in het derde deel van het boek terugkijkt op de gebeurtenissen De oorlog is ondertussen voorbij en de Amerikanen hebben Jankowsky ,de vermeende beschermer van joodse kampbewoners, in ere hersteld Jankowsky vertelt de lezer dat Friedoliens bochel in werkelijkheid bestaan zou hebben uit een bundeltje schriften met dagboekaantekeningen, gewikkeld in dameslingerie Door allerlei aanwijzingen in de tekst bekruipt de lezer het gevoel, dat Friedolien misschien wel nooit bestaan heeft en beschouwd moet worden als een macaber alter ego van de Kleistkenner Jankowsky De hier geschetste hoofdhandeling van De keisnijder van Fichtenwald doet uiteraard weinig recht aan alle bijfiguren en nevenintriges, maar het moge duidelijk zijn dat Ferrons roman vol zit met dubbele bodems en intertekstuele verwijzingen 3Zoals Friedolien zelf opmerkt: ‘in deze tijd waarin alles theater is, verkeert het toneel in werkelijkheid’ (Ferron 1976, 97) Een der gelijke tekst doet een groot beroep op de lezer: de vertellers bezien de gebeurtenissen door een nazibril en de lezer dient gewapend te zijn met een flinke portie historische kennis, wil hij zijn weg kunnen vinden in de leugenachtige wereld van Friedolien en Jankowsky 4Feit en fictie lopen bij Ferron naadloos in elkaar over Het gevaar van een ‘foutieve’ interpretatie van De keisnijder door lezers met een beperkte kennis van de geschiedenis lijkt de Nederlandse critici niet bezig te hebben gehouden 5In de receptie van Ferrons werk valt vooral de grote aandacht op voor de min of meer experimentele vorm van diens romans; veel minder gaat de belangstelling uit naar het historische materiaal dat Ferron in een roman als De keisnijder heeft verwerkt In 1979 spreekt André Matthijsse bijvoorbeeld over ‘de misvatting dat die romans van Louis Ferron het nazisme, of [] het fascisme tot onderwerp zouden hebben’ (Mathijsse 1979, 83) Critici, meent Matthijse, dienen zich ervoor te hoeden de werken van Ferron als traditionele historische romans te lezen Ze lopen dan het gevaar Ferrons spel met impliciete verwijzingen te miskennen Anthony Mertens valt Matthijsse in 1982 bij: ‘een lezer die de literatuur opvat als een verbeelding van de werkelijkheid’ (Mertens 1982, 204) komt bij het werk van Ferron van een koude kermis thuis Lies W esseling brengt Ferron in 1987 onder in een categorie van schrijvers van ‘postmodernistische’ historische romans Ferron en zijn geestverwanten zouden ‘vanuit een epistemologische en ontologische scepsis [streven] naar de opheffing van het onderscheid tussen werkelijkheid en fictie’ (W esseling 1987, 31) Als kenmerken van dit type historische roman noemt W esseling onder meer een onbetrouwbare verteller ,expliciete intertekstuele verwijzingen en aperte verdraaiingen van historische gegevens Deze procédés zouden in dienst staan van een metahistorische strekking, die auteurs van ‘postmodernistische’ historische romans volgens W esseling nastreven W at bij al deze critici opvalt, is dat de morele implicaties van zo'n ‘streven naar de opheffing van het onderscheid tussen werkelijkheid en fictie’ geen enkele rol speelt in hun receptie van Ferrons werk in het algemeen en van De keisnijder in het bijzonder Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de Ferroncritici De keisnijder als deel van een groter oeuvre te zien, een oeuvre waarin de Duitse geschiedenis een constante vormt Daarbij lijkt het voor deze critici niet veel uit te maken, of Neerlandica extra Muros Jaargang 43 31 Ferron nu kiest voor het Beieren van Ludwig II, zoals in de roman Gekkenschemer , of de concentratiekampen in NaziDuitsland Ferron zelf daarentegen heeft De keisnijder expliciet als een roman over de concentratiekampen aangemerkt De beladenheid van het thema zou hem er zelfs toe hebben aangezet een vorm te kiezen die ver af staat van het getuigeverslag In een interview uit 1983 zegt hij hierover: Mijn eerste aanleiding om een soort vorm van toneel te kiezen voor dit boek was domweg dat ik het gevoel had dat ik nu over een onderwerp ging schrijven dat zo gruwelijk is en zo eigenlijk niet te bevatten, terwijl het toch de tastbare werkelijkheid behandelt [] Ik zou het bijna arrogant hebben gevonden om dat te gaan schrijven alsof ik dat zelf beleefd zou hebben Ik zou dat bijna moreel verwerpelijk hebben gevonden Dat is één van de redenen dat ik daar afstand van genomen en gezegd heb: dit is maar een komisch blijspelletje (Roggeman 1983, 16) Met de groteske vorm van De keisnijder in het motto van de roman wordt de lezer geadviseerd de tekst te lezen als ging het om een revue plaatst Ferron zich in een traditie waartoe ook het werk van Günter Grass gerekend kan worden Een ironische distantie maakt het deze auteurs mogelijk over een onderwerp te schrijven, dat zich slecht leent voor een overhulde ‘realistische’ benadering Ferrons bochelaar Friedolien vertoont overeenkomsten met Oskar uit Grass' Die Blechtr ommel :in beide gevallen gaat het om een ‘kleine man’ die de gebeurtenissen veelal vanaf de zijlijn beschouwt, vanuit een kikkerperspectief 6 Het is zoals gezegd de vraag of Friedolien wel als een zelfstandig personage beschouwd moet worden Draait het in De keisnijder niet veel meer om het relaas van de kamparts Jankowsky die zich schuldig zou hebben gemaakt aan een ‘‹berwaltigung (sic) der Vergangenheit’? (Ferron 1976, 310) De gebochelde Friedolien is in deze interpretatie een alter ego of een hersenspinsel van Jankowsky Friedoliens bochel wordt in dit perspectief een metafoor voor Jankowsky's geweten: de schriften bevatten immers een rapport van het schuldbeladen verleden, van de misdaden in Fichtenwald Hierbij past dat Jankowsky Friedolien aan het eind van de roman letterlijk in het niets laat verdwijnen De tekst zelf levert munitie voor deze duiding: in het derde ‘bedrijf ’,het deel waarin Jankowsky aan het woord komt, blijken de levens van Friedolien en zijn werkgever op allerlei manieren met elkaar verstrengeld 7 Friedolien merkt bovendien al eerder in de roman op, dat de bochel hem het gevoel geeft ‘tot geen ander geslacht te behoren dan dat van de bocheldragers, die verwant zijn aan de eenhoorns, minotaurussen, bucephalussen en kentaurs’ (Ferron 1976, 168), tot het geslacht derhalve van fabelfiguren Als een creatuur van de verbeelding past de gebochelde in een romantische sprookjeswereld 8 In essays en interviews heeft Ferron geen geheim gemaakt van zijn fascinatie voor de periode van de Romantiek Het is de reden dat hij in zijn romans zoveel citeert uit werk, geschreven ‘in de periode van ruwweg Goethe tot de verkitschte Neerlandica extra Muros Jaargang 43 32 of decadente uitlopers van de Romantiek tussen de wereldoorlogen’ (Ferron 1978, 245) De bochelaar Friedolien lijkt een verpersoonlijking van dit romantische cultuur goed, beter gezegd: van Ferrons visie op de romantische cultuur De romantiek is in Ferrons ogen in de nazitijd ontaard in een last, die een realistische kijk op de dingen in de weg staat Bij Friedolien vinden we deze ontaarding terug: hij heeft een sterke neiging de gruwelijkheden om hem heen te relativeren door ze te esthetiseren of er de ogen voor te sluiten In het concentratiekamp Fichtenwald heerst volgens Friedolien ‘een atmosfeer van veilige beslotenheid’ (Ferron 1976, 15) Pas tegen het eind van zijn leven lijken Friedolien de schellen van de ogen te vallen, maar dan is voor Jankowsky ook het moment aangekomen om zich van hem te ontdoen De kamparts heeft als spijtoptant geen andere keus dan de Duitsromantische cultuur in te wisselen voor de Amerikaansmoderne die de toekomst lijkt te hebben De vele verwijzingen en citaten in De keisnijder ondersteunen de belangrijke rol die de Romantiek ‡la Ferron in deze tekst speelt Bij Friedolien als verpersoonlijking van het romantische cultuur goed past dat diens referentiekader grotendeels met die traditie lijkt samen te vallen Zo dragen de mensen die hij tegenkomt in het kamp de namen van grote cultuurdragers uit het verleden: ze heten Beethoven of Hauf fEn het huis van de Zelewski¥s heet W ahnfried, net als de Bayreuther villa van Richard W agner Veel van de citaten en allusies in De keisnijder van Fichtenwald zijn in de loop der jaren thuisgebracht, bijvoorbeeld door Bernd Müller in zijn dissertatie over het Duitslandbeeld in de Nederlandse roman van na de oorlog 9Müller karakteriseert in zijn uitvoerige analyse Ferrons roman als een ‘hechte constructie [] van citaten en verwijzingen’ (Müller 1993, 158) Daarbij ontstaat een ‘stemmingsbeeld’, dat mijns inziens niet zozeer betrekking heeft op Duitsland, zoals Müller meent, maar veeleer op de al gememoreerde romantische cultuurtraditie Müller spreekt in negatieve termen over ‘een wazig beeld van NaziDuitsland’ (Müller 1993, 203204) Deze vooral door de vele intertekstuele verwijzingen tot stand gekomen ‘wazigheid’ kan echter ook worden opgevat als een symptoom van de chaotische gedachtewereld van Friedolien en Jankowsky ,van een ideologie die Ferron juist lijkt te willen bekritiseren De ontaarding van de romantiek wordt in De keisnijder overigens niet alleen aan de hand van voorbeelden uit de Duitse cultuur geïllustreerd Zo lijkt er een relatie te bestaan tussen Ferrons roman en de in 1927 verschenen neoromantische vertelling Ik en mijn speelman van de Nederlandse auteur Aart van der Leeuw 10Van der Leeuws tekst staat in de traditie van de in de Romantiek zo populaire kunstenaarsroman; net als De keisnijder ,zou men hier aan toe kunnen voegen, al kan men bij Ferron misschien beter spreken van een ironische adaptatie van het genre Van der Leeuws protagonist probeert te ontkomen aan een gearrangeerd huwelijk en besluit de wereld in te trekken met een speelman, die niet alleen uit een sprookjeswereld lijkt te zijn weggelopen hij is in staat zich in elk willekeurig dier te transformeren maar ook nog eens de gedaante van een bochelaar heeft Als schuilnaam neemt de ‘ik’ uit de titel van de roman de naam Friedolien aan Dat Van der Leeuw net als Ferron speelt met het motief van de Neerlandica extra Muros Jaargang 43 33 schaduwfiguur zal gezien de romantische ‘Doppelgänger ’traditie niet verrassen Ook bij Van der Leeuw lopen droom en werkelijkheid door elkaar ,maar hier in een alles behalve ironische context Het is juist de fantasiewereld die de hoofdpersoon verlost uit zijn onbevredigende alledaagse leven Zowel bij Ferrons Friedolien als bij Van der Leeuws bultenaar blijkt de bochel te fungeren als opslagplaats voor amoureuze fantasieën Bij Van der Leeuw verzucht de speelman: Als het dan waar is, wat grappenmakers verzekeren, dat een bochel een kist is waarin het kostbaarste bezit wordt meegedragen, dan hadden ze het deksel er van maar eens open moeten sluiten W at een bloemenruikers, minnebrieven, kettinkjes en duizenden kleine geschenken waren hun dan voor de voeten gerold (V an der Leeuw 1981, 2223) Terwijl Van der Leeuws speelman vooral een platonische liefde lijkt te koesteren voor de vrouwen in zijn leven, zijn we bij Ferrons Friedolien in een postfreudiaanse wereld verzeild geraakt: de ‘bloemenruikers’ zijn vervangen door dameslingerie De intertekstuele verbanden in De keisnijder beperken zich niet tot de literatuur Ook de muziek, een kunstdiscipline waarin de Romantiek bij uitstek haar sporen heeft nagelaten, speelt in Ferrons roman een grote rol In een al eerder geciteerd interview uit 1983 reageerde Ferron zeer enthousiast toen de vragensteller suggereerde dat Ferron zich bij de vorm van zijn romans zou hebben laten inspireren door laatromantische muziek Ferron noemde hier met name Bruckner: aan hem ontleent hij naar eigen zeggen het ritme van zijn vertelling Een componistennaam die hier niet viel, maar die gezien de plaats van handeling van De keisnijder de roman speelt in een ber gachtige omgeving voor de hand ligt, is die van de Beierse toonkunstenaar Richard Strauss 11Strauss schreef aan het eind van de oorlog een elegisch werk voor strijkorkest, getiteld Metamorphosen Het stuk is, al dan niet terecht, door muziekcritici in verband gebracht met de vernietiging van Strauss' geboortestad München 12Metamorphosen wordt wel geduid als een klaaglied, waarin Strauss mediteert over het verval van de waarden van de Duitse romantische cultuur waarvan zijn oeuvre als eindpunt kan worden beschouwd In Strauss' compositie zou het gaan om de treurnis over de wijze waarop de twintigsteeeuwse mens is ontaard in een bloeddorstige cultuurbarbaar Het moge bekend zijn dat Richard Strauss in de jaren van het Derde Rijk niet altijd een kritisch standpunt heeft ingenomen tegenover het nazibewind Een wat sarcastisch ingestelde luisteraar komt al snel tot de conclusie dat Strauss' Metamorphosen een wat late spijtbetuiging betekende, een beeldvorming die goed aansluit bij de schuldthematiek in Ferrons Keisnijder Stauss' Metamorphosen bevat in de laatste maten een eenvoudig te herkennen citaat uit de derde symfonie van Beethoven, om precies te zijn uit de treurmars, het tweede deel van de Er oica Al eerder heb ik gememoreerd dat een van de personages uit De keisnijder de naam Beethoven draagt: het gaat om een patiënt van Jankowsky die in de loop van de roman een belangrijke rol speelt Er wordt in de bewuste scène een documentaire gemaakt over Fichtenwald Jankowsky houdt Neerlandica extra Muros Jaargang 43 34 een toespraak waarin hij de medische experimenten op een macabere wijze toelicht Een Oldenbur gs paard, dat meegevoerd wordt in het gevolg van een militaire kapel, raakt tijdens Jankowsky's ellenlange betoog zo uitgeput, dat het door de poten zakt De patiënt Beethoven kan dit niet aanzien, wankelt naar voren, valt op de knieën en omhelst het paard Hij zingt vervolgens een klaaglied dat bestaat uit een litanie van de misdaden begaan door de nazi's Het is een stijlbreuk in een roman waarin concrete verwijzingen naar slachtof fers van het naziregime verder bijna geheel afwezig zijn Alleen van Beethoven vertelt Friedolien hoe hij ‘in werkelijkheid’ heet: ‘éénmaal, lezer ,zal ik zijn werkelijke naam noemen, opdat deze niet voor het nageslacht verloren zal gaan deze Xavier Kolbe’ (Ferron 1976, 235) Het betreft hier een toespeling op de katholieke geestelijke Maximilian Kolbe, die zich in 1941 vrijwillig in Auschwitz meldde om daar de plaats in te nemen van een ter dood veroordeelde Het is in eerste instantie de stijlbreuk die de lezer ertoe uitnodigt om deze scène als een sleutelgebeurtenis te duiden De door Ferron zelf in een interview toegelichte allusie op een voorval uit het leven van de filosoof Nietzsche betekent een extra aanleiding daartoe: van Nietzsche wordt immers verteld dat hij in Turijn een stervend schillenpaard wenend om de hals zou zijn gevallen, achteraf geïnterpreteerd als het moment dat zijn krankzinnigheid zich voor het eerst zou hebben gemanifesteerd Het heeft er alle schijn van dat in deze scène uit De keisnijder Beethoven (en dan met name de componist van de Er oica ,de symfonie die hij aanvankelijk aan Napoleon wilde opdragen, iets waar hij teleur gesteld door Napoleons imperialisme al snel op terugkwam), Nietzsche en Richard Strauss elkaar de hand reiken Door middel van Kolbe doen zij hun beklag over de ontaarding van de cultuur van het avondland Het is bovendien ook een passage, waarin Ferron tegemoet lijkt te komen aan de ‘Anspruch der Faktizität, die die Vernichtungslager auch an Literatur in aller Schärfe stellen’ (Ibsch 2004, 44) De keisnijder van Fichtenwald kan gelezen worden als een ideologiekritische roman, als een tekst waarin Louis Ferron vorm geeft aan zijn visie op de ontwikkeling van de Romantiek In een interview verbindt Ferron deze Romantiek met een vervreemding van de realiteit: Eén van de kenmerken van de romantiek [] is dat de romantiek een te groot belang heeft gehecht aan het idealisme, dat de werkelijkheid in de romantiek zo ver is losgelaten dat dat nooit meer terug te koppelen valt op die werkelijkheid en dat je daardoor op zijn minst een levenshouding kunt bevorderen, waarin de mensen zo ver weg zijn van de werkelijkheid dat ze tot de meest vreemde excessen in staat en bereid zijn Dat vind ik één van de gevaarlijke kanten van de romantiek, en tevens één van de boeiende (Roggeman 1983: 1415) Een der gelijk exces schetst Ferron aan het eind van De keisnijder van Fichtenwald , waar de enscenering van Kleists Penthesilea ontaardt in een surreëel bloedbad Ferrons kritiek op de romantische traditie en haar vlucht in een schoonheids Neerlandica extra Muros Jaargang 43 35 cultus roept een tweetal regels uit een van de bekendste gedichten van Lucebert in herinnering: ‘in deze tijd heeft wat men altijd noemde/ schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’ (Lucebert 2002, 52) In De keisnijder wordt tot twee maal toe gealludeerd op deze versregels Het échec van de Romantiek als cultuurstroming wordt in De keisnijder juist tegen de achter grond van de gruwelen van de holocaust manifest 13 De geschiedenis, zou men kunnen zeggen, wordt door Ferron ‘gebruikt’ als een decor waarin hij een cynisch mensbeeld ontplooit 14Het decor lijkt, ook in De keisnijder , min of meer inwisselbaar en daarmee doet Ferron mogelijk geen recht aan de exclusiviteit en de enormiteit van de holocaust Mijn lezing van de tekst, met name ook van de scène waarin het personage Beethoven sterft, doet echter vermoeden dat Ferron zich bewust was van het gevaar dat het holocaustthema bedolven zou raken onder een postmodernistisch ‘spel’ De morele implicaties van de roman, zo bleek echter ook, speelden in de receptie ervan slechts een mar ginale rol Toekomstig onderzoek zou moeten uitwijzen in hoeverre deze ‘blinde vlek’ representatief is voor het Nederlandse debat over de literaire representatie van de Shoah (of misschien wel: het ontbreken daarvan) Dit artikel is niet meer dan een eerste aanzet hiertoe Het is zeker niet uitgesloten dat de grenzen van de verbeelding van de Shoah bij de receptie van andere romans dan die van Ferron wel degelijk een rol van betekenis hebben gespeeld Op grond van een studie van Oegema uit 2003 zou men dit zelfs verwachten: Oegema verdedigt immers de stelling dat de eerbied voor de Shoah in de door hem onderzochte periode 19802000 in Nederland religieuze vormen heeft aangenomen, met inbegrip van een eigen kring van heiligen, bij wie Oegema denkt aan de in Auschwitz omgekomen Etty Hillesum, van wie begin jaren '80 een uit de oorlogstijd daterend dagboek werd gepubliceerd, en verder aan de in verband met Ferrons roman al gememoreerde Lucebert Opmerkelijk genoeg refereert Oegema, van huis uit nota bene een literatuurwetenschapper ,ner gens aan (de receptie van) romans over de Shoah Het probleem van het al dan niet terecht met Adorno (‘Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch’) geassocieerde beeldverbod snijdt hij alleen aan in relatie met films van Lanzman, Spielber gen Benigni Ferrons Keisnijder valt buiten de door Oegema behandelde periode, maar hij had wel kunnen verwijzen naar de romans van Marcel Möring, waarin het lot van de joden in de Tweede W ereldoorlog een belangrijk thema is 15In een lezing uit 1995 pleitte Möring voor een ‘nieuwe “oorlogsliteratuur”’, die juist door een opzettelijke verdraaiing van de historische werkelijkheid zou kunnen zor gen voor een ontsnappen uit ‘het rijk van het cliché’ Möring formuleerde een zeer liberaal standpunt: Elke schrijver [mag] de Tweede W ereldoorlog en alles wat daarbij hoort naar zijn schrijftafel slepen en, alsof hij een kleine jongen met een wekker is, uit elkaar halen en weer in elkaar proberen te zetten (Möring 1996, 179) Neerlandica extra Muros Jaargang 43 36 De romanschrijver mag met de gruwelen van de nazitijd doen wat hij wil, aldus Möring Vooralsnog is Mörings standpunt onaangevochten gebleven, iets wat men zich in het Duitse literaire leven moeilijk kan voorstellen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 37 Literatuur FERRON ,LOUIS :De keisnijder van Fichtenwald of de metamorfosen van een bultenaar Amsterdam 1976 FERRON ,LOUIS :De hemelvaart van Wammes Waggel Amsterdam 1978 HAIDER ,FRITHJOF :Verkörperungen des Selbst Das bucklige Männlein als DISCUS, en jockey in de AmerikaansEngelse betekenis ‘bestuurder ,chauf feur ’(OED) De spelling met kis AmerikaansEngels, de spelling met cis modern BritsEngels Oudere woorden zijn er natuurlijk ook in overvloed, met vele verwijzingen naar oudere fasen van het Nederlands en naar verwante woorden in andere talen In de inleiding vindt men op blz 1627 de Theorie die de samenstellers heeft geleid Het ziet er allemaal heel gedegen en goed overdacht uit en uit vrijwel elk lemma spreekt een grote liefde voor deze bijzondere discipline binnen de neerlandistiek Neerlandica extra Muros Jaargang 43 72 Deze lof geuit hebbend, moet ik er tot mijn spijt op wijzen, dat dit eerste deel ontsierd wordt door tal van slordigheden en inconsequenties Zo vermeldt het boek bij het lemma blowen het jaartal ‘1970’, maar geblowd werd er al halverwege de jaren zestig De auteurs verwijzen naar ‘Boersma’, maar die naam komt niet voor in de literatuurlijst Bedoeld moet zijn ‘Broersma’, RG (1970) Recht voor z'n raap Jar gonboek voor hippe en ander evogels Leiden Het jaartal ‘1970’ slaat dus op het jaar waarin Broersma zijn boek liet verschijnen, niet op het jaar waarin het woord blowen voor het eerst gebruikt werd Deze slordigheden zijn wel een beetje typerend voor de (literatuur)verwijzingen in het boek Bij het lemma domoor (blz 605) verwijzen de auteurs naar Frank Janssen (1985) Van apekop tot zielepoot: hoe mensen elkaar typer en ,'sGravenhage In de literatuurlijst staat echter: Jansen, F(1985) Van Apekop tot Zielepoot Hoe mensen elkaar typer en 'sGravenhage In één titelbeschrijving zo'n vijf verschillen! Bovendien zie ik niet in waarom de auteurs aan het eind van het lemma niet gewoon volstaan met ‘Jansen (1985)’, want dat doen zij bij de meeste lemmata ook Bij het lemma bal (206) staat de literatuurverwijzing ‘Debrabandere 1986’, maar in de literatuurlijst zie ik bij de naam Debrabandere wel de jaartallen 1993, 1994 en 2000 staan, maar geen ‘1986’ Ook Claes 1974 (blz 641) is niet in de literatuurlijst opgenomen en de verwijzing ‘Loey ,par 6465’ naar het uit twee delen bestaande Middelnederlandse Spraakkunst van A van Loey maakt het de geïnteresseerde lezer niet gemakkelijk W elk deel bedoelen de samenstellers? W einig respectvol vind ik overigens zo'n verwijzing als ‘Loey’ of ‘Sijs 1996’ naar auteurs wier volledige namen respectievelijk ‘V an Loey’ en ‘V an der Sijs’ luiden (blz 608) W aarom staat op blz 696 bij de vermelding ‘Rey’ niet jaartal en pagina vermeld? En zo kan ik nog wel even door gaan Dit Etymologisch woor den van het Nederlands zal uiteindelijk zo'n 14000 woorden beschrijven Dat betekent, dat de lezer nogal eens tever geefs op zoek gaat naar woorden wier herkomst toch op z'n minst interessant genoemd zou kunnen worden: ABCwapens, abituriënt, acapella, acquitstoot (biljartterm), adept, adonis ,enzovoort Ook veel vogelnamen (etymologisch heel interessant!) mis ik: bij het lemma bok (346) staat geen vermelding van de vogelsoort bokje Ook andere vogelnamen ontbreken: wat betekent cirl in het woord cirlgors ?En wat is de herkomst van de naam casar ca ?W aarom lees ik bij het lemma bur gemeester niets over de meeuwensoort van die naam? Kennis van de Nederlandse vogelnamen is duidelijk niet het sterkste punt van de auteurs, die bij het lemma barmsijsje (226) schrijven dat het barmsijsje ook wel paapje wordt genoemd Mis: het paapje (saxicola rubetra) is een tapuitachtige vogel die niets met een barmsijsje (carduelis flammea) te maken heeft De auteurs vermelden een vogelsoort barm die zou luisteren naar de Latijnse naam ‘carduelis rostris’, maar die naam wordt niet genoemd in Pettersons vogelgids van alle Eur opese vogels 1en ook de zoekmachine Google kent deze naam niet De barm zou ook bekend staan als fratertje, maar ook dat is fout Het fratertje (carduelis flavirostris) lijkt wel op het barmsijsje, maar neemt binnen de carduelisfamilie een eigen plaats in Neerlandica extra Muros Jaargang 43 73 De opbouw van de inleiding vind ik nogal rommelig Zij wekt de indruk alsof iedereen die ook maar iets met dit project te maken heeft of had, erop stond vermeld te worden W at moet de lezer met de vermelding van de Kiliaanlezingen van 19912003 en met de namen van het Comité van aanbeveling? Het theoretische gedeelte is door een ‘ik’ geschreven (blz 18), maar wie dat is, staat volgens mij ner gens vermeld, en in ieder geval niet aan het eind van het stuk Dit alles neemt niet weg, dat ik met heel veel belangstelling uitzie naar de drie nog te verschijnen delen Het boek is inmiddels ook op het Internet te raadplegen: www etymologienl Maarten Klein Nicoline van der Sijs: Taal als mensenwerk: het ontstaan van het ABN Met hertalingen van Piet Verhoeff Den Haag, Sdu, 2004, 718 pp €54,50 ISBN 90 12 10587 0 Taal als mensenwerk is een schitterend uitgegeven boek dat, aldus de auteur in haar Voorwoord, ‘niet alleen als leesboek, maar nadrukkelijk ook als naslagwerk is bedoeld’ Het opent met een citaat uit 1605 van predikant en bijbelvertaler W illem Baudart Tot de kwaadwillige Lezer Ik voel nu al hoe ze mijn boek belasteren, 'tNeuswijze gespuis, dat niemand kan behagen [] En het boek eindigt met een citaat uit 1706 van de grammaticus Arnold Moonen, gevolgd door de verzekering van de schrijfster: ‘ik sluit me graag bij hem aan’ Het citaat luidt: Leef lang, vaar wel, en als je het beter kunt dan ik, publiceer het dan gerust; zo niet, stem dan in met mijn opvattingen De graad mijner kwaadwilligheid onder ogen ziend en zonder te menen ‘het beter te kunnen’ dan de auteur ,voel ik me toch niet verplicht met haar opvattingen in te stemmen De ‘opvattingen’ vormen overigens slechts een fractie van het geheel Allesoverheersend is de bewonderenswaardige chronologisch geordende presentatie van historische feiten die hebben bijgedragen aan ontstaan en ontwikkeling van onze standaardtaal Neerlandica extra Muros Jaargang 43 74 Het boekwerk telt tien hoofdstukken, elk een afzonderlijk thema van die ontwikkelingsgeschiedenis betref fend Die thema's zijn achtereenvolgens: 1 Culturele en maatschappelijke achter gronden 2 Taal en letterkundige ideeën in het (deels ook verre) verleden, en hun hedendaagse opvolgers 3 Belang en rol van bijbelvertalingen in het ontwikkelingsproces van het Nederlands 4 Beregeling van en spontane ontwikkelingen in de uitspraak 5 Beregeling van de spelling De daarmee gepaard gaande debatten en conflicten 6 Nederlands in de wetenschap, met als uitsmijter de paragraaf Exit Latijn, enter Engels 7 W oordenboeken en de woordenschat 8 Beregeling van de grammatica 9 Rol en aandeel van literaire schrijvers in de wording van het Standaard Nederlands 10 Een samenvatting van al het voorafgaande, gevolgd door een toekomstbeeld van onze taal Ieder hoofdstuk is onderverdeeld in een aantal paragrafen, in elk waarvan een casus behandeld wordt in het kader van het thema; zoals: ‘Het alfabet in de Middeleeuwen’ en ‘Overbodige letters in de Renaissance’ in ‘De beregeling van de spelling’ ‘Het Nederlands als oertaal’ is een paragraaf in ‘Het taal en letterkundig verleden als bron van kennis en nationale trots’ Alle hoofdstukken, uitgezonderd 1, 6en 10, beginnen met een uitgebreid overzicht vanaf de Middeleeuwen tot halverwege de 18e eeuw ,vervolgens een samenvatting daarvan, en daarna een beschrijving van de lotgevallen van het thema in de daarop volgende eeuwen tot op heden Verreweg het langst is hoofdstuk 8, over de grammatica: 141 pagina's Het begint met afdeling I,een overzicht van Nederlandse grammatica's van 1568 tot 1730, dat acht pagina's telt Elke grammatica wordt zeer beknopt besproken Afdeling II bevat een beschrijving van de Renaissancevoorkeuren en principes waaruit de standaardtaal is voortgekomen, tot ±1750 Het leeuwendeel hiervan is gewijd aan de omgang met de woordsoorten gedurende die tweeënhalve eeuw Alle thans bekende woordsoorten en bijzonderheden uit hun verleden komen aan de orde Dit gedeelte, dat dus de vormleer betreft, beslaat 94 bladzijden De syntaxis, of zinsleer ,dat niet minder prominente gebied van het grammaticale domein (integendeel!), komt er met twintig pagina's wat bekaaid af De titel van deze paragraaf zou ‘De zinsdelen’ moeten zijn, in symmetrie met die van de paragraaf ‘De woordsoorten’, maar luidt: ‘De woordgroepen en zinnen’ Een woordgroep echter is geen syntactisch verschijnsel Immers: het verschijnsel woordgroep is niet krachtens zijn functie in de zin, maar alleen op grond van zijn interne woordsoortelijke structuur (selectie, volgorde) kenbaar Neerlandica extra Muros Jaargang 43 75 De paragraaf ‘De woordgroepen en zinnen’ gaat uitsluitend over actuele taalkwesties, hete hangijzers van nu zeg maar ,die niet of slechts zijdelings tot de syntaxis behoren Twee evidente uitzonderingen hierop vormen de subparagrafen ‘De mensen worden verzocht’ en ‘Luid zingend werden de aardappels geschild’ Laatstgenoemde hilariteit berust op een strikt syntactische complicatie, maar de zin in kwestie wordt helaas niet onder de loep genomen Aan ‘De mensen worden verzocht’ worden twee verhelderende pagina's besteed Aan vorm en functie van de Nederlandse woordsoorten als zodanig afgezien van naamvalsverschijnselen en grammaticaal geslacht is na de Renaissance nauwelijks iets veranderd Veranderingen in vorm en functie van de zinsdelen gaan waarschijnlijk nog langzamer dan die van de woordsoorten Dat zou een oorzaak kunnen zijn van genoemde onevenwichtige verdeling van het aantal bladzijden Bovendien valt er in de syntaxis zo goed als nooit bewust iets te beïnvloeden, sturen of veranderen De titel van het boek drukt uit dat het de auteur te doen is om bewust aangebrachte linguïstische ingrepen, en pogingen daartoe, door de eeuwen heen Het boek introduceert het werk van taalkundigen en andere geleerden die zich hebben uitgesproken in woordenboeken, grammaticale geschriften en voorschriften over de normen en waarden in mondeling en schriftelijk Nederlands taalverkeer Uiteraard zijn er ook talloze onbewuste en onbekende factoren die de ontwikkeling van de standaardtaal beïnvloeden, factoren waarop de kwalificatie ‘mensenwerk’ niet van toepassing is Het ‘mensenwerk’ in de titel betreft dan ook het topje van de onwaarschijnlijke oude, diepe en hoge ijsber g, die de mensheid al millennia lang fascineert en doet speculeren over de oorsprong; speuren naar de oertaal De oertaal is een soort verre voorloper van de moderne linguïstische claims betref fende evolutionair bepaald universeel taalvermogen De oertaal komt, als ooit veronderstelde realiteit, in hoofdstuk 2uitgebreid aan de orde, inclusief het roemruchte feit dat oa het Nederlands een serieuze kandidaat voor deze erefunctie is geweest De hunkering naar kennis van oertaal en oorsprong, de ingenieuze argumenten waarmee hun identiteit keer op keer ‘wetenschappelijk bewezen’ wordt, dit alles doet denken aan de hedendaagse natuurwetenschappelijke discussie over de oerknal Begin 18e eeuw hield men in Europa het Hebreeuws voor de oertaal, de taal immers van de scheppingswoorden, waaronder die welke ‘door God bij Adam ingegoten [waren] De vormen van die woorden waren niet toevallig, maar ze toonden de aard van de dingen; daarom was de oertaal volmaakt Tegenwoordig weten we dat woordvormen arbitrair zijn, en dat het toevallig is dat een “huis” in het Frans maison en in het Russisch dom heet’ (61) Dit nu is een even kortzichtige als misleidende opmerking De door De Saussure gepostuleerde willekeurigheid van het taalteken is slechts geldig bij de gratie van de thans bestaande veelheid van talen Over de willekeurigheid van de oertaalvormen kunnen we, onwetend als we zijn, eenvoudig geen uitspraak doen En dan: op het klakkeloos aanvaarde Leitmotiv van de hedendaagse linguïstiek ‘Het taalteken is willekeurig!’ valt zelfs heel wat af te dingen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 76 Taal als mensenwerk bevat een schat aan goed geordende informatie over het tot stand komen van het ABN, in het bijzonder het aandeel van taal en letterkundigen daarin De typografie is voorbeeldig De dialectkaartjes en de getrouwe afbeeldingen van authentieke historische teksten ondersteunen het helder geformuleerde verslag Het boek is voor iedere Nederlandstalige taal en letterkundige een must Nederlandser kan ik het niet uitdrukken Frida Balk MariaTher esia Leuker ,Künstler als Helden und Heilige Nationale und konfessionelle Mythologie im W erk JA Alberdingk Thijms (18201889) und seiner Zeitgenossen ,Münster/New York/München/Berlijn, W axmann Verlag, 2001 ISBN 383091 1665, 369 blz De herwaardering die de negentiendeeeuwse Nederlandse literatuur de laatste jaren te beurt is gevallen, kan niet los worden gezien van de vernieuwde inzichten in het karakter van de Nederlandse maatschappij en cultuur van die eeuw Het beeld van een wat oubollige, bur gerlijkprotestantse maatschappij die gezapig de zeventiendeeeuwse grootheid herkauwde, is vervangen door dat van een samenleving die, net als andere Europese samenlevingen maar toch op een specifieke manier ,met de brutaal opdringende moderniteit in het reine trachtte te komen De literatuur van die periode lijkt dan ook minder om intrinsiekartistieke redenen dan als spiegel van de maatschappelijke spanningen te worden herontdekt Ook de studie waarmee MariaTheresia Leuker haar Habilitation verwierf aan de universiteit van Münster past binnen deze context Via een studie van de historische vertellingen die de Amsterdamse katholieke intellectueel JA Alberdingk Thijm en enkele van zijn tijdgenoten aan zeventiendeeeuwse Nederlandse literatoren wijdden, tracht zij een beter zicht te krijgen op twee processen die werkzaam waren in de negentiendeeeuwse Nederlandse cultuur: het proces van de verwetenschappelijking van de geschiedschrijving en dat van de emancipatie van de katholieke bevolking Beide onderzoekt zij binnen het dominerende perspectief van het cultuurnationalisme Het boeiende aan Leukers studie is dat zij op beide vlakken veeleer processen van verzoening en integratie dan van strijd of segregatie aan het werk ziet De romantiserende historische literatuur beschouwt zij niet als het tegendeel van, wel als een aanvulling op het wetenschappelijke discours over het verleden Thijm integreerde de inzichten van de geschiedwetenschap in zijn werk, maar dichtte op narratieve wijze de hiaten die (literatuur)historici noodzakelijkerwijs open moesten laten Slechts zelden overschreed hij daarbij de grenzen van wat wetenschappelijk geoorloofd was, op een aantal plaatsen wist hij dankzij deze werkwijze het wetenschappelijke inzicht zelfs duurzaam te verrijken De eigen lezing die Thijm daarmee van Nederlands literaire verleden bood, was dan ook geen radicaal katholiek alternatief voor het protestantsliberale beeld, maar een subtiele variatie op dat beeld De bestaande mythe rond de Muiderkring werd Neerlandica extra Muros Jaargang 43 77 niet verworpen, maar de aparte positie die het volgens Thijm al zeer vroeg naar het katholicisme overhellende ‘duo’ VondelT esselschade Roemers binnen die kring innam, werd wel voortdurend beklemtoond Indien Leuker van het ‘mythische’ karakter van Thijms historische vertellingen spreekt, dan bedoelt zij derhalve niet dat deze ideologisch geïnspireerde onwaarheden over het verleden verkondigden, wel dat zij in staat bleken te zijn schijnbare tegenstellingen te overbruggen Daarmee droeg Thijm op zijn manier ongetwijfeld bij tot de consolidatie veeleer dan tot de verzwakking van het Nederlandse cultuurnationalisme Hij ver gemakkelijkte immers de integratie van zowel de wetenschap als van de katholieke gemeenschap in dat nationalisme De kracht van Leukers analyse is gelegen in het feit dat deze reëel wordt gestuurd door de theoretische inzichten die bij het begin van het boek helder worden uiteengezet De empirische analyse is echter veel te lang uitgevallen en wordt ontsierd door vele onnodige herhalingen Aangezien Thijms herinterpretatie van Vondel, de Muiderkring en Maria Tesselschade Roemers zeer hecht met elkaar waren verbonden, is het ook weinig zinvol deze drie aspecten in afzonderlijke hoofdstukken onder te brengen De plaats die zou zijn vrijgekomen door een meer synthetische behandeling, had Leuker misschien kunnen besteden aan het beantwoorden van vragen die nu onderbelicht blijven De voornaamste daarvan lijkt mij die naar de representativiteit van Thijms visie voor ‘het katholieke Nederland’ Is de door Thijm voor gestelde, verzoenende geschiedvisie, niet in de eerste plaats die van een succesvolle en goed geïntegreerde, katholieke Amsterdamse ondernemer? Circuleerden in de dominant katholieke zuidelijke provincies geen beelden over Nederlands literaire verleden die wél een grondige correctie op het protestantsliberale beeld voorstelden? Door een uitbreiding van het corpus in deze richting had Leuker haar goed uitgebouwde analytische apparaat ongetwijfeld nog veel vruchtbaarder kunnen aanwenden Marnix Beyen Marita Mathijsen Nederlandse literatuur in de romantiek 18201880 Nijmegen, Uitgeverij Vantilt, 2004 336 pp €24,90 ISBN 90 77503 07 2 De negentiendeeeuwse literatuur is het waard in het geheugen van de Nederlandse lezers te blijven, ook nu de negentiende eeuw niet meer de vorige eeuw is Het probleem met negentiendeeeuwse literatuur is, dat ze verdwenen is uit de boekwinkels, uit de fondslijsten van uitgevers, zelfs uit de schoolbibliotheken, ook al zitten de personages nog in het geheugen Er is geen moderne uitgave van Potgieters werk verkrijgbaar ,geen recente uitgave van de poëzie van De Génestet of Tollens Om daar verandering in te brengen moeten nieuwe invalshoeken geëxploreerd worden Een nietgeïnterpreteerde tekst uit het verleden is als een onuitgepakt cadeau Men weet niet wat erin zit Het wordt hoog tijd om die literaire cadeaus van het verleden uit te pakken Neerlandica extra Muros Jaargang 43 78 Met deze cri de coeur besloot Marita Mathijsen in het jaar 2000 aan de Universiteit van Amsterdam haar oratie De rede is opgenomen in een fraai vormgegeven bundeling van beschouwingen over de negentiendeeeuwse Nederlandse literatuur , die Mathijsen sinds 1975 in een reeks van dagbladen, tijdschriften en andere publikaties het licht heeft doen zien Zeker de extramurale neerlandici zullen dit initiatief toejuichen, al was het maar omdat het hier om deels moeilijk bereikbare publicaties gaat Nederlandse literatuur in de romantiek biedt een staalkaart van Mathijsens werk: onvermoeibaar heeft zij zich in de afgelopen decennia ingezet voor een in haar ogen ten onrechte ver guisde eeuw Mathijsens enthousiasme zal weinig lezers onberoerd laten Met name haar stukken over lange tijd veronachtzaamde auteurs als Gerrit van de Linde (alias De Schoolmeester), Jan Kneppelhout en Francois Haverschmidt (alias Piet Paaltjens) nodigen uit tot een (al dan niet hernieuwde) kennismaking met hun werk Onder het wat formele oppervlak herber gt de negentiende eeuw verrassingen voor literaire fijnproevers: de in 1987 door Mathijsen bezor gde brieven van De Schoolmeester zijn daarvan misschien wel het beste bewijs Mathijsen enthousiasmeert niet enkel de literatuurliefhebber ,ook de literatuurhistoricus krijgt broodnodige brandstof toegediend Behartigenswaardig zijn bijvoorbeeld Mathijsens artikelen over de leescultuur ‘Gij zult niet lezen De geschiedenis van een gedoogproces’ ,over literaire subsidies en over de tijdschriften uit deze periode Bijzonder interessant is haar relaas over Kneppelhouts vertaling van Heines Deutschland Ein Wintermär chen Dit type onderzoek naar vertalingen dan wel bewerkingen van literaire teksten is gefundenes Fr essen voor de comparatist en verdient dan ook navolging Dat ik toch ook enige reserve heb bij deze studie heeft alles te maken met de titel: Mathijsen beschouwt de zes door haar behandelde negentiendeeeuwse decennia als de periode van de Nederlandse romantiek Het belangrijkste argument om dit te doen is voor haar blijkbaar het gebruik van de term in de periode zelf Men kan zich afvragen waarom dit tijdvak dan níet dat van het realisme is, een term die in het contemporaine discours minstens zo vaak opduikt Een belangrijker bezwaar is echter de vaagheid van Mathijsens romantiekconcept: negentiendeeeuwse invullingen (het doorbreken van de classicistische regels bijvoorbeeld) staan naast meer moderne noties (het metafysische, door De Deugd in 1971 verheven tot het ‘grondpatroon’ van de romantiek) W aar men zich al te zeer laat leiden door het kritische discours van het verleden, dreigt een gebrek aan distantie De onderzoeker schildert vermeende poëticale tegenstellingen bij Mathijsen bijvoorbeeld die tussen de zogenaamde Bilderdijkianen en de adepten van een utilitaristische poëzie àla Tollens die hun betekenis wellicht eerder ontlenen aan literatuurpolitieke belangen dan aan kunsttheoretische meningsverschillen Zou men in de door Mathijsen bepleite onbevooroordeelde ‘geschiedenis van twee eeuwen eerder ’dit soort labels niet beter achterwege kunnen laten? W aarom niet liever aansluiting zoeken bij het historische onderzoek naar deze periode (men denke aan de studie van Aerts over het tijdschrift De Gids )en de Neerlandica extra Muros Jaargang 43 79 literatuur beschouwen als een deel van de bur gerlijkliberale cultuur die in het negentiendeeeuwse Nederland de toon lijkt te hebben gezet? Dat de Nederlandse (literatuur)geschiedenis van de negentiende eeuw misschien minder breukvlakken heeft gekend dan de Duitse of de Franse maakt haar voor de historicus niet minder interessant Al die onuitgegeven literaire teksten, Mathijsens ‘onuitgepakte literaire cadeaus van het verleden’, blijven hoe dan ook prachtig onderzoeksmateriaal Jan Ooster holt Michiel van Kempen, Piet Verkruijsse en Adrienne Zuiderweg (red): W andelaar onder de palmen Opstellen over koloniale en postkoloniale literatuur opgedragen aan Bert Paasman Leiden, KITL V Uitgeverij 2004 606 pp, illustraties €35 ISBN 90 6718 241 9 Deze bundel van collega's, promovendi en studenten is verschenen bij het afscheid van Bert Paasman, ‘groot wandelaar onder de palmen’, als bijzonder hoogleraar in de koloniale en postkoloniale cultuur en literatuur geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam In zijn inaugurele rede, Wandelen onder de palmen; de mor ele actualiteit van het koloniale verleden van 2002, had hij als element van zijn leeropdracht ook de studie bepleit van literatuur voortkomend uit de Nederlandse multiculturele samenleving van nu Die brede opvatting van zijn vakgebied weerspiegelt zich ook in deze bundel waarvan de bijdragen zijn gegroepeerd in de delen Noord, Oost, Zuid en W est W at met Oost en W est wordt bedoeld zal wel duidelijk zijn, Zuid staat voor zuidelijk Afrika (ZuidAfrika, Congo, Angola) en Noord voor ,zou je denken, Nederlandse migrantenliteratuur Maar van de zeven opstellen in die rubriek gaat er eigenlijk maar een over dat terrein (Henriette Louwerse over culturele integriteit in Hafid Bouazza's ‘De verloren zoon’), de andere spelen zich alleen maar af in de palmolive wereld van het noorden: over Britse romantici en de koloniën, Albert Camus en Algerije, in dichtgenootschappen levende opvattingen over slavernij, Jamaica Kincaid en zo meer Ook mooie opstellen van Michiel van Kempen (welke criteria leg je aan bij de beoordeling van (post)koloniale literatuur?) en Olf Praamstra zijn hier onder gebracht terwijl bijvoorbeeld dat laatste (over de vraag of W FHermans nu al of niet bij de HollandsIndische letterkunde kan worden ingelijfd met zijn thriller De demon van ivoor bijvoorbeeld nee dus) meer bij Oost thuis hoort Met die studie van migrantenliteratuur loopt het blijkbaar nog niet zo hard, Paasmans pleidooi ten spijt Maar al met al is het een bijzonder rijke en gevarieerde bundel waaraan, aldus de flap, ‘vrijwel alle belangrijke literatuurwetenschappers op dit vakgebied’ hebben bijgedragen de namen kunt uzelf wel invullen Er is een reeks artikelen over werk van auteurs uit de moderne letterkunde, zowel Indische (Tjalie Robinson, Maria Dermoût, Resink, W illem W alraven), Antilliaanse (Cola Debrot, Tip Marugg, Boeli van Leeuwen en Frank Martinus Arion), Surinaamse (Bea Vianen en Clark Accord) als de ZuidAfrikaan Etienne van Heerden Daarnaast stukken over onderwerpen uit de historische letterkunde: Neerlandica extra Muros Jaargang 43 80 opvattingen over slavernij in 18deeeuwse dichtgenootschappen, het rariteitenkabinet van de Duitse OostIndiëvaarder Konrad Raetzel (16721754), gedichten van W outer Schouten, auteur van de OostIndische Voyagie ,19deeeuwse, al dan niet tot de romantiek behorende, ZuidAfrikaanse schrijvers, en een op archiefonderzoek gebaseerde beschrijving van brieven van een 18deeeuwse Zeeuwse dominee aan zijn familie over de Kaap en Batavia Ook zijn er opstellen over beeldvorming: van de njai (= concubine) in de Indische bellettrie, van de Chinees in Indische en Peranakan (= Maleis schrijvende Chinezen)romans, van de Nederlander in Indische romans, en van etniciteit en gender in Suriname Bovendien over jeugdliteratuur ,viering van emancipatiedag, een ZuidAfrikaanse stripfiguur met historische wortels, het tijdschrift Moesson ,de Franse cartoonist Oscar Fabrès en zo meer Om het nog eens anders samen te vatten: bij Noord zijn 7 bijdragen onder gebracht met in totaal 83 pagina's, Oost heeft er 17 met 207 pagina's, Zuid 8met 101 en W est 14 met 158 pagina's Kortom, er valt voor alle vakgenoten en belangstellenden wel iets moois in deze bundel te ontdekken W at mij het meest aansprak waren de notities over de beoordeling van ‘terugschrijvers’ door koloniale nazaten in de essays van Michiel van Kempen en Gert Oostindie: beiden bepleiten een strikt wetenschappelijke aanpak bij de analyse en terughoudendheid bij het eindoordeel Als tegenbewijs maakt de Surinamer John Leefman in de bundel gehakt van Clark Accords roman De koningin van Paramaribo mede op grond van wat de Nederlander Pieter Steinz daarover schreef in NRC Handelsblad De mooi uitgegeven bundel wordt afgesloten met een biobibliografie van Bert Paasman, informatie over de auteurs, een personenregister en een lijst van intekenaren HJ Boukema Eindnoten: 1 RT Peterson, G Mountfort en PAD Hollom (1979) Petersons vogelgids van alle Eur opese vogels Vertaald en voor Nederland bewerkt door Mr JKist Veertiende druk, Amsterdam/Brussel: Elsevier Neerlandica extra Muros Jaargang 43 81 In Memoriam Pierre Brachin (19142004) Op 15 september 2004 overleed in Parijs op negentigjarige leeftijd Pierre Brachin, hoogleraar Nederlandse Taal en Letterkunde aan de Sorbonne van 1952 tot aan zijn pensioen in 1979 Pierre Brachin was een belangrijk baanbreker van de Franse neerlandistiek die zich vanaf de jaren vijftig heeft ingezet voor de erkenning van de Nederlandse taal door de Franse Universiteit en die het Nederlands heeft weten te ‘promoten’ tot een nieuw en volwaardig wetenschappelijk onderzoeksterrein met brede perspectieven Hij ontving dan ook in 1964 als eerste buitenlander de door de Kultuurraad voor Vlaanderen ingestelde vijfjaarlijkse prijs ter onderscheiding van hen, niet behorend tot de Nederlandse taalgemeenschap, die van grote verdienste zijn geweest voor de promotie van Vlaamse cultuuruitingen ‘extra muros’ Pierre Brachin was buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal en Letterkunde te Gent en lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden Als vertegenwoordiger van Frankrijk werd Pierre Brachin lid van de werkcommissie die in het leven werd geroepen tijdens het ‘Eerste colloquium van hoogleraren en lectoren in de Neerlandistiek aan buitenlandse universiteiten, gehouden op 4en 5 september 1961 te 'sGravenhage’, een bijeenkomst die werd bijgewoond door achttien (!) deelnemers In navolging van zijn artikel over Frans Erens Un ambassadeur de la cultur efrançaise aux PaysBas ,kunnen wij hem beschouwen als ‘Ambasssadeur van de Nederlandstalige cultuur in Frankrijk’, getuige zijn talrijke lezingen, artikelen, vertalingen en werken op het gebied van de cultuur uit de Lage Landen Naast artikelen over uiteenlopende onderwerpen gewijd aan Mariken van Nieumegen, Herman Teirlinck, Vondel of Fabricius, maar ook aan een verblijf van Victor Hugo in Vlaanderen of van Betje W olf fen Aagje Deken in Frankrijk, schreef hij enkele standaardwerken die op geen enkele afdeling Nederlands in Frankrijk ontbreken: La littératur enéerlandaise (1962), Anthologie de la pr ose néerlandaise (19661972) en La langue néerlandaise Essai de présentation (1977) dat werd vertaald in het Engels en in het Duits Voor Sadi de Gorter die in het culturele tijdschrift Septentrion twee uiterst lovende artikelen aan ‘Un Français pas comme les autres’ wijdde (ter gelegenheid van Pierre Brachins zestigste verjaardag in 1974 en zijn pensionering in 1979), was hij een man van het woord, geordend, rechtvaardig, bescheiden, vol vertrouwen hoewel wars van vertrouwelijkheid Hij was een ouderwetse geleerde die met uiterste nauwkeurigheid te werk ging, een ernstig en zeer gelovig iemand wiens leven was gekenmerkt door kennis en studie Moge de neerlandistiek in Frankrijk nog lang de vruchten plukken van zijn verdiensten Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Claudia Huisman Neerlandica extra Muros Jaargang 43 82 In Memoriam Jan Czochralski Op 15 juli 2004 overleed onverwacht de W arschause germanist en neerlandicus prof drhabil Jan Czochralski In mei van dat jaar was hij tachtig geworden, precies op de openingsdag van het internationale colloquium ‘Culturele Identiteit in het nieuwe Europa’, waarmee het vijfentwintigjarig bestaan van de afdeling Neerlandistiek aan de universiteit W arschau werd gevierd In 1979 had Jan Czochralski die afdeling opgericht, als directeur van het Instituut voor Germaanse Filologie, dat hij van 1974 tot 1994 leidde Jan Czochralski was een eminent taalkundige, die zich vooral bezighield met de contrastieve beschrijving van talen: Pools Duits Nederlands Ook als lexicograaf was hij met succes bedrijvig: zijn woordenboeken getuigen van systematisch denken en maatschappelijk inzicht Voor zijn wetenschappelijk werk kreeg hij verscheidene onderscheidingen: van de Commissie voor Nationaal Onderwijs in Polen, van het Ministerie van Hoger Onderwijs van zijn land en van de Universiteit W arschau, waaraan hij meer dan vijftig jaar verbonden was Ook als emeritus bleef hij er bedrijvig Tot zijn laatste dagen had hij nog promovendi begeleid, want hij zor gde op een haast ouderwetse manier voor zijn Nachwuchs ,voor medewerkers die hem opgevolgd hadden en aan wie hij de zor gvoor het Nederlands overdroeg Lang voor de val van het regime had hij goede contacten met collega's in het W esten, niet alleen als germanist in de beide Duitslanden van vóór 1990, maar ook met Vlaanderen en Nederland Ik herinner me een bijeenkomst van neerlandici in W roclaw in de vroege jaren 80 van vorige eeuw ,waarbij ik met grote bewondering vaststelde dat hij opeens vlot Nederlands sprak: op vijftigjarige leeftijd had hij in enkele maanden twee van mijn leerboekjes ‘tot zich genomen’ en in actief taalgebruik omgezet Zijn contacten waren geen éénrichtingsverkeer Hij kwam graag naar Nederland en Vlaanderen, maar zijn collega's waren ook in W arschau welkom, zelfs in moeilijke tijden toen gasten ontvangen niet vanzelfsprekend was Janusz heette hij voor de vrienden Dat is in zijn warme moedertaal meer dan een simpel voornaamdiminutief Hij was ook een warme vriend voor wie dat voorrecht genoot Ik ben blij dat ik hem gekend heb Jos W ilmots Neerlandica extra Muros Jaargang 43 83 W idjajanti Dharmowijono De stille haan Sommige mensen kunnen van die grote ogen opzetten als ze hun woorden kracht willen bijzetten Anderen komen heel dicht bij je staan W idodo past beide trucs toe Iedere keer als ik wat achteruit schuifel, doet hij een stapje dichterbij Hij stapt harder dan ik schuifel, dat is een probleem En het zijn niet alleen zijn ogen die me een beetje bang maken W idodo is onze parkeerwachter Hij ziet erop toe dat niemand een spiegeltje wegpakt of nog ergere dingen doet met onze auto's en brommers, die geparkeerd staan in de straten rond ons taleninstituut Maar dat is niet zijn enige talent Hij is ook genezer Hij masseert pijnen en ziektes uit je lichaam En hij kan nog meer ‘Het is moeilijk nieuwe studenten te werven voor de Studierichting Nederlands, hè,’ begint hij vol medeleven ‘Ja,’ zucht ik ‘Maar we doen veel aan promotie en hebben goede hoop dat het dit jaar beter gaat’ Hij glimlacht een beetje smalend ‘Ik had het al voor gesteld aan de directie,’ zegt hij met lage stem ‘Ik heb alleen een zwarte haan nodig Ik snij hem open, ik eet het hart en zet de rest op een spies op het dak Succes gegarandeerd’ ‘Zwarte kunst’ Nog groter worden die ogen ‘Nee, nee, dat kan ik niet Alleen de haan, ja, die moet zwart zijn Maar het is geen zwarte magie’ ‘Ik zal het eens ter sprake brengen op de eerstvolgende ver gadering,’ zeg ik laf, en ben blij als ik weer in mijn auto zit, nadat ik zo hartelijk mogelijk van hem afscheid heb genomen W idodo moet je te vriend houden De plaats waar we toen stonden is thans omringd door zwartgeblakerde muren Er werd een tijd gedacht dat de brand in ons instituut niet door een kortsluiting kwam, zoals de politie gelooft, maar bovennatuurlijke oorzaken had De lokalen huisden namelijk spoken Af en toe maakten ze zich kenbaar door nieuwe studentes te plagen, die dan stokstijf neervielen en wartaal praatten, of een nietsvermoedende docent, die ineens op handen en voeten ging lopen Dat gebeurde ook op de dag dat een journalist van de W ereldomroep mij kwam interviewen, maar hij zal er wel geen gewag van hebben gemaakt in zijn reportage Als nuchtere Nederlander zag hij slechts één mysterie: wat bezielde jonge Indonesiërs om drie jaar lang Nederlands te willen studeren? Ik vertelde hem dat de meeste studenten een carrière in de toeristenindustrie nastreefden Eens kwamen er zo veel Nederlandssprekende toeristen naar Indonesië dat het nog loonde om speciaal voor hen Nederlands te gaan leren Dat is nu anders geworden In het Indonesië van nu is Nederlands geen statustaal meer en wordt de markt voor het Nederlands hoe langer hoe kleiner Maar als u, collega's, uit welk land dan ook, zich niet laat weerhouden door het steeds wisselende visumbeleid van de Indonesische Neerlandica extra Muros Jaargang 43 regering en in drommen naar Indonesië komt, als uer alleen Nederlands spreekt en een Nederlandstalige gids eist, dan is er nog hoop En als deze pogingen mislukken, kunnen we W idodo nog altijd vragen een zwarte haan op het dak te spietsen De spoken als die er nog zijn zullen hem daar vast mee willen helpen Niet voor niets is dit het land van de Stille Kracht Neerlandica extra Muros Jaargang 43 84 Auteursinformatie NEM 2, 2005 TON ANBEEK is hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden Hij schreef onder meer Geschiedenis van de literatuur in Nederland, 18851985 [tanbeek@letleidenuniv nl] FRIDA BALK SMIT DUYZENTKUNST is emeritus hoogleraar Nederlandse taalkunde, Universiteit van Amsterdam [fenabalkplanetnl] LUDO BEHEYDT is hoogleraar Nederlandse taalkunde en Nederlandse cultuur aan de Université Catholique de Louvain in LouvainlaNeuve en bijzonder hoogleraar ‘De Nederlanden in de wereld’ aan de Universiteit Leiden [beheydt@ligeuclacbe] M ARNIX BEYEN is docent politieke geschiedenis van de nieuwste tijd aan de Universiteit Antwerpen [marnixbeyen@uaacbe] HJ BOUKEMA ,voorheen werkzaam aan de Universitas Indonesia (Jakarta) en de Ankara Universitesi (Ankara) Is thans uitbater van Antiquariaat des Indes [antiquariaatdesindes@freeler nl] M IEKE DESMET specialiseert zich in literatuur voor kinderen Zij behaalde haar doctoraat in de ver gelijkende letterkunde aan University College London met een proefschrift over Nederlandse vertalingen van Engelstalige meisjesboeken 19451995 Zij werkt nu als ‘Assistant Professor ’in de afdeling Vreemde Talen en Literaturen van Fen Chia University ,Taichung, Taiwan [mdesmet@fcuedutw] JAAP GOEDEGEBUURE is hoogleraar theorie en geschiedenis van de literatuur aan de Universiteit van Tilbur g [jlgoedegebuure@uvtnl] HENDRIK VAN GORP is emeritus hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap van de Katholieke Universiteit Leuven en de Katholieke Universiteit Brussel Zijn onderzoek betrof voornamelijk de literaire theorie (cf Lexicon van Literair e Termen )en de genretheorie (picareske roman en gothic novel) De laatste jaren was hij betrokken bij het cultuur en letterenbeleid in Vlaanderen [hendrikvangorp@artskuleuvenacbe] CLAUDIA HUISMAN is hoofddocent Nederlandse Taal en Cultuur en Directeur van het Departement Nederlands van de Universiteit Marc Bloch te Straatsbur g [huisman@umbustrasbgfr] M AR YKEMPERINK is hoofddocent Moderne Nederlandse letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen Zij is gespecialiseerd in het fin de siècle en publiceert regelmatig over het proza, de poëzie en het toneel van deze periode In 2001 verscheen van haar Het verlor en paradijs De Nederlandse literatuur en cultuur van het fin de siècle [mgkemperink@letrugnl] M AAR TEN KLEIN isals universitair hoofddocent voor taalkunde en taalbeheersing verbonden aan de Radboud Universiteit te Nijmegen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 [mklein@letrunl] JAN OOSTERHOL Tis als privaatdocent werkzaam aan de Carl von Ossietzky Universität in Oldenbur g(Duitsland) Hij is als letterkundige verbonden aan het Seminar für Niederlandistik aldaar [janoosterholt@unioldenbur gde] W IDJAJANTI DHARMOWIJONO is hoofd van de studierichting Nederlands van de Akademi Bahasa 17 Agustus te Semarang Ze is tevens vertaalster van Nederlandse literatuur in het Indonesisch Op het ogenblik werkt ze aan een proefschrift over het beeld van de Chinezen in IndischNederlands verhalend proza [widja@idolanetid] JOS W ILMOTS is emeritus gewoon hoogleraar van het Limbur gs Universitair Centrum Hij is oudvoorzitter van de IVN (19821985) en maakte ook vele jaren deel uit van de NEMredactie [joswilmots@skynetbe] Neerlandica extra Muros Jaargang 43 1 [Neerlandica extra Mur os oktober 2005] Gerard de Vriend Over literatuuronderwijs 1 Voorschriften en adviezen Als je het literatuuronderwijs in het voortgezet onderwijs wilt beschrijven, dien je er rekening mee te houden dat het een onderdeel is van het moedertaalonderwijs Dat was zeker het geval voor het onderwijs dat Bildung nastreefde, ofwel cultuuroverdracht als doelstelling had In die situatie was het vanzelfsprekend dat kennismaking met vaderlandse literatuur deel uitmaakte van het moedertaalonderwijs Bovendien blijkt dat het vakonderdeel niet alleen het culturele erfgoed vertegenwoordigt: ‘literatuur ’wordt ook ten voorbeeld gesteld bij het (leren) gebruiken van de moedertaal Mijn beschrijving richt zich vooral op de opvattingen over het literatuuronderwijs in Nederland Ik vestig de aandacht op de aard van de publicaties over het Nederlandse (moedertaal en) literatuuronderwijs en op de ontwikkelingen in het denken over dat onderwijs Vervolgens beschrijf ik de stand van zaken op dit moment en ik probeer die in verband te brengen met ontwikkelingen van het literatuuronderwijs buiten Nederland Tot voor kort waren er overigens maar weinig wetenschappelijke gegevens bekend over het literatuuronderwijs in het Nederlandse voortgezet onderwijs Dat is vreemd, omdat in het onderwijsveld van het begin af aan geklaagd is over de inhoud en de organisatie van het moedertaalonderwijs, waarvan het vakonderdeel ‘literatuur ’zoals gezegd steevast deel uitmaakte Dat had de aanzet kunnen zijn voor onderzoek naar de feitelijke gang van zaken in de literatuurles of naar de opzet en de inhoud van het curriculum, zodat er oplossingen konden worden bedacht voor de ondervonden problemen Maar dat werd niet of nauwelijks gedaan 1Vandaar dat de empirische gegevens waarover we beschikten voornamelijk bestaan uit ervaringen van leraren en schoolleiders Vanaf het begin, direct na de officiële instelling van het literatuuronderwijs, 2maakten zij hun onvrede over het gebrek aan methodiek en didactiek in het moedertaalonderwijs kenbaar Maar de bezinning op het moedertaalonderwijs begon toch al aan het eind van de negentiende eeuw 3In 1893 introduceerde Kalf fhet denken over de methodiek van het moedertaalonderwijs en Van den Bosch pleitte in hetzelfde jaar voor een ánder moedertaalonderwijs Met hun brochures begon als het ware de vakdidactiek van het moedertaalonderwijs De auteurs werkten beiden als leraar in het voortgezet onderwijs en dat verklaart de reflectie op het moedertaalonderwijs Ook andere geschriften uit de eerste helft van de Neerlandica extra Muros Jaargang 43 2 twintigste eeuw ,bevatten vooral methodische adviezen en didactische voorbeelden uit de eigen onderwijspraktijk van de auteurs Schoolleiders en leraren beoogden adviezen te geven aan collegadocenten Er was behoefte aan reglementering en uniformering In de jaren dertig vond de roep daarnaar gehoor bij de rijksoverheid, die een commissie van deskundigen uit het universitaire en het middelbaar onderwijs samenstelde Deze commissieV an den Ent bracht in 1941 een rapport uit: Het onderwijs in de Nederlandse Taal en Letterkunde op de middelbar eschool (V an den Ent 1941) Twintig jaar later inspireerden onder andere taaldocenten vanuit hun organisatie Levende Talen de leden van de commissieV an Dis tot het publiceren van Didactische handleiding voor de leraar in de moedertaal (V an Dis 1962) Je zou de rapportages van deze commissies kunnen beschouwen als een synthese van in de onderwijspraktijk vigerende opvattingen over het moedertaalonderwijs 4 Ze komen ook in opzet overeen: in beide gevallen tref je besprekingen aan van de onderdelen van het als eenheid geconcipieerde moedertaalonderwijs, met didactische uitwerkingen voor de diverse vakonderdelen Zo behandelt het rapportV an den Ent de vakonderdelen lezen, spreken, spraakkunst, stijl en stelonderwijs én letterkundeonderwijs Evenals de gepubliceerde adviezen aan collega's zijn het rapportV an den Ent en de Didactische handleiding voorschrijvend, van aard Ze gingen functioneren als hulpmiddel voor docenten Nederlands bij het vormgeven en inrichten van hun onderwijspraktijk, dus onder meer voor de opzet van hun literatuuronderwijs De handleiding van Van Dis cs stond bijvoorbeeld jarenlang op het programma van (universitaire) lerarenopleidingen Een van de weinige beschrijvende studies over het moedertaalonderwijs is Moedertaalonderwijs in de Nederlanden (De Vos 1939) De Vos gaf een historischkritisch overzicht over de methoden in het voortgezet onderwijs in Vlaanderen en Nederland Pas in de jaren negentig hebben andere onderzoekers het vakonderdeel literatuuronderwijs verder in kaart gebracht 2 Het literatuuronderwijs in kaart gebracht Bij de bestudering van het literatuuronderwijs zijn wet en regelgeving van belang Zo is er een wettelijk kader dat, voor sommige schooltypen, voorschrijft dat er literatuuronderwijs moet zijn De onderwijswet van Thorbecke bepaalde bijvoorbeeld dat er op het nieuwe schooltype hbs (hogerebur gerschool) les zou worden gegeven in Nederlandse literatuur ,iets wat niet gold voor de huishouden industriescholen, een schooltype dat eveneens door de wetThorbecke was ingesteld Uit de bepalingen van de onderwijswetgeving kun je de achterliggende opvattingen over onderwijs traceren terwijl de geformuleerde onderwijsdoelen inzicht geven in de beweegredenen voor het vormgeven van, bijvoorbeeld, het schoolvak Nederlands Omdat de Nederlandse wetgever niet wilde schoolmeesteren, bleven de voorschriften beperkt Dat betekende: veel speelruimte voor de docenten, die hun vrijheid overigens niet altijd als positief hebben ervaren Juist daarom Neerlandica extra Muros Jaargang 43 3 kwamen uit het onderwijsveld methodische en didactische adviezen ten behoeve van collega's Het bestuderen van dit soort publicaties levert de onderzoeker inzicht op in de destijds (blijkbaar) gewenste onderwijspraktijk, zeker wanneer die publicaties als handleiding werden gepresenteerd of als leerboek functioneerden Ook het onderzoek naar schoolboeken kan informatie opleveren over de onderwijsideologie die men aanhing Na 1990 verschenen er enkele studies over het Nederlandse literatuuronderwijs, die gebaseerd zijn op het beschrijven en interpr eter en van zulk bronnenmateriaal Ze gebruikten de wettelijke voorschriften, de pleidooien voor beter of ander moedertaalonderwijs, de beschrijvingen van de eigen lespraktijk, de instructieve rapporten en handleidingen, etc om inzicht te verkrijgen in het literatuuronderwijs Een van de eersten die dit materiaal bestudeerde was Van de Ven, die in 1990 ‘Het nut van het nutteloze’ publiceerde, een overzicht van het denken over literatuuronderwijs Van de Ven wees direct op een belangrijk probleem bij het onderzoek naar (literatuur)onderwijs: als onderzoeker beschik je voornamelijk over voorschriften, adviezen en handleidingen, zeker als het om onderwijssituaties uit het verleden gaat Je dient dan ook te besef fen dat deze bronnen slechts de ‘retoriek’ van het onderwijs tonen, de onderwijspraktijk krijg je nauwelijks te zien Van de Ven trof ‘visies op literatuuronderwijs’ aan in het soort publicaties waar ik in de vorige paragraaf naar verwees Op basis van die citaten zocht hij een grote lijn in de discussie over literatuuronderwijs en hij maakte daarbij gebruik van concepten uit de wetenschapsfilosofie (Kuhn) en de onderwijssociologie van Matthijssen 5In zijn dissertatie, Moedertaalonderwijs (V an de Ven 1996), heeft hij zijn interpretatie uit 1990, met als uitkomst dat er een viertal ‘definities’ te traceren zijn in de discussie over literatuuronderwijs, uitvoerig uitgewerkt voor het moedertaalonderwijs in het algemeen Hij betrekt daarbij ook observaties van de situatie in het buitenland Later kom ik nog terug op de door Van de Ven onderscheiden ‘paradigma's’ én op de situatie van het literatuuronderwijs in het buitenland In Literatuur onderwijs als voldongen feit (De Vriend 1996) passeren eveneens een aantal van de eerder genoemde bronnen de revue Mij ging het vooral om het functioneren van het literatuuronderwijs als institutie, dus als een sociale organisatievorm die invloed had op het denken over en omgaan met literatuur De invoering van de onderwijswetgevingCals, beter bekend geworden als de Mammoetwet, zor gde bijvoorbeeld voor professionalisering van het voortgezet onderwijs: de overheid installeerde onder meer adviesor ganen voor de toetsing en de leerplanontwikkeling en riep een lerarenopleiding in het leven Ik vroeg me ook af of het wenselijk was dat academische benaderingen en leerinhouden gekopieerd moesten worden naar het voortgezet onderwijs Omdat ik me louter op de retoriek van het literatuuronderwijs concentreerde, leverden mijn bevindingen nauwelijks feitelijke informatie op over de onderwijspraktijk Ik moest me beperken tot gissingen en eigen voorkeuren Dat geldt in veel mindere mate voor enkele andere dissertaties over literatuuronderwijs Het materiaal waar Canons in context (Moerbeek 1998) op Neerlandica extra Muros Jaargang 43 4 berust, bestaat uit een flink bestand aan schoolboeken De onderzoekster had zich, onder meer ,afgevraagd of er een schoolcanon bestond: een groep teksten die in veel schoolboeken voorkwamen In Lezers, literatuur en literatuurlessen (Dirksen 1995) is een lessenpakket ontwikkeld op grond van studies over lezersonderzoek en die reeks lessen was in de klas getest Janssen verzamelde opvattingen van literatuurdocenten over hun vak, hun doelstellingen en hun onderwijspraktijk en beschreef haar bevindingen in Literatuur onderwijs bij benadering (Janssen 1998) Verboord ten slotte traceerde de effecten van (verschillende soorten) literatuuronderwijs in zijn proefschrift Moet de meester dalen of de leerling klimmen? (V erboord 2003) Onder andere blijkt dat leerlinggericht onderwijs een positief effect heeft op de leesfrequentie Nu het literatuuronderwijs vanuit deze verschillende perspectieven in kaart is gebracht, zijn er een aantal tendenties te signaleren over de huidige stand van zaken in de literatuurles Zo zijn er verschuivingen van tekstgericht naar meer lezersgericht onderwijs en van een tekstbestuderende naar een meer tekstervarende benadering Bovendien is er sprake van een verbreding van het tekstaanbod in de klas Ten slotte is de doelstelling van het literatuuronderwijs veranderd: het verwerven van literaire competentie nam de plaats in van cultuuroverdracht Om duidelijk te kunnen maken wat er sinds de Mammoetwet veranderde, ga ik eerst in op de voorschriften van de Didactische handleiding van Van Dis Dan behandel ik de situatie na 1968 en de laatste ontwikkelingen in de jaren na 1990 Ten slotte ga ik na of de Nederlandse situatie van het literatuuronderwijs uniek is Een handicap is dat de meeste eerder genoemde studies nauwelijks ingaan op het literatuuronderwijs buiten Nederland Alleen Van de Ven deed dat wel In zijn dissertatie beperkte hij zich echter niet tot het literatuuronderwijs en soms strekken de benaderingen van moedertaalonderwijs zich uit tot het basisonderwijs Bovendien ontbreken, uiteraard, de meest recente ontwikkelingen Naast de publicaties van Van de Ven beschikken we slechts over Literatuur op school (2002), waarin specialisten ingaan op de situatie van het literatuuronderwijs in enkele Europese landen 3 Cultuuroverdracht Je zou kunnen zeggen dat de Didactische handleiding in de moedertaal ‘cultuuroverdracht’ als doelstelling van het moedertaalonderwijs in het voortgezet onderwijs institutionaliseerde Dat geldt dan in het bijzonder voor het literatuuronderwijs W at eigenlijk tijdens de hele geschiedenis van het literatuuronderwijs als vanzelfsprekend gold, was nu ook vastgelegd Zo sprak het tijdens mijn eigen hbsjaren 6vanzelf dat literatuuronderwijs bestond uit het bestuderen van karakteristieken van literairhistorische perioden, meestal geïllustreerd door een bloemlezing met tekstfragmenten Die literairhistorische feitenkennis werd getoetst in schriftelijke overhoringen Om voor het eindexamen te slagen was er,in ieder geval op de hbs, 7een flinke literatuurlijst ‘door de eeuwen heen’, die tijdens het mondeling ter sprake kwam In het literatuuronderwijs deed je dus Neerlandica extra Muros Jaargang 43 5 kennis op óver literatuur en je las literaire werken die tot de canon behoorden De vraag of je op deze manier tot lezer werd gevormd, was niet aan de orde Het moedertaalonderwijs zou volgens de Didactische handleiding gericht moeten zijn op het actief en passief beheersen van het Nederlands De moedertaaldocent was in deze optiek onmisbaar ,‘omdat de hantering en de actieve zowel als de passieve beheersing van het Nederlands de basis vormt waarop het onderwijs in alle andere vakken berust’ (V an Dis 1962, 7) Die docent moest ‘opgroeiende jonge mensen’ brengen tot ‘indringend, kritisch en eerbiedig lezen’ en tot ‘verantwoord en omzichtig formuleren’, en ‘hun oren en hun hart () openen voor de schoonheid van taal, zowel van de volkstaal in allerlei schakering als van de taal van auteurs tegen wie zij op mogen zien’ (V an Dis 1962, 8) Deze algemene opvatting is, zoals inmiddels gebruikelijk, uitgewerkt voor de verschillende onderdelen van het moedertaalonderwijs Ons interesseert hier uiteraard vooral de doelstelling voor het literatuuronderwijs ‘Het doel van het onderwijs in de Nederlandse letterkunde bij het voortgezet onderwijs isde beleving en beschouwing van Nederlandse literatuur () en in verband daarmee het aanbrengen van enige kennis van haar geschiedenis’ (V an Dis 1962, 100) Deze doelstelling plaatst de literatuur dus op de voor grond en kent aan de literatuur geschiedenis een dienende rol toe De doelstelling zou moeten worden bereikt door de leerlingen in aanraking te brengen met ‘werken die dominant zijn’ in de Nederlandse cultuur Met de literaire canon dus, want ‘Die echt klassieke werken hebben als zodanig een leven en beweging in zich, die jonge mensen als de hunne kunnen herkennen’ (V an Dis 1962, 103) Het beoogde literatuuronderwijs was derhalve tekstgericht en de waarde van de canonteksten stond niet ter discussie Het literatuuronderwijs moest het culturele erfgoed door geven, de te bereiken doelstelling was cultuuroverdracht Uit het Van Discitaat kun je ook afleiden, dat leerlingen die in aanraking komen met canonteksten de waarde daarvan moeiteloos zullen herkennen Je kunt je evenwel afvragen of dat niet louter verbale kennis opleverde, kennis over literatuur die niet veel te maken had met de eigen leeservaring van de leerling Ofwel: het lijkt er op dat je vooral het oordeel van anderen leerde napraten en dat je eigen oordeel niet ter zake deed Het is een situatie die bij de tekstinterpretatie wel ‘his master's voice’receptie wordt genoemd: in de klas zeggen leerlingen over een literaire tekst vooral datgene, wat de docent over die tekst wil horen, niet hoe ze die tekst zelf hebben ervaren Het is dan ook niet verwonderlijk, dat déze opvatting van cultuuroverdracht onder vuur kwam te liggen bij een latere generatie literatuurdidactici 4 Individuele ontplooiing De wet op het voortgezet onderwijs van minister Cals (1963), beter bekend als de Mammoetwet, zor gde voor een radicale verandering in de organisatie van het schoolsysteem in het voortgezet onderwijs Er kwamen bijvoorbeeld nieuwe schooltypen, zoals havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs) en vwo (voorbe Neerlandica extra Muros Jaargang 43 6 reidend wetenschappelijk onderwijs), en het voortgezet onderwijs begon voortaan voor elke leerling in de brugklas In het spoor van de mammoet werd het onderwijsveld geprofessionaliseerd De overheid riep onderwijsadviesor ganen in het leven, zoals de Stichting leerplanontwikkeling (SLO) en het Centraal instituut voor toetsontwikkeling (CIT O) en stelde een nieuwe lerarenopleiding in Beide ingrepen hadden ook tot gevolg dat de vakdidactiek als discipline opbloeide: vakdidactici bemanden de adviesor ganen en kregen veel invloed in de lerarenopleidingen Het meest van belang was uiteraard de onderwijsfilosofie achter de Mammoetwet, die dit alles mogelijk, of, vanaf 1968 toen de wet in werking trad, noodzakelijk, maakte Het voortgezet onderwijs diende er voor te zor gen dat de ‘individuele ontplooiing’ van elke leerling werd nagestreefd De leerling moest zich dan ook flexibel kunnen bewegen binnen het schoolsysteem: de brugklas zou helpen bij de vervolgkeuze en de overstap van bijvoorbeeld mavo (middelbaar algemeen voortgezet onderwijs) naar havo zou moeiteloos gemaakt kunnen worden Maar dat is louter organisatorisch Het uitgangspunt kwam natuurlijk eveneens tot uiting in de invulling van het onderwijs De gevolgen van de Mammoetvisie zijn bijvoorbeeld waarneembaar in de schoolboeken voor de nieuwe lerarenopleiding Speciaal voor dit schooltype ontwierpen vakdidactici het boek Zeggenschap (Griffioen/Damsma 1978) voor de opleiding tot docent Nederlands Ik beschouw dit onderwijsmateriaal als exemplarisch voor (de retoriek van) het literatuuronderwijs na de Mammoetwet en ontleen mijn observaties derhalve aan dit werk 8 Er zijn een paar dingen die direct opvallen Allereerst blijkt uit de opzet van het boek dat de vakdidactiek inmiddels tot volwaardige discipline is geëmancipeerd Zeggenschap is gebaseerd op een onderwijsfilosofie Opvallend is voorts dat de verdeling in vakonderdelen in Zeggenschap meer gespecialiseerd is dan in de publicaties van Van den Ent en Van Dis, wat ongetwijfeld eveneens een gevolg is van de professionalisering der vakdidactici Het schoolvak Nederlands kende inmiddels eigen vakdidactische specialismen: je was gespecialiseerd in schriftelijke taalbeheersing, of in taalkunde, je was literatuurdidacticus, of je ging je toeleggen op argumentatieleer W elke denkbeelden over het literatuuronderwijs bevat een leerboek als Zeggenschap ? W at betekende ‘individuele ontplooiing’ voor het literatuuronderwijs? Het moge duidelijk worden dat men zich vooral keerde tegen een onderwijsvisie die de leerstof centraal stelt en voorbij lijkt te gaan aan de leerling Het door de Didactische handleiding gereglementeerde literatuuronderwijs sprak wel over ‘beleving en beschouwing van Nederlandse literatuur ’,maar in feite ging het minder om de literaire vorming van de leerling, dan om de waarde van de leerstof, de literaire canon Zeggenschap plaatst de leerling nadrukkelijk in het middelpunt Dat betekent: emancipatie van de leerling als doel en bijvoorbeeld oog hebben voor de belangstellingssfeer van die leerling en rekening houden met zijn leesplezier Griffioen en Damsma keerden zich tegen de onderwijstraditie die voornamelijk behandelde wat van literairhistorisch belang was en Neerlandica extra Muros Jaargang 43 7 daarbij voorbij ging aan de pedagogische betekenis van het literatuuronderwijs Grote literatuur en literatuur geschiedenis, zouden slechts een plaats moeten krijgen ‘wanneer en voorzover relevant voor leerlingen’ (Griffioen/Damsma 1978, 8) De auteurs van ‘Zeggenschap’ citeren het ‘V oorstel Rijksleerplan 1968’: het moedertaalonderwijs moest zor gen voor ‘het ver groten van de taalvaardigheid en van de taalbeheersing’, en ‘enig inzicht op taalkundig en literair terrein’ aanbrengen (zie Griffioen/Damsma 1978, 434) Ze hebben daaruit afgeleid, dat ‘het lezen en bespreken van goede lectuur ’vanaf de eerste klas deel moet uitmaken van het literatuuronderwijs in het voortgezet onderwijs: ‘Reeds in het eerste leerjaar behoren de leerlingen kennis te maken met literatuur door het lezen, voordragen en bespreken van voor hen geschikt werk, zowel proza als poëzie Daarnaast is het belangrijk, dat de leerlingen gebracht worden tot het zelfstandig lezen van goede jeugdlectuur ’ (Griffioen/Damsma 1978, 437) Leerlinggericht, want ‘voor hen geschikt werk’ uit de literatuur ,en een uitbreiding van de canon met jeugdboeken dus Voor de hogere klassen van het vwo kozen Griffioen en Damsma nadrukkelijk voor ‘een methode waarbij kennismaking met het concrete literaire werk’ voorop stond, zodat de kennismaking met literatuur ertoe zou kunnen leiden dat ‘leerlingen zich willen en kunnen verdiepen in literatuur ’(id) Meer dan tevoren, als het ware, moest het gaan om ervaringen die niet louter voor de school, maar ook voor het leven waardevol waren De nieuwe didactici dachten bij ‘humanisering door cultuur ’niet alleen aan moedertaal, of literatuur ,maar met name ook aan een algemene pedagogische taakstelling van het (voortgezet) onderwijs Vandaar dat men zich verzette tegen de invulling van ‘cultuuroverdracht’ van de vorige generatie en zelfs benadrukte dat het leesplezier van de leerling voorop moest staan Volgens Zeggenschap moeten leerlingen er achter zien te komen wat het lezen van fictie (!) inhoudt: waarom is het de moeite waard om fictionele teksten te lezen? Hoe kun je dat doen? En leesplezier zou daarbij voorwaarde en doel zijn Je kunt natuurlijk gemakkelijk een vraagteken plaatsen bij ‘leesplezier als doel’, maar interessanter is de tendens: het rekening houden met de leeservaring van de leerlingen en (dus) het uitbreiden van het tekstaanbod in de klas: dus meer dan de canon Dat blijkt ook uit het nadrukkelijke gebruik van het begrip ‘fictie’, omdat volgens Griffioen/Damsma ‘literatuur ’een ‘sterk elitaire connotatie’ had, en omdat ‘fictie’ ruimte bood voor het behandelen van ‘allerlei pedagogischdidactisch belangrijke teksten’ (Griffioen/Damsma 1978, 281) Het is typerend voor de stellingname van Zeggenschap ,dat de pedagogische waarde van (bepaalde?) fictionele teksten ter sprake komt Vanuit deze optiek geredeneerd zou er op zijn minst bezinning nodig zijn op het in de literatuurles verplicht aan de orde stellen van canonteksten uit de Nederlandse literatuur De opmars van het denken vanuit een pedagogische en vakdidactische visie blijkt, ten slotte, uit de terminologie Naast pedagogische doelen worden er bijvoorbeeld leerdoelen onderscheiden, die bij het moedertaalonderwijs alle betrekking hebben op ‘taalgebruik’: het object van het moedertaalonderwijs is Neerlandica extra Muros Jaargang 43 8 mondeling en schriftelijk, productief en receptief taalgebruik Het literatuuronderwijs valt in deze systematiek onder ‘receptie van schriftelijk taalgebruik’, en meer specifiek onder ‘het lezen van fictionele teksten’ Daarvoor geldt het volgende: ‘Het is de bedoeling dat een leerling weet wat, waarom en hoe hij iets kan lezen en met die “wetenschap” kan omgaan: dat hij kan lezen én nadenken over de tekst die hij leest’ (Griffioen/Damsma 1978, 315) De doelstelling ‘individuele ontplooiing’ leidde dus tot literatuuronderwijs dat meer leerlinggericht was, minder gericht op kennis over literatuur en meer op de tekstervaring van de leerlingen Het tekstaanbod bleef niet beperkt tot de literaire canon, maar verbreedde zich tot het ruimere aanbod van fictie 5 Literaire competentie Omstreeks de jaren negentig van de twintigste eeuw veranderde het voortgezet onderwijs opnieuw Die verandering was het gevolg van de wet op de basisvorming, die in 1992 door de Tweede Kamer is aanvaard Deze ‘brede vorming’ van elke leerling ná de basisschool, kreeg een vervolg met de vernieuwing van de tweede fase van het voortgezet onderwijs, die vanaf 1998 zou worden gerealiseerd Voor de buitenwereld staat die herinrichting van de bovenbouw van het voortgezet onderwijs bekend als ‘het studiehuis’ De wetgever had daarbij de opleiding van zelfstandige leerlingen voor ogen Dat kan onder meer worden gerealiseerd in het studiehuis, een aanduiding die meer op de aanpak van het onderwijs doelt dan op een specifieke plaats in de school: de leerling moet leren zijn eigen leerproces te plannen, uit te voeren en te reflecteren op de onderwijservaringen De leraar krijgt meer een controlerende taak dan dat hij de functie van kennisoverdrager vervult Ook het begrip ‘brede vorming’ heeft zo zijn eigen betekenis W emoeten niet te snel denken aan culturele ontwikkeling in de humanioratraditie, waar de neerlandicus zo vertrouwd mee was In een rapport uit 1986 wordt een ‘instrumentele invulling’ gegeven van cultuuroverdracht: ‘Het doel van de cultuuroverdracht wordt bij het vak [Nederlands] natuurlijk al in hoge mate gediend met de training in de vaardigheden die tot nu toe zijn genoemd [tw schriftelijke en mondelinge communicatie]: ze behoren tot de taalcultuur van het Nederlandse taalgebied Daartoe behoort ook de literatuur Kennisneming van literaire produkten uit heden en verleden dient dus een element van basisvorming te zijn, ook voor lboleerlingen’ (Basisvorming in de praktijk ,118) ‘Brede vorming’ betekent vooral het ‘op de praktijk gericht zijn’ van het schoolvak Nederlands Belangrijke componenten zijn dan ook schrijfvaardigheid en argumentatie De ‘karakterverandering’ van het moedertaalonderwijs maakte het instrumenteel van aard, met meer aandacht voor algemene en studievaardigheden, zoals het verzamelen en verwerken van informatie, het publiekgerichte schrijven, het lezen van studieteksten, het samenvatten en het opzetten van werk en stappenplannen Deze opsomming is ontleend aan een SLObrochure uit 1996 en was dus vervaardigd door een van de door de overheid na de Mammoetwet ingestelde adviesor ganen Een ander interessant Neerlandica extra Muros Jaargang 43 9 rapport, van de CVEN, 9kwam met een voorstel over de vernieuwing van de eindexamens (Braet/Hendrix 1991) Het geeft zicht op het toenmalige denken over literatuuronderwijs In de eindexamenvoorstellen voor havo en vwo is sprake van een historischletterkundige en een literairesthetische, van een structureelanalytische en een tekstervarende of tekstbelevende benadering van literatuur Voor het vak ‘Letterkunde’ zijn er de volgende eindtermen geformuleerd: 1 het kunnen interpreteren, analyseren en beoordelen van literaire teksten uit heden en verleden; 2 het kunnen uitbrengen van een verslag van de eigen ervaringen met literaire teksten uit heden en verleden; 3 het kennen van feiten, begrippen en werkwijzen om de taken die bij 1en 2 genoemd zijn welbewust uit te kunnen voeren (Braet/Hendrix 1991, 15) Ook hier tref je aan wat eerder was ingezet (zoals in Zeggenschap )en wat later zou worden voortgezet bij de herinrichting van de tweede fase: de eigen leeservaring van de leerling kwam meer centraal te staan, terwijl die bovendien diende te worden vastgelegd in wat na de CVENrapportage het leesdossier zou gaan heten Het doel van individuele ontplooiing kreeg op het gebied van het literatuuronderwijs nu ook de invulling: smaakontwikkeling en het verwerven van literaire competentie In zekere zin kun je de keuze voor ‘literaire competentie’ zien als het kiezen voor de gulden middenweg tussen leerstof en leerlinggericht literatuuronderwijs De nadruk op leesplezier was dus inmiddels afgezwakt Literaire competentie als onderwijsdoel betekent dat leerlingen na het verlaten van de school kennis hebben van wat er op het gebied van literatuur gelezen kan worden en dat ze over de vaardigheden beschikken om de verschillende genres adequaat te benaderen Ze moeten bovendien in staat zijn op de literaire tekst te reflecteren om zodoende de eigen verhouding tot de tekst te kunnen bepalen Verder moeten ze een waardeoordeel over de teksten kunnen formuleren en dat oordeel kunnen onderbouwen Ten slotte dienen ze bereid te zijn het oordeel te toetsen aan dat van anderen Ik ontleen deze omschrijving aan een boek van de vakdidacticus Geljon, met de programmatische titel Literatuur en leerling (Geljon 1994) Het denken over het schoolvak Nederlands ontwikkelde zich onder meer in het verlengde van het voor geschreven onderwijsbeleid Recentelijk is voor geschreven, dat het schoolvak Nederlands in de tweede fase van het voortgezet onderwijs verplicht is voor alle leerlingen van havo en vwo Het moedertaalonderwijs omvat in de nieuwste bepalingen zes domeinen 10,waarvan ‘literatuur ’er één is De havoeindtermen van het literatuuronderwijs zijn gespecificeerd voor ‘literaire ontwikkeling’ en ‘literaire begrippen’, in het vwo is er nog een derde specificatie, namelijk voor ‘literatuur geschiedenis’ De indruk dat het aandeel literatuur geschiedenis proportioneel is afgenomen op school, is dus in elk geval juist voor het havo Neerlandica extra Muros Jaargang 43 10 6 Internationale ontwikkelingen In zijn proefschrift Moedertaalonderwijs onderscheidt Van de Ven enkele ‘paradigmata’ van moedertaalonderwijs in een zestal landen Er zouden veel overeenkomsten zijn tussen de ontwikkelingen in Nederland, Vlaanderen, Duitsland, Engeland, Noorwegen en Zweden De eerste visie op het moedertaalonderwijs is het literairgrammaticaal paradigma Het gaat daarbij om cultuuroverdracht Vanaf de beginjaren van het moedertaalonderwijs is er ook een ‘utilitair paradigma’ Naast culturele vorming speelde het goed leren gebruiken van de moedertaal een rol in de opvattingen over het onderwijs In de jaren zestig en zeventig was er een communicatief paradigma dominant Het ging om emancipatie van de leerlingen, maar ‘het utilitaire’ kwam erbij Dat leidde tot hernieuwde aandacht voor deelvaardigheden Benadrukt werd de ‘observatie van taal in communicatief gebruik’; ‘een echt communicatieve gerichtheid in termen van doel en publiek’ (V an de Ven 1996, 174) Ik denk dat je in termen van Van de Ven de Nederlandse situatie, die ik hier boven uitvoeriger beschreef, als volgt kunt benoemen: na cultuuroverdracht als doel en met de nadruk op het overbrengen van kennis over literatuur (het literairgrammaticaal paradigma), werd de nadruk gelegd op de individuele ontplooiing van de leerling en diens vaardigheden, zoals het verwerven van literaire competentie (het communicatiefutilitair paradigma) Opmerkelijk is nog dat Van de Ven er op wijst dat de praktijk van het moedertaalonderwijs ‘minder gevoelig voor verandering (is) dan de retoriek’ (id, 175) Ondanks de voorschriften en aanwijzingen lijken literatuurdocenten hun (op de universiteit) aangeleerde stiel trouw te blijven: buiten de eindexameneisen is er namelijk wel degelijk nog vrijheid voor de moedertaaldocent met hart voor de literatuur! Ook over de grens blijken benaderingen van het literatuuronderwijs naast elkaar voort te leven In Vlaanderen was er bijvoorbeeld sinds 1970 sprake van een communicatieve benadering, maar ‘traditioneler definities blijven bestaan’ (V an de Ven 1996, 129) Ook in Duitsland is er sprake van een toenemende aandacht voor communicatieve vaardigheid van de leerlingen: er moest niet alleen kennis, maar ook vaardigheid worden onderwezen Er werd gepleit voor projectonderwijs, voor het ‘zo levensecht mogelijk communiceren over reële problemen’ (V an de Ven 1996, 136), en men baseert zich op theorieën over communicatieve competentie In Duitsland rees eveneens de vraag of de communicatieve visie wel doordrong tot de onderwijspraktijk Bij dit ‘communicatieve denken’ paste een lezersgerichte opvatting over literatuuronderwijs, waarin teksten worden bezien in hun communicatief functioneren Vandaar dat ook lectuur en massamedia in de literatuurles hun intrede konden doen De ontwikkeling in Engeland verliep volgens Van de Ven volgens een zelfde patroon: het schoolvak Engels werd tot in de jaren zestig en zeventig gelegitimeerd vanuit een literairgrammaticale opvatting, waarna het schoolvak Engels als ‘taal, taalgebruik, interactie en mondelinge taalvaardigheid’ werd gedefinieërd, om zich vervolgens te ontwikkelen ‘in de richting van een utilitair paradigma, waarin het vak Engels zich moet richten op het beheersen van Neerlandica extra Muros Jaargang 43 11 praktische, beroepsgerichte vaardigheden’ (V an de Ven 1996, 146) Het onderzoeksmateriaal van Van de Ven biedt een veralgemeniserend inzicht in ontwikkelingen van het moedertaalonderwijs tot omstreeks 1990 Ander materiaal ontleen ik aan enkele bijdragen aan een door de Commissie Geesteswetenschappen van de Koninklijke Academie van W etenschappen geor ganiseerde discussiedag over internationale ontwikkelingen in het literatuuronderwijs Ter voorbereiding van de discussiedag, die plaats vond op 19 november 1999, was aan de inleiders een drietal vragen voor gelegd De vragen betrof fen de visies op het onderwijs in de eigen letterkunde en de veranderingen in de laatste dertig jaar; het aandeel van literatuur in vreemde talen in het literatuuronderwijs, of zelfs de mogelijkheid van geïntegreerd literatuuronderwijs (waarbij de organisatoren refereerden aan de Europese eenwording); en de eventueel verminderde aandacht voor de geschiedenis van de letterkunde Dat zouden namelijk kwesties zijn die een rol speelden bij de discussies over het literatuuronderwijs in Nederland Tijdens de discussiedag gaven zeven inleiders een overzicht van de stand van zaken in het literatuuronderwijs van Engeland, Frankrijk, Vlaanderen, Nederland, Rusland, Duitsland en Oostenrijk De voordrachten zijn later gebundeld in Literatuur op school (V an den Ber g/Mulder 2000) Ik beperk me hier tot enkele observaties uit de lezingen over Engeland, Frankrijk, Vlaanderen en Duitsland Het lijkt er op of er omstreeks 1990 in verschillende landen een soort omslag plaatsvond in het literatuuronderwijs Ronald Carter wijst er bijvoorbeeld op dat Engeland in de jaren negentig een National Curriculum kreeg, met meer nadruk op canonteksten en onderwijs dat weer meer ‘teachercentered’ werd Hij lijkt dit te betreuren, want zijn voorbeelden passen eerder bij de opvattingen uit de jaren tachtig, toen het onderwijs ‘studentcentered’, ‘activitybased’ en ‘processoriented’ was Het literatuuronderwijs was ‘languagebased’, met een integratie van taal en literatuur Van meer belang dan de literaire canon op zich, was het zich bewust worden van de creatieve mogelijkheden van de moedertaal (zie Carter 2000) Als reactie ontstond een roep ‘back to basics’: het trainen van vaardigheden in het moedertaalonderwijs (zie Van de Ven 1996, 148) Die tendens zagen we ook in de Nederlandse situatie Bovendien wordt herstel bepleit van de ‘canonische opvatting over literatuur en lezen’ (oc) Van de Ven interpreteert de Engelse situatie als ‘een herleving van een literairgrammaticaal paradigma, met een sterke nationalistische connotatie’ (id) Het Franse onderwijs was van oudsher gecentraliseerd, met een sterke sturing van bovenaf en een centrale rol voor de moedertaal Literatuur en taalbeheersing gingen er hand in hand Henk Hillenaar bespreekt de concentrische aanpak van literatuur , het samenvatten van en commentaar leveren op literaire teksten en het schrijven van opstellen over literatuur De canon was vrijwel onaantastbaar ,maar ook in Frankrijk veranderde er wel iets: er kwam meer aandacht voor de individuele leerling en aan het eind van de jaren negentig deden zelfs film en buitenlandse literatuur hun intrede in de examens (zie Hillenaar 2000) Neerlandica extra Muros Jaargang 43 12 Ook in Vlaanderen ging een meer lezersgerichte benadering van het literatuuronderwijs gepaard met een verbreding van het tekstaanbod Het literatuuronderwijs in Vlaanderen zou volgens Ronald Soetaert leerlinggericht zijn, met de nadruk op de eigen ervaring van de leerling en op diens expressie Die karakteristiek komt aardig overeen met Carters voorbeelden uit de Engelse situatie in de jaren tachtig Soetaert bespeurt in de jaren negentig eveneens een back to basicstendens De (terugkeer van de) canon staat weer ter discussie Hij pleit voor rekening houden met diverse subculturen en met nieuwe media en staat een herwaardering van de canon voor Het aanleren van ‘geletterdheden’ herinnert aan wat in Nederland het verwerven van literaire competentie heet (zie Soetaert 2000) De situatie in Duitsland werd belicht door Petra W ieler ,die de belangrijke rol van de vakdidactiek noemt: uitgegroeid tot een wetenschappelijk discipline werd die het forum waar men de discussie over literatuuronderwijs voerde Moesten nieuwe media worden opgenomen in het literatuuronderwijs? Je zou, meende men, van de moedertaaldocent ‘mediale meertaligheid’ mogen verwachten In elk geval leidde dat tot méér dan alleen canonteksten in de klas In Duitsland kwam de canon inmiddels weer op de agenda, onder meer doordat de krant er over schreef in 1997 Een van de vakdidactici noemde de literaire canon een ‘instrument van selectie () ontwikkeld door diegenen die vooral zichzelf als de ware dragers van de cultuur in een maatschappij zien’ (W ieler 2000, p 74), maar W ieler voegt er aan toe dat de didactici het erover eens zijn dat leerlingen ook kennis moeten nemen van literaire teksten uit het verleden, of van teksten die moeilijker toegankelijk zijn en hoge eisen aan de lezer stellen Het is opmerkelijk dat er in verschillende landen ver gelijkbare ontwikkelingen hebben plaatsgevonden Dat begon met het inrichten van het literatuuronderwijs, met nationale identiteit als legitimering Je herkent ook de verandering van meer tekstgericht naar meer leerlinggericht literatuuronderwijs en de verbreding van het tekstaanbod in de klas En de laatste jaren ontstond er op verschillende plaatsen een discussie over de canon en raakte men her en der verontrust over leesbevordering Het literatuuronderwijs blijft een voorwerp van aanhoudende zor g Neerlandica extra Muros Jaargang 43 13 Bibliografie Basisvorming in het onderwijs Rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Den Haag, 1986 BERG ,W VAN DEN EN GW M ULLER (RED ): Literatuur op school Zeven voor drachten over het literatuur onderwijs door Ronald Carter ,Henk Hillenaar , Ronald Soetaert, Gerar dde Vriend, Willem Weststeijn, Petra Wieler ,Werner Wintersteiner Amsterdam, 2000 BOSCH ,JHVAN DEN :Pleidooi voor de moedertaal, de jeugd en de onderwijzers Groningen, 1893 BRAET ,ACEN THENDRIX (RED ): Het CVENrapport: Eindverslag van de Commissie Vernieuwing Eindexamenpr ogramma's Nederlandse taal en letterkunde vw o en hav o Den Haag, 1991 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 14 CAR TER ,RONALD :‘Literature teaching: The UK experience’ Van den Ber g/Muller: Literatuur op school Amsterdam, 2000, 920 DIRKSEN ,J: Lezers, literatuur en literatuurlessen Readerr esponse criticism in de literatuurlessen Nederlands Eindhoven, 1995 DIS,LM VAN ,ET AL :Didactische handleiding voor de leraar in de moedertaal Amsterdam/Purmerend/Groningen, 1962 ENT ,W VAN DEN ,ET AL :Het onderwijs in de Nederlandse Taal en Letterkunde op de middelbar eschool 'sGravenhage, 1941 GELJON ,C: Literatuur en leerling Een praktische didactiek voor het literatuur onderwijs Bussum, 1994 GRIFFIOEN ,JEN HDAMSMA :Zeggenschap Gr ondslagen en een uitwerking van een didactiek van het Nederlands in het voortgezet (basis) onderwijs Groningen 1978 [1974] HILLENAAR ,H: ‘Het literatuuronderwijs op de middelbare school in Frankrijk’ Van den Ber g/Muller: Literatuur op school Amsterdam, 2000, 2130 JANSSEN ,T:Literatuur onderwijs bij benadering Een empirisch onderzoek naar de vormgeving en opbr engsten van het literatuur onderwijs Nederlands in de bovenbouw van het havo en vwo Amsterdam, 1998 KALFF ,G: Het onderwijs in de moedertaal Amsterdam, 1893 M OERBEEK ,J: Canons in context Canonvorming in het literatuur onderwijs Nederlands in Nederland en Vlaander en Utrecht, 1998 STICHTING LEERPLANONTWIKKELING :Voorlichtingsbr ochur ehavo/vwo actuele stand van zaken invoering tweede fase Nederlands Den Haag, 1996 SOET AER T,R: ‘Literatuuronderwijs in Vlaanderen: stand van zaken en een standpunt’ Van den Ber g/Muller: Literatuur op school Amsterdam, 2000, 3150 VEN ,PHVAN DE :‘Het nut van het nutteloze’ Een interpr etatie van visies op literatuur onderwijs sinds het einde van de negentiende eeuw Nijmegen, 1990 VEN ,PHVAN DE :Moedertaalonderwijs Interpr etaties in retoriek en praktijk, heden en verleden, binnen en buitenland Groningen, 1996 VERBOORD ,M: Moet de meester dalen of de leerling klimmen? De invloed van literatuur onderwijs en ouders op het lezen van boeken tussen 1975 en 2000 Utrecht, 2003 VOS ,HJ DE :Moedertaalonderwijs in de Nederlanden Een historischkritisch overzicht van de methoden bij de studie van de moedertaal in het middelbaar onderwijs sedert het begin van de 19e eeuw Turnhout, 1939 VRIEND ,GDE :Literatuur onderwijs als voldongen feit Legitimeringen voor het ler en lezen van literatuur op school Amsterdam 1996 VRIEND ,GDE :‘De meester mag niet dalen, de scholier moet klimmen Een geschiedenis van ambities en frustraties’ Literatuur 1997, 5, 262267 VRIEND ,GDE :‘Spelbederf in de arena’ Nederlandse Letterkunde 1998, 3, 258264 W IELER ,P:‘Het literatuuronderwijs op school in Duitsland’ Van den Ber g/Muller: Literatuur op school Amsterdam, 2000, 6978 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Eindnoten: 1 Het enige voorbeeld van empirisch onderzoek isPA Lansber g,Proeve eener descriptieve methodiek van het onderwijs inde Nederlandsche letterkunde aan de scholen voor middelbaar en voorber eidend hooger onderwijs in Nederland ,Groningen/Den Haag 1924 2 Dat gebeurde bij de uitvoeringsbesluiten bij de wettelijke regeling van het middelbaar onderwijs door Thorbecke (1863) 3 Deze opvatting heb ikuitgewerkt inDe Vriend 1996 Ik gebruik de informatie uit dit proefschrift, evenals uit De Vriend 1997 en 1998 4 ‘De commissieV an Dis sanctioneerde () de (traditionele) vakdidactiek die de commissieV an den Ent voorschreef ’(De Vriend 1996, 112) 5 Het gaat om Kuhns paradigmabegrip en om de rationaliteitenopvatting uit MAJM Mathijssen, De elite en de mythe Een sociologische analyse van de strijd om onderwijsverandering Deventer 1982 Kuhn gebruikt het begrip paradigma voor het beschrijven van revolutionaire veranderingen in de wetenschap Mathijssen hanteert het begrip rationaliteit om veronderstelde omslagen in het onderwijs tekunnen beschrijven 6 Op dat moment was de Didactische handleiding nog niet verschenen 7 Volgens Karel van het Reve keken vooroorlogse gymnasiasten neer op de verplichte literatuurlijst van de hbsers: ‘Bij ons werd jegeacht boeken telezen, maar als jedat niet deed moest jedat zelf weten’ (zie K van het Reve, Zie ook onder Mozes Amsterdam 1988, 15) 8 Behalve in Griffioen/Damsma 1978 zijn ver gelijkbare denkbeelden tevinden in BJM Schut, Literatuur didactiek Een bijdrage tot de theorievorming Bleiswijk 1984 en in Moedertaaldidactiek Een handleiding voor het voortgezet onderwijs Muiderber g,1980 9 Dat wil zeggen: Commissie Vernieuwing Eindexamenprogramma's Nederlandse taal en letterkunde 10 De domeinen zijn leesvaardigheid, mondelinge taalvaardigheid, schrijfvaardigheid, argumentatieve vaardigheden, literatuur en oriÎntatie op studie en beroep Ze worden, met uitzondering van de laatste twee, behandeld in Nederlands in de tweede fase Een praktische didactiek ,een publicatie van de projectgroep Nederlands vo Bussum, 2002 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 15 Carl De Strycker Een zoon van Boon Over de poëtica van Dimitri Verhulst Dimitri Verhulst is een van de productiefste jonge Vlaamse auteurs Met zes boekpublicaties in vijf jaar tijd en daarnaast een groot aantal artikelen voor het dagblad De Mor gen ,komt hij aardig in de buurt van het tempo van snelschrijvers als Gerrit Komrij of Herman Brusselmans Bovendien valt op dat Verhulsts werk op redelijk veel positieve reacties kan rekenen in de Vlaamse en Nederlandse pers Hier en daar is er wel een afkeurend geluid te horen, maar in de meeste gevallen worden zijn boeken zeer welwillend onthaald Paul de W ispelaere karakteriseert hem nu al als een ‘gereputeerde schrijver [] met belangwekkend werk op [zijn] naam’ (2004, 299) en zelfs Ilja Leonard Pfeijf fer ,die verder geen goed woord over heeft voor de Vlaamse poëzie ‘Zij mist grandeur ,lef, lol en avontuur ’(2004, 15) roemde Verhulst voor zijn dichtbundel Liefde ,tenzij anders vermeld :‘V erhulst blaast branie in de taal’ (2002, 281) En niet enkel de kritiek intra muros heeft oog voor deze jonge hond, ook de buitenlandse uitgevers hebben hem opgemerkt Een Deense en een Duitse vertaling van Pr oblemski hotel verschenen reeds in 2004, een Franse, Engelse en Italiaanse volg(d)en dit jaar Die positieve aandacht voor de boeken van Verhulst leidt echter bijna nooit tot een diepere analyse van zijn werk Uitzonderingen daarop zijn een recensie van Liefde, tenzij anders vermeld door Yvan De Maesschalck en het stuk van Bert van Raemdonck in het ‘tijdschrift voor kunstkritiek’ Rekto: verso Beide critici leggen verbanden tussen de verschillende werken van Verhulst, maar ze blijven daarbij toch te veel aan de oppervlakte De opvattingen die aan de basis van Verhulsts teksten liggen, leggen zij slechts schetsmatig of gedeeltelijk bloot Hier zal daarom geprobeerd worden om een beeld te geven van de poëtica van deze Vlaamse auteur ,die ook langzaamaan in het buitenland bekend wordt Opzet van dit onderzoek is dus, zoals Oversteegen het in Beperkingen formuleerde: ‘de beschrijving van de denkbeelden’ van Dimitri Verhulst ‘omtrent aard en funktie van de literatuur ,uitgebreid met een beschrijving van de strategieën als deze een programmatisch karakter hebben’ (1982, 66) Het begrippenapparaat dat voor een der gelijk onderzoek ter beschikking staat, is afkomstig van Abrams (Abrams 1953 en 1974) en werd voor de neerlandistiek door W iljan van den Akker (1985) in zijn proefschrift over de poëtica van Nijhof fvruchtbaar gemaakt Het iseen reconstructieve methode zoals Van den Akker die voorstelt, Neerlandica extra Muros Jaargang 43 16 die hier gevolgd zal worden Bedoeling is dus om de denkbeelden over literatuur van Dimitri Verhulst te reconstrueren en te systematiseren Daarbij wordt er een onderscheid gemaakt tussen de uitspraken over wat literatuur is of zou moeten zijn die de schrijver doet in zijn werk (interne poëtica) en de meningen die hij daarover ventileert daarbuiten, in bijvoorbeeld artikelen, brieven of interviews (externe poëtica) Dat kan zowel expliciet als impliciet gebeuren In het eerste geval hebben de uitingen uitdrukkelijk betrekking op de poëtica van de auteur ,de andere categorie is minder concreet W at de impliciete interne poëtica betreft, valt hierbij volgens Van den Akker ‘te denken aan inhoudelijke elementen: uit de keuze van onderwerpen kunnen specifieke [literatuur]opvattingen worden afgeleid Ook de meer technische aspecten verschaf fen mogelijk gegevens over de impliciete [werk]interne poetica’ (1985, 14) Bij impliciete externe poëtica denkt Van den Akker vooral aan dingen die verzwegen worden Tegen deze categorie valt echter op te werpen dat ze moeilijk objectief te benaderen is en daarom wordt ze hier dan ook buiten beschouwing gelaten Uit het onderzoek van de hierboven beschreven categorieën laat zich een bepaalde poëtica reconstrueren, afhankelijk van de nadruk die een auteur legt op een van de vier elementen ‘die in bijna alle beschouwingen over het literaire werk een rol spelen: de auteur ,het publiek, het universum en tenslotte het werk zelf ’(1985, 53) Aan die coördinaten wordt telkens een poëtica gekoppeld De expressieve poëtica benadrukt de rol van de auteur en ziet de literaire tekst als een uitdrukking van de persoonlijke gedachten en gevoelens van de auteur ,de pragmatische poëtica plaatst het publiek in het middelpunt en wil vooral effecten op de lezer sorteren, de mimetische poëtica benadrukt dan weer de weer gave van de werkelijkheid, en de autonomistische poëtica ten slotte beschouwt het literaire kunstwerk als nonreferentieel en autonoom In de meeste gevallen 1wordt ervan uitgegaan dat een schrijver slechts één bepaalde literatuuropvatting heeft Uitgaande van een tweedeling die geobserveerd kan worden in het oeuvre van Verhulst, wordt hier de vraag gesteld of Verhulst vanwege de (ogenschijnlijke) koersverandering, een uitzondering vormt op de aanname van eenheid in de literatuuropvatting Heeft Verhulst twee poëtica's of doet de verschuiving in zijn werk zich slechts aan de oppervlakte voor en verandert de literatuuropvatting die aan de basis van het oeuvre ligt niet? Na de beschrijving van de twee fasen in Verhulsts werk, zullen de uitspraken die hij in zijn literaire werk doet over literatuur en het schrijven ervan (interne poëtica) in de eerste periode onderzocht worden In een volgende stap wordt de poëtica van de tweede periode beschreven en ver geleken met die van de eerste fase Telkens zal er ook aandacht zijn voor de programmatische uitspraken die Verhulst doet buiten het strikt literaire werk 1Ten slotte worden de resultaten van deze deelonderzoeken besproken en wordt er een verklaring gezocht voor de (schijnbare) verschuiving die geconstateerd werd Neerlandica extra Muros Jaargang 43 17 Twee periodes Voor de tweedeling waarvan sprake in de inleiding, is 2002 het breukmoment De eerste periode van Verhulsts schrijverschap omvat de verhalenbundels De kamer hiernaast en Niets, niemand en redelijk stil en de dichtbundel Liefde tenzij anders vermeld Die drie werken kunnen algemeen als autobiografisch, sterk ikbetrokken en literair gericht getypeerd worden Steeds staat een gelijknamig personage centraal dat begaan is met zichzelf en met zijn schrijverschap Met de publicatie van de roman De verveling van de keeper komt daarin verandering De nadruk verschuift met dat boek van het zelfonderzoek naar het onderzoek van de buitenwereld Ook de roman in verhalen Pr oblemski Hotel en de reportages in Dinsdagland ,respectievelijk het verhaal over een asielzoekerscentrum en reportages over België, kunnen als zodanig gekarakteriseerd worden Door die verschuiving van de focus is er in het werk van Verhulst een algemene evolutie zichtbaar Grof geschetst komt die erop neer dat de schrijver evolueert van een subjectivistische thematiek, waarin de eigen persoon en vooral de eigen gevoelswereld centraal staat, naar een visie die meer de buitenwereld in het middelpunt plaatst De vraag die binnen een poëticaal onderzoek bij een der gelijke vaststelling opkomt, is dan of het hierbij gaat om een verschuiving die zich ook voordoet in de literatuuropvattingen van de auteur Eerste fase: kunst die mij nog choqueren kon Een eerste aspect dat onderzocht wordt, is Verhulsts houding ten opzichte van postmodernistische literatuur Hij wijst een der gelijke literatuur af en neemt expliciet stelling tegen teksten die zich in de eerste plaats met postmoderne problemen zoals dat van de taal bezighouden en pas in tweede instantie iets te vertellen hebben Al meteen in De kamer hiernaast deelt hij een prikje uit aan Pol Hoste, toch een van de meest gerespecteerde Vlaamse taalkritische auteurs Het hoofdpersonage Dimitri laat zich na de lectuur van een boek van deze auteur in een brief aan een vriend ontvallen: ‘W at zal ik jou schrijven in een taal waarvan ik na lezing van Hoste begreep dat zij mij langzaam overmeestert?’ (1999, 71) Als de taal te zeer woekert, wordt deze Dimitri sprakeloos, heeft hij niets meer te zeggen en dat wil een schrijver natuurlijk liever vermijden Daarom is er een andere soort kunst nodig Hoe die eruit moet zien, verwoordt Dimitri in hetzelfde boek Onder de titel ‘Bacon’ vertelt Verhulst een verhaal over een conceptueel kunstenaar die sculpturen maakt uit vlees en besprenkelt met mensenzweet Op de vernissage neemt Dimitri stelling ten opzichte van de kunst: ‘Ik had altijd al gehouden van kunst die mij nog choqueren kon en had mijn hoop wat dat betreft al een poosje laten varen De moderne kunst werd impotent’ (1999, 97) Duidelijk wordt hieruit dat Dimitri niet veel op heeft met steriele filosofisch verantwoorde experimenten, maar om een kunst vraagt die naar de keel grijpt en ingrijpt in het eigen leven Van een der gelijke literatuuropvatting is het werk in de eerste periode de uitdrukking Zijn proza wil niet vernieuwend zijn, maar cirkelt rond klassiek literaire thema's als liefde, schrijven en dood of chiquer Neerlandica extra Muros Jaargang 43 18 geformuleerd: eros, logos en thanatos Een onderzoek naar hoe Verhulst met deze thema's omgaat, is van belang voor een goed zicht op zijn poëtica, omdat hij in zijn behandeling ervan telkens verwijst naar de denkbeelden over literatuur die hij onderschrijft Heel vaak, zo zal duidelijk worden, maakt hij daarbij strategische intertekstuele allusies, die hem in een bepaalde poëticale traditie plaatsen 3 In De kamer hiernaast duikt op pagina 108 ‘Miserlou’ voor het eerst op, een zelfverzonnen oneindig mooie, maar onbereikbare vrouw In Niets, niemand en redelijk stil een opzichtige, maar tot op heden onopgemerkte allusie op Luigi Pirandello's roman Iemand, niemand en honder dduizend daagt ze meteen op de eerste pagina opnieuw op In het gelijknamige verhaal vertelt Verhulst over een vrouw die hij op een terrasje in Spanje heeft gezien en door wie hij sindsdien geobsedeerd is geraakt En meteen wordt ze ook getypeerd: ‘Haar schoonheid ontneemt je de asem, slaat de tanden uit je smoel Zo schoon dus Haar één seconde zien volstaat om haar beeltenis nooit te ver geten’ (2001a, 8) Natuurlijk is deze Miserlou niets anders dan een modulatie van Keats' ‘Belle Dame Sans Merci’ In de Nederlandse literatuur is Verhulst daarmee niet de eerste die een der gelijke figuur binnen brengt Er was al de romanticus Piet Paaltjens, die in zijn gedicht ‘Aan Rika’ een vrouw beschreef op wie hij waanzinnig verliefd werd hoewel hij haar slechts een seconde had gezien, namelijk toen de twee treinen waarin zij zaten elkaar kruisten Maar ook recenter ,in de literatuur van de jaren zeventig is deze figuur een topos Zo zijn er Reves homoseksuele variant, de Mooie Meedogenloze Jongen, Gruwez' Vleermeisje of Verpales lolitaatje dat in elk boek van hem onder een andere naam opduikt Verhulsts eerste drie boeken zijn in wezen niets anders dan een zoektocht naar de liefde van een der gelijke vrouw Die bij voorbaat tot mislukken gedoemde queeste is het hoofdmotief in deze werken, die verder vooral doorspekt worden met ironisch vertelde persoonlijke anekdotes Ironie is dan ook een tweede kenmerk van het werk van Verhulst Ze moet het hooggestemde programma van de schrijver ,namelijk een literatuur die kan choqueren, relativeren en wekt grimlachjes op bij het eigen dik in de verf gezette (kunstenaars)leed In het gedicht ‘Kroniek van een zwangerschap’ (2001b, 25) bijvoorbeeld doet de dichter het relaas van hoe hij zijn vriendin voor zich kon winnen: ‘W ijzijn met elkaar gaan leven, in elkaar gaan beven’ en ook terug verliest: ‘W ijzijn begonnen ons verlangen te verlappen aan een ander ’Het gedicht evolueert naar een dramatisch hoogtepunt met de beschrijving van de rivaal, maar de woede wordt in het slotvers ironisch onderuit gehaald door onzekerheid: Ik weet het, hij woont in Zemst, zwemt olympische lengten in zijn geld en belt voortdurend op jouw gsm Maar dat kind is dat ook van hem? In dit citaat is meteen een ander terugkerend element te herkennen, met name de zelfkwelling Niet zelden wentelt het hoofdpersonage zich in het eigen leed Neerlandica extra Muros Jaargang 43 19 Het duidelijkst wordt dat in het titelverhaal uit De kamer hiernaast Daarin laat Dimitri zijn beste vriend een kind verwekken bij zijn vriendin, omdat hij er zelf geen zin in heeft Hij regelt en regisseert zelf het overspel, wacht tijdens de seks in de belendende kamer (dat alles net zoals Geor ges in Claus' Vrijdag )en schrijft, zoals het een echte schrijver betaamt, naarstig aan zijn oeuvre In plaats van helemaal in de literatuur op te gaan, blijft hij echter de oren spitsen en wordt pas echt bang als hij niets meer hoort Als hij gaat kijken, vindt hij de twee slapend in een tedere omhelzing Niet het overspel steekt hem, maar het feit dat er zoiets als tederheid is ontstaan, wat bij hem blijkbaar niet mogelijk was Het boven beschreven tafereel maakt duidelijk dat literatuur voor Dimitri een vorm van escapisme is, maar dat ze vaak ook ontoereikend is om de grauwe werkelijkheid mee te ver geten En ook die andere typische vluchtweg, de reis, is al bij voorbaat tot mislukken gedoemd Verhulst is er zich pijnlijk van bewust dat ‘reizen ver geefs is, dat reizen altijd de eerst stap naar terugreizen is’ (2001a, 67) Alle reizen beginnen als een stap in een andere wereld, maar leiden op het einde toch weer naar dezelfde misère Dat komt het best tot uiting in het verhaal waaruit het vorige citaat geplukt werd Aanvankelijk lijkt Dimitri in Cuba de liefde en het geluk gevonden te hebben, lijkt zijn zoektocht naar zijn Miserlou daar eindelijk op te houden, maar als hij de volgende ochtend wakker wordt ‘hadden mijn portefeuille en het meisje gemeen dat ze verdwenen waren’ (2001a, 85) Telkens opnieuw wordt hij met de neus op de feiten gedrukt, altijd opnieuw mislukt de vlucht uit de werkelijkheid Het pijnlijke voor de (hyper)sensitieve Dimitri is dat hij zich van al die mislukkingen ook pijnlijk bewust is Hij weet dat zijn Miserlou onbereikbaar is en dat de zoektocht naar haar telkens op teleurstellingen zal uitlopen en hij weet dat noch de literatuur ,noch de reis hem kunnen verlossen uit het kringetjes lopen achter die vrouw En toch gaat hij door met zijn queeste, toch blijft hij reizen, toch schrijft hij verder Het hyperbewustzijn is een ander belangrijk kenmerk Verhulst haalt voor die kwelling een aantal voorbeelden aan In het titelverhaal uit De kamer hiernaast zegt hij over de slaap: ‘Slapen is het lef niet deel te nemen aan jezelf Slapen is gelukkig zijn’ (1999, 143), maar het wordt duidelijk dat Dimitri, net zoals de pessimistische wijsgeer Émile Cioran, dat onmogelijk kan Hij durft zichzelf niet over te geven, zijn bewustzijn niet uit handen geven Het is om dezelfde reden ook dat hij de dagelijkse beslommeringen niet kan ver geten tijdens het reizen: ‘Ik ben een slecht reiziger omdat ik mezelf overal mee naartoe neem’ (2001a, 67) Een volgende kenmerk is het dwepen met de dood De zelfdoding als de enige oplossing om uit het leed van de wereld verlost te worden, een motief dat bij Jeroen Brouwers, van wie ook het motto bij zijn debuut afkomstig is, een constante is, duikt ook bij Verhulst op In De kamer hiernaast zegt Dimitri over zichzelf: ‘mijn sombere gedachten gaan altijd in de richting van zelfmoord’ (1999, 131) Even voordien, in het verhaal ‘Sketches of Spain’ dook er al een zelfmoordenaar op: ‘Het lijk van meneer Vanessa hing in mijn tuin Er was weinig wind, het kadaver schommelde nauwelijks’ (1999, 67), waarmee Neerlandica extra Muros Jaargang 43 20 Verhulst voor de tweede maal naar Piet Paaltjens verwijst, deze keer naar diens gedicht ‘De zelfmoordenaar ’Het thema van de dood bij Verhulst bereikt echter een hoogtepunt in het verhaal ‘V oor onze kinderen, rijd voorzichtig!’ uit Niets, niemand en redelijk stil Daarin beschrijft Dimitri hoe hij een meisje van zes dood gereden heeft en het niet kan laten om naar haar begrafenis te gaan Helemaal pervers wordt het als hij in de moeder van het meisje zijn Miserlou herkend: ‘Ik had het gevoel haar al eerder gezien te hebben, in het gezicht van een andere vrouw ,in het getik van vijf andere minuten’ (2001a, 64) en hij wordt meteen waanzinnig verliefd op haar Die koppeling van lust en leven enerzijds en dood anderzijds, is een typisch romantisch motief Niet voor niets is de laatste vraag van de test om het romantische gehalte van iemand vast te stellen in Ton Anbeeks boek Het donker ehart Romantische obsessies in de moderne Nederlandstalige literatuur : ‘hebt uwel eens de onbedwingbare behoefte gevoeld de liefde te bedrijven op een kerkhof?’ (1996, 189) Verhulst komt aardig in de buurt Een laatste element is de nadrukkelijke, haast maniëristische omgang met de taal Telkens weer wordt er gewezen op Verhulsts stijl, die hij zelf gongorisme noemt Deze stijl kenmerkt zich door alliteraties, rijm, woordspel en stekelige uitspraken Enkele voorbeelden: over zijn levensgevoel: ‘De tristesse was, en is, mijn maîtresse’ (1999, 9), over stierengevechten: ‘De stier die stierf aan het vertier ’(2001a, 12), over Gent: ‘Deze stad is een steedse heerseres, een dure deerne’ (2001b, 14) Het is duidelijk dat Verhulst een estheet is die graag mooi wil schrijven, via de taal de werkelijkheid mooier maken in de literatuur Uit de bovenstaande bevindingen kan afgeleid worden dat Verhulst zichzelf centraal plaatst in de eerste periode Door het hoofdpersonage van zijn verhalenbundels opzichtig zijn eigen naam mee te geven en bewust autobiografische elementen te verwerken, tracht hij het onderscheid dat meestal tussen auteur en personage gemaakt wordt, op te hef fen Duidelijk wordt dat het zijn subjectieve oordelen over de wereld zijn die de lezer verneemt Verhulst benadrukt op die manier de rol van de schrijver en beschouwt de literaire tekst als uitdrukking van de persoonlijke gedachten en gevoelens van de auteur In de termen van Van den Akker heeft de poëtica die ten grondslag ligt aan de eerste drie werken van Verhulst dus overwegend expressieve trekken Tweede fase: op een andere manier Net zoals in zijn debuut verzet Verhulst zich ook in de tweede fase van zijn schrijverschap tegen een postmodernistische literatuurconceptie W aren de uitspraken daaromtrent in De kamer hiernaast nog die van een gelijknamig personage en bevonden ze zich dus in het literaire werk zelf (interne poëtica), in de tweede periode is een gelijkaardige mededeling te vinden in een artikel over Franstalige literatuur in België en volledig voor rekening van de auteur Verhulst (externe poëtica) Hij schrijft over de streekliteratuur in W allonië het volgende: ‘Ik verwachtte gezellige zondagsdichters die heilig geloven in het rijm, aan wie de betekenis van het woord “postmodernisme” is voorbijgegaan (wat ze gemeen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 21 hebben met mij )’ (2004a, 8, mijn cursivering, CDS) De schijnbaar onbelangrijke toevoeging tussen haakjes, is de duidelijkste afwijzing van het postmodernisme door Verhulst tot nog toe Hieruit kan geconcludeerd worden dat hij zijn houding ten opzichte van experiment en taalkritiek in de tweede fase in ver gelijking met de eerste periode van zijn schrijverschap nog niet veranderd heeft Naast deze factor die constant blijft, tekenen er zich echter een aantal verschillen af met de vorige periode In 2002 publiceert Verhulst met De verveling van de keeper zijn eerste ‘roman’, al moet gezegd worden: het is een dunne roman die uit dertig korte hoofdstukjes bestaat en die de omvang van de verhalenbundels die hem voorafgaan niet overschrijdt Dit voetbalboek, dat in de verte iets oproept van Peter Handkes Die Angst des Tormanns beim Elfmeter ,is volgens de meeste recensenten in alle opzichten een mistref fer De grapjes zijn flauw ,de plot is zwak en het onderwerp te beperkt om er mee te scoren, zo wordt geoordeeld Die negatieve aspecten worden zwaar in de verf gezet Bert van Raemdonck bekent dat hij bij dit boek zowaar zijn aanvankelijke enthousiasme voor Verhulst verloor maar veel te weinig wordt gezien, dat met deze roman een nieuwe richting wordt ingeslagen De aandacht van de schrijver verschuift hier voor het eerst van het eigen subject naar de ander Het hoofdpersonage heet niet langer Dimitri en de grote bekommernis om het eigen ik (dat van de auteur) verdwijnt Daarmee hangt ook een andere verschuiving samen, die voor het onderzoek naar de literatuuropvatting van Verhulst van belang is: de expliciete interne poëticale uitspraken worden vanaf nu achterwege gelaten en er wordt volop op het thema van het boek gefocust Nog steeds gaat het daarbij om de zoektocht van een ik naar liefde, deze keer niet meer van de onbereikbare vrouw , maar om die van het al even ongrijpbare publiek De doelman van de Vlaamse ploeg heeft namelijk maar één wens: een superieure redding, waardoor hij de ster van het team, de held van het land zou worden Omdat zijn ploeg echter uit zulke fantastische spelers bestaat, komt het er nooit van Verhulst onderzoekt in deze roman dus nog steeds dezelfde onderwerpen: de drang van een ik om geliefd te worden, de verveling, de landerigheid, de doelloosheid (letterlijk, want er wordt geen doelpunt gemaakt!) en de nefaste werking van dat alles op het zelfbeeld Verschillend met de vorige fase is echter dat de schrijver zichzelf niet meer centraal stelt, maar een personage dat enkel nog op grond van dezelfde zoektocht naar liefde enige gelijkenis vertoont met Dimitri uit de eerste periode van Verhulsts schrijverschap Autobiografische trekken heeft de keeper niet meegekregen van zijn auteur W at in dit boek echter nog opvalt, zijn tekenen van een soort politiek engagement De verveling van de keeper speelt namelijk in 2034 Vlaanderen is ondertussen onafhankelijk en komt in de wereldbeker voetbal uit tegen Turkije De finale wordt nota bene in het Philip Dewinterstadion gespeeld Het hele boek baadt in een unheimische sfeer ,tegen een antipathieke achter grond van een onverdraagzame maatschappij Met deze subtiele kritiek op de in Vlaanderen steeds sterker wordende verrechtsing, zet Verhulst zijn eerste geëngageerde stappen In zijn volgende boeken Pr oblemski Hotel en Dinsdagland gaat hij met elan door Neerlandica extra Muros Jaargang 43 22 Vooraleer in te gaan op die boeken, moet echter nog aandacht besteed worden aan een ‘interview’ dat Verhulst tussendoor nog publiceert Rond de tijd dat De verveling van de keeper verschijnt, contacteren de samenstellers van Hij was een zwarte (2003) de schrijver Verhulst, die er een aantal keren mee pochte nog op de schoot van Louis Paul Boon gezeten te hebben, mag in dat boek een soort remake maken van de reportage die zijn grote voorbeeld net na de Tweede W ereldoorlog maakte met een collaborateur Verhulst grijpt de kans met beide handen en gaat een exnazi interviewen (of fingeert een interview ,net zoals Boon waarschijnlijk deed, dat is niet helemaal duidelijk 4)Ook hier toont zich een sociaal geëngageerd auteur ,die zoveel jaren na de oorlog probeert te begrijpen wat iemand tot collaboratie drijft Uitdrukkelijk stelt hij dat dit een verhaal is dat steeds opnieuw verteld moet worden zodat het nooit ver geten wordt Dat is de taak van de schrijver: ‘de verbleekte nieuwtjes herkauwen’ (2003, 65) en dat is wat Verhulst ook doet op zijn geheel eigen wijze, in zijn karakteristieke woordspelige stijl In hetzelfde jaar publiceert Verhulst ook Pr oblemski Hotel ,een boek dat hij schreef naar aanleiding van zijn verblijf in een asielzoekerscentrum Daar moet hij een aantal indrukken opgedaan hebben, die hem ertoe brachten het strikt persoonlijke aan de kant te schuiven en te focussen op de ander Het hoofdpersonage, de fotograaf Bipul Masli (een anagram van Islam) heeft het niet langer in eerste instantie over zichzelf Hij doet het verhaal van de andere asielzoekers, een verhaal dat echter goed lijkt op de verhalen van Dimitri uit de eerste periode, want ook in dit boek zijn de personages, elk voor zich, op zoek naar warmte, liefde en gebor genheid Het wordt al gauw duidelijk dat Masli een alterego van de schrijver is en op dezelfde wijze als Dimitri uit de eerste periode te werk gaat: hij vertelt verhalen om greep te krijgen op de gebeurtenissen in zijn eigen leven In 2004 bundelt Verhulst dan de stukken die hij voor de krant schreef in Dinsdagland ,zijn laatste boekpublicatie tot hier toe Dit boek vervaagt nog verder de grens tussen de persona biografica Dimitri Verhulst en het personage Dimitri, doordat op de kaft enkel ‘Dimitri’ als auteur wordt vermeld Net zoals Leonardo Da Vinci is het blijkbaar niet meer nodig om de achternaam van de kunstenaar te vermelden Deze duidelijk poëticale daad komt ook tot uiting in de manier van werken in deze bundeling reisreportages Dit is opnieuw niet het grote werk waar de kritiek om riep, maar het zijn kleine indrukken, die samen tonen hoe de auteur zijn land ziet Dit boek is niet Het ver driet van België ,maar een verdriet van België Verhulst bekritiseert een aantal vreemde bezigheden, gewoontes en gebruiken van de Belg door ze tot in hun meest absurde consequenties door te denken Dat maakt dat hij geen kaart van België tekent, maar slechts schetst hoe het er soms aan toe gaat Omdat het hier om een bundeling reportages gaat, zou de lezer kunnen verwachten dat ze van een objectieve verslaggever stammen Niets is minder waar De werkwijze van Verhulst is allerminst die van de onbevooroordeelde registrerende journalist Telkens gaat hij uit van een persoonlijke anekdote en is de reportagemaker zelf hoofdfiguur van zijn verslag Het is zijn kijk op de gebruiken die je Neerlandica extra Muros Jaargang 43 23 als lezer gepresenteerd krijgt en het is de schrijver die ze bevreemdend vindt en als zodanig presenteert Deze reportages willen dan ook geen werkelijkheidsgetrouwe weer gave zijn, maar ‘pogingen om de werkelijkheid te raken door haar in een snelle schets neer te zetten’ (1996, 195) zoals Odile Heynders bemerkte over de dagboekachtige aantekeningen van Hanlo en Barthes Voor de Verhulst van Dinsdagland geldt dan ook hetzelfde als voor die twee auteurs: der gelijke schetsen ‘hebben dan ook geen mimetische, maar veeleer een verbor gen expressieve pretentie’ (1996, 195) In deze tweede fase, waarin de interesse verschuift van het ik naar de ander ,zijn zowel een aantal pragmatische (oa de kiemen van politiek engagement) als mimetische (de beschrijving van de gebeurtenissen in een asielcentrum, de schetsen van België) elementen te ontwaren Hoewel zijn interesseveld wel verbreed wordt, wordt het toch zichtbaar dat Verhulsts obsessies nog steeds dezelfde zijn De aandacht verlegt zich van een uitdrukkelijke preoccupatie met het subject van de schrijver , maar de teksten van Verhulst blijven, via de omweg van het personage (de keeper heeft dezelfde drijfveren als Dimitri uit de eerste periode en fotograaf Bipul Masli is een alter ego van de schrijver) of de zogenaamd objectieve reportage, toch vooral de persoonlijke uitingen van de gedachten en gevoelens van de auteur Daarmee is vastgesteld dat bij Verhulst in de tweede periode nog steeds expressieve trekken in de poëtica dominant zijn Conclusie en synthese: een zoon van Boon Dimitri Verhulst verzet zich tegen het vastleggen In Niets, niemand en redelijk stil schrijft hij: ‘Ik geloof niet in fotografie, het is de taxidermie van het moment Bovendien, wie kiekjes schiet knijpt altijd een oogje dicht’ (2001a, 99) Vastleggen biedt slechts een eendimensionaal beeld en belemmert het overzicht Verhulst pleit voor een open houding, die verandering toelaat De hierboven geciteerde expliciete afwijzing van de fotografie, wordt impliciet hernomen in Pr oblemski Hotel In die roman in verhalen is het hoofdpersonage een persfotograaf In het eerste deel van het boek wil hij een stervend kind fotograferen, maar voor het maximale effect ontbreekt er zijns inziens een vlieg op het hoofd van het uitgehongerde jongetje De hele gedachtegang van de fotograaf spitst zich toe op de prachtige foto die dit zou kunnen worden, als er toch maar een insect zou willen landen op zijn object In het tweede deel vinden we de fotograaf terug als vluchteling in een Belgisch asielcentrum zonder zijn toestel Tegenover de leugen die hij in het eerste deel met zijn fotoapparaat probeerde te regisseren, wordt in het vervolg van het boek de grauwe werkelijkheid gesteld, die oplicht uit niets anders dan korte op elkaar volgende verhalen, waarin steeds dezelfde personages opduiken De visie op die personages wordt doorheen die verhalen steeds bijgesteld, hun omtrekken worden steeds scherper , maar nooit geheel vastgelegd De ander is op die manier ook niet langer een object, maar wordt een volwaardig subject, dat zijn unieke eigenheid pas toont als het vanuit verschillende perspectieven bekeken wordt Het is pas op die manier dat er een beeld verschijnt Dat kan dan door gaan als Neerlandica extra Muros Jaargang 43 24 een werkelijkheid, maar nooit als een kopie, een foto van de waarheid Het is ook daarom dat Verhulst in de verantwoording voor zijn boek kan stellen ‘dat zowat de helft van deze verhalen verzonnen is, en dat geen enkel verhaal een leugen bevat’ (2003, 110) Een der gelijke houding is ook kenmerkend voor de poëtica van Verhulst Hij wil altijd hetzelfde zeggen, maar altijd anders Dat wordt duidelijk uit het poëticale openingsgedicht uit de dichtbundel Liefde, tenzij anders vermeld In ‘Opdracht’ beschrijft Verhulst zijn doel als schrijver: ‘Een steentje in de diepte van mijn droefheid gooien /en tellen tot ik de tel kwijt ben /en herbeginnen’ (2001b, 5) Verhulst gelooft niet in experimenteren met de vorm, maar wel in het altijd opnieuw vertellen van hetzelfde verhaal: omdat ik, ook ik, geloof in de behoefte aan schrijvers, dagbladschrijvers en andere, die af en toe de verbleekte nieuwtjes herkauwen, die azen op de dagen die zijn verzonken in dezelfde put als die waaruit ze zijn gekropen (2003, 65) zo verantwoordt Verhulst zijn remake van Boons reportage in Hij was een zwarte En daarmee sluit hij zich helemaal aan bij wat zijn grote voorbeeld in De Kapellekensbaan schreef, want ook deze uitspraak zelf is een herneming van Boon: het is mogelijk dat het onmogelijk is om iets nieuwer en juister te zeggen, maar over al het geschrevene daalt het stof der tijden neer ,en ik peins daarom dat het goed is als er om de 10 jaar een andere een kruis trekt over al die oude dingen, en de wereldvanvandaag uitspreekt met andere woorden (1973, 9) Dat het Verhulst daarom te doen is, wordt duidelijk in de herhaling en in het hernemen van steeds dezelfde onderwerpen: de zoektocht naar liefde en het steeds scherper stellen van het eigen leven in de eerste fase Ook in de tweede periode blijven de obsessies dezelfde, maar wordt de thematiek meer opengetrokken naar de (koude) verhouding tussen de mensen en de waanzin van de moderne wereld In wezen gaat het in de boeken van Verhulst over de liefde zoniet wordt het wel vermeld, zo suggereert de titel van zijn dichtbundel en over (de wil tot) schrijven Samen met de dood, die in enkele verhalen opduikt, vormen die onderwerpen de thematische driehoek van het gehele werk Zijn stijl verandert bovendien niet, zelfs niet in artikelen en reportagewerk waarin enige objectiviteit verwacht zou kunnen worden Telkens gaat het om een vermenging van feiten en fictie, telkens opnieuw is de (literaire) tekst voor Verhulst een mogelijkheid om zijn eigen gevoelens en gedachten te presenteren In de eerste periode expliciet, in de tweede via de omweg van het fictieve romanpersonage dat losgemaakt lijkt van de persona biografica Verhulst of via de omweg van een specifiek genre (de reportage) Het gehele werk kan echter gekarakteriseerd worden als een uiting van de subjectieve gedachte en gevoelswereld van de auteur Dimitri Verhulst Ondanks de mimetische en pragma Neerlandica extra Muros Jaargang 43 25 tische elementen die in de tweede periode naar voren treden, kan er dus geconcludeerd worden dat de expressieve trekken in de poëtica van Verhulst dominant zijn Bibliografie ABRAMS ,MH: The mirr or ande the lamp Romantic theory and the critical tradition Oxford, 1953 ABRAMS ,MH: ‘Theories of Poetry’ Princeton Ecyclopedia of Poetry and Poetics Princeton, 1974 AKKER ,W JVAN DEN :Een dichter schr eit niet Aspecten van M Nijhoffs versexterne poetica Utrecht, 1985 ANBEEK ,TON :Het donker ehart Romantische obsessies in de moderne Nederlandstalige literatuur Amsterdam, 1996 BOON ,LOUIS PAUL :De Kapellekensbaan Amsterdam, 1973 HEYNDERS ,ODILE :De verbeelding van betekenis Voor onderstellingen en praktijk van deconstructieve lezingen: teksten van Paul Celan en Gerrit Achterber g Leuven, 1991 HEYNDERS ,ODILE :‘De toekomst van poeticaonderzoek Problemen van een reconstructieveinstitutionele benadering’ Spektator 24, 2, 1995, 320 HEYNDERS ,ODILE :‘De dynamiek van literatuur geschiedenis in Nederland Een positiebepaling’ Nederlandse Letterkunde 1, 2, mei 1996, 190200 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 26 M AESSCHALCK ,YVAN DE:‘Al meteen herbeginnen Enkele opmerkingen bij Dimitri Verhulsts poëziedebuut’ Poëziekrant september 26, 4, 2002, 1819 OVERSTEEGEN ,JJ: Beperkingen Methodologische recepten en ander e voor onderstellingen en voor oor delen in de moderne literatuurwetenschap Utrecht, 1982 PFEIJFFER ,ILJA LEONARD :Het geheim van het vermoor de geneuzel Een poëtica Amsterdam en Antwerpen, 2003 PFEIJFFER ,ILJA LEONARD :‘Manifest ten faveure van de glorieuze Vlaamse poëzie’ De Standaar dder Letter en 15, 29 april 2004 RAEMDONCK ,BER TVAN :‘W elkom in Flutopia Dimitri Verhulst, probeer daar maar eens het beste van te maken’ Rekto:verso 1, 1, 2003, 412 VERHULST ,DIMITRI :De kamer hiernaast Amsterdam en Antwerpen, 1999 VERHULST ,DIMITRI :Niets, niemand en redelijke stil Amsterdam en Antwerpen, 2001a VERHULST ,DIMITRI :Liefde, tenzij anders vermeld Amsterdam en Antwerpen, 2001b VERHULST ,DIMITRI :De verveling van de keeper Amsterdam en Antwerpen, 2002 VERHULST ,DIMITRI :‘Zwart gaat moeilijk af’Louis Paul Boon: Hij was een zwarte Over oorlog en collaborateurs Antwerpen, 2003, 5368 VERHULST ,DIMITRI :Pr oblemski Hotel Amsterdam en Antwerpen, 2003 VERHULST ,DIMITRI :‘Kaas en bier ’De Mor gen Boeken 8, augustus 2004a VERHULST ,DIMITRI :Dinsdagland Schetsen van België Amsterdam en Antwerpen, 2004b W ISPELAERE ,PAUL DE :‘Mooie jonge honden’ Ons Erfdeel 47, 2, maart 2004, 297299 Eindnoten: 1 Een uitzondering daarop vormt bijvoorbeeld Odile Heynders in De verbeelding van betekenis (1991, 235 ev )waarin zij in navolging van Miller betoogt dat er in een tekst/oeuvre twee poëtica's gelijktijdig werkzaam kunnen zijn 1 Al moet opgemerkt worden dat het onderscheid tussen strikt literaire en andere teksten bij Verhulst niet echt helemaal duidelijk is Ook zijn essay's en artikelen zijn literatuur Faction is de term die op dat werk van toepassing is Faction ismeteen ook de term die het verschil literair en extraliterair in zichzelf verenigt en op een haast hegeliaanse wijze tot een synthese brengt 3 Heynders pleit allanger voor de integratie van intertekstuele verbanden in poëticaonderzoek Hoe en wat de schrijver leest en hoe ersporen van zijn lectuur inzijn eigen werk achterblijven, moet volgens haar eveneens in ogenschouw worden genomen als de poëtica van een auteur wordt beschreven Zie daarvoor Heynders 1995 4 Hier vervaagt de grens tussen de zogenaamd objectieve reportage en de fictie duidelijk Het betref fende vraaggesprek wordt hier dan ook behandeld als zijnde een literaire tekst Neerlandica extra Muros Jaargang 43 27 Roland W illemyns Verkavelingsbrabants W erkt het integratiemodel ook voor tussentalen? 1 Inleiding Er verschijnen de laatste tijd nogal wat publicaties over de vraag of de taalkundige integratie van het Noorden en het Zuiden van het Nederlandse taalgebied toe dan wel afneemt De data waar dat soort onderzoekingen op steunen komen meestal uit de formele, geschreven standaardtaal Los van de beantwoording van die vraag, moet vastgesteld worden dat op basis van die data nog niets gezegd kan worden over alle andere taalvariëteiten Spelen integrationistische overwegingen ook een rol bij informelere, gesproken taalvariëteiten, cq is dat überhaupt mogelijk? Uit onderzoekingen waarin tussentaal (T aeldeman 1993) geanalyseerd wordt blijkt, dat die vooral door het gebruik van lokale, endogene elementen van de standaardtaal afwijkt, waarmee impliciet duidelijk is dat integrationistische overwegingen inderdaad geen rol spelen De echt relevante vraag is daarom of de voortdurende uitbreiding van zowel het aantal communicatieve situaties waarin tussentaal wordt gesproken als van de bevolkingsgroepen die er gebruik van maken er niet voor zal zor gen dat integrationistische overwegingen in het algemeen steeds meer aan belang zullen verliezen Ik wil daar in dit artikel enkele gedachten aan wijden en enkele overwegingen ten beste geven en begin daarom met een kort overzicht van hoe de relatie tussen de noordelijke en de zuidelijke realisering van het polycentrische Nederlands de laatste tijd geëvalueerd wordt 2 Het Nederlands in evolutie 21 De uitspraak Van de Velde (1996) onderzocht de uitspraakvariatie van vooral radioomroepers uit de periode 1935 tot 1993 en constateerde dat de uitspraak van het Standaardnederlands aan het veranderen is, en dat de verschillen tussen de Vlaamse en de Nederlandse uitspraak groter lijken te worden Dat laatste lijkt zowel een constaterende als een voorspellende uitspraak te zijn Toch is de variatie door de tijd heen ook in Nederland in Van de Veldes woorden ‘niet spectaculair groter ’ geworden Er is geen sprake, zegt hij, van het loslaten van de norm, wel van een verschuiving Het blijkt dat er ook in 1935 in Nederland geen eenvormige Neerlandica extra Muros Jaargang 43 28 standaarduitspraak was In Vlaanderen daarentegen bestond en bestaat zo'n duidelijke uitspraaknorm wel In het begin van de jaren dertig, op het moment dat het Nederlands als enige officiële taal in Vlaanderen begon te functioneren en de eerste druk van de invloedrijke uitspraakleer van Blancquaert (1934) verscheen, was het Nederlands in Nederland al van die in Vlaanderen gehanteerde norm weggeëvolueerd Die evolutie is de laatste decennia krachtig door gezet De diver gerende ontwikkeling in noord en zuid berust dus eigenlijk op het feit dat de uitspraak in Nederland verder verandert, terwijl men ze in Vlaanderen vrij constant houdt 22 De woordenschat Ten aanzien van de woordenschat constateerden Geeraerts, Grondelaers en Speelman (1999), op basis van een uitvoerige enquête, dat tussen 1950 en 1990 de eenheid op het gebied van de woordenschat tussen België en Nederland voortdurend groter is geworden Dat is vooral gekomen doordat het zuiden zich aan de lexicale norm van het noorden heeft aangepast, door zowel ‘typisch noordelijke’ vormen over te nemen als door geleidelijk ‘typisch zuidelijke’ uitdrukkingen te laten vallen Dit laatste mechanisme was en is populairder dan het eerste Dit werd bevestigd door een studie van Deygers en Van den Heede (2000) Zij ver geleken het gebruik van een aantal ‘Belgisch Nederlandse klassiekers’ (dat zijn woorden die bij de meeste Vlamingen als ‘typisch Belgisch’ bekend staan) in kranten en tijdschriften uit de jaren zeventig en negentig van de 20ste eeuw Er werden ook belgicismen in het onderzoek betrokken, die door de meeste taalgebruikers niet als zodanig worden herkend De ‘bekende’ belgicismen werden in de jaren negentig gemiddeld de helft minder gebruikt dan in de jaren zeventig: 16% versus 32% 1De daling gaat altijd gepaard, zeggen de onderzoekers, met een toename van de tegenhangers uit het Algemeen Nederlands, wat impliciet op een naar elkaar toe groeien wijst, op een conver gerende tendens dus W oorden die minder als ‘typisch Belgisch’ bekend staan, daarentegen, verminderen nauwelijks in gebruik 2 In een lange reeks artikelen die op verschillende plaatsen werden gepubliceerd onderzoekt Theissen het lexicale taalgebruik van het Vlaamse nieuwsmagazine Knack (zie om Theissen, 2003) Ook hij komt tot de conclusie dat tijdens het afgelopen decennium in ieder geval de journalisten op grote schaal belgicismen voor standaardtalige alternatieven hebben ingeruild Als algemene conclusie van negentien artikelen verschenen in Nederlands van nu ,waarin ‘een tweehonderdtal Vlaamse afwijkingen van de standaardtaal in het Belgische weekblad Knack onder de loep [werden] genomen’ (Theyssen 2005, 31) constateert hij ‘een duidelijke evolutie in de richting van de standaardtaal’ (ib) Gedurende ‘de laatste elf jaar ’,zo luidt zijn bevinding ‘is het Standaardnederlands in Knack er dus enorm op vooruitgegaan’ (Theyssen 2005, 33) Op het lexicale vlak is de tendens dus duidelijk conver gerend Neerlandica extra Muros Jaargang 43 29 23 Morfologie en syntaxis NoordZuid conver gentie op het gebied van de morfologie en syntaxis is minder uitvoerig onderzocht en afwijkende vormen en patronen worden dan ook veel minder vaak opgemerkt of herkend De wel vaker voorkomende zogenoemde doorbreking van de werkwoordelijke eindgroep bijvoorbeeld, wordt, behalve door sommige linguïsten, door zo goed als niemand waar genomen 3 Een notoire uitzondering natuurlijk is de discussie over de zogenoemde aanspreekvormen (pronomina van de tweede persoon) De meeste zuidelijke dialecten hebben een ‘singlepronoun’ systeem (gij ),tegenover het zgn TV systeem (jij u),dat in het Standaardnederlands bestaat Heel lang bleef de gij vorm, ondanks aanzienlijke taalplanningsinspanningen een karakteristiek kenmerk van de standaardtaalrealisering van vele ZuidNederlanders Toch slaagden de verdedigers van de noordelijke norm er na enige tijd in het ‘gijfront’ aanzienlijk te verzwakken Maar ,van een singlepronoun systeem op een TV systeem overstappen is niet enkel een zaak van attitudes en goeie wil: het is aanzienlijk moeilijker dan het ene woord door het andere te vervangen De praktische problemen waren dus groot, ook bij diegenen die de theoretische beslissing genomen hadden het te doen De laatste jaren is er overigens een duidelijke terugkeer van zuidelijke aanspreekvormen als gevolg van de stijgende populariteit van het hierna te bespreken ‘Schoon Vlaams’ Dit komt bijzonder duidelijk tot uiting in het onderzoek van Vandekerckhove (2004; zie verder 35) 3 Verkavdingsvlaams Schoon Vlaams Tussentaal In de recentere publicaties over conver gentiediver gentie (bv Debrabandere (2005), Haeseryn (2004), Theissen (2004), Vandekerckhove (2004), Van Herreweghe & Slembrouck (2004), Saman (2003), Jaspers (2001)) duikt, in tegenstelling tot vroeger , vaak een van de termen Verkavelingsvlaams, Schoon Vlaams of tussentaal op en enkele publicaties zijn zelfs specifiek daaraan gewijd 31 Er bestaat in Vlaanderen een lange traditie van taalregulering en taalzor g Vooral om taalpolitieke redenen is de tendens, die een zo nauw mogelijke aansluiting bij de noordelijke norm bepleit, altijd belangrijker geweest dan de tendens, die meer zuidelijke eigenheid vooropstelt Het ‘ius loquendi’, het recht om de taal te gebruiken en, vooral, de jarenlange strijd die nodig was om dat recht te verkrijgen, heeft in Vlaanderen heel duidelijk de ‘norma loquendi’ beïnvloed Dit integrationistisch afzien van eigen eisen in het normdebat is het kenmerk par excellence van de officiële taalpolitiek in Vlaanderen Die manier om met het normprobleem om te gaan wijkt nogal af van wat in vele andere polycentrische taalgebieden gebeurt (Ammon 1995) Dat is zeker een van de Neerlandica extra Muros Jaargang 43 30 belangrijkste redenen waarom velen zulke grote problemen met de interpretatie en de evaluatie van de vandaag optredende destandaardiseringsverschijnselen blijken te hebben W at velen verontrust is dat die destandaardiseringsbeweging een ontwikkeling zou kunnen zijn, die op den duur tot het ontstaan van een aparte variëteit van het Nederlands in Vlaanderen zou kunnen leiden (Debrabandere 2005) Het dialectverliesproces is in Vlaanderen vrij laat op gang gekomen, maar het is nu volop bezig en voltrekt zich in snel tempo (W illemyns 1997) Aan zo'n proces zitten twee kanten: enerzijds wordt het dialect door steeds meer mensen in steeds meer omstandigheden opgegeven, anderzijds moet dat dialect dan natuurlijk door een andere taalvariëteit worden vervangen Dat ismeestal een moeizame en langdurige ontwikkeling Dat het, zoals uit vele enquêtes in binnen en buitenland blijkt, niet de standaardtaal is die van het dialectverlies in de eerste plaats ‘profiteert’ is logisch Dialect is immers niet alleen de taal van een bepaalde streek, het is ook een taal die vooral in informele omstandigheden gebruikt wordt Het is dus niet ongewoon dat de variëteit die het dialect vervangt een andere informele variëteit, een soort Umgangssprache is Omdat in Vlaanderen het taalcentrum, zoals Goossens (2000) opmerkt, ‘de as AntwerpenBrussel met Mechelen en Leuven’ is en omdat Brabant ook is vooropgegaan in het dialectverliesproces, waren het de Brabanders die als eersten de behoefte aan een dialectvervangende omgangstaal hebben aangevoeld Een logisch gevolg is dat die variëteit vooral Brabants gekleurd is en kennelijk ook grote aantrekkingskracht uitoefent op de nietBrabantse Vlamingen, die iets later een vervangvariëteit voor hun dialect nodig hadden Het is die ontwikkeling die heeft geleid tot het zgn Verkavelingsvlaams (Verkavelingsbrabants zou allicht een adequatere term zijn), waaraan Goossens liever de naam Schoon Vlaams geeft Ik zal dat hierna toelichten 32 Men zou door de vloed van recente publicaties bijna ver geten dat Brabantse invloed op de geïntendeerde standaard in Vlaanderen geen recent verschijnsel is en allang bestond vóór de term Verkavelingsvlaams was uitgevonden Goossens had het in 1970 bijvoorbeeld over Belgisch Beschaafd en over wat het verschil is met wat hij in Goossens (2000) Schoon Vlaams heeft genoemd, moet nog eens goed worden nagedacht Het is ook de vraag in hoeverre de popularisering van de term Verkavelingsvlaams zelf heeft bijgedragen tot de perceptie dat dit een ‘nieuwe’ taalvariëteit zou zijn Belangrijk is vooral de vraag of de functies van dit Schoon Vlaams/V erkavelingsvlaams zich nu gaan uitbreiden en een bedreiging gaan vormen voor de traditionele domeinen van de standaardtaal Het meest opvallende waardoor het Schoon Vlaams van het Algemeen Nederlands (AN) afwijkt, zegt Goossens, is de grammatica Het gaat om een spraakkundig systeem dat, zo zegt hij, in geen enkele Nederlandse spraakkunst beschreven wordt, ook niet in ouderwetse Vlaamse schoolboekjes Het wordt gekarakteriseerd door ‘elementen en struc Neerlandica extra Muros Jaargang 43 31 turen uit voornamelijk centrale zuidelijke dialecten () die van daaruit naar het Schoon Vlaams zijn opgetild’ 4Op grond van die specifieke grammaticale kenmerken besluit Goossens dat Schoon Vlaams en Algemeen Nederlands wel degelijk twee ‘verschillende talen’ zijn Vroeger was Schoon Vlaams de benaming waarmee vooral de Vlaamse volksmens met ontzag naar de standaardtaal verwees, naar een variëteit die voornamer en eleganter was dan het dialect Nu wordt de term bijna altijd in ongunstige zin gebruikt voor ja, waarvoor eigenlijk? Goossens, die voor de revival van de term verantwoordelijk is, gebruikt hem als alternatief voor Van Istendaels Verkavelingsvlaams Of dat zo maar kan, is de vraag En wat Verkavelingsvlaams precies is, daar heeft men eigenlijk ook nooit een antwoord op gegeven Van Istendael zelf, die geen linguïst is, bedoelt er het volgende mee: de taal van een nieuwsoortig, door en door vals Vlaams zelfvertrouwen, het is de taal die uit angst voor dialect en uit angst voor het Nederlands is geboren, een wangedrocht is het, de taal van de Vlaamse intellectuele luiheid (V an Istendael 1989, 108109) Ook wanneer velen de term Verkavelingsvlaams overnemen, bedoelen ze daarmee niet noodzakelijk hetzelfde als Van Istendael Ik vrees zelfs dat velen de tekst van Van Istendael niet eens kennen en de term gewoon gebruiken als een soort synoniem van tussentaal 33 Het taalgebruik in Vlaanderen (en in vele andere plaatsen) is een continuüm Als je probeert een stuk uit dat continuüm te lichten en een naam te geven, kom je gelijk in de problemen Maar de echte problemen beginnen pas wanneer anderen die naam over gaan nemen, maar er niet per se dezelfde portie continuüm mee bedoelen Alle termen die wij voor taalvariëteiten gebruiken lijden daaraan: omgangstaal, regiolect, regionale standaard, Vlaamse substandaard, tussentaal, ja zelfs dialect en standaardtaal Er is geen reden waarom we met Verkavelingsvlaams of Schoon Vlaams beter zouden varen Dus is er ook geen reden waarom we ze niet zouden gebruiken, als we er tenminste in slagen min of meer duidelijk te maken wat we ermee bedoelen Maar hier wringt de schoen Misschien hebben we hier niet eens met een variëteit te maken, maar veeleer met een verzameling kenmerken die op grond van opleiding, leeftijd, sekse, regio en zelfs van persoon tot persoon kunnen verschillen Meestal lijkt er een variëteit mee bedoeld te zijn die: geen standaardtaal maar ook geen dialect is; vooral in gesproken vorm verschijnt en dus heel wat spreektalige kenmerken heeft; in de woordvorming en zinsbouw nogal wat Brabantse kenmerken vertoont; vrij veel dialectinvloed en gallicismen bevat; vooral gesproken wordt door mensen die nog zelden dialect spreken of er geen meer kennen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 32 Ook zo'n omschrijving blijft natuurlijk vaag, want er worden vragen opgeroepen waar we niet zo direct een antwoord op weten: Komen die Brabantse kenmerken ook of in dezelfde mate in de uitspraak, de woordenschat, de morfologie en de syntaxis voor? Is de dialectinvloed altijd vooral Brabants of kan die in Vlaanderen ook Vlaams en in Limbur gook Limbur gs zijn? W ordt Schoon Vlaams meer door Brabanders dan door nietBrabanders gebruikt, meer door jongeren dan door ouderen, meer door vrouwen dan door mannen? Als het juist is dat we hier te maken hebben met een over gangsvariëteit die ontstaan is in en door het dialectverliesproces, dan zou de variëteit het meeste gebruikt moeten worden door diegenen die het meeste of het eerste door dialectverlies zijn getrof fen: Brabanders, vrouwen, jongeren, hoger opgeleiden Verder geldt natuurlijk ook wat ten aanzien van iedere substandaard geldt: ook hier is er geen codificering en autoriteit, dus geen woordenboeken en spraakkunsten die in geval van twijfel te raadplegen zijn Het is vrij onwaarschijnlijk dat de velen die in de laatste jaren de termen Verkavelingsvlaams of Schoon Vlaams in de mond hebben genomen of zelfs erover geschreven hebben, daarbij aan al die problemen hebben gedacht 34 Zoals ik hiervoor al heb aangeduid, denk ik dat de variëteit in kwestie hoe dan ook een onvermijdelijke consequentie is van een spontaan taalproces W anneer het dialect verdwijnt, dan verdwijnt daarmee precies die variëteit, die normaliter in informele situaties gebruikt wordt Maar met de taalvariëteit houdt natuurlijk de situatie zelf niet op te bestaan en daarom blijft de nood aan een taalvorm voor informele situaties reëel In de meeste gevallen van dialectverlies is de vervangcode vooreerst een soort Umgangssprache ,waarin een grote hoeveelheid regionale interferenties voorkomt Die nieuwe taalvariëteit die, denk ik, niet eens een ‘intendierte Hochsprache’ (Mihm 1998) genoemd kan worden, is veeleer een ‘Substandaard’ (W illemyns, De Groof & Vandenbussche 2002) Na verloop van tijd kan in principe de ‘echte’ standaardtaal geleidelijk die substandaardtalen verdringen, wanneer hun rol uitgespeeld is Maar ook dan zou tussentaal natuurlijk niet helemaal verdwijnen Ook als er helemaal geen dialecten meer zouden bestaan, zou er nog altijd een regionaal gekleurde Umgangssprache voor informele communicatie overblijven 35 Er bestaan intussen wel een paar beschrijvingen van linguïsten, waarin voorbeelden van tussentaal worden gegeven: naast de al genoemde Goossens (2000) zijn er Neerlandica extra Muros Jaargang 43 bijvoorbeeld Geeraerts, Penne & Vanswegenhoven (2000) en de later nog te bespreken tekst van Hendrickx Geeraerts, Penne & Vanswegenhoven (2000), geven voorbeelden uit het taalgebruik van twee Vlaamse soap opera's Enkele excerpten: Neerlandica extra Muros Jaargang 43 33 fonetisch: hprocope (ik eb ),apocope en syncope bij korte functiewoorden (da, goe as ) morfologisch: adjectiefdeclinatie (ne kleinen bakker ),diminuering (doekske ), proniminagebruik (gij, ekik enz) syntactisch: dubbele negatie (ik hoor nie goe nie meer ) lexicaal: klappen, bijkans, seffens Die kenmerken zijn uiteraard niet ‘nieuw’: ze hebben altijd al bestaan in allerlei variëteiten op het continuüm tussen dialect en standaardtaal Vroeger werd dit dialectinterferentie genoemd ‘Nieuw’ kan hooguit zijn dat dit soort taal nu gebruikt wordt in communicatieve situaties en settings waar dat vroeger (misschien) minder gebeurde ‘Nieuw’ is misschien vooral de naam die eraan gegeven wordt, veel meer dan het fenomeen zelf 36 Volgens Tops (2001) is ‘Schoon Vlaams’ de meest gesproken variant van het Nederlands in het Zuiden en hij zegt terecht: ‘W emoeten nauwkeurig weten wat het is, hoeveel variatie erin zit, wanneer en door wie het allemaal gebruikt wordt, enzovoort’ Alleen zal dat niet zo simpel zijn, niet zoals Tops beschuldigend vermoedt omdat op dat soort onderzoek ‘nog altijd een vreselijk taboe’ zou rusten, maar omdat het zo vreselijk gecompliceerd is het onderzoekingsobject af te bakenen en te definiëren Er lopen al sinds enkele jaren serieuze onderzoekingsprojecten naar variabiliteit in gesproken en geschreven Nederlands in Noord en Zuid, waar veel geld en veel personeel mee gemoeid zijn Daar zal dus op den duur ook een profiel van Schoon Vlaams uit komen, mocht er inderdaad zoiets bestaan 37 In een van de eerste onderzoekingen met kwantificeerbare data (V andekerckhove 2004) vinden we een voorzichtige analyse van gesproken Nederlands, waarin twee van de boven gestelde vragen in verband met Schoon Vlaams onderzocht werden, namelijk of het gebruik van die variëteit geografisch geconditioneerd is en of jongeren ze meer of minder gebruiken dan ouderen Op grond van het materiaal uit het Corpus Gespr oken Nederlands ,een databank van hedendaags Nederlands, zoals dat gesproken wordt door volwassenen in Vlaanderen en in Nederland, onderzocht zij twee kenmerken van het Schoon Vlaams: de pronomina van de tweede persoon (persoonlijk en bezittelijk, subject en object): ge, gij, u, uw versus je, jij, jou, jouw en het diminutiefsuffix (ke, ske versus je)5 In beide gevallen blijken Brabanders en Limbur gers wezenlijk vaker de ‘SchoonVlaamse’ vorm te gebruiken dan W estVlamingen, en die W estVlamingen blijken ook de enigen te zijn bij wie jongeren in bepaalde gevallen vaker de Neerlandica extra Muros Jaargang 43 standaardtalige vorm gebruiken dan de ouderen Dat het bij Brabanders en Limbur gers bijna altijd andersom is, lijkt erop te wijzen dat de SchoonVlaamse vorm daar nog aan populariteit wint Neerlandica extra Muros Jaargang 43 34 Zoals de auteur ook zelf terecht opmerkt, moet er bij de analyse van deze cijfers rekening mee worden gehouden dat enkele van de standaardtalige varianten (het diminutiefsuffix je en ‘je’ als aanspreekvorm en als objectvorm van het bezittelijk voornaamwoord) in een deel van W estVlaanderen endogeen zijn (W illemyns 1979) Andere vormen echter (jij, jou, jouw) zijn het niet en in het Zuiden en Zuidoosten van de provincie is geen enkele van de standaardtalige pronomina endogeen Bovendien is in het noordelijk en westelijk W estVlaamse ‘je’gebied, dat ‘je’ ook een eenheidspronomen en niet, zoals in de standaardtaal, deel van een ‘jeu’systeem Daar komt bovenop dat W estVlamingen in de realisering van hun geïntendeerd Standaardnederlands al vanouds wantrouwen aan de dag leggen tegenover endogene vormen (Debrabandere 2005, 30) en die graag en vaak door exogene vervangen, waarvan ze (vaak ten onrechte) vermoeden dat ze ‘juister ’,dw z normgerichter zijn De Schutter (1973, 120121) constateerde bij vooral Oost en W estVlamingen ‘de neiging om zich in zijn bovenregionale taal zoveel mogelijk tegen het dialekt af te zetten’ Een van de conclusies van Vandekerckhove (2004, 990) luidt hoe dan ook: () het gesysteem blijft voor Vlaanderen als geheel dominant Dat geldt bij uitstek voor het gebied dat de jongste jaren het uitzicht van het (informele) Nederlands in Vlaanderen in toenemende mate is gaan bepalen en dat mn de provincies Brabant en Antwerpen omvat Limbur gsluit zich hier onmiskenbaar bij aan W estVlaanderen doet dat niet, waardoor ironisch genoeg het nietdialectische informele taalgebruik van de meest dialectvaste regio van Nederlandstalig België voor deze variabele het dichtst de standaardtaal benadert Misschien is dit ironisch, maar het is vooral logisch en het bevestigt mijn hypothese: tussentaal tiert het weligst waar het dialectverlies het grootst is (W illemyns 2005) Of, zoals Debrabandere (2005, 31) in een moedeloze balans van decennia ‘ABNbeweging’ het uitdrukt: ‘ we hebben het dialect gestigmatiseerd, Vlaanderen zijn dialect afgeleerd en het naar tussentaal gedreven, al was dat net niet de bedoeling Intussen kennen onze jongelui hun mooie dialect niet meer ,en kennen ze nog altijd geen Nederlands Jammer ’ 38 De hier beschreven ontwikkeling is dus niet eenvoudig en leidt duidelijk niet tot het vervangen van die ene variëteit door één andere: het is allerminst zo dat door het verschijnen van Schoon Vlaams alle andere nietstandaardvariëteiten ineens zouden ophouden te bestaan Bij vele taalgebruikers blijven de vroegere variëteiten met de nieuwe variëteit samenleven, waardoor de onderlinge verhoudingen in het variëteitenspectrum ook veranderen W elke plaats gekuist dialect, regionale omgangstaal, Belgisch Beschaafd en zo meer (W illemyns 2003, 319322) nu innemen in een continuüm waarin ook voor ‘Schoon Vlaams’ een plaatsje is gereserveerd, is totnogtoe niet echt onderzocht Neerlandica extra Muros Jaargang 43 35 W at vele ‘taalverzor gers’ vooral vrezen is dat, wanneer een bepaalde substandaard werkelijk populair wordt, het gebruik ervan niet beperkt blijft tot die situaties waarin vroeger dialect werd gebruikt En zo stelt men inderdaad vast dat het Verkavelingsbrabants in toenemende mate gebruikt wordt in situaties en domeinen, die voordien voor de standaardtaal of de geïntendeerde Standaardtaal voorbehouden bleven Dat overlopen in andere domeinen iswat de opwinding van vele taalverzor gers verklaart, zo bijvoorbeeld die van Hendrickx, de ‘taalraadgever ’van de VR THij heeft een paar jaar geleden een campagne gestart met de naam Taalsignaal voor 6 miljoen Vlamingen ,om het te ver gaande gebruik van tussentaal te stoppen 6Voor de TVmensen schrijft hij het volgende: Tussentaal staat slordig En dat terwijl verzor gd spreken niet veel moeite kost In deze folder vind je de topvijftien van de tussentaal: vijftien slordigheden in uitspraak en spraakkunst die je makkelijk kan vermijden Doe het dan ook, want wat jij in de uitzending zegt, is een taalsignaal voor zes miljoen Vlamingen Ook hier vinden we de klassieke voorbeelden: da, wa; elemaal; de voetbal; de Jan; da wist ekik nie; komdegij ook; ne jongen, nen boek; meiske; werkt nog goe enz 7 Ook hier is er,denk ik, niets ‘nieuws’ al zou men eventueel het feit dat het nog altijd niet ‘beter ’is geworden als zodanig kunnen bestempelen Gelaakt wordt inderdaad vooral dat tussentaal al maar meer gebruikt wordt in vele televisieseries Het begon bij de commerciële zenders, maar de ‘mode’ is intussen ook al wijd verbreid op de openbare televisie Het is mij ook opgevallen dat er in radioreclame op Radio Een (openbare omroep) meer en meer een functionele afwisseling merkbaar is tussen standaardtaal en tussentaal In vele spots, waarin na een dialoog een commentaartekst wordt gesproken, wordt de dialoog in tussentaal gevoerd, terwijl de commentaar in zor gvuldig en normgerecht Standaardnederlands weerklinkt Ik geef een voorbeeld: kapster en klant hebben het er in het kapsalon over hoe geweldig het haar van de klant er nu wel uitziet Dat gebeurt in tussentaal In de commentaartekst wordt er dan op gewezen dat iedereen zo'n prachtige haardos kan krijgen als zij maar product X gebruikt Die boodschap wordt in formele Standaardtaal gedebiteerd Daaruit blijkt dus niet alleen dat de tekstschrijvers perfect op de hoogte zijn van het verschil tussen beide variëteiten en hun gebruiksmogelijkheden, maar het is ook duidelijk dat zij door hun usus die specifieke vorm van diglossie nog versterken en verbreiden Onderzoekingen van Saman (2003) en Van Gysel, Geeraerts & Speelman (2005) hebben mijn indruk intussen bevestigd Ook Geeraerts, Penne & Vanswegenhoven (2000, 170) hadden er al op gewezen dat het allesbehalve denkbeeldig is dat ook de auteurs van soap opera's door hun weer gave van de realiteit de tussentaal nog verder verbreiden en de toeschouwer in de waan brengen, cq laten dat het perfect aanvaardbaar of zelfs verkieslijk is in zulke informele situaties tussentaal te gebruiken Neerlandica extra Muros Jaargang 43 36 4 W at nu? 41 Zoals gezegd vinden velen de zopas beschreven ontwikkeling allesbehalve gelukkig Het gaat daarbij niet alleen om verstokte integrationisten, maar ook om vele anderen die prijs stellen op wat ‘verzor gd’ taalgebruik wordt genoemd In zulke situaties klinkt onvermijdbaar de roep om ingrijpen ‘van hogerhand’ een beetje luider dan anders Met die ‘hoge hand’ wordt meestal in de eerste plaats aan het onderwijs gedacht, meer specifiek aan een opdracht of taak waarmee de minister(s) van onderwijs de leraren, meer specifiek de leraren Nederlands, zou kunnen/moeten gelasten Die moeten er dan voor zor gen dat niet alleen de leerlingen ‘beter ’ Standaardnederlands leren, maar ook en vooral dat ze die variëteit vaker en in meer omstandigheden gebruiken De leerlingen zouden dus minder Verkavelingsvlaams (in Vlaanderen) en Poldernederlands (in Nederland) moeten spreken Zowel Stroop (1998) als Goossens (2000) en Van de Velde (2000) vinden een nieuwe periode van taalplanning op zijn plaats en zijn van mening dat de overheid, de school en de media zich als raadgevers behoren op te stellen bij het standaardisatieproces Of de leraren dat kunnen of zelfs maar willen proberen is een andere zaak Volgens Debrabandere (2005, 30) kan noch wil ‘de jongste generatie taalleraren’ dat: ‘bij de onkunde heeft zich nu ook onwil gevoegd’ In verband met de haalbaarheid van de taak die de leraren toebedacht wordt, is het bovendien verhelderend na te gaan wat de leraren Nederlands in Vlaanderen en Nederland over het andere deel van het taalgebied weten en welk contact ze er zelf mee hebben Kloots (2001) heeft daar onderzoek naar gedaan Ze onthult: In het dagelijkse leven ontmoet de over grote meerderheid van de Vlamingen (77%) zelden of nooit Nederlanders Bij de Nederlandse respondenten krijgen we ongeveer hetzelfde percentage (75%) als we vragen of ze Vlamingen in hun naaste omgeving hebben 17,2% van de ondervraagde Vlaamse leraren Nederlands en 24,6% van hun Nederlandse collega's hebben in het andere deel van het taalgebied ‘vrienden en kennissen’ (Kloots 2001, 191) Ook het contact via de media is niet uitbundig: Nederlandse radioprogramma's blijken niet echt populair in Vlaanderen: 86,9% van de Vlaamse leerkrachten geeft aan dat hij/zij er nooit naar luistert Van de Nederlandse leraren luistert 77,9% nooit naar de Vlaamse radio (ib) Televisieprogramma's uit het andere deel van het taalgebied zijn duidelijk populairder , maar toch kijkt ‘bijna de helft van de leerkrachten er zelden of nooit naar ’(192) Neerlandica extra Muros Jaargang 43 37 42 Succesvolle taalveranderingen zijn veelal compromissen tussen taalnatuur en taalcultuur Vaak is het nuttig ongebreidelde uitingen van taalnatuur door een krachtiger ingrijpen van taalcultuur in andere banen te leiden Dat is dus wat door velen gevraagd wordt naar aanleiding van de destandaardisering in Vlaanderen De vraag is of de tijd daar rijp voor is en of men op voldoende begrip en medewerking zal kunnen rekenen De integratieideologie die, zeker in Vlaanderen, de enige lijkt te zijn die een der gelijke campagne kan rechtvaardigen, staat op een laag pitje Taalplanning heeft in het verleden in belangrijke mate zowel de structuur als het gebruik van het Nederlands in België bepaald Gedurende de negentiende eeuw slaagden de zogenoemde particularisten er niet in het Vlaamse culturele establishment af te houden van een integrationistisch standpunt Het gevolg daarvan is geweest dat het gangbaar werd om te vinden dat de standaardisering van het Nederlands in België in overeenstemming diende te zijn met de ontwikkeling in NoordNederland De onderliggende gedachte daarvan was een politieke, namelijk gebruik te maken van het prestige van het Nederlands als de officiële taal van Nederland in de strijd tegen het Frans, dat toen de prestigetaal van België was (W illemyns & Haeseryn 1998) Inmiddels, nu de taalkwestie in België al geruime tijd is geregeld, is dat specifieke doel van het integrationisme bereikt Natuurlijk zijn er nog taalschermutselingen in Brussel en hier en daar langs de taalgrens en allicht zullen die nog een poosje verder gaan, maar zelfs de wildste verwachtingen van de pioniers van de Vlaamse Beweging zijn al lang ruim overtrof fen Vlaanderen is een eentalige deelstaat van een federaal België, het Nederlands is de officiële taal van de meerderheid van de bevolking en van het meest voorspoedige en welvarende deel van het land W at in een meertalig gebied het prestigekarakter van een taal bepaalt, is allemaal in Vlaanderen te vinden en zolang dat niet verandert kan niets de status, de functie en het prestige van het Nederlands in België bedreigen De onderlinge verhouding van de variëteiten van het Nederlands aan weerszijden van de rijksgrens is er nu meer en meer een zoals die gebruikelijk is tussen pluricentrische taalvariëteiten De in het verleden opgebouwde attitudes en gewoonten zullen natuurlijk een belangrijke rol blijven spelen, maar ze zijn niet langer de beslissende factoren en ze zullen minder en minder als motiverende motor voor taalplanningsacties dienst kunnen doen 5 Conclusie Verkavelingsvlaams cq Schoon Vlaams is een dif fuus begrip Het is een soort verzamelnaam geworden voor zeer uiteenlopende tendensen, waarvan niemand weet of ze zich in de toekomst in dezelfde richting zullen ontwikkelen Hetzelfde geldt voor Poldernederlands W anneer we dat alles in historisch perspectief bekijken, kunnen we niet uitsluiten dat we hier te maken hebben met een kortetermijnverandering (‘short term change’) Het gaat om veranderingstendensen die ontstaan in Neerlandica extra Muros Jaargang 43 38 enkele heel specifieke bevolkingsgroepen en in verschillende delen van het taalgebied Of en wanneer een kortetermijnverandering een duurzame langetermijnverandering wordt, hangt af van de factoren die de verbreiding van veranderingen door tijd en ruimte plegen te bepalen Dat zijn de gebruikelijke sociale variabelen zoals sociale klasse en beroep, opleiding, leeftijd, geslacht, evenals domeinspecifieke factoren en taalplanningsfactoren Dat op het niveau van de tussentalen Zuid en Noord ver van elkaar af staan is een feit Dat is op zichzelf geen probleem: het is altijd al zo geweest Een probleem wordt het pas mochten die tussentalen in toenemende mate functies van de Standaardtaal gaan overnemen Voorspellingen daarover zijn niet ergvruchtbaar ,maar een ding is vrij waarschijnlijk: de ontwikkeling van het Nederlands in de eenentwintigste eeuw belooft bijzonder interessant te worden en het zal de moeite waard zijn ze niet alleen te observeren, maar ook er een rol in te spelen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 39 Bibliografie AMMON ,U: Die deutsche Sprache in Deutschland, Österr eich und der Schweiz Das Pr oblem der nationalen Varietäten Berlin/New York, 1995 BLANCQUAER T,E: Praktische uitspraakleer van de Nederlandsche taal Antwerpen, 1934 DEBRABANDERE ,F:‘Het echec van de ABNactie in Vlaanderen’ Nederlands Van Nu 53 ,2005, 2731 DESCHUTTER ,G: ‘Eksogeen taalgebruik in ZuidNederland’ Album Willem Pée Tongeren, 1973, 117123 DEYGERS ,K& VVAN DEN HEEDE :‘BelgischNederlandse “klassiekers” als variabelen voor lexicaal variatieonderzoek: een evaluatie’ Taal en tongval 52 , 2000, 308328 GEERAER TS ,D,PENNE ,A & VANSWEGENHOVEN ,V:‘Thuis taal en Familie taal Taalgebruik in Vlaamse soaps’ S Gillis, J Nuyts & J Taeldeman (red), Met taal om de tuin geleid Een bundel opstellen voor Geor ges De Schutter Antwerpen, 2000, 161170 GEERAER TS ,D,SGRONDELAERS & DSPEELMAN :Conver gentie en diver gentie in de Nederlandse woor denschat Een onderzoek naar kleding en voetbaltermen Amsterdam, 1999 GOOSSENS ,J: Belgisch Beschaafd Nederlands en Brabantse expansie De nieuwe TaalgidsV an Haeringennummer ,1970, 5470 GOOSSENS ,J: De toekomst van het Nederlands in Vlaanderen In Ons Erfdeel 43 ,2000, 313 HAESER YN ,W :‘Belgisch Nederlands voor Vlamingen!’ J de Caluwe, G de Schutter ,M Devos & J van Keymeulen (red), Schatbewaar der van de taal Johan Taeldeman Liber Amicorum Gent, 2004, 481489 JASPERS ,J: ‘Het Vlaamse stigma, over tussentaal en normativiteit’ Taal en Tongval 53, 2001, 129153 KLOOTS ,H: ‘Leerkrachten Nederlands en het andere deel van het taalgebied’ Taal en Tongval 53, 2001, 175196 M IHM ,A: ‘Arbeitersprache und gesprochene Sprache im 19 Jahrhundert’ D Cherubim & KJ Mattheier (eds), Voraussetzungen und Grundfragen der Gegenwartsprache Sprach und sozialgeschichtliche Untersuchungen zum 19 Jahr hundert Berlin/ New York, 1998, 282316 SAMAN ,V:Studie van het taalgebruik in reclamespots op de radio in Vlaander en van 1991 tot 2001 Tussentaal in opmars? Gent: ongepubliceerde licentiaatsverhandeling, 2003 STROOP ,J: Poldernederlands Waar door het ABN ver dwijnt Amsterdam, 1998 TAELDEMAN ,J: ‘W elk Nederlands voor Vlamingen?’ L De Grauwe & J De Vos (red), Van sneeuwpoppen tot tasmuurtje, aspecten van de Nederlandse taal en literatuurstudie, Spieghel Historiael 33 ,1993, 928 THEISSEN ,S: ‘Elf jaar Belgisch Nederlands in Knack De evolutie van 1991 tot 2001’ Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde 113 ,2003, 243259 THEISSEN ,S: ‘V oegwoordelijke bijwoorden in de aanloop of op de eerste zinsplaats’ J de Caluwe, G de Schutter ,M Devos & J van Keymeulen (red), Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Schatbewaar der van de taal Johan Taeldeman Liber Amicorum Gent, 2004, 771776 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 40 THEISSEN ,S: ‘Schrijft Knack Belgisch? Conclusie’ Nederlands van nu 53, 2005, 3133 TOPS ,G: ‘Schoon Vlaams is óók Nederlands’ De Standaar d,30 maart 2001, 9 VANDEKERCKHOVE ,R: ‘W aar zijn je, jij en jou(w) gebleven?’ J de Caluwe, G de Schutter ,M Devos & J van Keymeulen (red), Schatbewaar der van de taal Johan Taeldeman Liber Amicorum Gent, 2004, 981993 VAN DE VELDE ,H: Variatie en verandering in het gespr oken Standaar dNederlands (19351993) Nijmegen, 1996 (dissertatie) VAN DE VELDE ,H: ‘100 Jaar uitspraak’ Nederlands van Nu 48 ,2000, 3538 VAN GYSEL ,S,DGEERAER TS & DSPEELMAN :A functional analysis of the linguistic variation in Flemish spoken commer cials Ter perse (2005) VAN HERREWEGHE M & SSLEMBROUCK :‘T ekstondertiteling en tussentaal: de pragmatiek van het alledaagse’ J de Caluwe, G de Schutter ,M Devos & J van Keymeulen (red), Schatbewaar der van de taal Johan Taeldeman Liber Amicorum Gent, 2004, 853875 VAN ISTENDAEL ,G: Het Belgisch labyrint Wakker wor den in een ander land Amsterdam, 1989, veertiende, ‘geheel herziene’ druk: 2001 W ILLEMYNS ,R: ‘V orm en functie van de aanspreekvormen in W est en FransVlaanderen’ Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 53 ,1979, 171193 W ILLEMYNS ,R: Dialektverlust im niederländischen Sprachraum Zeitschrift für Dialektologie und Linguistik 64 ,1997, 129154 W ILLEMYNS ,R: Het ver haal van het Vlaams De geschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden Antwerpen/Utrecht, 2003 W ILLEMYNS ,R: ‘Der Einfluss von Dialektresistenz auf die flämischen Substandardvarietäten’ Alexandra N Lenz & Klaus J Mattheier (eds), Varietäten Theorie und Empirie Frankfurt, 2005, 163176 W ILLEMYNS ,R& RHAESER YN :‘T aal en Vlaamse Beweging’ Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging Tielt, 1998, 29312946 W ILLEMYNS ,R,JDE GROOF & W VANDENBUSSCHE :‘Die Standardisierungsgeschichte des Niederländischen im 18 und 19 Jahrhundert Einige Er gebnisse und Forschungsdesiderate’ JAndroutsopoulos & E Ziegler (eds), Standar dfragen Soziolinguistische Perspektiven auf Sprachgeschichte, Sprachkontakt und Sprachvariation Frankfurt, Peter Lang 2003, 2738 Eindnoten: 1 De grootste daling in gebruik kennen de woorden stortbad, hesp, regenscherm, ijskast en beenhouwer 2 Voorbeelden van zulke vaak gebruikte maar minder alzodanig bekende belgicismen zijn verlof zonder wedde, baxter ,historiek, lintmeter ,klastitularis en onthaalmoeder 3 Bv ‘zou moeten gedaan wor den ’ipv ‘zou moeten wor den gedaan ’ Neerlandica extra Muros Jaargang 43 4 Een paar van Goossens' voorbeelden zijn: nen aap, dienen hoge stoel, schoon tafels, ons kat 5 Ter perse 6 Het gaat hier om een intern VR Tdocument, een soort scheurkalender in de vorm van een mousepad :iedere dag een blad eraf halen en daar verschijnt een nieuwe taaltip 7 Omdat men tav de Duitse en allicht ook de Engelse televisie mutatis mutandis hetzelfde kan zeggen doet men er goed aan de hele Europese destandaardiseringsbeweging tebeschouwen ipv alleen tekijken wat in ons eigen taalgebied gebeurt Neerlandica extra Muros Jaargang 43 41 Pde Kleijn Nederlands voor de lager ,de middelbaar en de hoger opgeleide Kroniek van het Nederlands voor anderstaligen Code Code Nederlands is in de wereld van het Nederlands voor anderstaligen een begrip geworden Maar volgens het Voorwoord bij Code ,de opvolger van Code Nederlands , zijn samenleving en tweedetaalonderwijs intussen ‘ingrijpend’ veranderd Het uitgangspunt van Code is dat taal een instrument is voor interactie en communicatie: alle oefeningen en opdrachten zijn gericht op het kunnen uitvoeren van reële, functionele taken Interactie en communicatie zijn niet alleen doel maar ook middel, hetgeen betekent dat er vaak in tweetallen of in groepsverband gewerkt moet worden en dat de cursisten met elkaar moeten praten, overleggen, resultaten ver gelijken en uitwisselen Code is met andere woorden een taakgerichte leer gang waarbij taak betekent ‘een reeks van communicatieve handelingen waarbij een of meerdere taalgebruikers betrokken zijn en die gericht is op het bereiken van een bepaald doel’ (Kuiken, 1996) Voor het uitvoeren van die taak zijn verschillende media nodig: het computerprogramma (inclusief het audio en videomateriaal), internet, maar ook het boek Daarbij is gestreefd naar flexibiliteit Taken uitvoeren moet iedereen, maar ander materiaalaanbod (oefeningen gericht op het kunnen uitvoeren van een taak, op het verwerven van grammatica en routines, op het inslijpen van vaardigheden) kan, al of niet in overleg met de docent, worden over geslagen omdat het bijvoorbeeld te gemakkelijk is of al bekend Deze mogelijkheid impliceert dat er in Code ,behalve voor groepswerk, ook ruimte is voor het individueel, zelfstandig werken Met het oog op deze laatste mogelijkheid wordt de instructietaal zo eenvoudig en duidelijk mogelijk gehouden, zodat deze ook zonder de hulp van de docent begrepen kan worden De doelgroep van Code is die van Code Nederlands :de hoger opgeleide Hij of zij bereikt na 90 uur in de klas en 90 uur zelfstudie niveau A2 van het Common European FrameworkCEF (Code 1)Voor Code 2is de studielast ongeveer 340 tot 300 uur ook weer voor de helft gestuurd en voor de helft zelfstudie en het eindniveau B1 Code 3en dus de leer gang in zijn geheel voert naar B2/C1, een niveau waarop het succesvol afleggen van het NT2Staatsexamen, programma II, mogelijk moet zijn In wat volgt gaat het hoofdzakelijk over Code 1 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 42 De cursus is zeer omvangrijk en dat is heel goed Tevaak hebben auteurs naïeve ideeën over het noodzakelijke volume van de oefenstof of schuwen zij herhalingsopdrachten, ten onrechte denkende dat in de toegepaste taalkunde zachte heelmeesters geen stinkende wonden maken Er is, om te beginnen, een Takenboek In bijvoorbeeld hoofdstuk 5(over routes en reizen) zijn die taken: de weg vragen, een vervoerbewijs kopen, een routebeschrijving begrijpen, een route beschrijven Taken worden eerst ‘voorbereid’ (tekst en dialogen lezen, naar tekst en dialogen luisteren, opdracht uitvoeren), daarna volgen de uitvoering en de afronding De taakuitvoering kent verschillende modaliteiten: alleen of samen, zelfstandig of met begeleiding, met of zonder het computerprogramma, met of zonder werkbladen Het Computerpr ogramma biedt niet alleen luisterteksten, videomateriaal en opdrachten die gericht zijn op de uitvoering van genoemde taken, maar ook ongeveer 1500 extra oefeningen voor het inslijpen van de aangeboden taal en om het luisteren en verstaan te verbeteren Die luisterteksten en dat videomateriaal staan ook op een audiocd en een videoband Dat is handig voor zowel de cursist als voor de docent, want dat materiaal kan aldus beluisterd, bekeken en aangeboden worden zonder dat er een computer nodig is Het Oefenschrift omvat invuloefeningen die horen bij de woordenschat en grammaticaoefeningen van het Computerprogramma Dus ook het Oefenschrift biedt de mogelijkheid opdrachten uit te voeren zonder de computer Ten slotte zijn er een Docentenhandleiding en een Docenten cdr om Daarin en daarop worden de uitgangspunten geformuleerd en wordt er in het algemeen en per hoofdstuk uitvoerig uitgelegd hoe er met Code gewerkt moet worden Deze twee documenten omvatten bovendien de transcripten van de luisterteksten en de videofragmenten Theoretisch uitgangspunt voor Code is, zoals gezegd, functionaliteit Dat is heel mooi, maar gelukkig besef fen de auteurs van Code dat daarvoor ‘bouwstenen’ vereist zijn, bijvoorbeeld woorden of standaardzinnetjes (‘routines’ genoemd) Ze besef fen ook dat functionaliteit nog al eens op gespannen voet staat met een ander belangrijk taalelement: de grammatica Ze kiezen voor beide Er is dus in Code expliciete aandacht voor grammatica, in het Takenboek door het geven van beknopte regels, in het Computerprogramma en in het Oefenschrift door het aanbieden van grammaticale oefeningen Bij die keuze voor functionaliteit én vormkenmerken verwijzen de auteurs van Code naar ‘recente opvattingen over taalleren’, met name naar de Focus on Form theorie zoals die is uiteengezet door Doughty & W illiams (1998) Dit betekent dat de cursist eerst een taak voorbereidt en uitvoert en dat daarna zijn aandacht wordt gevestigd op de vorm De regel wordt uit de taak gelicht, aldus Code Maar welke regel uit welke taak? De meervoudsregel wordt gegeven bij de taak ‘Praten over je huis’, maar waarom niet bij de taak ‘Advertenties van huizen lezen’? ‘Praten over je huis’ is een taak uit hoofdstuk 4 Komt het meervoud daar pas voor het eerst aan bod? Geenszins En welke hulp biedt deze koppeling van regels aan taken om de omvang van de regel te bepalen? Ik ben een voorstander van het beleden uitgangspunt, maar de praktische toepassing isveel gecompliceerder dan Code ons wil doen geloven Neerlandica extra Muros Jaargang 43 43 Code is zonder meer een aanwinst voor zowel het NT2 als het NVTonderwijs De didactische benaderingsmogelijkheden zijn talrijk, gevarieerd en flexibel: de computer , de cd, de video maar ook het schrift; men werkt zelfstandig, begeleid, in paren of in groepjes Dat men recht kan doen aan individuele leercapaciteiten zodat de sterke broeders niet op de zwakke hoeven wachten is een groot pluspunt Natuurlijk is er ook aandacht voor de cultuur want hoe zou je een functionele leer gang kunnen schrijven zonder de fiets, feestjes, het onderwijssysteem, complimenten en omgangsvormen ‘Daarnaast willen we de cursist kennis laten maken met de Nederlandse normen en waarden’ Over taakgericht gesproken De vormgeving is aangenaam, levendig en overzichtelijk Alleen die titel, Code , kon dat niet wat opwindender? De Da Vinci Code is bezet Maar de Van Gogh Code? Nederlands in actie W erk en vrije tijd, reizen, gevoelens, onderwijs, buitenlanders in Nederland, gezondheid, relaties, kunst en cultuur en literatuur: dat zijn de thema's die in Nederlands in actie de taalkennis van hoger opgeleiden van niveau A2 naar niveau B1 moeten brengen W at is het selectiecriterium voor de thema's? Op die vraag vind je zelden een antwoord, maar Nederlands in actie verantwoordt die keuze wel ‘De thema's zijn gekozen door studenten uit de groepen voor wie dit materiaal bedoeld is’ Daar valt verder weinig tegenin te brengen, behalve dat dit onderwerpen heeft opgeleverd die in dit soort leer gangen al zo vaak zijn behandeld en dat hoger opgeleiden die iets zoeken in de sfeer van bijvoorbeeld de economie, het recht en de criminaliteit, de informatica, de politiek of Europa weer niet aan hun trekken komen Nederlands in actie ,dat per thema ongeveer acht uur les en acht tot twaalf uur zelfstudie vereist, toont in zijn aanpak veel overeenkomst met Code Aandacht voor lezen, luisteren, schrijven, spreken, voor taalfuncties, vocabulaire en grammatica Van die vocabulaireuitbreiding zeggen de auteurs dat het ‘een essentieel onderdeel’ van de leer gang is Dat een nieuw te leren woord vijf keer expliciet wordt aangeboden, is met dit credo geheel in overeenstemming Maar niet dat het aantal van deze woorden zo onbegrijpelijk gering is: ongeveer 180 Voor deze constatering kan ik me niet beroepen op het CEF ,want dat geeft bij de descriptoren helaas geen aanwijzingen voor het aantal passief of actief te kennen woorden Maar je kunt wel verwijzen naar de vakliteratuur over niveau en woordenschatkennis en je kunt ver gelijken, bijvoorbeeld met Code 2of met Vanzelfspr ekend waar respectievelijk zo'n 1500 en 1000 woorden worden aangeboden, twee leer gangen die hetzelfde CEFsegment bestrijken als Nederlands in actie :van A2 naar B1 Die 180 woorden zijn geselecteerd uit het Basiswoor denboek van De Kleijn en Nieuwbor gdat een opsomming en beschrijving geeft van de ruim 2000 meest frequente woorden van het Nederlands Bij die selectie zit een niet gering aantal Neerlandica extra Muros Jaargang 43 44 woorden waarvan je mag aannemen dat de student die al kent Hij is immers geen beginner Maar wat ik bij die selectie problematischer vind is de relatie woordenschatthema Doel van de cursus is uitbreiding van de ‘talige competentie’, dw z de vaardigheid bepaalde taalmiddelen, bijvoorbeeld woorden, ‘op het juiste moment’ aan te wenden Omdat er gekozen is voor thema's, neem ik aan dat dat juiste moment daar is als de cursist geconfronteerd wordt met situaties binnen een thema (hij gaat op reis, hij wil zijn liefde verklaren, hij moet naar de dokter ,hij studeert) Maar voor die situaties vindt hij of zij in Nederlands in actie weinig hulp, want bij die ±180 woorden die worden uitgelegd en waarmee geoefend wordt, staan er maar zeer weinig die iets te maken hebben met de thema's De wel aanwezige maar niet verklaarde themawoorden zijn te vinden in teksten, oefeningen en opdrachten Ook hun aantal vind ik bij sommige thema's gering en welke plaats ze innemen in het leerproces is me onduidelijk In Bijlage 2wordt aangegeven welke grammaticale kennis de cursist geacht wordt in huis te hebben als hij of zij met Nederlands in actie begint: presens, perfectum, imperfectum, modale werkwoorden, persoonlijk voornaamwoord (subject en object), bezittelijk, reflexief en aanwijzend voornaamwoord en het adjectief Nieuw in de cursus zijn dan, in volgorde van aanbieding, conjuncties, bijzin, indirecte rede, zullen in het presens, om te +infinitief, scheidbare werkwoorden, er,bijvoeglijke bijzinnen, het bijvoeglijk naamwoord, zullen in het imperfectum en het passief Bij die aanbieding wordt soms volstaan met voorbeelden en het gebruik van een verhelderende layout, soms wordt er ook een sobere toelichting gegeven Deze ingehouden presentatie is een bewuste keuze Alle aandacht moet gaan naar het gebruik Theorie schrikt de studenten af of ze ‘verdrinken’ erin, waarmee wordt bedoeld: ze kennen de regel maar ze kunnen hem niet toepassen In de bijlage wordt uitvoeriger uitleg gegeven Ik begrijp deze aanpak, maar ik vind het onhandig dat er bij de eerste aanbieding niet naar de bijlage wordt verwezen De uitleg in de bijlage wordt vaak ‘vereenvoudigd’ aangeboden Voor die vereenvoudiging beroepen de auteurs zich op het feit dat ze zich richten op taal in veelvoorkomende situaties Eenvoudige grammatica voor frequente situaties, moeilijke grammatica voor minder frequente Helaas is de werkelijkheid anders en loop je ook in die veelvoorkomende situaties voortdurend tegen moeilijke grammatica aan (modale werkwoorden, woordvolgorde, er,het passief) De doelgroep van Nederlands in actie wordt gevormd door hoger opgeleiden Binnen deze doelgroep richt men zich op buitenlanders die al dan niet permanent in Nederland wonen en op studenten Nederlands buiten Nederland Als die extramurale student Nederlands op academisch niveau studeert, kan hij, zeggen de auteurs, voor de grammatica uiteraard niet terugvallen op Nederlands in actie Maar de andere gebruikers in het buitenland ‘kunnen Nederlands in actie gebruiken zoals in Nederland de NT2student’ Als dat zo is, wat blijft er in deze cursus dan nog over van die specifieke extramurale aandacht? Dit: ‘W ezijn er in de opdrachten niet vanzelfsprekend van uitgegaan dat de student zich in Nederland bevindt’ Neerlandica extra Muros Jaargang 43 45 Als illustratie van inhoud en aanpak van de cursus in zijn geheel, iets over thema 6: Gezondheid Daar vindt men lees en luisterteksten over blowen, alcoholgebruik, euthanasie en eetstoornissen, met daarbij begripsvragen, vocabulaireoefeningen, spreek, schrijf en luisteropdrachten Verder de behandeling van en oefeningen met het relatief pronomen, een prepositieoefening, routinezinnetjes, een lied (op dvd, maar vanwege auteursrechten jammer genoeg niet met de originele stemmen) en reflectie (de student stelt zichzelf de vraag of hij de grammatica kan toepassen, of hij standpunten van schrijvers kan herkennen in een tekst etc) Op de website staan extra oefeningen over het relatief pronomen (3), over preposities (1) en twee vocabulaireoefeningen (in de vorm van een kruiswoordraadsel) Voorts twee internetopdrachten: men moet een site over de muisarm en een over een eettest bekijken en de daarbij gegeven opdrachten uitvoeren Nederlands in actie ziet er aantrekkelijk en overzichtelijk uit, met leuke en stimulerende websiteopdrachten De presentatie van de oefenstof is heel gevarieerd zodat het me een plezier lijkt om met dit materiaal te werken Maar de beoogde uitbreiding van de vaardigheid om ‘bepaalde talige middelen (woorden, routines, grammaticale mogelijkheden) op het juiste moment aan te wenden’ zou gediend zijn geweest met, zoals gezegd, een grotere woordenschat en die dan gericht op concrete situaties Met dat laatste bedoel ik dat je in deze cursus wel leert en dat is belangrijk een lange tekst over euthanasie te begrijpen en daarover te praten, maar in veel mindere mate om aan de dokter te vragen je oor uit te spuiten En dat vind ik nou net iets belangrijker Ook voor hoger opgeleiden Basiscursus Nederlands voor buitenlanders Al sinds lang was er Nederlands voor buitenlanders oftewel het ‘groene boek’ van de Delftse methode, gericht op personen met enige jaren voortgezet onderwijs Voor laagopgeleiden (voltooiing basisschool) is er nu de Basiscursus In 50 contacturen en ongeveer 150 studieuren leert de cursist de 1000 belangrijkste woorden en woordgroepen op de van de Delftse methode bekende wijze en komt hij van 0op niveau A1 Het Tekstboek omvat, per les, een aantal tekstjes met nieuwe woorden, een woordenlijst met de vertaling van de nieuwe woorden (in het Tekstboek in het Engels en Arabisch; in de losse woordenlijst in het Pools, Turks, Russisch, Spaans en Indonesisch), een korte uitleg van een grammaticaal onderwerp met daarbij voorbeelden en een korte oefening bij dit onderwerp De tekstjes uit het Tekstboek staan ook allemaal op een audiocd Het echte oefenwerk staat in het Oefenboek en op de cdrom Het Oefenboek omvat in de eerste plaats invuloefeningen die de cursist volledig vertrouwd moeten maken met de tekst uit het Tekstboek Vervolgens spreekoefeningen dw z vragen, niet over maar op grond van de tekst Deze vragen moeten de leerling in staat stellen het geleerde in praktijk te brengen En ten slotte spreekoefeningen in de vorm van een ‘voor gevormde’ conversatieoefening, bedoeld Neerlandica extra Muros Jaargang 43 46 om de geleerde woorden ook in andere contexten te gebruiken Iedere les wordt afgesloten met een herhaaloefening Op de cdrom staat bij iedere les een groot aantal samenhangende oefenzinnen die inhoudelijk overeenkomen met de oefenzinnen in het Oefenboek en soms gelijkluidend zijn Het oefenen op de cdrom verloopt in stappen die gaan van veel hulp tot geen hulp Bij veel hulp beschikt men over de tekst, zijn er pauzes en kan men klikken op een woord waarvan men de betekenis niet kent om de vertaling te vragen in het Arabisch, Duits, Engels, Farsi, Hongaars, Indonesisch, Pools, Russisch, Spaans, Tsjechisch en Turks Bij geen hulp moet men de opdrachten uitvoeren zonder tekst en zonder vertalingen De opdrachten variëren: luisteren, naspreken of opschrijven wat men hoort Leek in Code en in Nederlands in actie de grammatica een noodzakelijk kwaad, bij de Basiscursus heeft men met dit fenomeen minder moeite De grammatica wordt niet, zoals bij Code ,uit de tekst gedistilleerd en dan apart behandeld Grammatica leert de cursist via teksten ,via het lezen van en het luisteren naar teksten, ‘ongeveer zoals we onze moedertaal hebben geleerd’ En dus hoeft er,in tegenstelling tot Nederlands in actie ,geen onderscheid te worden gemaakt tussen moeilijke en gemakkelijke grammatica: vanaf het begin kunnen, net als bij het leren van onze moedertaal, alle belangrijke grammaticale onderwerpen aan bod komen In de praktijk wordt deze ‘natuurlijke’ soep toch iets minder heet gegeten dan hij wordt opgediend Het tekstboek begint met een beknopte grammatica en in iedere les komen expliciet grammaticale onderwerpen aan bod, weliswaar zonder grammaticale terminologie of uitleg, maar het blijft grammatica en dat zou eigenlijk niet nodig moeten te zijn als de tekst spontaan de grammatica genereert Het uitgangspunt van de Basiscursus is duidelijk anders dan dat van Code en van Nederlands in actie ,maar in de feitelijke aanpak is er eigenlijk weinig verschil W at in de Basiscursus geldt voor de grammatica, geldt ook voor de woorden: die leer je door het lezen van en het luisteren naar teksten Speciale vocabulaireoefeningen zijn niet nodig De Basiscursus is een hele grote verzameling zinnen, geen losse zinnen, maar zinnen die gegroepeerd zijn rond zestien thema's (hoe heet je, familie, eten en drinken, geld, de dokter ,hoe woon je enz) Dat ziet er in weerwil van een groot aantal leuke, tekstondersteunende tekeningen niet echt uitnodigend uit en van steeds weer dezelfde oefenvormen raak je ook niet opgewonden Men heeft de Delftse methode vaak bekritiseerd vanwege zijn lichtzinnige omgang met de grammatica Daarvoor is mi geen reden Het echte probleem lijkt me de motivatie die nodig is om deze cursus door te werken en altijd te doen wat de strenge meester wil: U moet de teksten goed kennen U leert dus heel goed de betekenis van de woorden Pas als ude teksten goed kent, gaat ude oefening maken Als de cursus klassikaal wordt gebruikt zelfstudie is ook mogelijk is de voornaamste taak van de docent het geven van studieadviezen en het leiden van de conversatie een centraal punt in iedere les Ik zou daaraan willen toevoegen: de zor gvoor meer afwisseling Neerlandica extra Muros Jaargang 43 47 De cursus is, zoals gezegd, bedoeld voor lageropgeleiden, maar de auteurs merken mi terecht op dat hij ook goed bruikbaar is voor hoger opgeleiden die een korte beginnerscursus willen doen Babel Express Dit is de titel van een ‘nieuwe NT2 methode () om heel snel Nederlands te kunnen lezen’ Het materiaal wordt aangeboden op internet Voor toegang tot de website moet men, per jaar ,€39,95 betalen en beschikken over een gebruikersnaam en een wachtwoord Op de website kan men teksten lezen afkomstig van het ANP De teksten zijn zeer actueel, authentiek en kort Van ieder woord uit een tekst kan men de uitspraak horen en in negen talen de vertaling opvragen Afgezien van die vertalingen wordt er geen didactische ondersteuning gegeven Dus of hier sprake is van een snelle lees methode ,betwijfel ik Maar er wordt wel heel nuttig materiaal aangeboden om de taalvaardigheid en met name de lexicale kant daarvan te ver groten En ook om de actualiteit in Nederland op de voet te volgen De gebruiker moet wel een redelijke basiskennis hebben en in staat zijn de gevaren van zo'n éénopéénvertaling te onderkennen Besproken titels BOERS ,TITIA ,VITAOLIJHOEK ,NICKY HEIJNE ,M AR TEN HIDMA ,CAROLA VAN DER VOOR T(EINDREDACTIE ): Code 1 Basisleer gang Nederlands voor anderstaligen Utrecht/Zutphen, ThiemeMeulenhof f,2004 Takenboek, 399 blz, ISBN 90 06 81 110 7, €75,50, inclusief cdrom Docentenhandleiding, 200 blz, ISBN 90 06 81 111, €42,50, inclusief docentencdrom Oefenschrift, 287 blz, ISBN 90 06 81 122 X, €16,90 Audiocd, ISBN 90 06 81 114 9, €24,50 Videoband, ISBN 90 06 81 125 4, €52,50 BOERS ,TITIA ,M ARIJKE HUIZINGA ,VITAOLIJHOEK ,NICKY HEIJNE ,M AR TEN HIDMA :Code 2 Basisleer gang Nederlands voor anderstaligen Utrecht/Zutphen, 2004 Takenboek, 401 blz, ISBN 90 06 81 112 2, €73,50, inclusief cdrom Docentenhandleiding, 175 blz, ISBN 90 06 81 113 0, €42,50 Oefenschrift, 299 blz, ISBN 90 06 81 123 8, €16,90 Audiocd, ISBN 90 06 81 115 7, €24,50 Videoband, ISBN 90 06 81 126 2 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 48 Code 3VERSCHIJNT BEGIN 2006 EN OMV AT: Takenboek en cdrom, €73,50 Docentenhandleiding +cdrom, €42,50 Oefenschrift, €16,50 Audiocd, €24,50 Videoband, €52,50 BOER ,BERNA DE EN BIRGIT LIJMBACH :Nederlands in actie Methode NT2 voor hoogopgeleide anderstaligen Bussum, Coutinho, 2004 Cursusboek 268 blz, ISBN 90 6283 407 8, €29,50 Dvd ISBN 90 6283 407 8, €95 Bij het boek hoort een website (www coutinhonl) met aanvullende grammaticaoefeningen, internetopdrachten en een docentenhandleiding (gratis, 92 blz) SCIARONE ,AGEN PJM EIJER :Basiscursus Nederlands voor buitenlanders Amsterdam, Boom, 2004 Tekstboek, 123 blz, ISBN 90 5352 955 1, €44,90 (inclusief losse woordenlijst, cd en cdrom) Oefenboek (met daarin de sleutel bij de oefeningen), 224 blz, ISBN 90 5352 965 9, €20,50 Naast de woordenlijsten in het Tekstboek en op de cdrom zijn er aanvullende woordenlijsten voor het Chinees, Litouws en Vietnamees Prijs €1 1 BABEL EXPRESS /TAAL TOOL BV ,BabelExpr essnl Emmalaan 25, 1075 AT Amsterdam Email: info@babelexpressnl Neerlandica extra Muros Jaargang 43 49 Marion Boers Verloren verleden? Kroniek cultuur en maatschappij Het verhaal van de Nederlandse geschiedenis wordt vandaag de dag weer in geuren en kleuren verteld en er is zelfs weer wat respect te bespeuren voor nationale helden van wie de prestaties blijkbaar niet langer hoeven te worden gebagatelliseerd Die belangstelling voor vaderlandse geschiedenis heeft veel te maken met het zoeken naar een eigen identiteit Illustratief is in dat opzicht dat uitgeverij W aanders voor een groot publiek een serie van vijfentwintig boekjes maakt over beslissende momenten uit de vaderlandse geschiedenis met als ondertitel: Nederland ontdekt zichzelf Een serie met veel plaatjes en weinig praatjes overigens, om de visueel ingestelde moderne mens zo goed mogelijk te bedienen Dat er sprake is van een hype bleek ook uit het feit dat er tijdens de boekenweek van 2005, die in het teken stond van de vaderlandse geschiedenis, meer boeken over dat onderwerp werden verkocht dan ooit tevoren Maar wat houdt die vaderlandse geschiedenis nu precies in? Het blijkt niet mee te vallen om daar eenduidige uitspraken over te doen De hooggeleerden Jan Bank en Piet de Rooy ,respectievelijk professor geschiedenis in Leiden en Amsterdam, hebben in NRC Handelsblad een poging gedaan om op één krantenpagina samen te vatten wat iedere Nederlander zou moeten weten over zijn eigen geschiedenis Het is overigens typisch Nederlands dat de auteurs bijna even zoveel woorden nodig hadden om hun keuzes te verantwoorden Nog typerender was het dat NRC Handelsblad in de weken die na deze publicatie volgden, vol stond met boze brieven over wat er in de canon was ver geten Ook het samenstellen van een canon van vaderlandse geschiedenis blijkt hier dus niet zonder protest en inspraakprocedures te kunnen verlopen, doordat iedere Nederlander immers zijn eigen canon heeft: de katholieke is een andere dan de protestantse, die van vrouwen wijkt af van die van mannen, die van Holland verschilt van die van Groningen Bank en De Rooy pasten hun canon hier en daar aan om recht te doen aan de opinie van enkele minderheden 1 Er wordt gefluisterd dat er volgens het kabinet naar goed Haags gebruik een brede maatschappelijke discussie moet komen om te onderzoeken welke gebeurtenissen uit onze geschiedenis bij iedere Nederlander bekend moeten worden verondersteld Daarmee is de vaderlandse geschiedenis dus zelfs een politiek wapen geworden dat kan worden ingezet als middel ter bevordering van Neerlandica extra Muros Jaargang 43 50 sociale cohesie W ie niet wil wachten op de uitkomsten hoeft in de tussentijd niet stil te zitten Onlangs zijn er nogal wat handzame publicaties verschenen die een overzicht geven van ons verleden of die dieper ingaan op een periode of op een enkele gebeurtenis Sommige van die publicaties kregen zelfs het predikaat bestseller Net als Bank en De Rooy hebben de samenstellers keuzes gemaakt Die keuzes en de consequenties daarvan zijn het belangrijkste thema van deze kroniek Geschiedenis van Nederland De auteur van Geschiedenis van Nederland ,Gijs van der Ham, is conservator van de afdeling vaderlandse geschiedenis van het Rijksmuseum Niet zo gek dus dat het boek foto's van objecten uit het museum bevat 2In zijn inleiding spreekt Van der Ham de wijze woorden dat de geschiedschrijving vooral een product is van de eigen tijd Het is zijn bedoeling om in een beperkt aantal bladzijden de belangrijkste karakteristieken van de geschiedenis van Nederland uiteen te zetten en datgene naar voren te halen dat volgens hem kenmerkend is voor de ontwikkeling en bepalend voor het land dat wij nu kennen Volgens Van der Ham zijn dat onder meer: een land met een hoge graad van verstedelijking, een decentraal karakter en een relatief grote tolerantie Hij heeft van zijn boek geen leerboek, maar een leesboek willen maken dat een doorlopend verhaal vertelt In de praktijk betekent dit, dat de auteur in kort bestek weer geeft hoe Nederland is gevormd en hoe het is geregeerd Hij meent dat economische factoren een verklaring bieden voor de heersende mentaliteit en voor de mentaliteitsveranderingen in de loop van de geschiedenis Een belangrijk uitgangspunt is voor hem geweest, dat Nederland als natie is ontstaan op 26 juli 1581, toen een aantal gewesten in het ‘Plakkaat van Verlatinghe’ Philips II als soeverein hadden afgezworen Dat verklaart waarom de geschiedenis van vóór de zestiende eeuw zeer beknopt en bovendien onvolledig aan bod komt Met de Nederlandse prehistorie heeft Van der Ham duidelijk weinig affiniteit Men vindt in zijn verhaal bovendien niets over de Zuidelijke Nederlanden en bijvoorbeeld ook geen woord over de Hoekse en Kabeljauwse twisten Van der Ham slaagt er wel in om van zijn relaas een lopend verhaal te maken, maar voor de lezer is het soms moeilijk om het overzicht te bewaren door de warrige structuur Er is gekozen voor korte hoofdstukken die soms wel, maar soms ook niet, thematisch in elkaar overlopen Op pagina 44 begint Van der Ham pas echt op stoom te komen als hij de zestiende eeuw binnengaat Meteen doet zich dan het bezwaar voelen dat zijn geschiedenis in de eerste hoofdstukken alleen het huidige grondgebied van Nederland heeft behelsd; een keuze, die de begrijpelijkheid van het verhaal niet ten goede komt W ekomen namelijk pardoes terecht in de Bour gondische erfopvolging en de Habsbur gse erfenis W ie de zestiende eeuw wil kunnen door gronden, waarin volgens Van der Ham de basis werd gelegd voor onze natie, zal toch ook enig inzicht moeten hebben in de internationale context van wat daaraan voorafging Bovendien worden er hier en daar wel heel grote Neerlandica extra Muros Jaargang 43 51 stappen genomen, waardoor de samenhang verloren gaat Zo wordt er in het hoofdstuk over de onrust in de kerken in de zestiende eeuw gesproken over vluchtelingengemeenschappen in Londen en Emden, maar we weten dan nog niet wie er gevlucht zijn en waarom Er wordt in dat hoofdstuk relatief lang uitgeweid over de doopsgezinden, terwijl de calvinisten in één alinea worden afgedaan Vermoedelijk doet Van der Ham dat omdat de doopsgezinden van alle geloofsgemeenschappen het felst werden vervolgd, maar hij zegt dat ner gens met zoveel woorden Het is ergverwarrend dat het calvinisme enige hoofdstukken later , zonder verdere uitleg, de belangrijkste godsdienst van de Noordelijke Nederlanden blijkt te zijn geworden De sterkste kant van deze Geschiedenis van Nederland is het relaas over de periode na 1800 Misschien komt dat wel doordat de auteur vooral op het gebied van de moderne geschiedenis heeft gepubliceerd Het centrale thema voor de periode na de Tweede W ereldoorlog is, volgens Van der Ham, dat de afzijdigheid van het Nederland van voor de oorlog vanaf 1945 langzaam plaatsmaakt voor een actieve internationale betrokkenheid Vooral in het licht van het massale nee van de Nederlandse bevolking tegen de Europese grondwet, is dat een intrigerende stellingname, waarvan men zich kan afvragen of die anno 2005 nog kan worden verdedigd Dit boekje deelt één mankement met al de hier besproken overzichten: wat betreft de recente geschiedenis worden ze vaak door de feiten ingehaald Nog een opmerking tot slot Deze Geschiedenis van Nederland is geschreven als een doorlopend verhaal, maar het taalgebruik laat hier en daar nogal te wensen over Uitdrukkingen als ‘Karel V wenste zich geen duimbreed te verwijder en van (in plaats van te wijken voor) de katholieke kerk’ gingen mij op den duur meer en meer irriteren De Nederlandse geschiedenis in een notendop Dit boekje verscheen, net als Geschiedenis van Nederland ,voor het eerst in 1998 en het heeft intussen al een aantal herdrukken beleefd In de inleiding signaleren de auteurs dat het geschiedenisonderwijs in de negentiende eeuw diende als lofzang op de nationale helden die als lichtend voorbeeld konden dienen voor het heden Aan het einde van de twintigste eeuw heeft de vaderlandse geschiedenis volgens Beliën en Van Hoogstraten haar morele gezag verloren In het moderne onderwijs gaat het niet meer om feitjes, maar om het uitdiepen van geïsoleerde fenomenen of korte perioden uit de wereldgeschiedenis Zij signaleren echter dat daartegen intussen veel bezwaren zijn gerezen en ze tonen zich grote voorstanders van het bijbrengen van kennis van de eigen geschiedenis, omdat men alleen dan enkele wezenlijke vragen voor zichzelf kan beantwoorden als: hoe zijn onze staat en natie gevormd? W ie zijn wij? W aar komen wij vandaan en wat maakt ons tot Nederlanders? Het zijn dezelfde vragen die men in de negentiende eeuw wilde beantwoorden, maar Beliën en Van Hoogstraten willen dat op een heel andere, eigentijdse, wijze doen Ze beloven namelijk dat minder fraaie gebeurtenissen niet Neerlandica extra Muros Jaargang 43 52 zullen worden verbloemd en dat er nieuwe feiten en inzichten zullen worden gepresenteerd Het lijkt allemaal wat veel van het goede voor een boekje dat in 112 pagina's alle belangrijke gebeurtenissen uit de vaderlandse geschiedenis aan de orde wil laten komen van de hunnenbedbouwers tot en met de vijftigste verjaardag van Johan Cruijf fHet boek is niet geïllustreerd en we tref fen er slechts een paar nuttige kaarten in aan In dat opzicht past het goed in reeksen zoals de bekende Duitse serie Hauptdaten der Geschichte Anders dan Van der Ham nemen Beliën en Van Hoogstraten de tijd voor de prehistorie W eliswaar is de eerste bewoning van Nederland in dezelfde mist gehuld als de moerassen die men hier aantrof, maar toch weten de auteurs van dat begin een mooi geschreven meeslepend verhaal te maken, waarin steeds de relatie wordt gelegd met wat er nu nog van die bewoning te vinden is Een belangrijk uitgangspunt bij het beschrijven van deze oudste geschiedenis is blijkbaar geweest wat ze ons nu nog te vertellen heeft Daarin past het ook om uit te leggen dat de Betuwe, een streek in Gelderland, is genoemd naar de Batavieren die daar wellicht hebben gewoond In een boekje met zo'n geringe omvang kan men niet gedetailleerd op alles ingaan, maar door een wat uitvoeriger behandeling van een enkel aspect komt het mistige verleden tot leven Dat gebeurt met de nodige diepgang, doordat wordt uitgelegd waarom bepaalde zaken plaatsvonden en wat er bijzonder aan was W at mij bovendien voor de auteurs inneemt is, dat ze het relaas niet presenteren als een reeks dwingende feiten, maar dat er ook plaats is voor onzekerheden Al snel wordt duidelijk wat de auteurs bedoelen met een nieuwe manier van kijken, dat wil zeggen het niet verbloemen van het minder fraaie en het afrekenen met ingesleten mythevorming Zo wordt bijvoorbeeld de vermeende culturele invloed van Karel de Grote en zijn Karolingische renaissance naar het rijk der fabelen verwezen Het boekje is niet alleen een aaneenschakeling van belangrijke data en personen Er is ook plaats ingeruimd voor de middeleeuwse mentaliteit en de standenmaatschappij waar die uit voortkwam, iets wat men bij Van der Ham node mist Binnen de beperkte ruimte die de schrijvers ter beschikking stond, is een poging gedaan inzicht te geven in het wereldbeeld dat het menselijk handelen bepaalde Ook in het hanteren van grenzen zijn de auteurs ruimer geweest dan Van der Ham; Beliën en Van Hoogstraten menen dat de middeleeuwse geschiedenis van de Noordelijke Nederlanden niet zonder die van het zuiden kan W ezien ook duidelijk dat de auteurs hebben geprobeerd om de Gouden Eeuw te ontdoen van negentiendeeeuwse romantiek en twintigsteeeuwse vooroordelen De handelwijze van het Spaanse bestuur wordt bijvoorbeeld niet apriori als vijandig afgedaan Er wordt begrip gekweekt voor beide kanten van het conflict Een zwak punt is dat er in de hoofdstukken over de Gouden Eeuw relatief veel aandacht is voor de economie en te weinig voor mentaliteit en cultuur Misschien is dat laatste maar beter ook, want in zoiets als de schilderkunst hebben de auteurs zich duidelijk niet ergverdiept Vooral de passages over de negentiende eeuw heb ik met veel plezier gelezen De auteurs hebben ervoor gekozen om te tonen hoe anders Nederland er op den Neerlandica extra Muros Jaargang 43 53 duur uit ging zien door de economische veranderingen en hoe dat zich weerspiegelde in het leven van alledag In de Nederlandse geschiedenis in een notendop wordt niet voor de zoveelste keer de schoolstrijd opgevoerd als oorzaak en begin van de verzuiling, maar wordt dit verschijnsel mede verklaard vanuit de angst van grote delen van de bevolking voor het verdwijnen van sociale verbanden en het verlies van de vertrouwde kleinschaligheid van de samenleving De auteurs kiezen als belangrijk thema voor de periode 1850 tot 1940 het verschuiven van het algemeen belang, zoals dat werd voor gestaan door de liberalen, naar het groepsbelang van de zuilen die waren ontstaan De veranderende mentaliteit komt volgens Beliën en Van Hoogstraten ook tot uitdrukking in het feit dat de overheid zich meer en meer is gaan bemoeien met economische en sociale vraagstukken Veel beter dan bij Van der Ham is in dit boekje de ziel van de negentiende eeuw verbeeld Jammer dat dit niet geldt voor de geschiedenis na 1945, die een beetje lijkt te zijn afgeraf feld Rest nog een opmerking Van der Ham neemt zich in zijn inleiding voor het verhaal van de geschiedenis te schrijven, maar ik moet constateren dat niet hij, maar Beliën en Van Hoogstraten dat hebben gedaan, gebruikmakend van een vlotte pen die van het boekje een echte ‘pageturner ’maakt De last van veel geluk Deze publicatie is het buitenbeentje in deze reeks omdat hij niet de gehele vaderlandse geschiedenis omvat, maar uitsluitend gewijd is aan de jaren tussen 15551702 De titel ‘De last van veel geluk’ riep bij mij de associatie op met een ander boek over diezelfde periode: Simon Schama's beroemde The Embarrassment of Riches Daarmee houdt de overeenkomst ook meteen op, want inhoudelijk zijn ze onver gelijkbaar De historicus Van Deursen dankt zijn succes aan publicaties die een mengsel zijn van sociale geschiedenis en mentaliteitsgeschiedenis Hij bereikte een groot publiek door met veel verbeeldingskracht te schrijven over de effecten van de grote geschiedenis op het leven van gewone mensen W ie ook iets der gelijks verwacht van De last van veel geluk ,komt bedrogen uit Gewone mensen komen er nauwelijks in voor en de sociale, economische en culturele geschiedenis komen er eveneens bekaaid af Vergeleken bij Schama doet Van Deursen een enorme stap terug door een in diverse opzichten traditioneel boek te schrijven Hij wil vooral belangrijke figuren uit de Nederlandse geschiedenis hun heldenstatus teruggeven Bovendien besteedt hij niet zo vreemd voor een emeritus hoogleraar van de Vrije Universiteit van Amsterdam relatief veel aandacht aan kerkgeschiedenis en aan de geloofskwesties die het maatschappelijke leven beheersten Dat is overigens zeer goed verdedigbaar , aangezien geloof toen geen abstract begrip was, maar iets dat grote delen van de bevolking verdeelde Van Deursen doet een poging om de belevingswereld van toen inzichtelijk te maken, bijvoorbeeld door de motieven van zijn hoofdpersonen te peilen Hij probeert om niet alleen hun historische maar ook hun morele betekenis vast te stellen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 54 Er kleeft echter een groot bezwaar aan de keuze voor een traditionele aanpak Van Deursen heeft in een woordenstroom al zijn kennis over de grote lijnen van de geschiedenis van de Gouden Eeuw uitgestort, maar hij heeft daar eigenlijk niets nieuws aan toegevoegd, terwijl het historisch onderzoek de laatste decennia niet heeft stilgestaan Zo is het bijvoorbeeld tamelijk storend dat het hele verhaal wordt verteld vanuit het aloude Hollandse perspectief, terwijl wat meer ruimte voor de motieven van Spanje de zaak een stuk inzichtelijker en minder eenzijdig had gemaakt Van Deursen schuwt het niet om duidelijk stelling te nemen in kwesties waar het geloof een rol speelt Een goed voorbeeld is zijn relaas over de beeldenstorm van 1566 Een belangrijk ‘modern’ inzicht is, dat de bedroevend slechte sociaaleconomische situatie in het midden van de zestiende eeuw een belangrijke katalysator van de volkswoede is geweest Van Deursen kiest zijn ooggetuigen echter met zor gom te onderstrepen dat die beeldenstorm in de eerste plaats een religieuze motivatie had, terwijl dit standpunt tegenwoordig door de meeste historici is verlaten of in elk geval sterk wordt genuanceerd Een ander voorbeeld is van Deursens standpunt over de rol van de water geuzen De Republiek vond namelijk niet alleen haar fundament in tolerantie en vrijheidszin, maar ook in het terrorisme van de sterk antikatholieke water geuzen zonder wie W illem van Oranje nooit een voet aan de grond zou hebben gekregen Van Deursen blijkt wel oog te hebben voor de terreur van Alva, maar niet voor die van de water geuzen Daar zou men een genuanceerder standpunt verwachten Als Van Deursen met dit boek iets heeft willen veranderen aan de onkunde van de gemiddelde Nederlander ten aanzien van de Gouden Eeuw ,dan heeft hij zijn doel volgens mij niet bereikt Het boek oogt onaantrekkelijk, is uiterst gebrekkig geïllustreerd, zonder kaartjes en der gelijke die het verhaal zouden hebben kunnen verhelderen Na lezing van De last van veel geluk bleef ik met de vraag zitten voor wie dit boek eigenlijk geschreven is Voor vakgenoten biedt het niets nieuws, eerder het tegendeel De geïnteresseerde leek zal zich wellicht laten meeslepen door het goed vertelde verhaal, maar toch ook hier en daar vastlopen in de theologische bespiegelingen Bovendien ontbreekt voor die lezer de zo noodzakelijke nuance Degenen die niet zo veel van de geschiedenis van de Gouden Eeuw weten, zullen het saai ogende boek niet snel ter hand nemen en zij worden daarin bovendien voortdurend beschimpt om hun gebrek aan belangstelling Van Deursen, ten slotte, is een begenadigd verhalenverteller ,die echter af en toe gebruik maakt van gedragen taal en ronkende zinnen om het belang van bepaalde gebeurtenissen te onderstrepen Ik vraag me bijvoorbeeld af of de gemiddelde Nederlander zich een voorstelling kan maken van ‘onereuze’ gevolgen zonder daarbij seksuele associaties te krijgen Verloren verleden Iedereen lijkt vandaag de dag te surfen op internet als er informatie bij elkaar moet worden gezocht Ik moet eerlijk toegeven dat ik daar zelf nogal wat moeite Neerlandica extra Muros Jaargang 43 55 mee heb, omdat het mij moeite kost het kaf van het koren te scheiden door de vaak duizelingwekkende visuele mogelijkheden van het medium Kortom, ik mag nog steeds graag grijpen naar een boek, vooral als het met liefde is gemaakt vanuit de uitgangspunten van de serie Verlor en verleden van uitgeverij Verloren Men heeft aan deskundige auteurs gevraagd om een deeltje te wijden aan een belangrijke gebeurtenis of persoon uit de vaderlandse geschiedenis De opzet is om algemene, maar ook geactualiseerde, informatie te geven aan een breed, in het verleden geïnteresseerd publiek Geactualiseerd houdt in dat de huidige stand van het onderzoek in de tekst is verwerkt Het onderwerp wordt pakkend beschreven en in een bredere context geplaatst Bovendien heeft men zich ten doel gesteld weer te geven op welke wijze men in de loop der tijd met bepaalde personen en gebeurtenissen aan de haal is gegaan, met andere woorden hoe de geschiedenis in later tijd is gebruikt en misbruikt De opzet is dus tweeledig Ten eerste wil men de historische achter grond van bepaalde gebeurtenissen of personen belichten Ten tweede wil men laten zien welke rol die hebben gespeeld in de verbeelding van het vaderlands verleden door de eeuwen heen Door deze opzet is de reikwijdte van de boekjes veel groter dan die ene persoon of gebeurtenis Verloren streefde ernaar om per jaar vier delen uit te geven, en zo is een reeks ontstaan van 24 fraai geïllustreerde boekjes met uiteenlopende onderwerpen als de opstand van de Batavieren, de sprong van Jan van Schaf felaar ,De beeldenstorm, de slag bij Nieuwpoort, Goejanverwellesluis, maar ook Troelstra met zijn poging tot revolutie, Mata Hari en de hongerwinter Aan de serie is een voorlopig einde gekomen met de uitgave van deel 24, waarin een compilatie is gemaakt van veertig gedenkwaardige personen en momenten uit de gehele vaderlandse geschiedenis Verlor en verleden is een prachtig overzicht, waarin beroemde (of beruchte) gebeurtenissen en personen aan een nadere beschouwing worden onderworpen aan de hand van de bronnen die ons nu nog ter beschikking staan Het adagium is: aansprekende personen of gebeurtenissen, historisch verantwoord en met behoorlijk wat diepgang Doordat specialisten aan het woord komen, worden tal van oordelen en vooroordelen uit de weg geruimd De met zor ggekozen illustraties vertellen een eigen verhaal dat veel aan de tekst toevoegt Dit maakt de boekjes uiterst informatief en inspirerend De reeks biedt, met andere woorden, het visuele genot dat velen tegenwoordig aan internet kluistert, maar dan wel met de meerwaarde van een afgewogen en diepgaande tekst die men op het net vaak moet ontberen Ook in deze reeks is een keuze gemaakt: de gehele vaderlandse geschiedenis is het onderwerp, van de eerste bewoning tot aan de twintigste eeuw Dat brengt specifieke problemen met zich mee De bronnen voor de oudste geschiedenis zijn bijvoorbeeld beperkt en bij de recente geschiedenis is er nog geen sprake van canonisering W at betreft het eerste is een oplossing gevonden in een wetenschappelijk verantwoorde beschrijving van de context waarin bepaalde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, bijvoorbeeld met behulp van de archeologie W at betreft het laatste is ervoor gekozen om, bijvoorbeeld als het gaat om Neerlandica extra Muros Jaargang 43 56 de hongerwinter ,de mythes die na de oorlog over die periode zijn ontstaan te ontkrachten door een goed onderbouwd beeld te geven van de dagelijkse werkelijkheid De tweede keuze die men maakte is geografisch De vaderlandse geschiedenis is de NoordNederlandse geschiedenis, of eigenlijk de geschiedenis van het Nederlandse grondgebied zoals dat in de negentiende eeuw kwam vast te liggen Dat heb ik overigens ner gens als een nadeel ervaren doordat er in de individuele deeltjes veel plaats is ingeruimd voor de context, ook als het bijvoorbeeld in het geval van de beeldenstorm een ZuidNederlandse context was Verlor en verleden is een serie om van te smullen, ook al is de kwaliteit van de individuele afleveringen verschillend en heeft de ene wetenschapper nu eenmaal een vlottere pen dan de andere De afzonderlijke boekjes zijn uitstekend bruikbaar in het onderwijs omdat ze op wetenschappelijk verantwoorde wijze een historische persoon of gebeurtenis belichten, maar ook omdat het gedeelte dat is gewijd aan de ‘canonisering’ heel veel vertelt over de Nederlandse natievorming en identiteit Het vooroudergevoel De vaderlandsegeschiedenishype is niet zonder emotionele en nationalistische sentimenten Zoals Jan Blokker het in de inleiding van de bestseller Het voor ouder gevoel uitdrukt: ‘In de dagen dat Nederland bezig is Europees te worden, of voor z'n fatsoen bezig is Europees te moeten worden, groeit de behoefte om een nationale identiteit te herontdekken en te herdefiniëren, en daarmee de neiging om die identiteit in de geschiedenis te zoeken, en bewijzen te verzamelen voor liefst eeuwenoude constanten in het volkskarakter ’Blokker schreef dit prachtig geïllustreerde boek met zijn twee zoons, beiden historicus, met als uitgangspunt 43 schoolplaten van JH Isings, waarin even zo veel belangrijke momenten uit de vaderlandse geschiedenis zijn uitgebeeld 3De meeste van die platen werden gemaakt in de eerste helft van de twintigste eeuw en ze zullen bij Jan Blokker en zijn generatiegenoten nostalgische gevoelens oproepen aan hun schooltijd Tegelijkertijd illustreren ze nog maar eens dat geschiedschrijving (en tekening) evenveel onthult over de tijd waarin ze plaatsvindt, als over de tijd die ze beschrijft Het boek is niet voor niets een bestseller geworden Er wordt echt een verhaal verteld in een vlotte schrijfstijl zonder al te veel moeilijke woorden Maar de auteurs willen meer dan alleen de historische feiten op een rijtje zetten De Blokkers hebben, net als Van Deursen overigens, de moed om regelmatig het heden met het verleden in verband te brengen De auteurs hebben zich duidelijk de vraag gesteld wat onze voorouders ons nu nog te vertellen hebben Bovendien laten ze zien hoe gebeurtenissen uit de vaderlandse geschiedenis in de loop der tijden een eigen leven gingen leiden en bijvoorbeeld werden gebruikt om de identiteit te versterken of vaderlandslievende sentimenten op te roepen In dat opzicht vinden we in Het voor ouder gevoel iets terug van de serie Verlor en verleden ,maar dan in veel beknoptere vorm Het leuke is dat de Neerlandica extra Muros Jaargang 43 57 Blokkers, doordat ze een doorlopend verhaal vertellen, bepaalde verbanden kunnen laten zien die in Verlor en verleden verbor gen blijven Ze komen tot de conclusie dat de rode draad in de geschiedenis niet eenheid is, maar scheiding Het is een verhaal van tegenstellingen, moord en doodslag Meestal blijkt het volk tot op het bot verdeeld behalve als het één is met Oranje ten tijde van oorlog en verdrukking (en tijdens het EK en WK voetbal natuurlijk) Het is een heerlijk boek met fraaie in en doorzichten Het probleem is alleen, dat de schrijvers door de platen van Isings als uitgangspunt te kiezen, hun opzet niet tot het einde hebben kunnen volhouden Isings had namelijk een duidelijke voorkeur voor historische momenten tot en met de zeventiende eeuw Hij gebruikte voor zijn tekeningen graag modellen uit zijn directe omgeving, maar daar hield zijn affiniteit met het ‘moderne’ leven op De enige Isings van een historische gebeurtenis uit de twintigste eeuw is een winterlandschap met Duitse soldaten die gevangenen naar een concentratiekamp brengen Ook onderwerpen uit de achttiende en negentiende eeuw zijn schaars in Isings' oeuvre, zodat de Blokkers zich aan het einde van het boek hebben moeten behelpen met lange stukken tekst zonder illustraties Het voor ouder gevoel eindigt met drie essays van Jan, Jan jr en Bas Blokker over de periode vanaf de Tweede W ereldoorlog tot en met de moord op Theo van Gogh Aardig is vooral het stuk van Jan Blokker over de bezetting waarin hij zijn eigen ervaringen vertelt als twaalfjarige geconfronteerd met de grote gebeurtenissen van zijn tijd Het boek is in veel opzichten typerend voor de vaderlandse geschiedenis anno 2005 Het voorouder gevoel mag weer ,maar we kijken nu wel kritisch naar de geschiedenis De vaderlandse geschiedenis biedt soms lessen voor het heden, maar soms ook schaamte vanuit ons moderne perspectief Het verhaal is de moeite waard om te worden verteld en over gedragen aan volgende generaties maar in de woorden van Blokker: ‘iedereen die een vaderlandse geschiedenis schrijft, is het geraden te erkennen dat de wereld groter is’ Neerlandica extra Muros Jaargang 43 58 Besproken boeken HERMAN BELIËN ,M ONIQUE VAN HOOGSTRA TEN :De Nederlandse geschiedenis in een notendop Wat elke Nederlander van de vaderlandse geschiedenis moet weten Amsterdam, Prometheus, 2002 ISBN 9053336141, 129 pp (met bijlagen), €10 JAN BLOKKER ,JAN BLOKKER JR EN BAS BLOKKER :Het voor ouder gevoel Amsterdam/Antwerpen, Contact, 2005, ISBN 9025427510, 272 pp €35 ATHVAN DEURSEN :De last van veel geluk Amsterdam, Bert Bakker ,2004, ISBN 9035126270, 373 pp, €35 GIJS VAN DER HAM :Geschiedenis van Nederland Amsterdam, SUN, 1998 (eerste druk), ISBN 9058751252, 176 pp (met bijlagen), €14,90 DIVERSE AUTEURS ,Verlor en verleden ,Hilversum, Verloren, circa 90 pagina's per deel, €10, met uitzondering van deel 24: Els Kloek (red), Verzameld verleden, veertig gedenkwaar dige momenten en figur en uit de vaderlandse geschiedenis ,ISBN 9065504656, €15 Eindnoten: 1 De aangepaste tekst verscheen in maart 2005 in de vorm van een boekje met de titel Kortweg Nederland met als ondertitel: wat iedereen wil weten over onze geschiedenis Dus geen moeten meer in deze titel 2 Er isaleerder een overzicht van de vaderlandse geschiedenis verschenen op basis van objecten uit deze collectie, van de hand van Nelleke Noordervliet: Op de zeef van de tijd, een geschiedenis van Nederland Zwolle, Waanders, 1999, ISBN 9040093628 Nelleke Noordervliet isweliswaar geen historica, maar zij toont zich in dit boek een goed verteller De opzet isbeperkter dan die van Van der Ham, maar het verhaal van de geschiedenis wordt in dit boek veel meeslepender verteld 3 Iets der gelijks gebeurde ook alin 1998 onder redactie van Frits van Oostrom Een aantal schoolplaten van Isings werd besproken door historici en prominenten die een plaat gebruikten als uitgangspunt voor een persoonlijke bespiegeling over die historische gebeurtenis Het gemis aan platen van Isings over de negentiende en twintigste eeuw werd goedgemaakt door eigentijdse illustratoren platen telaten maken over recentere gebeurtenissen De bijdragen zijn wisselend van kwaliteit, maar vaak ergleuk om telezen Fvan Oostrom (red) Historisch tableau Geschiedenis opnieuw verbeeld in schoolplaten en essays Amsterdam University Press, 1998, ISBN 905356299 0 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 59 Bart Vervaeck Tekst als context en constructie Kroniek van de literatuurwetenschap In Neerlandica extra Mur os van mei 2002 beschreef mijn voor gangster Anne Marie Musschoot hoe het Tijdschrift voor literatuurwetenschap opgeheven werd en vervangen door een Jaarboek Zij besprak toen het eerste nummer ,dat aandacht had voor traumaverwerking in de Europese literatuur Onder de titel La lotta continua? Literatuur en klasse is nu de tweede aflevering verschenen Het vraagteken in de titel staat letterlijk centraal, want dit boek vraagt zich af wat het begrip ‘klasse’ in de huidige literatuurstudie nog kan betekenen De veertien bijdragen geven verschillende antwoorden en voegen vaak nog grotere vragen toe, maar over het algemeen ziet men een benadering opduiken die men constructivistisch en mild deconstructivistisch kan noemen Klasse wordt niet meer beschouwd als een gegeven, maar als een constructie, beïnvloed door talloze factoren (zoals leeftijd, gender ,ras en inkomen) die voortdurend met elkaar interageren De wisselwerking zor gt voor dynamiek, zodat de klasse niet langer een statisch gegeven is, maar een veranderend proces van grensdefinitie en grenstransgressie Dat is dan het mild deconstructivistische aspect: in de opbouw en het affirmeren van de klasse wordt die steeds iets anders en in die zin haalt ze zichzelf steeds onderuit Vandaar dat nogal wat bijdragen in dit boek een tegendraadse lectuur presenteren, waarbij tegenstrijdige betekenissen van ‘klasse’ centraal geplaatst worden Zo toont Stef Craps dat de roman Last Or ders van Graham Swift in de kritiek onthaald wordt als een voorbeeld van empathie en sympathie over de klassengrenzen heen, terwijl de tekstfragmenten waarin de roman zich op zichzelf bezint net het tegenover gestelde laten zien Ze prikken de illusie van identificatie en empathie door Bart van den Bossche toont iets soortgelijks voor twee ‘realistische’ Italiaanse romanciers In de receptie wordt Ignazio Silone beschouwd als een auteur van romans met een boodschap, maar zijn meerstemmige verteltechniek relativeert die boodschap verregaand Carlo Levi lijkt dan weer de klassentegenstellingen te onderstrepen, maar de opbouw van zijn relaas ondermijnt die tegenstellingen De verwijzing naar concrete literaire teksten is een constante in dit Jaarboek Theoretische beschouwingen gaan hand in hand met concrete casestudy's En ook dat is typisch voor veel recente literatuurwetenschap: ze streeft niet langer via abstractie naar algemene, tijdloze inzichten Ze is gecontextualiseerd, niet Neerlandica extra Muros Jaargang 43 60 alleen omdat ze zich bij voorkeur bezighoudt met tekstenincontexten (in dit geval: de context van de klasse), maar ook omdat ze beseft dat ze zelf in zo'n context functioneert in dit geval die van de culturele en politieke machtsstrijd Geen wonder dat Bourdieu, Derrida en Marx vaak optreden in dit jaarboek Daan Vandenhaute combineert Bourdieus opvatting van het literaire veld met de empirische literatuurstudie Zijn analyse van Zweedse poëziedebuten rond de jaren zeventig maakt duidelijk dat de klasse van de schrijver invloed uitoefent op de toegang die hij of zij heeft tot het literaire veld én op het verdere carrièreverloop Sascha Bru en Bart Keunen verrijken Bourdieu met de discoursanalyse van Laclau en Mouf fe Aan het eind van deze overwegend theoretische uiteenzetting illustreren zij hun verrijkte en herijkte Bourdieu met een korte analyse van het Italiaanse futurisme Marx spookt niet alleen in het werk van Derrida (onder meer in diens Spectr es de Marx ),maar ook in dit Jaarboek Een spook heeft geen essentie of kern, en is een verschijning die vormgeeft aan iets wat niet echt aanwezig is In die zin is zo'n spook een mooi beeld voor de nietessentialistische opvatting van klasse in verschillende bijdragen van dit boek Via Marx en Derrida analyseert Brigitte Adriaensen de roman De sage van de familie Marx van de Spaanse schrijver Juan Goytisolo Dat levert een heldere en leerrijke tekststudie op Douwe Fokkema ver gelijkt het marxistische klassenconcept met het maoïstische Het verschil in afgrenzing (economisch bij Marx, ruimer politiek bij Mao) en determinisme (niet allesbepalend bij Marx, wel bij Mao) heeft gevolgen voor de status van de literatuur Tom Toremans besteedt aandacht aan de invloed die Thomas Carlyle ‘vermeend protofascistisch profeet en transcendentaal estheet’ uitoefende op de marxistische theorievorming: mar ginaal, maar illustratief voor de mild deconstructivistische benadering Een theorie bouwt zichzelf op via elementen die op het eerste gezicht ondermijningen van die theorie zijn Gunther Martens bestudeert het constructieve aspect van de klasse via het werk van Musil, die hij beschouwt als een literaire voorloper van de socioloog Niklas Luhmann De klasse wordt contingent, ze is een mogelijkheid die op steeds andere manieren in een werkelijkheid omgezet kan worden Martens verbindt dat met de performatieve taal àla Roland Barthes Het belang van de taal als medium waarin de klasse vorm krijgt, blijkt voorts uit het artikel van Reine Meylaerts Zij analyseert de inferieure positie die de Vlaamse literatuur tijdens het interbellum innam ten opzichte van de Franse bellettrie Vertalingen van Vlaamse teksten bevestigden de klassendistincties, onder meer door het schrappen van het dialect en de aanpassing van het register Zo kom ik tot de bijdragen waarin de concrete analyse belangrijker is dan de theorie Dat zijn voornamelijk thematische studies die het beeld van de klasse in een bepaalde tekst en context onderzoeken Elke Brems en Jan Lensen doen dat voor twee ‘proletarische’ auteurs uit het interbellum: Lode Zielens en Marcel Matthijs Bij de eerste wordt het proletariaat geen politieke klasse; bij de tweede blijft de klassenstrijd beperkt tot een utopische combinatie van christelijke en communistische idealen Katrien de Moor laat zien hoe de band tussen klasse Neerlandica extra Muros Jaargang 43 61 en aids evolueert in fictie en memoires: eerst wordt de ziekte geassocieerd met de blanke homo uit de middenklasse, gaandeweg wordt ze verbonden met de nietblanke vrouw uit de lagere klasse Ronald Geerts heeft het over de evolutie in het politieke theater vanaf de jaren zeventig tot nu Ook hier verschuift de betekenis van de klasse: van een massief en hiërarchisch concept tot een open en horizontaal concept, dat niet langer het allerbelangrijkste element is, maar een van de vele schakels in een keten Dat de klasse niet allesbepalend is, laat Frans Ruiter zien door een ver gelijking tussen Karel van het Reve en zijn broer Gerard Dezelfde communistische achter grond leidt tot tegengestelde reacties: afstandelijk en rationeel bij Karel, intuïtief en irrationeel bij Gerard Hans Bertens mag deze bonte én toegankelijke mengeling van artikelen afsluiten met een relativering van het relativisme Dat de klasse ‘slechts’ een constructie is, betekent niet dat ze losstaat van de ‘empirische werkelijkheid’, die vaak ‘minder kneedbaar ’is dan sommige constructivisten aannemen Hun theorieën bevatten utopische pretenties die in de buurt komen van de bevrijdingstheologie Juist daardoor doen ze mee aan de machtsstrijd en de klassenstrijd die ze zo verregaand lijken te relativeren Het gevecht waarvan sprake in de titel van dit Jaarboek zal dus nog wel een tijdje voortgaan, al was het maar door publicaties als deze Het spook van het constructivisme waart ook door de bundel Identiteit en locatie in de hedendaagse literatuur Het boek onderzoekt de band tussen persoonlijkheid en ruimtelijke omgeving In haar inleiding zegt Aleid Fokkema (met Maarten Steenmeijer verantwoordelijk voor de samenstelling) dat het niet gaat om een vooraf gegeven plek ‘met historische authenticiteit en bevestiging (), maar om een plek die, net als de identiteit, geconstrueerd wordt en zo betekenis krijgt’ Na een samenvatting van de twaalf bijdragen besluit ze: ‘De hier besproken romans lijken het discursieve en geconstrueerde karakter van zowel locatie als identiteit te benadrukken’ De literaire werken die besproken worden, vallen min of meer onder de noemer ‘postkoloniaal’; ze gaan over de machtsverhoudingen tussen kolonisator en gekoloniseerde, ook en zelfs vooral na het officiële einde van de kolonisatie Die benadering sluit aan bij het poststructuralisme Het is dus niet verwonderlijk dat de analyses ook iets hebben van het milde deconstructivisme In ver gelijking met het Jaarboek is het een nog zachtere versie: ze heeft aandacht voor de contradictie en de instabiliteit in de relatie tussen plek en identiteit, maar tegelijkertijd streeft ze nog naar coherentie en vastheid De theorie is hier veel minder prominent aanwezig De twaalf tekststudies blijven ergdicht bij de geanalyseerde werken en expliciteren hun theoretische uitgangspunten nauwelijks Er is dus nog steeds een verschil tussen literatuurstudie (zoals hier) en literatuurwetenschap (zoals in het Jaarboek ) Enkele rode draden vallen op in de twaalf bijdragen Zo worden identiteit en locatie vaak hybridisch genoemd Volgens Kristian van Haesendonck pendelt de Puertoricaan letterlijk en figuurlijk tussen het eiland en de Verenigde Staten, wat in de literatuur gesymboliseerd wordt door travestieverhalen, maar wat Neerlandica extra Muros Jaargang 43 62 tegelijkertijd het omgekeerde oproept: een verlangen naar zuiverheid, bijvoorbeeld in het taalpurisme Andrea Kunne spreekt over ‘de hybridisering van de ruimtes’ in het werk van Robert Menasse De oude en de nieuwe wereld, gesymboliseerd door W enen en São Paulo, tasten elkaar aan De tegenstelling wordt in elke pool afzonderlijk voelbaar Zo wordt Brazilië de plek waar antisemieten, nazi's én gevluchte joden elkaar ontmoeten in een verlangen naar een tijd en plaats vóór de Tweede W ereldoorlog Aleid Fokkema bestudeert de metropool, vroeger de homogeen blanke moederstad van het kolonialisme, nu de hybride plek vol migranten De postmoderne reactie daarop vindt ze bij Rushdie, de modernistische bij Caryl Phillips De eerste aanvaardt het onzuivere, onstandvastige en veelvuldige; de tweede verlangt naar continuïteit en cohesie De postkoloniale plek blijkt een strijdperk, niet alleen tussen twee partijen, maar binnen elke partij afzonderlijk Dubbelzinnigheden alom In ZuidAfrika bijvoorbeeld, waar de plaas (een reusachtige boerderij) niet meer pluis blijkt De vroegere plek van beschaving en beschutting wordt aangetast door de omgeving, meer bepaald OostKaapland, ‘het strijdperk van blank en zwart bij uitstek’ De strijd wordt een deel van de identiteit en de plek, zoals Eep Francken mooi laat zien aan de hand van het werk van Etienne van Heerden Een andere strijd bespreekt Elrud Ibsch in haar stuk over de ‘nieuwe’ joodse identiteit Traditioneel is die identiteit getekend door de diaspora en de meertaligheid, maar bij de geboorte van de staat Israël propageert de officiële doctrine een sedentaire en overwegend eentalige identiteit Het werk van Amos Oz en David Grossman relativeert die doctrine door te tonen dat de nieuwe plek en identiteit vol is van de oude Anders, maar opnieuw paradoxaal, is de Ar gentijnse houding ten opzichte van de gaucho: ver guisd en aanbeden, wordt deze figuur een symbool voor een nationale identiteit die nooit eenduidig kan zijn en die zoekt naar een groots, gemeenschappelijk verleden dat telkens opnieuw afwezig blijkt Maarten Steenmeijer ver gelijkt die zoektocht met de queeste van Don Quichot De laatste voorbeelden maken duidelijk dat de locatie niet alleen een kwestie van ruimte is, maar ook van tijd De plek is vaak het aanknopingspunt met een al of niet gedroomd verleden Voor de migrant is de oorspronkelijke plek soms geen herinnering maar een puur imaginaire constructie, die toch belangrijk is voor zijn of haar reële identiteit in de nieuwe omgeving Jacqueline Bel ver gelijkt het imaginaire land van herkomst in de IndischNederlandse en Molukse migrantenliteratuur: de oorspronkelijke plek is een mythe in de Indische situatie en een ‘harde realiteit’ in de Molukse Bovendien is er in het eerste geval meer sprake van versmelting tussen de oude en de nieuwe plek De utopische plaats kan een distopie blijken Sjef Houppermans voert de lezer van Rousseau naar Verne en zo naar Rachid Boudjedra Hij laat zien hoe de ideale en de slechte plek versmelten De binaire opsplitsing van pool en tegenpool wordt vervangen door een fuzzy logic Arthur Langeveld wijst op iets soortgelijks in Under gr ound van de Russische romancier Vladimir Makanin Na de val van het communisme verliest de schrijver zijn plaats en identiteit: hij is niet langer een dissident en gaat onder in een wereld zonder duidelijke posities Neerlandica extra Muros Jaargang 43 63 De hoofdfiguur van de roman verliest zijn huis De plek met duidelijke grenzen verdwijnt, het gedroomde thuis blijkt een hels tehuis voor psychiatrisch gestoorden De imaginaire en traditionele kenmerken van de plek komen perfect tot uiting in de topos, de literaire gemeenplaats De postkoloniale identiteit krijgt vaak vorm door het herschrijven van typisch westerse literaire patronen en werken, zoals Robinson Crusoe of Wuthering Heights Dat laatste boek, een klassieker van Emily Brontë, wordt herschreven door de FransAntilliaanse Maryse Condé Theo D'haen ontrafelt de transformaties die plaats en identiteit in haar werk onder gaan: het westerse optimisme wordt vervangen door een pessimisme zonder uitwegen Minder pessimistisch is de reis door teksten die de Portugese auteur José Saramago onder de vorm van een reisgids presenteert Volgens Paulo de Medeiros is die gids een reis door de tijd en een metafoor voor een soepele band tussen het ik en de plaats niet zo kort en oppervlakkig als bij een toerist, maar ook niet zo vast en dwingend als bij een bewoner De herschrijving is uiteraard niet beperkt tot postkoloniale literatuur Anthonya Visser bespreekt twee recente Duitstalige werken waarin de figuur van Penelope het cliché van de trouwe vrouw die op één plek blijft wachten op haar gedroomde man een drastische gedaanteverwisseling onder gaat Botho Strauss ontregelt de homerische conventies, Marlene Streeruwitz de genreconventies van de ‘stuiverroman’ Beide auteurs laten zien hoezeer de plek en de identiteit bepaald worden door tekstuele conventies En daarmee hebben we de laatste rode draad van dit boek opgeraapt Hybridisch, paradoxaal, temporeel, imaginair en tekstueel dat zijn de sleutelwoorden in deze mooie studie over de hedendaagse interactie tussen identiteit en locatie De literaire tekst blijkt dus een constructie die samenhangt met de context, bijvoorbeeld de klasse en de postkoloniale situatie Een ver gelijkbare aandacht voor tekstproductie en context is te vinden in de tegenwoordig ergpopulaire boekwetenschap Zij bestudeert het boek als een materieel object en niet als een literaire boodschap die vraagt om interpretatie De ontstaansgeschiedenis, de materiële vorm, het uitzicht, de editie dat zijn slechts enkele aandachtspunten van deze snel uitdijende wetenschap Geert Lernout is al meer dan een decennium actief in deze branche, als medestichter van ‘Genese’ (een wetenschappelijke werkgroep rond teksteditie), als adviseur van het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie, en als hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen Dat mag rijkelijk academisch lijken, Een beknopte geschiedenis van het boek is een uiterst toegankelijk overzicht van de verschillende vormen die het boek hier gedefinieerd als ‘alles waarop taal staat’ door de eeuwen heen heeft aangenomen Het is een persoonlijk werk, dat praat over ontroering, put uit persoonlijke ervaringen, en geen moeite doet om voorkeuren te verber gen Dat gebeurt de ene keer al wat genuanceerder dan de andere Auteurs die de recente spellingwijziging niet goedkeuren, maken volgens Lernout deel uit van ‘een heel luidruchtige minderheid van schrijvers die om irrelevante en sentimentele redenen geen enkele verandering dulden’ Neerlandica extra Muros Jaargang 43 64 Veranderingen, daar gaat het om in dit boek Volgens Lernout zijn veranderingen steeds geleidelijk Hij haalt zijn schouders op als de zoveelste fundamentele breuk in de geschiedenis aangekondigd wordt De over gang van een orale naar een schriftelijke cultuur ,de uitvinding van de boekdrukkunst het zijn belangrijke stappen, geeft Lernout toe, maar de profeten van de radicale omwenteling krijgen van hem onveranderlijk een veeg uit de pan Zo bekritiseert hij Jack Goody ,Ivan Illich en Marshall McLuhan Toch is hij niet blind voor de soms radicale vernieuwingen Zo zegt hij: ‘Het is niet omdat de rol van de boekdrukkunst in dit proces door profeten als Marshall McLuhan werd overdreven, dat de nieuwe manier om boeken te maken helemaal geen rol heeft gespeeld in de vele nieuwe ontwikkelingen die zich aan het einde van de vijftiende eeuw beginnen te manifesteren’ Lernout begint zijn historisch overzicht met het zogenaamde einde van het boek Hij laat zien dat het internet en de hypertekst het boek niet naar de prullenmand verwijzen, maar in nieuwe vormen opnemen en laten overleven Het boek is altijd al een bewaarmiddel geweest, en dat is het ook in zijn elektronische gedaante Het web bevat ontelbare teksten, boeken en manuscripten Na deze geruststellende opening volgt de geschiedenis van het boek In zijn tweede hoofdstuk schetst Lernout het begin van het schrift, de verschillende spellingsystemen, de prille vormen van het alfabet, de verschillende dragers, waaronder klei, hout en papyrus Is het prille begin buiten de westerse wereld gesitueerd (Soemerië en Egypte zijn hier belangrijk), dan concentreert Lernout zich in de rest van zijn overzicht op het W esten In hoofdstukken drie en vier bespreekt hij de ontwikkeling van het schrift en het boek in de Griekse en Romeinse periode Teksten zijn hier nog overwegend hulpmiddelen bij een orale traditie Er ontstaan grote bibliotheken (zoals die van Alexandrië), er wordt veel gekopieerd én vervalst, maar het lezen gebeurt meestal hardop en in groep W anneer het christendom in de vierde eeuw de Romeinse staatsgodsdienst wordt, leidt de behoefte aan makkelijk verspreidbare religieuze teksten tot technologische aanpassingen aan de vorm van het boek Zo vervangt de perkamenten codex gaandeweg de papyrusrol In de Middeleeuwen onder gaat het boek verdere gedaanteverwisselingen onder invloed van de Karolingische hofcultuur ,de joodse en Arabische tradities, de universiteiten en de scholastiek Lernout bespreekt de verschillende soorten leestekens, afkortingen, ligaturen (aan elkaar geschreven lettertekens, zoals de ampersand), de introductie van het gotisch schrift, het paginanummer ,de index, de spatie tussen woorden Dat leidt nooit tot een droge opsomming, omdat alles in een verhalend kader ingebed wordt Volgende stap in het verhaal is de drukpers Daardoor krijgt het boek steeds meer het uitzicht dat wij kennen: een rug, waarop titel en auteur; een titelbladzijde; een makkelijk leesbare letter; een alfabet van 26 letters Als reproduceerbare objecten, fungeren boeken in de economische wereld van handel en winst Als dragers van ideeën fungeren ze in de strijd tussen de Reformatie en de Contrareformatie In de Verlichting gaat hun opmars hand in hand met de Neerlandica extra Muros Jaargang 43 65 opmars van de democratie De technologische ontwikkelingen zor gen voor steeds snellere metamorfosen van het boek Het wordt een massaproduct voor individueel gebruik Lezen wordt een persoonlijke aangelegenheid In zijn laatste hoofdstuk knoopt Lernout aan bij zijn eerste Hij bespreekt de hedendaagse ontwikkelingen en verwerpt de apocalyptische uitspraken over de dood van het boek Lernouts visie op de geschiedenis staat niet alleen in het teken van de geleidelijkheid, maar ook in dat van de functionaliteit en de rationaliteit Hij ziet evoluties als redelijke antwoorden op een behoefte Het boek verandert omdat het op een bepaald moment een bepaalde maatschappelijke functie moet vervullen De vorm is voor Lernout een resultaat van de functie: ‘Het schrift was uitgevonden voor inventarissen en contracten en werd pas later ook gebruikt voor het neerschrijven van religieuze, juridische, wetenschappelijke en literaire werken’ Het mensbeeld dat samengaat met dit functionalisme is ergtraditioneel De mens verschijnt bij Lernout als een rationeel en intentioneel wezen dat instrumenten, zoals het schrift, ontwerpt en verfijnt De Soemeriërs ontwierpen een notatiesysteem dat klanken en ideeën niet duidelijk scheidde: ‘T oen dit systeem veel te complex was geworden, moest men net als in het Japans een nieuw soort tekens invoeren om het onderscheid te maken tussen de tekens die een idee, en andere die een klank uitdrukten’ Dit geloof in de persoonlijke intentie en rationaliteit zie je ook in Lernouts gebruik van individuele figuren als motoren van de evolutie Soms wordt een ontwikkeling niet in een veld van duizenden factoren geplaatst, maar verklaard als het werk van één mens: ‘Aristoteles zette opnieuw een revolutionaire stap toen hij besloot om de resultaten van zijn wetenschappelijke werk in populaire uitgaven te verspreiden’ Soms gaat het om een groep, en daarbij schuwt Lernout de stereotypering niet Hoe komt het dat de Ierse manuscripten uit de zevende eeuw oudere Latijnse vertalingen gebruikten? ‘Dit is opnieuw een gevolg van Keltische koppigheid; voor hen was de nieuwe vertaling waarschijnlijk even onaanvaardbaar als een andere berekening van de datum voor Pasen’ In andere contexten duiken de Engelse snobs en de oerconservatieve drukkers op als stereotiepe verklaringen Zulke speculaties kun je bezwaarlijk wetenschappelijk noemen toch niet in de zin die Lernout daar zelf aan geeft Meer dan eens verbindt hij wetenschap met positivisme, bijvoorbeeld in zijn lof voor Paul Saenger die in zijn studie van het schrift ‘vertrekt van de wetenschappelijke vaststelling dat de hersenen visuele impulsen anders verwerken dan prikkels die ons via de oren bereiken’ Dat Saengers theorie overtuigender is dan die van Illich, zie je volgens Lernout ‘al aan de meer dan honderd pagina's voetnoten in Saengers boek’ Er staan géén voetnoten in Een beknopte geschiedenis van het boek ,dus dat zal dan ook wel geen wetenschappelijk werk zijn Er is zelfs de occasionele wetenschappelijke uitglijer ,bijvoorbeeld wanneer Lernout zegt dat de ‘p’ in ‘pal’ ‘stemhebbend’ is, ‘wat alleen maar wil zeggen dat hij met iets meer kracht wordt uitgesproken’ Een ‘p’ is uiteraard stemloos, en dat heeft niets te maken met kracht, maar met niettrillende stembanden Niet dat dit detail het boek Neerlandica extra Muros Jaargang 43 66 typeert of invalideert Lernouts geschiedenis is een persoonlijk overzicht, getekend door een functionele, rationele en intentionele visie, maar op elk moment is dit een leesbare én interessante tekst W ie het academischer wil, kan terecht bij de standaardwerken die in de bibliografie vermeld worden Het mag duidelijk zijn: de context waarin de tekst ontstaat en functioneert is een constant aandachtspunt in het hedendaagse literatuuronderzoek Als er concrete teksten bestudeerd worden, beperkt zich dat niet ‘tot wat inmiddels misschien wel een karikatuur mag heten van de academische aandacht voor gedichten: de close reading’ Dat staat in de inleiding van de bundel Een rijke br on: over poëzie Het boek is een huldebetoon aan Dick van Halsema, die vorig jaar afscheid nam van de Vrije Universiteit Amsterdam Zijn specialisme de Tachtigers, Leopold en de recente poëzie komt dan ook herhaaldelijk aan bod in deze uitgave De redactie (Ad Zuiderent, Ena Jansen en Johan Koppenol) confronteert in dit boek de primaire literatuur met de secundaire Gedichten (onder meer van Brassinga, Zuiderent, Anker en W illem Jan Otten) vormen de over gang tussen drie afdelingen poëziestudie Elke afdeling plaatst de tekst in een bepaalde context Ten eerste is er het referentiële gedeelte, waarin poëtische beelden, locaties en gebeurtenissen verbonden worden met hun tegenhangers in de sociale werkelijkheid Zo vindt Ena Jansen in de gedichten van Elisabeth Eybers poëtische sporen van de Amsterdamse Van Breestraat, waar de dichteres niet zonder klachten en gevoelens van ontheemdheid woonde tussen maart 1968 en april 1979 Fens verbindt het symbolische huis van Kouwenaars poëzie met het Franse huis van de dichter ,dat te zien was in een televisiedocumentaire Het kan ook over grotere dingen gaan dan een straat of een huis: de watersnoodramp van 1953 in de Laaglandse hymnen van HH ter Balkt; de Shoah in twee gedichten van Rogi W ieg, de Eerste W ereldoorlog in het werk van de christelijke Australische dichter Les Murray Direct in de buurt van Halsema's specialisme liggen de essays over de versmelting tussen realiteit en verbeelding bij Gorter; de uitbeelding van de aflopende vriendschap tussen Kloos en Verwey in het gedicht ‘Cor Cordium’ van die laatste; het conflict tussen verheven romantische poëzie versus utilitaire rijmelarij in het werk van de zogenaamde domineedichter De Génestet Ten tweede is er het intermediale gedeelte, waar de poëzie bestudeerd wordt in de context van de beeldende kunst JanW illem van der W eij onderzoekt het stadsbeeld in de prozagedichten van de tachtiger Frans Erens en verbindt dat beeld met de schilderijen van Isaac Israels Hanneke van Kempen vraagt zich af of Gorters titelloze gedicht over een maannacht beïnvloed werd door het schilderij ‘Maannacht’ van Geor ge Hendrik Breitner Detailanalyses leiden hier soms tot algemene conclusies Zo gebruikt Jacqueline Bel een gedicht van Verwey over wandschilderingen van Derkinderen om de poëticale discussies rond 1900 te illustreren Carel Blotkamp laat zien hoeveel moderne schilders het werk van Achterber gbeïnvloed hebben Zijn interessante verkenning vraagt om een grondige uitwerking die het modernisme van deze zogenaamd klassieke dichter zou verhelderen Neerlandica extra Muros Jaargang 43 67 De derde afdeling plaatst het gedicht in de context van de intertekstualiteit Ze wordt ingeleid door een stuk van Goedegebuure over God in het werk van dichters als Faverey ,Reve en W illem Jan Otten Je moet wel een imaginaire omweg maken langs de bijbel om deze bijdrage onder de rubriek intertekstualiteit te rangschikken De andere stukken zijn directer gericht op de interactie tussen teksten Luceberts gedicht ‘Het orakel van Monte Carlo’ verwerkt een poëticale discussie tussen Kloos en Busken Huet Tolstojs roman Opstanding inspireerde Leopold tot verschillende gedichten, via de omweg van Franse vertalingen Een vertaling is steeds een gesprek tussen teksten, zoals blijkt uit de Duitse vertaling die Emil Staiger maakte van een lang en titelloos gedicht van Leopold Nog Leopold in de bijdrage van Gillis Dorleijn, die poëtische formules en procédés van deze auteur analyseert in het werk van Tonnus Oosterhof fen daaruit conclusies trekt over de postmoderne intertekstualiteit De laatste twee bijdragen blijven in postmoderne wateren Anja de Feijter verbindt Oosterhof fs poëzie en poëtica met Lucebert en de joodse mystiek Peter Verhelsts Witte bloemen ,een vroege en ondertussen door de auteur verachte dichtbundel, confronteert de postmoderne apocalyptiek met de modernistische creatiedoordestructie van Baudelaire Leo Hoek laat dat mooi zien Zijn bijdrage opent, net als heel wat andere, ruimere horizonten dan de gedetailleerde tekstanalyse op het eerste gezicht laat vermoeden Zo draagt ook deze bundel bij tot de steeds verder schrijdende verruiming van de literatuurstudie die, gelukkig, niet hoeft samen te gaan met de veronachtzaming van de concrete literaire tekst Besproken boeken BUELENS ,GEER TEA(RED ): La lotta continua? Jaarboek voor literatuurwetenschap ,2, 2004 Leuven, Peeters, 252 p ISBN 9042913967 €30 FOKKEMA ,ALEID & M AAR TEN STEENMEIJER (RED ): Identiteit en locatie in de hedendaagse literatuur Nijmegen, Vantilt, 2003 222 p ISBN 9075697864 €19,90 LERNOUT ,GEER T:Een beknopte geschiedenis van het boek Amsterdam/Antwerpen, Meulenhof f/Manteau, 2004 352 p ISBN 9059900049 €18,95 ZUIDERENT ,AD,ENA JANSEN & JOHAN KOPPENOL (RED ):Een rijke br on: over poëzie Groningen, Historische uitgeverij, 2004 230 p ISBN 9065541934 €22,75 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 68 Jaap Goedegebuur e Moderne familieromans Kroniek van het proza ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar ,elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze’ Met die vermaarde uitspraak opent Tolstois roman Anna Kar enina, een van de hoogtepunten van de negentiendeeeuwse familieroman Drie recente Nederlandse romans maken duidelijk dat het genre nog altijd in bloei verkeert, zelfs nu het realisme er is vermengd met satire, groteske en autobiografie Gijs IJlander ,die sinds kort heeft besloten bij wijze van handelsmerk te volstaan met zijn achternaam, begint zijn roman AL VB als volgt: ‘De meeste ongelukkige gezinnen herken je van verre, maar er zijn er die zich nauwelijks onderscheiden van gelukkige gezinnen die aan hun geluk gewend zijn geraakt’ Die verwijzing naar Tolstoi wekt de verwachting dat we overstelpt gaan worden met het nodige familieleed En inderdaad, het driekoppige gezin dat hier de hoofdrollen vervult, komt er zowat in om Punkdochter Femke, vijftien jaar jong, lijdt aan boulemie en een dwangneurotische behoefte om zichzelf te verminken Ze laat tatoeages zetten in de vorm van littekens en kruiswonden, loopt van huis weg, zwerft maanden langs 'sHeren wegen en keert pas terug nadat ze besloten heeft om onder het ouderlijk dak een einde aan haar leven te maken Moeder Jennifer walgt van haar status als societyschilderes, maar zit zo beklemd in haar eigen ikje dat ze het zintuig mist voor de noden en behoeften van haar enige kind Vader Allard komt gruwelijk ten val wanneer hij de medische ethiek, die hij als gynaecoloog zou moeten eerbiedigen, ter wille van grof geldgewin te grabbel gooit IJlander heeft deze drie individuele drama's, die dankzij knellende familiebanden nauw met elkaar verknoopt zijn, verankerd in de wirwar van hedendaagse zeden en gewoonten RealityTV stuit op politieke correctheid en new age, geboorteopbestelling wordt gepresenteerd als een artistieke daad, en de multiculturele samenleving verschijnt in de hoedanigheid van een soap Als dat geen satire is! De titel AL VB is de afgekorte versie van de Latijnse zinsnede ‘ars longa, vita brevis’ Deze vier woorden staan al meer dan tweeduizend jaar voor de opvatting dat ons bestaan broos en vluchtig is in ver gelijking met de bestendigheid van de kunst Maar de ironie wil dat de kunst waarvan IJlander spreekt juist veel ver gankelijker is dan welk mensenleven ook W anneer Jennifer het licht van spiritualiteit en ware liefde heeft gezien en ze Allard de zak heeft gegeven, verbrandt ze Neerlandica extra Muros Jaargang 43 69 alles wat nog rest van haar gemakkelijke succes Nog ver gankelijker is het ‘project’ van de kunstenares Irma Breekfelt die ter wille van de verzoening tussen slavenhandelend Nederland en onderdrukt Suriname zwanger wil worden van een zwarte man en alle stadia van het negen maanden lange proces breed voor het voetlicht van de openbaarheid wenst te brengen Allard is daarbij geronseld als mediagenieke dokter die zo boeiend weet te vertellen over de ins en outs van de voortplanting Het satirische gehalte van AL VB vereist dat de lezer wordt overtuigd van de belachelijke en hier en daar ook kwalijke kantjes van onze hedendaagse mediacultuur Het probleem is alleen dat wie de moeite neemt om een behoorlijk boek te lezen, naar alle waarschijnlijkheid geen boodschap zal hebben aan Big Brotherachtige rommel De persiflage op het denkbeeldige televisieprogramma Voormalige Zwarte Slaaf Copuleert Met Voormalige Blanke Meesteres, hoe hilarisch ook, schiet daarom bij voorbaat aan het doel voorbij Hier en daar maakt IJlander de indruk dat zijn hekelende uitbeelding van de werkelijkheid wortelt in een doorleefd cultuurpessimisme De rook en aswolken van 11september 2001 die hij op zeker ogenblik laat opstijgen, zouden in dat geval kunnen gelden als het waarschuwende teken aan de wand Narcisme, decennia geleden al aangemerkt als de grote zonde van de late twintigste eeuw ,moet blijkbaar gelden als de misstand waartegen de auteur zich keert Voor een der gelijke duiding van de strekking die AL VB mogelijkerwijs bevat, valt het nodige te zeggen In weerwil van het absurde lachofikschietgehalte van Irma Breekfelts optreden, is de teneur van deze roman in overwegende mate tragisch, om niet te zeggen melodramatisch De ingelaste dagboekfragmenten van Femkes hand zijn allerminst om te lachen en Jennifers zielenpijn laat zich evenmin als humoristisch kwalificeren Het personage dat met recht ridicuul mag heten is Allard, en het is zeker geen toeval dat hij als enige van de drie hoofdfiguren gespeend is van smoel, profiel en diepte De slotsom moet wel zijn dat AL VB een gespleten en ongebalanceerd boek is, te zwaar en te ernstig om als lichtvoetige zedenschets te dienen, maar ook te oppervlakkig en afstandelijk om sympathie met de karakters op te kunnen wekken Dat is jammer ,want IJlander heeft zich tot nu toe laten kennen als een gedreven romancier ,die de gebaande paden behendig wist te vermijden en vakmanschap wist te verenigen met eigenzinnigheid Maar aan deze combinatie van satire en familiegeschiedenis heeft hij zich toch lelijk vertild Allard Schröder heeft zijn nieuwe roman Favonius in de ondertitel als ‘een bur gerroman’ gekwalificeerd, alsof hij daarmee wil aangeven dat ook hij zich geworteld voelt in het negentiendeeeuwse realisme van Tolstoi en tijdgenoten Zijn thema is, net als in Anna Kar enina ,huwelijksbedrog en de wrange vruchten die dat voor de hoofdpersoon heeft Felix Favonius, een welgedane en geslaagde zakenman van achter in de dertig, bestijgt op zekere dag de trap van de echtelijke woning waarop nog ruim tweehonderdduizend euro hypotheek rust Bijna boven stokt zijn tred Daar ligt zijn vrouw Vita, haar hoofd op het ontblote onderlijf van Garmer ,collega, Neerlandica extra Muros Jaargang 43 70 teamgenoot bij de rugbyclub en naar hij vanzelfsprekend heeft aangenomen al levenslang zijn beste vriend Ontdaan sluipt Favonius het huis uit, voelt moordlust opkomen en verschaft zich een pistool Voor hij eraan toekomt zich op het overspelige stel te wreken, wordt Garmers ontzielde lichaam uit de rivier opgevist Slachtof fer van roofmoord door een hoertje en haar pooier ,zo wijst justitieel onderzoek uit Het zal niets afdoen aan Favonius' besluit om zich van Vita te laten scheiden Kan het banaler? Banaler dan in deze weer gave kan het zeker niet Misschien dat Allard Schröder het breed uitgewerkte relaas van de fatale driehoek FavoniusV itaGarmer daarom wel als ‘bur gerroman’ heeft bestempeld Enigszins misleidend is die aanduiding wel Het verhaal over de teloor gang van een huwelijk is buitenkant, zoals ook dat huwelijk zelf en de vrouw met wie Favonius in de echt verenigd was tot de buitenkant van zijn bestaan behoren Daaronder wacht een duistere macht af tot hij de kans schoon ziet om uit te breken en alle zekerheden van het geordende bur germansbestaan te laten afbladderen als waren ze de laatste schilfertjes verf op door en door vermolmd hout Favonius' kruisweg, met de ontdekking van Vita's ontrouw als een van de eerste staties, begint op het moment dat hij door zijn bazen wordt belast met de voorbereidingen van een omvangrijk nieuwbouwproject Op weg naar de provincieplaats waar hij voor een week of wat gedetacheerd wordt, rijden hij en zijn assistent Koertz zich met hun auto vast in een landschap dat door aanhoudende herfstregens bezig is in een modderpoel te veranderen Ze vinden onderdak in de vervallen dorpsherber gvan Overlethe, alweer een naam die te denken geeft: in de Griekse onderwereld is de Lethe immers de rivier die de zielen van de overledenen ver getelheid schenkt Binnen de muren van De Fransche Lelie wordt het gestrande tweetal verwelkomd met een ware onheilsboodschap Herm, de schijnbaar achterlijke zoon van de slonzige waardin Jeanne, maar in werkelijkheid een vermomde god Hermes (in de Oudheid de geleider van de doden), geeft luidkeels te kennen dat Favonius en Koertz niet meer zijn dan ‘vliegen op weg naar het plaklint’ Voor Favonius wordt die profetie maar al te zeer bewaarheid Na zijn ontdekking dat Vita en Garmer hem al sinds lang hebben bedrogen, blijft hij bij Jeanne hangen en raakt tegen wil en dank verstrikt in een verhouding waarin zij slavin en meesteres tegelijk is Herm en Jeanne zijn niet de enige demonen in deze zompige en morsige onderwereld Favonius loopt ook op tegen de gesjeesde chemicus Schmitt die XTCachtige pillen fabriceert, de sloper Koops die maar al te zeer baat heeft bij de afbraak van het platteland omdat het zijn steenver gruizer aan de gang houdt, de eenogige, eenbenige en incestueuze femme fatale Louise de Besse die hem aan het pistool helpt, en Louises halfbroer Alberik Bellarmin, een topcrimineel die als een tweelingbroer op Favonius lijkt en daarmee zijn vleesgeworden schaduwkant is, de Ander die met al die andere infernale krachten heeft geloerd op een gelegenheid het deksel van de ketel te lichten en orde in chaos te doen verkeren Allard Schröder heeft een gewone en herkenbare realiteit tot uitgangspunt gekozen voor een roman die van aanhef tot slot baadt in het schemerlicht dat Neerlandica extra Muros Jaargang 43 71 gloort vanaf een onwereldse overzijde Nieuwsfeiten die nog vooraan in ons geheugen liggen, zoals de dreiging van aanzwellend rivierwater waartegen dijken niet bestand lijken te zijn, onthullingen van bouwfraudes die hebben laten zien hoe ondernemers en overheden voor geen enkele vorm van corruptie meer terugschrikken, de sluipende Vinexverloedering van polders en dorpskernen die aan de vraatzucht van planologen en projectontwikkelaars worden opgeof ferd: het wordt allemaal ingepast in een hallucinante geschiedenis die de banaliteit verhevigt tot een huiveringwekkende mythe Het bijzondere is dat Schröder zich daarbij nooit opwerpt tot woordvoerder van maatschappelijk verontwaardigden en verontrusten, maar zich weet te beperken tot een suggestief uitver groten van het alledaagse kwaad Dat Nederland verwordt tot een onbehaaglijke steenwoestijn is voor hem van secundair belang W aar het hem werkelijk om gaat, blijkt uit een slotbespiegeling van Vita die tijdens Garmers uitvaart beseft dat zij en alle andere begrafenisgasten kleine en onbeduidende mensen zijn ‘Ja, nietig waren ze, alleen in hun dromen of hun nachtmerries waren ze wel eens groot Hun eigen kleine hel kwelde hem goddank slechts innerlijk, daarbuiten was het allerer gste afgedekt door verzekeringen, pensioenen en het manhaftig dragen van het kleine verdriet en door het relatievet van vriendjes en collega's die monsterlijke bloemstukken op je kist kwamen leggen als het zover was’ Het kan niet kervender worden gezegd Geen onderwerp dat zich zo goed leent om tot Hollandse familieroman te worden verwerkt als de doem van het orthodoxe calvinisme Ner gens immers wordt de blijde boodschap dat alle zielen een plaatsje in de hemel kunnen verwerven zo kras ontkend als in de contreien waar lange en duistere winters heersen en de zon bijna altijd achter een grijs wolkendek schuilgaat Het wemelt er nog altijd van sektarische christenen die de overtuiging zijn toegedaan dat het over grote deel van de menselijke soort is voorbestemd tot de hel, en dat niet omdat ze bij leven zo zwaar hebben gezondigd, maar simpelweg omdat God zulks heeft bedacht nog voor hij aan Zijn schepping begon ‘Predestinatie’ heet dat leerstuk, dat zo bar en wreed is dat zelfs de bedenker ervan, de hervormer Johannes Calvijn, sprak van een ‘huiveringwekkend decreet’ De Nederlandse literatuur beschikt over enkele indringende verbeeldingen van dat gegeven In de eerste plaats is daar Een Hollands drama van Arthur van Schendel En niet zolang geleden lichtte Arjan Visser in De laatste dagen de godsdienstwaanzin door waartoe het religieuze doemdenken menigmaal leidt En er is natuurlijk ook het werk van Jan W olkers, Maarten 'tHart en JMA Biesheuvel Jan Siebelink maakte er nooit een geheim van dat ook hij is aangeraakt door de leer van hel en verdoemenis Veel van zijn verhalen en romans zijn doortrokken van de grauwsluier waaronder een flink deel van ons godsdienstig leven ligt bedolven Het is evenmin een geheim dat zijn vader een ‘bekeerde’ was, dat wil zeggen een christen die pas het licht zag toen God hem krachtig door elkaar had geschud De vader komt een aantal keren in Siebelinks werk voor ,herkenbaar in het verhaal ‘W itte chrysanten’ (te vinden in de bundel Nacht Neerlandica extra Muros Jaargang 43 72 schade ),iets gecamoufleerder in de prachtroman De overkant van de rivier In Knielen op een bed violen heeft de auteur een nieuwe, en naar eigen zeggen ook laatste, poging gewaagd om het leven en streven van senior in geschrifte vast te leggen Ondanks het autobiografische gehalte doet dit boek zich voor als een gefingeerde geschiedenis, allereerst omdat de leden van het gezin Siebelink onder andere namen verschijnen, maar ook vanwege de sterk aangezette dramatiek die hier en daar paradoxale trekken aanneemt W ant hoewel er alle reden is om het gedrag van de vader vanwege emotionele verwaarlozing van vrouw en kinderen te veroordelen, kenmerkt de verteller zich door zijn positieve benadering W at dat betreft bestaat er een sterke affiniteit tussen de anonieme hijfiguur die met ingehouden adem het verhaal vertelt en oudste zoon Ruben, die van zijn vader nagenoeg alles wil begrijpen en hem dus ook haast alles kan ver geven In een recent interview heeft Jan Siebelink laten weten dat compassie met senior zijn voornaamste drijfveer was Het is dan ook niet niets, te besef fen dat je ondanks Gods aanraking nog altijd niet zeker kunt zijn van je uitverkiezing Aanhoudend bidden en smeken dat je maar geen prooi zult worden van het eeuwige vuur is het enige wat er op zit En afzijdig blijven van de wereld en zijn verlokkingen In overeenstemming met het calvinistisch doemdenken lijkt het handelingsverloop van Knielen op een bed violen te zijn bepaald door het noodlot Hans Sievez (zoals de hoofdpersoon heet) ontworstelt zich in zijn vroege jeugd aan het juk van een zwaar gelovige én gevoelloze vader en maakt van zijn liefde voor de natuur zijn beroep Tijdens zijn tuindersopleiding komt er iemand op zijn weg die flemend en sluipend als de slang in het paradijs zijn ziel van de eeuwige verdoemenis probeert te redden Hans keert zich radicaal van deze verleider af, maar jaren later valt de man hem alsnog op het dak, en dan met meer succes De manier waarop Hans de sektewereld wordt ingezogen doet op het eerste gezicht aan als een horrorstory ,met de sektariërs als vampiers Ze kleven zich bijna letterlijk aan hem vast, troggelen hem in ruil voor even stichtelijke als lorrig ogende traktaatjes grote sommen geld af, vreten (tamelijk onsmakelijk) zijn tafel leeg en terroriseren zijn gezin met hun dreigingen en vermaningen Aan de andere kant heeft Hans, die zich met enige tegenzin maar niettemin bij volle verstand van zijn levenslustige vrouw en zijn twee zoons verwijdert, nogal wat gemeen met de sterotiepe vreemdganger die zekere behoeften buiten de deur bevredigt W eliswaar zijn het geen lichamelijke maar geestelijke noden die hem drijven, maar voor achterblijvers die zich verraden voelen, maakt dat eigenlijk geen verschil Vader gehoorzaamt het woord van Jezus, die heeft gezegd dat wie hem wil volgen, zijn familie moet verloochenen En dat woord geldt tot op het sterfbed, waar echtgenote en kinderen door een cordon van zwarte bewaarengelen worden geweerd In het al genoemde interview zegt Siebelink dat hij het mysterie van zijn vaders bestaan dicht is genaderd, maar dat hij niet de illusie koestert er ook maar iets van te hebben begrepen En zo is het ook W ie het steile en onverzoenlijke protestantisme niet uit eigen ervaring kent, zal misschien zelfs vinden dat de schrijver al te begrijpend en ook al te uitvoerig bij een geval van godsdienst Neerlandica extra Muros Jaargang 43 73 waanzin is blijven stilstaan Ik vind dat overigens niet Net als bij een rechtzinnige donderpreek is de lange zit hier noodzakelijk om de wur gende greep van dit geloof aan den lijve te ervaren Mocht ook dat Siebelinks bedoeling zijn geweest, dan is hij ten volle geslaagd Besproken boeken IJLANDER :AL VB, ars longa vita br evis Amsterdam, LJ Veen, 2005, 318 blz €19,95 ALLARD SCHRÖDER :Favonius, een bur gerr oman Amsterdam, De Bezige Bij, 2005, 350 blz €19,90 JAN SIEBELINK :Knielen op een bed violen Amsterdam, De Bezige Bij, 2005, 447 blz €19,90 Neerlandica extra Muros Jaargang 43 74 Besprekingen en aankondigingen Susi Moeimam en Hein Steinhauer (2004) NederlandsIndonesisch woordenboek Met medewerking van Nurhayu W Santoso en Ewald F Ebing Leiden: KITL V Uitgeverij, xxvii + 1123 pp ISBN 90 6718 227 3 €49,90 Dit nieuwe woordenboek is de vrucht van een langlopend NederlandsIndonesisch samenwerkingsproject, dat in 1997 begonnen is Van de twee samenstellers is dr Susi Moeimam de eerste gepromoveerde neerlandica uit Indonesië, terwijl prof Hein Steinhauer als Indonesianist en austronesicus verbonden is aan de Universiteit Leiden Op basis van Susi Moeimams Leidse proefschrift, Van lexicologische modelvorming naar lexicografische prakrijk: een concept voor een receptief NederlandsIndonesisch woor denboek (1994), is dit woordenboek nadrukkelijk afgestemd op de productieve behoeften van Nederlandstaligen voor wie het Indonesisch een vreemde taal is Tegelijk echter is er in Indonesië als tegenhanger een verwant woordenboek gepubliceerd, dat is gericht op de receptieve behoeften van Indonesische gebruikers die zich het Nederlands eigen willen maken Het zou interessant zijn geweest om deze twee nieuwe vertaalwoordenboeken hier samen te bespreken en te ver gelijken, maar dat zat er jammer genoeg niet in Met 46000 ingangen is het een groot woordenboek geworden Het is mooi uitgegeven en vormt een waardige pendant van Teeuws IndonesischNederlands woor denboek (4e druk, 1996, eveneens bij KITL V Uitgeverij), dat ik besproken heb in Neerlandica extra Mur os 55 (1990) Mijn oordeel, dat overwegend positief is, is gebaseerd op een systematische steekproef, waarbij ik om de vijftig bladzijden een hele pagina geanalyseerd heb De kritische bevindingen van deze steekproef vat ik hier samen Het uitgangspunt om dit woordenboek af te stemmen op de Nederlandse gebruiker wordt over het algemeen goed uitgevoerd Het woordenboek is gebaseerd op modern Nederlands en heeft het eigentijdse standaardIndonesisch als doeltaal W el merk ik op, dat op p 49 bij amandelspijs aan de vertaling de uitleg wordt toegevoegd dat amandelspijs gebruikt kan worden in roti kismis (krentenbrood) Deze uitleg is echter in het Indonesisch en zal daarom voor heel veel Nederlandse gebruikers ontoegankelijk zijn Aantrekkelijk is, dat er veel eigentijds Nederlands gegeven wordt, zoals Neerlandica extra Muros Jaargang 43 75 uitvissen en uitvoegstr ook Ook is veel idioom opgenomen, waaronder echter ook dubieuze gevallen als voor iemand in de bocht springen (> bres) en de appel valt niet ver van de stam (> boom) Eigentijds zal ook wel zijn de opname van Engelse woorden als range en scateboar d(sic) Eigentijds is zeker dat de seksuele terminologie van aftr ekken, het doen en doos via klaarkomen, nummertje en pijpen tot vreemdgaan en zelfbevr ediging ruim vertegenwoordigd is, al wordt bij voor het zingen de kerk uitgaan niet aangegeven dat het hier om een seksuele uitdrukking gaat Bij neuken en naaien ontbreekt het alledaagse Indonesische woord main en vinden we Indonesische standaardtaaltermen die weinig geschikt lijken voor gebruik in bed Historisch interessant is, dat bij sommige Nederlandse woorden met een koloniaal verleden niet alleen het hedendaagse standaardIndonesisch wordt gegeven, maar ook het nog gangbare IndischNederlandse leenwoord Zo vinden we bij opname (in een ziekenhuis) zowel opname als perawatan ,en bij krant zowel koran als surat kabar Vreemd en onjuist is echter ,dat op p 601 de afkorting NHM wordt uitgelegd als ‘Nederlandse Handelsmaatschappij’ in plaats van ‘De Nederlandsche Handelmaatschappij’, zoals de officiële naam luidt van de koloniale onderneming die in 1824 bij Koninklijk Besluit was opgericht door W illem Ien die nog steeds voortleeft in de titel van de Max Havelaar De Indonesische vertaling die hier gegeven wordt, is ook veel te algemeen, want perusahaan dagang Belanda betekent zoiets als ‘Nederlands handelsbedrijf ’,en geeft niet aan dat het om een eigennaam gaat In dit opzicht is Persekutuan dagang belanda van de Indonesische Havelaar vertaler HB Jassin veel beter Jammer is ook, dat niet vermeld wordt dat de NHM in Indonesië bekend stond en staat als Kompeni kecil ,dw z de kleine compagnie, oftewel de negentiendeeeuwse reïncarnatie van de VOC Het woordenboek geeft systematisch en uitvoerig grammaticale informatie, al blijft er nog wel wat te wensen over Het Grammaticaal compendium behandelt kort de Indonesische zelfstandige naamwoorden, telwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, voorzetsels en transitieve en intransitieve werkwoorden, maar niet de lidwoorden, pronomina, conjuncties, adverbia en interjecties, al komen deze termen in het woordenboek zelf wel aan bod Ook de vorming van Indonesische nomina komt er nogal bekaaid af Een duidelijke grammaticale misser is de behandeling van anders als onderschikkend voegwoord op p 51, en van waar heen en andere gevallen van waar met prepositie op p 104954 W eliswaar wordt hier onderscheid gemaakt tussen relatief en interrogatief gebruik, maar de zin hij vroeg waar we heen gingen wordt opgevat als voorbeeld van relatief gebruik, terwijl het hier toch duidelijk om een ingebed interrogativum gaat In dit hele stuk zit een systematische fout die om correctie vraagt Bij deze uiteenlopende kritische opmerkingen is het echter goed om te bedenken, dat dit nieuwe woordenboek nu eindelijk, na vele decennia, voor Nederlanders die Indonesisch willen leren gebruiken, een volwaardige, eigentijdse, wetenschappelijk verantwoorde en zeer omvangrijke lexicografische Neerlandica extra Muros Jaargang 43 76 beschrijving biedt, die stukken beter isdan de verouderde woordenboeken van Kramer (1966), W ojowasito (1978) en Soekartini (1986) Naast een goed pakket Bronnentaalcursusboeken voor juristen en historici beschikken de Indonesische neerlandici nu dan ook over een stevig NederlandsIndonesisch woordenboek (of eigenlijk dus maar liefst twee) De eerstvolgende prioriteit lijkt me daarom nu de productie van een behoorlijke, op de ANS gebaseerde Indonesische leer grammatica van het Nederlands Reinier Salver da JCM Blanker & J Dubbeldam: Prisma W oordenboek Sranantongo / Prisma W ortubuku fu Sranantongo Utr echt, Uitgeverij Het Spectrum BV ,2005 486 pp; met illustraties ISBN 90 274 147 80 €1795 ‘Het Sranantongo beschikt niet langer alleen over woordenlijsten, maar heeft nu ook een eigen woordenboek’ Zo begint het ‘W oord vooraf ’van de professoren Theo Janssen en W illy Martin van de Vrije Universiteit Amsterdam, in de inleiding fesi pisi van het Prisma woordenboek van JCM Blanker en J Dubbeldam W aarin verschilt dit woordenboek van de al langer bestaande woordenlijsten? Een vertalende woorden lijst an sich biedt alleen vertalingen van woorden, een vertalend woorden boek vermeldt daarbij allerlei gegevens over uitspraak, woordsoort, stijl, gebruikelijke woordcombinaties, uitdrukkingen en geeft voorbeeldzinnen, hetgeen in het hier besproken woordenboek allemaal gebeurt Het bevat helaas niet veel meer woorden dan de toonaangevende woordenlijst van de Stichting Volkslectuur Een niet gebruikelijk extra zijn de foto's midden in het woordenboek: 16 bladzijden in kleur ,stukjes Suriname, op 29 foto's in totaal Onder de extra's valt ook de in taalkundig opzicht zeker interessante toevoeging van een lijst van 25 ideofonen * achter in het boek Prachtig Slechts ongeveer de helft is terug te vinden in een voorbeeldzin in het woordenboek zelf Jammer Evenals het slordigheidje bij mama , een van de * In het hoofdstuk ‘Grammatica’ lezen we: ‘Enkele uit Afrika stammende bijwoorden met een beperkt gebruik worden ideofonen genoemd Voorbeelden zijn pîen fan inablaka so pî“hij isheel ergzwart” en aweti sofân “hij isheel ergwit” Pî wordt alleen gebruikt bij werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden waarmee zwartheid wordt aangeduid en fan alleen bij zulke woorden als er witheid mee wordt aangeduid’ Mijns inziens zijn ideofonen geen bijwoorden maar partikels die geen zelfstandige betekenis hebben maar in combinatie met andere, zeer bepaalde, woorden kunnen worden gebruikt en daaraan een versterkende en/ of emotionele kracht geven In Wikipedia, the free encyclopedia lezen we: ‘Idiophones are words utilizing sound symbolism to express aspects of events that can be experienced by the senses, like smell, color ,shape, sound, action, or movement’ Geen wonder dat er naast pî en fân ook woorden voorkomen als tyubun ,een tussenwerpsel dat het geluid van een plons weer geeft, een onomatopee dus In het SranantongoNederlandse deel van het woordenboek zijn helaas onvoldoende voorbeelden van de praktische toepassing gegeven Neerlandica extra Muros Jaargang 43 77 ideofonen Het woord is in het woordenboek als ‘mam'ma’ opgenomen, en slechts met de vermelding dat het een ideofoon is, waardoor de nietingewijde over het feitelijk gebruik in het duister blijft tasten (ook al staat in het rijtje achter in het boek dat dit woord gebruikt wordt in verband met grootheid) Onder ‘Criteria voor de selectie van woorden’ staat onder meer dat er enkele gangbare odo's (spreekwoorden en gezegden) zijn opgenomen, ‘omdat de betekenis van een odo, net als bij een spreekwoord, niet te halen is uit de letterlijke betekenis’ Voor een eerste kennismaking is deze lijst van odo's natuurlijk mooi meegenomen (al is, in tegenstelling tot wat het achterplat meldt, enige kennis van odo's mi niet nodig om een gesprek te kunnen volgen) Jammer dat er wat onnauwkeurigheden in voorkomen (zoals overigens ook elders in het boek, bijvoorbeeld bij de telwoorden: ‘seibitentiaseibi’ voor vijfenzeventig in plaats van zevenenzeventig) Nu eens wordt een odo afgesloten met een punt, dan weer niet Soms staat er en (persoonlijk of bezittelijk voornaamwoord 3epers enk) ipv e(partikel voor tijd of aspect), bijvoorbeeld in ‘Gado miri en mara fini’ (‘Gods molen maalt langzaam maar zeker ’) en in ‘Ala dei alen en fadon gi liba, wan dei liba sa musu fadon gi alen’ (‘V oor wat hoort wat’) Op een andere plek staat eerst sapotia en op de volgende regel meteen sapotiya Ik ben niet de enige persoon in Suriname die sapatia (een vrucht) zegt In de biologische lijst van de W oordenlijst (V olkslectuur) staat ook sapatia Ten slotte komt een enkel in een odo voorkomend woord (oa gasu en kityari )niet voor in het woordenboek De betekenis is mij onbekend Voor de uitspraak van de ‘a’ aan het eind van Srananwoorden moet de doelgroep de volgende aanwijzing in dit boek maar verwaarlozen ‘Als de “a” aan het eind van een woord staat of voor de “r” dan wordt hij uitgesproken als een lange “a”,() [afadraa, banaa]’ W aar mijn raad op neerkomt is dat men op de markt bijvoorbeeld niet moet vragen om wan bos' banaa, maar om wan bos' baana (een tros bananen) De ‘a’ aan het eind van Srananwoorden klinkt gewoonlijk kort en niet lang, zoals het woordenboek aangeeft Maar daar staat tegenover dat de paragraaf over de ‘Uitspraak van de woorden in een zin’ bijzonder verdienstelijk genoemd mag worden, een echte eyeopener voor degenen die (pas) Sranan leren In deze paragraaf wordt namelijk een zeker inzicht gegeven in de wijze waarop de inkortingen van woorden in zinnen, bij het spreken totstandkomen, met mooie illustraties van de gesproken zin Het woordenboek mag dan zijn minpunten hebben, het is zeker de moeite waard en niet in de laatste plaats omdat het bidirectioneel is, in feite dus twee woordenboeken in één band Bij Prismawoordenboeken zagen we dit al eerder bij het basiswoordenboek Engels, met in één band: EngelsNederlands en NederlandsEngels De extra's geven blijk van een zekere creativiteit en de doelgroep volgens de inleiding: Nederlandstaligen en Sranantongosprekers die (via het Nederlands) hun moedertaal beter willen leren beheersen zal met dit boek zeker Neerlandica extra Muros Jaargang 43 78 uit de voeten kunnen Genoeg over mijn eerste bevindingen, want (zoals we in het boek lezen): Ondrofeni na basi/ Ondervinding is de beste leermeester Lila Gobar dhanRambocus Literatuur STICHTING VOLKSLECTUUR SURINAME :Woor denlijst/ Wor dlist SrananNederlands NederlandsSranan EnglishSranan; met een lijst van planten en dier ennamen/ with alist of plants and animal names Vaco NV Uitgeversmaatschappij Paramaribo Vierde (herziene) uitgave 2004 ISBN 99914 0058 3 http://enwikipediaor g/wiki/Ideophon Ada Depr ez, W alter Gobbers en Kar el W auters (eds), Hoofdstukken uit de geschiedenis van de Vlaamse letterkunde in de negentiende eeuw 3dln Gent, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde, 19992003 XIII+319, III+290 en IV+358 pp [Studies op het gebied van de moderne Nederlandse literatuur ,1, 4en 6] ISBN 90 72474 24 4, 90 72474 39 2en 90 72474 53 8 Iedereen die vertrouwd is met de geschiedschrijving van de Nederlandse literatuur weet dat deel VIII van de geplande 10delige en prestigieuze Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden nooit verscheen Het betreft het deel over de Nederlandse literatuur in Vlaanderen tijdens de negentiende eeuw In het standaardwerk dat onder de leiding van Frank Baur in 1939 van start ging, bleef het jarenlang niet de enige, maar toch een opvallende lacune Dat bleef ook zo tot het begin van de jaren zeventig toen Ger Schmook de redactie overnam en alsnog een ambitieus plan lanceerde om het deel te realiseren Een groep onderzoekers zouden systematisch de belangrijkste genres, de literaire infrastructuur en de cultureelmaatschappelijke achter grond van de Vlaamse literatuur van de ‘korte’ negentiende eeuw (18151886) in kaart brengen en die ‘verwaarloosde’ literatuur meteen ook herwaarderen Na heel wat problemen viel het plan echter in duigen Verder dan een voorpublicatie in 1983 van twee inleidende hoofdstukken kwam het niet Na die lange en ingewikkelde voor geschiedenis de redacteurs noemen het zelf een ‘lijdensgeschiedenis’ was het ondenkbaar dat een volwaardig deel VIII nog het licht zou zien W el is nu bij de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde te Gent een alternatief van het oorspronkelijke project verschenen Reeds beschikbare bijdragen werden gerecupereerd, aangepast of herwerkt Voor ontbrekende onderdelen werden nieuwe medewerkers aangezocht Op die manier ontstond een verzameling afzonderlijke studies die toch de belangrijkste auteurs, genres en facetten in beeld brachten Is het geheel niet één verhaal dat vanuit een Neerlandica extra Muros Jaargang 43 ‘methodologische eenheidsvisie’ (2, III) is geschreven, toch bieden de drie delen samen de fundamenten van wat in het oorspronkelijk plan een volwaardige geschiedenis van de Vlaamse literatuur had moeten worden Ze bevatten immers studies over de socioculturele achter Neerlandica extra Muros Jaargang 43 79 grond en het tijdsklimaat (W alter Gobbers), de historische en sociale contextualisering van de Vlaamse literator (Els W itte), overzichten van de poëzie (Ada Deprez), de roman (Karel W auters), de toneelletterkunde en de theaterpraktijk (Frank Peeters), Gezelle en zijn W estVlaamse school (Jan JM W estenbroek), de FransBelgische literatuur en haar ‘Vlaamse school’ (Christian Ber g), de kritiek en het essay (W alter Gobbers) In enkele gevallen, zoals bijvoorbeeld met het mooie overzicht van de negentiendeeeuwse Vlaamse toneelliteratuur ,worden hier voor het eerst syntheses aangeboden De redacteurs, Ada Deprez, W alter Gobbers en Karel W auters, kozen echter met omzichtigheid voor de titel Hoofdstukken uit de geschiedenis van de Vlaamse letterkunde in de negentiende eeuw Hiermee worden de pretenties ingeperkt en de afstand duidelijk gemaakt tussen de oorspronkelijke opzet en het finale resultaat Toch bleef er veel van het eerste concept behouden Denken we maar aan de cultuurhistorische en sociologische inbedding, de aandacht voor tijdschriften en individuele auteurs, de traditionele periodisering (romantiek en realisme) en de vlotte ordening van auteurs in ‘generaties’ en volgens een hiërarchie van ‘hoofdfiguren’ en ‘secundaire figuren’ Voor de redacteurs lijken die keuzes haast vanzelfsprekend Overigens zijn de Hoofdstukken het resultaat van hun jarenlange activiteit in het studiedomein van de Vlaamse literatuur van de negentiende eeuw Ze hebben met voorstudies en met de ontsluiting van bronnenmateriaal hun stempel op die studie gedrukt De drie delen hebben dan ook, alle beperkingen in acht genomen, het karakter van een afronding waarmee een generatie onderzoekers een stand van zaken formuleren Als specialisten geven ze ook hun visie op de manier waarop het tot een herwaardering van die literatuur zou kunnen of moeten komen Ze wijzen domeinen aan voor verder onderzoek De opname van een introductie op de FransBelgische literatuur in een overzicht van de Vlaamse literatuur in de negentiende eeuw opent ook nieuwe perspectieven De bijdragen zijn stuk voor stuk goed gedocumenteerd De bibliografische wegwijzers zijn van onschatbare waarde en daarom alleen al is het een gelukkige beslissing geweest om ze te publiceren De documentatie zal ontegensprekelijk nog lang haar nut bewijzen Talrijke teksten en schrijvers worden hier uit de ver geethoek gehaald en als lezer is men voortdurend geneigd de redacteurs bij te treden in hun poging om een letterkunde te herwaarderen die in het verleden al te stiefmoederlijk is behandeld De argumentatie die hiervoor wordt gebruikt, en uiteindelijk ook de literatuurwetenschappelijke methode die eraan ten grondslag ligt, zijn wel voor discussie vatbaar Afgezien van uitzonderingen en verschillen tussen de diverse bijdragen, zijn de Hoofdstukken gedragen door de idee dat de Vlaamse literatuur van de negentiende eeuw ,met een haast onoverzichtelijke massa teksten en een klein legioen schrijvers, interessant materiaal bevat dat zich vooral leent voor (literair) historisch en sociologisch onderzoek, maar als literatuur toch tekortschiet Al in de inleiding van het eerste deel geven de redacteurs zelf toe dat de Vlaamse literatuur van na 1886 ‘veel aantrekkelijker ,want artistiek waardevoller ’(1, VI) is Ze zoeken hierin zelfs een verklaring voor het feit dat de Vlaamse literatuur uit de decennia vóór 1886 zo weinig is onderzocht De contextualisering en de ver gelijking met de buiten Neerlandica extra Muros Jaargang 43 80 landse literaturen van die tijd ondersteunen die gedachtegang Het gaat immers om literatuur die nagenoeg volledig is gericht op identiteitsvorming, culturele emancipatie en volksontvoogding De functionaliteit zou hebben gedomineerd ten koste van de literaire kwaliteit; ‘onze literatuur ’,luidt het in een voorlopige balans, ‘is duidelijk en schromelijk onder peil gebleven’ (1, 97) Er zijn ‘al te manifeste tekortkomingen’ (1, 99): veel idealisme, maar gepaard aan ‘schrijnende onmacht en bekrompenheid, met ontstellend gebrek aan inzicht en zelfbegoocheling’ (1, 101) De onmacht om de romantiek ten volle te beleven wordt aangeduid als een van de belangrijkste factoren van die ‘artistieke tekortkoming’ (1, 100) Slechts een eenzaam genie als Gezelle zou aan die middelmaat zijn ontkomen Dit strenge oordeel bevestigt wel, ongewild misschien, maar toch in feite de negatieve beeldvorming die na de Tachtigersbeweging over de 19deeeuwse literatuur is ontstaan: niet zozeer om de literaire prestaties zelf is die literatuur daarom aan (her)waardering toe, maar als bijdrage tot de volwaardige en ‘volwassen’ literatuur die in Vlaanderen na 1886 zou zijn ontstaan Het is het gekende verhaal van de ‘wederopstanding’ en de ‘literaire herleving’ in Vlaanderen De Hoofdstukken leveren een belangrijke bijdrage tot de feitelijke kennis van de Vlaamse literatuur van de negentiende eeuw Ze houden ook een pleidooi in om van de studie van die literatuur eindelijk eens ernstig werk te maken Maar uiteindelijk bevestigen ze in hun poging tot herwaardering van die literatuur een traditionele voorstelling van zaken die de Vlaamse literatuur van de negentiende eeuw globaal vanuit een autonoomesthetische en ver gelijkende invalshoek laag inschat Er ligt inderdaad nog veel werk voor de boeg, vooral als men rekening houdt met de nieuwe inzichten uit de hedendaagse literatuur geschiedschrijving Daarin is de beschrijving van alle aspecten van de literaire communicatie in de onderzochte periode cruciaal, met veel aandacht voor de specifieke kenmerken, de contemporaine receptie en het poëticale debat Slechts op die manier is een dialoog mogelijk tussen wat de onderzoeker zelf waardeert in literaire teksten en wat schrijvers en lezers in het verleden zo lovenswaardig en boeiend vonden aan literatuur Slechts na die oefening er zijn hiervoor al aanzetten gegeven zal men erin slagen een volwaardige geschiedenis te schrijven van de Vlaamse literatuur in de negentiende eeuw Piet Couttenier Michiel van Kempen en W im Rutgers (samenst): Noordoostpassanten 400 jaar Nederlandse verhaalkunst over Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba Amsterdam/Antwerpen, Contact, 2005 71 1pp €37,50 ISBN 90 254 1914 3 Noor doostpassanten is, zoals de ondertitel al aangeeft, een bloemlezing van verhalen die Nederlanders schreven over ‘de W est’ verhalen van Surinamers, Antillianen en Arubanen zelf vind je in deze bundel niet Die werden verzameld resp in de bundels Mama Sranan 200 jaar Surinaamse ver haalkunst van Michiel van Kempen en Tropentaal 200 jaar Antilliaanse vertelkunst van Neerlandica extra Muros Jaargang 43 81 W im Rutgers, eerder verschenen bij dezelfde uitgever Maar ook werk van sommige Nederlandse schrijvers over het Caraïbisch gebied werd uit deze bloemlezing weggelaten: ‘Nederlandse schrijvers die zich permanent in Suriname of op de Antillen vestigden en zo hun lot verbonden, zijn geen passanten’, schrijven de samenstellers in hun inleiding (19) Hetzelfde geldt grosso modo voor auteurs over de W est die er nooit geweest zijn, zoals Nicolaas Beets en Bernard ter Haar De samenstellers benadrukken de grote verschillen tussen Suriname enerzijds en de Nederlandse Antillen en Aruba anderzijds, maar hebben toch gekozen voor een gezamenlijke bloemlezing (of heeft de uitgever dat gedaan?) omdat het allebei NederlandsW estIndische koloniën waren (18): het Nederlands perspectief, de Nederlandse beeldvorming gaf de doorslag Vandaar ook dat ze de bundel niet geografisch maar chronologisch hebben ingericht Daar is natuurlijk wel iets voor te zeggen, maar ik had toch liever twee bloemlezingen gezien, juist omdat de voormalige overzeese gebiedsdelen zo verschillen Na de inleiding waarin de samenstellers hun criteria voor opneming uiteenzetten, een kort historisch overzicht bieden en de opgenomen geschriften in vier historische perioden onderbrengen en typeren, volgen de teksten, te beginnen bij een verslag aan de StatenGeneraal van A Cabeliau uit 1597 en eindigend met het verhaal Het stempel van Lisette Lewin uit 2003 W ie A Cabeliau was (een zeekapitein die in 1598 de eerste Nederlandse expeditie naar de ‘W ilde Kust’ leidde) en Lisette Lewin is, kun je vinden in de alfabetisch gerangschikte biografieën achterin het boek, en wat de herkomst is van de teksten in de chronologisch geordende verantwoording, ook achterin (het verhaal van Lisette Lewin blijkt overigens tot voor deze bloemlezing ongepubliceerd, dus het vinden van het origineel zou wel eens lastig kunnen blijken) Uit het voorbeeld van Cabeliau valt al op te maken dat de samenstellers, evenals Nieuwenhuys in zijn bloemlezingen van IndischNederlandse letterkunde, het begrip ‘literatuur ’,althans tot ongeveer 1800, breed opvatten: ook reisverslagen, dagboeken, scheepsjournalen, ambtelijke stukken en zo meer rekenen zij daartoe Daardoor zijn ook fragmenten van Joannes de Laet (1634), Gerard Brandt (1678), W R van Hoëvell (1854) en H van Kol (1904) opgenomen Een andere verbreding van het begrip ‘literatuur ’is de aanvaarding van de detectiveroman; zo werd een fragment gekozen uit Verbor gen angels van Ivans (1930) Een bloemlezing beantwoordt aan zijn doel, lijkt mij, als ze representatief is en tot verdere lectuur stimuleert W at mij betreft zijn die doelen alleszins gehaald want de samenstellers hebben heel wat weinig bekende teksten weten op te diepen en vooral de historische teksten zijn verrassend al kun je je natuurlijk afvragen waarom W FHermans (De laatste resten tropisch Nederland ,1969) en Joop van den Broek (Afr ekening in Paramaribo ,1981) er niet in staan Maar laten we maar genieten van wat er wel in staat Dick Boukema Neerlandica extra Muros Jaargang 43 82 In memoriam W alter Lagerwey (19182005) Prof drW alter Lagerwey is 2juni 2005 overleden, slechts negen dagen voor zijn 87ste verjaardag Dertig jaar lang doceerde hij Nederlandse taal, literatuur en cultuur aan het Calvin College in Grand Rapids, Michigan Lagerwey bekleedde als eerste de Calvin College Koningin Juliana Leerstoel Hij ging met emeritaat in 1983 W alter Lagerwey werd in Grand Rapids, Michigan geboren en woonde er tot zijn veertiende Daarop ging hij vier jaar lang in Nederland wonen, en in die tijd ontstond zijn liefde voor de Nederlandse taal en cultuur Tijdens de Tweede W ereldoorlog werkte hij als vertaler van Nederlandse radiouitzendingen voor de Amerikaanse overheid en als lid van het Amerikaanse legeronderdeel ‘Signal Corps’, waar hij onder meer werkte in een team van Nederlandse taaldeskundigen op het Europese hoofdkantoor van Generaal Eisenhower Na afloop van de oorlog ging Lagerwey studeren en behaalde een BA aan Calvin College, vervolgens een MA aan Columbia University en in 1958 promoveerde hij aan de University of Michigan Tot Lagerweys vele publicaties en vertalingen horen Neen Nederland, 'k ver geet uniet (1982) en Letters Written in Good Faith (1996) en recent vertaalde hij ruim 200 brieven voor Iowa Letters (door J Stellingwerf fen R Swierenga, 2005) Deze publicaties gaan over de geschiedenis van de Nederlandse immigranten in Amerika Onder neerlandici was Lagerwey het meest bekend door zijn boek Speak Dutch (1968), pionierswerk voor de taalverwerving van het Nederlands Er werden tienduizenden exemplaren verkocht van Speak Dutch en het is jarenlang wereldwijd aan talrijke universiteiten en hogescholen gebruikt Lagerweys was lange tijd voorzitter van de sectie Nederlands van de Modern Language Association en van de American Association of Netherlandic Studies In 1978 werd hij benoemd tot Ridder in de orde van Oranje Nassau vanwege zijn jarenlange bijdrage aan de bevordering van de Nederlandse taal, letteren en cultuur W alter Lagerwey personifieerde het leven van een wetenschapper niet alleen door zijn werkzaamheden als hoogleraar aan Calvin College maar ook door zijn grote intellectuele nieuwsgierigheid, die hem bezielde tot het einde van zijn leven In het afgelopen jaar zijn 86 ste reisde W alter naar Europa, voltooide vertalingen van Iowa Letters en schreef een geschiedenis van de diaconie van de kerkgemeente waarvan hij als jongeling lidmaat was W alter Lagerwey laat zijn echtgenote van 62 jaar ,W ilma, achter ,vijf kinderen en een groot aantal klein en achterkleinkinderen Hij heeft zijn sporen nagelaten in de academische wereld en in de herinnering van talrijke collega's in en buiten Amerika Herman De Vries Neerlandica extra Muros Jaargang 43 83 W idjajanti Dharmowijono Nummer zeven Visaonarrival: een compromis tussen je visum minstens een maand van tevoren aanvragen (zoals Indonesiërs moeten doen als ze Europa willen bezoeken) en zomaar het land binnen wandelen (zoals Europeanen twee jaar geleden mochten doen als ze Indonesië bezochten) Er zijn drieëndertig landen waarvoor de regeling geldt Nederland is er niet bij (België wel) Maar ,zegt een collega, het zal daardoor niet komen dat het aantal toeristen uit Nederland vermindert Het komt door de angst voor bomaanslagen Tja Vreemd dat ik dat niet genoemd had in mijn vorige column Terwijl ik weet dat na een bomaanslag het Erasmus Huis, het cultureel centrum van de Nederlandse ambassade, zijn hele jaarprogramma moest omgooien vanwege de vele afzeggingen Maar er zijn altijd mensen die moedig genoeg zijn om toch te komen Met een van hen, een schrijver ,sta ik in de grootste Chinese tempel in Semarang, waar ook moslims komen bidden De tempel is beroemd omdat je je daar de toekomst met grote stelligheid kan laten voorspellen De schrijver wil weten of hij zal genezen van de hardnekkige hoest die hem al drie maanden plaagt Een magere man ontvangt ons ‘V an waar ,mister?’ ‘Belanda, Nederland!’ ‘Ah! Belanda! Er komen veel Belanda's naar deze tempel!’ Hij leidt de schrijver naar een altaar in een grot Na een kort gebed schudt hij een bamboekoker waarin tientallen stokjes steken Op ieder stokje staat een nummer Er valt een stokje uit De man houdt het omhoog en roept verheugd: ‘Zeven! Ziet uhet ook?’ Ik zie bijna niets in het duister van de grot, maar tenslotte kom je naar een tempel om te geloven, dus ik knik maar van ja De goden hebben echter het laatste woord De man neemt twee niervormige houten blokjes en werpt ze op het altaar Een komt te liggen op de bolle kant, het ander op de vlakke zijde In één keer goed! De man pakt een geel geluksbriefje, beschreven met sierlijke Chinese karakters, en houdt het boven een kaarsvlam De as strooit hij in een bekertje water De schrijver neemt voorzichtig een slokje ‘Opdrinken!’ zegt de man streng Eerder ben ik gaan kijken waar het water vandaan kwam: uit een betrouwbaar uitziende fles Nu moeten we met de man mee naar een kast waarin kleine blaadjes papier liggen Spreuk nummer zeven, ‘de beste!’ De man legt uit wat er in bloemrijke taal staat, zoals alle voorspellingen op meerdere wijzen interpreteerbaar Slotsom: de schrijver wordt beter En hij zal nog heel veel succes hebben Later bericht hij dat hij meteen na thuiskomst van zijn hoest af was, dat hij de Inktaap 2005 heeft gewonnen en het Boekenweekgeschenk 2006 mag schrijven Twee van zijn romans zullen vertaald worden in het Indonesisch Goed voor de promotie van de Nederlandse literatuur én van de studierichting De boodschap: er is werk te over voor vertalers Niet alleen van literatuur ,ook van de kilometerslange archieven in het Nederlands Je moet het koloniale verleden toch voor íets kunnen benutten De toekomst van de studenten Nederlands in Indonesië is me intussen wel duidelijk geworden: je moet eerst heel hard werken, dan kun je naar de tempel en wie weet krijg je voorspelling nummer zeven Net als Arthur Japin Neerlandica extra Muros Jaargang 43 Noot: Herinnert uzich de mevr ouw uit mijn eerste column? Zij wer dop haar negentigste verjaar dag benoemd tot Ridder in de Or de van Oranje Nassau Neerlandica extra Muros Jaargang 43 84 Auteursinformatie NEM 3, 2005 M ARION BOERS is als universitair docent Nederlandse kunst en cultuur geschiedenis en als docent Nederlands als tweede taal verbonden aan de vakgroep Dutch Studies van de Universiteit Leiden [mew boers@letleidenuniv nl] HJ BOUKEMA ,voorheen werkzaam aan de Universitas Indonesia (Jakarta) en de Ankara Universitesi (Ankara) is tegenwoordig uitbater van Antiquariaat des Indes [antiquariaatdesindes@freeler nl] PIET COUTTENIER is hoogleraar moderne Nederlandse literatuur aan de Universiteit Antwerpen en deeltijds hoofddocent aan de Katholieke Universiteit Leuven [pietcouttenier@uaacbe] LILA GOBARDHAN RAMBOCUS is docent/opleidingscoördinator Nederlands aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL) te Paramaribo Zij schrijft over de onderwijsgeschiedenis van Suriname, over Surinaamse talen en cultuur [sabitrie@cqlinksr] JAAP GOEDEGEBUURE is hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden [jlgoedegebuure@letleidenuniv nl] PIET DE KLEIJN docent Nederlands als tweede taal en Frans bij het Taleninstituut Babel in Den Haag Is sinds 1981 verbonden aan de Zomercursus Nederlandse taal en cultuur (Breukelen/Zeist) en verzor gt sinds 1987 de didactiekcolleges voor het Seminarium voor Nederlandse taal en cultuur (Amsterdam) Hij is de auteur van onder andere het Combinatiewoor denboek (Amsterdam 2003) [pdkleijn@euronetnl] REINIER SAL VERDA is sinds 1989 Professor of Dutch Language and Literature aan University College London Hij is lid van de redacties van het tijdschrift Ons Erfdeel en het jaarboek The Low Countries ,en President van de Association for Low Countries Studies in Ireland and the UK (ALCS) [rsalverda@uclacuk] CARL DESTR YCKER is assistent in opleiding Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van W enen Hij bereidt een proefschrift voor over de productieve receptie van Paul Celan in de Nederlandstalige literatuur [carldestrycker@univieacat] BAR TVER VAECK is hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap en Nederlandse Literatuur aan de Vrije Universiteit Brussel [bartvervaeck@vubacbe] GERARD DE VRIEND is universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam Hij verzor gt naast de taken in het reguliere programma Nederlandse Taal en Cultuur het keuzevak Geschiedenis en theorie van de jeugdliteratuur Zijn proefschrift, Literatuur onderwijs als voldongen feit (1996), gaat over het leren lezen van literatuur op school en beschrijft onder meer de ontwikkeling in het denken over literatuuronderwijs [gdevriend@uvanl] Neerlandica extra Muros Jaargang 43 HERMAN DEVRIES bekleedt de Queen Juliana Chair aan Calvin College Grand Rapids, Michigan [hermandeur@calvinedu W IDJAJANTI DHARMOWIJONO is hoofd van de studierichting Nederlands van de Akademi Bahasa 17 Agustus te Semarang Ze is tevens vertaalster van Nederlandse literatuur in het Indonesisch Op het ogenblik werkt ze aan een proefschrift over het beeld van de Chinezen in IndischNederlands verhalend proza Zij heeft zitting in de Redactieraad van NEM [email: widja@idolanetid] ROLAND W ILLEMYNS is Gewoon Hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB) Hij geeft colleges en seminaries over sociolinguïstiek, dialectologie, historische taalkunde, Middernederlands en taalgeschiedenis Hij publiceert ook over die onderwerpen en verder ook nog over taalplanning en taalpolitiek [willemyns@skynetbe] Neerlandica extra Muros Jaargang 43

------------- Read More -------------

Download pdf-van-tekst.pdf

PDF van tekst related documents

CMEA NEWS Spring 2017.pdf

40 Pages · 2017 · 5.09 MB · English

Would you like to share a trusty piece from your teaching repertoire? If so, email me for more details. I hope to see you all soon at the conference! Rhythmic Workout for. Music Educators. Rogerio Boccato. Advanced Guitar for the Music Teacher. Christopher Ladd. Band Instrument Maintenance.

Casio Exilim User Guide PDF

4 Pages · 2016 · 21 KB ·

Assessment Answers in digital format, so the resources that you find are reliable. If you are looking for Answer To Kipling And I Diagnostic Test, our library is [PDF] Fundamentals Of Database Systems Elmasri Exercise Solutions.

Design Guidelines For Convention Halls PDF

3 Pages · 2016 · 21 KB ·

If you are looking for Dental Material Mcqs With Answers, our library is free for you. We provide copy of Dental. Material Mcqs With Answers in digital 

Report PDF (8.9 MB)

52 Pages · 2014 · 8.94 MB ·

by wastewater disposal practices at the Advanced Test Reactor. Complex. with a Grundfos™ 5-horsepower SS submersible pump, 4-wire.

Indiana Application for Handgun License (PDF Format)

4 Pages · 2006 · 565 KB · English

****PROCEDURE FOR GUN PERMITS* * * * IF YOU ARE NOT A CITIZEN OF THE UNITED STATES, YOU ARE NOT TO BE IN Indiana Handgun License Application Created Date:

Guided Reading Activity 30 1 PDF

4 Pages · 2016 · 22 KB ·

[PDF] Advanced Financial Accounting Baker Chapter 3 Solutions. If you are [PDF] Oxford English Grammar Course Intermediate With Answers.

JOurnal merchandising videogame pdf

17 Pages · 2014 · 1.5 MB ·

“Mobile Games” include games for Apple iOS, Google Android, Windows Phone 7 and 8, Nokia Symbian, .. generations (for overviews, see Boyle et al. Blattberg, Robert C. and John Deighton (1996), “Manage Marketing by the.

R. Hautea Presentation (PDF)

39 Pages · 2012 · 7.31 MB ·

brinjal in February 2010 and defer commercial release pending further tests. – The Prime Anti Bt Eggplant Campaign - Philippines. Launched in July 

Aqa Exam Style Questions Answers Biology Chapter 13 PDF

4 Pages · 2016 · 22 KB ·

Aqa Exam Style Questions Answers Biology Chapter 13 - Are you looking Answers, Lab Development Of Human Fetus Answer, and many other in 

PDF version

5 Pages · 2009 · 143 KB ·

response call and failed to provide a critical skill during a rapid response event. of care. Response team members and the nurse who called the.