PDF van tekst

PDF van tekst

624 Pages · 2010 · 3.06 MB · Dutch

Het mooie dat Dr. H.J. Boeken1) vindt in de Anabasis wordt er door hun - de tweede klas vaak - die 't moeten lezen om Grieks te leren, niet in gezien, dat weet ik zeker. die ganze declination. Dialecte, in welchen sich die genusformen zumeist abgeschliffen haben, wie der dänische und englische, 

PDF van tekst free download


T aal en Letteren Jaargang 1 1 bron Taal en Letteren Jaargang 11 Haagsche Boekhandel en Uitgeversmaatschappij, Den Haag 1901 Zie voor verantwoording: http://wwwdbnlorg/tekst/_taa006190101_01/colofonhtm © 2010 dbnl IX Register Taalkunde Bladz, 508 aadje en age 299 aalwarig, aalwaardig 110 aardig 285 aarzelen 4 absolute constructie: onverminderd de lof: id tekst 282283 abstrakte woorden concreet 111 achterbaks 177 achtervoegsel (hoe ontstaat een ) met bepaalde functie 487 achtervoegsel ing: naarling 508 achtervoegsel age, oudtijds aadje 173176, 177 achtervoegsel 's (produktiviteit bij ): scheppende analogie 511 actionsart (de ) en 'tvoorvoegsel ge 307 adelborst 108 aflaat 67 amber 70 amfora 172176, 177178, 182185, 185186 analogieformatie 111112 archeïstiese elementen in 'tdichten; in 't schrijven 527 Ardoins (effekten) 391 avond: in vastenavond ed 68 aureool 304 Balk (streepje aan de ) 281 bang 307 beduiveld 277283, 283286, 286287, 287288 beeldspraak en taalformasie 179181 beeldspraak in verband met grammatikaal geslacht 233240 beeldspraak in de taal 230 beetje Taal en Letteren Jaargang 11 237 begrijpen 277 bekje 16 bekoorzaam: aktief 376, 285 belazerd 130 bericht 231 beschutten 302 besje 300 bestellen: betekenisontwikkeling 243 besterven (van een plan) 153, 185187 betekenis: van invloed op 'tgeslacht 105113, 229240, 277289, 297308 Betekenisleer (semasiologie) 105106 Betekenisleer: het woord heeft geen bepaalde, scherpbegrensde betekenis Taal en Letteren Jaargang 11 X Bladz 106107 Betekenisleer: Litteratuur er over 107112 Betekenisleer: beperking v de betekenis 110 Betekenisleer: beperking in goede zin 110 Betekenisleer: beperking in goede, en in slechte zin 110111 Betekenisleer: beperking in slechte zin 111 Betekenisleer: mens en dier 111112 Betekenisleer: hogere en lagere taal 112 Betekenisleer: doubletten 229233 Betekenisleer: verruiming van de betekenis 232 Betekenisleer: versterkende bijwoorden 232 Betekenisleer: vloekwoorden 233240 Betekenisleer: metaforen in de algemene taal 236237 Betekenisleer: metafories gebruik v ruimtetermen 237240 Betekenisleer: 'tgeestelike zinnelik uitgedrukt 238239 Betekenisleer: verwantschap v verschillendzintuigelike gewaarwordingen 239240 Betekenisleer: personificatie 277283 Betekenisleer: metonymia en taalformatie 282283 abstracta worden concreta 283285 Betekenisleer: hyperbool en taalformatie 284 verzwakking, en verdwijnen vd oorsp betekenis 285286 Betekenisleer: litotes 286287 Betekenisleer: euphemisme en taalformatie 286 Betekenisleer: 'teuphemisme wordt onedel 287 Betekenisleer: beleefdheidstaal 288 Betekenisleer: de ironie in de taal 297 Betekenisleer: ontwikkeling v een bijbetekenis 297298 Betekenisleer: hoe 'tcausale wordt uitgedrukt 298299 Betekenisleer: ontwikkeling v een ongunstige bijbetekenis 300301 Betekenisleer: de hulpwerkwoorden 302303 Betekenisleer: eigennamen worden soortnamen 303305 Betekenisleer: zegswijzen van betekenis veranderd Taal en Letteren Jaargang 11 306308 Betekenisleer: invloed v zeden en gewoonten 174, 176177 betekenisontwikkeling bij echtgenoot, hond, kat 529 beunhaas 238 bewimpelen 238 bezitten en hebben 19 bezuren 108 biecht 248 biezen, bijzen 143 Bijbel en Volkstaal: Laurillard 499502, 533534 bijbelvertaling (de invloed v de Staten ) op 't Nederlandse schrijven 279 bijltje: scheepstimmerman bijvoegliknaamwoord: christen: 212 bijvoegliknaamwoord: id tekst 446 bijvoegliknaamwoord: kunstzinnig: id tekst 16 bijvoegliknaamwoord: bekoorzaam Taal en Letteren Jaargang 11 XI Bladz 96 bijvoegliknaamwoord: slingerliefd (XVII de eeuws) 499 bijvoegliknaamwoord: salieg 526 bijvoegliknaamwoord: ba van 489 bijvoegliknaamwoord met en zonder ig 3 bijwoordgebruik: waarin in: id tekst 240, 253, 232 bijwoorden (versterkende ) 297298 bijwoorden ('t ontstaan v causale ) 304 blauwtje ('t symbool van een) 306 blik (een koperen ) 122 boedel en boel 299 boef 470 boegseren 306 boek en beuk 108 boeten 495, 496 bolland 379 bonzen: to bounce 305 bont en blauw 211 bourgeois: id tekst 306 bord 278 bout (koperen ) 456 brasem 108 bril 280 broek 68 brokaat 240 brou =braaf; en versterkend 491 bruidstranen 531 Cholera (erger dan de ) 71 cymbel en cymbaal 298 Daar (voegwoord) 109 dak 304 dank (tegen wil en ) Taal en Letteren Jaargang 11 109 dapper 48 deftigh (een ) werk: Cats 285 del 153, 172 deminutief (het ) 284 deminutief: dolletjes 307 demoedig 391 dertien ('t getal ) 391 dertiennacht =Driekoningen 307 deugd, deugdelik etc 251 dialekt van EltenBergh: Bruiel 309316 dialekten (de cartografie der NoordNederl ) 309, 310, 312, 314315 dialektstudie (de hedendaagse ) 336 dialektstudie (iets voor de Nederlandse ): Zschr für Deutsche Phil 302 dievetaal 112 ‘differentiëring’ 230 ding 307 dollen 108 dominee 479480 doopceel lichten 15 doodshoofd als symbool 112 doubletten in de taal 525 duitse kachels 239 droef 491, 542 drempelmeid 108 Echt 505507 ei (verhouding van ) en ij 250 eieren (er ) in slaan 299 eigenaardig 302303 eigennamen begripsnaam geworden 207 eigennamen: Nederlandsche Namenkunde: Joh Winkler 234 el 307 elf 464 elf (op z'n ) en dertigst 70 emeraud Taal en Letteren Jaargang 11 525 engelse haard 184, 187 enkelvoudsvorm uit meervoudsvorm 237 ervaren 239 etsen 456 etymologie (te onpasse ) in 't Woordenboek van 'tHeden Taal en Letteren Jaargang 11 XII Bladz 286287 eufemisme en taalformatie 238 Falievouwen 459 fee 288 feestnummer 69 festoen 407410 fiets: de herkomst? 476 fij 526 fijn 526 foei van 527 fondsen 470 fonetiek: p, t,k, in Middel en ZuidDuitsland 465471 fonetiek: 'tzogenaamde ‘weglaten van de h’ krities beschouwd 465 fonetiek: 'tzogenaamde: mogelikheid voor sommige gevallen 466 fonetiek: 'tzogenaamde: inzicht van van den Brand; en Murray 467 fonetiek: 'tzogenaamde: Boekenoogen 468 fonetiek: Hesseling's opvatting 469, 469471 fonetiek: akoestiese misvatting en gevolgen daarvan 470471 fonetiek: kennis te verkrijgen uit een anders akoestiese misvatting 471 fonetiek: van Hamels ‘Gesproken en Geschreven Frans’ fonetiek :de keelexplosieven : 425 hoesten, kuchen, hikken 426 overgangsklanken (glides) 426427 de drie manieren van een klinker in te zetten 426, 427, 430, 432 glide wordt zelfstandig 427, 428, 429 fester vokaleinsatz 429430 de Deense stöd 431 ontstaan van stôd 432433 stöd in andere talen Taal en Letteren Jaargang 11 433 stöd in 'tEngels (glottal catch) 435436 ontstaan daarvan 436 moeilikheid in de verklaring 511 fonetiese woordenlijst v 'tNederlands: v Dantzig 305 frank en vrij 525 franklins 302 frederiks =voetstappen 112 friese woorden 70 fulp en fluweel 231 Gaan: betekenissen 108 gade 476 gal (duifje zonder ) 476 gal hebben 504 Galliese (de ) Haan 20 gedurig =bestendig 275276 geelzucht en nijd 308 geest: betekenisontwikkeling 278 geest en ziel 477 geglommen kool 283 geld 298 gemeen 5, 7 genitief met ‘z'n’: id tekst 299 gepeupel 391 Germaanse tijdrekening (de ) in de taal 533 germanismen in de Statenvertaling 145190 ‘geslacht’ in taal ‘geslacht ’in taal: 146, 151, 158159, 178 betekenis vd term 176, 177 oorsprong vd term 153158 'tbegrip ‘sexueel geslacht’ in de taal uitgedrukt? 152, 156157 movering 157 ‘suppletie’ 159162 ontstaaan vh ‘grammatikaal geslacht’ Taal en Letteren Jaargang 11 159 ten Kate's tiepies ouwerwetse beschouwing Taal en Letteren Jaargang 11 XIII Bladz ‘geslacht ’in taal: 163169, 171172 Grimm's theorie 169172, 172176 Brugmann's theorie 179180 seksualisering op grond v grammatikaal geslacht 182185 ontstaan v 't‘onzijdig’ 186186 ‘geslachts’verandering onder invloed van de betekenis 179181 geslacht (verband v mythologie en beeldspraak met grammatikaal ) 173174 geslacht ('t ) niet iets oorspronkeliks 151152 156158, 158159 geslacht (aanduiding van 'tnatuurlik ) 186 geslacht ('t ) van stofnamen 187 geslacht ('t) in 'tFrans 153 geslacht ('t) van wijf 487 geslacht ('t onzijdig ) minachting uitdrukkend 156157, 177 geslacht: gans en ganzerik, kat en kater 165, 167 geslacht: sterke dieren ‘manlik’ etc 176177 geslacht: de ‘vrouwlike’ woorden met e 487 geslacht: woelwater 487 geslachtsverandering (gevallen van ) 109 geweer 230 gezel en kameraad 278 gezicht: betekenisontwikkeling 426432 glides (overgangsklanken) 68 glorie =aureool 110 glossen maken 429433 glottal catch en stöd 108 goed 298 goed en braaf 486 goedrond 4 gonfalonière 287 gommes: godmens 475 goor Taal en Letteren Jaargang 11 103 Goties: Skeireins: Cromhout 330 Gotiese Casussyntax: v der Meer 302 grietje (een zeil) 235 griffeltje 125 ‘groen v goede wensen’: id tekst 402 groenkool 487 gulgauw 234 Haan 525 haard en kachel 375 hak (iemand een ) zetten 298 halfwijs 376 hand (de ) boven 'thoofd 111 handtastelikheid 504 hanekampen 305 hangen en verlangen 302 Hannes (lange ): de geselpaal 302 Hans: hannesen 305 haver (van ) tot gort 532 havik en havikkig 279 hazepeper 381 hebreeuwse uitdrukking in 'tNederlands 287 heer 232 heidens: als bijwoord 302 Hein (ijzeren ) 304 heinde (van ) en ver 458 heksenzalf 238 helder 286 hemd en chemise 305 heug tegen ) en meug 508 heup (de ) en de lendenen als zetel v teelkracht 7374 hiaat (het ouwerwetse begrip van ) 426 hoesten, kuchen en hikken 280 hof 495 hol brood 494496 Holland bolland Taal en Letteren Jaargang 11 XIV Bladz 495496 Holland uit Holland, of anders? 442 Holland in last 353 hollands =‘zeer’ 110 houden (zich ) 111 hoogmoed 235 hoorn 474 hoos en kous 303 hopje 469471 horen: akoestiese misvatting 240 horen, horen van, behoren 305 houw en trouw 299 huichelen 245 hulden, huldigen 301 hulpwerkwoorden (de ) kunnen, zullen, mogen 283286 hyperbool en taalformatie 434 ij(geschiedenis van de lange ): Leidse Tijdschr 556 ijin de XVII de eeuw: Leidse Tijdschr 506 ij(de geschiedenis van de ei uit ) 486 iji:tijtel: id tekst 380 in bonis 532 ingewanden (vader ) 525 insteekhaard 287288 ironie en taalgebruik 302 Jan, Jantje 302 jan (kort ) 376 Jan Gat 531 Jan Kalebas 508 Jan kontant en Jan krediet 477499 Jan Salie 492 janmaat: formatie 484 jolijk Taal en Letteren Jaargang 11 301 jongen: in Indië 301 jongeren 287 jufvrouw en jonkvrouw 482 Kaas en brood 285 kakmaker 377 kalven 529531 kansbiljetten 277 kansel 277 kanselarij 304 kant en klaar 306 kap 230, 280 kapel 406 kar =fiets 416 kat (de ) er in steken 429435 keelexplosieven 302 keesje (dunne tros) 423 kerkelike woorden: Gids 299 kermis 474 keurs en keuze 303 kiekje 302 klaas (klemtang) 304 klap (met de ) lopen 490 klavecimbaal, klavecim; en klavier, piano 490 klavier en piano; en klavecim 111 klepper 110 klikken 304 kling (over de ) 306 knoop 301 knecht 551 knijpraad 556 koek en ei: Leidse Tijdschr 142 Koenen, Verklarend Handwoordenb 279 koffiedrinken 302 koffietante 504 koning kraaien 503 koningsweg Taal en Letteren Jaargang 11 476 koninklike (de ) ziekte 19 konjunctief bij Vondel 110 koopje 230 koor 107 koorn en graan 234 kop 279 koppel 376, 304 korf (de ) krijgen 280 korset 302 kortjan Taal en Letteren Jaargang 11 XV Bladz 318 korte mijlen gaan 376 kous (met de ) op de kop 474 kousen, broek, hozen 473474 kouwe (de ) kleren 300 kozen en liefkozen 280 kraag 234 kraai 234 kraan 278 krakeelijzer en sleepsabel 417 krantenNederlands 278 krent =kruidenier 300 krijgen: betekenisontwikkeling 480 kuiten (z'n ) noch hebben 301 kunnen: betekenisontwikkeling 307 kunst, kunde, en wetenschap 494 kust (op de ) 305 kust (te ) en te keur 476 kwaad bloed (zich ) maken 230 Laars 307 laden (een geweer ) 17, 376 lagen leggen 301 last (= 30 mud) 300 laten: betekenisontwikkeling 108 leer (van ) trekken 508 lendenen (uit de ) gesproten 234 lens 456 lexicografie (in zake ) 230 lichaam 183 lidwoord: ‘de’ voor ‘den’ in accusatief 489490 lidwoordsnaamval ‘der’ (de ouwerwetse ) 3de naamv meerv vrouwl 282 lijf 280 lijfje Taal en Letteren Jaargang 11 111 list 285 litotes en taalformatie 246 loos 305 loven en bieden 18 Luiter: Luther 236, 299 Maal 399 maan (de ): ‘la beauté’: in 'tWaals 401 maan (loop naar de ) 391 maanjaar en zonnejaar 307 maarschalk 302 maarte 492493 maat: Janmaat etc 287 man en heer 304 mand (door de ) vallen 302 mandemie 230 mat 184, 187 meervoudsvorm wordt enkelvoud 111 meesmuilen 301 meid 112 meid en maagd 233240 metafories ontstane namen 527 metallieken 277283 metonymiese taalformatie 287 mevrouw 297 middel (door ) van 297 middelen (= geld) 299 middelmatig 302 mie (mande ) 110 moed en gemoed 301 mogen 377 mond (honig om de ) smeren 288 mot (scheldnaam) 279 morgen 288 morgen brengen 498 most 152, 156157, 176177 movéring Taal en Letteren Jaargang 11 237 muizenesten 230 muts 230 Naald 4142 naamvallentheorie (een vereenvoudiging in de ) op de LS 489490 naamvalsvorm (de ouwerwetse ) ‘der’ vrouwl meerv 3de nv 391 nacht in Weihnachten, en avond in Vastenavond Taal en Letteren Jaargang 11 XVI Bladz 492 namen die als vocatief ontstaan zijn 282283 namen (concrete ) die eerst abstracta waren 302303 namen (eigen) tot begripsnaam geworden 233240 namen (metafories ontstane ) 277283 namen (metonymies ontstane ) 112 namen (eigen) en verwantschapsnamen 286 namen worden onedel 112113 namen (geslachts ) 234 namen van lichaamsdelen 234 namen van maten 474 namen van kledij (eigenaardige verwisseling bij ) 391392 namen (de ) v de dagen 248 nave 408 Nebukadnezar =Jakob 447 Nederlands (over slecht ) 499502 Nederlands (over de veronderstelde invloed vd Statenbijbelvertaling op 't geschreven ) 455456 Nederlandse Taal (Kuipers' Woordenboek der ) 420 Nederlandse Taal (Te Winkel, Geschiedenis der ) 283 nering 235 neteldoek 286 nietwijs 68 nimbus 298 nochtans 444445 norm voor 'tspreken (hedendaagse XVIII de eeuwers bezig een ) vast te stellen 444445 ‘normaal’taal en kunst 497 Oef! 497 oefen Taal en Letteren Jaargang 11 235 olie 237 om (van tijd) =te 110 onbesproken 474 onderkeurs 473 onderziel en onderkeurs 371372 onscheidbare werkwoorden ontstaan noch nu 238 onthouden 96 ontijdig (XVII eeeuws) =onaangenaam 242 ontsegghen (XVII eeeuws) =de oorlog aandoen 182185, 186 onzijdig ‘geslacht’ (ontstaan v 't) 187, 165 onzijdig ‘geslacht’ (talen zonder ) 153 onzijdig ‘geslacht’ ('t ) minachting uitdrukkend 149 onzijdig (de term) 'teerst bij Moonen 149 ‘onzijdig’: vroeger ‘geenderley’ 48 ooit, oint: verklaart door Kern 109 oordelen 297298 oorzakelik (hoe 't) verband wordt uitgedrukt 305 opentop 304 ophef maken 371372 opletten: wordt onscheidbaar en wijzigt z'n betekenis 230 ossevlees 299 oud 301 ouders en jongeren 426, 427, 429, 432 overgangsklanken worden zelfstandig 474 overhemd en halfhemd 281 Paardje (op z'n ) 502 pantoffel (onder de ) 536 participiaal constructies 526 pas =doortocht 489 passedijsje 235 pen 444 petrus =sleutel Taal en Letteren Jaargang 11 302 piet =kanarie 302 Piet en Pietje 235 pijp Taal en Letteren Jaargang 11 XVII Bladz 441 pinken (bij de ) zijn 470 pispot: bispote 304 plaat poetsen en piek schuren 286 plee, pletie, sekreet 247 prachen 238 prensen (in ) 506 prinsje (al is ons ) etc 172, 174175 produktiviteit bij suffixen 303 pruisies (niet ) 282 Raad 14 rancke bij Vondel 419 raskoppen: id tekst 238 recht =rechtlijnig 238 rechtvaardig 305 reilt (zoals 't) en zeilt 278 rib 506507 rijm ('t ) v ij en ei 406 ringetje (door een ) 301 roe en roede 40 roodkápje en kortjákje 112 rooms en romeins 111 ros en paard 278 roskam =paardenhandelaar 107 rotkar 108 rotting 248 rozenhoed 67 rozenkrans (de ) 286 ruiken, en rieken 306 ruiten (venster ): oorijzer 88 Saffieren ogen 498 salie, zelve 499 salieg Taal en Letteren Jaargang 11 499 salie's (de ) 421 Salverda de Grave, Grammaire Française 127 samenstelling: gezondverstand: id tekst 198, 286 samenstelling: nietwijs, halfwijs 332 samenstelling (wezen van de ): kontakt en distanzkomposition 14 schalk (= boosaardig) 72 schalmei 96 scharp =nauweliks 532 schavot en toneel 285 schavuit 238 schel 285 scheldwoorden 68 schelen =oogleden 285 schelm 231 schenken 230 scherfje 281 scherts 11 schiften: bij Vondel 229 schilder 307 schildwacht 299 schimpen 238 schitteren 285 schobbejak, schobberd, schoft, schurk 285 schoelje 301 schok =60tal 239 schoon 532 schrijftaal en spreektaal in N Nederland 275276 schrijftaal en dialekten omtrent Karel de Grote 281 schrikken en ontstellen 285 schurk, schoft, schobbejak 286 sekreet 445 Siebs en de Bühnensprache: des Pudels kern 298 simpel 279 Sintnikolaasavond Taal en Letteren Jaargang 11 373 SinteFranciscuspaarden 381 sjakes (zich ) houden: Hebreeuws 303 slaaf 307 slager, slachter 298 slecht 499 slemp 19 sleutel (de ) als symbool 19 sleutelampt ('t ) 497 slierislari 18 sluier (de ) als symbool Taal en Letteren Jaargang 11 XVIII Bladz 18 sluierkroon (de ) plat getrapt 285 smeerlap 230 smerig 109 snijder 109 soldaat 13 sollen: bij Vondel 283 souvenir 231 spelen: betekenissen 38 spelling niet anders dan aanduiding 276 spellinghervorming uitgaande v Karel de Grote's hof 443 spellingvereenvoudiging (van Geer vòòr de ) 443 spellingvereenvoudiging voor Z Afrika 230 spijker 468, 428, 429 spiritus lenis spreekwijzen en spreekwoorden : 304 door de mand vallen 306 gelijke monniken gelijke kappen 304 de plaat poetsen 376 de kat de bel aanbinden 441 bij de pinken 406 door een ringetje kunnen halen 464 op z'n elf en dertigst 441 Holland in last 476 zich kwaad bloed maken 492 z'n koetjes op 'tdroge hebben 494 tranen met tuiten schreien 494496 Holland bolland etc 415, 497 de derde streng maakt de kabel 496497 beter op een ouwe wagen op de heide etc 503 die 'skonings koe gegeten heeft etc Taal en Letteren Jaargang 11 503 waar niets is, heeft de keizer etc 503 must is for the king 505 wat de Heren wijzen moeten de gekken etc spreekwoorden en spreekwijzen: 506 Al is ons Prinsje noch zo klein spreekwoorden en spreekwijzen : 502506 spreekwoorden en spreekwijzen :monarchale en republiekeinse 480481 spreekwoorden en spreekwijzen :aan duiten en senten ontleend 377381 spreekwoorden en spreekwijzen :(Nederlandse ) ook in andere talen 380381 spreekwoorden en spreekwijzen :(Nederlandse ) en klassieke 379 spreekwoorden en spreekwijzen :die schijnbaar in 't Nederlands en in een andere taal 'tzelfde 509510 spreekwoorden en spreekwijzen :(materiaal voor de historie van onze ) 380, 378 spreekwoorden en spreekwijzen :(werken over ) 374381 spreekwoordenboek ('t Nederlandse ) van Dr FA Stoett 248 sprietogen 281 staf (de ) breken 108 stal 234 stalen pen =rok 299 standje 12 starren (naar de ) gaan 283 steeg 278 steek 305 steen en been klagen 305 steg (heg noch ) 231 stichten 409 stiepen 278 stip =adjudantonderofsier 508 stoepjes 107108 stofnaam (voorwerpsnaam uit ) 279 stond Taal en Letteren Jaargang 11 266 straal 236 straks 553 studiewerken (linguistiese ) 172, 174175 suffixen (produktiviteit bij ) 157 ‘suppletie’ Taal en Letteren Jaargang 11 XIX bladz 281 symboliese (uitdrukkingen van ) oorsprong 533541 Taal (de ) v ons Beschaafde spreken nu en in de XVII de eeuw 444445 Taal (over uniformiteit in de ) van 't spreken 447448 Taal (de ‘Levende’ ) en het schrijven 181, 162 Taal (invloed van dichter ) op de algemene? 173174 Taal van kinderen 155 Taal: niet produkt van ‘denken’ 555 Taal (oorsprong van de ): Lützenau 233240 taalformasie en metafoor 277283 taalformasie en metonymie 283286 taalformasie en hyperbool 172176, 177178, 182185, 185186 taalformasie door analogie 126 taalkundigen (de Griekse en Latijnse grammatici geen goeie ) 444445 taalnorm (Kauffman over ) in 'tspreken 444445 taalnorm (de XVIIIde eeuw aan 'twerk om een ) 4142 taalonderwijs (een kleine vooruitgang in het ) aan de LS 4142 taalopinies (blindemans ) 181182 taalperiode (de dichterlike opvatting van de oudste ) 150151, 164 taalstudie (methode van ): gevaarlike beeldspraak en terminologie 38 taalstudie: kan niet anders dan van 't heden uitgaan 189 taaluiting (bewustheid in ) 188189 taalwetenschap (methode van ) 162 taalwording (Herder over ) 299 tafel: betekenis 239 takt 284 tamelik Taal en Letteren Jaargang 11 302 tante (koffie ) 307 taptoe 150151 termen (gevaar dat in ) steekt 391 tijdrekening (de Germaanse ) in de taal 417 toebak =puik 15 toert 278 toet (zuur ) 444445 toneeltaal (de Duitse ) 309316 tongvallen (de cartografie van de NoordNederlandse ) 315316 tongvallen (de cartografie van de NoordNederlandse ): Gombaults denkbeeld hierover 554 tongvallen (de Noordnederlandse ): Te Winkels werk 408 tram uit outram? 416 transitief gebruik: vrijbuiten 532 treurtoneel =schavot 302 trien (een potte ) 494 tuiten (tranen met ) 476, 526, 497 tussenwerpsels: fij, foei, oef 38 ‘Uitspraak’ (Murray over de zogenaamde ) 230 Vaardig 234 vadem 180 vader Rijn 479 validéren: id tekst 484 vallen (tengerder ) 230 van =familienaam 443444 Van Geer vòòr vereenvoudiging 391, 393 veertien dagen, quinze, jours, fortnight Taal en Letteren Jaargang 11 XX Bladz 409 velo 406 vergelijkende paroemiologie (spreekwoordenwetenschap) 109 verlof 232 verliezen: betekenissen 108 verloven (zich ) 109 vermaken 281 verrukt, ontsteld: schrikken 19 verschoven: op zij gezet 473 verstandelik en verstandig 232, 240, 353 versterkende woorden 505 verwezen (als ) 305 vieren en vijven, vijven en zessen 111 vinden (iemand wel zullen ) 353354 ‘Vlaams’ en ‘Hollands’ (betekenis van ) in Duitse dialekten 278 vlegel 248 vlijt (dat ) mij niet 287, 232 vloekwoorden 4 voegwoord: in dier voege als dat: id tekst 298 voegwoorden ('t ontstaan van ) 111 voeren (voederen) 318 vogtlepel 427 vokaal (de ‘zuivere’ ) in 'tFrans 426429 vokalen (de drie manieren van ) in te zetten 427 vokalen ('t inzetten v de )in Nederlands, Frans en Engels 428 vokalen (‘fester Einsatz’ van ) in 'tDuits 551 Volewijk: Ter Hunnep varen 408 volksetymologie 125 voornaamwoord: gebruik van ‘welk welk’: id tekst 556 voornaamwoord: du en ir, tu en vos Taal en Letteren Jaargang 11 11 voornaamwoord: werkwoordsvorm bij relativum 236 voorshands en tans 238 voorstellen 511 voorvoegsel ('t ) ga, g, geen de actionsart: van Swaay 296 voorvoegsel ont: Tijdschrift Nederl Letterk 399 voorzetsel: omheen: id tekst 111 vreten 416 vrijbuiten: transitief 11, 308 vroom 287 vrouw en heer 111 vrouw en wijf 107 vruchten: betekenis 111 W aan 234 wafel 238 wagen (van wage =weegschaal) 373 wagenwijd en wijdwagen 16 wapen (iemands ) breken 439 wat schooner voorwerp: id tekst 236 weder 306 wederhelft: eigenaardig gebruik: id tekst 391 week (woche) 298 wege (van ), deswege ed 503 wegen (langs 's heren ) 298 wegens 284 wel 280 wereld 236 werf en keer 371372 werkwoord: scheidbaar wordt onscheidbaar 11 werkwoordsvorm bij relativen 109 werven 231 wijden 373 wijdwagen, wijd en waag 111112 wijf en wijfje Taal en Letteren Jaargang 11 298 wijl en dewijl 67 wijle 110 wijs maken (iemand iets ) 509 wijzen =veroordelen 109 wild Taal en Letteren Jaargang 11 XXI Bladz 306 winkel 231 winnen: betekenis 111 woeker 487 woelwater: geslacht 230 wol 140 wolfijzers en schietgeweren: ide tekst 492 wolk: overdrachtelik 38 woord (Murray over het ) 455456 woordenboek (ons beste ) tot nu 299 wrevelig 95 wuft: in de XVII eeeuw 230 Zaak 391 Zaterdag, Sonnacht, Sneun 307 zede, zedelik 110 zedig, zedelik 488,489 zeebaar, sedebaer, zeeghbaer 232 zeer en erg 299 zegen 303305 zegswijzen (verschillende groepen van ) met veranderde betekenis 284 zeker, vast, en stellig 480 zestig (ben je ) 301 zengen =doen zingen 300 zien =er uitzien: ontwikkeling 427 zingen (een eigenaardige manier van ) verklaard 280 zool 301 zullen 279 zult 302 zus =meisje ed Letterkunde; Onderwijs Bladz Taal en Letteren Jaargang 11 444445 Achttiendeeeuwers (hedendaagse ) aan 'twerk om een norm voor 'tspreken vast te stellen 323 achttiendeeeuwse (over ) letterkunde 437440 achttiendeeeuwse poëzie: Greenwood's avondzang 474475, 477 achttienhonderddertig (tijdperk van )bij ons 490 achttienhonderddertig: bron voor de kennis vd tijd: Nagtglas 13 Aeneas (de pius ) bij Vondel 249 Aeolus 67 agnus Dei 6364 allitteratie bij Couperus 15 altaar ('t ) een asyl 67 angelica salutatio 464 antiquiteiten: Schrader, Indogerm Altertumsk 459 antiquiteiten: kinderleven in Duitsland (en Nederland) 336 antiquiteiten: OudHollands volksleven: Tijdspiegel 523 antiquiteiten: kennis v de Realia 13 Ascanius 104 Asselijn: Woord en Beeld 1901 15 asyl ('t altaar een ) 67 Ave Maria (het ) 71 Bacchanten 13, 14, 17 beeldspraak bij Vondel 47 Been, Het Keezenboek 555 Bellamy als criticus: Gids Taal en Letteren Jaargang 11 XXII Bladz 207 beschavingscachet ('n ) 494 bezem (de ) op de mast 524 bijvoegliknw ('t )in de poëzie v Bilderd en Vondel 473 Bilderdijks Gesch des Vaderl 524 Bilderdijk en Vondel 506507 Bilderdijk over ei en ijin 'trijm 556 Bilderdijkiana: Navorscher 67 blijdschappen (de ) v Maria etc 99100 Boon's Geïllustr Bibliotheken 48 Braga (over ) 377 brandmerken 402 Breero: Angeniet? 531 Cholera (erger dan de ) 14 Circe (een ) 119 DeGénestet's Lekedichtjes 323324 De Génestet's Haantje vd Toren: kritiek 323 de Lannoy's Leo de Grote 391 dertien ('t getal ) 7580 de Vooys, Middeleeuwse Kerstverhalen 204 dialekt ('t ) bij Stijn Streuvels 524 dichters (de vrouw en de ) 5052 dichters: ontevredenen 67 Dies irae (het ) 256 Doornbos (Dr W): Woord en beeld 1901 382 drama: Paap, Koningsrecht 382 drama: vd Maese, Constantijn Palaeologus 423 drama: L Mulder, Op glad ijs 47 Eden, In veld en laager 50 Eclogae 71 elfen Taal en Letteren Jaargang 11 101 Elsevier (het nieuwe ) 67 engelgroet (de ) 523 epos ('t ) v Kinker 209 Esmoreit 32 Figuur vd hendiadys bij Perk 462 folklore: Driemaandelijksche bladen 457 folklore: Wutke 13 Fortuin ('t idee v de )in de Renaissance 448 Gedichten (de ) vd Schoolmeester 384 Gedichten (de ) vd Schoolmeester, geïll door Donker 401 Germanen ('t Kerstfeest =het grote dodenfeest bij de ) 391393 Germaansche tijdrekening 394396 Germaansche mythe(invloed v de kerk op de ) 132 Geuzenlied(over 't): Postmus 67 Gloria in excelcis 3637 GrootNederlandse (een ) Litteratuur 36 Guido Gezelle 401 Hekate 48 Helikon (de Post v de ) en de Moderne Helikon 50 herderspoëzie: Theocriet en Vergiel 202 hexameters (juist oordeel over ‘onze’ ) 553 Heyermans 7374 hiaat ('t ouwerwetse begrip v de ) 525 haarden en kachels 551 haselnoten met gaatjes 710 Hooft en Vondel: hun levensleer 13 Hooft en Vondels tragedie ('t wezenlike in ) 541342 Hooft en Vondel (verhouding van Vorst en Volk bij ) 556 Hooft (een gedicht van ): Navorscher Taal en Letteren Jaargang 11 XXIII Bladz 13, 13 Hooft: Rampzaligheden en verheffing vd Huize Medicis: de tragiese idee daarin 363364 Hooft: Verwey over de verzen van de Brief aan de Kamer 324 Hooft: oordelen over Gerard van Velzen 000 Hooft: Rosemont, vs 15 8283 Hooft: datering v Achilles en Polyxena 9092 Hooft: de nieuwe tekst v Ach en Pol 92 Hooft: een oudere tekst v de Granida? 84 Hooft: oudste druk van de Schijnheilige 9394 Hooft: Hooft vertaald en nagevolgd 34 Hooft: wijzen en melodiën (bij Stoett) 8488 Hooft's gedichten: de tekst van Stoett beoordeeld door Kuiper 88 Hooft's gedichten: de tekst: het gezag van HS A 9597 Hooft's gedichten: de tekst: plaatsen ànders verklaard 355370 Hooft's Brief ad Kamer Hooft's Brief aan de Kamer: 255356 de twee redaksies 356360 Stoett's hypothese van onwaarde 360367 vergelijking vd redaks 367370 conclusie 141 Hoogvliet, De eerste maanden Frans 123 Hoogvliets opvatting v taalstudie en taalonderwijs: Der Mouw 12 Horatius' miscere utile dulci: ‘het nuttige mengen met aangename’ 331 Huygens: Voorhout vs 8 418 Huygens' Zeestraat: uitgeg door Colenbrander 449455 Huygens (Worp's ) 450451 Huygens (Worp's ): de teksten 451453 Huygens (Worp's ): ‘ultra chronologiese’ ordening 453 Huygens (Worp's ): de aantekeningen 454455 Huygens (Worp's ): ‘labor improbus’ geëerd Taal en Letteren Jaargang 11 12 Ilias (een ) van rampen 50 idyllen 289290 Jamben (de renaissance ) 139 Kaakebeen en Ligthart, Van alle tijden 395 Caïn en de maan 527531 Kansbiljetten, Ardoins, Surinaamse obligatie 203 Cats z'n liefdesverhalen (juist oordeel over ) 48 Cats metterdaad recht gedaan (het ‘deftigh werck’) 464 Cats: Kalff 394396 kerk (invloed vd ) op de Germaanse mythe 7580 kerstverhalen (middeleeuwse ) in woord en beeld 459 Kinderleben id Deutschen Vergangenheit 523 Kinker (over ) 201 Kinker's Pygmalion 121122 klassicisme (iets over 't) 129131 klassicisme: Der Mouw over 'tGymnasium 127 klassicisme: de geest v Cobet 126 klassicisme: de Griekse en Latijnse grammatici geen goeie taalkundigen Taal en Letteren Jaargang 11 XXIV Bladz 445446 klassieke (Der Mouw over 't) 123131 klassieketalenonderwijs (Hoogvliet en Der Mouw over 't) 14 Klytemnestra 4973 Couperus' Laura 5255 Couperus' Laura: de Retoriek en de poëzie na '80 6266 Couperus' Laura: beelden en klanken 70 Couperus' Orchideën: interpunctiefouten ide 2de druk 67 Credo (het ) 207 kritiek: History of Criticism and literary task (Saintsbury) 210211 kriticuskunstenaarPubliek 322 kunst (Kloos over ) 113114 kunst (wat is )? 210211 kunst (hoe ouwe ) te genieten 444445 kunst en ‘normaal’taal 67 Kyrie Eleison (het ) 464 Langendijk ea: de windhandel op het toneel 522 leerdicht (het lyries ) 22, 23 leeskunst (de ) in 'tonderwijs vd XIXde eeuw 385406 legende (de ) v het mannetje in de maan 251 liederen (Twaalf oude ) met prentjes (v Moerkerken Jr) 26 liederen (karakter v de Historiese ) 137 lied: volkslied: Bruinier: ‘Werden und Wesen’ 512 liederteksten (de oude ): Scheltema 45 Ligthart en Scheepstra, De wereld in 460462 litteratuur (bloemlezing uit de Nederl ): Av Gent 450 litteratuur (wat òòk hoort tot de Nederl ) 118 litteratuur (geschiedenis van Nederlandse ) in Bloks Vaderl Gesch en in Fruin Tien jaren 254 Lope de Vega's dramen aus dem Karoling Sagenkreis 291 Lukas d' Heere (monografie over ) 385406 Mannetje in de maan (de legende v het ) Taal en Letteren Jaargang 11 Mannetje in de maan: 397, 385387 chronologie en localisatie 387, 388390 oorsprong en verbreiding 390394 de maan vereerd door de Germanen 391393 Germaanse tijdrekening 393395 uitroeiing v 'tmaangeloof 394397, 401 het mannetje komt in miskrediet door de kerk 397399 de misdaad 398401 heidense trekken 399400 vermodernisering v de legende 400401 het dansen op de kerkhoven de Maandag en de Zondag 390 maan (de ) en de wolf 200 maatschoonheid bij Vondel: wat maat is 71 madonna 67 Maria (de blijdschappen van ) etc 531 matigheidsgenootschappen (de ) omtrent 1840 14 Medea Taal en Letteren Jaargang 11 XXV Bladz 221222 middeleeuwen (de vrouw ide ) 209 middeleeuwse (onze ) sympathiën 395396 middeleeuwse litteratuur: Basin (Elegast) en het maanmannetje 331332 de Graal 458 sproken en boerden (oorspr v de stof) 458 Spielmannsbuch (Hertz) 353 invloed v Nederland op Duitsland 58 minnepoëzie 209227 middelnederlandse litteratuur: de Esmoreit de Esmoreit: 210211 hoe oude kunst genieten 212 de middeleeuwse mensen goede verstaanders 212213 toneel, mise en scène, etc 220221 de ‘verrader’ 222, 223, 225 de lijdende onschuld 224225 de idee 223, 227 de kwestie vd ouderdom 226227 de twee naredenen 471472 de narede ànders verklaard middelnederlandse litteratuur: 335 Marieken v Nijmegen (in de Arbeid) 256 Tondalus visioen (Koopmans) 7580 Kerstverhalen 104 de Nieuwe Doctrinael 140 Spiegel der Sonden: van Verdam; en De Pauws fragmenten 319322, 411414, 437440, 543549; 354, 4142, 4245, 204, 2125 moedertaalonderwijs (over ) 498 most: voor de vrouwen Taal en Letteren Jaargang 11 554 Multatuli: officiële bescheiden 423 Multatuli: Gids 480 muntboeken 394396 mythe (de Germaanse ) en de kerk 179 mythologie in verband met grammatikaal geslacht 456 mythologiese werken 525 Nagtglas 442444 nationalisme! 556 Navorscher (de ) voortgezet 462 Nederland en Zweden uit het oogpunt der kultuur 316317 Nieuwe Gids (de) en de jongVlaamse beweging 421 Nieuwe Gids (de): reorganisatie 388389 Noormannen (de ) ide Litteratuur 71 nymfen 460 Omer Wattez, Van twee koningskinderen 442444 onderwijs: nationalisme (bezwering v ‘Idealisme’ in ) door Dr van Geer 228 onderwijs: (radikaal oordeel over ons verbalisties )van JH Gunning 42 Onderwijs (valse heuristiek in het taal) 198 Onderwijs (slecht ) maakt de leerlingen slecht 2125, 115121, 191197 Onderwijs: de Letterkunde en de Hoofdakte (v Dr Hoogstra) Onderwijs: de Letterkunde en de Hoofdakte (v Dr Hoogatra); 21 een slecht program 2124 resultaten (bloemlezing uit de hoofdakteverslagen) Taal en Letteren Jaargang 11 XXVI Bladz Onderwijs :de Letterkunde en de Hoofdakte (v Dr Hoogstra): 115116, 117119 litteratuur histories te studeren 191197 welke werken te lezen 196 ten Brinks letterk Geschiedenis een geschikt werkje?? 228 onderwijssystemen (origine v onze klassieke ) 555 opvoeding: Kleefstra's Brinioschool 100 opvoeding: sport en spel 255 opvoeding: Gerhard, Over lichamelike straffen 506 oranjedeuntje ('t ) Al is ons prinsje 336 oudHollands volksleven: Tijdspiegel 39 Oude Heer Smits (plaats uit de ) opgehelderd 492 oudejaarsavondwens 2738 Perk's Mathilde (over ): de grotsonetten 5558, 70 Petrarca en Laura 98, 104 Piersons betekenis voor de litteraire wetenschap 292293 poëten (gelauwerde ) 319322, 411414, 437440, 543549 poëzie (onderwijs in kunst en ) in de school: lessen aan 'tHaarlems Gymnasium: 6266 poëzie van na '80 132 Postmus, Het Wilhelmus (door Koopmans) 483484, 488489 Potgieter en R Visscher 512 Potgieter (Verwey over ) 384 Potgieter's Florence met Aantekeningen 296 Potgieter's Rijksmuseum: Noord en Zuid 101, 104 Potgieter's Brieven aan Huet 473508, 525532 Potgieter's Jan en Jannetje: Aantekeningen Potgieters Jan en Jannetje : 473 'tmotto 473 ‘Laat vreemdelingen beweren’ 473475 ‘onderziel’ ca Taal en Letteren Jaargang 11 475476 nijd en geelzucht 475, 477 ‘mijn talenten’ etc 477 de Synode van 1816 477 tabak in de doos; 't komfoor 477 een geglommen kool 477478 de bietekroten 478479 ‘Monsieur’; en ‘Jonathan’ 479 ‘ons aller betovergrootvader’ 479480 de doopceel lichten 480 Jan overtreft zijn voorvaderen 480 fiks op de koten 480 ‘over de zestig’ 480481 ‘schoon Jan de wereld heeft bekeken ewv’ 480 spreekwoorden aan senten ontleend 481 ‘dat bewijst de oude dag ewv’ 481 Jan's vader, Jan's ooms 482 ‘Zalig is hij etc’ 483 Rubbens en Rembrandt 483 de ‘zegen v Roemer Visscher’ 484 jolijk; tengerder vallen 484488 ‘smeltend en smachtend etc’ 486, 487 ‘goedronde gezichtjes;’ ‘gulgauwe lach’ 487488 ‘wild woelwater’ 488489 de ‘zeebarige’ boezem? 489490 ‘die harer dochteren etc’ 490 de piano en de uitheemse klanken Taal en Letteren Jaargang 11 XXVII Bladz Potgieter's Jan en Jannetje: 491, 542 drempelmeiden 491 bruidstranen 491 ‘de dankbaarheid etc’ 491 ‘een wolk v gezondheid’ 492 'tjaar '41 493 drie vierde v 'tjaar te velde 493 ‘niet om hem allerlei jammeren te voorspellen; de sirenen 493 de dageraad v 't jongelingsleven 493 de noordooster 494 onder de Spaansche tirannij 494 tranen met tuiten 494 schepen op de kust 494496 Holland Bolland; etc 497, 415 de derde streng 497 oef! slierislari 497 welk een ergernis vooral 497499 Jan Saly; slemp 499 Bidt en werkt 499502 de Bijbelvertaling 502 ‘Bij wijlen heeft Mijnheer den naam etc’ 502506 over de ‘monarchale’ en de ‘nietmonarchale’ spreekwoorden, ca 506507 het ‘liederlike’ rijm 507508 de gebreken van zijn Staatshuishouding 508 personaadje 508 zonen zijner lendenen 508 Jan Kontant en Jan Krediet Taal en Letteren Jaargang 11 525526 Engelsche haarden, Duitsche kachels 526 citaten 526 ‘een onnoozel kruistogtje’ 526527 Doggersbank 527 de Surinaamse obligatiën 527 de Metallieken en Onze papieren 527528 de Ardoins, etc 529 de Griekjes; etc 529531 de kansbiljeten 531 het Matigheidsgenootschap 531532 de genade aan Jan Rap en zijn Maat bewezen 532 ‘treurtoneel’; ‘vaderingewanden’; etc 383 pseudoniem: Louise BB =L de Neve 17 Razernijen (de ) =de hartstochten 336 rederijkers: De Rovere: Leuvense Bijdr 336 rederijkers: Jacob de Mol, en Venator: Leidse Tijdschr 483 Rembrandt en Rubbens 336 Renaissance: Jan v der Does: Navorscher 512 Renaissance: blijspel ('t ): Kok 291 Renaissance: dichter (de zelfkritiek kenteken vd ) 294295 Renaissance: dichters (eerste ) bij ons 79, 910 Renaissance: levensfilosofie, en karaktertiepen 56 Renaissance: tijd ('t individualisties karakter van de ) 341345 Renaissance: tijd (opvattingen vd verhouding v vorst en volk in de ) 13 Renaissance: tragedie (de ) bij ons 289290, 363364 Renaissance: verzen (over de ) 5255 retoriek en de poëzie van '80 514515 rijm (komies ) 333 Robbers (Herman ) Taal en Letteren Jaargang 11 XXVIII Bladz 316 Rodenbach 252254 roman in proza (geschiedenis v de ): Ten Brink 512 roman (de historiese ): Noord en Zuid 201202 romance's (v Heeckeren over ) 201 romance (de ) v Eduard 484486 romantiek (vrouwentiepes en sentimenten in onze ) 490 romantiek: bron voor de kennis v de realia v die tijd 67 rozekrans (de ) 250 ruispijp 18 Sacca di Roma 498, 499 salie, slemp 513522 Schoolmeester (de Gedichten v de )en de Ingoldsby Legends 4344 schrijven (de fout in ons ) 501 schrijven (oorsprong v sommige schadelike hebbelikheden in ons ) 256 schrijven (het ): de Raaf wil aan de kinders boeketaal onderwijzen, in het derde leerjaar 205207 schrijven (het ): Koopmans over stelonderwijs 448 sentimentalisme (het ): Feiths tranen 15 Sicheus 444445 Siebs boek over de Duitse toneeltaal 400 SintJan en Kerstfeest 38 Scott en 'tpubliek 26 Scott's invloed in Europa 556 Spieghel: Leidse Tijdschr 496 Spieghel: plaatsen uit de Hertspiegel 499, 503, 505 Spieghel: Bijspraaksalmanak 458 Spielmannsdichtung 67 Stabat Mater (het ) 373 Staring: Jaromir te Lochem, vers 8 Taal en Letteren Jaargang 11 554 Starings Marco: de Gouden Ezel vertaald 201 Starings Vogelschieten en Bellamy's Roosje 499502 Statenbijbel (de ) en het geschreven Nederlands 4344 stijlleer (de morfofogie v de )omschaalt het eigen leven 138, 203, 419 Stijn Streuvels 79, 910 stoïcisme (het ) bij Hooft, en bij Vondel 499 symbolen v 'tkonservatisme 393 ‘sympathie’: in de folklore 4344 Taal (Koopmans over ) en ‘Vorm en Inhoud’ 123131 taalonderwijs (Hoogvliets opvatting van taalstudie en ) 4244, 2125 taalonderwijs (de ellende v ons ) 45 taalonderwijs: een slimme hoofdaktekommissie 319322, 411414, 437440, 543549 taalonderwijs aan 'tHaarlems Gymnasium 4245 taalonderwijs: Kuiper, Nederlandse Taaloefeningen door Koopmans beoordeeld 204 taalonderwijs: Sasburg en L de Vries, Steloefeningen door Koopmans beoordeeld 144 Taine (Essai sur): Giraud 67 Te Deum 450451, 451453 tekstuitgeven (manier v ) 140 tekstuitgeven (over krities en diplomaties ) Taal en Letteren Jaargang 11 XXIX Bladz 50 Theokriet en Vergiel: herderspoëzie 46 Tine v Berken 444445 toneeltaal (Siebs idee omtrent de Duitse ) 11 toskaans =Italiaans 13 tragedie (de ) v Hooft en Vondel: het tragiese 323 tragedie (de Nederlandse ) Leo de Grote 249 Trinacria 70 troubadours, trouvères, minnestreels 552553 Tweemaandeliks (het ) Tijdschrift: XX ste Eeuw geworden 144 Vampiersage (die ): Hock 296 Van Beaumont (Simon ): Tijdspiegel 299295 Van der Noot (Jonker Jan ) 512 Van Haren (een dochter van W ): Elsevier 39 Van Haren 's (strofe uit ) Menselik Leven verklaaard 325329 Van Hulzen's Zwervers ea werken 448 Van Lennep's Vermakelike spraakkunst 221 Van Mander: monografie 554 Van Maurik 323 Van Merken's Germanicus 3, 6, 47, 317 Van Nu en Straks 58, 6869 Vaucluse's Zwaan 228 verbalisties onderwijs (radikaal oordeel van dr Gunning over ons ) 199200 versschoonheid bij Vondel 289290 verzen (de oude Renaisancejamben ) 316317 Vlaamse beweging (de jong ) uit de NGidsbeweging? 316317 Vlaamse (de jongste ) schrijvers 137 volkslied: Bruinier, Das Deutsche Volkslied: ‘Werden und Wesen’ 401 Vondel: Palamedes: Hekate 240250 Vondel: Palamedes: plaatsen verklaard 13 Vondel's en Hooft's tragedie ('t wezenlike in ) Taal en Letteren Jaargang 11 12, 347349 Vondel's opvatting v de Mythologie 12, 13, 347349 Vondel's opvatting v de kunst: didaxis in schone vorm 199200 Vondel's (Verwey over de schoonheid van ) verzen 200 Vondel's (kunst van ) verzen te zeggen 1120, 257275, 337353 Vondelstudiën van Koopmans: 1120 Vondelstudiën: Op d'Ilias v de Medicis: 13 wat de Renaissancemensen in de Historie zagen: de Val, en het Lot 37 het tragiese in de geschiedenis van de Mediceërs 710 Hooft, en Vondel als wijsgeren en karaktertiepen 1020 de tekst en de uitleg 257275 Vondelstudiën: De Immanente Liefde: 257 mystieken en symbolisten 258259 symboliek v 'thuwelik 260621 V tegenover het huwelik als Protestant en Katholiek 261 grondgedachte in V's huwelikspoëzie 262 de ethiese bodem v de huwelikspoëzie Taal en Letteren Jaargang 11 XXX Bladz Vondelstudiën: De Immanente Liefde: 262 Liefde en Min 263264 Kuisheidskamp 264265 Cupido bij Vondel 265266 'tBruiloftsbed v Hooft 267269 Venus 267271 het huwelik 337353 Vondelstudiën: Het Pascha: 337338 'tideale koningsschap en Farao 338 motieven in 'tPascha 339 analyse 340345 het Pascha en 'trecht van opstand 344 het Pascha en de Bato 345 allegorie van onze volksopstand 345347 allegorie ook van de verlossing 346 Vondels dualisme 347349 toneelleer in de voorrede 347349 symboliese wereldbeschouwing 349 Vondels isolement 349351 Farao Lucifertiepe 352353 het Pascha een nationale vrijheidshymne 4334 vorm en inhoud (verkeerde begrippen van ) 202 Vosmaers Londinias (raak oordeel over ) en z'n hexameters 138 W eise (O): Die Deutschen Volksstämme und Landschaften 7374 welluidend en onwelluidend? 132136 Wilhelmus v Nassouwen 't: 132 de litteratuur er over 133 Marnix de schrijver? Taal en Letteren Jaargang 11 134 karakteristiek vd dichter 134135 de historiese Willem van Oranje 556 Wolf (Betje ) en Aafje Deken: Leidse Tijdschrift 70 woordspel bij Petrarca 462 Wrangel, De betrekkingen tusschen Zweden en de Nederlanden 535540 Zeventiendeeeuw (de taal v 'tbeschaafde spreken in de ) 7577 Zuster Bertke's proza 72 Xenios (Zeus) Taal en Letteren Jaargang 11 1 Op d' Ilias van de Medicis, door Vondel Hij die kennis neemt van de geschiedenis van 'tberoemde huis der Medicis, merkt in het rijke en veelbewogen tijdperk bovenal deze twee dingen op: de talrijke wederwaardigheden die de leden van dit geslacht hebben doorstaan, en in de tweede plaats de roem waartoe Florence zich op elk gebied van kunst en wetenschap, voornamelik onder 'tbewind van dit vermaarde huis, heeft weten te verheffen Er is geen stad in 'et kunstrijke Italië dat uit de 15 de eeuw, de bloeitijd van de Renaissance aldaar, zoveel schoons op 'et gebied van de beeldende en de schilderkunst heeft aan te wijzen en op allerlei gebied zoveel beroemde mannen weet te tellen; en de beide mannen die te Rome hun naam aan de voortreffelikste scheppingen in die wereldstad hebben verbonden, Rafaël en Michelangelo, hebben onder Florentijnse meesters en in 'n Florentijnse kunstomgeving hun talenten gevormd Maar al is'et nu waar, dat de roem en de kunsthoogte van 'tbloeiend tijdperk der Medicis hun aantrekkelike zijde hebben, even waar is 'et, dat de vele lotwisselingen en schokkende gebeurtenissen in dit huis, nu eens het opheffend en dan weer het neerstortend, 'n diepe indruk hebben moeten maken op vooral filosofies aangelegde geesten 'tEne kan vanzelf met 'et andere samengaan; maar men voelt ook dat naarmate 'n opmerker van die tijd zelf met kunstoordeel of met de zin voor 'twijsgerige bedeeld is, het ook de kunstbeoefening of de fortuinwisselingen onder de Medicis zullen zijn, die hem in 'toog moeten vallen, en in 'talgemeen zal alnaar de ene of andere kultuurperiode meer of minder kunstzin, of 'n zwakker dan wel sterkere neiging tot beschouwingen heeft, het de geestelike produktievieteit van 't Florence der Medicis, of wel de storm en drang in 'tpolietiek en huiselik leven van dit geslacht zijn, dat de geschiedschrijver onder z'n aandacht trekt En zo zal dan in de tijd waarin wij nu leven, ofschoon de gave van opmerken 'et avontuurlike in 't persoonlik leven niet zal voorbijgaan, het toch vooral 'et hoge geestelik leven van Florence zijn wat in 'toog Taal en Letteren Jaargang 11 2 zal vallen; 1)in onze mening toch haalt 'tbelang van 'n biezonder persoon op verre niet bij dat van 'talgemeen; staat 'n toevallig bewogen privaatleven, van wie ook, ver beneden de peilstand van het kultuurleven in 'n georganieseerd sociaal centrum; en erkent men volmondig dat in elk geval, waar de samenleving in zekere tijd 'n weergaloze superiorieteit van intellektueel en artistiek kunnen aanbiedt, de beschouwing van die tijd allerminst mag worden ontsierd door 'n eentonige vermelding van mensonterende misdaden als sluipmoord, vrouwekracht en vergiftiging, zoals de huisgeschiedenis van de Medicis die vertoont, en welke misdaden in allen gevalle voortkomen uit lage hartstochten, boze bedoelingen en eerzuchtige aanvechtingen; die òf de handhaving van 'n kwalik gewettigd gezag òf de voldoening van persoonlike wraakzucht ten doel hebben, en als beschamende laagheden ver af staan van de geestelike verheffing waarvan die hoge kultuurperiode met z'n nog altijd aanwezige kunstprodukten kan getuigen Met één woord: men wil liever de halsmisdaden en geruchtmakende straatoproeren negéren, welke de onderlinge veten en famielietwisten eenvoudig na zich slepen; men wil liever 'et ‘menswaardige’ in de kultuur releveren, en 'toverige versmaden als zullende strekken de mens te onteren Zo wil 'et deze tijd Maar er is ook 'n tijd geweest, die, en daardoor in z'n uitkomsten als realisties te schatten, die wat de eeuw van de Medicis betreft, juist heel weinig oog heeft voor de artistieke kant van die historie, maar die uitweidende over de lotswisselingen, en de misdaden welke de ommekeren voorafgaan vergezellen en opvolgen, juist de nadruk legt op 'et sterkbewogene en de slingeringen in 'tMediceese famielieleven; er op wijst hoe met die hoge staat diepe tuimelingen samengaan, omdat om de eeren de heerschappijwille de ene de andere en deze weer de eerste omverwerpt; die, ten slotte, van dat leven in de eerste plaats de ongevallen ziet en voor de geschiedenis van de Medicis bij voorkeur deze tietel schrijft: Rampsaligheden der verheffinge van den huize van Medicis Een tietel die ons toelicht dat de schrijver in de loop van deze dingen 'n treurspel ziet; die ons herinnert dat hier ter tijde, want de schrijver is niemand minder dan Pieter Corneliszoon Hooft ,de afwisselende verhogingen en vernederingen in 'n mensenleven, en in de mensenlevens te zamen, 'n sterke indruk maakten op de gemoederen; men zàg naar die opkomst en, meer nog, naar die val; als men schreef, schreef men, ook bij eigen gemoedsrust en eigen welvaren, toch treurspelen als Bato en Velzen ,ja, voor feestelike gelegenheden, en 1) Die Mediceer ,voor Ed Heyck (Monographien der Weltgeschichte, I) Taal en Letteren Jaargang 11 3 bij 'n hoopvol stemmende omgeving, toch weer 'n treurspel als de ondergang van Gijsbrechts stad Niet dat ze juist de misdaad zagen; wel neen, mannen als Hooft en Vondel gruwden er van: zo ze er uitvoerig bij stilstonden, was het juist om 'tgruwzame te laten voelen en er 'n afschrik voor te wekken; maar ze zagen, zo veel mogelik onafhankelik van de lage hartstochten van de mensen die ze bewerkten, de loop van de historie als 'n deining: op de vloed de eb, en op de eb weer de vloed, omdat er na die vloed weer 'n eb moest zijn Want ze konden de vloed niet zien zonder eb Dàt was 'et wat hun aantrok: 'et vallen en 'et altijd weer vallen Al maar de val in de mensen Altijd 'et ongeluk opgedrongen door 'tLot Want al dit treurige in de mensenwereld, deed 'et Lot Altijd vertoonde zich in de poëzie en in de schilderkunst, wanneer 'tde historie gold, dat allegoriese Lot, de vrouw op 'trad van Avontuur dat al maar rondging, omhoog en omlaag, of de vrouw waarvan de ene voet wortelde in 'n wentelende bol, die bij 'tminste zuchtje wind al wentelde, waardoor de vrouw 'n ander gelaat toonde, of wel de vliegende gedaante, soms 'n vogel, die de landen en steden overtrok En zo zag Hooft in 'et moeielik opkomen van de Medicisfamielie, met vallen en opstaan, 'et oude treurspel weer terug zoals Griekenlands dichters 'et ons vertonen; de mens in de hand van 'tNoodlot; en bij zijn wijsgerig, dikwijls uitgesproken oordeel, dat 'n hoge staat 'n diepe val na zich sleept en 'tkleinste veiligst is wil hij laten zien hoe 'et helste licht de zwartste schaduw geeft en komt hij er toe, over de schitterende opkomst van de eerst burgerlike, daarna hertogelike famielie en over de daaraan verbonden wederwaardigheden 'et totaal Hooftiaanse werk met de hem passende tietel te schrijven: Rampsaligheden der verheffinge enz Evenzo Vondel, die Hoofts werkje gelezen heeft, en die in 'et telkens klimmend struikelen en terugvallen 'n moeizaam zwerven op de levenszee ziet, terris jactatus et alto Vi Superum, betietelt op zijn manier, indachtig aan de ‘levenstocht’ van de grondvester van 'tLatijnse rijk, z'n vers op de golvingen in 'tFlorentijns geslacht: Op d' ILIAS van de Medicis Waarin bestonden nu in hoofdzaak die golvingen? We weten dat in de 12 de en de 13 de eeuw, er tussen twee partijen, de Ghibellijnen en de Guelfen, 'n strijd is gevoerd om de verwezenliking van de Keizersiedee, waarin de Keizer en de Paus antagonisten waren, en waarin vooral de steden van OpperItalië mee in betrokken zijn geweest Bij die partijtwisten, kwamen, door de eigenaardige zelfregering der veelal onafhankelike Italiaanse steden, onder dezelfde leuzen, famielieveten, eerst tussen de adellike Taal en Letteren Jaargang 11 4 geslachten, later toen de burgerpartij opkwam, tussen burgers en edelen of wel burgers onder elkaar Met name in Florence, bestonden aanzienlike en wijdvertakte famielieën, die, nu de een, dan de ander, de meeste invloed op de gang van de zaken uitoefenden, en die door het afwisselend veroveren van de aanzienlike ambten, op de vrije regeringsvorm zelf toch had de ommekeer gewoonlik geen inwerking, hun tegenpartij tijdelik van hun voormalig overwicht wisten te beroven, of wel ze door verbanning of wegruiming van 'et staatstoneel wisten te verwijderen, Een van die ambten nu was dat van GONFALONIÈRE (= banierdrager, vaandrig), aan wie 'n militair kommando was opgedragen, en onder die gonfalonières was weer de invloedrijkste de gonfalonière della guistizia ,die voor de volksraad de wetten tegen de adellike geslachten moest handhaven, en die tevens voorzittend lid van de signoria ,en alzo de eerste ambtenaar van de staat was Deze post nu kwam in 1378 in handen van 'tdestijds snel opkomend geslacht der Medicis En vreemd, de eerste van hen ondervond al dadelik de wisseling van de fortuin, in dier voege, alsdat hij, doordat hij in de nog aristokraties getinte grondwet enige verandering trachtte te brengen, uit de stad werd verbannen, om enige tijd later, toen z'n bloedverwanten in aanzien en rijkdom waren toegenomen, weer in de regering te worden geroepen En zo 'tmet Salvestro ging, zo ging 'took met z'n zoon, maar met zwaarder gevolgen voor z'n geslacht Een geweldadige aanval, door de banneling op de stad ondernomen, mislukte; terzelfder tijd werd binnen de stad de samenzwering verijdeld en 'n aantal Medicis verloren 'et leven (1400) Maar hiermee traden de nabestaanden niet van 'tstaatstoneel Integendeel, 'et geslacht nam weer in aanzien en middelen toe Want wat in die immorele en korrupte tijden voor hun van zo'n groot belang was, de Medicis hadden geld, en wonnen altijd door méér geld Ze waren namelik bankiers, niet alleen te Florence maar met filiaalhuizen te Brugge, Londen en Venetië, en met agenten tot in Turkije en in KleinAzië Kosmus di Medicis bv, de zoon en opvolger van Giovanni di Bicci, die in 1421 gonfalonière was geworden, reisde als bankier van paus Johannes XXIII mee naar Constanz, waar 'et bekende concilie werd gehouden 'tIs dezelfde Kosmus, die, in 1428 na de dood van z'n vader aan 'thoofd van de volkspartij gekomen, zich door z'n vele deugden en z'n voortreffelik bewind de bijnaam heeft verworven van Vader des Vaderlands Alleen, dit dient gezegd om die tijden te verstaan, schroomde hij niet, onverminderd de lof van z'n doorzicht, vlijt en kalme zelfbeheersing, zich van de gewone middelen te bedienen, waarmee men z'n zaak op z'n duim draaide, nl om Taal en Letteren Jaargang 11 5 door milde geschenken 'n gunstige stemming voor z'n huis te bewerken Want ook van deze Kosmus beantwoordden de lotgevallen aan 'et eenmaal gegeven stramien Eerst staat hij aan 'thoofd; later, als de Albizzi's 'et gezag in handen krijgen, weet de tegenpartij na 'n ongelukkige oorlog tegen Lucca er niets beters op om zich staande te houden, dan zich van de gevreesde mededinger te ontslaan; Kosmus wordt gevangen genomen, en voor 'n buitengewone rechtbank gebracht; hij vreest 'n gewelddadig einde: maar z'n agenten bewerken de rechters, en 'tgevolg is dat Kosmus voor de tijd van 10 jaren verbannen wordt (1433), welke verbanning door de ijver waarmee hij als geldman gezocht en gevierd wordt, eer 'n aangename speelreis dan 'n hopeloos zwerven werd En wat meer is, de dagen te Venetië en te Padua doorgebracht, maakten samen nog geen jaar uit: tijdens z'n afwezigheid waren, door 'tbekende middel, de hekken al verhangen; Kosmus werd teruggeroepen en Albizzi in ballingschap gezonden Van toen af had Kosmus 'et geluk van 'n voorspoedige en glansrijke regering; en de nakomeling eert nog z'n uitgebreide kennis, z'n voortreffelik beheer en z'n uitgezochte smaak Ook Kosmus' zoon en kleinzoons hebben hun wedervaren Na Kosmus' dood waagt de vermetele Luca Pitti 'n aanslag op de zwakkere en zachtaardige Piero , in de hoop 'n meer oligarchies bewind aan 'troer te krijgen Een toeval verijdelt de toeleg, en Piero wordt door 'tsamengelopen volk gehandhaafd Ernstiger gevolgen heeft de samenzwering door de Pazzi's tegen Lorenzo op touw gezet Juliaan z'n broer wordt vermoord, Lorenzo zelf ontkomt, 1)en de volkswraak maakt met de saamgezworenen korte metten 'tIs in de geschiedenis van deze Lorenzo dat de uitersten in het wedervaren van de Medicis met relief voor den dag treden Een man, met 'n schitterende opvoeding te midden van 'n kunstlievende omgeving; zelf dichter en redenaar; gehuwd met 'n Romeinse Orsini; geëerd en geliefd door z'n schranderheid, beminnelikheid en beschaving; gevierd door z'n ijver voor de kunsten en wetenschappen; z'n stad en z'n huis 'et verenigingspunt van geleerden en artiesten; z'n tafel gedekt voor 'n Pico de Mirandole en 'n Michelangelo; en deze man in zulk 'n middelpunt belaagd door 'n moordkomplot, 'twelk geesteliken tot handlangers gebruikt om hun schanddaad te volvoeren op 'n gewijde plaats: wel gaat hier de grootste verdorvenheid en bruutste schaamteloosheid samen met 'et hoogste intellektueel en hoffelik leven Iets wat ons zou moeten verbazen, en echter weer geen verwondering kan wekken omdat we weten, dat 'et tijdperk der Renaissance 1) Zie hierover de aantekeningen Taal en Letteren Jaargang 11 6 in Italië 'n eeuw van diepe immoralieteit is geweest; dat de reaksie tegen de geest van de ME in haar streven naar individuële vrijheid in losbandigheid is ontaard; dat 'et sterkpersoonlike juist daarin 'tlevendigst 'et besef van z'n kracht wou gevoelen, door in woorden en daden, tegen de konvensie, tegen de moraal en tegen de rede in, zich zelf los en gescheiden van de grote gemeenschap en de lange historie, sterk geprononceerd tegen de achtergrond van 'n hele wereld naar voren te zien treden En dit was 'n vonnis: 'et leven is ijdel, zo 'et geen voeling houdt met de bron waaruit 'et ontspringt en waarin 'et zich zelf weer terugvindt Ten aanzien van Lorenzo, de Prachtige bijgenaamd, dient nog gezegd, dat hij 'n achteloos financier was; 'et huis te Brugge viel, en dreigde ook Lorenzo in z'n val mee te slepen; maar deze die de begeving van de ambten aan 'n hem toegedaan kollege had laten opdragen, en nu 'n grenzeloze macht bezat, sprak de staatskassen aan en dekte daarmee z'n persoonlik tekort Na de rustige rust onder Lorenzo was 'tde beurt aan de stormen In 1494, twee jaar na Lorenzo's dood, rukte Karel VIII Italië binnen, om de oude aanspraken van 'thuis Anjou op Napels te laten gelden Piero II, die op de hand van Alfonsus II was, viel als 'teerste offer van de Franse polietiek De verbitterde Florentijnen verdreven hem; negen jaar later verdronk hij ellendig in de rievier de Garigliano In 'tzelfde jaar nog dat Karel er z'n intocht hield, wierp zich in de hoofdplaats der Medicis de dominikaner prior Savanarola als stadhouder op van 'n theokratiese staat, waarover als opperhoofd fungeerde de Heiland, blijkens 'topschrift boven 't portaal van 'tregeringsgebouw: Jezus Christus Rex Florentinis Populi SP Decreto Electus Na z'n terechtstelling in 1498, werd 'n levenslang Gonfaloniéraat ingesteld onder Soderini Deze voerde tien jaar 'et bewind; toen bemoeide zich de krachtige paus Julius IImet de Florentijnse zaken en voerde er de beide jongere zoons van Lorenzo, Johan 1)en Juliaan IIterug (1512) Van nu af blijft 'et gezag, behoudens 'n tijdelike bezetting door Karel V (15271531), voor goed in de handen van de Medicis Maar verwonderlik Nu de vastheid van de heerschappij voor de Medicis is gewaarborgd, treedt de tweedracht en de misdaad de famieliekring binnen Er volgt een stormachtige tijd Hippolitus ,2)'n kleinzoon van Lorenzo, wordt vergiftigd door Alexander ,3)'n kleinzoon van Piero II Alexander zelf wordt afgemaakt door 1) Deze Johan wordt in'tvolgende jaar Paus (Leo X) 2) bastaard van Juliaan II 3) bastaard van Lorenzo II Taal en Letteren Jaargang 11 7 'n andere Medicis, 'n telg uit de zijlienie Uit deze zijlienie, gesproten uit de tweede zoon van de vroeger vermelde Giovanni di Bicci, treedt Kosmus IInaar voren, die na de moord op Alexander hertog van Florence wordt; na hem regeren in regelmatige opvolging z'n nakomelingen tot 1737 In 1569 werd aan Kosmus door toedoen van Pius V de tietel gegeven van Groothertog van Toskane Zo gelukkig Kosmus was in z'n buitenlandse polietiek, zo gruwelvol was z'n famielieleven Twee van z'n dochters werden de slachtoffers van de jaloezie van haar echtgenoten; een derde werd vergiftigd op last van haar vader, en Kosmus zelf doodde met eigen hand een van z'n zoons omdat deze zich schuldig had gemaakt aan 'n broedermoord Een overgebleven zoon Francesco I,1)voor de tweede maal gehuwd met Bianca Capello, kwam op dezelfde dag als deze vrouw door vergif om 'et leven Een andere zoon Piero, vermoordde z'n vrouw en haar minnaar Ook de Medicis in 'tbuitenland troffen rampen We weten wat 'et Franse hof onder Katharina ons geeft te zien, en wat voor 'n treurige vermaardheid de verwoesting van Rome heeft gegeven aan het Pauselik bewind van de Mediceëer Clemens VII Onder al die lotsveranderingen was 'et vooral de Brutusdaad van Kosmus, wat hier de wijsgerige elementen aantrok Wel was 'et merkwaardig dat in de talrijke beproevingen waarmee 'et Noodlot hen drukte, 'n heel geslacht in de worsteling tegen de verpletterende macht stand hield en telkens 'thoofd weer opstak, maar toch eigenaardig en prikkelender was 'et, die standvastigheid terug te vinden bij één en dezelfde man, die zo sterk door de slagen van 'tLot getroffen werd En zo bewoog de wijsgerige opvatting zich tevens om de voor allen sprekende tiepe van Kosmos Dat wàs hij, de man, de vaste rots in de branding Dat wàs hij dan, de man, die boven alles 'et recht stellend, de hand sloeg aan z'n eigen zoon Z'n bloed verlochenend, z'n vaderschap vernietigend, wie had de kracht als hij zó z'n eigen gevoel te doden! wie kon als Kosmus de natuur aan de pIicht onderwerpen! Daar rijst Brutus op, de rechtschapen Romein, die óók zich onderwierp aan de plicht, de deugd bereikend, zich zelf te verlochenen! Daar toont Cato de dolk waarmee hij zich doodde, omdat hij in 'n bedorven eeuw geen Romein meer wou wezen! Daar komen al de oude helden, in wie Tacitus de oude burgerdeugd en Rome's voormalige grootheid had geprezen: Tacitus, die Hooft z'n model en leermeester was Die in z'n Annales en Historiae , 1) vader van Maria de Medicis Taal en Letteren Jaargang 11 8 waarin hij 'tkeizerlik Rome 'n spiegel gaf van de republiekeinse eenvoud en grootheid, aan Hooft 'n voorbeeld gaf voor diens NederlandscheHistorieënSpiegel, geschreven voor Vorsten en Volken Want ook in dit Nederlands werk spreekt de Romein Daar weet zich óók iemand rots, rustig 'tdeinen aanziende van de wisselende tijden ‘Ick gaa een werck aan,’ zegt hij, ‘van meenigerlei lotwissel en geval,’ Hier in de spits van 'texposé, ligt Hooft en ligt z'n werk Wel was dit iets van Hooft, dit neerzien van boven op dat tuimelen van partijen, legers en staten Neerzien van boven, om te tonen, dat hem zelf de strijd niet meesleept, de leuzen hem niet begeesteren, de beginselen hem niet vangen, omdat hij uit zich zelf wel weet, dat 'et maar 'n wervelwind is die de mensen en volken door heel de historie, nu herwaarts dan derwaarts in 'tnooit eindigend tumult van de menselike hartstochten werpt Wie rust wil hebben, moet daar buiten blijven Wie wijs wil zijn, moet ze ontkennen en doden En daarom is hij vrij, die zich houdt boven de demos ,en is hij wijs, die z'n ethies bewustzijn verdiept En terwijl al de anderen aan de wisselingen van de aardse dingen onderworpen zijn, vindt de wijze, wetende dat alle aardse dingen ijdel zijn, de rust in zich zelf en z'n veiligheid in z'n steilte Zij, de wijzen, aanschouwen de volken van de hoge toppen des geestes Heenstappend hoog boven 't stratengewriemel, zijn ze 'tliefst eenzaam Ook onder hun medemensen voelen ze zich 'tbest met zich zelf te omschansen In 'tmeeleven soms zich neerbuigend en weldoende, houden ze zich toch hangende aan 'n andere sfeer van denken, en zodra de ernst weer roept met z'n deugd en z'n plicht, zonderen ze zich weer geestelik af en zoeken de kracht in zich zelf En 'n hoge kracht De kracht van doen en van dulden Van dulden ook Bereidwillig ook doen ze afstand van begeerte en geluk Brave burgers zijn ze, zich gevend voor 'tvaderland en 'talgemeen voor 't grote en goede, tot 'et leven toe Maar tegenover hun kracht staat koelheid en hardheid; staat eenzijdigheid in de waardering van de menselike natuur; staat bekrompenheid in de beoordeling van de menselike handelingen, waarvan de adel niet in de eerste plaats steunt op de basis van 'n gekweekte theorie, maar die veeleer voortkomen uit spontane gemoedsbewegingen, en zo niet, dan toch uit gekombieneerde psychologiese en niet zo maar op 'teerste gezicht te ontwarren oorzaken Hun wijsbegeerte was 'n leer voor enkele sterke naturen, ze kon in geen geval 'n stelsel voor de grote massa zijn Nu is Hooft in dit opzicht geen uiterste Daartoe was hij te rustig, te breed en te verfijnd Er zijn namelik mensen die het goede begeren omdat 'et hun sterkte van wil is die hun kwade Taal en Letteren Jaargang 11 9 neigingen overwint, en er zijn mensen die 'tgoede zoeken, en dan ook makkeliker zoeken, omdat heel hun aanleg op 'tdoel van goeddoen gericht is De eersten zijn de mannen van de plicht, de anderen die van 'tgemoed; de eerste wekken bewondering, de laatsten wekken liefde De eersten zijn bij moeiliker leven de strijders; ze zijn de heldhaftigen, de zelfkastijders, de Spartanen der oudheid en de ME asceten; de laatsten zijn aangenaam en voorkomend, de vroegere Atheners en de moderne Europeeërs De eersten zullen geestdriftig zijn, onverzettelik, dweepziek en mysties; de laatsten zijn eer scepties, conciliant, posietief en berekenend In aanleg nu was Vondel aan de eersten gelijk, Hooft aan de anderen Hooft was 'n scepticus en 'n vrijdenker; 'n man van de beschaafde en de verfijnde genoegens; zelfbeheerser (‘modus in rebus’), de man des vredes, en van de gemoedsrust, de waarheid uitvorsende om in onafhankelikheid te staan tegenover de hem onbekende machten (‘Felix qui potuit cognoscere rerum causas’) Hij is de stoïes geschoolde epikurist Hij ziet, zodra de mensen buiten de middelmaat van hun stand, hun temperament en hun leeftrant treden, naar 'n vaste wet het slingeren over en weer van de naald van hun koers, en filosofeert op de basis van 'n in z'n werken verborgen kosmiese en ethiese evenwichtsleer Ook bij de Medicis, ziet hij de plagen neerdalen op 'et zich hoog boven 'tpeil uitstekend geslacht, en de Nijd en Tweedracht en de Wraakzucht als noodwendige volgelingen van de ‘Fortuin,’ de ‘grootachtbare stamme’ bezoeken Want niet de Medicis worden verantwoordelik gesteld voor hun snoodheden, en hun roem wordt er niet door bezwalkt, de zaak is dat hier in 'n mensencyclus 'et Kwaad z'n spel speelt met 'et Goede, maar dat in die wisselvallige en de aandacht der tijden vragende dobbeling, de teerling van 't Geluk de hoogste ogen werpt Vondel stond op 'n enigzins ander standpunt De wijsgerige blik op de dingen wordt voornamelik bepaald door de karakters, terwijl de karakters door de gebeurtenissen worden gevormd De grote schokken van de Spaanse tijd met heel de agitatie van jarenlange voor en tegenspoed, hoop en ontmoediging, onze tijden spiegelen zich in de vroegere werken prikkelend op vurige gemoederen, en Vondel juist was 'n man van 'n prikkelbaar temperament De Vlaming zat er in, vooral de Vlaming der ME Maar hij had van Spiegel de wijsgerige school mee doorlopen der Stoa, de ontzettend zware school van de gewilde gemoedsrust en de verheuging der deugd En hij ook heeft 'et zo ver gebracht dat hij met Pers ,deze in z'n Voorrede , de eerste in z'n Opdracht voor De gulde Winckel de deugd uitbundig verheerlikt Dat was wel Taal en Letteren Jaargang 11 10 stoïes In de deugd zal de gelukzaligheid liggen, ‘'t heerlijckste cieraad Dat hier den Mensche ciert waer dat hij henen gaet’ Zo voedt hij zich met 'et merg der Deugd, lezende en lerende uit de oude filosofen: ‘Laet ons dan tesamen de Edele Wetenschap volgen’ En als Vondel zich op later jaren met z'n Stoa armer voelt dan tevoren, en hij zich weer in z'n religieus geloven terugtrekt, dan ziet hij ook de wereld en de historie anders en worden de filosofen voor hem ook godsdienstige mensen Didaktiese naburen zullen altijd voorbeelden zamelen om hun leer door steunsels te sterken En omdat ook de Kerk waarin Vondel trad, in de eerste christentijd haar leer door heidense getuigenissen had gesteund, stond Vondel ook anders tot de Stoa, of liever, de Stoa stond hem nu nader en simpatieker, omdat hij er meer of minder verborgen christelike symptomen inzag Haar pantheïsme had de broederschap der mensheid gepredikt; Lucanus had gezongen dat de mens voor heel de wereld geboren was; Seneca ,en noch meer keizer Aurelius stonden 'tChristendom zeer nabij Haar leer zag Vondel niet van hem vervreemden En bij de simpatie voor de ascetiese Stoa zouden ten slotte die ongevallen nog in 'n andere richting prikkelend op hem werken In de worsteling en de zege uit al die rampspoeden lag voor Vondel 'n zin, 'n vermoeden van 'n verborgen bedoeling In het steigeren van 'et vorstenhuis geworden stadsgeslacht tot in de huwelikszalen van de Valois en de Bourbons, en tot op de stoel van 'tVatikaan, zag Vondel 'n bestemming, 'n taak Wat heeft hij Maria bezongen, de weduwe van Navarra, de Moeder die Koningen baarde! Wat heeft hij haar beklaagd, ook omdat hij in de verbanning en de ellende van de stammoeder 'n iedeaal van Vorstenverbroedering heeft zien verdwijnen Hij had ze, en vele, ook betreffende de Oranje's, de Stuarts en de Habsburgers Maar ook nu nog, in 1649, bij 'tverschijnen van Hooft's boekje, bewondert hij de levenskracht van 'tFlorentijnse huis, dat tot geluk geboren schijnt, dat de aanvechtingen van de boze geesten met lof heeft doorstaan, en nu schitterend blinkt in deugd, omdat ten slotte, zoals Hooft zegt, ‘de snoodtheit van eenige spruiten, niet dan tot schaaduwen dienen kunnen, om het dapper bedrijf der vroome te diepen, en bet te doen afblaaken’ Ook de weelde van het koningschap van David was met huiselike rampen doortrokken geweest; ook 'et geluk van Augustus had vijandschap onder z'n nakroost gebracht: en volle zuiverheid was nergens ter aarde te vinden, zelfs niet eens in 'theilig geslacht van Christus Vondel neemt dus de pen op, en schrijft: Taal en Letteren Jaargang 11 11 Op d' Ilias van de Medicis Aen Michiel Hinlopen (Rechtsgeleerde) Michiel ,die 1)onlangs, naer uw wenschen, 2) Doorzaeght 3)het bloeiende Florensen, En 'thof van Kosmos vroom 4)geslacht; Het recht van onrecht leerde schiften, 5) En uit Tuskaensche en Roomsche schriften Een schat van lessen overbraght: 6) 1) Michiel ,als aangesproken persoon, hoort bij de tweede strofe: Nu volghme Het betrekkel vnw die leidt eenige bijv zinnen in, welke ons nader met Hinlopen inkennis moeten brengen, en dan ook inhouden wat deze rechtsgeleerde aan den inhoud van 'tgedicht bindt, en dus de Opdracht rechtvaardigt De bijzinnen zijn, indie samen getrokken: adie Florensen en Kosmos hof doorzaeght; bdie leerde schiften; c(en )die lessen overbraght Deze drie zaken moeten Hinlopens belangstelling inde tebehandelen dingen wel rechtvaardigen 2) onlangs ,dus nog niet lang geleden; naer uw wenschen ,dus uit eigen begeerte De sterke begeerte van Hinlopen om Florence tebezoeken, en het nog maar kortstondig wonen hier na de buitenlandse reis, zijn voor ons nog temeer redenen om tegeloven dat Vondel inhem een belangstellend lezer zal vinden 3) Doorzaeght ,van alle kanten bezien, overal bezoeken 4) Vroom ,kloek, rechtschapen Veilig, met het oog op de strekking en de toon van 'tgedicht, in beide betekenissen op tevatten 5) Schiften ,niet onaardig isdit recht zoeken uit een mixtum van goed en kwaad, gezegd voor 'tstuderen inde rechtsgeleerdheid Zo ligt er wel wat moois in! leerde Ten onrechte stellen de spraakkunsten de wet, dat (zie Terwey, §231) zo het antecedent een pers voornw van de tweede persoon (hier inde apostrofe) is, het gezegde inbuigingsvorm zich naar dit antecedent moet richten Het geschrevene laat heel andere en natuurliker wetten' zien Waarom bv invs 2wel doorzaeght inde 2de persoonsvorm, en waarom leerde inde 3de persoonsvorm! Men leze hardop, en geve acht op kwantiteit en ritme! Dichters horen de taal inklank, en misvormen ze niet op schrift 6) Weer iedealisties gezegd van de studie in'tRomeins en Italiaans recht Let ook weer op de lessen en de schat ,die de opmerkingen gemaakt inaant 2,ondersteunen Taal en Letteren Jaargang 11 12 Nu volghme weder 1)naar Tuskanen, En treck met mij een kleet van tranen En bloet en jammerklaghten aen 2) Hier wort een Ilias gebooren, 3) Uit ramp den Medicis beschoren, 4) Waer doorze naer de starren gaen 5) 'tIs ijdel dat men droomen stroje Van Ilium en 'tpaert van Troje; 6) Van Kolchis, Thebe en Edipus 7) De waerheit kan dien nacht beschamen, 8) Laomedonnen, en Priamen Ulissus toght, en Troïlus 1) Klemtoon op weder Hinlopen moet weer mee, terug Er isnog veel meer tevernemen, vooral voor zo'n belangstellend man 2) Hinlopen moet eerst zich stemmen voor de tocht Hij moet er heen gaan inrouw Hij moet zich omhullen di vertrouwd maken met de gedachten aan moord, jammer en droefheid; want dat alles, en niets anders dan dat zal hij bijwonen 3) Ilias gebooren ,di langzamerhand vertoont zich allezende 'nIlias, di 'nrijvan droevige lotgevallen 4) beschoren Door 'tnoodlot bedeeld Uit ramp ,de inwendig treffende droefheden komen voort uit uitwendige rampen, door 'tnoodlot geslagen Zoals gezegd is, de Medicis worden voorgesteld 'nuitsluitend lijdelike rol tevervullen 5) Vertaling van per ardua ad astra Indeze versregel ligt de hele strekking van 'tgedicht, ze komen op, ondanks de slagen Er ligt natuurlik 'npsychologiese waarheid in: tegenstand prikkelt, en tegenspoed staalt En zij die 'toverwonnen, spraken 'tuit indeviezen als palma sub pondere crescit 6) 'tIsijdel ,enz betekent: dromen zijn bedrog Vondel nl beschouwt heel de oudGriekse epiek als fabula ,verzinsels van dichters, maar met 'nwaarheidskern inde moraal De verzen van Homerus, Vergilius, Aesopus, enz zijn om de inhoud aanlokkelik temaken De dichters willen aangenaam onderrichten: didatiek spant de kunst in'tgareel; Horatius wist 'et: miscens utile dulci (Zie de Voorreden op de Warande en de Voorrede op de Herscheppinge ) 7) Deze, en ook de volgende specifieëren de sagentijd: Argonautentocht (Kolchis), Thebaanse oorlog en de Epiduslegende, Trojaanse oorlog (Laomadonnen, etc) 8) De waerheit enz Het licht der waarheid staat tegenover de duisternis (of nacht) van de logenachtige fabel De treurspelen uit 'tGriekse heldenleven gegrepen (Hecuba, Kassandra, Elektra, Ifigenie enz enz) zijn voor 'ttoneel (ook alweer om teleren) bewerkte verdichtsels; maar dit hier, de Florentijnse geschiedenissen zijn zuivere waarheid En 'tfiktieve moet, nu de werkelikheid zelf komt, achterstaan; het treedt terug, 'twordt beschaamd Taal en Letteren Jaargang 11 13 Een Kosmos, nooit genoegh geprezen, 1) En als een puickbloem uitgelezen Ter heerschappije, zalme meer Dan een verzierde Eneas strecken, Om een Askaan uit hem te wecken, Den nazaet van zijn vaders eer 2) Hoe solt dit huis door zijn fortuinen! 3) Hoe worden hier de hooge duinen Des staets besprongen van een zee Vol ongelucken en ellenden! 4) Waer zal een jongste lijfstrijt enden En zalven al dit hartewee? 5) 1) Onvolprezen dus Bedoeld wordt Kosmos I,overleden 1464 en begiftigd met de tietel ‘Vader des Vaderlands’ Bij Hooft sterk geprezen Hij heet hier dan ook 'nsieraad, andren overtreffend, en als 'tware voor regeren uitgezocht (zie puyckbloem en uitgelezen ) 2) De zin is: De werkelik bestaande Kosmos leent er zich voor de dichter beter toe dan 'ndoor dichterhersenen uitgedachte Eneas, om ‘een Askaen uit hem tewecken’ Askaen (Ascanius) isinde Ilias en de Eneas de zoon van de held van de tocht Nu isEneas de vir pius ,en het heldendicht zelf was eeuwen lang het opvoedingsboek, van grammatica, rhetoriek, poëtiek, smaak, deugd, Christendom zelfs Voor Vondel vooral, door en door Christelik en didaktiesmoralieserend, was Eneas de spiegel der deugd Uit Eneas wil hij zonen (Askaen) verwekken: hij wil uit die godvrezende man nakomelingen, di aan hem gelijkaardige mensen telen Maar liever dan uit Eneas, wil hij dat doen uit Kosmos, als 'nwaaràchtig persoon; en nu gaat hij Kosmos aan de mensen voorhouden, opdat de leergrage jeugd zich die man tot 'nvoorbeeld stelt en geestelike kinderen van hem worden Ze zijn dan nazaet van de eer die hun geestelike vader bezat 3) Hoe solt ,di hoe worstelt dit huis door z'n bezoekingen! sollen ,eig omvervallen, ishier, meer iteratief inbetekenis, herhaald vallen en opstaan door alde zwarigheden heen 4) Het beeld isduidelik De hooge duinen zijn de staat, di 'tgezag der Medicis; de zee vormen de ongelukken en ellenden, en deze bedreigen en schokken die staat 5) Waer zal enz De zin is: komt er nu nooit een einde aan die rampen! (Het boekje van Hooft verscheen na z'n dood in1649, en Katharina de Medicis had nog maar 7jaar geleden haar ongelukkig leven teKeulen geeindigd Het werkje moet om en om 1640 geschreven zijn) Zal voor aldie druk geen troost komen? Waar zal 'teinde zijn? Wanneer zal er een laatste strijd om 'tbehoud van 'tleven gestreden worden, en omdat hij de laatste is, vastigheid, rust en daardoor verlichting en 'nvergoeding geven? De korte zin isnatuurlik: ‘'tschijnt met die rampen nooit op tehouden’ De vraag isdan ook rhetories Taal en Letteren Jaargang 11 14 Hoe kan een schalcke Circe, een Biancke, Betovren Kosmos brave rancke! 1) Bezie hoe Klytemnestra 2)loert Medea moet men 'tnu vergeven 3) Hier brengt de disch den Vorst om 'tleven: 4) 1) Indeze strofe ligt een hele geschiedenis, die nog niet lang was geleden, en vooral niet toen Hooft inFlorence aantekeningen maakte De zoon en opvolger van hertog Kosmos (II), Francesco, werd bij 'tleven van z'n vader mederegent, en verslingerde op 'nzekere Bianca uit 'et aanzienlike huis Capellis ,die, eerst met 'nkassier op de loop gegaan, 'nzo gemeen mogelik straatleven leidde Francesco (Kosmos brave rancke) was van een goede inborst, en heeft later Bianca als wettige gemalin genomen; Bianca zelf was 'neerloze slechte vrouw De kinderen van hun omgang werden bij 'thuwelik gewettigd, maar de Hertog zowel als Bianca bleven bang dat de wettige afkomst van hun zoon Antonio later gewraakt kon worden; indit geval zou Francesco's jongere broer kardinaal Ferdinand ('n andere zoon van Kosmos) aanspraak op 'tHertogdom kunnen maken: Bianca wilde daarom Ferdinand uit de weg ruimen Zij bakte zelf 'ntaart en zette die Ferdinand voor, Francesco van haar toeleg onkundig houdende Maar de Kardinaal had van de bedienden gehoord, dat de Hertogin zelf inde keuken was geweest, en hij weigerde teeten De welmenende Francesco drong uit vriendschap aan, en alle argwaan willende wegnemen, sneed hij zelf 'nstuk van de taart en athet op Bianca zag 'et 'tIsgedaan, zei ze Daarop tastte ze zelf toe Beiden stierven Ferdinand werd nu hertog Bianca had ook nog de andere overgebleven broer van de Hertog, Piéro, willen opruimen, maar dit faalde nu natuurlik 2) Bianca is'nschalcke Circe genoemd Schalck ishier boosaardig ;Circe wordt ze geheten, omdat ze Francesco betovert Dit woord moet natuurlik weergeven, hoe verwonderlik verleidelik ze tewerk heeft moeten gaan, om inhaar kwalieteit van openbare, en gehuwde vrouw, er nog 'nhertog van Florence, en dat nog voor altijd, bij tekunnen krijgen Inderdaad echter kwam 'et niet van één kant: Francesco [gelijk de grooten, zonderling inItalien, op geen kussen tebinden zijn, zegt Hooft] was 'nvrouwenloper en niemendal kies Hij wist wie hij voorhad Bianca isdus 'nvolleerde; ze tovert; ze is'nCirce Wie was nu Circe ?Een toveres op 'n eiland, dat door Ulysses bezocht werd, en die merkwaardig genoeg indit verband z'n gezellen inzwijnen veranderde Dat Klytemnestra loert ,isom wat anders Deze vrouw, ook uit de Griekse heldendichten, vermoordde haar gemaal Agamemnon En nu brengt Bianca Francesco om Dit komt nu Klytemnestra teweten en ze loert ,di ze isnijdig en afgunstig Bianca overtreft haar namelik Want de koningin van Sparta liet het haar minnaar Aegisthus doen, en Bianca doet 'et zelf 3) Medea enz Dit is: men kan, na deze geschiedenis van Bianca, niet meer boos zijn op Medea, en er die geen verwijt meer van maken wat ze bedreef Maw: zoveel doet Bianca erger Laten we erbij voegen dat dit 'ndichterlike overdrijving is: Medea heeft veel meer moorden op haar geweten 4) Klemtoon op disch Integenstelling met gewaad Zoals Bianca de spijs vergiftigt, zo had uit naijver, Medea aan Creüsa vergiftigde kleren en 'nhoofddeksel gezonden, waardoor deze om 'tleven kwam Taal en Letteren Jaargang 11 15 Hier schuilt een dootshooft in een toert 1) Mistrouw vrij heiligh en onheiligh: 2) Geen kerck iszelf voor Laurens veiligh: Hij vint geen' toevlught aen 'taltaar; 3) Sicheus most bij duister sneven Aen eenen dolck door 'thart gedreven Doch Juliaen in 'topenbaer 4) 1) Een doodshooft ,voor vergif En doodshoofd duidt vergif aan Zie sommig vliegenpapier, en de voormalige giftflessen inde apotheeks Toert isons taart ,gebak, pannekoek De oe en de aa wisselen soms; doch hier schijnen beide vormen aan 'tFrans ontleend, waarin naast tarte de bijvorm tourte voorkomt 2) Aan deze strofe ligt de reeds vermelde aanslag op Lorenzo (I) ten grondslag Het eedverbond ging uit van de Pazzis Deze waren inhun machtsuitbreiding door Lorenzo tegengewerkt Vijftig saamgespannenen zouden tegelijkertijd de gebroeders Medicis vermoorden, het regeringspaleis overrompelen, en 'tvolk oproepen De moord was eerst bepaald op 'nbanket Dit liep mis, en op dezelfde dag werd nog haastig besloten, het inde Kathedraal tewagen De verheffing van 'tSacrament onder de Mis was 'tafgesproken teken Maar die de moord opgedragen was, weigerde 'tinde kerk tedoen; zodat men haastig er twee anderen voor won Juliaan, Lorenzo's broer, was er nog niet, maar werd nog bijtijds door twee ‘vrienden’ gehaald Juliaan viel; maar Lorenzo, intijds bedacht door de woorden: wee verrader! die hem bij de stoot werden toegevoegd, wist nog snel tewenden en was, ofschoon gewond, nu in staat zich werende inde Sacristie tebergen Hierdoor mislukte het verder beloop van de omwenteling Het volk liep tehoop, de aanslag op 'tpaleis mislukte; enkelen van de samengezworenen ontkwamen, maar de overigen werden wreedaardig afgemaakt Mistrouw enz De zin is: Ook de heilige plaatsen zijn niet veilig meer 3) Dezelfde zin: het altaar beveiligt niet meer Met de bijgedachte aan de heidense tempels, waar 'taltaar 'nasyl was, en slaven en misdadigers niet mochten worden aangetast (Uit de geschiedenis van koning Pausanias van Sparta weten we, dat men door uithongering ofdoor 'tgebouw inbrand testeken, de vluchteling uit z'n schuilplaats wist tedrijven) Ook wordt hier wellicht gedacht aan de oudste Christelike kerken, waar 'taltaar ook voor vrijplaats werd gehouden De Staat (Karel de Grote bv) maakte hier 'neind aan, omdat aan grote misdadigers geen straffeloosheid kon worden gewaarborgd 4) Sicheus was de man van Dido die door haar broer Pygmalion vermoord werd Vondel had wel 'nander dan deze ongelukkige uit de grijze fabeltijd kunnen opzoeken Er zijn ook wel historiese personen in'tduister vermoord Maar 'twas Vergilius ! Taal en Letteren Jaargang 11 16 Dan schijnt de heerschappij herschapen: Dan breeckt men 'tMediceesche wapen: 1) Dan drijft men uit: dan haelt men in 2) Wat vallen hier al ballingschappen! Men klimt of tuimelt van de trappen En ieder vlamt op zijn gewin Maar Alexander koelt de minne Tot zijn bekoorzame afgodinne Te deerlijck op een ledikant 3) Men leit den jongen Kosmos lagen, En d' oudste zwerft door bosch en hagen, Als haet en nijt te zamen spant 4) 1) Indeze strofe worden de wisselvalligheden herinnerd ‘'tIsop en af, omlaag en omhoog,’ zegt de dichter herschapen isopnieuw ingesteld Iemand wapen breken is 'nteken dat men z'n staat niet meer erkent, z'n heerschappij voor gedaan houdt De Medicis waren wel burgers, maar ze hadden niettemin 'nwapen (6 rode ballen op 'nveld van goud; bal =palle, vandaar de naam Palleschi voor hun aanhangers); en 'tbreken van de wapenen zal wel zien op de intocht der Fransen en de uitdrijving der Medicis, waarbij het paleis werd geplunderd, en heel de praal en de schat van hun voorouders, weggevoerd en verstrooid werd 2) Deze en de volgende versregels achten we inde tekst genoegzaam toegelicht 3) Deze Alexander isde door Clemens VII en Karel Vaangestelde (eerste) hertog van Florence Na den dood van Clemens VII (ook 'nMedici, en z'n beschermer) besloot 'nzekere Lorenzo, uit 'nzijtak van dit huis, Alexander weg teruimen, 'tzij hij dit in'tbelang heeft geacht voor z'n vaderstad, ofdat hij de oneer van z'n nicht wilde wreken Want Alexander was bovenmatig loszinnig en belaagde alle vrouwen Lorenzo wist, door z'n zwakheden tevleien, en hem in z'n genietingen de behulpzame hand tebieden, z'n vertrouwen tewinnen InJan 1537 blies hij de Hertog in'toor, dat hij op z'n kamer hem 'njuffer zou leveren, waar de Hertog zo vurig naar haakte Die had, zo 'theette, Lorenzo voor hem omgekocht De hertog komt Lorenzo helpt hem ontkleden en de wapens afleggen: de Hertog had zich maar tebed tebegeven; de beminde zou dadelik komen Lorenzo haalt 'nhandlanger, en de Hertog wordt door beiden afgemaakt Biezonderheden over die worsteling levert Hooft De minne koelen zoals Vondel zegt, isdus, met het oog op de gegeven toelichting, wel ironies gezegd, bekoorzame met aktieve betekenis; zoals behoedzaam ,werkzaam ,verdraagzaam 4) In1494, bij de komst van de Fransen, isreeds gezegd, moesten de Medicis wijken Piéro, de oudste zoon en opvolger van Lorenzo (I), vluchtte naar 'tSpaanse leger Z'n broer Johan en Juliaan zwierven inballingschap rond, en beleefden veel wederwaardigheden Tot viermaal toe deden ze 'naanslag op Florence, die mislukten en hun medestanders 'et leven kostten Johan raakte zelfs inde slag bij Ravenna (1512) door de Fransen gevangen De Spanjaarden brachten ze weer inFlorence terug Op de omzwervingen van de oudste, Johan, die zelfs door Duitsland, Nederland en Engeland rondtrok, ziet dit door bosch en hagen Na hun terugkomst inFlorence kwam Juliaan aan 'tbewind (Johan werd in1513 Paus als Leo X) Drie maanden later werd er 'naanslag tegen hem gesmeed: hierop ziet Men leit den jongen Kosmos lagen Lagen leggen (ook hinderlaag) ziet wel op 'nrijen wel 'nliggende rijvan aanvallers; vlg belagers Taal en Letteren Jaargang 11 17 Hoe woet de felle Razernije 1) Daer Jan den moortpriem van Garsye Zijn' eigen broeder zelf gevoelt; 2) De straffe hant des vaders echter Den zoon verstreckt zoo streng een Rechter En in zijn bloet het moordmes koelt! 3) Geen ongevallen d' afkomst schuwden 4) Zij treffen mede d' aengehuwden, En levren aen 'tuitheemsche rijck En aengehuwde hoven spelen, Gevoert op bloedige tooneelen, In rouw gekleet om lijck op lijck 5) 1) Van de moorden die nu volgen, zijn niet de bedrijvers de schuld, maar de oorzaak isde woede der Razernye De Medicis zijn onderworpen aan hartstochten, die met die lijdelike mensen hun spel spelen Men lette weer op de strekking van 'tgedicht 2) Dit nu isde vroegervermelde geschiedenis van de zonen van Kosmos IIJohan en Garcia (De drie andere zonen waren, zo we weten, Francesco, Ferdinand en Piéro; zie blz 14, noot 1) Deze twee zonen haatten elkaar bitter, uit naijver, en wegens hun groot verschil van karakter De jongere en vuriger Garcia doodde inde eenzaamheid de oudere en zachtaardiger Johan De moord werd geheim gehouden, doch de vader ontbood de zoon, en vroeg hem de broeder terug Bij 'them getoonde lijk bekende de dader de moord De vader die liever bij het nageslacht voor 'nongelukkige en strenge, dan 'nonrechtvaardige rechter wilde gehouden worden, legde de levende bij de dode, en drukte hem dezelfde dolk in'thart, waarmee de moord was voltooid (Bij het lezen dus de klemtoon op vader )InFlorence heette het, dat beide zonen aan 'nheersende ziekte bezweken waren (Zie uitvoeriger bij Hooft) De Hertog stierf van verdriet 3) koelt ,di niet het moordmes ,maar 'tgemoed, dat als heet gedacht, eerst die hitte moet voelen afkoelen, di op rust komen, als 'tverlangen naar bestraffing bevredigd is Hier staat dus 'et middel voor de drijfveer 4) Geen ongevallen enz Met de klemtoon op afkomst Te lezen: Evenmin waren de ongevallen bang voor de àfkomst, di voor die uit het Medicees geslacht vóórtsproten; met dien verstande, dat hier niet aan de telgen van 'tregerende huis, maar aan de geparenteerden aan andere hoven gedacht wordt De Florentijners nl hebben hun beurt gehad, nu denkt de dichter aan de Medicis elders Daar kwamen de rampen ook, zegt hij 5) Indeze verzen wordt de eerste versregel nader uitgewerkt, en aangevuld Zelfs zij die met Medicis huwen, worden niet gespaard, uitheemsche rijck voor buitenland, di Frankrijk en Spanje; daar ook zijn treurtonelen ,daar ook wordt bloed gestort en rouw bedreven Om lijck op lijck ziet vooral op Frankrijk Over de feiten zelf: Katharina de Medicis (zij isde kleindochter van de verdreven Piéro IIen dochter van Lorenzo II) huwt met de hertog van Orleans, later Hendrik IIvan Frankrijk Hij wordt in'nsteekspel gedood Twee van haar zonen sterven vroeg Haar dochter Margaretha en jongste zoon (Anjou) worden (bij Hooft) geacht tezijn vergeven De derde zoon (Hendrik III) wordt vermoord Maria de Medicis, dochter van de door Bianca vergiftigde Francesco, trouwt met Hendrik van Navarra Hij wordt vermoord Piéro, Francesco's jongste broer (zie blz 14, noot 1) trouwt Elenore van Toledo Zij wordt, wegens verboden omgang met 'n jongeling, door Piéro vermoord Taal en Letteren Jaargang 11 18 Hoe trapt Bourbon met ros en ruiter En al het Duitsch gewelt van Luiter De sluierkroon van Rome plat! 1) Vaert voort, ouitgelate rotten! Verdooft den moetwil van de Gotten: Verdelght de nieuwe als d' oude Stadt: 2) 1) Hier volgen de ongevallen die zelfs niet bang waren voor een van de Medicis op de Pauselike stoel Johan, Lorenzo's tweede zoon, werd de krachtige Leo X(zie blz 6,noot 1) En bastaardzoon van Lorenzo's broer Juliaan (zie blz 5)Julius geheten, en later gewettigd, werd de latere Clemens VII Onder hem had de beruchte ‘sacca diRoma,’ bloedblad van Rome, onder Bourbon en Oranje, plaats Luiter: 'tGing erschuin naar toe: ‘Veele Prelaaten werden, inhun geestelijk gewaadt, op verachte beesten, spottelijk omgevoert door heel Roome: zonderling van de Duitsche knechten, gedrenkt met Luiters leer’ (Hooft blz 49) De sluierkroon plat getrapt: ‘Een deerlijk ding dat de vermaarde kuisheit der Roomsche vrouwen door kraft inzulk een vuiligheid ende ellende quam tevallen’ (ibid) De sluier is'tteken van kuisheid Die kuisheid werd gesmaad, met voeten getrapt De vrouwen, nonnen, wereldse en geestelike maagden, werden bij zwermen opgejaagd en op de straten onteerd Clemens, met vele Kardinalen, ontvluchtte op de Engelenburg, werd belegerd, en moest zich gevangen geven 2) Vaert voort ,enz Sarkastiese wens ‘Overtref nu de barbaren’ zegt Vondel Tw Rome werd in410 door de Gothen onder Alarik, hoofdzakelik wegens de dubbelhartigheid van keizer Honorius, de prooi van 'nzesdaagse verwoesting, waarbij onmetelike kunstschatten verloren gingen en 'nontzachelike buit werd weggevoerd De Wandalen deden het in455 nog eens 14 dagen over Hiermee was de ‘oude Stadt’ zo goed als verdelgd Tans, in1527, onderging de ‘nieuwe Stadt,’ het Christelik Rome der ME, hetzelfde lot De moedwil verdoven :di (hier wordt aan 'ngerucht, 'noproerig en vernielend gedruis gedacht) het geluid van de oude katastrofe door 'nnieuwe hel doen verstommen Taal en Letteren Jaargang 11 19 De Tiber moet het toch bezuren, Dat Klemens binnen uwe muren Verheft het Mediceesche bloet Door 'tSleutelampt tot aen de wolcken; Terwijl een drang van alle volcken Dien grooten Herder valt te voet 1) Maer kan de volgende eeuw gelooven, Dat uitgedreven en verschooven, De Moeder der Monarchen dwael' En zwerf, te water en te lande, In armoede, ouderdom, en schande, En naulix haren adem hael'? 2) 1) tevoet vallen (want op deze wijze vereert men de Paus) wil zeggen: huldigen De Herder is Clemens (zie vs 2) een drang van enz is: alle volken, zich verdringende dus de een wil voor de ander niet onderdoen en mee de eerste zijn, willen die grote Clemens hun hulde brengen En, zegt Vondel, ondanks die algemene verering, moet, omdat hij de Medicis door de Pauselike waardigheid tot aan de wolken verheven heeft, toch weer de Tiber (lees: de Tiberstad) dit bezuren Aldus: hoe de volken hem ook vereren, het Noodlot wil hem niet met rust laten: de Medicis klimmen, ze klimmen hóóg; goed, het Noodlot zal ze wel weer tepakken krijgen: de de Tiberstad moet 'et ontgelden Het Noodlot laat ze niet los Men ziet, het gedicht iswel konsekwent Sleutelampt :de Pausen zijn Petrus' opvolgers; en dus de dragers van 't sleutelambt; Petrus heeft als simbolies attribuut de sleutel ,waarmee hij als Christus' stedehouder de gelovigen de hemel ontsluit; ook 'tpauselik wapen draagt twee sleutels bezuren van zuur ,inde zin van zuur worden, zich zuur voelen, onsmakelike ofonaangename gevolgen ondervinden 2) Rhetoriese vraag: deze (di de 17 de)eeuw kan het niet geloven, en toch is'tzo Let op de mogelikheidswijs bij dwael ',zwerf ,hael ',door invloed van de onzekere vraag: ‘Kan men geloven, dat de Moeder zou moeten dwalen en zwerven?’ verschooven =op zij gezet, afgedankt, nl door Richelieu Hier nl issprake van Maria de Medicis Moeder der Monarchen : haar zoon Lod XIII isKoning; haar ene schoonzoon isKarel Ivan Engeland, gehuwd met Henriette Maria; 'nandere schoonzoon was Filips IIIvan Spanje Daarom zegt Vondel ook ineen van z'n lofverzen, met name Op het huwelijck van François van Medicis en Joanna van Oostenrijk ,tot Maria's eer: Die door de gunst van God, die elck niet magh genieten, Geen blijde Moeder word, zoo menighmael zy baert, 'tEn zy van Koningen Dat 'sbaeren; dat 'sbeklijven: Dat 's'taerdrijck geregeert, door haer geslacht en aerd Dat heet door hijlicken de koningkrijcken stijven Dit was in1638 Toen reeds was zij verdreven, en kwam ze hier 'nbemiddelingsreis doen Zo nu, zo toen Overal feestelikheden Overal klinkende toespraken, lofdichten, saluutschoten, erewachten, défilé's, feestmalen, maar geen Zwitsers En geen bemiddeling Zo hoopvol Vondel toen ter tijd was, zo teleurgesteld ishij in1649 Te water en telande :Ze kwam eerst hier, vertrok toen naar Engeland, maar Richelieu verijdelde alhaar pogen Toen trok ze Duitsland in, bleef hangen teKeulen, ziekelik en afgetobd, en stierf er verlaten, de Moeder der Monarchen Sie transit Armoede ziet op haar uitputting van middelen; ouderdom ,op haar uitputting van krachten; schande op de onere van haar ballingschap; naulix ademhalen op het gemis van 'nwoonplaats om televen Zie volgende strofe Taal en Letteren Jaargang 11 20 Wie steent om 'tweduwlijcke jammer Medoogender dan d' Amsterdammer, Die haer bewelkomt zoo beleeft? 1) Zij suckelt vast met smarte en pijne Tot datze moede, 'tAgrippijne, In ballingschap, den dootsnick geeft Geslachtboom, rijck van jonge telgen, 2) Sta vast, en laet de Nijt zich belgen, Dat ghy de kroon der stammen spant, Braveer den blixem, en den donder: Ghy wort gehanthaeft tot een wonder Sta vast, en hou gedurig stant J KOOPMANS 1) De meedogende Amsterdammer isVondel zelf, begaan met de moeder, die inde Monarchen haar kinderen niet meer terugvindt Vondel ziet alleen de moeder, maar hij sluit z'n oog voor de Regentes De volgende verzen zijn genoegzaam toegelicht vast =ondertussen De ‘beleefde ontvangst’ door Vondel kan men vinden in'naantal dichten bij Unger (16371639) Colonia (Agrippina) =Keulen 2) Deze strofe is'nsamenvattend slot Buig niet voor 'tongeluk, zegt Vondel, hou stand, voor uis'ntoekomst! Alweer de strijd tussen de Medicis, als de mannen der deugd tegen de hartstochten, als de Nijd ,gepersonifiëerd gedacht Geslachtboom ,'ngebruikelik beeld voor 'nstamhuis, ook inde zichtbare voorstelling De jonge telgen zetten dit beeld voort InVondels tijd regeerde Ferdinand II(16201670) een vriend van de Staten, merkbaar inde eerste Engelse oorlog De Nijt belght zich Waarom? Omdat de Medicis de kroon spannen onder de (vorsten)stammen De wereld zag namelik geen burgers opklimmen tot vorsten inhandel en wandel, en, sedert Kosmos II,tot vorsten intietel Braveer =trotseer, nl de boogste machten die 'tNoodlot ontketent Want wat zal blijken? Ghij wort gehandhaeft tot een wonder Vondel meent, dat diegenen, die inde hoogste rampen zo sterk blijken testaan, 'nandere en hoger opdracht tevervullen hebben Dat zal later wel voor den dag komen Vandaar de wens inde slotregel Gedurig =duurzaam, bestendig, zonder ophouden Taal en Letteren Jaargang 11 21 De Nederlandsche letterkunde op het examen voor hoofdonderwijzer I Onder de negen vakken van het ‘programma van het examen ter verkrijging eener akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer en hoofdonderwijzeres’ wat een heerlijke illustratie van vaderlandsche breedsprakigheid komt onder no 3‘de Nederlandsche taal’ voor De vereischten voor dit allerbelangrijkst vak worden saamgevat onder 3litterae, die we, om op ons eigenlijk onderwerp te komen, even de revue willen laten passeeren a ‘Kennis van de beginselen der spraakkunst en wel: de de leer van den zin, de onderscheiding der woordsoorten, de beteekenis en het gebruik der buigingsvormen, de hoofdzaken uit het gebied der woordvorming, de spelregels’ Zoo staat het er, verbatim Het is grammatica en nog eens grammatica van het begin tot het einde, alsof kennis van de Nederlandsche spraakkunst de kennis van onze moedertaal ware, die een candidaathoofdonderwijzer dient te bezitten Van verstaan van wat men leest, van het leven der woorden, van eigenlijke spraak kennis let wel, geen spraakkunst kennis, wordt geen woord gerept Dit wordt er natuurlijk onder begrepen, zult ge zeggen Ge bedoelt dus, dat de interpretatie van dit artikel afhangt van de veelzijdigheid of de bekrompenheid van den examinator, en bijgevolg de deur openzet voor de grootste willekeur Dit zou al een heel groote, een heel erge fout zijn Doch er is meer De bovenaangehaalde redactie van het genoemde artikel heeft onbewust (?) eene verkeerde richting aan de studie der candidaten gegeven Zij hebben gemeend en hoe konden zij anders met de bewoording van het programma voor zich, dat de kennis van het Nederlandsch bestond in het van buiten leeren van een grammatica, zeg Terwey Zij hebben hun hoofd volgepropt met allerlei zinnen, allerlei voor en achtervoeg Taal en Letteren Jaargang 11 22 sels, allerlei spelregels; zij zijn zich hoofdzakelijk gaan toeleggen op de doode, de versteende vormen van de taal, die uitstekende diensten kunnen bewijzen bij de historische taalstudie, doch van gering nut zijn voor het verstaan, het begrijpen van de levende taal Toch moet de levende taal door den onderwijzer, die in de eerste plaats praktisch taalleeraar dient te zijn, het meest, het grondigst bestudeerd worden voor zijn onderricht op de volks school En hier zit het 'em juist; de onderwijzers zijn den verkeerden kant opgegaan in hunne studie onzer moedertaal en hebben dientengevolge ook aan hun onderwijs eene verkeerde richting gegeven Gevolg: algemeene klacht over de saaiheid van het onderricht in het Nederlandsch, over het slechte lezen, over het slechte verstaan van het gelezene, over de onbeholpenheid in spreken en schrijven bij een groot deel van ons volk Dat het Nederlandsche volk slecht leest is geen klacht van vandaag of gisteren; dat vele onderwijzers het ook slecht doen en bijgevolg tevens slecht leeren aan hunne discipelen, zelfs aan toekomstige onderwijzers, verkondigt H Borel van de daken in: ‘Het Zusje’ Dit ‘zusje’, eene normaliste van ongeveer 18 jaar, heeft Van Eeden's ‘kleine Johannes’ gelezen Later leest Borel ‘een paar bladzijden voor haar, heel eenvoudig, alsof hij haar iets vertelde Zij, over zijn schouder in het boek ziende, las zwijgend met hem mee,’ waarna de auteur haar deze woorden in den mond legt: ‘Nu is het nog veel mooier dan toen ik het zelf las, zei ze Ik begrijp het nu veel beter Op school lezen ze altijd zóó dat je er eigenlijk om lachen moet ’(Het Zusje, bl 113) En wat verder, op bl 136, 137 wanneer ‘de student’ eens informeert wat zijn aanstaand vrouwtje al zoo weet: ‘Van verzen hield ze vroeger niet Nu wél, nu hij haar voorgelezen had van Gorter en van Kloos Maar dat was ook zoo héél anders dan wat ze vroeger altijd van verzen had moeten leeren Ze moest altijd lachen, als de onderwijzers gedichten voorlazen Dat was zoo gek ,om te gillen Hij moest het eens hooren, dan zou hij ook wel lachen Eén was er, die dacht, dat hij 'theel goed kon, en altijd voorlas over een rots, met zijn hoofd in de wolken, en zijn voet in de kolken, en dan wees hij 'teerst met zijn hand naar 'tplafond, en dán naar den grond Ze vond verzen bijna altijd om te lachen, zei ze, dat kon ze niet helpen “Die onderwijzers déden er ook altijd zoo gek mee ” Erg overdreven, zegt ge 'k Hoop het, doch vóór Borel's werk uitgegeven was, verzekerde mij een andere normaliste van Mientje's leeftijd, dat ze het zoo jammer vond, dat aan natuurlijk ,goed geaccentueerd lezen op de normaallessen zoo weinig gedaan werd, dat men altijd bij stukjes en brokjes las en altijd bij het lezen Taal en Letteren Jaargang 11 23 zat te peuteren aan de grammatica en de spelregels, waardoor de mooiste verzen je begonnen te walgen, terwijl nog niet lang geleden een leerlinge van de eerste klasse eener normaalschool mij vertelde: “O, mijnheer, er is geen akeliger les dan een leesles; we lezen nooit een stuk in zijn geheel; we moeten zinnetje voor zinnetje lezen en dan vertellen wat er in staat; 'tis zóó vervelend, dat we er allemaal het land aan hebben” Wanneer de normalist eenmaal onderwijzer geworden is, vaart hij in hetzelfde zog voort, en mocht hem de lust ook al bekruipen van koers te veranderen, dan grijnst hem het genoemde programartikel met vreesaanjagende waarschuwing voor “zakken” aan Wat het zwaarste weegt, had bij den wetgever het zwaartste moeten gelden, en alvorens van de grammatica te reppen, had hij de beoordeeling van de kennis eens candidaten in de eerste plaats moeten laten afhangen van het goed lezen ,het goed uitleggen en verklaren van een stukske Nederlandsch Dat er op het examen gelezen en verklaard wordt, weten we; verstandige examinatoren beseffen heel goed, waar 'em de schoen wringt bij de kennis onzer moedertaal en de ondervinding heeft hun van zelf den weg gewezen Dat dit lezen evenwel nog veel te wenschen overlaat, bewijzen de “Verslagen van de in 1900 gehouden examens” De commissie van Breda zegt, bl 4: “Het lezen der adspiranten was over het algemeen zeer middelmatig; waren er slechts weinigen die bepaald slecht lazen, het getal dergenen die door de uitdrukking hunner stem bewezen dat ze waren doorgedrongen tot de ziel van een stuk, was eveneens gering” Die van den Haag constateert, bl 15: “De uitspraak van vele mannelijke candidaten was zeer onzuiver; het vaardig en in den toon lezen van een eenvoudig stuk proza of poëzie, na een kwartier voorbereiding, lieten meermalen te wenschen over De commissie kreeg den indruk dat aan dit vak niet de noodige zorg was gewijd, met name, dat te weinigen zich in het “hard op” lezen hadden geoefend,” met welk oordeel de examinatoren te Zwolle instemmen op bl 29: “Over het algemeen laat het technisch lezen veel te wenschen over Niet alleen wordt schromelijk gezondigd tegen het leggen van den klemtoon, maar zeer velen lezen niet eens vlot De commissie geeft daarom met nadruk den wenk: men oefene zich meer en leze veel hardop” Komt de verkeerde richting, waarin de taalstudie van den onderwijzer gestuurd is, op rekening van het programma, de verkeerde methode die hij daarenboven nog volgt bij grammaticale studie is meestal de schuld van den candidaat zelf Hij leert een spraakkunst van buiten in plaats van de grammatica uit en met de taal zelve te bestudeeren Het lesje wordt goed gememoriseerd, doch indien de regels moeten toegepast worden, blijkt het, dat Taal en Letteren Jaargang 11 24 van eigenlijke studie geen sprake is geweest Dat dit niet alleen een persoonlijke meening is bewijzen alweer de “Verslagen”, waarin we op bl 4(Breda) lezen: “Vele adspiranten bleken wel vlijtig het een of ander spraakleerboek bestudeerd te hebben, doch weinigen waren doorgedrongen tot dat helder begrip van de taalverschijnselen, dat alleen ontstaan kan door herhaalde en zelfstandige waarneming der feiten”; op bl 9(Arnhem): “De kennis der spraakkunst was, voor zoover het leerboek die geven kon, over het algemeen voldoende Werd echter naar aanleiding van een gelezen stuk proza of poëzie naar grammatische verschijnselen gevraagd, dan wisten velen die niet thuis te brengen of uit het voorbeeld eene conclusie te trekken,” en op bl 20 (Amsterdam): “Waar een enkele maal rechtstreeks iets gevraagd werd uit het leerboek was het resultaat in den regel beter dan wanneer naar aanleiding van de lectuur vragen werden gesteld Het kan den candidaten niet genoeg aanbevolen worden, na de behandeling eener spraakkunst vooral de taal uit de taal zelf te bestudeeren en daarin de toepassing te zoeken van de door hen geleerde regels” Het is net alsof de candidaten meenen, dat de spraakkunst iets aparts is, iets dat met de taal weinig te maken heeft; vandaar het verschijnsel, dat zoovele candidaten met de handen in het haar zitten, wanneer op het examen de grammatica uit de taal gehaald moet worden Het eindeloos blokken op de spraakkunst heeft de zelfstandigheid van den onderwijzer bij zijne studie gedood, de ontwikkeling van het taalgevoel verstompt, en de studie van de levende taal op bedenkelijke wijze doen verwaarloozen Laten we hopen, dat de examens van den tegenwoordigen tijd zich in dezen niets te verwijten hebben, maar medewerken om de studie onzer moedertaal te doen zijn wat ze behoort te wezen: Studie van de levende taal, niet, memoriseeren van een grammatica; dat de examinatoren door hunne wijze van vragen er den nadruk op leggen, dat er meer gelezen, beter gelezen, hardop gelezen, meer en beter gestudeerd ,minder gegrammatiseerd moet worden Littera cspreekt van: “Vaardigheid om zich juist en gemakkelijk uit te drukken”, zoowel mondeling als schriftelijk Een billijke eisch! Immers bij elk onderwijs is het noodzakelijk, dat de onderwijzende zijne gedachten nauwkeurig en gemakkelijk kan mededeelen: onduidelijkheid en moeielijkheid van uitdrukking dooden alle belangstelling bij de leerlingen, bevorderen de onoplettendheid en maken het onderricht vruchteloos En van een aanstaand hoofdonderwijzer is het, dunkt mij, niet te veel gevergd, dat hij zijne moedertaal te zijner beschikking heeft, wanneer hij zijne gedachten over het een of ander onderwerp aan het papier moet toevertrouwen Waarom wij een of ander Taal en Letteren Jaargang 11 25 onderstrepen? Wel, het gros der onderwijzers schijnt te meenen, dat leesbaar Nederlandsch een soort gekleede jas is, die zij even moeten aantrekken, als op den examendisch een taalkundig gerecht wordt opgediend, doch die zij heel goed uit kunnen laten, wanneer er een schotel paedagogie opgedischt wordt Ziedaar het gevolg van verkeerde richting en slechte methode; het grammaticablokken gaat buiten hart en ziel om, heeft met de praktijk der taal zoo goed als niets te maken en belemmert eerder de gemakkelijke uitdrukking van gedachten dan ze te bevorderen Te verwonderen valt het dan ook niet, dat we in de meer genoemde “Verslagen” lezen, bl 4: “Erger was het evenwel, dat velen onzin neerschreven en allerlei grove stijlfouten maakten, die duidelijk aantoonden, dat ze te weinig of niet goed hadden gelezen en niet voldoende geoefend waren in het schriftelijk uitdrukken hunner gedachten;” bl 15: Een vrij groot aantal opstellen moesten onvoldoende worden genoemd, òf ten gevolge van het gebrekkige van taal en stijl, òf om het weinig belangrijke van den inhoud;’ bl 24: ‘Het schriftelijk werk van vele candidaten leverde het bewijs van eene zekere onbeholpenheid in het uitdrukken der gedachten Het zinsverband en de woordenkeus liet dikwijls veel te wenschen over Veler werk werd bovendien ontsierd door grove fouten tegen buiging en spelling’ en bl 29 en 32: ‘Velen drukten zich zeer onbeholpen en kinderachtig uit’; ‘veelal was de inhoud zeer sober, dikwijls hoogst verward, en niet zelden ontsierden grove taal en stijlfouten het opstel’ Deze laatste aanhaling slaat op opstellen over een paedagogisch onderwerp Het spreekt van zelf, dat de verkeerde methode van studie zich ook hier openbaart evenals bij het Nederlandsch en onder de zelfde verschijnselen: uit de meeste opstellen die de candidaten inleverden bleek duidelijk, dat men in plaats van gestudeerd ,gememoriseerd had; men had een paedagogie niet paedagogie bestudeerd, de regels nauwkeurig in het geheugen geprent, niet verwerkt; men kon ze wel netjes reproduceeren, doch niet in toepassing brengen Vatten we nu beknopt samen, wat we hierboven uiteengezet hebben, dan komen we tot de slotsom, dat de onvoldoende en gebrekkige kennis van de Nederlandsche taal bij de candidaten voor de hoofdakte toe te schrijven is: 1oaan de verkeerde richting, waarin deze studie gestuurd is ten gevolge van de redactie van het desbetreffende programartikel; 2oaan de verkeerde methode van studeeren, een gevolg van 3ogebrek aan goede leiding Laten we nu eens nagaan, hoe het met littera b, de Nederlandsche letterkunde, staat (Wordt vervolgd ) DRSSH Taal en Letteren Jaargang 11 26 Over Scott's invloed Dat die in Schotland overwegend was, zagen wij reeds Engeland veroverde hij met Ivanhoe ,Frankrijk met Quentin Durward Duitschland had onmiddellijk zijne verdiensten gewaardeerd; mogen wij Hauff gelooven die zelf hem met Lichtenstein de hulde eener navolging bracht dan bestonden er fabrieken, om hem te vertalen Zoodra een nieuwe roman verscheen, werd hij in stukken gesneden en kregen verschillende personen een fragment ter overzetting Wie eenige rijmvaardigheid bezat, vertolkte de motto's, en zoo kon enkele dagen, nadat het boek in Schotland was uitgekomen, de vertaling volgen Dat die stijl en waardeloos was, behoeft geen betoog Groot is het aantal kunstenaars, wier werken sporen vertoonen van Scott's invloed Victor Hugo, Prosper Mérimée, Thierry, Balzac, De Vigny, De la Motte Fouqué, Tieck, Bulwer, Motley, Prescott, Manzoni, BosboomToussaint, Van Lennep erken, dat weinig schrijvers zulk een schitterenden staf om zich hebben vereenigd En die invloed moge verminderd zijn na meer dan eene halve eeuw, uitgestorven is hij niet Het vóór enkele jaren verschenen werk van Georg Ebers: Barbara Blomberg ,bewijst het; men beoordeelt dezen roman zeer welwillend, indien men hem een pendant van een der WaverleyNovels noemt In een zijner laatste brieven aan Mevrouw BosboomToussaint schreef BuskenHuet: ‘Hetgeen U van het lezen in Walter Scott verhaalt heeft mij zeer getroffen Het is eigenaardig hoe levend Scott voor de Franschen gebleven is; zoodat de voorname firma Firmin Didot hem nu opnieuw is gaan uitgeven Ik zou bijna durven beweren dat de Engelschen zelf tegenwoordig Scott minder ijverig lezen dan de Franschen Opgewekt door uw voorbeeld, ga ik hem bij gelegenheid óók herlezen’ WJ Kü HLER ,De Tijdsp ,Des 1900 Historiese Liederen Over de Franse historiese liederen van de vijftiende eeuw: ‘Er zijn paradeverzen onder, stukken waarin rederijkers met moeite en vlijt kunst hebben trachten te geven; maar er komen ook soldatenliedjes bij voor, dingetjes met entrain in marschmaat gesteld, niet altoos heel duidelijk, maar met treffende trekken Dat populaire dient wel van het kunstmatige gescheiden te worden En tusschen de rederijkerskunst en het volkslied in zijn er overgangen op te merken: verzen die den toon van het populaire zoeken, maar er noch net even buiten staan; en verzen die zich in vorm bij het beschaafde kunstwerk aansluiten, maar wier inspiratie eerder populair is’ BYVANCK ,Publieke Opinie bij 'teinde der Middeleeuwen, Gids 1899, Des 350 Taal en Letteren Jaargang 11 27 Iets over Jacques Perk en de grotsonnetten uit de ‘Mathilde’ Het is 'en heuchelik verschijnsel dat er van onze jonge dichter Jacques Perk zoveel werk gemaakt wordt: eerst de kleine uitgave met voorrede van Vosmaer en Kloos, door deze beiden bewerkt, tot overdrijvens toe 1);toen de prachtuitgave bij van Looy met de sierlike illustraties van Nieuwenhuis en nu weer 'en goedkopere die z'n gedichten dus in de handen van velen kunnen brengen En dat noem ik heuchlik, omdat er uit de hele loop van de ‘Mathilde’ zo'n echt menselike mens voor onze ogen oprijst, 'en mens met al z'n zwakheden en strijd, maar tevens 'en sterke, die in z'n strijd niet omkomt, maar alle zwakheden weet te overwinnen en tot kalmte te komen Iedereen is nu in staat om zich aan de hand van Vosmaer 'en beeld van die levenslustige jongeman te scheppen en aan die van Kloos de gang van de hele ‘Mathilde’ nategaan Laat mij als terloops het beeld van Perk aanvullen uit zijn later uitgegeven gedichten 2) Het zal maar aanvullen zijn, want van geen van onze moderne schrijvers zijn wij dadelik bij de uitgave zo goed op de hoogte gebracht zowel van de uiterlike omstandigheden als van het denken Als ik daar tegenover het wazige beeld zie, dat Hél Swarth van zich zelf laat zien door 'en volkomen haat tegen alle historiese biezonderheden en volkomen chronologiese dooreen warring van haar denken in gedichten, waardoor wij alleen bij benadering de gang in haar ontwikkeling kunnen nagaan; als ik met vragende ogen voor me zie staan het omsluierde beeld van de grootste Nederlandse dichteres van onze tijd, dan prijs ik me dubbel gelukkig, dat ik in het denken van Jacques Perk mag grasduinen, dat ik daarin realiteit en ‘verbeelding van de werkelikheid’ naast elkaar zie staan, elkaar aanvullend En gelukkig noch bovendien, 1) Ze zijn er nl inaan 'temenderen geweest en wij weten dus niet inhoever alles eigen werk isvan Perk Ze hebben hem opgepoetst 2) Zie NG 1894 Taal en Letteren Jaargang 11 28 dat Kloos in de Nieuwe Gids indertijd plaatste wat hij van Perk had Er kwam daardoor te meer relief in het leven van die jonge man met ‘het welbesneden gelaat in oogen en mond vol beweeglijkheid en uitdrukking, de dikke blonde haarbos golvend om het hoofd, met levensvol en luimig woord, vurig bezield voor zijne kunst en met al den overmoed eener welig opwellende gave van uiting’ Op de dichter en de mens was in het werk van Kloos en Vosmaer wel voldoende licht gevallen, maar op de verliefdheid, op de oorsprong van de ‘Mathilde’ krijgt men pas 'en kijk door de later afgedrukte verzen Gedurende z'n verblijf in het mooie grottenland, Luxemburg, leert hij de famielie de Reul kennen Meneer X de Reul is geoloog en letterkundige en heeft 'en dochter Mathilde De jonge man van 20 jaar wordt op haar verliefd; ze dwalen daar samen rond; hij zingt haar toe zijn ‘Liedje voor Mathilde’: Uit den hoogen hemel daalt Zachte, zoele zomernacht, 'tLandschap door de maan bestraald Glanst van vrede en zomerpracht Op Laroches bouwval blinkend Ligt een hemel uitgespreid Van het licht der maan, die zinkend Beeld isder droefgeestigheid Zoo, Mathilde, zijt ook gij, Mijmerzieke zomernacht! Als Laroche schijnt gij mij Even lieflijk, schoon en zacht De vader ziet dat bijeenzijn met genoegen en ook zij is hem wel genegen, want als hij toch heengegaan is, schrijft zij hem 'en gedicht dat hij uit het Frans vertaalde en ‘Aandenken ’noemde Het begint aldus: Vaarwel! de zomer vliedt; wij zien den winter komen Vaarwel! geheel een week isals één dag vergaan De toekomst zal uw beeld mij weven door mijn droomen: Ach bleef het mijn voor ubestaan! Waarom ze dan maar niet bij elkaar gebleven zijn? Het antwoord geeft het eerste boek van de Mathilde en wel in het laatste gedeelte er van De 4eerste sonnetten zijn de Inleiding, en ver Taal en Letteren Jaargang 11 29 moedelik pas geschreven toen hij inzag dat z'n liefdesgeschiedenis als één geheel te zamen hoorde Van daar ook dat hij toen de 4gelijksoortige sonnetten aan het slot dichtte 1) Dan met het 5de sonnet met de Eerste aanblik begint de liefdeshistorie, die in de sympatiekste beeldjes ons voor de ogen wordt geplaatst tot dat er met het 12 de sonnet, Madonna getieteld, 'en verandering in z'n zielstoestand begint te komen Begint noch maar, want haar wijzen op de Moedermaagd heeft nu alleen ten gevolge dat hij haarzelve z'n Madonna noemt En z'n verliefdheid klimt in 'tvolgende, Ochtendbede ,tot aanbidding Weer komt echter iets anders bij hem op als hij ziet hoe zij sluimert (XIV), nl dat zij sterfelik is en hij zich mischien later beklagen zal zich aan 'en sterflik wezen te hebben verbonden Ook die stemming wijkt weer maar de eerste komt weer terug, al is de uiting er van dan ook niet opgenomen in de liederkrans 2)en alleen in verzachte vorm daarin te vinden (Belijdenis XVI) In het weggelatene zegt hij: Wat werd ikzonderling op eens te moede Toen gij mij, lieve, vleiend had gevraagd, ‘Aanbid, met mij vereend, de Moedermaagd, En neem mijn godsdienst aan; het iseen goede Ik zal haar bidden, dat zij ubehoede: Dat mijn geloof ook in uw harte daagt; Geloof als ik, het ongeloof verlaagt En 'khoop dat uw gemoed nog vroomheid voede!’ In het wèl opgenomene zegt zij in hun gesprek: als je Jezus niet dankt voor wat hij voor ons gedaan heeft, dan ben je niet goed Maar het slot is dit: hij gaat heen en zegt: Gelooven, bidden isMathilde's plicht Hij zelf maar daar spreekt hij niet over Er is echter noch 'en andere reden tot scheiding: Ik leef in uen denk en doe als gij, Ik ga mijzelf, zooals iknu ben, haten Tot dweeper tot een jonkvrouw maakt gij mij! 1) Aan de sonnetten (Ien LXXII); Sanctissima Virgo en Δεινὴ θεός (II en LXXI) Aan Mathilde (III en LXX); Aan Erato en Kalliope (IV en LXIX) 2) NGtap p352 en 353 Taal en Letteren Jaargang 11 30 Ook voelt hij in zich, naast de liefde, eindeloosheid, de eeuwige roem van de dichter, die hem genoeg is, en dat alles te zaam brengt hem tot de Scheiding (XVIII) ‘Au fond de l'humble et triste auberge’ namen zij afscheid in bijzijn van de vader ‘La douce vierge’, la plus parfaite fille, l'Incarnation de tout ce qui est bel et bien, Ange de pitié, dans le malheur tranquille, Puisque le coeur d'un Dieu est beau comme le sien zoals hij schrijft in 'en frans gedicht aan haar vader van Diekirch uit; zij wordt door hem verlaten, al valt de scheiding zwaar, al moet hij bij 'tvertrek noch vaak omzien Nu komt de reactie in het tweede boek van de Mathilde, zijn wil heeft hem gedwongen van haar heen te gaan, maar nu na de scheiding, voelt hij pas, hoe diep hem de liefde zat, hoe hij lijdt aan de wonde van het uitrukken Hij ziet bloemen en denkt aan die welke hij haar eens gegeven heeft; deze plukt hij maar niet: haar kan hij ze toch niet schenken (XIX) De maan verrijst (XX), De stilte bidt Een tempel isnatuur En de aard voelt zich met vrede als overgieten; hij denkt aan die avond, toen hij haar het eerst zag; en in z'n Mijmering (XXI) staat zij weer voor hem, zij die hem alles ‘warm en licht’ deed zien, wat vroeger ‘dof en koud’ was En hij eindigt zelfs met: Ik zei vaarwel: ikzal haar wederzien En dat vaarwel, toen zij Gescheiden (XXII) werden, het leeft weer voor hem op, hij ziet het hutje waarin zij van een gingen, de laatste kus geniet hij weer, maar sedert is het dood om hem heen; hij ziet vreemden om zich, maar Mathilde niet, en nu meent hij dat in eenzaamheid rond te dolen hem gelukkig maakt; dat hij zich dus aan z'n smart moet overgeven en van deze smart de dichtertolk moet zijn Maar nu volgen geen zoete smartzangen, als men verwachten zou of sombere doodsgedachten, maar integendeel in 7sonnetten 'en tocht door de grot van Han of 'en andere Welk verband is er nu tussen deze en de vorige? Willem Kloos zegt er van: ‘De roes van zijn geestestrots en kortstondige mannekracht vervloog, terwijl het geluk, waaraan hij zich gewend had, hem door de vingers is weggewolkt Nu pakt de smart zich dichter en dichter om zijn hoofd te zaam Hij buigt, en hem Taal en Letteren Jaargang 11 31 doorsnijdt, wat Aeneas moet gevoeld hebben, toen hij Karthago's strand achter zich latend, den gloed van Dido's doodsvlammen zag liggen op de morgenlucht De zeven grotsonnetten verzinnelijken dezen geestestoestand Ook hij, als gene, de dienaar van een noodlot, maar dat uit eigen boezem sprak, heeft zijn hellevaart te volbrengen, eer het beloofde land hem ten deele vallen kan Met huivering en lust tegelijk aanvaardt hij den tocht, met de huivering voor het onbekende, met den lust van wie in de diepte zijner smart zelve naar verloren genieting grijpt Zelfkastijdend vermeit hij zich in de verschrikkingen om hem heen, en zijn fantasie houdt ze vast en verlicht ze, of spint ze met wreede behaaglijkheid uit Wel daagt Mathilde's beeld en wenkt (XXV), maar verdwijnen moet het weder in de duisternis, waaraan zijn ziel zich zat wil drinken Tot dat hem eindelijk op het toppunt der ontzetting, de onvermijdelijke terugwerking slaat en zijn geschokt gemoed naar kalmere beschouwing keert Hij deinst terug, nu hij blikt in de vernietiging, waarin hij dreigde te storten, en gelouterd erkent hij: “Gij, rijk der tranen, waar de dood slechts lacht, Baart schrik en niet der schoonheid huivrend schroomen!” Weer rijst voor zijn geest de herinnering aan zijn vroegere ellende, voor dat Mathilde hem met hare liefde had begenadigd daar daagt de verlossing, en juichend begroet hij den dag en het leven, wier waarde hij nu eerst heeft leeren kennen en verstaan’ Of, 'en beetje reëler en minder wazig: de dichter heeft voor z'n eigen smart de genezing willen zoeken in afleiding, in het denken aan heel andere dingen dan liefdesmart Zijn natuur was daarvoor te krachtig en hij ging 'en tochtje maken bv door de grot van Han en zich expres uit z'n weke omgeving en dromen verplaatsen in die sombere wereld Het begin is dan 'en succes voor z'n pogen, want bij de Intrede (XXIII), wanneer hij de grot binnengaat, vergeet hij haar werkelik Hij is geheel vervuld van wat hij ziet en de dweper met Vergilius en Dante moet wel gaan denken aan hun beider Hellevaart Maar dat verhinderde hem niet biezonder scherp waar te nemen en, juist wie zelf ook die tocht gemaakt heeft, staat getroffen door de juiste waarneming en het precieze weergeven van de gewaarwordingen die men heeft, van de omgeving, van de hele fantastiese tocht Alleen de meesten krijgen niet zulke scherpe indrukken, omdat ze gedeeltelik uitgewist worden door het gezelschap waarmee men gewoonlik zo'n tocht onderneemt Daar zijn altijd wel een Taal en Letteren Jaargang 11 32 of twee grappemakers bij, die rare geluiden gaan maken, die geestigheden zeggen en het genot van het griezelig mooie bederven Hij wist z'n gewaarwordingen zuiver te houden, of ze later te zuiveren van het bijkomstige Luister maar: het begin en slot van Intrede luiden Steil rijst de rots, en braam en stekelwisch Die hatende aan heur breede flank zich kleefden, Behoeden daar een poel van duisternis, Waarom ze een doornenkrans van weedom weefden Met zijn voorliefde voor de figuur έν δια δυοιν (voorrede 2edr blz 4) zal hij in de eerste regel bedoeld hebben met en braam en stekelwisch de stekeltakken van de braam en dan heeft hij niet alleen goed gezien, maar dit gezicht heeft hem blijkbaar in de vereiste stemming gebracht voor de poel van duisternis omgeven door een doornenkrans van weedom 'tIs of die opgespalkte wolvekaken Die zwelgen willen al wat lieft en leeft, Den dood met vunzig killen adem braken Werkelik heeft zo'n grotopening veel van de geopende muil van 'en monster en vunzigkil is de atmosfeer die er uit komt, de zomer buiten te gemoet Hij gaat en nergens iswat lichtgloed geeft Hoe moet men nu deze regel opvatten? Als 'en dichterlike overdrijving? Hij zal toch wel niet die tocht in donker gemaakt hebben! Maar hoe dan? Me dunkt: hij is in overmoed vooruit gelopen even en heeft zich toen goed in dat duistere voor hem ingedacht Zo zelfs dat hij even vergat het licht dat met hem mee zou gaan, of hij heeft dit later bij 'tschrijven weggedacht De tocht begint, maar alleen de oppervlakkige zou nu de dichter kapittelen over slecht waarnemen, omdat hij zelf alles zo heel anders verlicht zag In de grot van Han zijn de grote gewelven zelfs met electries zoeklicht na te sporen tot in de uiterste schuilhoeken; het fantastiese van de roodwalmende, knappende harsfakkel is vervangen door het sprookjesachtig verschijnende, geluidloze witte licht van onze tijd, dat even geheimzinnig weer verdwijnt, 'en lichtstraal van het menselik genie tot in het diepste aardrijk geworpen Hij maakte de tocht met fakkels mee en op 'en bepaalde plaats moest men dan in duister wachten tot de gids ergens in de hoogte met z'n kwalmfakkel kwam Die duisternis beschrijft hij in Nedervaart (XXIV) Taal en Letteren Jaargang 11 33 hier, waar men geen blik kan slaan Op iets dat is, en blindheid isgesproten Uit zwarten nacht, waar men zich voelt bestaan En niet, en vingers tegen steen laat stooten De voet, die volgt, staat hooger dan die treedt En de onbezielde stilte wijkt ter zijde, Terwijl ik, of hier wanden zijn, niet weet; De zool, die zinkt en zuigt, baart, waar ikglijde, Een doffen smak, en angstig, klam van zweet, Is daar een koude wand, dien 'ktastend mijde Gevaarlik genoeg, nu in het donker niet stil te staan, glibberig is 'ter door slechte afwatering van de afdroppelende wateren Eigenaardig genoeg noemt hij de natte koude wand ‘angstig, klam van zweet;’ werkelik heeft die rots dat kille van het koude angstzweet Maar nu komt de man met z'n fakkel Fakkelglans (XXV) Langs steenen bochten Komt uit de verre diepte een licht gevlogen De fakkel walmt hoog op met rood licht: Al wilder wordt de vlam: in gloênde bogen Golft bloedig licht door 'tgapend hol der krochten Nu trilt mijn schaduw langs de grauwe wanden, Nu sjirpt de heesche nacht daar in den hoogen 1)), Waar 'tgrimmelt aan des helschen hemels randen, Van wie daar fladdrend kleven aan de togen En te midden van dit hels visioen expres is in 'tonbestemde gebleven wàt daar grimmelt doet hem het licht terugdenken aan z'n Mathilde, aan ‘geluk en liefde’ De tocht gaat verder; de Lesse, die bij Belvaux zich als 'en dolle vloed halsoverkop naar beneden stort onder 'en hoog kalksteengewelf, dat hem verslindt; hier onder de grond stroomt hij door als de Grotstroom (XXVI), onder grote gewelven, waarvan Perk tegelijk precies en dichterlik zegt: 1) Hierbij moet ikde opmerking maken dat inde grot van Han geen vleermuizen worden aangetroffen behalve bij de uitgangen Mischien indie van Rochefort wel, die ken ikniet Het doet er overigens weinig toe, waar het waargenomen is, als men 'tzich maar voorstellen kan Taal en Letteren Jaargang 11 34 Het breed gewelf, door rossen gloed beschenen, Is ruig van stugge pegels, grauw en goor, Die weenen ,weenen ,duizend eeuwen door En tot het eind van duizend eeuwen weenen; En 'tkromt zich over warrelrotsen henen, Waar elke traan, die viel, een traan verkoor, Om tot albast te worden en ten schoor Van nieuwe smart, die kegels wordt en steenen: Ik kan niet zeggen hoe mooi ik die twee onderstreepte regels vind; de herhaling, de ee klank, alles werkt samen om de stemming weer te geven die de schrijver gevoeld heeft En menig grotgewelf zie ik weer voor me, ook dit met de geheimzinnige grotstroom, zwartglad voortklotsend, kabbelend, dat Perk 'en geketende reus deed vermoeden ergens: ‘Uit diepte en afgrond stijgt een eindloos ‘ach!’ Spookachtig wordt hem De holle berg (XXVII) Nu ziet hij in het gewelf boven zich 'en reus: Op een dennenwoud van rotsen, Wier top mijn langste schaduw niet genaakt, Is 'tof een sombre reus zijn hol bewaakt, En, wat zich roert, dreigt met granieten knotsen Gruwelik wordt hem dit onderaardse verblijf: Alleen de stilte en dood; de hartstoorts kraakt; De voet doet kei op kei in de' afgrond klotsen 'En ‘leeuwenmuil’ ziet hij ‘oneindig opgesperd’ en Koude huivert mij door 'tmerg 1)) zegt hij ten slotte, als hij Mathilde weer aanroept, z'n herinnering aan liefde en zon, z'n zonne zelf 1) De laatste regel luidt inde ‘Mathilde’, zoals Kloos die ‘uit de drie aanwezige bundels heeft vastgesteld’: En 'kvoel een diepe duizling me onderdelven Perk zelf gaf er 'en andere lezing van in'tlicht, die ikwel zo mooi vind: En 'kvoel een duizling mij een afgrond delven Deze opvatting iswat eenvoudiger, reëler dan de andere, dunkt me Taal en Letteren Jaargang 11 35 Met dat al bevatten de tot nu toe genoemde 5sonnetten niets, dat ze strikt noodzakelik 'en plaats doet innemen in de Mathildecyclus Ja, ze staan er in, maar de herinneringen aan Mathilde, die er in voorkomen, konden ook best gekomen zijn in de volheid van z'n geluk De tegenstelling tussen z'n geluk boven de aarde en de somberheid daar beneden zou er des te groter door geweest zijn Doch het 6esonnet, het laatste dat zonder enig spoor van daglicht is, waaruit dus het grootste verlangen naar dat licht moet spreken, het vertelt van 'tzielsverlangen uit Het rijk der tranen (XXVIII) te komen en nu ook wordt de symboliek duidelik Ook hij is, doordat hij berouw heeft over z'n gauw genomen besluit, in 'en tranenrijk gekomen, z'n smart, waarin alle bezieling hem zou gaan ontbreken O rijk der tranen, zegt hij: Leen ikmijn ziel aan uen leef uw leven Ik ben ontzield: gij hebt mij stug en wreed Op mij terug en dus tot haat 1))gedreven Mathilde! Ubelijde ik, hoe ikleed: Ik haatte, omdat ikliefde niet kon geven, En wilde minnen, daar ikdichter heet! Bij deze laatste 6regels rijzen nu enige bedenkingen bij mij op Kloos zegt er van in zijn voorrede: ‘Weer rijst voor zijn geest de herinnering aan zijn vroegere ellende, voordat Mathilde hem met hare liefde had begenadigd’ En deze was, zegt Vosmaer, ‘met al de aspiraties van zijn hart vertrouwd De wisseling van gedachten en gevoelens uitte zich tusschen hen in tal van sonnetten en zoo is Kloos de meest gewenschte interpretator der Mathildezangen’; maar Kloos zelf hoopt op 'en krietiek ‘die met liefde en inspanning opnemend, de kunstwerken allereerst uit zichzelven te verklaren zoekt’ en omdat ik zelf veel neiging tot zulk 'en krietiek heb, ben ik zo vrij met Kloos te verschillen in de uitleg van de genoemde 2terzinen Mij dunkt: het is niet de ellende van vóórdat Mathilde hem verschenen was en hem liefde gaf, maar juist die van ná zijn afscheid van haar; zijn smart heeft hem geheel aan z'n eigenik doen denken ‘en dus tot haat gedreven’ Haat? Tegen wie? Tegen Mathilde? Omdat zij hem het heerlikste, wat er te genieten valt, de liefde, te vergeefs en tot zijn eigen verdriet had laten gevoelen? Tegen al het bestaande buiten zijn eigen ikheid? In 1) Ikcursiveer Taal en Letteren Jaargang 11 36 het eerste geval is de betekenis der slotregels deze: ‘Nu belijd ik jou Mathilde, wat ik leed na onze scheiding Ik haatte je zelfs, omdat ik niet in staat was jou m'n liefde langer te blijven geven en toch wou ik van iemand houden, omdat dat de dichter in mij tot nieuwe gloed zou brengen’ En in 'tandere geval zegt hij dat hij tegen de hele wereld haat koesterde, omdat hij aan Mathilde geen liefde meer geven kon, waaronder hij die als dichter zich het minnen als 'thoogste geluk voorstelde natuurlik leed Voor beide opvattingen valt wel iets te zeggen, maar in elk geval moet de ellende hierin geschilderd die zijn nà hun scheiding Anders toch had de schrijver wel gezegd: Mathilde! Ubeleed ik, hoe ikleed Dan toch had hij het haar wel gezegd en zouden we hier alleen maar meer de herinnering aan die vroegere bekentenis terugvinden; maar hij zegt het nu voor 't eerst, van daar dus: ik belijde 1)) Maar nu ook verlaat hij het rijk der tranen; hij komt ook uit z'n smartgrot te voorschijn, maar al weer, als we het vorige sonnet niet hadden, hier is de symboliek bijna geheel en al schuil gegaan achter de reële beschrijving van het einde van de tocht Ten slotte van m'n bespreking mag ik dit biezonder realisties behandelde tafereeltje wel in z'n geheel aanhalen, als 'en bewijs van de fijne opmerkingsgave van de schrijver Dag En over 'twak van pek, dat schijnt te schragen Het hol gewelf, waar langs een doodendans Van fakkelglansen spookt, voel ikmij dragen Door wagglend hout 'tlicht dooft 'tisduister thans Nu drijft de kiel, waar een albasten trans Zóó rijst, als zinkt het diep der waterlagen, En uit de verte lokt een maanlichtglans, Een troost van medelij voor wie vertsagen: 1) Mooglik, maar niet waarschijnlik dunkt me, is, dat inde laatste regel en wilde minnen ook noch afhangt van omdat; dat de schrijver dus gezegd heeft: ‘Ik haatte jou (en de hele wereld?) omdat ikm'n liefde jeniet kon geven en toch liefde geven moet, want ikheet immers dichter’ Me dunkt, dan had de schrijver, wat zonder enig bezwaar van metriese aard wel kon, geschreven: en minnen wilde Maar mijn opvatting bewijst niets natuurlik Ikvrees echter, dat deze 2terzinen door de uitgevers bewerkt zijn en blijf verlangend uitzien naar 'toorspronkelik handschrift Taal en Letteren Jaargang 11 37 Een kreet van levenslust dringt uit het hart, En duizendwerf, tot in het hart der aarde, Weergalmt hij door het doodenrijk der smart Daar ishet licht, het leven, liefde en lust, 'tIs of ik'talles nooit voorheen ontwaarde, De traan wordt lach en de onrust zoete rust Dat voelt iedereen, die die onderaardse tocht wel eens meemaakte, als het toverachtig slottafreel gekomen is en de lampen (fakkels) worden gedoofd, terwijl men zelf 'en nat koud gevoel over zich gekregen heeft gedurende de twee uur, dat men onder de kille gewelven rondwandelt, en behoefte heeft aan zon en warmte 'En paar riemslagen en de grote platte schuit drijft stillekes voort naar het blauwachtige, lichter en zonniger wordende licht, dat men eindelik onder 'thoge gewelf door over 'tlandschap ziet uitgestort als 'en vloed van geluk Je denkt als Perk: 'tIs of ik'talles nooit voorheen ontwaarde, Maar datgene wat hij aan 'tslot schrijft, lijkt mij eerder aan het symbolieke rijk der tranen, aan zijn smartrijk dat hij verlaat ontleend, dan aan de ondergrondse tocht, waarbij toch geen tranen te pas komen of het moesten de aardse druipsteentranen zijn en dat zijn de bedoelden niet Zo is dan het resultaat van deze tocht tweeledig voor hem geweest: hij heeft z'n smart overwonnen en weer lust in het leven gekregen en dan, hij heeft er 'en beschrijving van gegeven, die voor 'en ander die die tocht ook maakte de bewijzen zijn van de grote gave van deze schrijver om z'n stemmingen en fantazieën vast te leggen in het beeldende woord Waarlik, van z'n beeldkracht zijn in de bundel ‘Gedichten’ noch wel meer bewijzen te vinden, maar nergens kan men zo nauwkeurig nagaan of de dichter wel goed gezien heeft als hier Ook is de gang in dit gedeelte van de ‘Mathilde’ cyclus het duidelikst en blijkt hieruit het best het streven van de schrijver om zijn ‘Mathilde’ te plaatsen naast Dante's ‘Beatrice’ Zij blijft hem sedert 'en ideaal, de werkelikheid, waardoor hij 'en tijd gekweld werd, verwaast en wordt bekoorlik; van zijn terugkomst uit de grot gaat hij toch niet tot haar terug, al was haar gestalte hem ook noch zo liefelik verschenen De verleiding van het warmbloedige, zonnige, jonge leven ontkomt hij, om eindelik na veel op en neergaan van stemmingen te komen tot het land van hoge rust, waarheen de verheerlikte ‘Mathilde’, de hoge Godin hem geleid heeft Maar in die golving van stemmingen is niet altijd het verband te vinden Taal en Letteren Jaargang 11 38 zoals in het eerste gedeelte van de ‘Mathilde’; vaak zijn het opzichzelfstaande stemmingbeeldjes, die ook wel anders geplaatst konden zijn Mocht het voorgaande strekken om het kleine keurige bundeltje verzen van de jong gestorven dichter, dat alweer begraven ligt onder zoveel nieuwere litteratuur, door deze en gene eens weer met liefde ter hand te doen nemen! Haarlem JB SCHEPERS Auteur en Publiek Niet naar zichzelven luisterde Scott in de eerste plaats: de bewijzen zijn er, dat hij zich meermalen afvroeg: hoe zal ik den besten indruk op mijne lezers maken? En wanneer zijn eigen inzicht streed met dat van vrienden en raadslieden, was hij niet altijd getrouw aan de inspraak van zijn kunstenaarshart Het publiek te behagen, stelde hij in vele gevallen hooger Eene fout, die mede de oorzaak van zijne rampen is geweest WJ Kü HLER ,De Tijdsp ,Des 1900 Het woordzelf The ‘pronunciation’ is the actual living form or forms of aword, that is, the word itself , of which the current spelling is only asymbolization generally, indeed, only the traditionallypreserved symbolization of an earlier form, sometimes imperfect to begin wtih, still oftener corrupted in its passage to our time This living form is the latest fact in the formhistory of the word, the startingpoint of all investigations into its previous history, the only fact in its formhistory to which the lexicographer can personally witness For all his statements as to its previous history are only reproductions of the evidence of former witnesses, or deductions drawn from earlier modes of symbolizing the forms of the word then current, checked and regulated by the ascertained laws and principles of phonology To register the current ‘pronunciation’ is therefore essential, in adictionary which deals with the language on historical principles MURRAY 'SDictionary, General Explanations ,XIV Taal en Letteren Jaargang 11 39 Kleinigheden 1) I Het noodlot zit geknield voor uwe voeten En leest in 'theilig boek uw onweêrstaanb're wil; Maar, als uw oogen het ontmoeten, Verandert alles of staat stil Men kent dit koeplet van Van Haren, Het Menschelijk Leven De regels op zichzelf zijn duidelik; alleen stoten velen zich aan dat ‘verandert en staat stil’ Als iets stil gaat staan, zeggen ze, verandert het ook! Dus deugt de combinatie niet Maar uit het verband blijkt dat Van Haren in ‘veranderen’ voelt het plotseling ongeleidelik zich wijzigen ,en dit tegenstelt aan: stilstaan; terwijl anders, zo God niet ingrijpt, het heelal voortdurend naar 'teertijd opgetekend Goddelik raadsbesluit, zich geleidelik voort ontwikkelt (ontwikkelt? wel juist?) II De oude heer Smits, welbekend, schrijft 'tvolgende in een schetsje, waarin hij de wouldbegenoegens hekelt van een jager die wijzer deed thuis te blijven, dan aan de ‘mode’ meetedoen ‘Op eens maken eenige der jagers halt; de anderen sluiten zich aan; men vormt een dichten kring, in welks midden de onwrikbare staat op den grond te staren Wij vestigen allen onze blikken op dezelfde plek, en een twaalftal deftige mannen staan, met de meeste belangstelling en met den grootsten ernst, met de neuzen gebogen over het zeker bewijs, dat een vos onlangs daar is voorbijgegaan’ Velen is niet duidelik wat hier heel ‘netjes’ aangeduid wordt; de meesten lezen er mischien zelfs over heen, en begrijpen niet wat voor eigenaardige tegenstelling er is tussen die ‘deftige heren, met de meeste belangstelling, en met de grootste ernst, en het zeker bewijs’ 1) Onze medewerker heeft het plan meer zulke kleinigheden tepubliceren uit stukken die veel gelezen worden; en meestal ook op de eksamens worden behandeld Mochten andere lezers van ons tijdschrift hem daarin willen helpen, zo neemt de Red gaarne ook deze bijdragen aan, Red Taal en Letteren Jaargang 11 40 III Een van de meest karakteristieke stukken van Potgieter is Jan, Jannetje en hun jongste kind, dat hij als Nieuwjaarswens aan het Nederlandse volk in '42 gaf, om ze op te wekken tot nieuwe krachtsuiting Veel is er in te vinden dat nog verklaring nodig heeft Om wat is het verband, als Janmaat zucht: ‘De derde streng maakt de kabel’ terwijl hij spreekt met zijn vader over zijn blijven aan land? Ziehier de plaats ‘Al weêr een jaar, dat ik als een landkrap sleet, Vader! wanneer zult ge toch medelijden met mij hebben?’ ‘Jongelief!’ herneemt Jan, ‘als het aan mij alleen hing ’ ‘Dat is een woord vóór het jaar Dertig, Vader! toen heette het: Holland Bolland: Zeeland Geen land: Ik hou het met den heikant!’ ‘Als je wist, Janmaat!’ ‘Ik weet, Vader! dat Moeder altijd plagt te zeggen: Beter op een' ouden wagen in de heide, dan met een nieuw schip op de zee’ ‘Zeg ereis, Janmaat! wil je óók een kopje slemp?’ roept eensklaps een pieperig stemmetje uit den versten hoek des vertreks, en nu wenschte ik ueen denkbeeld te kunnen geven der verslagenheid, waarmede Janmaat voor zich zelven zucht: ‘De derde streng maakt den kabel!’ Wie geeft ook aan, aan wie ‘Holland, Bolland enz’ is ontleend? U F Vraag Waarom zegt men Roodkáppie, Kortjákkie, terwijl men toch anders een kind bv zal noemen Roódrokkie, Blaúwoochie en derg? Vanwaar dit onderscheid in accent? QN Taal en Letteren Jaargang 11 41 Kleine meedelingen over boekwerken Schoolboeken 1 Eenvoudig Taalwerk voor de Lagere School ,door L De Vries, hoofd eener school te 'sGravenhage Ien II PNoordhoff Groningen 1900 Uit 'et Voorbericht: ‘Ondanks den bestaanden rijkdom aan taalwerkjes voor de lagere school, wagen we het, nog met een nieuw te komen We meenen nl, dat er plaats is voor een werkje, waarin alleen datgene is opgenomen, wat voor het zuiver schrijven beslist noodig is te weten: niets meer Deze grondgedachte heeft ons gevoerd tot een zeer belangrijke vereenvoudiging, die, naar we hopen, velen niet onwelkom zal zijn Het onderwijs in het zuiver schrijven toch heeft geen doel in zichzelf; zijn waarde wordt uitsluitend bepaald door den dienst, dien het aan het stellen bewijst; het laatste alleen bepaalt de stof er van’ We gaan alzo vooruit ‘Ten behoeve van de vormverandering worden enkele woordsoorten zelfstandig naamwoord, werkwoord en bijvoeglijk naamwoord en een drietal zindeelen onderwerp, gezegde en bepaling geleerd Van lidwoord, persoonlijk, bezittelijk, aanwijzend en vragend voornaamwoord, voorzetsel spreken we dus niet; en evenzoo laten we het voorwerp vallen In overeenstemming met dit laatste laten we den 3en naamvalsvorm varen en wordt dus de buiging: onz enk :het ;mann ,enkv ,bep : den ;anders altijd de Desgelijks de andere bijvoeglijke woorden op e,terwijl de woorden een ,mijn ,enz onverbogen blijven Het bijvoeglijk naamwoord krijgt een n,waar de die krijgt Hiermee is de geheele verbuiging afgehandeld De schrijfwijze van het voltooid deelwoord is mede zoo elementair mogelijk behandeld De naam deelwoord is weggelaten’ In één opzicht is de schrijver echter aan 'n oude onwaarheid blijven hangen En wel 'n grove onwaarheid Wat is het toch voor 'n bewering, te zeggen: de waarde van 'tzuiver schrijven wordt uitsluitend bepaald door den dienst , Taal en Letteren Jaargang 11 42 dien het aan het stellen bewijst; het laatste alleen bepaalt de stof er van Welke dienst toch! Wat heeft de ‘zuiverheid’ te maken met het ordelik voorstellen van de zaken? Evemin als bij 'n spreker de betekenis van 'tgeen hij te zeggen heeft, wordt geschaad door het verzaken van letters die tot de zin van 'et gebruikte woord niets toe of afdoen, evenmin hindert 'et weglaten van overbodige schrapjes en haaltjes aan de verstaanbare gedachtenuitdrukking op schrift De schrijver beaamt 'et zelf door voortaan eenvoudig een ,mijn ,haar ,enz te laten schrijven, van geen datief meer te reppen, etc Maar juist daarom verwacht men van iemand die veel onnodigs prijs geeft, 'n beter inzicht in de verhouding van woord en teken , en niet meer het aanhangen van banale theorietjes Alzo: Met 'et welgevallen van de datief zullen de leerlingen van de hr De Vries op 't papier voortaan ‘den kippen’ geen eten meer willen geven ‘Den hanen’ ook niet Wel ‘de kippen en de hanen’ Ook wel ‘de kip’ voor ‘der kip’ Maar ze zullen blijven schrijven: ‘ik wil den haan geen eten geven’ 'tEne mag geschreven op 't gehoor af, 'tandere moet geschreven tegen 'toor in Waar blijft nu de logica! Evenzo mogen ze schrijven: ‘breng die pan even naar de keuken, maar blijven ze schrijven: breng dien pot even in den kelder Wat moet, ook bij de schrijver, zulk 'n inkonsekwensie op den duur toch tegenstaan! Ik weet wel, de vormkwestie is tot zeer eenvoudige verhoudingen teruggebracht, en de de en den vraag te hebben herleid tot de eenvoudige keus: òf onderwerp, òf bepaling, doet de schrijver eer aan Maar dit de en den schrijven te verbinden aan het mannelik en vrouwelik zijn van de woorden zal op den duur aanstoot geven, vooral als men om de wille van de aanschouwelikheid, wat mannelik en vrouwelik zijn betekent, z'n toevlucht moet nemen tot oefeningen als deze (96 II): Schrijf de volgende zelfst naamw op en zet er m of een vachter landbouwer, winkelier, naaister, doffer, merrie, verver, houthakker, bedelaarster, leeuwin, hengt, neef, nicht, stier, kapitein, haan, koe, oom, tante, bok, wandelaar, predikant, koningin, zeug, metselaar In zulke oefeningen laat zich een geheele beschavingsrichting veroordelen En, wat de taal als wetenschap zelve betreft, de oefeningen (zie 97) die zich op de gecodicifeerde vormen baséren rusten op 'n valse heuristiek 2 Nederlandsche Taaloefeningen ,door Th Kuijper hoofd eener school te Heerenveen Eerste deeltje (Regels, Feiten en Opgaven) Tweede deeltje (Oefeningen) Tweede dr PNoordhoff Groningen 1900 Taal en Letteren Jaargang 11 43 In 'tVoorbericht staat om: ‘Een groot gedeelte van den inhoud der beide deeltjes dient mi het eigendom te zijn van hen, die tot kweek en normaalscholen worden toegelaten, opdat daar kan begonnen worden met hetgeen men in den regel onder “de Spraakkunst” verstaat Ook bij de voorbereiding voor HBS en Gymnasium zullen de oefeningen belangrijke diensten kunnen bewijzen’ Waarvoor de jongelui van wie deze 68 bladzijden taalregels en deze 108 bladzijden oefeningen in 'tzuiver schrijven ‘het eigendom’ zijn geworden, aan de kweek en normaalscholen noch eens van voren aan met ‘de Spraakkunst’ moeten beginnen, is mij niet recht duidelik Heel de ouwe rompslomp komt er in voor: gebiedende wijs (I, 6), aanvoegende wijs (7), koppelwerkwoorden ,(8) meewerkend en oorzakelijk voorwerp (10 en 11), met hun naamvallenpak, 'n goede dosis geslachtsregels (1619), heel de banale buiging van de pers voornw 1)(2030) bezittelike ,aanwijzende , betrekkelike enz (3136) en spelregels (4247) En dan die massa oefeningen! Ik wil niet zeggen, dat dit schoolboekje, van 'touwe standpunt beschouwd, niet van 'n ernstige opvatting en van 'n degelike uitvoering getuigt Verre van daar! Zie de ‘Vragen en Opgaven’ (5368) in 'tEerste Deeltje, en heb achting voor de zorg waarmee de oefeningen in het Tweede Deeltje, paralel aan de ‘theorie’ zijn samengesteld Maar 'et grote bezwaar is hier, dat al het hersenwerk en al de tijd aan deze lange reeks van op verre na niet gemakkelike opgaven besteed, VERLOREN tijd en moeite is Deze taalboekjes toch raken alleen de schrijfwijze der woorden ‘Zoveel mogelijk (werd) alles vermeden, wat niet op de vormverandering der woorden betrekking heeft’ 2)En nu blijft eenmaal waar dat de kennis van deze toevallige vormveranderingen evenzo min invloed heeft op 'et goed gebruik van de taal zelf, als de kennis van de spieren en hun beweging invloed heeft op iemands manier van dageliks bewegen en de diepste karakterkunde influenceert op iemands gewone doen en laten Maar de heren Kuijper cs lijden aan misvattingen Ze scheiden ‘stof’ en ‘vorm’; beschouwen de ‘stof’ als iets dat, onmachtig en en hulpeloos, zonder gegeven gestalten niet aan den dag kan komen, en geven nu met de grootste ijver en de beste bedoeling hun leerlingen 'n menigte ‘vormen’ aan de hand, opdat die leerlingen, zodra ze genoopt worden hun ‘stof’ aan het licht te brengen, dadelik de ‘vormen’ maar voor 'tgrijpen hebben, waarin ze zich, volgens geheel uitwendige wetten, naar buiten mogen 1) Voorbeelden als: Ontferm umijner! Herinnert ge uzijner nog! Zij trok zich harer aan ziet men hier noch 2) Uit 'tVoorbericht Taal en Letteren Jaargang 11 44 voordoen Dit geldt, de ‘taal in schrift;’ maar juist is 'tdeze ‘taal in schrift,’ die heel de taalopvatting in de war brengt Taal wordt allereeret ‘vorm’, en is niet meer bewustwording in klank ;en als men van taalontwikkeling spreekt, leidt men deze niet terug op de ontwikkeling van het individueël leven, zich openbarende in z'n klanken ,maar zoekt men de leerling thuis te brengen in 'tverstaan en 'tgebruik van de vormen, beelden en vergelijkingen uit de geschreven lieteratuur De gevolgen blijven niet uit De morphologie van de stijlleer en de vormleer omschaalt het eigen leven Zo kon 'tgebeuren dat waar de leerlingen, ook de gevorderde, in deze onjuiste en eenzijdige theorieën worden grootgebracht, ze in de gevallen waarin van hen eigen werk met een eigen wijze van zien verlangd wordt, 'n verregaande onbeholpenheid om op zich zelf te staan, vertonen; en niet vreemd kan 'tons voorkomen, dat de mannen van autorieteit en van invloed die dit taalonderwijs hebben geleid en gegeven, de terugslag van hun vervreemdingsproces laten voelen in de officieële klacht aan de Regering over 'et gehalte van de kandiedaten die zich, gekweekt in hun beginselen, aan 'et oordeel van hun onderzoek hebben onderworpen Nemen we uit 'et Verslag van de Onderwijzerseksamens van de Gelderse Commissie: ‘De geleverde opstellen vertoonden zekere kenmerkende (!) en vrij algemeen voorkomende (!) gebreken’ ‘Zoo misten de meeste(!) kandidaten het besef, dat zij zich hadden te houden aan het door hen gekozen onderwerp en gaven bijvoorbeeld onder het opschrift: “Oost West, Thuis Best” eene ontboezeming te leren over “de huiskamer” of over “het reizen” zoo verdiepten enkelen zich in beschouwingen over de verveling, welke een regenachtige dag pleegt te doen ontstaan, in de meening dan te schrijven over “een buiege dag”, enz Aangaande den bouw en de samenstelling der opstellen moet opgemerkt worden, dat doorgaans hierbij geen spoor was te ontdekken van eene poging om zijne gedachten over het gekozen onderwerp naar een gemaakt plan in logische volgorde te ontnemen’ Enz enz Uit NoordBrabant: ‘Eenige kennis van de beginselen der spraakleer naar de opvatting van het programmma was bij hen wel aanwezig, maar ze was niet verkregen op de goede wijs, di met behoorlijke onderscheiding van hoofd en bijzaken en veel te weinig aan de levende taal getoetst; ze was niet hun eigendom geworden en had niet bijgedragen tot hunne algemeene ontwikkeling Dat kwam vooral uit in het geleverde schriftelijk werk Wanneer dat al niet volstrekt onvoldoende mocht genoemd worden, was het toch vaak (!) zoo onbeduidend en getuigde van zulk eene armzalige benepenheid(!!) van zien en denken, dat men verlegen stond met de waarde, Taal en Letteren Jaargang 11 45 ‘die men er aan zou toekennen’ 1) En wat erkent de Schrijver zelf? Dat men, ondanks jarenlang zuiver schrijven, noch genoodzaakt kan zijn, in Errata ,gemaakte fouten 2)te herroepen Sommige ‘Vragen’ en ‘Oefeningen’ zijn voor de leeftijd, waarvoor ze bestemd zijn, zeer moeielik Vraag 20 wil het onderscheid laten weten tussen Helder roode wijn , Heldere roode wijn en Heldere ,roode wijn Is dat niet te ver gezocht? En wie helpt me aan 'tinvullen van Oef 147: Een groot veldslag werd ge Acht uren lang had d een kolonne na d ander zich op d vijand gew die op d tvan een heuvel gep stond De Junizon d in het Westen z waren de versterkingen voor d hardn verd in 'tgezicht het was n hen door een laatst gew aanval uit hun p te verdrijven of alles was verloren Verderop gaat 'et beter Mischien ook was ik niet terecht; ik lees altans in 't Voorbericht (II): ‘De laatste oefeningen (no140148) behooren slechts gedeeltelijk in dit boekje thuis;’ Zoals ik zei; de tijd, voor deze oefeningen nodig, kan beter besteed voor zelfstandiger werk en voor dingen van praktieser nut 3 De W ereld in! door Jan Ligthart en H Scheepstra, geïllustreerd door W K de Bruin Derde stukje Tweede druk Groningen JB W olters 1900 Dit is weer 'n mooi boekje Men zou er haast stukjes uit overschrijven Alles hoogst eenvoudig en makkelik gezegd, en prettig verteld 'tZal z'n weg wel vinden Als de Schrijvers met hun ‘kinderen’, spelende en lezende, wandelende en luisterende, de ‘Wereld’ zijn door geweest, hopen we op 'twerkje terug te komen Ondertussen, 'tzijn aardige kindertjes JK 1) De Groningse ‘Commissie klaagt ook, maar die heeft 'et gevonden: En eindelijk men ga met kracht de zoo licht toenemende slordigheid inhet spellen tekeer Verwaarloozing van de spelling heeft veel grooter gevolgen dan men oppervlakkig zou denken; zij leidt zoo licht tot slordig denken en tot verstomping van het taalgevoel’ Dat slordigheid in'et ene tot nalatigheid inandere dingen kan leiden, is'nmenselike waarheid; maar wat heeft 'et logies denken en 'et fijne voelen met 'nonlogies ‘spellen’ en met 'nwansmakelik ‘buigen’ temaken?? Drente zegt dan ook: ‘In de voordracht hinderde het onnatuurlijk weergeven van allerlei buigingsvormen’ Natuurlik, de kandidaten denken dat dit juist de taal is En wie leren ze deze mening bestendigen? 2) lees: de staat den vb, reg 14 Bl 5 lees: 2en staat 2e vb, reg 16 Bl 14 lees: de staat den vb, reg 9 Bl 55 Prof Cosijn zei al: ‘geen sterveling heeft de geslachten der duizenden nederlandsche substantieven in'thoofd’ Taal en Letteren Jaargang 11 46 Nieuwe boeken: JJ TEN HAVE ,Onze kunstenaars Leesboek voor de hoogste klasse der lagere school 2e druk sGravenhage, Joh Ykema 8o(80 blz) f030 Oranjebibliotheek voor jongens en meisjes Geïllustreerd Amsterdam, Van Holkema & Warendorf 8oPer dl f090; geb f125 II JOH CKIEVIET ,Wilde Bob (III, 242 blz, m 4pltn) JG KRAMER ,De kajuitsjongen van admiraal Heemskerk Leiden, AW Sijthoff Gr 8o(VI, 214 blz, m 6pltn) f125; geb f160 FRTRELLER ,De schipbreukeling van ‘De Admiraal ’Naar het duitsch door JA Bientjes Zutphen, Schillemans & Van Belkum Gr 8o(III, 254 blz, m 26 afb) Geb f190 E MOLT ,Historische verhalen ,voor kinderen van 10 tot 12 jaar Geïllustreerd door BW Wierink Medemblik, KH Idema 4oPer dl, bij inteek, f070; geb f1 Afz dln f090; geb f120 II In de wouden der Germanen (128 blz, m 3pltn) BRUNO GARLEPP ,De talisman Een verhaal uit Turkije en Griekenland Zutphen, Schillemans & Van Belkum Gr 8o(III, 232 blz, m 8pltn) Geb f190 E HALDEN ,Goed bewaard Een verhaal voor meisjes Naar het duitsch door Marie Honig Zutphen, Schillemans &Van Belkum Gr 8o(V, 218 blz, m 4pltn) Geb f190 TRUIDA KOK ,Mijn twee vriendinnen Met 6illustratiën van Dinah Kohnstamm Almelo, W Hilarius Wzn 8o(III, 220 blz), f150; geb f190 Melati van Java [M SLOOT ],Frits Een boek voor meisjes Utrecht, AW Bruna & Zoon 8o(III, 272 blz), f190; geb f250 Voor den coupé Utrecht, AW Bruna &Zoon 8oPer nr f010 Per dl (6 nrs) f060; geb f090 No 87 Miss Ada Robin Vrij naar het duitsch door JvM (48 blz) Warendorf's Novellenbibliotheek Amsterdam, Van Holkema &Warendorf Kl 8oPer nr f010 Per dl (6 nrs) f060; geb f090 No 132 PETER ROSEGGER ,De vijanden Eene geschiedenis uit de Alpen (48 blz) Boon's geïll Romanbibliotheek Amsterdam, NJ Boon 8oPer nr f030; geb f060 No 28 RUDOLPH STRATZ ,De witte dood (100 blz) SUZE ANDRIESSIEN ,Heide en veld Drie verhalen Met 6platen naar teekeningen van C Koppenol 3e druk Amsterdam, HJW Becht 8o(III, 192 blz), f090; geb f125 TINE VAN BERKEN [Anna C WitmondBerkhout ],Van een grootmoeder en zeven kleinkinderen Greïll door C Koppenol Amsterdam, HJW Becht 8o(V, 226 blz, m 1portr en 4pltn) f1 ;geb f140 Taal en Letteren Jaargang 11 47 JOH HBEEN ,Het keezenboek Met illustraties in kleuren van T van der Laars Amsterdam, SL van Looy Gr 8o(VIII, 230 blz, met 7pltn) f225; geb f 275 H EDEN ,In veldt en laager Lotgevallen van een Natalschen boer Bewerkt door WP Geïllustreerd Rotterdam, D Bolle Gr 8o(III, 228 blz, m afb en 1pltn) f125; geb f175 AUGUST NIEMANN ,Gerechtigheid Romans uit den Boerenoorlog Uit het duitsch door JC van Riemsdijk Rotterdam, Nijgh &Van Ditmar Gr 16 o(III, 266 blz), f290 Mevr FABIUS CREMER EINDHOVEN ,Een vreemdeling uit Transvaal Met 10 pltn Amsterdam, LJ Veen 8o(III, 213 en 2blz) f110; geb f150 Mevr VAN OSSELEN VAN DELDEN ,De familie Dolijn Amsterdam, Allert de Lange Gr 16 o(IV, 188 blz, m 4pltn) f150; geb f190 Inhoud van Tijdschriften: De Nieuwe Gids ,afl 4, Dec 1900, oa: G van Hulzen ,De Twee Zij's Jeanne Reyneke van Stuwe ,Najaar Willem Kloos ,Verzen PH van Moerkerken Jr ,Het woud van het eeuwige verlangen Adriaan van Oordt ,Leicestershire HJ Boeken ,Drie Sonnetten J de Meester ,Geertje, IV J Reddingius ,Verzen De Gids ,No 1, Jan 1901, oa: Augusta de Wit ,Aan het strand Dr PC Boutens ,Twee Sonnetten Dr PC Boutens ,Verzen Marie MarxKoning ,Verzen Jules de Boer ,Sonnetten Carel Scharten ,Uit ‘De drie Mysteriën’ De Arbeid ,afl 3, 1900, oa: Herm Teirlinck ,Zomerhistorieken W Graadt van Roggen ,Verzen Reimond Stijns ,Arme menschen Ed Verburgh ,Hot ontwaken Lode Baeckelmans ,Rond het slechten Jan Eelen ,Verzen Woord en Beeld ,Nov 1900, oa: M Antink ,'tKommieske J Reyneke van Stuwe ,Zomer Henri Doorman ,'n Hondje J Reyneke van Stuwe ,Zeegezicht Jan 1901, oa: GF Haspels ,Eene Proefneming Jeanne Vôtel ,Van Walcheren Elsevier's geïll Maandschr ,afl 1, Jan 1901, oa: Pol de Mont ,De roeping van broeder Willem Cyriel Buysse ,'tBeeldeken Richard de Cneudt ,Avond Mei (Gedichten) Van Nu en Straks ,No VVI Nov, 1900, oa: Stijn Streuvels ,De Kalfkoe Hugo Verriest ,Een andere Voordracht Herman Terlinck ,De Zomeravond Alfred Hegenscheidt ,Avond aan Zee Prosper van Langendonck ,Verzen Taal en Letteren Jaargang 11 48 Boon's Geïll Magazijn, No 18, Dec 1900, oa: JA Holtrop ,Een Kerstsprookje Holda ,Ieder die geld bezit, heeft zijne verplichtingen (Een Kerstverhaal naar het Engelsch) Frederik Rompel ,Kerstmis en Oorlogstijd No 19, Jan 1901, oa: GH Priem ,Kiekjes en Instantanés Dr Jan teu Brink ,Een goede boerde van Mr Jéhan van den Damme Wordt vervolgd F Marion Crawford ,In het paleis van den Koning Een roman uit het Oude Madrid Wordt vervolgd Voordrachten enz: Nias ,Geïnterviewd Oorspronkelijk blijspelletje De Tijdspiegel ,No 1, Jan 1901, oa: Elise Soer ,Aan het Weinfelder Maar, I Tijdschrift (Mij Ned Letterk ),XIX, 3: JW Muller ,Wouterloot ,wouter , woutermannetje H Kern ,Die ie in brief en enkele andere ontleende woorden Eekkatte Ooit Jagen Hoogduitsch affolter ,appelboom en mistel JFD Blöte ,De Latijnsche bewerking der Brabantsche Yeesten A Beets , Een deftigh werck J Verdam ,De versterkende beteekenis van on A Beets ,Toertrapper JW Muller ,Mnl Sies H Kern ,Beitel Noord en Zuid ,No 6, 1900, oa: Dr AS Kok ,De post van den Helikon en de moderne Helikon (geïllustreerd) Mej AWC Zuidema ,Een en ander over het tijdschrift ‘Braga’ Dr J Prinsen ,Een paar aanteekeningen bij Huygens' Voorhout Dietsche Warande en Belfort ,No 12, Des 1900, oa: ME Belpaire ,Het landleven in de letterkunde De Navorscher ,50e jrg, afl 11/12, 1900, oa: Spreekwijzen [Hij is in de boonen] Tijdschr v Onderwijs en Handenarbeid ,5e jrg, No 2, oa: Een Weekrooster [‘We beschouwen zo'n rooster als een stukje praktijk bij uitnemendheid Het geeft een beeld van ons onderwijs, zoals het is, zoals het van week tot week gegeven wordt, het doet zien, welke plaats we in ons schoolsysteem aan de arbetd toekennen Voor hen, die de handenarbeid als leervorm, als integrerend deel van het onderwijs menen te moeten bestrijden (zie de stelling van de heer CH den Hertog voor de as vergadering van de “Vereeniging voor Paedagogiek”) en die van de praktijk nooit kennis namen, geven we, zo'n rooster ter bestudering Zo'n weekrooster (uit de praktijk dan) van een tegenstander zouden we ook gaarne eens in dit tijdschrift zien Verleden jaar vroegen we dat ook maar geen enkele kwam in Ze worden toch wel gemaakt? Of doet men het zonder die? Dat zou toch 'n fout zijn, dunkt ons’] WS van Leeuwen Een weinig praktijk HW van der Linden ,De school buiten de school Taal en Letteren Jaargang 11 49 Couperus' ‘Laura’ (In ‘Orchideeën’) 1) I Inleiding Altijd in tijden van verslapping, van stilstand, van onnatuur richt zich het oog van enkelen naar tijden, die in zich droegen een kern van opgewekt, krachtig leven soms alleen om eenvoudig eens àf te zijn van wat zomaarzonderdenkenofgevoelen is overgenomen van een vorig geslacht, om eens àf te zijn van de verwording, die uit de instellingen, de zeden, de kunst van het tegenwoordige tijdvak spreekt en dus te genìeten van wat voorbijgegaan is soms ook om, door te wijzen op de kracht en het oorspronkelike en al wat mooi is in die vroegere tijd en door daar dan plotseling tegenover te stellen het tegenwoordige in al zijn dorheid en kaalheid en krachteloosheid, te trachten anderen te brengen tot meer natuurlike gebruiken, tot meer energie, tot hoger kunst! Want et is wel waar, dat het merendeel der mensen gewoonlik zo ingegroeid, zo vastgeroest is in de beschouwingenvanhùntijd over maatschappij en zedelikheid en kunst, dat ze er zelfs niet aandenken, dat et wel anders geweest ìs, dat et nog weer anders worden kàn Zij missen de kracht, om zich los te maken van hun omgeving 2)en van wat die omgeving aanbiedt, met et doel die eens kalm op een àfstand te beschouwen en na te gaan, hoe allertreurigst et er mee gesteld is Want natuurlik is het inzicht, hetzichhelderbewustzijn van het verkeerde de tweede voorwaarde om te komen tot beter, omdat de OnVrede met et tegenwoordige in de beschouwer de drang moet opwekken naar de mooiere, betere toekomst Als eerste voorwaarde nemen wij dan aan de bovengenoemde macht, om zich los te maken van de dingenvannu 1) Uitgegeven door LJ Veen ,Amsterdam 2) Omgeving hier inde ruimste betekenis genomen; milieuvansamenleving van heel 'nvolk in heel 'ntijdvak! Taal en Letteren Jaargang 11 50 Wie kunnen nu het eerst en het gemakkelikst zo ver komen? Natuurlik zij, die zich het minst hebben overgegeven aan de dienst en de verheerliking van die verzwakte, onnatuurlike samenleving; zij, die het minst opgaan in de massa, die zich maar lààt dringen, stuwen in een richting, zònder te weten van de òòrzaken en de bijkomende omstandigheden, die wijzigingen te weeg brengen in de oorspronkelike richting Het zijn de Mensen, wier fijn gevoel zich gekwetst en teruggestoten voelt door de ruwheid en kilheid van het tegenwoordige; de Mensen, wier zelfgevoel zich, dikwels hevig, verzet tegen een konvensie, die alleen voor het uiterlik wat beschaving geeft, om er het innerlijk, grove begeren achter te verbergen; de Mensen, wier studie en simpathie hen doet verwijlen in tijdperken, lichtend van hoogopgaand leven en wier verbeeldingskracht bij enigsins diedaktiese aanleg hen doet geloven aan, hen reeds doet zien de Nieuwe Tijd, die komen zal Die mannen van gevoel, van individualiteit, van energie en verbeelding zijn de Artiesten, ook en vooral die van het Woord Zò zien we het in de kultuurgeschiedenis, door alle tijden: Theocritus van Syracuse (± 270 v Chr), de gunsteling zowel van Hiëro als van de kunstbeschermende Ptolemaeus II, kènde de ongebondenheid van het gekunstelde hofleven en werd aan beider hoven gevierd En toch bezat hij de macht, om zich vrij te houden van de weelderigheid van z'n omgeving, om zijn geest niet gevangen te geven in de beschouwingen en denkwijs der hovelingen En hij stelde daartegenover zijn ‘Idyllen ,’1)beelden uit et vòlksleven, waarin hij de eenvoud en natuurlikheid van herders en vissers en landlieden schildert Niet bij de aanzienliken, onder wie hij verkeerde, vond hij het voorbeeld, dat hij wenste na te volgen, maar hij ging tot het volk, dat hij ging waarnemen en van wie hij de eigen liederen afluisterde Zo grote macht bezat zijn navolger, Virgiliüs, niet Al vond hij weinig behagen in 'tverkeer aan keizer Augustus' hof en evenmin in de drukke woeligheid van Rome, al verbleef hij bij voorkeur op 'tland, om zich zoveel mogelik aan poëzie en wetenschap te kunnen geven, zijn Eclogae ,tien idyllen, zijn niet ongekunsteld en natuurlik, geven geen vòlksRealiteit In de ‘Eerste Herderskout’ verhaalt de herder Tityr een gebeurtenis uit Virgilius' leven; in de 3e verheft de herder Menalkas, die Virgilius voorstelt een dichter, terwijl hij de verzen van twee andere sterk afkeurt, enz 2) Maar hoe heeft de Schepper van 1) Bilderdijk heeft de meeste er van vertaald 2) Zie Vondel's vertaling Taal en Letteren Jaargang 11 51 'tgewijd gedicht, Waaraan de hand gelegd heeft aarde en Hemel, 1) hoe heeft Dante zich zelfstandig weten te houden, toen Italië door bitter onrecht, door gruwelike wreedheden en felle partijhaat was verdeeld! Hoe sterk moet zijn geest geweest zijn, om zich los te maken zo van de Guelfen als van de Ghibellijnen, waar hij rèden had om zich bij een er van aan te sluiten Immers tot hem werd gezegd: Dan zult gij afstand doen van 'tgeen u'tinnigst En 'tdierst aan 'thart ligt, wat ude eerste pijl Zal wezen van de boog der ballingschap Dan zult ge ervaren ook hoe bitter 'tbrood Van vreemden smaakt, en wat een harde weg Het op en neergaan islangs andrer treden 2) Maar daarom zoveel te meer zal 'teere uzijn, Dat ge uw partij gevormd hebt bij uzelf! 3) Hoe sterk moet zijn geest geweest zijn en hoe vol liefde zijn hart, om in weerwil van de haat en de wraak, die hij te verduren had, boven de polietieke verwarring uit, òp te doen rijzen het hoog gebouw van zijn Divina Commedia met het doel ‘de levenden in dit leven uit den toestand der ellende te voeren en tot dien van het waarachtig geluk te geleiden,’ 4)en om te geven de iedee van een nieuwe Staat met z'n harmoniessamenwerkende machten van Keizer en Paus Zijn zo ook niet de opleving van de klassieken en het Humanisme de frisse, krachtigdringende stuwkracht, uit individueel machtsgevoel geboren, die de dompende Scholastiek verdreven? En in later tijd hoe groot was Rousseau's macht, toen hij in zijn tijd van verbastering en onnatuur in de Emile gaf z'n iedeeën van natuurlike opvoeding, rekening houdende met de individualiteit van het kind, en toen hij zich uit het despoties Europa van die tijd kon opwerken tot z'n beschouwing ‘over de 1) Divina Commedia ,vertaling van AS Kok Paradiso XXV vs 12 2) Dante werd in1302 uit Florence verbannen en moest een boete van 8000 lires betalen Omdat hij dit niet kon, werden zijne goederen verbeurd verklaard en zou hij de vuurdood ondergaan, zo bij zich binnen 'tgrondgebied der republiek vertoonde, een vonnis, dat later inlevenslange verbanning isveranderd Deze woorden worden tot Dante gezegd door zijn voorzaat Cacciaguida, ‘het beeld van de ware burger’ Paradiso ,XVII vs 5560 3) Paradiso ,XVII vs 6869 4) Divina Commedia III, pag 451 Taal en Letteren Jaargang 11 52 oorzaken en gronden van de ongelijkheid onder de mensen’ en in zijn Contrat Social de leer der volkssouvereiniteit ontwikkelde! En hoe heeft in deze eeuw Potgieter gebroken met de onnatuurlike deftigheid en het konvensieonele in de toenmalige lieteratuur, met de waterige verzen en de bombastiese pathos Hoe was hij de ‘criticus, die de zwakheden en tekortkomingen van zijn volk en zijn tijd vaak met scorpioenen geesselde, die bitter werd bij het aanschouwen van flauwheid en karakterloosheid, van JanSaliegeest en dommelzucht’ 1)en hoe wees hij telkens heen naar de frisse, jonge kracht, naar de ondernemingsgeest van de Repupubliek der zeventiende eeuw, toen Holland ‘in menig vak van studie de vraagbaak der beschaafde wereld werd’, 2)toen het ‘door zijn beleid geëerbiedigd, om zijn goud benijd en voor zijn kennis gevierd door deze driedubbele kroon de rozen der kunst vlechten mocht’ 3) Zo was er ook een twintigtal jaren geleden meer dan éen reden voor de Mensen met fijn gevoel en scherpe blik en artistieke aanleg, om zich los te maken en af te keren van wat de lieteratuur sedert dertig jaren voortbracht Want die was langzamerhand in een toestand van verval geraakt Scherp misschien wel wat al te scherp wordtie geschetst door Frederik van Eeden: ‘Men zat rustig om de theetafel Er was gedankt na 'teten De Genestet neuriede leekedichtjes Alberdingk claegde en vraegde zachtjes weg op voorvaderlijken trant, Da Costa kleurde een mooie prent van den slag bij Nieuwpoort, Potgieter rijmde in stilte, nu en dan zei Bakhuizen een ondeugendheidje Alleen Huët begon te vitten, en kibbelde met de Genestet Maar heel zachtzinnig Ook waren er die gelachen en elkaar aangestoten hadden bij 'tbidden Doch het ging toch zeer bedaard en huiselik toe’ Men had uit et oog verloren, dat een schrijver te genieten moest geven, wat hijzelf gevoeld of gezien had, en dat hij, die met recht ‘dichter’ mocht heten, dit dan ook alleen in zelfgevoelde beelden mocht uiten; dat hij niet zomaar mocht overnemen tenzij ze bestaan in de levende taal, waar niemand er zich aan stoot! de zegswijzen, die langzamerhand door het gebruik schenen te zijn aangewezen, om ièders zien en voelen weer te geven Er was een bijna algemeen gevolgde schrijfmanier gekomen en ieder, die met wat oplettendheid veel boeken gelezen had, kon 1) Joh C Zimmerman inde Narede op Potgieters Poezie II,pag 420 2) Potgieters Proza ,pag 312 3) Studies ,Eerste Reeks, pag 7 Taal en Letteren Jaargang 11 53 met een uitdrukking uit et ene boek en een beeld uit et andere een aardig vers vervaardigen, dat niemand hinderde en dat zich gemakkelik en vloeiend liet lezen Zo was een brandend huis altijd een prooi der vlammen ,de zon de dagtoorts; zo spreidde altijd de nacht zijn sluier over het aardrijk; en altijd werd iemand, alsie gestorven was, aan de schoot der aarde toevertrouwd Zeker, die beelden waren eens mooi geweest, toen er 'n Man was, die bij 'n fèlle brand de vlammen hóórde brullen en ze als wilde dieren zich zág werpen op wat noch niet door 'tvuur was aangetast en 'tzag verslinden tot et laatste toe; toen er een Man was, die bij 'tondergaan der zon zacht en langzaam zag komen als 'n waas ,'n sluier die de omtrekken der dingen verzachtte ,láter noch uìtwiste ,en die zich op dat oogenblik niet anders kon voorstellen, dan dat een persoon dit deed, de Nacht, die zoetjes 'tzonlicht aan ons oog onttrok Maar toen men in schrijftaal haast niet meer sprak van: de zon gaat onder ,was de uitdrukking, die men er algemeen voor in de plaats stelde, verlaagd tot rethoriek Immers, hoe konden honderden bij honderden inhunaarden aanlegzoverschillende wezens als mensen zijn, àllen zo'n brand op dezèlfde wijze zien en voelen en daarna zeggen ! Waar nu op die wijze ‘gedichten’ ontstonden, samenvoegingen van ontleende beeldspraak, moest noodwendig alle Fantazie die immers èìgen verbeelding is! verdwijnen, kon niets anders voor den dag komen als pseudokunst, alledaags, vlak, zonder verheffing Kloos trekt in z'n ‘Inleiding ’op Jacques Perk's gedichten een mooie paralel tussen dichters en geloovigen, waarin hij scherp de minderwaardigheid der verzen van vòòr '80 laat uitkomen: Wanneer een vuriggeloovige, ‘een verrukte ziener zijner eigene zaligheid’ de harten van het volk in zijn bedwelming weet mee te slepen, maar wanneer na zijn dood de gloed der godsdienstige iedeeën is bekoeld in de gemoederen, ‘dan vervalt het rijk aan het gezond verstand, dat te stevig, ook wel te stijf, om de oude voorstellingen te gevoelen of zich nieuwe te droomen, en toch te zwak om hare waarheid te erkennen, onder regel en wet brengt, wat voor de vaderen een hartstocht was Zoo ook, als een dichter de vormen heeft gevonden, in welke hij zelf en zijn tijd het beste van zich wensen te storten en te aanschouwen, zal het volgend geslacht, dat die vormen ontvangt, maar den geest mist met de eersten gaan beuzelen, bij gebreke van den tweede, en de oogen en ooren, die gewend zijn aan de kleuren en klanken, waarmede Taal en Letteren Jaargang 11 54 zij zich ontwikkeld hebben, bemerken niet, hoe het schone hulsel als het lijkkleed is, dat de angst der kinderen over het bleeke lichaam der moeder slaat’ 1) Toen er mannen opstonden, die dìt helder inzagen, die nauwlettend de bewegingen van hun eìgen ziel gingen voelen en die uitzongen in hùn taal met gevòèlde of gezìène beelden, 2)was het bestaan van een nieuwe richting in onze litteratuur verzekerd Toen vielen er, in 'tlevendige, blijde gevoel van zich ontworsteld te hebben aan de heerschappij der rethorika, harde woorden; toen werd tegenover de spotternij of de negatie door de ouderen, hèftig gedemonstreerd het goed recht en de superioriteit van het nieuwe tijdperk, dat gekomen was zo zelfs, dat Van Deyssel bv Elsevier's Maandschrift noemde ‘een grootsche en breede onderneming ten bate van de nederlandse dienstboden wereld onder redaksie van een kapper en een mummie en poëties ingeleid door 'n lijk’ maar toen kwamen ook de èìgen scheppingen, die metdedààd bewezen, hòè hòòg de nieuwe kunst boven de oude uitstak Het subtielste, het mooiste, het hoogste was slechts goed voor de jongeren 3)En werden al een enkele keer de ‘onderwerpen’ van de ‘oude school’ opgevat, dan gebeurde dit met 'n gloed en 'n hartstocht, met 'n zuiverheid en oorspronkelikheidvanzeggen of met zulk een stemmende eenvoud, dat de verzenvanvroeger er wat ze verdienden bonte karikaturen bij werden, die in hun eentonige kortlanggang en rammelende leegheid of armzwaaiende bombast honderden verzen ver voorthobbelden, tot ze hijgend en uitgeput neerstorten Zo, in die flinkgevoelde eìgenkracht, kon Jacques Perk het ondernemen, in de proloog van zijn Mathildecyclus te dùrven zeggen: 1) Gedichten van Jacques Perk, 2e druk, pag 40 Ook tevinden inVeertien jaar Literatuurgeschiedenis ,2e druk, pag 5,eerste deel 2) Eén van die mooie beelden wou ikhier noch wel even citeren: Gij, liefstel zijt mijn bloeiend akkerland, Waarover wijd God's blauwe hemel straalt Hóóg spruit het heerlijkgouden graan, dat zijn Uw heerlijkgouden woorden en daarin Zie ikbloemesterren hemelblauw, De blauwe vonken van God's heil'ge Liefde Stil ga ik'tsmalle pad, zon in mijn hart, Licht ismijn voet, de korenhoofdjes streelen Mijn blijde, wijde handen en ikfluit, Hoe isde zon zoo licht! mijn Lief zoo goed! Uit Van Eeden's ‘Ellen ,’3e druk, pag 28 3) Zie bv de ontleding der noodlotkarakters van Couperus, de wording der askese bij Van Eeden Voor dit laatste Taal en Letteren IX, pag, 337360 en 485496 Taal en Letteren Jaargang 11 55 Zooals eens Dante alleen ter helle inschreed, En statig, stil, tot Maro 1)hem gemoette, Zoo wilde ikdoor de wereld gaan Zo wilde ook Couperus, afgestoten door de al te stijfburgerlike en kille verzen van vóór '80, maar aanvoelend en in zich opnemend de distinctie van de jongeren, zich gaan vermeien in een vlinderluchte genotrijke spelevaart in het warmzonnige, weelderige ZuidFrankrijk En dat in de mooie tijd van de ridderlike vrouwendienst en van de troubadours, met niemand minder dan Laura en Petrarca tot gezellen, om dan tegelijk noch iets te zeggen van la Terrestre Venere en la Celeste Venere 2) Mij dunkt, wanneer wij op dit alles letten, dat Couperus de stof, de tijd, de plaats en de omstandigheden in zijn gedicht zò koos, dat zij hem de gelegenheid gaven met de schoonheid van onze taal te woekeren, en dat deze keus alleen al de lezer tot simpathie voor het werk moest stemmen II 't Gedicht zelf Slechts kort willen wij hier even de inhoud herinneren In de kerk van Santa Chiara te Avignon ziet Petrarca onder de dienst een jonkvrouw, die door haar schoonheid en zedigheid zijn bewonderende aandacht en liefde wekt Zij merkt hem, ook bij 'tuitgaan der kerk niet op, ofschoon hij in de schaduw der poort blijft wachten, om een blik van haar op te vangen Die jonkvrouw is Laura Kort daarna ontmoet hij haar op een feest bij zijn beschermer, Jacopo Colonna, bisschop van Lombez Petrarca wordt er genodigd een lied te zingen, waarin hij zo, ‘de zoete minne’ verheerlikt, dat Laura tot tranen toe geroerd wordt Maar als hij later in de tuin vraagt, of zij niet deel zal nemen aan de dans, dwingt zij zich hem een ‘ijzigkil’ antwoord te geven, zodat hij van schaamte bloost Dartele maagden, die een eindeloze bloemenketen beuren, hebben hen al samen gezien en de schalkste ervan zegt: ‘Zoekt snel die twee in rozen dicht te omkluistren! Hij vurigste, ach, zij koudste, die ge vindt! IJlt hem ter hulp!’ 1) Publiüs Virgiliüs Maro isDante's leidsman door de Hel 2) Want dit laatste ismaar bijzaak gebleven, zoals we zullen zien Zie pag 59 en vvlgg Taal en Letteren Jaargang 11 56 Maar die keten verscheurt Laura ‘Mij binde nooit een band!’ zegt ze toornig De volgende dag ondernemen de vrolike gasten van Colonna een gondeltocht op de Rhône Laura en Petrarca zitten alleen in hetzelfde vaartuig, beiden, ofschoon ze 'tniet bekennen durven, genietend om elkanders bijzijn Wanneer ze eindelik van 'tvaren genoeg genoten hebben en de zon te warm op 'twater schijnen gaat, worden de gondels naar de groene oever gestuurd en verspreiden allen zich onder het schaduwrijke loof Nadat Laura en Petrarca op een koele plaats een poos hebben gerust, dwalen zij langzaam van de anderen af 'tBegint al avond te worden De stilte om hen, alleen onderbroken door parelende nachtegalenzangen, doet ze een nog niet gekende weelde voelen en hij vraagt haar O, duld, dat steeds mijn Muze ikin Uzie! Bezielt gij mij! Ze wil heur wieken strekken, De nauw me in 'thart ontwaakte poëzie! En haar antwoord is: Dat dan mijn kus bezieling in Uwekke!’ Eindelik toch denken ze weer om de gondel ‘Of die niet weggeroeid zou zijn?’ En als 'thun blijkt, dat dit zo is en nu 'tondertussen nacht is geworden, neigt Laura zich in vrees tot hem, laat ze heur lokkig hoofd op zijn schouder rusten Hij wenste wel, dat deze ogenblikken eindeloos duurden Maar al voortwandelende komen ze aan 'tlandhuis van Sennuccio del Bene, een van Petrarca's vrienden, een grijsaard, die reeds van de trappen afdaalt en wiens gastvrijheid zij inroepen Zij vertellen hem, terwijl Petrarca ‘de armen om Laura's leest vlecht’ en zij hem ‘minziek 'thoofd aan de boezem’ vleit, hoe ze daar komen Maar juist als Sennuccio hen verwelkomt heeft, horen ze een gondelzang over de Rhône klinken en begeven ze zich tot spijt van de grijsaard naar de varenden, die op hen wachten Het vijfde gedeelte van het gedicht begint met een klaagzang van Petrarca, omdat Laura in hem niet wilde zien de minnaar, maar wel de dichter Hij wil haar nu door zijn liefdeklachten vertederen en er toe brengen, zijn ‘minnegloed te blussen’ Plotseling heeft hij een vizioen: 'tIs of zij, vermooid, hem schijnt te naderen en smartelik verwijt, dat hij door te denken aan aardse min, terwijl zij alleen zijn Muze wilde zijn haar mooie droom verbrak en haar zielsrust wreed verstoorde Deze bestraffing bedwingt in hem ‘der driften dwaze gloed’ Hij verontschuldigt zich, voelt diep berouw en vraagt haar vergiffenis Ze geeft die Taal en Letteren Jaargang 11 57 en hoopt, dat hij als vroeger weer ‘de gulden luit zal grijpen’ Engelen komen uit ‘louter licht’ te voorschijn en zingen: ‘Gezegend zij, wier zielen 'tzamenkomen, Opdat de heilgste liefde haar vereen'!’ Deze korte samenvatting van de inhoud kon meer en scherper het volgende uit het volgende uit het voorgaande laten voortkomen, zal de lezer hebben opgemerkt En dat is waar Maar daar heeft Couperus zelf aanleiding toe gegeven: met zijn gedicht gaat het evenzo en daardoor heeft hij de indruk, die het blijkens de voorgaande Inleiding had kunnen maken, wel wat verzwakt Wij willen dit dadelik nader aantonen, maar zullen ons eerst even bezighouden met de historiese juistheid Petrarca zelf verhaalt, 1)dat hij in 1304 te Arezzo geboren werd Zijn ouders waren Florentijnen, maar in 1302 tegelijk met Dante verbannen Nadat hij te Montpellier (13181322) en te Bologna (13221325) op aandringen van zijn vader in de rechtsgeleerdheid had gestudeerd 2),kwam hij op 22jarige leeftijd te Avignon, waar sedert 1309 het pauselik hof gevestigd was 3)Tijdens dit verblijf zag hij in 1327 voor 'teerst Laura de Noves, die al sedert 1325 gehuwd was met Hugues de Sade 4) Hieruit volgt dus de opmerking, dat Couperus de waarheid verdicht heeft door te spreken van een ‘jonkvrouw ’5),van ‘heur zetel ,midden in de stoet van rijkgetooide maagden ,’6)dat zij zich ‘onder haar gespelen mengt’ bij 'tuitgaan van de kerk 7)en al wat verder op deze voorstelling berust Dit maakt het ook zeer onwaarschijnlik, dat Petrarca en Laura zouden zijn gaan spelevaren op de wijze als Couperus meedeelt 8)En de nachtwandeling 9)vervalt dan ook natuurlik ook 1) Pétrarque ,Lettres de Vaucluse ,traduites du latin pour lapremière fois, par Victor Develay Paris, Flammarion Zie Epître àlapostérité 2) ‘Men dacht algemeen,’ zegt hij, ‘dat ikhet zeer ver gebracht zou hebben, als ikindeze richting had doorgewerkt Maar ikliet deze studie geheel varen, zodra ikniet meer onder voogdij van mijn ouders stond Niet dat mij de wetten niet aanstonden, want hun gezag iszonder twijfel groot en zij zijn vol van herinneringen aan de Romeinse oudheid, waarmee ikdweep, maar omdat ze worden verdraaid door de slechtheid der mensen Ikheb het daarom betreurd, iets teleren, waarvan ikmij op oneerlike wijze niet wilde, en op eerlike manier niet kon bedienen Want deed ikhet laatste, dan zou men mijn eerlikheid toeschrijven aan onwetendheid’ (Epître àlapostérité ,pag 20) 3) Zie hier verder Aantekening 20 4) Lettres de Vaucluse ,pag 44 5) Santa Chiara ,vs 24 6) Id, vs 27 7) Id, vs 112 8) Zie vooral Een dag van Weelde ,vs 47, vs 5667, vs 9499 enz 9) Zie ‘Sennaccio ’ Taal en Letteren Jaargang 11 58 Wat het vijfde gedeelte van het gedicht 1)betreft, dit moet handelen nà 1337 Petrarca verhaalt, dat hem in 1333 ‘een jeugdige zucht beving om Frankrijk en Engeland te bezoeken en om veel te zien,’ naar hij voorgaf, maar later erkende hij, dat de ware oorzaak voor zijn ongedurig trekken (13331337) was, te trachten zijn passie voor Laura te doden Daartoe is hij Avignon drie keer ontvlucht 2)en vestigde hij zich eindelik te Vaucluse, waar hij de meeste van zijne gedichten schreef of ontwierp 3) Hij bleef er van 1337 tot 1341 en van 1351 tot 1353 Maar Laura was toen al gestorven (1348), zodat het vijfde gedeelte van Couperus' gedicht tussen 1337 en 1341 handelt Zeer waarschijnlik hebben wij ons dus de verhouding van Petrarca tot Laura zo te denken, dat hij in 'tbegin wel dacht aan ‘aardse min’, 4)maar dat hij later, na veel lijden, 5)en na met groote wilskracht, 6)dit iedee uit zich te hebben gebannen, haar is gaan bezingen op de wijze der troubadours, 7)als de dame, wier lichamelike en zedelike schoonheid hem van uit de hoogte zo toeschitterde, dat hij haar bijna tot een heilige verhief Zulk een verhouding van een dichter tot een gehuwde vrouw was in die tijden niets vreemds en men vond daarin over 'talgemeen niets verkeerds, want dit paste geheel in de toenmalige maatschappelijke verhoudingen Die gaven aan het middeneeuws vrouwelik iedeaal twee opvattingen, die van de madonna (Dante's Beatrice en Petrarca's Laura) en die van de minnares (bv in de ‘Wachterliederen’) Indien de laatste verhouding bestond, zorgde de dichter natuurlik, dat zijn geliefde onbekend bleef, terwijl zij gevleid was, dat haar zanger op de burchten in vurige taal haar schoonheid en liefde prees Gold het daarentegen de madonna, 1) Vaucluse 2) Zie verder aanteekening 51 en 58 3) Zie Lettres de Vaucluse ,pag 22, 23 en 48 4) Dit stemt overeen met Couperus' noot uit Geiger's ‘Petrarka’ (Vaucluse II) Augustin, van wie daar gesproken wordt, isde monniksnaam van P Dionigio Roberti Hij onderwees de theologie en de philosophie aan de Universiteit van Parijs Petrarca koos hem als zijn ‘directeur spirituel ’ en vertrouwde hem zijn innigste gedachten toe (Lettres de Vaucluse ,pag 101) Zie ook pag 16 5) Noch ineen brief van 1352 zegt hij: de nabijheid van Avignon zou mij van hier jagen gezwegen van de overblijfselen der voorbijgegane stormen, die van zo nabij het verbrijzelde vaartuig van mijn leven tot indeze haven (Vaucluse )vervolgen (Lettres de Vaucluse, pag 211) 6) Zie vooral Lettres de Vaucluse ,pag 94 en pag 4348) 7) Niet als alle troubadaurs, want er waren er ook, die lijfsliefde boven platoniese liefde verheerlikten Zie bv Perk, De Troubadours, pag 20, 45 vv Taal en Letteren Jaargang 11 59 dan was er minder reden tot geheimhouding en was het een hoge eer op die wijze bezongen te worden in zo schone liederen, dat iedere minnaar ze aan zijn geliefde voorzong Men merke op, dat in beide gevallen voor een groot deel het verkrijgen van roem het doel was, dat men poogde te bereiken ‘De liefde naar roem is de machtigste drijfveer tot verheven daden,’ zegt Petrarca zelf Wanneer wij nu terugkeren tot het gedicht van Couperus, dan zien wij dat die omkering van ‘min’ tot iedeale liefde zeker een mooie, maar ook moeielike opgaaf, 1) door hem niet genoeg is voorbereid En hiermee komen wij op de zielkundige juistheid Er is in de tekening van de verhouding tussen Laura en Petrarca een onvolkomenheid En wij kunnen heel goed begrijpen, na al wat gebeurd was, dat hij in het vijfde gedeelte zich beklaagt over het terugtrekken van Laura Het verrast ons, dan te vernemen, dat zij geweigd heeft, te horen het in een strik van liefde strenglend woord, Dat zeegnend priesterlippen zouden fluisteren 2) Immers: Couperus zegt, 3)dat toen Petrarca aan Laura vroeg, of haar de dans niet kon bekoren, zijn blik haar ‘zaligzoet’ deed beven Werd deze ontroering opgewekt door de dichter ,die zo even op Colonna's feestmaal de liefde bezongen had, dan had Couperus moeten schrijven, dat zij trots was, dat hìj juist hààr ten dans kwam vragen; hij, de dichter, die de gasten met een lauwertwijg hadden willen eren Bovendien staat er: Zij dwingt heur lippen trotsch en ijzigkil Den vuurgen vrager 'twederwoord te geven 4) Gaarne had zij hem dus eigenlik een ander antwoord gegeven Zij hàd zich niet zo teruggetrokken hoeven te tonen, indien zij hem alleen als dichter eerde Juist dit, ‘dwingen’ doet aan schuchterheid denken van een maagd in wie pas de liefde is gewekt Wanneer de volgende dag een spelevaart op de Rône gehouden wordt, zitten Petrarca en Laura alleen 5)in 'tpaviljoen van een gondel en dan zegt Couperus van haar: 1) Petrarca plaatste Laura blijkens zijn 245e, 287 een 289 esonnet inde derde hemel, de sfeer van Venus, waar Dante de Zielen laat vertoeven, die aardse liefde hebben gekend zonder de hemelse tevergeten Zie Divina Commedia III, achtste en negende zang 2) Vaucluse ,vs 3536 3) Een Star van Hope vs 145 4) Id,vs 146147 5) Zie Een dag van Weelde ,vs 6768 Taal en Letteren Jaargang 11 60 Er sluimert vuur in 'tdonker oog, dat smacht; De mond ,half open ,schijnt een kus te vragen 1) en ook: (Petrarca) blikt haar toe, en bij de taal dier oogen, Wier teêrheid wisselt met der minne gloed Wordt Lauraas bonzend harte blij bewogen 2) Nu lijkt et wel waar, dat zij van die minne gloed noch niets hoeft te weten, en dat dit dus alleen noch maar in hèm is, maar zij moet zich tot herinneren, dat hij haar de vorige dag pas vroeg, of haar nooit ‘een band van rozen’ binden mocht 3) En pleit ook niet hun stilzijn, hun verlegenheid 4)op die tocht ervoor, dat beiden een inniger gevoel beheerste dan louter verering? Vreemd doet het daarom aan plotseling in vers 86 te lezen, dat zij trots heur maagdlijk schromen, In 'tdiepst der ziel naar weer een lied verlang(t) Dit verstoort weer de gedachte aan liefde Toch volgt dan, wanneer hij zo dicht bij haar is, dat zijn adem ‘zacht gelijk een zucht’, de lokjes van haar zijden haren trillen doet, de vraag: Is 'tLaura niet, of van Francescoos lippen De teerste kussen, weeldevol genucht, Haar in de lokken, op de wange glippen? 5) Deze zelfde onvastheid van tekening komt ook uit, waar Petrarca haar te voet valt en zegt: ‘O, duld, dat steeds mijn Muze ikin uzie!’ 6) waarop zij antwoordt: ‘Dat dan mijn kus bezieling in uwekke!’ terwijl drie verzen later weer gevraagd wordt: Kweelt (nu) orglend niet de schelle nachtegaal Een zang van liefde in 'tzachtkenswispelend loover? 7) Maar vooral laten de volgende woorden geen twijfel aan hun gevoelens over: Laura en Petrarca bemerken na hun lang dwalen in de nacht het landhuis van Sennuccio Die vraagt, hoe ze daar zo onverwacht komen En dan vervolgt Couperus: 1) ‘Een dag van Weelde ,’vs 4647 2) Id,vs 5567 3) ‘Een Star van Hope ’,vs 172 4) ‘Een dag van Weelde ’,vs 6783 5) Id,vs 9799 6) Id,vs 198 7) Id,vs 206207 Taal en Letteren Jaargang 11 61 'tIs snel gezegd Zij blikt en bloost in bloôjonkvrouwlik schromen, Tot om heur leest Francesco de armen vlecht, Tot zij in liefdesschuchter overlenen Het hoofd hem minziek aan den boezem legt 1) En dat werkelik Petrarca door Laura's handelwijs aan liefde heeft gedacht en de lezer heeft het ook gedaan! blijkt duidelik uit de hele aanhef van het vijfde gedeelte ‘Vaucluse ’2) En pas in op drie na de laatste terzine zegt Couperus, hoe hij de verhouding tussen Laura en Petrarca in de eerste vier gedeelten van het gedicht wenst opgevat te hebben: O, lusten, die een liefde mocht verwinnen, Zoo heilig, dat de heiligste er bij taan', Gij ziedt, gij zengt hem nooit meer ziele en zinnen! 3) Nu blijkt dus, dat het de bedoeling van Couperus was tussen beiden een iedeale, geestelike liefde te doen ontstaan, maar dat Petrarca die door te denken aan aardse min verstoord heeft Ons is evenwel gebleken, dat Couperus er niet in geslaagd is dat inzicht in de verhouding tussen de hoofdpersonen bij de lezer te wekken, omdat die zelf nu aan de ene, dan weer aan de andere liefde denken Voor een groot deel ligt dit aan de onvaste tekening van Laura, die als Muze dan toch voortdurend zich in de lijn van Couperus doel had moeten bewegen 4) Ook in het vizioen is een zwak gedeelte: Als zij de klagende zanger te Vaucluse verschijnt en verwijt, dat hij haar geheel verkeerd begrepen en daardoor veel smart gegeven heeft, zinkt hij wankelend aan haar voeten neer, van overstelpende smart gebroken En als hij dan eindelik 'tmatte hoofd weer opheft, dan blijkt bedwongen ‘der driften dwaze gloed’ Maar hoe die verandering in Petrarca zo spoedig plaats kan hebben, zegt Couperus niet Hij deelt eenvoudig mee, dat het zo is De lezer zou, wanneer hij in Petrarca's plaats stond, niet zo gauw bedwongen zijn, maar integendeel Laura gezegd hebben, dat het misverstand hoofdzakelik hààr schuld was Hebben wij nu zo gezien, dat het gedicht niet zielkundigjuist, in elk geval niet zo logies in elkaar gezet en uitgewerkt is als 1) Sennuccio ,vs 113117 2) Vs 138 3) Vaucluse ,vs 162164 4) Wie mocht opmerken, dat Couperus toch uitstekende vrouwenkarakters kon geven, zoals bv Eline Vere, denke er aan, dat dit niet zozeer een vrouwen als wel 'en noodlot karakter is En die zijn bijna àlle mooi bij hem Taal en Letteren Jaargang 11 62 Couperus ons dat later in Extaze ,in Een Illuzie ,in Eline Vere te genieten gaf boven deze onvolkomenheden uit rijst toch zijn mooie iedee: ‘Ik weet, dat de verzen die men nu schrijft, saai en stijf zijn en zonder gevoel en verbeelding En o, ik gevoel, dat onze taal mòòier is en rìjker en zich leent tot klèùrrìjke klankencombinaties in wèèlderige beschrijving! En dàt zal ik laten zien!’ Tot deze opvatting van het gedicht gaven keus van het ‘onderwerp’ en tijd en plaats der handeling aanleiding En het lijkt mij nu toe, of dit blije gevoel hem zo geheel heeft ingenomen, dat hij aan het overige niet genoeg aandacht schonk Was hieraan evenveel zorg besteedt, als aan de taal, dan had hij inderdaad een in alle opzichten volkomen gedicht gegeven Bovendien bedenke men, dat Couperus, toen hij Laura schreef, noch jong was 1)en dat daardoor gemakkelik het zielkundig gedeelte van de taak, die hij zich gesteld had, niet genoeg tot zijn recht kon komen’ Er stijgen uit al Couperus' ‘Orchideeën ’fijne aromen op, nu en dan in ijle wolkjes, nauw bemerkt, maar soms ook in dichtere massa's, die door hun welriekendheid aangenaam strelen en doen verlangen naar nieuwe prikkels en die alle te zamen de kamer vervullen met exotiese, zachtdoordringende geuren, die zoete bedwelming geven Toch is in deze mooie zinnelikheid een grote koelheid Het is of de gloeiende sentimenten en de bruisende hartstochten op het ogenblik, dat zij in klanken geuit werden, door een overstelpende koude zijn bereikt, die ze verstijfde en vormen gaf, waarin noch slechts onvolkomen de oorspronkelike beweging is weer te vinden Deze mooie weelderigheid werd geboren èn gekoesterd in het ongewone en rijke beweeg van de dichterziel; zij werd verstijfd door de gekunsteldheid van de heer Couperus Maar trots deze vervorming spreken de verzen uit deze bundel van een warm gevoel voor het mooie woord, voor de rijke klank en het treffende beeld Dit gevoel gaat zelfs zo ver, dat Couperus, als hij een wijze van zeggen gevonden heeft, die hem lijkt, die uitdrukking of dat beeld later herhaalt en nòch eens weer zegt Hij stelt zijn woorden als 'tware ten toon, plaatst ze, als een schilder zijn schilderij, eens onder ander licht, gaat het zo verkregen nieuwe effekt na, terwijl hij zacht mompelt: ‘Ja, zo is 'tmooi Zo komt et beter uit’ Van Deyssel was het, meen ik, die een dergelijk gevoel zo juist noemde ‘verliefdheid’ op 'tmooie woord Herhaaldelik komen ze voor: wijle (om z'n zachte klank), min 1) De Gids van Oktober en November 1883 nam Santa Chiara en Een Star van Hope op Couperus was toen nauweliks twintig jaar Taal en Letteren Jaargang 11 63 ziek (dat hier nimmer de gewone enigsins ongunstige betekenis heeft), geurenweelde ,rozenweelde ,zilverschemer ,sparkelen (wat mooier isdan sprankelen , doordat de nasale klank is vermeden, terwijl de rvan de sp is gescheiden), gitten ogen (waardoor tegelijk het donkere en het helle, vurige wordt uitgedrukt), zangzoet , rozennaaglen ,(wat voortreffelik de kleur aangeeft), tonen ,die zich als paarlen samensnoeren ,wat weelderiger wordt in: een nachtegaal ,die paarl aan paarl tot zangen schijnt te rijgen Mooizinnelik is vooral: De halfverflenste bloemen geurden, geurden, Als slaakten ze in den amber ook haar ziel ’1) En ook de vergelijking van een jonkvrouw met een bloem: Toch schijnt het zalig, aangebeden vrouw! Een maagd zich teeder aan de borst te drukken, Tot zij haar bloeme in geurenweelde ontvouw ', En heimlijkzoet verlang ',dat men ze plukke! 2) Keuriger is dit noch in: O, moge dra zij, rein en geurensmild Heur sneeuwen kelk hem schuchter openplooien 3) Beide voorbeelden zijn verwant aan: De mond, half open, schijnt een kus te vragen, Volbloeide roze ,die den vlinder wacht 4) Dit verlangen naar klankenschoon is ook de oorzaak voor de talrijke alliteraties, die echter niet altijd even mooi zijn In: ‘Wie zinge een lied ons bij den lesten beker?’ Riep een, wijl hij den drinkschaal hief, die droop, 5) is de dr tweemaal gebruikt, maar geeft weinig effekt, terwijl in: En zie, ze buigt het blonde hoofd voorover, 6) het tweemaal aanwenden van de bdit vers keurig maakt Het wordt noch mooier doordat de ui uit buigt en de luit blonde zich even laten rekken Al dit fijnuitgesponnene in de klank geeft het gracelike in Laura's hoofd beweging aan 1) Laura III, vs 7374 2) Id V vs 123126 3) Id II,vs 104105 4) Id III, vs 4748 5) Id II,vs 7374 6) Id III, vs 205 Taal en Letteren Jaargang 11 64 In het eerstgegeven voorbeeld is echter de den vooral de tweemaal geplaatste dr ongemotiveerd De dis wel geschikt, om iets dofs, iets zwaars uit te drukken of iets wat vòòrtdringt, terwijl de rollende rdit noch versterkt Maar van zo iets is in de gegeven regel in 'tgeheel geen sprake Onmiddellik echter valt het op, hoe juist van klank de volgende regel is: Dof, driemaal 'toord doordaavrend dreunt zijn donder 1) waarin zowel klinkers als medeklinkers uitstekend zijn Een mooi geval van alliteratie met lvindt men in: ‘Vaucluse, zoet Vaucluse, volzoet dal, O, dat mijn luit haar lied van leed hier weene Laat me in uw lommer toch mijn leed verhelen’ 2) waarin de len de getemperde vocalen mooi het zachtklagende uitdrukken Zo ontstaat er harmonie tussen klank en betekenis; zo versterkt de een de ander; zo wordt ook het genot fijner, edeler In alle drie de bundels van Couperus is dit terug te vinden Zelf heeft hij het in dit echtepicuristiese gedicht gezegd, hoe weelderig en genotvol hij zich zijn kunst dacht en uit wat fijnontlede genietingen het totaalgenot wordt opgebouwd: Mijn kunst isals een fijngeslepen kelk Van klaar kristal, waarin een purpren wijn Als vol robijnen fonkelt Zie, wanneer Mijn lippen, laafziek, licht den rand van 'tglas Beroeren, koost de smaak mij als een kus Nog zoeter dan zijn smaak ismij de aroom Des wijns, wen ze, als de geur dier roode bloem, Aan 'tglas ontwelt en mij bezwijmlen wil Maar 'tallerzoetst ismij die beker, zo Daar siddrend, drupplen lichts in trillen Dan Beroer ikniet mijn glas, en staar het toe, En smacht het tegen, en geniet, geniet Meer in mijn wenschen, dan voldoening 'tnooit Verlangensmoe gemoed ooit geven zou Zoo ismijn kunst, wanneer ik, zwakke, schep 1) ‘Nemea ’in‘Orchideeën ’,pag 181 2) Laura V, vs 12 en 6 Taal en Letteren Jaargang 11 65 Een ander in zijn schepping nageniet, Of, scheppingloos, in onmacht me vermijmer 1) Deze leidende gedachten vinden wij telkens in de mooiste gedeelten van Couperus' verzen terug Zie eens wat een weelde, wat een overvloed er spreekt uit: Hoe heimlijk lacht ze, als zij heur bloemenschat Met beide handen strooiend, laat ontglippen, Tot golf bij golf verkeert in bloem en blad! 2) En wat een wellust van klanken ligt er in: Een wolk van rozengeur voert er de wind Met zachtkenszuyend zwaatlen zwevend mede 3) Welk een voorzichtigheid is uitgedrukt in: Er suist een aarzlend hijgen door de twijgen 4) En let op de lichtheid van het zoeltjen, lichter dan bloesemblaadjes: (Het) zwerft door 'tloof En waait de teerste twijgen heen en weder En zweeft dan voort op blanken bloesemroof 5) Ook mooigeziene realieteit treft men hier en daar aan: De maan, die 'traaflend wolken juist ontgleê; 6) Dit is ook in de schildering van Laura's kleed, waar zij in de schaduw der zuilen is weggescholen en wanneer plotseling een zonnestraal ‘aan komt glijden’: Hoe lucht het op 'tgewaterd zwaar satijn Van 'tkreuklend kleed, welks breedgeplooide vouwen Een weerschijn geven als van porcelein 7) Weelderige overdaad vindt men in de mooie schilderij van het feestmaal bij Colonna, die door de kracht van aanschouwelike voorstelling voor de lezer lèèft Goed gezien en licht neergezet is het uitgaan van de kerk En dan zie men ook de stemmende aanhef van Santa Chiara: 1) ‘Maar 'tallerzoetst in‘Orchideeën ’,pag 192 2) Laura III, vs 100102 3) Id,IV, vs 9596 4) Id II,vs 187 5) Id III, vs 154156 6) Id IIvs 11 7) Id I,vs 4648 Taal en Letteren Jaargang 11 66 Bedwelmend uur van heilig, mystiesch droomen! Op breede wieken stijg' de beê der schaar Omhoog bij 'truischen van heur zangenstroomen, Waar 'tgouden orgelklaatren zich aan paar', Omhoog bij wierook, rozen, leliegeuren, En 'tzacht weemoedig glanzen op 'taltaar, Van duizend lichten, wijl met duizend kleuren Der zonne gouden gloor in ruit bij ruit Een paradijs vol heilgen doe bespeuren, Die biddend nederknielen om de Bruid Wier teedere oogen op het Knaapsken staren, Dat zij vol moederliefde in de armen sluit Deze opzet herinnert door z'n streven naar breedheidvanbouw aan die mooie, massieve aanvang van ‘Majesteit ’:‘Over Liparië, anders een stad als marmer wit Zo blijft “Laura ”voor ons een gedicht, dat zonder heel hoog te staan, ons doet terugdenken aan de dagen van kunstberoering, toen het door zijn klaarheid van klank, z'n rijkdom aan nieuwe beelden en z'n keurige woordschikking het nieuwe leven demonstreerde in weelderiger, in hoofser vormen, dan de “grote” dichters het deden III Aantekeningen 1) ISanta Chiara 1)Santa Chiara =de kerk van StClara te Avignon, waar Petrarca op Goede Vrijdag van het jaar 1327 Laura voor 'teerst ontmoette 2)Wijl vs 7=terwijl 3)Vs 11 Bruid ,Knaapsken en heiligen op de beschilderde ruiten 4)Vs 13 'tSnoer =de rozenkrans Ingevoerd omstreeks 1208 door de Heilige Dominicus; bestaat uit een krans van aaneengeregen kralen van tweeërlei grootte of kleur Men onderscheidt 'n grote en 1) Men dele de verzen bij drieën af Taal en Letteren Jaargang 11 67 een kleine rozenkrans De grote bevat, naar het aantal psalmen, 15 maal 10 kralen voor “Ave Maria's” en tussen ieder tiental één voor een “Pater Noster,” zodat ter gedachtenis van elke der 5blijde gebeurtenissen (Maria boodschap, ontvangenis, geboorte van Jezus, kraamzuivering, en terugvinding van Jezus in de tempel), van elke der 5smartelike gebeurtenissen (doodsangst in Getsemané, geseling, kroning met de doornenkroon, kruisdraging en kruisiging) en voor elk der 5roemwaardige geheimenissen (opstanding, hemelvaart, uitstorting van de Heilige Geest, hemelvaart van Maria en haar kroning in de hemel) 10 “Ave Maria's” gebeden worden De kleine of gewone rozenkrans heeft vijf tientallen kralen Men begint deze met een “Pater Noster” en 3“Ave Maria's”, díe men aan het eerste tiental laat voorafgaan, terwijl men de grote met et “Credo” begint (Zie verder aant 6) 5)Vs 16 Overnet Tranen hebben over zijn ogen als 'n net gespreid 6)Vs 32 Ave Maria =Wees gegroet, Maria Eerste woorden van een gebed der RK Het is samengesteld uit de woorden van de aartsengel Gabriël en van Elizabeth tot Maria Zie Lukas I:28 en 4246 Het heet ook wel Engelgroet (Angelica salutatio) Andere gebeden of liederen zijn: Kyrie eleison (Heer, ontferm U!) De mis begint met deze zang Gloria in excelsis Deo (Eere zij God in de hoogste hemelen); lofzang, die het tweede deel der mis vormt (Lukas II:14) Credo (Ik geloof) is het eerste woord der apostoliese geloofsbelijdenis, zodat die ook met deze naam bestempeld wordt Het derde deel der mis, deze belijdenis bevattende, wordt ook zo genoemd Agnus Dei (Lam Gods) is een kort gebed vóór de kommunie door de priester uitgesproken Dies Irae zijn de beginwoorden van een oud Latijns kerkgezang uit de 13 eeeuw op het Laatste Oordeel Bilderdijk heeft er een vertaling van gegeven onder de tietel van: “De dag der Wraak” (N Verscheid I103) Stabat Mater ,een Latijns kerklied uit de 13 eeeuw, inhoudende de voorstelling van Maria treurende bij het kruis van Jezus (Vertaald oa, door Vondel) Te Deum laudamus (U, oGod, loven wij!) is het begin van het zogenaamde Ambrosieaanse loflied, dat bij plechtige en verblijdende gelegenheden in de kerk gezongen wordt Men schreef de woorden ervan toe aan Ambrosiüs de heilige, bisschop van Milaan (333397) 7)34 Wijle =sluier, voile 8)Vs 3340 Begrijp: Golvende in brede plooien slepen om haar 'tgewaad, dat zachtgroen is,en de wijle, die wazigwit is;de amberblonde lokken, die een sluier werpen op 'tfonkelend git der ogen, dalen in zachtzijden vlokken langs 'treine voorhoofd en de donzen koon en omstromen haar geheel, omdat ze aan die weggetrokken, halfneergezegen wijle ontvloden zijn Amber is een stof, die door de gal der walvisachtige dieren wordt Taal en Letteren Jaargang 11 68 afgescheiden (potvis) Hij drijft doorgaans in kleine stukjes aan de oppervlakte van de zee 'tIs een welriekende stof, die gemakkelik en met 'n heldere vlam verbrandt 9)Vs 49 Hem =de zonnestraal (vs 43 en 51) De gloriekrans (vs 50) kan niet door één straal te voorschijn geroepen worden, maar alleen door een bundel stralen De voorstelling van Couperus|, als zou één straal Laura in haar ootmoed komen belonken en over haar kleed dartelen, om een ogenblik daarna door heur ernst getroffen, daarover berouw te gevoelen en haar dan met een glòriekrans te omschitteren, is echter veel meer plasties! Bij één persoon kan men zich zo'n plotselingen omkeer gemakkeliker denken dan bij een massa Glorie ,aureool ,stralenkrans of nimbus is de naam van de lichtkring die door de middeleeuwse en latere schilders om het hoofd of om het gehele lichaam van gewijde personen werd geplaatst (Christus en Maria, de Apostelen en Martelaren) Die der Heilige Maagd was veelal een krans van sterren De glorie kon een licht of stralenkrans, maar ook een dunne kring zijn of een boven het hoofd zwevende schijf Omgaf een glorie het gehele lichaam, dan heette hij aureool 10)Vs 65 en 6770 Laura stierf in 1348, Petrarca in 1374 Verwezenlijkt (vs 68) rijmt met bezwijkt (vs 70) Een dergelijk rijm komt ook voor hij Schaepman in z'n Aya Sofia En heerscht de dood almachtig Langs heel het wereldrijk, De schoonheid leeft volkrachtig En lacht onsterfelijk 11)Vs 84 Brokaat is de naam van een zware zijden stof met een schering van zilver of gouddraad òf met ingeweven zilveren of gouden fieguren Het heette ook wel goud (zilver) laken 12)Vs 87 Lenen Hun hoofden buigen zich zo dicht tot elkaar, dat ze tegen elkaar schijnen te leunen Wat die maagden elkaar vertellen, is dus wèl wat intiems, misschien iets over 'n minnarijtje Dit tèkent weer de kortdurende invloed der ceremonieën en van de omgeving in de kerk (zie vs 7180) 13)Vs 91 Die =Petrarca 14)Vs 100 scheelen =oogleden 15)Vs 103 nl toen zij noch in de kerk bad 16)Vs 121 Zaalge stond ,omdat hem Laura nu verschenen is 17)Vs 121122 O, dat nu Petrarca's zoete luit door heel Italië de tijding brenge van zijne min! 18)Vs 121, 123 en 124 Hier staat telkens nu Petrarca ontmoette Laura voor het eerst in 1327 Pas in 1337 vestigde hij zich te Vaucluse en tòèn kon dus pas Vaucluses “herdersfluit” gaan “schallen”, al schreef hij reeds te voren gedichten over Laura (Zie: Lettres de Taal en Letteren Jaargang 11 69 Vaucluse ,pag 23 en 48, noot) Van Vaucluse zegt Petrarca: “Het is een zeer klein, en eenzaam dal, vijftien mijlen van Avignon, waar de mooiste van alle bronnen ontspringt, die van de Sorgue” (Lettres de Vaucluse ,pag 23) Op de bodem van een nauwe ingang, beheerst door een rotsomsluiting van meer dan 200 meters hoogte, zonder andere plantengroei, dan een enkele vijgeboom, die zich aan de stenen vastgeklemd houdt ontspringt de stroom uit een helling van brokken puin, die opgehoopt zijn voor de overwelfde opening van een grot Onder deze sombere ingang komt het rustige en blauwe watervlak van de bron te voorschijn, die een diepe trechter vult, weerkaatsende het ronde gewelf van de rots 19)Vs 124 Herdersfluit ,omdat Petrarca, er bukoliese poëzie schreef (121 Latijnse gedichten) II Een Star van Hope 20)Vs 3 Deze Colonna, lid van het zeer aanzienlike geslacht van die naam, is Jacopo Colonna, toen bisschop van Lombez, ten ZW van Toulouse, een van Petrarca's beschermers “Toen ik op 22jarige leeftijd (dat is na z'n studieën te Montpellier en te Bologna) te Avignon terugkwam, begon ik bekend te worden en werd mijn vriendschap door velen gezocht, vooral ook door het edele en beroemde geslacht der Colonna's, dat toen aan het pauselike hof verkeerde, of liever, dat er luister aan bijzette Ingeleid in deze famielie werd ik er behandeld met een eerbied, die men mij nù misschien noch niet verschuldigd zou zijn, maar die ik tòen stellig niet verdiende Naar Gascogne meegenomen door de doorluchtige en onvergelijkelike Jacopo Colonna van wie ik de wederga niet gezien heb en waarschijnlik ook niet zien zal heb ik aan de voet der Pyreneeën een goddelike zomer doorgebracht in het aanlokkelik gezelschap van de meester en zijn gevolg, zodat ik noch met smart aan die gelukkige tijd terugdenk” (Lettres de Vaucluse , Epitre àla postérité ,pag 21 Dit is tevens de inhoud van de Italiaanse noot, die Couperus op pag 57 geeft) Deze goede verstandhouding duurde tot 1347 Petrarca's instemming met de opstand van Cola di Rienzi, maakte er een eind aan 21)Vs 69 Het zien opdièmanier van het windende groen is mooi Vs 913 herhalen dit noch eens, maar nu meer redenerend :Zie, oranjebloesem, rozen, myrt, jasmijn gaan immers in festoenen slingerend ten hoge, zo dicht ,dat ze haast elke stroeve lijn uitwissen Vergelijk: tot barstens toe Festoenen noemt men kransen van levende of nagemaakte twijgen, bladeren, bloemen en vruchten Tempels en feestzalen werden er mee versierd Mooie voorbeelden ervan vindt men in het koninklik paleis te Amsterdam, gemaakt door de beeldhouwer Quellinus Taal en Letteren Jaargang 11 70 22)Vs 15 Die =de hallen 23)Vs 16 Wijl =terwijl 24)Vs 21 Amforen ,aarden vaten met nauwe hals en twee handvatsels Zij dienden vooral voor 'tbewaren van wijn 25)Vs 22 Robijn ,donkerrood, soms ook doorschijnend rozerood, met blauwe of gele tint; saffier (vs 35) doorzichtig donkerblauw; emeraud (vs 35) groen 26)Vs 49 Daarginds ,aan het lager eind der tafel 27)Vs 52 zijn ,nl van Colonna 28)Vs 63 Fulp onderscheidt zich van fluweel alleen door de grotere lengte der haren 29)Vs 64 Heur is 3e naamval Vs 72 Oùde smart Dat heeft Couperus noch niet laten zien 30)Vs 76 Troubadours ,de vinders van ZO Frankrijk, beoefenden hoofdzakelik lyriese poëzie; trouvères ,die van het Noorden met voornamelik epiese poëzie Minnestreels ,reizende toonkunstenaars, die tegen betaling reeds bekende gedichten zongen Het waren eigenhorigen 31)Vs 79 Des ridders ,nl van de ridder, die om het lied gevraagd heeft zoeltjen (vs 97) in 'tItaliaans l'aura lauwer (vs 98) in 'tItaliaans l'aureo morgenrood (vs 99) in 'tItaliaans l'aurora Bij Sonetto V in Le Rime di Fr Petrarca (Biblioteca poetica italiana antica è moderna Parigi) tekent A Buttura aan: Petrarca zinspeelt in zijn verzen te dikwels op de naam Laura door te gebruiken: lauro (lauwrierboom), l'aureo (verguld), l'auro (goud) etc (zie boven) Maar deze knutselarij is zijn grootste zonde Echter is 'teen gevaarlik voorbeeld, dat zulk een groot dichter aan beuzelachtige woordspelingen de onvervalste bekoorlikheden, de edele zwier en de hemelse melodie van zijn stijl leent’ In de duitse uitgaaf (Reclam Leipzig) vindt men herhaaldelik opgemerkt: unübersetzliches Wortspiel 32)Vs 102 Hier staat een vraagteken Dit zal wel een komma moeten zijn Zo'n lange vraag (vanaf vs 92, waar een punt hoort) met al z'n bijstellingen en bijzinnen zou zeer onaesteties zijn Die komma wordt geëist door vs 103, als bijstelling bij tranen (vs 102) Dergelijke fouten komen in de 2e druk herhaaldelik voor Waar ze aanleiding tot verkeerd begrijpen zouden kunnen geven zal er op gewezen worden Couperus zelf erkent in de voorrede van, ‘Williswinde ’,dat hij de korreksie enz bij de 2e uitgeaf van ‘Orchideeën ’geheel aan de uitgever heeft overgelaten 33)Vs 121 Het onderwerp van trippelde is de jubelende schaar (vs 136!) De konstruksie is zeer gewrongen 34)Vs 143 Madonna Al betekent dit Italiaanse woord eenvoudig Taal en Letteren Jaargang 11 71 mevrouw ,het drukt hier zeker Petrarca's verering uit, door Laura met dezelfde naam te noemen als de H Maagd 35)Vs 153 Bacchanten zijn zij, die deelnamen aan de Bacchanalieën, feesten ter ere van Bacchus of Dionysus Zij werden in Griekenland gewoonlik om de drie jaar gehouden en kenmerkten zich door uitbundige vrolikheid en buitensporigheden Ook vrouwen, die dan thyrsen of met wijngaardranken omwonden staven droegen, namen aan deze feesten deel III Een dag van W eelde 36)Een dag van Weelde is de volgende dag Zie vs 66 waarin lelie een herinnering is aan vs 55 van het 2e gedeelte en aan vs 103 37)Vs 68 Geen dartle schaar zag hen samen, zoals de vorige dag, toen zij met bloemenketenen omwonden werden 38)Vs 80 di hij sprak 'tniet uit 39)Vs 103 Cymbel bestond uit twee holle bekkens, die op elkaar geslagen werden Men gebruikte ze bij de dienst van Cybelé ,een Phrygiese godin, de vertegenwoordigster van het welige leven der natuur Cymbaal is ook 'n soort van tamboerijn en wordt waarschijnlik hier bedoeld, 40)Vs 105 Peep ,verl tijd van het werkwoord pijpen =fluiten 41)Vs 111 =Het stralen van de zon moe en moe van 'tspelevaren Achter 't eerste wars had een komma kunnen staan 42)Vs 135 Gelijk een elve Ziet op de lichtheid van Laura's gang Elfen zijn goddelike wezens van lagere rang Men stelde ze zich voor in menselike gedaante en bedeeld met betoverende schoonheid Vandaar menig germaans verhaal van hun verleidelike macht over de mensen, bv Erlkönigs Tochter, oratoriüm van Niels W Gade Zij houden veel van muziek en dans; zie bv Couperus' sprookje Fidessa Hun koning heet Oberon; komt oa voor in De Kleine Johannes (Zie in ‘Orchideeën ’ ook het gedicht ‘De Elven ’) 43)Vs 136138 Een koude, fiere, maar mooie lelie was zij eerst (III vs 55 en 103) Tot een zachte roos had zij zich herschapen (III vs 65) Nù heeft ze de schoonheid van de lelie behouden, al is zij nu zachter gestemd 44)Vs 146 is na al 'tvoorgaand zachte wel wat plotseling en daardoor bombasties 45)Vs 168 Nymfen in de griekse mythologie ongeveer hetzelfde als elfen in de germaanse IV Sennuccio 46)Sennuccio del Bene ,een vriend van Petrarca, Florentijns banneling en geheimschrijver van Colonna (Zie Couperus' aantekening) 47)Vs 72 tot 76 Begrijp: die blos, die blik vertolkt: Laura Taal en Letteren Jaargang 11 72 moge niet zo hoog aangelegd zijn als hij, toch blijft haar ziel Petrarca's geest nabij, als hij zo hoge vervoering kent 48)Vs 8182 Aankondiging van V vs 170173 Vs 109 is een herinnering aan Petrarca's 206e sonnet 49)Vs 118 Gastvrijheid was een door godsdienst en gewoonte geheiligde plicht, die met grote trouw en oprechtheid vervuld werd; hij werd voorgeschreven door de godsdienst van Israelieten en Arabieren, Grieken en Germanen Zeus had zelfs de bijnaam Xenios (de gastminnende) en beschermde alle vreemdelingen Eigenaardig is het, dat bij da Grieken de gastheer niet naar de naam van zijn gast vroeg, dan pas na 'n verblijf van 9of 10 dagen VVaucluse Zie Aant 18 50)Vs 5 Schalmei ,'n meestal rieten herdersfluit 51)De vreugd der Waereld schuwt Petrarca had, om Laura te vergeten, verschillende reizen gedaan, bij voorkeur naar plaatsen met veel drukte Zo bezocht hij van 1333 tot 1336 Frankrijk en Engeland Op die reis ontdekte hij te Luik twee redevoeringen van Cicero In 1336 begaf hij zich naar Rome 52)Vs 12 De wreede =Laura 53)Vs 15 De betekenis van deze regel is waarschijnlik: Wanneer mijn roem zo groot is, dat alle minnenden mijn zangen kennen en er door ontroerd worden, dan zal Laura's weemoed, die naar wroeging zweemt, wel gewond worden, (sterven en in liefde overgaan?) Weemoed en wroeging zijn hier beide onvoorbereid en bovendien onwaar Couperus laat Laura pas in vs 6772 van haar weemoed spreken en in vs 7495 van haar wroeging Hoe kon Petrarca dit dan al in vs 15 weten? 54)Vs 16 Bij Colonna IIvs 169173 55)Vs 19 Zie III vs 203, 208 56)Vs 28 Vaucluse, olaat ik nu, enz 57)Vs 32 Dit deed hij in De vita solitaria 58)Vs 67 Wien ik vlieden zag Petrarca ontvluchtte Avignon drie keer, in 1333, in 1336 en in 1337 (Zie Aant 51) De laatste maal vestigde hij zich te Vaucluse 59)Vs 81 Door Petrarca's minnedichten werd Laura's naam onsterfelik 60)Vs 90 Deze regel is alleen te begrijpen als zag veranderd wordt in zou 61)Vs 92 Achter die een komma te plaatsen Reinen zielen is 3e naamval Vs 95 Lage hartstocht is hier wel wat sterk Taal en Letteren Jaargang 11 73 62)Vs 106 =Al verstoorde hij ook haar zoetste droom, nl van zijn Muze te mogen zijn 63)Vs 121122 di heel zacht, niet woest en met hartstocht 64)Vs 132 Men strijde en streve! Dit is 'n toegevende bijzin bij wat er volgt 65)Vs 136 Hier is Petrarca's zelfvernedering wel àl te groot Dordrecht JACOB EK W elluidendheid, Hiaat, en Medeklinkers In 'tHollands en in andere germaanse talen 1)komt de zogenoemde hiaat di de opvolging van ə+andere vokaal, tal van malen voor Ziehier enige voorbeelden uit het Nederlands Eerstens met het lidwoord; vaak wordt het gebruikt: de apen, de ezels, de uilen, enz, die ie,de a,de u,de ei de oost, de anderen Hoe vaak worden verder niet de pronomina gebruikt?: we eisen; ze aarde (na 'er moeder); ze azen (er op); je oogde (hun na), enz, enz! Dan komt talloze malen het voorzetsel voor: om te ademen, om te eten, door te eisen, met te ozen, van te uiten, enz Verder nog: haakte aan, eiste er bij, aarzelde 'et te doen Enz, enz, enz! Ik nam alleen voorbeelden die nooit anders gehoord worden Is dit onwelluidend? Hoe komt men aan dit begrip van onwelluidend? Hoe kan 't velen zelfs zo klinken aangenomen dat die velen werkelik muziekaal zijn?! 'tIs een begrip ontleend aan de klassieke verskunstleer, maar noch germaans, noch nederlands 2) Men wil deze zogenoemde hiaat (gaping) vaak aanvullen met een n; 1) Vgl voor 'tDuits: ‘der Deutsche nimmt an Wortverbindungen wie eine‿unangenehme‿Erinnerung oder diese‿entzückende‿Aussicht durchaus keinen Anstosz’ 2) In'tMndl komt het nu en dan voor: de oorzaak moet nog onderzocht Taal en Letteren Jaargang 11 74 beweert zelfs dat de voorgestelde vereenvoudiging van onze schrijftaal het wèlluidende van het Nederlands wegneemt! Welnu, wordt het Nederlands welluidender door de invoeging van de n?Dan òf invoegen ook waar een vrouwelik woord met klinker begint, of een adjectief of iets anders En weglaten ,waar een woord met konsonant begint! Vaak heet ook de opvolging van verscheidene medeklinkers onwelluidend en men verwijst naar het Russies Voor welluidend wordt dan gehouden als klinkers en medeklinkers geregeld bijkans om de andere elkaar afwisselen! Men beroept zich dan onmiddelik op het Grieks! Maakt de geregelde afwisseling welluidende taal? En blijkt dit dan, zoals sommigen willen, als het makkelik te zingen is Zijn dus zangers de ware critici? Maar zelfs moeilike muziek kan wel luidend wezen, en mooi! En zo kan toch ook moeilik te zingen opvolging van klanken mooi zijn Is werkelik de afwisseling van klinkers en medeklinkers voor welluidendheid nodig? De vraag is natuurlik niet, klinken alle opeenvolgingen van medeklinkers en van klinkers welluidend! En klinken dan 'tRussies, en zoveel andere talen, lelik? Ziehier een oordeel over het Russies van Kern: ‘Naar mijn oordeel noemen we een taal vaak onwelluidend alleen omdat die ons vreemd in de oren klinkt Over de welluidendheid van een taal te oordelen, dunkt mij over 'talgemeen pas mogelik, als we die goed kennen Ook het toeval speelt bij de eerste indruk een grote rol, bv van wie de taal het eerst horen Sommige talen vallen bij nadere kennismaking in klank mee, andere tegen; het Russies behoort mi tot de eerste, hoewel ik voorbeelden weet van mensen die het de eerste maal dat ze het hoorden, al welluidend vonden En ik voor mij vind het Russies geensins onwelluidend’ 1) BH 1) ‘Natuurlik mag men niet afgaan op het schrift en nog minder op de transscriptie; deze laatste vooral isschuld aan het bijgeloof dat er inhet Russies zoveel medeklinkers opeengestapeld worden’ We citeren dit oordeel uit ‘Vereenvoudiging’, Orgaan van de vereniging tot vereenvoudiging van onze schrijftaal Taal en Letteren Jaargang 11 75 Nieuw Middeneeuws proza De schrijver van Middelnederlandsche Legenden en Exempelen liet in 'et Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis 1)een vijftal ME geestelike prozaverhalen afdrukken over de geboorte van Jezus, na eerst met 'n inleidend woord 'et karakter van deze verhalen te hebben meegedeeld en daarbij te hebben aangewezen hoe de verschillende opvattingen in de voorstelling van deze gebeurtenis en van de daarbij passend geoordeelde omstandigheden eveneens hun vertegenwoordiging hebben gevonden in de schilderkunst van die tijd Opmerkingen voorzeker, die onze kennis van 'et Middeneeuws geestesleven niet anders dan ten goede kunnen komen De drie eerste ‘Kerstvertellingen’, de eerste uit 'et ‘BonavonturaLudolphiaansche Leven van Jezus’, de tweede uit 'et ‘Leven van Jezus’ (Handschr Stadsbibl Brugge no408), de derde uit ‘Die seven Blijscapen van Maria’ (Handschr Kon Bibl Brussel no4604) zijn parafrazes van 'et Evangelieverhaal, waarbij de in de omschrijving aangebrachte trekjes, die op zichzelf reeds niet in gebreke blijven de naïevieteit van 'tME geloof uit te drukken, ook de oorspronkelike kern van de Apostelberichten in 'teigenaardig kader van de ME dogmatiek, met name in de Verzoeningsleer, plaatsen De geboorte van Jezus valt juist op 'n Zondag in 'tuur van middernacht, omdat ook de eerste Godsopenbaring, het eerste licht der wereld, 'n aanvang in 't middernachtsuur had genomen De eerste kreten van 'tkindje worden vertolkt in 'n klacht over de val: ‘Och Adam wat hebdij gedaen, dat ic om umisdaet aldus hier liggen moet?’ De ezel en de os die 'tpasgeboren jongske ontwaren, buigen de knieën en aanbidden 'et, ‘zoals 'tdoor de profeet Habakuk was voorspeld’ Drie zonnen openbaren in de lucht 'et teken van de Drievuldigheid; de ster die de wijzen verschijnt, verbergt de gedaante van 'n kind met 'et kruis over de schouder, enz Het vierde en vijfde verhaal zijn viesioenen, één van Hendrik Mande (naar 'n Handschr Kon Bibl Brussel 388) en een van zuster Bertke (naar 'n Leids incunabel van 1518) en welk laatste verhaal uit twee delen bestaat, 'et tweede met de volledige beschrijving, 'et eerste in innige vurige taal die van 'et hoge 1) Dl I,afl 2('sGrav 1900), blz 125162 Taal en Letteren Jaargang 11 76 moment zelf De keuze van de volgorde waarin deze verhalen zijn gegeven, blijkt met opzet geschied De eenvoudige verhaaltrant in 'teerste verhaal is in 'tderde stuk door 'n warme innigheid tot 'n zeldzaam zielvol tafereeltje gedijd Het record slaat echter zuster Bertke De tekst is wel mystiezer, en door de gevoelde klankcontinuïteit allicht spaarzaam geïnterpungeerd en daardoor minder verstaanbaar, maar de fijngevoelde emoties blijken in hun verklanking tot in zulk 'n reine zielssfeer verdiept, dat ze in haar jubelzang zich in de ruimte boven de toppen van onze hoogste stemmingen weet te houden Wat zegt men van 'n bladzij als deze: ‘Doe dye ure na by was, dat Jhesus waerachtych God ende mensch geboren soude werden, doe ghevoelde die moeder Jhesu sonderlinge treckinge of suete eischinghe in haer, recht also na gelyc te setten of menigerley snaerspel waer, dat met sonderlinger kunst also gheruert worde, dat een hert, daer dat geluyt in viel, met soe grooter sueticheyt ende jubilacien vervult worde, dat alle die inwendyge crachten ende begeerten daer na neychden, om volcomelijcke te begrijpen dye melodye des sueten geluyds Nae dese gelikenisse soe was Maria, dye moeder Jhesu, van binnen gheroert ende ingetogen, doet dye tijt des barens nae by was Doe si beghan te ghevoelen dye hemelsche opclimminghe haerre inwendygher begeerten, iubilerende tot Gode, doe buechde si haer knyen totter eerden met groter oetmoedicheyt haestelijck ten voeten werdt ende voechde haer heylige handen te gaeder ende verenichde ooc inwendelic al haer crachten in een, ende openbaerde also dat si bereit was dienstachtich te wesen des wonderliken wercks, dat God wercken soude doer haer In deser iubilacien daer si in was, so waren grote scharen van den engelen omtrent Maria, dye hoghe hemelsche reden hielden met Maria Dese waren vanden drien oversten choren Dese heylige engelen vernyeuden dye moeder Jhesu, Maria, met hogher blyscap, haer sonderlinge oordelende ende prisende also seer hoochlic om haer sonderlinge waerdicheyt Si prijsdense in dien dat si van God almachtich in ewicheyt also gemint ende wtvercoren was, dat van beghinne gesloten was in den hogen, dyepen, ewigen, enygen, verborgenen raet der heyliger drievoudicheit, dat si so hooch ende so diep soude staen inder vereninghe der minnen met God, dat si van graeien als haer eygen soude gebruycken die natuer der ewiger godheit ende die glorie der hoger heiliger drievoudicheyt in sonderlinger wijsheit ende enicheit Si prijsdense oec hoochlike met groter weerdicheit in dien dat inden selven raet gesloten was van den beginne dat si een moeder wesen soude des eewigen, enighen soens, des eewygen vaders, Gods almachtich, die wt wonderliken, onbegripeliken aenroepen sijnre ewiger eygenre goetheyt daer toe getoghen wert, dat hi soude ende woude menschelike natuer aendoen ende geboren werden ende openbaeren hem als een cleyn kint ende heeten eens menschen soen Overmits deser hoger wtverkiesinghe soe prijsden de hoge doorluchtyge geesten met hoger vrolicheit boven begrip der sinnen dese overschone onbevlecte suver maecht ende gloriose moeder, die niet alleen en was onbevlect, mer blenckende ende glorioes ende glorioselike Taal en Letteren Jaargang 11 77 voertbrenghen, baren soude die hoge, diepe, verborgen, ewige, godlike reden van al dat grote, goede, volcomen, ewige, onwandelbare woert Gods, ‘fons et clausula’ Dese gloriose glorioselic verheven met hogen love, wert oec hoochlic gepresen van den hogen salighen geesten, die dyepe, hoghe bescouwers in der verborgentheyt der verwandelbaerheyt der overster waerheyt, in dien dat die enige, ewighe geest des vaders ende des soens, God selve, eewelijck behaachde, dat gedeilde te vergaderen, te geliken, te vereenigen al geheel dat selve met hem selven in hem ewich God mensch God mensch volcomen God sonder begin inden beginne onbegripelic volcomen was, wonderlijc te openbaren te verclaren dye verclaerde, op dat sonder duysternisse in haer ende doer haer geopenbaert soude werden dat hoge, dyepe, wonderlike godlike werck dat nyemant wercken en mochte dan God, dat in haer volbracht was 1) Met dit proza heeft de celbewoonster bij de Buurkerk te Utrecht, want zuster Bertke heeft zich voor haar sterfdag, in 1514, 57 jaar van de wereld afgesloten gehouden, kunnen tonen, hoe door 'n mystieke inleving als 'n wereldverblijdende heuchlikheid bezongen is kunnen worden, wat blijkens de drie eerste door Dr De Vooys uitgegeven verhalen, de gemoederen heeft beziggehouden als 'n tafereel gehuld in 'n waas van hulpeloze armoede en van barmhartigheid inroepende bekommernis Want de opvatting van die tijd gaf aan de verhalen 'n zwaarmoedige tint Straks ja, als 'et kind door Jozef aan z'n hart wordt gedrukt, dan daalt de blijdschap de hemel uit; dan heerst onder de engelen zulk 'n vreugde ‘dat daer niet uut te sprecken en was’, en 'et ‘loven der ynghelen gheen ynde nam, omdat wy weer verlost waren’; dat ‘de mensch tot noch toe viant tegen God was maer nu de peys al ghemaect is,’ etc Maar vóór al die drukke drukte onder 'et hemelenheir, voor dat boodschappen aan de herders en 'et gauw gesnel ‘tot de vaderen in 't voorgeborcht der hellen,’ is 'et toneel te Betlehem, 'et vernietigen van de Godheid tot 'n ellendig, schreiend, wichtje voor onze ogen 'n beklagenswaardig en tot tranen toe bewegend voorval geworden Wat dat lijden van Godzelf in de koude winternacht, en dat lijden van de Moeder Gods, verjaagd van 'tene huis naar 't andere, en dat smekend rondwaren van Jozef om 'n geschikte plaats van ligging voor z'n lieve Maria, dat moet de mensen snijden door de ziel, opdat ze levendig zullen voelen hoe duur de prijs is geweest, waarmee God van 'teerste moment hier op aarde af, onze zondelast heeft gekocht Lijden zal hij, en om zo ontvankelik mogelik voor 'tleed te zijn, zal hij teerder en hulpelozer zijn dan alle andere klenen Lijden zal hij nochmaals: en de wind zal waaien door de gaten en de opene wanden Lijden zal hij weer: daar is geen bed en geen bank; de mensen wijzen hen af, Jozef z'n hardheid verwijtende 1) blz 155 vg Taal en Letteren Jaargang 11 78 om met z'n vrouw in barensnood op reis te durven gaan Jozef weent, en zij die 't verhaal hoorden, hebben mee geweend Maar toch zijn ze wenende niet opgestaan in hun gemoed; en ze zijn in hun gevoel niet hard en scherp geworden tegen de druk van 'et lot: maar wel hebben ze berusting geleerd van Maria, en ootmoed en geduld in de uiterste nood: van haar de moeder Gods, de liefelike de zachtzinnige en Gods verkorene Want miste aan haar woord ooit de troost? ‘Doen sprack Maria: ‘O lieve vader, en wilt hier in niet verslagen sijn Ic heb eenen, daar ic deesen nacht bij rusten sal, die mij verwermen sal van binnen ende van buyten, dat mij noch couwe noch mist hinderen en sal, maer ic ghevoele mijn hertte alsoe ghenuchlijck, dat ic udat niet en soude connen wtghespreeken Daer om sijt wel te vreede, want God willet aldus hebben, opdat een yeghelijc exempel der armmoede daer af nemen mach Aldus trooste sij hueren man, die seere met huer begaen was Doen es Maria ghegaen in eenen hoeck ende heeft daer op huer knyeen ghevallen Ende huer meeghdelijcke handekens te gaeder gheleet, huer ogen ten hemel werts ghesleghen ende heeft aldus ghesproken: “O almachtich God, waer om hebdij mij vercoren, uarm dienstmaecht?” Och, sij gaf huer doen soe vurichlijck tot God! Huer aenschijn wert alsoe blinckende, alsoe claer als die sonne Joseph, dit merckende al aen, hij lach ock in sijn gebet ende riep “O Heer, ontfermt umijnder doer u toecomende moeder!” Soe es hij voert ghecomen als een bruygoem wt sijnder slaepcaemer wt sijns moeders lichaem, besloeten blijvende, gelijc die sonne doert ghelas schijnt al blijvet gheheel, ende lach soe voer sijnder moeder schoet opter erden ende weende soo bitterlijc, als wij allen gedaen hebben O suete kindeken, waer om weende ende sijt droove? Olacen, a, a, a! Och Adam, wat hebdij ghedaen, dat ic om umisdaet aldus hier liggen moet?’ Och, het was alsoe teederen kindeken, dat maer een vierendeel lanck en was ende drij vingeren breet, ende sijn voetkens waren maer twee leekens van eenen vingher lanck, ende lach ende beefde van grooten couwen, want het was al soe couwen nacht, dat die suete traenkens op sijn wanghen vroosen Och, het rijmde soe seere! Och, doen Maria hem sach liggen in die grote couwe ende dat hij lach en spartelde, als oft hij gheerne bij huer gheweest hadde, och, sij en dorste hem niet aen tasten Och, doen Maria hueren sone daer soe sach liggen, die daer soe genuechlijck was ende sonder pijne van huer geboren was, soe was sij soe blijde! Maer sij bekende, dat huer heer ende huer God was, soe en dorste sij hem metten iersten niet aen tasten Och, doen sij sach dat hij soe seer weende ende wierp alle twee sijn clijn handekens nae huer, al oft hij nae huer hadden willen reyken, doen en cost sij huer niet langher ghelijen Soe nam sij hem soe vrindelijck op vander erden met groote reverencien ende wert bitterlijc met hem weenende ‘O heere’ seyde sij, ‘waer toe sijdij ghecomen? O mijn God, waer toe hebdij ughegeven, aldus naect te ghecomen in dezer bedruckter weerlt? O lieve heere, ghij sijt mij soe willecommen, omijn God! O willecome, mijn lieve sone Ick dank u, dat ghij ughe Taal en Letteren Jaargang 11 79 werdicht hebt, tot ons te comen, niet om ons te verdoemen, maer om ons te verlossen’ 1) In 'et kindergeschrei ligt voor de gelovigen de voorbestemming voor de passie Niet voor niet staat op de gekleurde houtsnede, die 'et handschrift versiert, rechts van de groep der aanbiddende herders om 'tkind geknield, een kruis waaraan de lijdende Christus hangt De middernachtelike hemel boven Betlehems stal wordt versomberd door de schaduwen van Golgotha's kruis Bij 'et lezen van de hier besproken verhalen zal men opmerken dat de verschillende voorstellingen van de plaats der geboorte in hoofdzaak zijn terug te brengen tot 'n open stal (ook 'n doorgang of open huis) en 'n spelonk in 'n berg We zien er ook uit dat men bij 'et uitwerken van de vage gegevens, die de Evangeliën verstrekten, zich vooral toelegde om de diepste armoede van de tijdelike stalbewoners te laten uitkomen ‘Wat sueken wij, arm wormen ende slijck der erden, rijcdommen, daer die coninghinne des hemels ende een vrouwe der weerlt soe arm heeft geweest!’ In 'tvolkslied heet 'et dan ook: ‘Dat huis dat hadde so menich gat;’ in 't BonaventuraLudolphiaanse Leven van Jezus is de stal ‘een ghemeyn huys, dat boven niet overdect en was, daer de menscen te sitten plagen in ledegen tijden om tijtkortinge ende om locht te rapen’; in 'tBrugse handschrift is, in overeenstemming wat 'et lied en met de voorstelling in Memlinc's ‘Aanbidding der drie koningen’, ‘haer herberge seer coudt ende al vul gaten ende ne vinden daer noch vier nog hout’ Bij Mande evenwel vinden we 'n soort van overgang: ‘een open huys aen eenen berg van steenen’, terwijl we bij 'n andere schrijver der ME, bij onze Boendale namelik, ontmoeten wat ook 'et Protevangelium Jacobi ons geeft: 'n spelonk, waarin Maria door Jozef geleid wordt, waar 'n geroepen vroedvrouw bijstand verleent en de wereld van 'et wonder der geboorte getuigt, terwijl de Heiland z'n komst aankondigt door 'n helder schijnsel, dat heel de grot verlicht en dat hoe langer hoe meer in sterkte toeneemt Maar hoe komt 'et nu dat Maerlant bv in z'n Bijmbijbel zich aan de eerste voorstelling houdt: in enen ghemeenen dorganc, Tusschen IIhusen, te maten lanc, Daer Idecsel boven was, Ende daer poorters in plaghen, alsict las, Dor hitte or dor dachcortinghe Comen spreken onderlinghe 2) 1) blz 143 vlg 2) Rijmbijbel, uitg David; vs 21239 vgg Taal en Letteren Jaargang 11 80 en hoe blijft Boendale bv bij de duistere spelonk die door 'n Goddelik licht wordt bestraald Dadelik voegen we er bij dat al die variërende voorstellingen ook later terugkomen: Memlinc (te Brugge) geeft 'n open stal waar 'n koude scherpe wind door waait; van der Goes (te Florence) geeft 'n tafereel van glans en aanbidding, waar scharen van hemellingen met de knielende engelen en herders de Heiland eer bewijzen en 'et denkbeeld van 'n stal slechts zwak door de nauweliks zichtbare os en ezel wordt aangeduid; evenzo geeft van de Italiaanse meesters Filippino Lippi (in de Aanbidding der drie koningen, te Florence) 'n geïmprovieseerd afdak tegen 'n verbrokkelde muur ergens op de ruimte, waarbij de ternauwerdood merkbare koppen der dieren 'tdenkbeeld van 'n stal moeten oproepen, terwijl Boticelli (ook te Florence,) z'n afdak, dat ondertussen in 'tgeheel niet aan 'n stal doet denken, binnen 'n bebouwd terrein tussen de huizen plaatst en zich dus eerder aan 'n ‘doorgang’ of iets dergelijks houdt Blijkbaar hebben we hier te doen met twee aan 'tWesten overgebrachte overleveringen; die van 'n stal ,welke z'n herkomst vindt in de Apostelberichten, en die van 'n grot die z'n oorsprong neemt uit 'n apokrief evangelie met name dat van Jacobus En dat 'n schrijver als Boendale, blijkbaar steunende op 'tProtevangelium, evenzeer als Mande, aan dit hoewel apokrief bericht de voorkeur heeft gegeven boven 'et voor echt verklaarde, kan, daargelaten de bekoring van 'et verleidelike Licht, en de zucht naar tekenende trekjes, als van de vroedvrouw, die in hun gedetailleerdheid voor de waarheid van 'thartverheffende feit moesten pleiten, z'n grond ook hebben gehad in de legenden die de pelgrims uit 'tOosten meebrachten omtrent de plaats en de omstandigheden van Christus geboorte Te Betlehem konden vrijwel de eerste bedevaartgangers, die uit deze streken de gewijde plaatsen bezochten reeds afdalen langs de wenteltrap in de diepte onder 'et hoofdaltaar van de door Justinianus gestichte kerk der Heilige Geboorte, en thuis gekomen vertellen aan de aandachtige toehoorders van de pracht der wanden en de tekenen op de vloer, fantasties verlicht door 'et schijnsel der heilige altoosbrandende lampen J KOOPMANS Taal en Letteren Jaargang 11 81 Gedichten van PC Hooft uitgegeven door Dr FA Stoett De groote verdienste van Leendertz, toen hij nu ruim 25 jaar geleden zijn uitgave van Hooft's gedichten voltooide, lag daarin, dat hij de eerste was, die een werkelijk wetenschappelijk bewerkte uitgaaf van een onzer dichters uit de 17 de eeuw leverde Van Lennep was wel al met zijn Vondeleditie voorgegaan, maar, al moet de onverdroten werkzaamheid, daaraan ten koste gelegd, dankbaar worden erkend, en al is de al te zeer veroordeelende kritiek van vroeger heel wat zachter geworden, nu men meer en meer heeft leeren inzien, hoe groote moeilijkheden in dit geval te overwinnen waren, voor echt wetenschappelijk werk zal niemand de groote uitgave van Vondel meer houden, en trots al wat er sinds gevolgd is, we wachten nog altijd met verlangen op een completen Vondel, die een behoorlijk figuur maakt naast Leendertz' Hooft Van Leendertz's editie ligt nu de tweede druk voltooid voor ons Uiterlijk is Hooft er inderdaad heel wat op vooruitgegaan Hoeveel royaler en deftiger doet zich deze tweede druk voor, hoe kan men het hem aanzien, dat de uitgever gegronde hoop meent te hebben, niet àl te lang met groote stapels exemplaren verlegen te zullen zitten Hooft, de meest moderne onzer zeventiendeeeuwsche dichters, leent zich tot zulk een uitgave, hij heeft nog kans op een zekere mate van populariteit, bij een deel van onze tijdgenooten althans, waarop we zelfs voor Vondel en zeker voor Huygens niet mogen hopen Van den laatsten bezitten we sedert eenige jaren een uiterst volledige en met buitengewone zorg voorbereide uitgave Maar Huijgens is zoo overvloedig, zoo ontzettend spraakzaam, en, hij met zijn ijzersterk hoofd, zoo vermoeiend druk, maar vooral ook, hij is zoo heel veel minder artistiek, dat Dr Worp's moeilijke taak vrij wat minder dankbaar is geweest dat die van Dr Stoett Veel heeft Stoett bij dezen nieuwen druk onveranderd kunnen Taal en Letteren Jaargang 11 82 laten In hoofdzaak had Leendertz het werk goed gedaan naar vaste beginselen, consequent toegepast Het mag vertraagd zijn door den ongelukkigen brand, waarvan het ‘Voorberigt’ in Deel IIspreekt, en misschien zijn sommige onnauwkeurigheden ook daaraan te wijten, maar bij de resultaten zijner nasporingen en ook bij de verklaringen, die hij van den tekst geeft, kan men zich in 'talgemeen gerust neerleggen, al heeft Stoett, dank zij ook den vooruitgang onzer kennis der oudere taal, in die laatste meermalen verbeteringen aangebracht De veranderingen in den tekst berusten op verschil van inzicht: we komen daarop natuurlijk terug Behouden is in de eerste plaats de rangschikking der gedichten Zuiver chronologisch is die in zooverre niet, dat de dramatische werken afzonderlijk in het tweede deel zijn bijeengebracht Ik geloof niet, dat iemand tegen deze regeling bezwaar kan hebben, Noch bij Vondel noch bij Huygens zijn de uitgevers aldus te werk gegaan, maar het zou bij die twee ook heel wat moeilijker zijn geweest, een dergelijke scheiding te maken tusschen grootere en kleinere gedichten Hooft's dichterlijke nalatenschap is, in vergelijking met wat die twee hebben geleverd, echter klein te noemen, en we kunnen, indien het noodig is, het tiental spelen gemakkelijk in gedachten elk zijn plaats tusschen de kleinere gedichten aanwijzen En we winnen er door, dat we altijd terstond weten in welk deel we een bepaald versje of een bepaald soort gedichten moeten zoeken, en we kunnen het tweede deel over 't algemeen wat meer zijn rust laten, 'tzij met allen eerbied voor den Warenar gezegd Dat ook de chronologische volgorde zoo goed als niet veranderd is in dezen tweeden druk, is niet alleen aan Leendertz' nauwkeurige studie te danken Betrekkelijk heeft Hooft ons het rangschikken zijner gedichten, zoowel als het vaststellen van den tekst gemakkelijk gemaakt door de uitnemende zorg, die hij en de zijnen voor zijn handschriften hebben gedragen Er blijven wel chronologische moeilijkheden op te lossen, maar die zijn toch heel wat minder bezwaarlijk dan bijvoorbeeld bij mannen als Vondel en Bredero Toch is het niet altijd zoo eenvoudig het juiste jaar, waarin een gedicht is geschreven, vast te stellen De heer Stoett heeft ook daar over geen nieuws geleverd Alleen haalt hij met blijkbare instemming aan (II, 450), wat Dr AS Kok in zijn Van Dichters en Schrijvers over den ouderdom van Achilles en Polyxena heeft opgemerkt 1)Dr Kok maakt daar namelijk (I, 44) uit het voorkomen in den Achilles van het vers: 'kBenij Juppyn ambroos en nectar niet (vs 1036) 1) InDl I,324 isStoett trouwens nog van oordeel, dat de Achilles van voor de reis naar Italië is Taal en Letteren Jaargang 11 83 op, dat de Achilles nà de Italiaansche reis geschreven of in elk geval herzien en gewijzigd is Immers, zegt hij, deze regel werd door een ‘Florentijn van de Academie der Builkist’ als devies gekozen en Hooft toont in een brief van het jaar 36 aan Justus Baak, dat hij met de anecdote van dien lustigen Florentijnschen litterator bekend was En aangezien hij die kennis moeilijk elders dan in Italie zelf kan hebben opgedaan, kan de versregel eerst na de reis daarheen in den Achilles zijn gekomen Deze redeneering is echter alles behalve overtuigend Want Hooft kan het vers immers even goed aan Petrarca zelf hebben ontleend als aan den bewusten Florentijn van de Builkist Of liever, het is bijna ondenkbaar, dat hij het aan den laatsten zou hebben ontleend, want niemand zal in een ernstig bedoeld gedicht, en Achilles is in zijn vreugde over Polyxena's wederliefde hoogst ernstig een regel gebruiken, die hij alleen als parodie heeft leeren kennen Eerder zou men kunnen vermoeden, dat Hooft, nadat hij in Italië den regel zoo had hooren parodieeren, hem niet meer in zijn tragedie zou hebben ingelascht, al had hij hem ook vroeger reeds uit Petrarca leeren kennen In elk geval zou men om aan de redeneering van Dr Kok gewicht te hechten, moeten aannemen, dat Hooft voor zijn Italiaansche reis nog geen studie van Italiaansche dichters had gemaakt Want heeft hij dat wel, dan kan ook uit den aan de Italianen ontleenden bouw van de rei van 421 vlg niets worden bewezen Nemen we daarentegen aan, dat Hooft voor zijn reis naar Italië nog te jong was om ook maar eenigszins met Italiaansche dichters vertrouwd te zijn, dan zitten we wel wat verlegen met het eerste sonnet dat hij volgens de uitgave heeft gemaakt (Dl I,1) en dat een vertaling van een sonnet van Petrarca is Hij zal dan ook dat òf na de reis òf tijdens de reis moeten hebben geschreven Onmogelijk is dat zeker niet Ook zal ik niet beweren, dat we recht hebben den Achilles als stellig voor de Italiaansche reis geschreven te beschouwen, ikwilde alleen aantoonen dat Dr Koks bewijzen voor het tegendeel zwak zijn Dat de scheiding tusschen Tafelspelen en Tooneelspelen door Stoett is gehandhaafd, spijt me Ik begrijp niet, waarom men alle spelen niet eenvoudig naar tijdsorde zou plaatsen: Achilles en Polyxena zou dan in elk geval het eerste staan De nu gevolgde orde zal wel een overblijfsel zijn uit vroegere uitgaven, toen men ook de andere gedichten soort bij soort placht te schikken Een heel gemak zou het eindelijk zijn geweest, wanneer men, zooals in Worp's Huygens, bovenaan de pagina het jaar vond, waarin de daarop staande gedichten geschreven zijn Maar ik erken, mooi staat dat niet En Stoett stond nu eenmaal voor de taak Taal en Letteren Jaargang 11 84 een editie te leveren, die zoowel voor den vakman als voor den belangstellenden leek geschikt zou wezen Niet alleen wat aangaat de chronologie ook in vele andere opzichten heeft Stoett in het eens door Leendertz verrichte geen veranderingen gebracht Het boek begint dan ook met de oude inleiding van L Terecht: wat daarin wordt meegedeeld is in hoofdzaak nog juist en wat er in onjuist was gebleken of veranderd was, heeft St in de noten verbeterd of aangevuld 1)Nieuwe vondsten en wat hij verder noodig achtte mee te deelen geeft Stoett in een Inleiding voor den tweeden druk Enkele opgaven zijn door deze wijze van doen nu wel wat verspreid, zoo hebben we nu bijvoorbeeld geen aaneengeschakelde opnoeming meer van de drukken, waarin liedjes van Hooft voorkomen, maar groot is dat bezwaar niet en bij de spelen vervalt het geheel door de welkome opgave van drukken, die men voor ieder der stukken afzonderlijk vindt Wie na het voorgaande meent, dat het verschil tusschen den eersten en den tweeden druk der Gedichten van Hooft klein moet zijn, vergist zich Het onderscheid is integendeel belangrijk We kunnen in hoofdzaak de volgende verschilpunten constateeren: 1 De tekst wijkt nu en dan bij Stoett van die van den eersten druk af, 'tzij ten gevolge van een ander gebruik, dat van het voornaamste hs is gemaakt, 'tzij tengevolge van het vinden van nieuwe hss of drukken 2 De literairhistorische aanteekeningen zijn belangrijk uitgebreid 3 De verklarende aanteekeningen zijn vermeerderd en, waar noodig, gewijzigd Het eerste punt is het belangrijkst Leendertz en Stoett namelijk volgen in het gebruik van het verreweg voornaamste hs een geheel verschillende wijze van doen Dit zoogenaamde hs Aiseigenlijk een verzameling van door den dichter zelf geschreven manuscripten, waarvan de rijmkladboeken, zooals Hooft ze zelf noemt, voor de kwestie, waarover wij nu gaan spreken, de belangrijkste zijn Belangstellenden vinden de beschrijving van dit gewichtig document in L's inleiding (blz VI vlg) In het gebruiken van het hs gaat L aldus te werk Bij de meeste gedichten vindt hij vrij wat doorhalingen en veranderingen, want Hooft was niet 1) Enkele kleinigheden zijn daarbij over 'thoofd gezien Zoo de foutieve aanhaling op blz XV, waar niet de 2e regel van het 2e couplet van Psalm 104, maar van het 10e bedoeld wordt Inde noot op blz IX had wel even mogen worden opgemerkt dat de oudst bekende druk van den Schijnheiligh niet meer die van 1638 maar een van 1624 is Taal en Letteren Jaargang 11 85 licht met zijn eigen werk tevreden Hij tracht nu met zekerheid uit te maken welke lezing de dichter in den tijd, toen hij het gedicht maakte, ten slotte de beste vond Veranderingen, waarvan hij kon nagaan, of meende te kunnen aannemen, dat ze van aanmerkelijk lateren datum waren, neemt hij in den tekst niet op Gewoonlijk trouwens, meent hij, waren die latere veranderingen geen verbeteringen Stoett daarentegen redeneert ongeveer aldus: ‘niet wìj hebben uit te maken, welke lezing ons het mooist voorkomt, maar we hebben ons neer te leggen bij het oordeel van den dichter Heeft hij gemeend, dat iets, wat hij in een gedicht had geschreven, minder juist of minder mooi of om een andere reden verwerpelijk is, dan mogen wij niet wijzer willen zijn dan hij’ Dit verschil van inzicht is van groot belang Het vraagstuk is, geloof ik, gewichtig genoeg, om het wat uitvoeriger te behandelen Ik begin met de overtuiging uit te spreken, dat Stoett's redeneering misschien veel voor moge hebben, maar dat de wijze, waarop hij zijn beginsel heeft toegepast, verwerpelijk is Ik ga daarbij niet af op den eersten indruk Veranderingen in gedichten maken op iemand, die ze in hun vroegere gedaante heeft leeren genieten, natuurlijk geen aangenamen indruk Als je vaak en altijd met welgevallen gelezen hebt: O Venus ,die hebt yders hart in handen ,dan word je wat wrevelig, wanneer je in plaats daarvan krijgt: Heilighe Venus ,die 'troer houdt aller harten Ieder die het kostelijk versje kent (L 168, St I58) probeer het met al die vervormde versregels daarin in de nieuwe uitgave Intusschen dat gevoel van onbehagen, ofschoon dan natuurlijk als men iets, dat men lang gekend heeft, veranderd vindt, kan hoegenaamd geen gewicht in de schaal leggen Maar ik zal trachten aan te toonen, dat de weg, dien Stoett gevolgd heeft, tot tegenstrijdigheden en inconsequentiën leidt De rangschikking der verzen in deze uitgave is chronologisch Waarom? In de eerste plaats zeker wel om den ontwikkelingsgang van den dichter te kunnen volgen en te kunnen nagaan, hoe hij in zijn verschillende perioden dacht en hoe hij zijn gedachten uitdrukte En nu is het toch wel duidelijk, dat wanneer wij in gedichten uit een bepaalde periode veranderingen of soms wel geheel nieuwe verzen opnemen uit een dikwijls aanmerkelijk later tijdperk, de chronologische volgorde een fictie wordt, en we bovendien, wat erger is, een geheel krijgen, dat zoowel uit een psychologisch als uit een artistiek oogpunt tweeslachtig is Op blz 22 lezen we het omstreeks 1602 vervaardigde gedichtje: Ick loos de suchten ,die mijn bange borst verstoppen enz Bij L telt dat versje 10½ couplet, bij St 7coupletten Bovendien zijn de laatste twee daarvan geheel verschillend van wat wij Taal en Letteren Jaargang 11 86 bij L lezen De op vs 20 nog volgende 22 verzen waren namelijk in hs A alle geschrapt en op een los blaadje, waarop aan den anderen kant een brief uit 1633 staat (vgl L blz 26), zijn de beide afwijkende coupletten geschreven, door St opgenomen Dus bij hem zijn de eerste vijf coupletten van dit versje uit het jaar 1602, de laatste twee van meer dan dertig jaar later, toen Hooft zijn gedichten voor de groote uitgave van 1636 aan zijn toenmalige opvatting van taal, versificatie en poëzie toetste Natuurlijk was die opvatting in al die jaren nog al wat veranderd Aan één zaak, die, zoo men wil, van weinig belang is, maar door Hooft toch altijd als nog al belangrijk werd behandeld, kan men gemakkelijk merken, dat het gedicht nu uit ongelijksoortige stukken is samengesteld, namelijk aan de spelling, bijv in het oude vs 20: ryck in het nieuwe vs 25 hemelryk ,in het oude vs 1suchten in het nieuwe vs 28 zuchten (vgl Inl XLVI) Een tweede voorbeeld van een verandering in den tekst, waarvan we ongeveer den tijd kunnen vaststellen Door Stoett niet in den tekst opgenomen is ook een couplet van het gedicht op blz 25: Indien het clagen can versachten d'ongenade en wel dat, hetwelk bij L het zesde is Natuurlijk neemt hij het niet op, want het was in A doorgeschrapt Maar wanneer? Aangezien de verzen nog in den derden druk van den Lusthof (van 1607 zie Inl XV) afgedrukt zijn, maar niet meer in de Emblemata (van 1611, Inl XVII) voorkomen, zal Hooft ze wel hebben verworpen, toen hij de gedichten voor dat laatste bundeltje uitzocht en nakeek, dus in 1611 De veroordeelde verzen waren niet mooi, de dichter had in 1611 gelijk, maar vroeger had hij de regels toch goed genoeg gevonden En het ontbreken van het couplet in het versje dat in de chronologisch gerangschikte editie op omstreeks 1602 wordt geplaatst, stelt hem daar nu negen jaar wijzer voor dan hij toen was En hetzelfde geldt, om nog aan een derde voorbeeld te toonen, hoe veel later de wijzingen gewoonlijk zijn gemaakt dan het oorspronkelijk gedicht, van de veranderingen in de Mommery II, 4, 25 vlg De wijzigingen zijn weinig beduidend in het weinig beduidend stuk, maar waarom ze opgenomen, als wij weten, dat hel spel in 1602 is geschreven en de tekst nog in de Emblemata (1611) in den ouden vorm is afgedrukt (Ook nog in den tweeden druk der Emblemata ,1618?) Uit de drie gegeven voorbeelden zal wel duidelijk zijn, dat werkelijk de chronologische volgorde een fictie is geworden: de Hooft van 1638 staat naast die van 1602 en onmiddelijk volgt die van 1611 Taal en Letteren Jaargang 11 87 De gewone oorzaken der tallooze veranderingen door den dichter aangebracht zijn van aesthetischen of taalkundigen aard In de Inleiding van Leendertz LII vlg kan men vele voorbeelden van om die redenen gemaakte wijzingen vinden, vooral vele, zeker verreweg de meerderheid, heeft hij noodig gevonden, omdat hij vormen, die hij vroeger in zijn eenvoud had gebruikt, later op taalkundige gronden verwerpelijk achtte Maar er waren ook wel eens andere redenen Het is wel bekend, dat Hooft, toen zijn eerste vrouw Christina van Erp gestorven was, eenigen tijd met vrij wat toewijding het hof heeft gemaakt aan de veel gevrijde Susanna van Baerle Tot de aan haar gewijde gedichtjes behoort dat wel wat heel precieuse (blz 239): Zujver' hebbelijke handtjes Zinnediefjes, stookebrandtjes, Die een zieltje, waer ghij tast, Blijft aan elke vinger vast: enz Daarin zijn de regels: Blixemschutjes, oolyk' ooghjes; Helderbrujne lichte loochjes, Die, met glimpen van uw swart 'T gulden geel der starren tart, later in de uitgaven vervangen door: Blixemschutjes, vroolyk' ooghjes; Heldere zaffiere loochjes, Die, met glimpen van uw smalt, Boven 'tgoud der starren bralt Men hoeft de ongegronde en voldoende weerlegde meening van Jorissen, die wel wat lichtvaardig door Leendertz werd overgenomen, dat deze verzen daarom zouden zijn gewijzigd, om het gedicht pasklaar te maken voor Leonora Hellemans, nog niet te zijn toegedaan, om het toch heel begrijpelijk te vinden, dat de veranderde omstandigheden Susanna was intusschen met Huygens en Hooft met Leonora getrouwd het wenschelijk maakten voor het groote publiek niet al te duidelijk te maken, voor wie het versje oorspronkelijk bestemd was geweest Maar toen het gedichtje uit 's dichters hart kwam, moèsten die regels staan, zooals in de eerste lezing en niet anders Intusschen in het hs zijn de Taal en Letteren Jaargang 11 88 verzen vervangen en Stoett, eenmaal slaafs aan zijn hs gebonden, neemt de latere lezing op En wat is nu dus het geval? Hooft wordt hier voorgesteld in een verliefde bui een versje makende op de mooie brunette, want in de noot staat dat het aan Susanna is gericht; maar hij schijnt onderwijl te vergeten, hoe zijn schoone er uitziet, althans uit Stoett's uitgave van Hooft zou men opmaken dat Susanna van Baerle een jonkvrouw is met zaffiere dus diepblauwe oogen De oplettende, maar argelooze lezer, die natuurlijk niet zoo heel ijverig in de dan ook niet voor hem bestemde varianten kijkt, ziet die opvatting niet gelogenstraft in het sonnet op blz 242, waar het ‘krujvend git ’van de oorspronkelijke lezing er ook zorgvuldig is uitgewerkt en door krujfde zijd is vervangen, maar zeer verbaasd moet hij opkijken, wanneer Clorinde in wie hij geleerd heeft Susanna te herkennen, op blz 245 plotseling optreedt met een Yvooren hooft gekroont met ragh van gitte en met brujn van levendighe kraelen Dat Susanna hier haar eigen complexie behouden heeft, is Hooft's schuld niet Toen hij het vers wilde laten drukken heeft hij het even goed gewijzigd als de vorige, zooals men bij de aanteekeningen (I, 378) zien kan, maar toevalliger wijze liet hij het op het losse blad, waarop wij het gedicht in hs A bezitten, onveranderd In dat ‘toevalliger wijze’ ligt de groote grieve, die ik tegen Stoett's stelsel van uitgeven heb Hij geeft aan de verzameling, die hs A heet, een autoriteit, die ze onmogelijk hebben kan De tekst dien we van de verschillende verzen er in vinden is nu eens de oudste onveranderd, dan eens een, waarin Hooft voor de laatste editie, die hij heeft voorbereid, veranderingen heeft gemaakt, en eindelijk weer een, waarin hij heeft gewijzigd voor een of ander bundeltje van 1617, of 11 of 15, of voor de een of andere uitgave van een tooneelspel Lang niet alle veranderingen, die hij in den loop zijner jaren, als hij telkens en telkens weer zijn gedichten herlas en overdacht, noodig vond, staan er in En er staan er wel in, die hij misschien heelemaal niet wenschte aangebracht te zien, maar eenvoudig in overweging hield Want wie zal zeggen aan welk woord of aan welk vers de dichter de voorkeur geeft, wanneer hij boven of naast het reeds geschrevene iets anders schrijft, zonder het vroeger geschrevene te schrappen? En hoe dikwijls dat het geval is, kan men in de opgaven der oudere lezingen (II 461 vlg) zien Stoett rechtvaardigt zijn wijze van doen (Inl blz LXXI) met de volgende woorden: ‘En nu komt het mij voor, dat wij bij de uitgave zijner gedichten niet moeten vragen, wat wij zelf het mooist vinden, maar wel hoe Hooft, overeenkomstig zijn Taal en Letteren Jaargang 11 89 smaak en zijne begrippen van metrum en rhythmus wilde, dat ze gelezen zouden worden’ Goed, indien de heer Stoett dat wilde, dan had hij niet anders te doen gehad dan de gedichten te laten drukken zooals ze worden gelezen in de editie van 1636, waarvoor de dichter zijn verzen alle nog eens nauwkeurig heeft nagezien Dan zou deze tweede druk zeker nog heel wat meer van den eersten afwijken Het bekende gedichtje Galathea siet den dach comt aen luidt bij St nog al verschillend van de lezing er van bij L, maar in de editie van 36 staat nog heel wat anders (zie I,334) En voorbeelden van nog radicaler omwerking kan ieder uit Stoett's uitgave in overvloed opzoeken (I, 362 Op 's winters endt ;376 Aan Arbele ) Ik heb eerst gemeend, toen ik zag dat de uitgever in elk geval niet 's dichters laatste redactie der verzen gaf, dat hij van zins was ze in dien vorm te geven, dien Hooft ten slotte het best had gevonden, als hij ze voor 'teerst drukken liet Vele gedichten zijn jaren lang in portefeuille gebleven en hebben reeds heel wat veranderingen ondergaan voor de dichter ze waardig vond voor het publiek te verschijnen Dat zou de chronologische volgorde ook wel geen goed hebben gedaan, maar het was ten minste een consequent stelsel geweest Maar ook dat bleek me onjuist De lezer heeft het al kunnen bemerken uit wat ik meedeelde omtrent de tot Susanna van Baerle gerichte versjes, waarvan de eersten bleken afgedrukt, zooals ze in de uitgaven verschenen, het laatste zonder den voor den eersten druk gemaakte veranderingen Uit mijn andere voorbeelden was het ook al te zien: Ick loos de suchten is het eerst in de Emblemata (zie I,337) gedrukt, en daar lezen we het noch zooals het bij L noch zooals het bij St staat Indien het claghen can versachten d' ongenade wordt het eerst in den Lusthof gevonden, en daar, zooals we zagen, ontbrak het later verworpen couplet nog niet Uit de boven aangehaalde woorden van Stoett zou eindelijk ook nog volgen, dat de voor de uitgave van 1636 door Hooft gewogen en te licht bevonden gedichten, ook niet meer in onze uitgaven moesten worden geduld Waarom wel 's dichters oordeel ten opzichte van enkele coupletten en niet van geheele gedichten gehonoreerd? Misschien zouden, in den geest van de editie van 71 (zie Inl XXXII vlg), nog enkele bij die de uitgave van 36 geeft, hebben kunnen worden gevoegd Dan hadden we waarschijnlijk een verzameling naar inhoud en vorm zoo, als Hooft die ten slotte het wenschelijkst zou hebben gekeurd Maar aangezien Dr Stoett dus, zooals we gezien hebben hs A's laatste redactie altijd opneemt, krijgen we nu een tekst, die soms heel oud en soms modern is, en het gevolg is dat redactie's en vormen in bonte mengeling door een staan Taal en Letteren Jaargang 11 90 Evenals in de vaststelling van de redactie wijkt Stoett ook van zijn voorganger af ten opzichte van de spelling van die gedichten, die, ofschoon in een vroegere periode ontstaan, alleen uit een lateren druk bekend zijn Leendertz herstelt in die stukken naar zijn beste weten de oorspronkelijke spelling, Stoett laat ze in den vorm, waarin hij ze vindt De zaak is niet van groot belang, en ik geloof, dat ik voorzichtigheidshalve ook maar liever als Stoett zou hebben gehandeld, al heeft L ook met veel studie en nauwkeurige zorg de spelling der verschillende perioden vastgesteld Dat we nieuwere spelling ook vinden in de veel later gemaakte veranderingen, die de laatste uitgever in andere stukken opneemt, spreekt van zelf De grootste verandering heeft in dezen tweeden druk ondergaan het treurspel Achilles en Polyxena Leendertz moest zich bij de uitgave behelpen met een, buiten weten van Hooft, in 1614 uitgekomen druk van dit stuk en van Theseus en Ariadne Die druk was slecht Hooft zelf zegt er van in de voorrede van de Granida (II, 147), dat de Achilles voor den dag is gekomen so verkrepelt ,dat (hij )niet so veel als een regel tot sijn wil heeft ,en Leendertz beweert (Inl XIX), dat hij geen andere uitgave van een hollandsch gedicht kent, zoo vol fouten Het vinden door Dr Bolte op de Koninklijke Bibliotheek te Berlijn van een handschrift, waarin nevens eenige andere stukken ook tooneelspelen van Hooft stonden en waarvan Dr Kalff in het Tijdschrift (XI, 261) verslag heeft gegeven 1),heeft Stoett in staat gesteld een veel beteren tekst te leveren Zoowel Hooft zelf als Leendertz overdrijven wel is waar een beetje de verwerpelijkheid van de door L gebruikte uitgave van 1614, en dat Kalff zelf een bepaald gunstiger indruk van het stuk heeft gekregen door dit nieuwe hs (Tijdschr XI, 264), is me volmaakt onbegrijpelijk Door Bilderdijk en Leendertz was op tal van plaatsen de ware lezing uit wat de uitgave van 1614 gaf, opgemaakt Maar ze hebben veel te veel willen verbeteren Tallooze malen komen het Berlijnsche hs (B) en de uitgave (U) overeen, 1) Kalff's gissingen omtrent de herkomst van dit handschrift lijken me niet heel gelukkig Het vermoeden, dat het inhet bezit zou zijn geweest van Hooft's vroegere liefde, Brechtje Jans Spieghel, wordt weersproken door de omstandigheid dat Brechtje alinJanuari 1605 gestorven isen erinhet bewuste hs behalve de Achilles ,die van ongeveer 1600 is, ook nog een afschrift van de Granida wordt gevonden, die pas inMaart 1605 voltooid is Het andere argument, dat K put uit de verandering van boelage invryage (in vs 28) iswel aardig gevonden, maar wanneer men ziet, dat ook het Amoureus Liedtboek (Stoett I,LXXIII) vryage heeft, begint men ernstig tetwijfelen, ofde preutsche schrijfster van het hs, indien het inderdaad een schrijfster was, wel iets teveranderen zal hebben gehad Taal en Letteren Jaargang 11 91 waar Leendertz een eigen lezing heeft opgenomen, omdat hij, wat hij in zijn druk vond, onzinnig achtte; en hij heeft dus menigmaal aan den drukker geweten, wat voor Hooft's rekening komt Met dat al de uitgave ìs slecht en B is veel beter Stoett heeft dan ook het laatste zoo goed als geheel gevolgd, bijna zonder notitie te nemen van U Het stuk is het nauwelijks waard er al te veel woorden aan te besteden, maar ik moet toch aantoonen, waarom ook deze wijze van doen me niet volkomen verdedigbaar voorkomt Vooreerst, indien men nu eenmaal het nut staat dikwijls lang niet in rechtstreeksche verhouding tot al het vermoeiend gepeuter, dat er bij te pas komt een lijst van varianten geeft voor andere gedichten uit allerlei, ook minderwaardige, drukken, waarom dan niet de varianten uit U opgenomen? En ten tweede, indien men toch al genoodzaakt is sommige in B ontbrekende verzen (568, 1166, 1205) uit U op te nemen, en indien men een enkele maal bij een blijkbaar bedorven, geheel onbruikbare lezing in B, U te hulp heeft moeten roepen (1526, 1639, 1782), waarom dan maar niet liever een stap verder gegaan en een lezing van het stuk samengesteld door het beste uit B en U te kiezen Want ook B is volstrekt niet onberispelijk Er zijn plaatsen, waar U en Bblijkbaar gemeenschappelijke fouten hebben In vs 1278 zegt Ajax (in U en B): Mijn vader Telamon heeft Troyen helpen winnen En voer met Hercules omt gulden vlies te vinnen Omdat er zóó iets stond, dat onjuist was, en omdat het Latijn van Ovidius, dat hier wordt vertaald, heeft (Metam XIII, 23): Moenia qui forti Trojana sub Hercule cepit Litoraque intravit Pagasaea Colcha carina , bracht L de woorden met Hercules in het tweede vers naar voren, en ik geloof, dat het zoo inderdaad wezen moet In vs 1449 staat onverklaarbaar in B en U: het wapen dat mij dede Achilles vinden eerst eysch ick dees wapens mede Ovidius heeft Met XIII, 179: illis haec armis arma peto ,en L veranderde, alweer mi terecht, met 'twapen Zie verder 550, 730, 1158 Ik geef nu als voorbeelden nog eenige plaatsen, waar U's lezing had moeten gekozen worden, naar het mij voorkomt, in plaats van B's: Taal en Letteren Jaargang 11 92 314 Uit U vóór alleen ,Ghij in te voegen Lees met U in 916 eene schoone vrou voor dees sch vr,in 1174 minnesmert voor mijnen smert ,in 1206 Dat ick voor Dan ickt , in 1258 hij voor ghij (Ovid ll7: dubitavit ),1328 verweet voor verwijt (Ovid ll69 exprobavit )1469 zendt men voor zandt men (Ovid 193 mittor ),1708 besat voor besit enz Ik laat het Berlijnsche handschrift verder rusten Bij een vluchtig vergelijken kwam het me voor, dat het wat Granida aangaat wel eens oorspronkelijker kon zijn dan het door Stoett gevolgde afschrift, dat in hs A gevonden wordt Maar 'tis waar, voor Stoett zou dat nog geen reden zijn geweest het boven A te verkiezen Een belangrijke en welkome aanwinst zijn in dezen tweeden druk de door Stoett bijgevoegde vrij uitvoerige literairhistorische aanteekeningen, die bij Leendertz, waar ze onder aan de pagina's van den tekst staan, wel niet ontbreken, maar van minder beteekenis zijn Verreweg het uitvoerigst zijn ze bij het eerste deel, wat een natuurlijk gevolg is van de verdeeling, waardoor in dat deel de over het algemeen meer gelezen kleinere gedichten staan, die bovendien dikwijls aan allerlei bekende of minder bekende personen zijn gewijd Dr Worp heeft er in zijn aankondiging van dit deel (Museum VII, 262) al op gewezen, dat het verbannen van de aanteekeningen naar achteren wel wat bezwaarlijk is voor den studeerende, die dikwijls bovendien nog de varianten moet raadplegen, die hij achteraan Deel IIte zoeken heeft Maar al moge dat voor den vakman waar zijn, men wint er dan toch mee dat de bladzijden van den tekst er wat behagelijker uitzien, en dat is ook wat Daar achterin vinden we een inderdaad rijken schat van bijzonderheden en menige kleine aanwijzing voor hen, die zich van de een of andere questie wat nauwkeuriger willen op de hoogte stellen Iets meer onder aan de pagina ware allicht hier of daar wenschelijk geweest, omdat het voor een juister waardeeren van een versje, ook voor den gewonen lezer, noodig kon zijn Bij het lezen van het sonnet op blz 77: Voor 'tdroevige gemoedt gesmoort in hooploos leidt , verhoogt het de belangstelling, dunkt me, indien men weet, dat het voor Hooft's latere vrouw Christina van Erp is geschreven, en dat zij toen nog een meisje van ‘sweet seventeen’ was 1)Dat bij de aanteekeningen in Deel Ide bladzijden, waarbij ze behooren niet staan opgegeven, is een heele last, maar gelukkig is daarvoor in D IIgezorgd 1) Dr Stoett zal zeggen: ‘maar ikben lang niet zeker, dat DJA Christina van Erp is’ Inderdaad, hij had zich wat mij betreft zelfs nog wel wat sterker kunnen uitdrukken, dan hij I,343, doet Taal en Letteren Jaargang 11 93 Van enkele gedichten had L reeds vertalingen meegedeeld, St heeft daar eenige bijgevoegd Er zouden, vooral uit vroegeren tijd, zeker nog wel meer te vinden zijn geweest, maar ik zou niet durven zeggen, dat het de moeite loonen zou, ze te zoeken en af te drukken Vergeten is blijkbaar mededeeling te doen van de vertaling in het Engelsch van het sonnet op Hugo De Groot (I, 151) door Edmund Gosse, denzelfden, die een deel der rei uit den Achilles (vs 429 vlg, zie II, 449) zoo handig tot een Engelsch sonnet heeft omgewerkt, in Warringtons Sonnets of Europe Belangstellende lezers kunnen het ook in het Tijdschrift VIII, 157 vinden, waar Dr Kok het bespreekt Ze kunnen dan opmerken, dat Opitz met zijn Leitsternen meines Haupts (zie I,336) niet de eenige is geweest, die de vrijheid heeft genomen Hollandsche gedichten te vertalen zonder ze voldoende te verstaan Weldighe ziel , zegt Hooft Vermoghend' wt te brêen ,in dierbaar dicht , Wat raedt oft recht oyt God oft menschen spraecken: Sulx Hollandt ooght ,als zeeman op een baecken In starloos weer ,op uw verheven licht: enz De Engelschman wist blijkbaar niet wat dat ooght toch beteekende, en ook sulx , dat zoodat beduidt, was hem allesbehalve helder en hij maakte er van: Thou art the eye of Holland; when storm rings In starless weather ,thou dost lift they light! Nu, oog en oogt ,'tscheelt maar één letter, en er staat nu wel heel wat anders dan bij Hooft, en er is wel niet heel veel verband in deze twee Engelsche regels, maar op 'tlaatst wordt toch licht verheven ,en we kunnen dus tevreden zijn 1)Om billijk te zijn, moet ik erkennen, dat de overige regels lang niet kwaad zijn weergegeven Ook over navolging van Hooft door de latere dichters, vooral 1) Een niet onvermakelijk voorbeeld van een dergelijke vertaling op den klank afvond ikeens ineen tijdschrift, Niederl Museum ,Mag für Gesch etc inden Niederl ,Carlsruhe 1837, II, 61, waar Bredero's bekende: De minne ,die inmijn hartje leyt werd weergegeven met: Die minne von der mir das Herz so weh ,Sie wird nicht enden noch sterben Dat leyt had in minnedichtjes een tebekenden klank voor den Duitscher, om tekunnen denken, dat er iets anders zou kunnen zijn bedoeld dan iets, wat met wee en lijden inverband moest staan Taal en Letteren Jaargang 11 94 door Broeckhuyzen, zou zeker nog wel meer te zeggen zijn, dan de aanteekeningen (zie I,340, 360) geven Enkele sonnetten van den laatste zijn soms bijna neem bijvoorbeeld dat beroemde In over Rynze lugt ,bij daken onbekend mozaiekwerk van Hooftsche reminiscensen Vergelijk maar eens den regel: En tobt den tragen tijd met arbeid aan zijn end ,met dien in het sonnet Geswinde grijsart (H I,98): en tob de lange daeghen Met arbeit avontwaerts Maar het is mijn bedoeling niet, dat het te verwachten of ook maar te wenschen zou zijn, dat de uitgever veel opmerkingen in dien geest had gemaakt In tegendeel, het zou den omvang van het boek noodeloos hebben vergroot; eer zou ik des noods wel wat van dien aard, de latijnsche paraphrase's bijv, hebben willen missen Een niet oninteressant studietje wijdt Stoett nog aan de omwerking van den veel besproken brief uit Florence Met zijn meening, dat die omwerking niet van Hooft zelf kan zijn, voel ik veel neiging me te vereenigen Dat Brandt nu juist weer de schuldige moet zijn, komt me minder bewezen voor De schrijver geeft het dan ook maar als een gissing, en ik moet erkennen, onmogelijk is het niet Jammer dat Potgieter nog niet met den twijfel aangaande Hooft's auteurschap in dezen heeft mogen bekend zijn, hij had zich dan althans iets minder te bedroeven gehad over Hooft's gebrek aan vrijheidsliefde of het afsterven daarvan bij hem, zooals dat uit sommige veranderingen in den brief scheen te blijken (zie de aanteek op Florence , Poëzie I,344) Een ding, dat tot deze rubriek, de literairhistorische aanteekeningen, kan worden gerekend, mis ik noode Het is een lijst van de in de gedichten van Hooft besproken of genoemde tijdgenooten met aanwijzing van de plaats, waar ze voorkomen In Worp's Huygens heeft zoo'n lijst me al herhaaldelijk goede diensten bewezen en voor Hooft ware ze heel wat gemakkelijker samen te stellen geweest En eindelijk mag ik niet van deze rubriek afstappen zonder dankbaar te wijzen op de opgave achter Deel Ivan de Wijzen en melodieën Men vindt daar aangegeven, waaraan de versregəls, die als wijze boven de liedjes staan zijn ontleend en gewoonlijk ook, waar men de melodie zelf moet zoeken Een werk van veel zweets, daar kan men zeker van zijn Over de aanteekeningen, althans in Deel I,heb ik vroeger in dit Tijdschrift (X 267 vlg) al het een en ander gezegd Ik zal deze bespreking eindigen met nog een paar opmerkingen aangaande naar mijn meening niet geheel juist verklaarde plaatsen of woorden bij het vroeger geschrevene te voegen Taal en Letteren Jaargang 11 95 1, 21, 14 Doch nau en issij niet ,gelijck het schijnt van buiten , Maer wijt en woest genoech om alles in te sluiten , Daer sich mijn wufte siel soo ver in heeft verdwaelt Wuft wordt door Stoett verklaard met dartel ,zorgeloos Ongetwijfeld heeft het woord in de zeventiende eeuw meermalen deze van ons gewoon gebruik afwijkende, gunstige beteekenis: Vondel zegt van zijn gestorven ‘dochterken’, dat het wuft en onbestuurd De vreugd was van de buurt Maar meer op den voorgrond treedt hier de oorspronkelijke beteekenis van zwervende, rondfladderende, die ook in de aanhaling uit Vondel nog niet verdwenen is Het verband met het wijde en woeste en het verdwalen maakt duidelijk dat dat de bedoeling moet zijn; de beteekenis is dus: mijn ronddolende ziel Het woord wordt in een dergelijke beteekenis gebruikt II122, 641; 127, 835 Vondel (uitg ThijmUnger) II358, 96; 373, 622; 396, 1442 III 52, 135; 379, 7 71, 13 Ucrachten ,die nog glissen Door 'tmerrech in 'tgebeent , Soud jck niet willen missen Om 'sdaegeraets gesteent St verklaart het laatste vers met de zon Is 's dageraads gesteente daar niet een uiterst gezochte omschrijving voor? Zou het niet eenvoudiger zijn te verklaren: de edelgesteenten van het Oosten? 127, 7 Indien ghij naespeurt op het vel Den bujt des tijds ,met droncken ooghen , Ghij vint er uw becoomste wel , Om hart en harssen wt te drooghen: Den bujt des tijds ;L en St verklaren beiden: wat de tijd weggenomen heeft, de teekenen van het veranderen In dat geval zie ik geen enkele reden voor het droncken zijn der ooghen ,en krijgt de derde regel een eenigszins comische beteekenis De bedoeling is natuurlijk: datgene, wat toch de buit des tijds worden moet maw het uiterlijke schoon, waarvan ook vs 20 spreekt 172, 13 Wanneer sal u,eens lievlust bevangen De maat eischt nog een lettergreep, en we zullen dus het in Ageschrapte een dienen op te nemen Hooft heeft er waarschijnlijk Taal en Letteren Jaargang 11 96 iets anders voor in de plaats willen zetten, maar hij heeft het vergeten Bezwaar zal St er wel niet tegen hebben, want op blz 175, vs 10 Is rechtevoort op sijn quixte te vrijen voegt hij zelf het woordje te in II, 34, 58 En leerre niet tot hun geneughte paeren , Gelijk de slingerliefd , St slingerliefd :hartstocht Ik begrijp niet goed, hoe de zin dan te verklaren is We zullen hier veeleer met het adjectivum te maken hebben, dat ‘wispelturig in de liefde’ beteekent Verg het bij Oudemans aangehaalde, in de werken van Brederode III, 474, Ik ben niet slingerliefd noch licht Dus: leer ze niet alleen tot wellust te paren, gelijk zij doen, die van de eene liefde naar de andere fladderen 173, 698 Ontijdigh in het ontijdigh koudt omhelsen van den winter verklaart St als krachtig De beteekenis is onaangenaam ,lastig ;het woord is in dezen zin van ontijd in de beteekenis van een ongunstigen tijd 175, 775 Sij (de liefde) doet dat vreugd ontspring In twee verbonden harten , St ontspring :opspring Wel zoo goed, dunkt me, te verklaren met ontsta 188, 1208 Scharp 'sUchtens gouden cruin in 'tOosten schittert , St geeft geen verklaring Toch is er gevaar, dat de regel verkeerd zal worden begrepen, en scharp zal worden opgevat als duidelijk of iets van dien aard En dat zou een onjuisten indruk geven, want Daifilo wil juist zeggen dat hij zeer vroeg bij de hand is: want int west noch niet gedaen sijn De bruine grijnsen van des hemels vrolijck aenschijn , Scharp enz De donkere schaduwen hebben den hemel nog niet verlaten, en de dageraad begint nog maar nauwelijks zich te vertoonen Want scharp beteekent hier nauw 192, 1305 Het crychsduyend gras is inderdaad de graminea hasta de lans van bamboes, waarmee Minerva werd voorgesteld Taal en Letteren Jaargang 11 97 Dat de Grieken in het algemeen speren van bamboesriet gebruikten is echter onjuist Wei werden de bamboesstokken uit Indië om hun buitengewone lengte geschikt geacht voor wapen van de godin 209, 1771 Laet Goden ,het geluck , In tegendeel van dit ,met den voorgaanden druck Vernoeghen , St in tegendeel van dit :van zijn kant Het is me niet duidelijk, wat hij daarmee bedoelt De beteekenis der verzen is, geloof ik: Laat, Goden, de Fortuin zich, tot tegenwicht van het geluk, dat me nu ten deel valt, tevreden stellen met het ongeluk, dat we te voren ondergaan hebben Geluk wordt eerst genomen in den zin van Fortuin, maar is bij dit te denken in den zin van voorspoed Ik zou nog wel meer plaatsen kunnen geven, waar mijn opvatting van die van den heer Stoett afwijkt, maar ik zal het hier maar liever bij laten Te meer, omdat ik natuurlijk alleen van die spreken zou, waarin ik meen dat zijn verklaring minder juist is, zonder te wijzen op die gevallen, waarin hij mij een beter inzicht heeft doen krijgen in plaatsen, die ik vroeger verkeerd had opgevat En zoo zou ik dan een verkeerden indruk geven van mijn oordeel over Dr Stoett's arbeid Want juist ten opzichte van de talrijke en gewoonlijk zorgvuldige tekstverklaringen geloof ik, mijn vroeger geformuleerde bezwaren daargelaten, dat wij hem veel dank zijn verschuldigd Drukfouten heb ik bijzonder weinig ontmoet Of de varianten trouw zijn opgegeven, heb ik niet stelselmatig nagegaan: het was me, eerlijk gezegd, al te zwaar werk Het zou anders, door Leendertz er bij te vergelijken, wel te doen zijn geweest Bl 11 vs 2luidt bij St anders dan bij L; die vroegere lezing van het hs staat echter maar gedeeltelijk opgegeven achter Deel II: dat voor jonge Cupido ,uoCupido gestaan heeft, vind ik niet In hetzelfde versje zijn de vss 29 vlg door Hooft later nog al omgewerkt, en aangezien hij die verandering in zijn rijmkladboek aanteekende, heeft St ze aldus opgenomen Bij de Varianten uit verschillende drukken ,II474, geeft hij de oude lezing op, zeggende, dat de verzen zoo ook in den Lusthof staan Aangezien het gedichtje daarin niet gedrukt is (Inl XV), zal dat wel Bloemhof moeten wezen (vgl Inl XVI) Er stáán dus vergissingen ik Ik hoop van harte, dat het er maar weinig zullen zijn Want van allen uitgeversarbeid is dat verzamelen van varianten wel het minst aangename, en dikwijls niet juist dat, waarvoor men het meest dank oogst Leeuwarden ,October 1900 ET KUIPER Taal en Letteren Jaargang 11 98 Litteraire W etenschap Ik stel mij voor wat, ten slotte, zou geboren zijn, indien Allard Pierson onder ons ware gebleven: Een bloeiend centrum van letterkundige studiën, gevestigd aan de Universiteit van Amsterdam; Pierson dat centrum beheerschend door de macht van zijn talent en en zijn kennis, door zijn artistieke natuur en door de hoogheid van zijn ideaal; naast hem, en onder hem, ambtgenooten en jonge docenten, zich aan verschillende onderdeelen van die studie wijdend, doceerend de letterkunde der moderne volken, zich voelend dienaren der wetenschap, geroepen om hun leerlingen in te wijden in de wetenschap beoefening van het vak hunner liefde; onder die vertegenwoordigers der bijzondere litteraturen één, waarom niet Pierson zelf? meer bijzonder begaafd en toegerust om te leeren hun onderling verband, het wederkeerig inwerken van de eene op de andere, hoofdstukken behandelend uit de ‘vergelijkende letterkunde;’ de litteraire centrum nauw zich aansluitend aan een kring van historische studiën der moderne talen, leerstoelen voor de Romaansche, de Germaansche, de Slavische taalgroep; deze ‘faculteit’ van moderne philologie en letterkunde haar wortelen diep slaande in het universitaire leven, maar toch niet angstvallig afsiuitend den weg naar de wereld daarbuiten, philologen vormend door de wetenschappelijkheid van haar methoden, maar ook aan ‘nietstudenten’ hun aandeel gunnend aan den beschavenden invloed van haar arbeid Mocht ooit een gedachte als deze in realiteit worden omgezet, mocht ooit een stichting als de hier beschreven studiegroep aan een onzer universiteiten tot stand komen, laat men haar dan plaatsen onder de hoede van Pierson's nagedachtenis Want in zijn werk, in zijn opvatting, in zijn streven ligt de kiem van haar wording besloten AG VAN HAMEL De Gids ,Februari 1901 Taal en Letteren Jaargang 11 99 Kleine meedelingen over boekwerken Boon's Geïll RomanBibl prijs p dl (160180 blz en 4pl) in geïll omslag 30 ct, in prachtb 60 ct Boon's Geïll NovellenBibl per no 10 ct Bibl voor Jongens per no f050, geb f090 Bibl voor Meisjes ,per no f050, geb f090 Sherlock Holmes Serie ,per no ing f030 De uitgever Boon verwent het lezend Publiek in Nederland Niet alleen geeft hij een Bibliotheek, uit, geïllustreerd, voor grote mensen, maar ook een aparte voor meisjes, en een voor jonges Veel er van zijn vertaald uit andere talen De uitgever kiest de boeiendste voor het Grote Publiek, voor Dames vooral: dit is een lof, die hem mi toekomt Onder deze zijn te noemen: Lindau, Geen Vertrouwen Elster, In het Krijgsgewoel Doyle, Een Godsgericht Bruning, Rijke Vrouw Von Eschstruth, Verongelijkt Coppée De Schuldige Chappuis, Een Familiedrama Savage, Een Liefde in het Oosten Daudet, De Kostwinner Bothmer, De Wraak der Nihiliste Hill, Prinses Palitzin Haggard, In Leven en Dood Blissett, De ConcertDirecteur Lindau, De Zaakwaarnemer Treumann, Als Misdadiger geboren Green, De Dag der Vergelding Conway, Levend of dood Theuries, Gebroken Harten Von Weisenthurm, De Vervulde Vloek Rudolph Stratz, De witte dood Lindau, Een Verleden Von Eschstruth, Madeleine Prinses Elsa, Liefde Corelli, Jane Daudet, Haar offer Amicis, Een Koningskroon Duisenberg, De Pleegzoon Ouida, Onschuldig Ohnet, Een Slachtoffer Sardou, De zwarte Parel Morrison, De Goudstaven vd Nicobar Schönthan, Enfant Terrible Conan Doyle, De Gezagvoerder van de Poolstar Ketelaar Jr, De Goudzoeker Rider Haggard, Levend Begraven Von Eschstruth, De Zigeunerin Rita, Onverzonden Brieven Robert Eustache, Tot Zwijgen gebracht Ouida, De Macht der Doode Taal en Letteren Jaargang 11 100 Dick Donovan, Toch Gegrepen Agatha de Haan, Haar blonde Luitenant Walter Besant, Koning David's Vriend Louise Stratenus, Aan Haarlem's Bron Reinh Orrtmann, Een rechterl Dwaling Sacher Masoch, Russische Liefde Conan Doyle, Zijn Ideaal Ohnet, Marguérite Deyle, Gered door den Fonograaf GW Fris, Jong Huwelijk Tesselhoff Jr, Ontsnapt Van Nestor, Een zoon uit Transvaal LD Petit Jr, Contrasten Stevens, Op een Rijwiel de wereld rond Michaud, Geschiedenis der kruistochten Andriessen, De Noormannen in Amerika Keller, TamboerGeneraal Cooper, De laatste der Mohikanen Andriessen, De Page van Napoleon Laurie, De erfgenaam van Robinson Brunet, De jonge avonturiers van Florida Thérèse Hoven, Van Bakvischje tot Bruid Evelyn E Green, Hilda York John Habberton, Het kleine Prinsesje Agnes Hoifman, Freule van Wildenfels, Mrs Molesworth, Twee zusters Johanna van Woude, Van knop tot bloem Clara Cron, Een lief gezin Sherlock Holmes, Een Godsgericht Avonturen Detective Agra Schat Grieksche Tolk Dood In twee deelen gebonden àf125 Meade & Eustache, De Broedersch v zeven Koningen De Avonturen van John Bell 'tZou de moeite waard zijn te weten hoeveel eksemplaren van elk wordt verkocht; om daar naar de smaak van het grote publiek in deze te kunnen bepalen Daartoe zou 'teen kleine bijdrage kunnen wezen In 'talgemeen worden er een 4000 van gedrukt, van de laatste serie zelfs 'tdubbele! Wat lering is hier uit te trekken? U F Konrad Koch, GymnProf Dr ,Die Erziehung zum Muthe durch Turnen , Spiel und Sport Die geistige Seite der Leibesübungen Berlin, R Gaertner (H Heyfelder), 1900 224 S 8oM 4 ‘Dass die Leibesübungen nicht nur für die körperliche sondern auch für die geistige Ausbildung des Willensvermögens in Betracht kommen, wird von vielen Pädagogen nicht berücksichtigt Die schwierigste Aufgabe der Erziehung ist nicht die Ausbildung des Verstandes, sondern die Charakterbildung und die Stärkung der Willenskraft Der Charakter bildet sich viel mehr durch das, was wir thun, als durch das, was wir wissen Um die Triebe zu beherrschen, genügen nicht Kenntnisse, sondern es bedarf eines kräftigen Willens Wen die Schule das Ziel allseitiger Menschenbildung wirklich erreichen will, so muss sie sich der Pflege der Leibesübungen mehr, als es bisher geschehen ist, annehmen Dem Turnlehrer fällt die Aufgabe zu, seine Zöglinge an muthiges und entschlossenes Handeln zu gewöhnen Taal en Letteren Jaargang 11 101 Je mehr eine Leibesübung unsere Willenskraft anregt, um so mehr lieben wir sie Bei allen Leibesübungen muss das geistige Moment die entscheidende Rolle spielen Sie alle müssen den Willen zu stärken geeignet sein Mit gründlichster Sachkenntniss und anerkennenswerther Unparteilichkeit behandelt der Verf die einzelnen Arten der Leibesübungen (Turnen, Spiele, Sport, Dauerübungen) hinsichtlich ihres erziehlichen Werthes Was der Verf über die Freude an den Leibesübungen, die Ansprüche der ästhetischen Erziehung, den Gemeinsinn im Spielleben, das Wegfallen der Standesunterschiede auf dem Spiel und Turnplatze und die Pflege des nationalen Sinnes sagt und aus der Litteratur zusammenträgt, is durchweg im höchsten Maasse beachtenswerth Das Kochsche Buch ist in gleicher Weise ausgezeichnet durch wissenschaftliche Gründlichkeit und durch Gefälligkeit der Darstellung’ R ZANDER D Litteraturzeitung Brieven van Potgieter aan Busken Huet Van de belangrijke briefwisseling tusschen Potgieter en Huet blijft de eene helft de brieven van Huet nog tot 1925 achter slot en grendel Zoo heeft het mejuffrouw Potgieter gewild Van de andere helft Potgieters brieven kan de openbaarmaking in den loop van dit jaar te gemoet worden gezien Gids ,Februari 1901 Elsevier's geïll Maandschrift ,aflev 1, Jan 1901 ‘Samentreffend met den aanvang der nieuwe eeuw, wordt, na rijp overleg, “Elsevier's ” van af de eerste aflevering van den nieuwen jaargang in gansch nieuw formaat en in voortreffelijker uitvoering in 'tlicht gegeven Uit de bijdragen, die ons worden aangeboden, zal onze redactie voortgaan een oordeelkundige en smaakvolle keuze te doen, steeds het oog houdend op den uitgebreiden kring onzer lezers, tevens de stellige verzekering gevend, dat niets zal worden aangenomen, dat tot wering van ons maandschrift uit de huiskamer aanleiding zou kunnen geven ’ Uit het Prosp Taal en Letteren Jaargang 11 102 Nieuwe boeken: De Nieuwe Bibliotheek voor de jeugd ,onder redactie van J Stamperius Heuden, LJ Veerman 8oPer serie (6 dltjes), gecart f360; geb 570 XIVe serie, no 5: HJ KNEBBERS ,Arbeid adelt Tafereelen uit het leven van George Stephenson (112 blz, met 3pltn) Gecart f075; geb f110 THÉRÈSE HOVEN ,Kee Tammers Amsterdam, Uitgeversmaatschappij ‘Vivat’ 16 o(117 blz) f035; geb f075 TRUIDA KOK ,‘Trio ’Amsterdam, Uitgeversmaatschappij ‘Vivat’ (168 blz) f 125; geb f150 PAUL D'IVOI ,Nilia de commandante Naar het fransch vrij bewerkt door Pomponius Met 90 illustratiën tusschen de 20 groote afbeeldingen buiten den tekst op hout gegraveerd, naar teekeningen van Louis Tinayre Amsterdam, Uitgeversmaatschappij ‘Elsevier’ Roy 8o(V, 328 blz) f240; geb f290 N BODENHEIM ,Handjeplak Amsterdam, SL van Looy Gr 16 o(36 blz, m zw en gekl afb) Gecart f125 J COLIJN en C GROUSTRA ,Robinson en ons land Een leesboek voor de volksschool Sliedrecht, AL Luijt 8o 1e stukje (108 en 3blz) f035 LOUISE AHN DEJONGH ,Zielenverwantschap Amersfoort, Valkhoff & Co 8o (231 blz) f250; geb f290 Louise B B [L DE NEVE ),Een oud devies Utrecht, AW Bruna & Zoon 8o (V, 204 blz) f150; geb f190 Mv W ALDRICHEM ,Fee Oorspronkelijke roman Dordrecht, JP Revers Gr 8o(III, 367 blz) f325; geb f350 ANNA DE SAVORNIN LOHMAN ,Smarten Amsterdam, PN van Kampen & Zoon 8o(III, 259 blz) f250; geb f3 Dr F VAN GOUDOEVER ,Claartje Almelo, W Hilarius Wzn Gr 8o(III, 361 blz) f350; geb f390 DÉLILAH ,BB kongsie Roman uit de indische ambtenaarswereld Utrecht, H Honig Gr 8o2dln (III, 224; III, 226 blz) f550 Mr LHJ LAMBERTS HURRELBRINCK ,De vrouw van den bokkenrijder Amsterdam, Uitgeversmaatschappij ‘Elsevier’ Gr 8o(VII, 229 blz) f375; geb f425 Samuel Falkland [HERM HEIJERMANS Jr], Schetsen IVe bdl Amsterdam, HJW Becht 8o(VI, 236 blz) f225; geb f290 CYRIEL BUYSSE ,'nLeeuw van Vlaanderen Amsterdam, PN van Kampen & Zoon 8o(III, 257 blz) f290; geb f350 Dr A ALETRINO ,Uit 'tleven Amsterdam, Tierie & Kruyt 8o(160 blz) f140; geb f175 Taal en Letteren Jaargang 11 103 FREDERIK VAN EEDEN ,Van de koele meren des doods Een verhaal Amsterdam, W Versluys Gr 16 o(514 blz) f390; geb f490 G VAN HULZEN ,Getrouwd Amersfoort, Valkhoff & Co Gr 16 o(271 blz) f 290; geb f350 STIJN STREUVELS ,Lenteleven Amsterdam, LJ Veen 16 o(298 blz) f150; geb f190 LOUIS COUPERUS ,De stille kracht Amsterdam, LJ Veen Gr 16 o2dln (III, 183; III, 212 blz) f425 In gebatikten band, f490 In gebatikten band, op fluweel f10 PETER ROSEGGER ,Landzegen Roman van een boer geworden krantenschrijver Bewerkt door W Zaalberg Amsterdam, Van Holkema & Warendorf Gr 8o(III, 275 blz) f290; geb f325 RUDYARD KIPLING ,Flinke zeelui Naar het engelsch door AJCM Tervooren Alkmaar, P Kluitman 8o(III, 244 blz) f225 AM EDAR [ANNA FLES ],Spreken en zingen ,in verband gebracht met de Nederlandsche taal 7e, omgewerkte en veel veemeerderde druk Tiel, D Mijs 8o(269 blz, m 1plt) Geb f?? Dr FA STOETT ,Nederlandsche Spreekwoorden ,Spreekwijzen ,Uitdrukkingen en Gezegden ,naar hun oorsprong en beteekenis verklaard 7e en 8e Afl Zutphen, WJ Thieme & Cie RK KUIPERS ,Geïllustreerd woordenboek der Nederlandsche taal ,bevattende alle gebruikelijke zoowel Nederlandsche als bastaardwoorden, opgehelderd door aanhalingen uit Nederlandsche schrijvers en door vermelding van spreekwoorden, zegswijzen en synoniemen [Met afbeeldingen tusschen den tekst] afl 27 Amsterdam, UitgeversMaatschappij ‘Elsevier’ Gr 4o(Spleen Tijd) J BAL ,Verklarend woordenboek 2e, verm en verb dr Amsterdam, LJ Veen 8o(V, II, 926 en 41 blz, m afb, 4krtn en 25 pltn) Gecart f290; geb 350 Bibliotheek van Middelnederlandsche letterkunde ,onder redactie van dr J Verdam en dr J te Winkel Groningen, JB Wolters Gr 8o Afl 66 Middelnederlandsche dramatische poëzie ,ingeleid en toegelicht door dr P Leendertz Jr 2e st (Blz 97195) f150 EHA CROMHOUT ,Skeireins aivaggeljons pairh Johannen Delft, Selbstverlag 1900 (VIII, 134 blz) 4o Inhoud van Tijdschriften: De Nieuwe Gids ,afl 6, Febr 1901, oa: M Antink ,In het woud J Reddingius ,Verzen Willem Kloos ,Verzen J Hora Adema , Een dissonant J de Meester ,Geertje I Taal en Letteren Jaargang 11 104 De Gids ,No 2, Febr 1901, oa: Brieven van Potgieter aan Busken Huet Prof AG van Hamel ,Wetenschappelijke beoefening der moderne letterkunde IProfessor Allard Pierson Dr WGC Byvanck ,Inleiding tot Shakespeare's Hamlet, III Hélène Lapidoth Swarth ,Sonnetten De Arbied ,afl 4, 1901: Lucie de Vries ,Op de baan Mathilde de Vries ,Het witte huisje Victor de Meyere ,In den avond GF Lindeijer ,Verzen W van Doorn ,Miniatuurtjes G van Eckeren , Aangenomen en verlaten Adolf Herckenrath ,Toen grootmoeder stierf Remy Bockstael ,Strophen W Estor ,Vers Tweemaand Tijdschr ,1e afl, 1901, oa: Jac van Looy ,Feesten VII WL Penning Jr ,MansMinnelied G van Hulzen ,Amsterdam JH Labberton ,Verzen J Koopmans ,Jan de Weert's nieuwe Doctrinael JK Rensburg ,Japanse Verzen Woord en Beeld ,Febr 1901, oa: J Pabst ,De Steenklopper Dr Jan ten Brink ,Thomas Asselijn Elsevier's geïll Maandschr ,afl 2Febr 1901, oa: P Valkhoff ,Een weerzien (Uit het leven van Marie Barnholt) Hélène Lapidoth Swarth , Sonnetten: Illusie Gele Tulpen Mevr Frederik Rompel Koopman , Johannus Nederland ,Jan 1901, No 1, oa: Mevr La Chapelle Roobol ,Voor 't oog van de wereld Frans Mijnssen ,Elisabeth J Eystens ,Ant Febr 1901, No 2 oa: Joh H Been ,Zeewaldensche feestplannen Mevr S La Chapelle Roobol ,Voor 'toog van de wereld ‘Hanna ,’Strijd Marie Marx Koning ,Plichten De poel Begeerte Het doodshoofd Oude brieven Boon's geïll Magazijn ,No 20, Febr 1901, oa: Een liedje voor de jeugd Een liedje voor 'tvolk AB Bakkeij ,Arm moedertje JA Holtrop ,Geluk! Monoloog voor een dame De Tijdspiegel ,No 2, Febr 1901, oa: Mevrouw J van Westrheenevan Heyningen Dietsche Warande en Belfort ,No 1, Jan 1901, oa: Hilda Ram ,Slachtoffers voor Transvaal H Persyn ,Het Dorper lied Volkskunde ,Tijdschr v Ned Folklore ,13e jrg, afl 4, oa: Dr GJ Boekenoogen ,De Dorhoed A De Cock ,Volkssagen: De Doode te gast genood W Draaijer ,Palmpaasch A De Cock ,Volksliedjes: Hoe rijmt men dat te zaam? A De Cock ,Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk Zeitschrift für Deutsche Philologie ,32 Band, Heft II, ua: Fr Kauffmann , Das Keronische glossar, seine stellung in der geschichte der ahd orthographie Taal en Letteren Jaargang 11 105 Verandering van woordbetekenissen (Semasiologie) Het is wèl 'n opmerkelik verschijnsel, dat tot dusver de aandacht van de taalkundigen zich altijd meer heeft gericht op de vorm verandering van de woorden dan op de verandering van hun betekenis En toch is het in hoge mate aantrekkelik na te gaan, op welke manier de inhoud der woorden onophoudelik wordt gewijzigd Dat een woord meer dan één betekenis hebben kan, is aan ieder bekend 'tWoord vel in een vel papier betekent iets anders dan vel in zij heeft zacht vel Wij denken bij band in garen en band iets anders dan bij band in de band van dit boek ;bij uittrekken van een troep soldaten niet hetzelfde als bij uittrekken van een kledingstuk Maar men meent zo onwillekeurig dat die woorden met twee of meer betekenissen in 'n kleine minderheid zijn En 'tkost dan ook enige moeite zich te doordringen van de waarheid, dat geen enkel woord nagenoeg, scherp begrensd is; dat het zijn bepaalde betekenis eerst krijgt in de zin of in een kompleks van zinnen Een paar voorbeelden 1)om dit aan te tonen Daar is het woord speler Het betekent iemand die speelt; of die spelen gaat; ook iemand die spelen kàn; en iemand die dikwels speelt; of aan 'tspel verslaafd is En 'thangt af van de zin waarin 'twordt gebruikt, of speler een slechte of gunstige betekenis heeft Wat verstaat men onder een Hollander? Een persoon die geboren is in Noord of ZuidHolland Ook iemand die lang in een van die twee provincies heeft gewoond, al is hij er niet geboren (‘Ik ben helemaal 'n Hollander geworden’) Maar ook: een Nederlander En ook iemand wiens moedertaal Hollands of Nederlands is (‘de Hollanders uit de Kaapkolonie’) Ook iemand van hollandse afkomst, van hollands (nederlands) ras 1) Ontleend aan KO Erdmann Taal en Letteren Jaargang 11 106 Is nu een Gelderman een Hollander? Is een kind, in Indië geboren van hollandse ouders, een Hollander? Is een halfbloed die een hollandse vader heeft, een Hollander? Is een amsterdamse Israeliet een hollander? Op al die vragen kan met ja en ook met neen geantwoord worden, omdat men aan Hollander velerlei betekenissen hechten kan De hond kan betekenen een bepaalde hond en aanduiden de gehele soort Hij zingt kan betekenen: hij kàn zingen, hij verdient met zingen zijn geld, hij is op dit ogenblik bezig met zingen Zingen alleen wordt gezegd van zeer verschillend geluid (De diva zingt; de vogel zingt; het water in de teeketel zingt; de wind zingt) Nacht is soms de tijd van zes uur 's avonds tot zes uur 's morgens Soms neemt men aan dat de nacht begint om 9uur, of om 11 uur en duurt tot bv 4uur Soms ook is nacht de tijd dat het donker is Deze dubbel en méérzinnigheid van de woorden nu is het normale Alleen in de wiskunde en de natuurwetenschappen treft men wel eens woorden aan met een vaste, slechts voor één uitlegging vatbare betekenis 1) De rijkdom van een taal, het vermogen om allerlei fijne schakeringen uit te drukken staat in het nauwste verband met dat vlottende van de woordbetekenis die telkens eerst in een zin (door de samenhang) vast wordt gezet 2) 'tIs al langer dan zestig jaren geleden dat Christian Karl Reisig in zijn Vorlesungen über lateinische Sprachwissenschaft aan de ‘leer der veranderingen van de woordbetekenissen’ de naam gaf van Semasiologie Aanvankelik werd alleen de Semasiologie van de oude talen beoefend In '86 verscheen het boeiende werk van Arsène Darmesteter: ‘La vie des mots etudiée dans leurs significations’ In Duitsland werd het onderwerp meer of minder uitvoerig behandeld door H Paul (in zijn Principien der Sprachwissenschaft ),Karl Schmidt, Robert Thomas, Johann Stöcklein, KO Erdmann ea Wat het Nederlands betreft, men vindt een hoofdstuk over de verandering van woordbetekenissen in Verdam's Geschiedenis der Nederl Taal en in PJ van Malssen Jr's Leven der Taal 1) Vandaar dat Erdmann woorden begrijpen noemt: hun betekenis uit het zinsverband opmaken (raden) 2) Vgl ook Buitenrust Hettema, 'tFries en z'n studie ,Gids 1896, blz 8891 Taal en Letteren Jaargang 11 107 In 1894 verscheen een redevoering in druk van prof dr WL van Helten Over de factoren van de Begripswijzigingen der Woorden Een overzicht over 'thele gebied van de duitse Semasiologie gaf voor 'teerst Dr Albert Waag, blijkens zijn onlangs verschenen Bedeutungswandel unseres Wortschatzes ,bewerkt naar Paul's Woordeboek Het boek van Waag komt mij zo belangrijk voor, dat ik de lezers van Taal en Letteren geen ondienst meen te doen met hun enig denkbeeld van de inhoud te geven Dat ik daarbij de duitse voorbeelden door nederlandse vervang, spreekt van zelf I Beperking van de betekenis De eenvoudigste en misschien meest voorkomende wijze van betekenisverandering bestaat hierin, dat de inhoud van 'twoord wordt verrijkt (of verduidelikt, gepreciseerd), waardoor het in minder gevallen toepasselik is De betekenis wordt dan verengd; het gebruik beperkt Die beperking moet zich al aanstonds toen mensen spraken, voorgedaan hebben Een woord drukt gewoonlik maar een enkel kenmerk uit Duidt men er iets mee aan, dan denkt men aan andere kenmerken ook, behalve 'tgenoemde Sommige van die ongenoemde hechten zich langzamerhand zó vast aan het woord, dat inhoudverrijking en beperking in de toepassing er het noodzakelik gevolg van zijn Zeer gewoon is het nu, dat een woord in sommige zinnen de ruimere betekenis heeft behouden, in andere de beperkte aangenomen Voorbeelden, betrekking hebbende op: Vruchten Het woord vrucht zelf heeft beperkte betekenis aangenomen in zinnen als: Hij is dol op vruchten Er waren deze herfst niet veel vruchten ,waarin vruchten bepaaldelik van de vrucht van ooftboomen wordt gebruikt Koorn bet etym hetzelfde als korrel, zaadkorrel Wordt nu bij uitsluiting toegepast op het zaad van het graan waarvan brood wordt gebakken Graan (van lat granum ,korrel) Zelfde verloop als bij koorn Stofnamen ,in gebruik voor voorwerpen uit die stof vervaardigd Glas Eerst de stof Dan een of ander voorwerp van glas Drinkglas Kraal koraal ,Eerst de stof, het koraal; dan voorwerpsnaam, de kraal Taal en Letteren Jaargang 11 108 Hoorn Eerst de stof Dan een voorwerp van (een) hoorn vervaardigd Dan drinkhoorn, en hoorn het muziekinstrument (over hoorn van metaal later) Beentje Stukje been Fiesje Kurk Eerst schors van de kurkeik Later stop, uit die schors vervaardigd Leer in van leer trekken Voorwerp van leer, leren schee Bril van beril ,beryllus ,een doorzichtig edelgesteente Rotting (wandelstok) van rotan ,rietpalm Blik Eerst het metaal Dan het werktuig in stoffer en blik Lood Peillood Engagement ,huwelik ,enz Vragen in een meisje vragen ,beperkt tot: ten huwelik vragen Zich verloven Eigenl zich door een gelofte wijden Hier: tot het huwelik Gade Etym de gelijkstaande, degeen die bij een ander behoort (vgl wederga ) In beperkte zin voor echtgenoot Echt Oorspr verdrag, wettelike overeenkomst Verlossing In beperkte betekenis: bevrijding van het in de moederschoot gedragen kind Godsdienstig en kerkelik leven Geest wordt in beperkte zin tot Heilige Geest Avondmaal wordt gespecialiseerd als het avondmaal van Kristus, en een ter gedachtenis daaraan (niet bij avond) plaats hebbende plechtigheid Biecht was oorspr iedere bekentenis Boeten was vroeger verbeteren (vergel, netten boeten ,ketelboeten )Wordt gespecialiseerd als verbeteren (goed maken) van hetgeen men misdaan heeft Aflaat Oorspr het aflaten, het weglaten Heeft uitsluitend kerkelike betekenis gekregen Opstanding Eigenl elk opstaan Beperkt tot het opstaan van de gestorven Kristus Dominee De betekenis ‘heer’ beperkt tot die van protestants predikant Boereleven Goed ,het gesubstantiveerde bijv nw gaat betekenen: bezit, bezitting en wordt gespecialiseerd als landgoed Stal (in verband met stellen ,plaatsen )eerst de plaats waar men iets stelt ,dan bergplaats van vee Beesten gespecialiseerd als koeien Taal en Letteren Jaargang 11 109 Ambachten en beroepen Snijder ,in algemene zin toepasselik op ieder die snijdt (nog wel gebruikelik als haarsnijder )werd al vroeg bepaaldelik van de kleermaker gebezigd, die kledingstukken snijdt (knipt) Dak ,hetzelfde als dek ,oorspr gezegd van alles wat dekte, omhulde (vgl iemand op zijn dak komen, geven) werd in de taal van de mannenvan'tbouwvak gespecialiseerd als dak van het huis Wild duidde alle niet getemde dieren aan Door jagers tot de betekenis beperkt van dieren waarop gejaagd wordt ter wille van hun vlees Haak ,aan de haak slaan voor vishaak Drukken ,zetten (voor letterzetten), uitgave ,uitgever worden uit de taal van boekdrukker en boekhandelaar verklaard Wet en Recht Vermaken is eigenl iets overdragen in het bezit van een ander (vgl iemand een som gelds overmaken )Gespecialiseerd als overdragen bij testamentaire beschikking Uitspraak =het uitspreken In de rechtstaal het uitspreken van een vonnis of rechterlike beslissing (Ver )oordeling eigenl uitdeling, toekenning Bepaaldelik van een vonnis Krijgswezen Soldaat is eigenl ieder die sold (loon voor bewezen diensten, vergl bezoldigen ,) ontvangt Gespecialiseerd: laagste rang in het leger Bevorderen ,vooruit laten gaan, vooruit doen komen (in rang) Werven Oorspr zich draaien (vgl wervelwind), zich moeite geven Gespec zich moeite geven om personen tot het gaan in militaire dienst over te halen Verlof De algemene betekenis toestemming wordt beperkt tot ‘toestemming om zich te verwijderen’ Dapper ,oorspr gewichtig, van betekenis, geducht (vgl ‘dat jongetje heeft zich met eten, of zingen, dapper geweerd’) Beperkte betekenis: moedig Geweer ,eigenl werktuig om zich mee te weren Wapen (vgl het oude zijdgeweer en schietgeweer )Gespec als bepaalde soort van vuurwapen Uit enkele voorbeelden kan reeds blijken, dat de betekenis van een woord op meer dan één manier beperkt kan worden (Glas voorwerp van glas lampeglas drinkglas )Door het verband in de zin, en 'tverband van die zin met voorafgaande zinnen bestaat er nochtans in 'tminst geen gevaar voor misverstand Taal en Letteren Jaargang 11 110 De beperkingen waar hier sprake van is, kunnen ook uit een ander gezichtspunt worden beschouwd Heel dikwels heeft een specialisering plaats in goede en dikwels in slechte zin In zulke gevallen worden de woorden goed ,veel of slecht ,lelik en dergelijke niet uitgedrukt, maar beschouwd als van zelf sprekend Specialisering in goede zin Hij is van famielie Iemand van naam Iemand van geld Hij heeft senten Een aardig kind (letterl een kind met een aard Betekenis aardig beperkt tot een goede , opgewekte ,leuke aard hebbende ) Zedig en zedelik ,waarin zede een brave ,goede (morele )manier van handelen aanduidt Maat houden voor de juiste maat houden Moed (vgl gemoed) bet oorspr stemming, gezindheid (vgl houd maar goede moed ;zachtmoedig ;hoogmoed enz) Gespecialiseerd als dappere moed , heldenmoed Specialisering in goede èn slechte zin Door 'tverband (en de toon van de stem) wordt duidelik wèlke specialisering bedoeld wordt Koopje Met 'tIs een koopje kan zowel gemeend zijn: 'tIs heel goedkoop als Het is 'n lamme geschiedenis Gift Betekent gave en vergift (beide van de stam van geven :het goede en het slechte ,dodende ,dat men geeft) Krijgen Vgl Als zijn vader het hoort ,zal hij krijgen en Hij heeft op zijn verjaardag veel gekregen Onbesproken Vgl iemand van onbesproken gedrag (di niet besproken omdat het goed is) met dat boek blijft het best onbesproken (di niet besproken omdat het slecht is) Specialisering in slechte zin Iemand iets wijs maken wil eigenl zeggen: iemand wetende maken omtrent iets Krijgt de betekenis: iemand opzettelik valse, onjuiste kennis bijbrengen Zich houden Eigenl: een houding aannemen, zonder bijgedachte aan vals of onwaar (vgl hij hield zich rechtop) Wordt gespecialiseerd als: zich aanstellen Hij houdt zich dom Hij houdt zich slapend Glossen Behalve de oorspr bet: verklarende opmerkingen tussen de regels of aan de kant van de bladzij, beduidt glossen nu: hatelike gezegden over iets Je moet daar niet altijd glossen op maken Klikken Met klikkend, klakkend geluid tegen iets aanslaan Vandaar: waarschuwen Gespecialiseerd als: aanbrengen; de onder Taal en Letteren Jaargang 11 111 wijzer waarschuwen tegen een medescholier; een kameraad verraden; iets leliks van hem overbrieven Waan Oorspr een vermoeden, dat wel niet waar hoeft te zijn, maar het toch wezen kàn Tegenwoordig geeft waan steeds iets onjuists te kennen Hoogmoed ,hoge moed, hoge, verheven stemming Gespecialiseerd als: te hoge mening van zich zelf Handtastelikheid Eigenl het betasten met de hand Tegenwoordig alleen in ongunstige zin Ik zal je wel vinden Vinden ,om iets onaangenaams aan te doen Woeker Oorspr opbrengst Eerst later krijgt het, van kapitaal gebruikt, de tegenwoordige slechte betekenis List (in etym verband met leren )bet oorspr het weten, de wijsheid, de slimheid Wordt nu alleen in ongunstige zin gebruikt Achterbaks eigenl achter de rug Tegenwoordig alleen in ongunstige zin Als een specialisering in minder gunstige richting kan het beschouwd worden, wanneer uitdrukkingen nog maar alleen van dieren worden gebezigd en niet meer, als vroeger, van mensen ook Dieren alleen vreten (veel beschaafden vermijden het woord ook als ze van dieren spreken, omdat het plat klinkt) Vroeger vraten de mensen ook Voer ,voeren (voederen )zegt men ook niet meer in betrekking tot mensen (vgl even wel het voeren van een klein klind, van een lamme) Kop wordt bij voorkeur van dieren gebezigd Snuit ,neus (vgl het werkw snuiten )tegenwoordig bijna uitsluitend van dieren Hetzelfde geldt voor muil (vgl meesmuilen De betekenis van dit mees is niet met zekerheid bekend) Van het standpunt van specialiseringen in goede en slechte zin kunnen wij ook een blik slaan op die fijnere onderscheidingen waardoor verschillende woorden van oorspronkelik gelijke betekenis tot de hogere of de meer alledaagse taal gaan behoren Ros en paard betekenen 'tzelfde Maar ros is bijna alleen gebruikelik in de schrijftaal, vooral in dichterlike taal In de middeleeuwen was ros meer bepaaldelijk het strijdpaard ;paard het lichtere rijpaard (ook damespaard) Langzamerhand werden paard en ros door elkaar gebezigd, toen verdrong paard het andere woord uit de dagelikse taal Klepper ,vroeger het rijpaard dat gebruikt werd op reis, komt uitsluitend voor in wat ouderwets getinte, dichterlike taal Vrouw en wijf Vrouw was in de middeleeuwen de titel van de Taal en Letteren Jaargang 11 112 gehuwde adellike dame, met wijf werd in 'talgemeen een vrouwelike persoon aangeduid Later werden vrouw en wijf zonder verschil van betekenis gebruikt, tot wijf (en vooral ook het meervoud wijven )verachtelike bijbetekenis kreeg Dat verachtelike ligt niet in het verkleinwoord wijfje (niet alleen van dieren gezegd, maar ook liefkozingswoord voor gehuwde vrouw) Vergel verder nog hoofd en kop ;schoon en mooi (schoon meer schrijftaal, mooi meer spreektaalwoord; getrouw (schrijftaal) en trouw ;beminnen en houden van Somtijds hebben woorden die vroeger alleen tot een dialekt behoorden, door opneming in de taal van de dichters een edeler of deftiger kleur gekregen dan hun meer alledaagse synoniemen Zo de oorspronkelik friese woorden aterling (oorspr onecht kind; later schurk), fnuiken ,stoer Doordat een woord in verschillende dialekten niet dezelfde klank heeft, of wordt overgenomen uit 'n vreemde taal terwijl 'tin enigszins andere vorm reeds bestond, ligt het voor de hand dat men in de algemene taal nu en dan tussen een paar wisselvormen te kiezen had Werden beide vormen erkend als ‘beschaafd’, dan ging de taal, die afkerig van overtollige weelde is, zulke woorden toch dikwels min of meer onderscheiden, of beter gezegd: de sprekers gingen onwillekeurig het ene woord in wat andere zin gebruiken dan 'tandere Zo ontstonden dubbelvormen, wisselvormen, doubletten Dat wij ook hier met specialisering of beperking van de betekenis hebben te doen, ligt voor de hand Zo vinden we meid naast maagd ,boedel (inboedel )naast boel ;uur naast het dichterlike ure ,ambt naast ambacht; vers naast fris ;ruw naast ruig ,Rooms naast Romeins; de mens naast het mens; de stof naast het stof; bladen naast bladeren ; spelen naast spellen ;letters naast letteren enz Ook de eigennamen zijn wat hun oorsprong betreft uit beperking of specialisering ontstaan Aanvankelik waren het soortnamen, die eerst in een zeer kleine kring op 'n enkele persoon of enkele zaak werden toegepast Vader ,moeder ,Pa ,Ma , duiden in 'thuisgezin één persoon aan en vormen een overgang tot de eigennamen Karel (= kerel) bet eigenlik man Mulder ,Smid (Smit ,Smitt ,Schmidt enz), Snijder , Schreuder (kleermaker ),Kuiper ,Brouwer duidden eerst een beroep aan, daarna de persoon die 'tberoep uitoefende Andere namen geven de afkomst van de persoon te kennen: De Taal en Letteren Jaargang 11 113 Vries ,van Zweden ,van den Broek (broekland), ter Beek ;of wijzen op persoonlike hoedanigheden: Zwart ,de Wit ,de Lange enz enz Met aardrijkskundige namen is het 'tzelfde: Zutfen (Zuidveen), Venlo (veenbos), Rozendaal enz Maar wij kunnen hier niet lang bij stilstaan Zodra een woord tot eigennaam is geworden, ontwikkelt zich zijn betekenis (in de regel) niet meer Als levenloos of altans verstijfd taaleigendom wordt het verder gevoerd (Wordt vervolgd ) RA KOLLEWIJN Artistieke arbeid De indruk, die een kleiner of groter deel van menselik indieviedueel leven of van menselik samenleven op een kunstenaar maakt, is verschillend al naar den aard van die kunstenaar In de een wordt opgewekt een beeld van enkel het uitwendige der dingen; in de ander omvat dit beeld tevens aandoeningen, senzasies en wordt dus een afbeelding van het uit en inwendige; in een derde voegen zich daarbij onmiddellik aanschouwde verbanden van oorzaak en vervolg, waaruit het beeld oprijst, die 'tin stand houden, waardoor het te niet gaat Het spreekt van zelf, dat hier niet gedacht moet worden aan drie streng afgescheiden soorten van artiesten Veeleer loopen deze soorten ineen als de kleuren van een spectrum De artistieke arbeid van een kunstenaar bestaat in het reproduceeren van die indruk: di in het opwekken van een analoge indruk in anderen En nu is er geen reden om hem voor te schrijven minder in zijn werk te leggen dan hij zelf waarneemt Wordt ook door sommigen het weergeven van een verband van oorzaak en gevolg gewraakt, als zijnde dit niet te verkrijgen met enkele waarneming uit de zuivere ontleding van een indruk, maar een rezultaat van wijsgerige overdenking, toch komt het mij voor, dat deze wraking ongerechtvaardigd is, zolang de bedoeling van de auteur zuiver artiestiek blijft: doen zien, doen gevoelen, doen begrijpen, doen meeleven Een schrijver mag, ja, moet dieper zien, dieper mee gevoelen, in het algemeen dieper doordringen in zijn stof dan een gewoon toeschouwer zou doen en het kunstgenot bestaat juist daarin, dat zijn arbeid ons aan zijn dieper zien, dieper voelen laten deelnemen Het neerleggen in de verschijnselen van een waargenomen oorzakelik verband kan mits het niet ontaardt in een wetenschappelike verhandeling de Taal en Letteren Jaargang 11 114 inhoud van een kunstwerk slechts rijper maken, de waarde er van slechts verhogen En het doet er voor de artistieke waarde niets toe, of de lezer onder de verschijnselen een ander verband onderstelt, daar een schrijver te geven heeft zijn persoonlike kijk op het leven Gaat evenwel de wijsgerige overdenking zo ver, dat er een les wordt getrokken en dat men die les ook door anderen wil doen trekken, dan wordt er arbeid verricht, die niet meer op kunstgebied t'huis hoort die zelfs voor het artistiek gehalte van een werk het grootste gevaar oplevert en krijgt de zaak dus een bedenkeliker aanzien Immers, wat de kunst in de eerste plaats moet zoeken en trachten te geven, is waarheid, zij 'tdan ook subjectieve waarheid Wanneer de artistiek onontwikkelde, allerlei mistekeningen over het hoofd ziende, een binnenhuis of een landschap mooi noemt; wanneer een artistiek welontwikkelde dergelike fouten niet acht, ter wille van een fijne stemming, een uitdrukking van atmosfeer, een weergeving van stof of wat ook, dan eisen toch beiden, dat het schilderij weergeve wat zij als natuurwaarheid hebben waargenomen Men wil in kunst het leven herkennen Ter loops zij hier aangestipt, dat ook door middelen, die onnatuurlik, onwaar schijnen, in de fantazie van de toeschouwer een levenswaar natuurbeeld of de essens er van opgeroepen kan worden Zo is 'tmogelik, met wit en zwart hard metaal, zachte wolken, damp en licht uit te drukken; zo wekken Maeterlincks drama's emosies in ons op, die wij ook in spannende levensogenblikken ondervinden; zo kan een schilderij in zijn geheel krachtig de impressie weergeven van de natuur in een bepaald moment, terwijl elk deel afzonderlik beschouwd niets meer dan een verfvlek lijkt Kunst kan waarheid geven en toch geen zuivere nabootsing van de werkelikheid zijn Maar kunst kan geen waarheid meer geven, wanneer de begeerte om te doen aanschouwen, gevoelen en meeleven wat is,plaats maakt voor de lust, om te doen zien wat behoorde te wezen Al de lessen, die een schrijver zijn medemensen zal kunnen voorhouden, moet hij halen uit de aanschouwing en bestudering van het levensproses in en om hem Zij liggen daar in opgesloten; maar al doet een kunstenaar de waarheid noch geen geweld aan door bij de reproduksie van een levensproces tevens te doen uitkomen wat er volgens hem de onzichtbare kern van is, zodra hij in beeld wil brengen, hoeveel beter dit levensproces er uit zou zien, indien men een ontvangen les in toepassing had gebracht, verliest hij de werkelikheid geheel uit het oog en daarmee elke waarborg voor het behoud van waarheid in zijn werk MARC EMANTS De Vlaamsche School ,AprilMeiJunie 1900 Taal en Letteren Jaargang 11 115 De Nederlandsche letterkunde op het examen voor hoofdonderwijzer II Littera b, die we opzettelijk voor het laatst bewaarden, spreekt van de Nederlandsche letterkunde in dezer voege: ‘Eenige bekendheid met de voornaamste voortbrengselen der Nederlandsche letterkunde, vooral van den lateren tijd’ Zeer ruim gesteld: de woordjes: eenige ,voornaamste en lateren tijd snijden een heel stuk van het letterkundig gebied af en zijn onbepaald genoeg, een verdienste (?) van de meeste examenartikelen èn voor den examinator om zijn handen ruim te hebben, èn voor den examinandus om met zijn handen in het haar te zitten, wanneer hij met de studie van een voor hem totaal nieuw vak begint Aan duidelijkheid van redactie laat het artikel niets te wenschen over; toch vreezen we, door de ondervinding geleerd, dat de candidaten er eene andere uitlegging aan geven dan in de bedoeling van den wetgever gelegen heeft en bevorderlijk is tot hunne litteraire vorming Verreweg de meesten schijnen de meening toegedaan, dat studie onzer letterkunde is: het lezen van enkele voorname produkten uit de 17 de,de 18 de en de 19 de eeuw, geheel op zichzelf beschouwd, dat wil zeggen, zonder dat men rekening houdt met: 1o den tijd, waarin, 2o de omstandigheden, waaronder, 3o de persoonlijkheid, door wie en 4o het doel, (= de strekking) waarmee zulk een werk geschreven werd Wij spreken van litteraire kunst; elk produkt dat hiertoe behoort, is dus een kunstvoortbrengsel; elk voornaam letterkundig werk moet dus èn als kunstuiting èn als historisch produkt beschouwd worden; in beide gevallen heeft men rekening te houden met de kunstbegrippen die den tijd, waarin het werk ontstaan is, beheerschen, met de te dier tijd in zwang zijnde zeden en gewoonten, met de godsdienstige, staatkundige en maatschappelijke Taal en Letteren Jaargang 11 116 stroomingen die zich in dien tijd openbaren, èn met de persoonlijke kunstideeën en individueele gevoelens van den auteur zelf, met andere woorden: Een letterkundig werk moet beschouwd worden in de lijst van zijn tijd Een groote fout van Jonckbloet's: ‘Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde’ is, dat de schrijver te veel zijn (Duitsche) kunstbegrippen toepast op de produkten onzer litteratuur, wat al zeer sterk uitkomt in zijn oordeel over Vondel Het geheele werk van Jonckbloet draagt het kenmerk van dezen verkeerden maatstaf, die zijn ‘Geschiedenis’ maakt tot één lange aanklacht van de letterkundige onmacht en onbeduidendheid zijner landgenooten en den aandachtigen lezer doet vragen, waarom deze professor in de Nederlandsche litteratuurgeschiedenis zooveel moeite en tijd besteed heeft aan zulk een ondankbaar onderwerp Indien ge de werken onzer 17 deeeuwsche poëten de tragedies van Vondel, de gedichten van Cats, Bredero's Spaenschen Brabander beoordeelt naar de thans heerschende begrippen van kunst, naar de zeden en gewoonten onzer dagen, velt ge een onbillijk vonnis Van deze onbillijkheid heeft Vader Cats wel het meest te lijden gehad; wat bij Huygens en Bredero door den beugel kon, ja geprezen werd als uiting van plastische kunst, werd den Calvinist aangerekend als een vergrijp tegen ‘goede zeden en fatsoen’, waarbij de liefelijkste eeretitels de uitwerking der beschuldiging moesten verhoogen Zelfs de jongste geschiedenis onzer letteren: de Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde door Dr Jan ten Brink draagt hier en daar nog de sporen van deze vooringenomenheid tegen den kluizenaar van Zorgvliet Tal van vragen, die zich opdoen bij de studie van een letterkundig werk, vinden hare beantwoording, indien men de omstandigheden, waaronder een dichter heeft gearbeid en de invloeden die op hem hebben ingewerkt, niet buiten rekening laat Waarom verschilt Huygens dictie zooveel van die van Vondel? Waarom vlecht Vondel den ‘Rey van Klaerissen’: ‘O Kersnacht, schooner dan de dagen’ in zijn Gijsbrecht van Amstel? Waarom kreeg Coster's tooneelschool den naam van: ‘Duytse Academie’? Waarom zetten Wolf en Deken op hare romans: ‘niet vertaald’? Hoe komt het, dat de historische roman eerst in de vorige eeuw verschijnt? Deze en dergelijke vragen, die men ad libitum zou kunnen vermeerderen en die strekken om een juist en helder inzicht te krijgen in het hoe en waarom van letterkundige verschijnselen, moeten onbeantwoord blijven, wanneer elk werk op zich zelf beschouwd en, uit zijn verband gerukt, bestudeerd wordt Hier komt nog bij, dat het lezen zelf niet met de noodige kalmte en bezonnenheid geschiedt; vele candidaten lezen oppervlakkig en schijnen zich tevreden te stellen, wanneer ze eenigszins Taal en Letteren Jaargang 11 117 den gang van een gelezen werk kunnen weergeven Schoonheden van karakterteekening, van beschrijving, en treffende situaties blijven voor zeer velen even groote geheimen als schoonheid en kracht van dictie; van genieten kan bij zulk eene opvatting en wijze van studie geen sprake zijn, van litteraire vorming evenmin Toch zullen we ons wel wachten de schuld van zulk eene vruchtelooze studie onzer letteren aan de candidaten alleen te wijten Het valt niet te ontkennen, dat voor den candidaathoofdonderwijzer de studie der letterkunde moeielijker is dan die der taalkunde; in deze laatste is hem zekere richting aangewezen, toen hij nog normaal of kweekschool bezocht en kan hij voortbouwen op den grondslag, dien hij gelegd heeft voor zijn examen als onderwijzer; de eerste daarentegen begint voor de meesten, wanneer zij dit examen achter den rug hebben en op eigen wieken moeten drijven Onvoorbereid staan zij niet alleen voor een nieuw studievak, maar voor een vak, dat èn als wetenschap èn als kunst zijne eischen heeft en van deze laatste geldt meer nog dan van de eerste het antwoord, dat de kamerling van koningin Candace op Filippus' vraag: ‘Verstaat gij ook hetgeen gij leest?’ gaf: ‘Hoe toch zou ik kunnen, zoo niet iemand mij onderwijst!’ Dit antwoord kunnen de candidaten gerust overnemen Voor eene eenigszins breed opgevatte studie onzer letterkunde ontbreekt hun bij de veelheid der examenvakken de noodige tijd, voor eene degelijke en vormende studie missen ze de goede methode en heel dikwijls de kennis der noodzakelijke hulpmiddelen De regeering heeft op het examenprogramma van den candidaathoofdonderwijzer vakken gezet, waarvan eene meer dan oppervlakkige kennis door niemand overbodig geacht zal worden voor een schoolhoofd Om deze vakken aan hun doel te doen beantwoorden en niet tot eene bespotting te maken, moest de regeering een stap verder gaan en den candidaten ook de gelegenheid geven tot ernstige en degelijke voorbereiding door het oprichten van cursussen; en al is het waar, dat enkele vakken heel goed aan de eigen studie van den candidaat kunnen worden overgelaten, er zijn ook onderdeelen van het programma, waarvan, zonder leiding, zoo goed als niets terecht komt, nl: teekenen ,natuurkennis ,letterkunde Wat moeten de candidaten op het platteland, die zoo dikwijls van alle hulp verstoken zijn, van deze vakken maken? Hierboven wezen we er op, dat de candidaten de werken die zij lezen te veel op zich zelf, uit hun verband gerukt, bestudeeren; wat we hiermede bedoelen, willen we wat uitvoeriger aantoonen De geschiedenis van de letterkunde eens volks is een stuk, een voornaam stuk van de ‘vaderlandsche’ geschiedenis van dit volk; deze legt vooral den nadruk op het staatkundig leven, gene doet Taal en Letteren Jaargang 11 118 ons de geestesstroomingen kennen, die zich op verschillende tijden onder dit volk openbaarden; zij verklaren en verduidelijken elkander, vullen elkaar aan Zoodra de vaderlandsche geschiedenis maatschappelijke en volks geschiedenis wordt, kan zij de hulp der letterkunde met hare pamfletten, kluchten, tooneelstukken, hekeldichten enz enz niet missen Daarom vlocht Prof Fruin in zijn: Tien jaren het bekende caput XIV in, waarin hij het streven van Coornhert ,Marnix en Spieghel schetst, en ons op zulk een eenvoudige, doeltreffende wijze een blik laat slaan in het geestesleven van ons volk in het laatst der 16 de eeuw; daarom ook ruimt Prof Blok zulk een voorname plaats in aan onze letterkunde in zijne: Geschiedenis van het Nederlandsche volk De verschillende stroomingen op politiek, maatschappelijk en geestelijk gebied vinden hare kanalen in de letterkunde eens volks; hier vinden wij de worsteling der partijen, den strijd der geesten, het hopen, het smachten, de zielekreten van blijde, verlangende en beangstigde menschenharten als versteend terug De vaderlandsche geschiedenis in geijkten zin houdt zich meer met de lotgevallen van een volk in zijn geheel bezig, de letterkundige geschiedenis daalt meer af tot het individu Wie zich tot de studie van een voornaam produkt onzer letteren zet, dient daarom rekening te houden met den tijd, waarin het werk ontstaan is en met de individuëele geschiedenis van den schrijver, welke in den regel beide van invloed zijn op de conceptie en den vorm van het geestesprodukt Wie de schrijvers uit het midden der 16 de eeuw Anna Bijns ,Marnix ,Coornhert wil begrijpen moet zich eerst op de hoogte stellen van den toestand der Roomsche kerk in dien tijd, van hare verdorvenheid en haar strijd tegen de opkomende nieuwe leer: Lutheranisme en Calvinisme ,van het in ons land doorbrekende Humanisme èn van het standpunt, waarop de bovengenoemde drie representanten van Katholicisme, Calvinisme en Humanisme stonden, toen zij hunne Refereinen ,Biënkorf en hunne vertaling van Boëtius en Boccaccio in het licht gaven En de hekeldichten van Vondel dan, die ons verplaatsen te midden van de staatkundige en kerkelijke geschillen van de eerste helft der 17 de eeuw? Tot recht verstand van deze karakteristieke produkten van Vondel's satire moet men niet alleen bekend zijn met de politieke geschillen tusschen de aanhangers van den stadhouder en den raadpensionaris, maar vooral ook met de uiteenloopende gevoelens en meeningen van Remonstranten en ContraRemonstranten, onder welke laatste de dichter vooral zijne slachtoffers uitkoos Smout, Badius, Triglandt, terwijl bovendien de Amsterdamsche kleur, die vele dezer hekeldichten hebben, eenige Taal en Letteren Jaargang 11 119 kennis vereischt van den toestand op kerkelijk gebied te Amsterdam tusschen de jaren 1618 en 1630, indien de lezer ten minste de fijne zetjes in sommige dezer gedichten genieten wil De meeste candidaten hadden één of twee dezer hekeldichten gelezen; een enkele had zich aan: de Rommelpot van het Hanekot gewaagd, doch er weinig van begrepen; zelfs den titel bleef men in gebreke te verklaren; van Bakhuyzen's voortreffelijke studie: Vondel met Roskam en Rommelpot bleek geen der candidaten gehoord te hebben De heeren schijnen niet te weten, dat eene kalme bestudeering van beide bovengenoemde gedichten aan de hand van dezen gids oneindig meer nut en genoegen verschaft dan de oppervlakkige lezing van meerdere dezer gedichten Dat men geen inzicht krijgt in de beteekenis van Van Effen's optreden in de 18 de eeuw, noch van het doel, dat hij zich met zijn Spectator voor oogen stelde: bestrijding van den alles beheerschenden Franschen invloed zoowel op letterkundig als maatschappelijk gebied, hekeling van de maatschappelijke gebreken en aanmoediging tot deugd en eenvoud, door het lezen van een enkel schetsje: de Hollandsche vrijaadje van Kobus en Agnietje ,ligt, dunkt ons, voor de hand Toch hadden de meeste examinandi, die Van Effen opgaven als een schrijver der 18 de eeuw van wien ze iets gelezen hadden, zich met dit weinigje tevreden gesteld; ze hadden dezen essayist niet beschouwd in verband met zijn tijd, noch zijn werk in betrekking tot de maatschappij der 18 de eeuw, zich niet afgevraagd, waarom hij zijn werk Spectator ,waarom juist ‘de Hollandsche Spectator’ noemde; of er overeenkomst bestond op sociaal gebied tusschen het Engeland van Queen Anne's tijd en onze Republiek van omstreeks het midden der 18 de eeuw, met andere woorden: ze kenden Van Effen's naam, doch hadden zijn werk niet gelezen, niet bestudeerd Ook de Leekedichtjes van De Génestet, om een voorbeeld uit de vorige eeuw te kiezen, komen niet tot hun recht door deze verkeerde wijze van studeeren De lectuur van een enkel Leekedichtje is vrij onvruchtbaar en tevens ontmoedigend, wanneer men zich niet een weinig op de hoogte gesteld heeft van de godsdienstige beweging van omstreeks het midden der 19 de eeuw, waarin de professoren der drie Rijksuniversiteiten Scholten, Doedes, Hofstede de Groot drie verschillende richtingen vertegenwoordigen en waaraan de namen van Allard Pierson (Ds Humanus) en Busken Huet (l'Enfant terrible) onafscheidelijk verbonden zijn Hoe weinig profijt de candidaten uit hunne wijze van studie getrokken hadden bleek telkens, wanneer ze een voldoend antwoord schuldig bleven op de vraag tot welke partij de dichter Taal en Letteren Jaargang 11 120 zelf wilde gerekend worden en wat de auteur, die toch theoloog was, met den titel: Leekedichtjes bedoelde Een oningewijde zou het kunnen toeschijnen, dat deze vragen wel wat minutieus waren en wat ver gingen Hij vergete echter niet, dat het aan de keuze der candidaten werd overgelaten, welke werken zij wilden opgeven In dit geval mag men toch verwachten, dat ze zulk een werk goed gelezen en bestudeerd hebben, vooral wanneer er uitstekende en goedkoope uitgaven te krijgen zijn, zooals met de leekedichtjes het geval is; immers, de uitgave van Dr Meyboom (Bibliotheek van Nederlandsche letterkunde, Groningen, JB Wolters) kost slechts f060 en geeft alle gewenschte ophelderingen en toelichtingen Over het algemeen is de kennis van goede hulpmiddelen voor de studie der letterkunde der letterkunde alleen? bij de candidaten zeer gering Met deze grepen uit de geschiedenis onzer letteren van de drie laatste eeuwen hebben we willen aantoonen, hoe een ‘voornaam’ letterkundig produkt in de lijst van zijn tijd dient gezet te worden, indien van deze studie vormende kracht zal uitgaan en ze iets meer zal zijn dan ephemerisch geheugen werk Om bij de veelheid der examenvakken tijd uit te winnen, neemt een candidaat dikwijls zijn toevlucht tot een ‘handboekje’, dat hij in zijn geheugen tracht te prenten Zulke extracten kunnen uitstekende diensten bewijzen aan iemand, die zich in beknopten vorm voor den geest wil terugroepen, wat hij in extenso bestudeerd heeft, of als basis van mondeling onderricht; hunne beknoptheid doet evenwel zeer dikwijls schade aan hunne duidelijkheid en geeft geen helder inzicht in oorzaak en gevolg ;zij kunnen dus wel met goed gevolg gebruikt worden na uitvoerige studie van een vak, doch niet vóór of in plaats van zulke studie Wij vreezen, dat dergelijke handboeken, of leidraden, of hoe men deze résumé's nog meer noemen wil, in de onderwijzerswereld veel bijdragen tot oppervlakkige kennis, tot het uitdooven van alle zelfstandige studie en tot teleurstellende resultaten bij het examen Wij zouden den raad geven liever flinke, degelijke werken te gebruiken en hieruit al lezende zelf aanteekeningen te maken; dit heeft het dubbele voordeel, dat men begrijpt wat men leest, en dat men het veel gemakkelijker onthoudt Heeft men nu de studie van een ‘voornaam’ letterkundig produkt op de hierboven aangegeven wijze voorbereid, dan beginne men met de eigenlijke lezing Men leze nu eerst het werk door als litterarisch voortbrengsel van kunst; men geve zich geheel aan den dichter over en noteere even de passages, die den meesten indruk maken, die men werkelijk mooi vindt, hetzij om den inhoud, hetzij om den vorm Op deze wijze krijgt men een totaal indruk Taal en Letteren Jaargang 11 121 van het gelezen werk; het gevoel en de verbeelding krijgen ook eens wat hun toekomt en beloonen hun bezitter voor deze momentaneele bevrijding van de knellende banden van het snuffelend verstand met eene tinteling van genot, die verfrisschend werkt op den geest Daarna zette men zich tot bestudeering van de onderdeelen: de fabel of de intrigue van het stuk, de ontwikkeling van de karakters, de teekening van de personen, de beschrijving van de toestanden, de schildering van de natuurtafereelen enz, waarbij tevens gelet worde op taal en stijl Heeft men dit met één werk goed gedaan, er al den tijd voor nemende, dan heeft men dit ééne produkt meer geleerd en meer inzicht gekregen in litteraire compositie en litteraire kunst dan men zich eigen maakt door het vluchtig lezen van verscheidene werken Het zit 'em niet in veel lezen, gewoonlijk synoniem met gauw en oppervlakkig lezen; haast is de dood voor elke grondige studie, vooral voor die eener kunst En dat er niet genoeg gewerkt wordt door de candidaten is eene beschuldiging, die wij eerder zouden durven staande houden met het oog op de onderwijzers uit de stad dan ten opzichte van de examinandi van het platteland; dat er niet ernstig genoeg gestudeerd wordt, geldt van beide categorieën, al is het waar, dat dit verwijt de eerstgenoemden veel zwaarder treft dan de laatsten, die zoo dikwijls van alle noodzakelijke hulp verstoken zijn Tot verontschuldiging van de candidaten mag aangevoerd worden de veelheid der examenvakken, die oppervlakkige handboekjesstudie in de hand werkt en dringend splitsing van het examen in twee deelen eischt, gebrek aan eene goede methode voor vakken welke voor hen nieuw zijn, en last not least gemis van goede en onontbeerlijke leiding, met al de nadeelen hieraan verbonden, die voor de candidaten van het platteland bijna onoverkoomlijk groot zijn Kampen DRSSH (Wordt vervolgd ) Eisen van de Opvoeding Für die Erziehung unserer Söhne ist die ästhetische Bildung allerdings unentbehrlich, aber doch nur ein kleiner Bruchtheil von dem, was Noth thut, um sie zu ganzen Männern zu machen, deren Bildung den Anforderungen des Lebens gewachsen ist Zu dieser unentbehrlichen ästhetischen Bildung liefert die Kenntniss des Homer und des Sophokles in der Grundsprache wieder nur einen Beitrag Sie würde Taal en Letteren Jaargang 11 122 ganz unzureichend sein, wenn nicht andere Bildungsmomente ergänzend hinzuträten Da die Welt des Schönen so reich an mannichfaltigen Gestalten ist, von denen doch immer nur wenige dem Schüler vorgeführt und benutzt werden können, sein Gefühl für das Schöne zu wecken und seinen Geschmack zu bilden, so ist die Nohtwendigkett nicht einzusehen, warum gerade Homer und Sophokles zu diesem Zweck benutzt werden müssen, deren Verständniss im Original mit so viel Zeit und Kraft der schönsten Bildungsjahre erkauft werden muss Könnte das Ziel ästhetischer Bildung nicht in gleichem Umfange leichter auf anderem Wege erreicht und diese ungeheure Summe von Zeit und Kraft anderen dringlicheren Aufgaben zugewendet werden? Man kann sich diesen und ähnlichen Bedenken nur verschliessen, wenn man wirklich in den Werken der griechischen Klassiker ‘ewig giltige und absolut vollkommene Vorbilder’ erblickt Wenn wir Philologen dies mit voller Ueberzeugung thäten, und wenn die Jugend uns glaubte, und wenn es sie einsichtiger und besser machte, die Werke einzelner Sterblichen mit den absoluten und ewig giltigen Normen alles künstlerischen und litterarischen Schaffens zu verwechseln, dann könnte der Klassizismus dauernd die Grundlage unserer höheren Jugendbildung bleiben Aber keine dieser Voraussetzungen trifft zu Jeder Lehrer, der durch die Schule der Geschichtswissenschaft gegangen ist und durch sie gelernt hat, die menschlichen Dinge liebevoll und gerecht, ein jedes in seinem bedingten Werthe zu verstehen, wird es ablenen ,selbst in den genialsten Offenbarungen menschlicher Schopferkraft ewig giltige Vorbilder alles zukünftigen Schaffens zu erblicken Die Jugend, obwohl sie lebendiger, persönlicher Vorbilder bedarf, ehe sie zum Ahnen und Schauen unpersönlicher Ideale fortschreiten kann, wird es in unserer Zeit gesteigerten nationalen und kulturellen Selbstgefühles ablehnen, in den Heroen einer fernen Vergangenheit und eines fremden Volkes die für ihr eigenes Denken und Empfinden unmittelbar maassgebenden Vorbilder anzuerkennen; und könnten wir sie durch pädagogische Künste dazu zwingen, so würde sie dadurch nicht einsichtiger und besser werden, Denn nur der Wahrheit, nicht der Mythologie, ist diese Macht gegeben Die Mythologie des Klassizismus und seine falsche Heroenverehrung würde die Jugend in der Erfassung der uns und unserer Zeit gemässen Ideale erbenso sehr hemmen, wie die echte Heroenverehrung sie fördern könnte Man weckt nur den Geist des Widerspruchs in der Jugend, wenn man ihr als Vorbild hinstellt, was nach geschichtlicher Notwendigkeit für sie nicht vorbild sein kann, und verhindert dadurch, dass sie aus der Lektüre der Alten für ihre Bildung den Nutzen zieht, den sie aus ihr ziehen könnte Es kommt hinzu, dass die deutsche Bildung infolge des wirtschaftlichen und politischen Aufschwunges innerhalb der letzten Generation nicht mehr in einer Zeit überwiegend ästhetischer Interessen lebt Diese müssen sich jetzt mit dem bescheideneren Platze begnügen, der ihnen neben den anderen grossen Menschheitsinteressen von Natur zukommt Enkele citaten van HANS VON ARNIM Deutsche Litteraturzeitung Taal en Letteren Jaargang 11 123 Boekaankondiging Dr JM Hoogvliet's Opvatting van Taalstudie en Methode van Taalonderwijs ,door Dr JA Dèr Mouw Het is dan toch waar: het nieuwe leven komt aanbruisen: het doortintelt allen, en alle dingen worden nu met andere ogen dan vroeger aangekeken Wat 'en heel andere kijk hebben we al gekregen op de kunst, nu we ons best doen aftedalen in de goudmijnen van de artiesteziel, om er onze kostbaarste kennis vandaan te halen, de wetenschap van de ziel! Hoe volkomen wordt zo ons waarderingsvermogen als wij ons oefenen in het doorgronden van onze moderne schilders, van onze schrijvers; als wij, door het weten van het zielsbewegenvannù gesterkt, ons opmaken om zelfs niettijdgenoten te gaan ontdekken met Historie tot wegwijzer Ja, wij merken nu overgangen op, die het niet meer mogelik maken de mensen te verdelen in prozamensen de meerderheid en artiesten 'en heel klein beetje! Wie waarneemt vindt, in de meest prozaïese, dichterlike ogenblikken en och, die artiesten kunnen zo laagbijdegronds zijn! Nu alles zich mettertijd gaat geven zoals het is, nu de witsellagen van onze ziel afbrokkelen en er vaak prachtige schilderingen en diepgevoelde opschriften en gedichten te voorschijn komen, waar vroeger pleister en witsel blankten, nu worden zelfs de klassieken aangetast Pompeji is al lang aan 'tleven teruggegeven, maar menigeen vroeg zich af of we de klassieke schrijvers maar niet liever zouden laten inpakken om ze daarheen te zenden, waar ze als curiositeiten aan de bezoekers konden getoond worden Immers de aanhoudende volhardende studie er van had er nu toch stellig al wel, in die 4, 5eeuwen, uitgehaald wat er voor onze beschaving uit te halen viel en dat in begrijpelike moderne talen weergezegd, en de weg van onze wereld is vooruit: Act, act in the living present! En dan vooral wat 'en kostbare tijd daaraan besteed op onze gymnasia, Taal en Letteren Jaargang 11 124 die resten van de Latijnverering van vroeger jaren, die nieuwerwetse Latijnse scholen; was 'tniet godgeklaagd, dat men daar noch niets beters wist te doen dan het instampen van de grammatica's van die dode talen, terwijl de jonges bij slot van rekening die schrijvers niet of slecht of ternauwernood konden lezen Zo werd al lang geklaagd, zo duren de klachten voort Hoger en hoger gingen de stormvloeden, meer en meer werden de beide talen bedreigd, tot zelfs 'en minister ze aanblies om op één bepaald punt aan te vallen en één bolwerk ten val te brengen Het was om niet alles te laten wegspoelen, dat er onder de klassieke geleerden zelfs stemmen opgingen om daaraan mee te doen Maar zou dan niet, als 'tene duin bezweken is, ook het andere allicht ondermijnd worden? Zou het niet de wegspoeling van beide zijn? En zouden dan niet de vereerders van het Grieks juichen over de val van het koude, nuchtere Latijn? Zou er dan geen gehuil van genot opstijgen uit de zee van de tijd, die de strijd gewonnen had? En was het goed om één van beide wegtenemen? Lag het niet veeleer aan het niet meer deugen van beiden in die aanbruisende zee, zo maar blootgesteld aan alle weer en wind? Ze moesten beschermd worden, vond Hoogvliet, anders gingen ze! En hij begon aan z'n zeebrekers te werken Nu, in dat werk kreeg hij nu krachtige hulp van Dr Dèr Mouw Mogelik dat hun werk als het af is, als velen ook andersalszijdenkenden meehelpen, de instorting voorkomen kan Maar dan moet er gewerkt worden Om te beginnen wijst Dèr Mouw, Hoogvliet volgende, op de verkeerdheid van onze taalopvatting en de daaruit voortkomende verkeerde methode van onderwijs, al aan de Academie bij het onderwijs in de Vergelijkende Taalstudie bestaande Deze toch heeft tot nu toe vooral z'n best gedaan de homologe, gelijkvormige, taalvormen te weten te komen; zo is er zelfs 'en IndoGermaanse stamtaal gereconstrueerd al staat die lang niet vast noch ;zo hielp zij ons 'en noch maar vage blik te slaan in de Indoeuropese beschavingsgeschiedenis en in de overeenkomstigheden van het godsdienstig denken bij Indieërs, Grieken en Germanen Maar daarnaast is de studie van de gelijkwaardigheid voor de gebruiker van sommige elementen, vormdelen, met die van 'en andere taal verwaarloosd Dat is dus geen kwestie van gelijkvormigheid of homologie maar van analogie, overeenkomstigheid In alle mensen, die toch alle gelijksoortige organen hebben, moet dan ook de hoofdzaak van dat waargenomene zich onbewust omzetten in gelijkwaardige verklanking, of wel, hoe veel verschillends ook de natuur van het land, de luchtgesteldheid, de omgeving, in de talen van de mensen brengen, er moeten in die talen algemene begrippen waar te nemen zijn en er is 'en soort van algemene grammatica van alle talen te schrijven, waarin de begrippen zuiverder gescheíden, precieser omschreven zijn, dan nu het geval is Dat nu heeft Dr Taal en Letteren Jaargang 11 125 Hoogvliet ondernomen ‘Hij wil niet onderzoeken welk woord in de eene taal etzelfde is als welk woord in 'n andere, maar hij wil weten, hoe et taalapparaat werkt en met welk funktioneel gelijkwaardige beter: op elkaar gelijkende (nvds) verrichtingssystemen funktioneel gelijkwaardige beter: op elkaar gelijkende (nvds) resultaten bereiken’ Nu die kant van de taal kan men ook wel eens gaan bekijken als 'en aanvulling van de Vergelijkende Taalstudie Te meer, omdat wij op de weg van deze stuiten op 'en hek waarop staat: kennis van de klank Er bij 'en bord met: Verboden toegang Bij benadering weten wij wel wat daar achter is, maar over dat mooie klankeland dwalen, de klanken van vroeger eeuwen horen, dat kunnen we niet We zijn bij alle vormen van taal die we vinden tot het schriftteken beperkt en moeten maar raden hoe de klank door dat teken aangeduid geklonken heeft en de eenstemmigheid daarover schijnt noch lang niet bereikt te zijn; er zijn tal van strijdvragen: hoe klonk de bijbel van Ulfilas, de Saksiese Hêliand? Hoe werden de Friese wetten voorgelezen? En om maar een kleinigheid te noemen: de jonges hier op 'tgymnasium spreken het Latijn in de uitgangen vooral heel anders uit dan ik het geleerd heb; de Duitser doet het weer anders en de Engelsman; maar hoe deed de Romein het? Vandaar ook de zucht bij de jongere taalmensen om uittegaan van het nùlevende woord, de nùgesproken klank om daarvan de overeenkomstige klanken te zoeken achter de oudere overeenkomstige woordbeelden Maar in die richting valt noch vrij wat te doen Gedeeltelik is dit nu 'en kwestie van het universiteitsonderwijs en zal daaraan gedacht moeten worden, zodra er in de wet op het Hoger Onderwijs wordt veranderd op de door ons gewenste wijze Wanneer daarbij de Vergelijkende Taalstudie voor alle litteratoren op de voorgrond geplaatst wordt dan zal daarbij de aanvulling hierboven besproken niet mogen ontbreken Intussen zijn wij voorlopig noch wel niet aan 'en algemeen candidaats evenmin als aan 'en algemeen doctoraal examen toe en de heren geleerden hoeven zich ook niet te overhaasten denk ik De weg waar zij langs moeten is groen van goede wensen, maar in de verte is noch niets te zien van 'en te bereiken doel Intussen zijn ook wij ‘modernetaalmensen’ op school al begonnen met uittegaan van het nùlevende woord en 'en tweede begrip van Hoogvliet, waarvan hij de mogelikheid ook voor de praktijk aanneemt, is om achter het denkleven en de manier van zeggen van de klassieke schrijvers te komen door hun gedachtengang, hun woordvoeging te volgen Dat is wel niet juist het nùlevende woord, maar toch de voor ieder bereikbare min of meer juiste aanduiding van Latijnse en Griekse klanken en begrippen Dat is wel jammer, maar de Latijnse noch de Griekse klank leeft meer ongewijzigd, juist zo als de Taal en Letteren Jaargang 11 126 aanduiding op papier er uitziet Dit geldt alleen voor het denkleven en 'tis dus toch maar half Enfin, om nu dat te kúnnen doen, heeft Dr Hoogvliet scherp ingezien dat wij 'en nieuwe indeling van de rededelen moeten hebben in plaats van de verkeerde en onvolledige uit de Latijnse en Griekse grammatica, die wij door alle taalgeleerden voor hun talen hebben zien overnemen, waarbij ‘de groote vergissing is geweest, dat men de Grieksche en Latijnsche grammatici voor goeie taalkundigen hield en hun benamingen kritiekloos overnam, terwijl 'et toch apriori heel onwaarschijnlik is, dat 'en volk dat over 'talgemeen de taal niet als ontstaan, maar als gemaakt beschouwde, 'n juist klassifikatie beginsel had’ Nu hecht ik voor mij er minder aan voor de praktijk ,dan de eerste indruk van het boek deed vermoeden Dr Cijfer plakt andere etiketjes op de verdeelde onderdelen, mischien wel betere, maar de afspraak van nu voldoet voldoende aan de eisen van de praktijk Het allerbelangrijkste van Hoogvliets denken is, zegt Dèr Mouw, het volgende Wetenschappelik en paedagogies van het grootste belang Voor de Griek moet zich in de klankverbinding thuzomen offeren zullen we het begrip offeren onmiddellik gehecht hebben aan de vorm thu ,en zo is dan ook, volgens Hoogvliet, wat wij de wortel van 'en woord noemen ‘niet alleen 'n linguistische geleerdheid, maar ook en in de eerste plaats 'en taalrealiteit’ Jawel ‘de taalanatoom mag 'et cadaver (bestuderen), de bestendige drager van 'et begrip leeft’ of leefde, maar het valt ons verbazend moeilik hem na te denken Zelfs de nùlevende; of er dus bij 'tgebruik van thuzomen door 'n Griek aan de klank thu het begrip offeren verbonden werd, het lijkt wel waarschijnlik, maar bewijzen kunnen wij 'tniet en noch veel minder of er aan de klank zo 'en toekomstvoorstelling vast zat Bij dit laatste zou het ook kunnen zijn, dat het geheel in verband met de omgevende woordklanken, die indruk maakte: te bewijzen valt het niet Wij zelf zeggen toch ook niet altijd wij zullen morgen uitgaan ;ook wel we gaan morgen uit ,ja zelfs zonder de minste toekomstaanduiding, als de spreker die wel weet: we gaan [uit ,hoor ]!Bij redenering over deze kwestie heeft men geen vaste grond onder de voeten: dat alles zweeft in 'en wazige lucht Dit staat alleen vast: ieder volk heeft z'n eigen manier van denken en vindt zijn wijze van denken de enig juiste en daarvan komt het ook dat de studie van 'en vreemde taal het denken leniger maakt, omdat je gedwongen wordt je in ander denken te verplaatsen Hoe geheel anders bv het zich eng vastklemmen van de toekomstvoorstelling bij de Grieken aan de wortelvorm dan bij ons, vgl thuzomen en ik zal je morgen middag ,als je bij me komt ,het boek geven Dergelijke bespiegelingen zijn wel aardig, maar ook hier stuiten we al heel gauw op 'en afsluithek met het opschrift ‘Waarom?’ En het Taal en Letteren Jaargang 11 127 verschil tussen het wezen van de Griek en de Nederlander blijft ons verborgen In ieder geval heeft de oude methode van taalonderwijs ons op de schoolbanken 'en verkeerde voorstelling van het Griekse denken bv gegeven, alsof die Grieken nu zo verbazend knap waren, dat ze mekaar begrepen omdat ze direct de aoristus passief herkenden als zodanig, in plaats van op de klanken te letten, waarin ze zich uitten Later werd je er mischien door de leraar wel eens om uitgelachen en dan kreeg je er toch geen beter begrip voor in de plaats Het verkeerde kroop alleen angstig even weg voor die lach Dat verkeerde begrip dat wij ook bij ander taalonderwijs dan het klassieke opdeden moet er nu uit, evenals het, wat onze moedertaal betreft, uit de breinen van velen weggewaasd is, als 'n nevel voor de zon van het gezondverstand Het is niet anders: de oude grammaticamethode voldoet niet meer aan de eisen die wij stellen Nu hangt de schrijver van die oude methode, volgens welke wij allen min of meer de klassieke lessen in ons opgenomen hebben of bij ons neer hebben laten glijden 'en verdienstelik geschilderd tafereel op Of het bij alle docenten nu waar is; of hij mischien ook 'en uitzonderingstoestand geschilderd heeft, zoals hij die zich algemeen dacht op alle scholen; of zijn werk dus niet eerder te somber gekleurd is, zoals 'en pessimist het zou zien; of hij die zo denkt persoonlik niet beter deed, zoals 'en classicus me zei, om maar in de grond te gaan wroeten liever dan leraar aan het gymnasium te blijven in zijn vak; of er met andere woorden niet docenten zijn die hun best doen zij het ook op andere wijze dan Dèr MouwHoogvliet om het leven te benaderen in plaats van het klassiesmooie te ontleden en voor leerlingen ongenietbaar te maken; op al deze vragen valt het moeilik beslist te antwoorden voor 'en nietklassiek docent, omdat het onderwijs van ieder docent evenals de slak in 'en eigen afgesloten huisje zit, waar niemand buiten hem zelf in kan doordringen Ook voor mijn ogen rijzen wel andere docenten op, maar 'tis maar de kwestie of ze niet aan de oppervlakte alleen zich veranderd hebben bij hun onderwijs, of de Cobetondergrond niet bij de meesten noch bestaat in plaats van vervangen te zijn door 'en meer kunstlievende en toch tegelijk waarheidzoekende stemming 'tIs de kwestie en ik geloof dat de geest van Cobet noch te veel aan onze universiteiten rondzweeft om, nú al, te kunnen rekenen op verbetering De beste methode zou zijn natuurlik, als dat maar kon, in plaats van het doelloos maken van themata uit de grote, grotere, grootste Volcke om 'en jonge te brengen in 'en omgeving waar gewoon Latijn en Grieks zuiver gesproken werd; dan leerde hij het mischien ook zuiver spreken Maar dat kan niet, want de zeldzame exemplaren Taal en Letteren Jaargang 11 128 van het Latijnsprekend soort, (oudGrieks hebben ze nooit veel gesproken, meen ik) zouden er voor bedanken hun huizen overvol te krijgen En dan noch, was hun Latijn als ontleend aan schrijvers, vaak artiesten, wel het gewone? Zou men bij ons het gewone Nederlands kunnen leren uit Van der Palm, Vondel, Bierens de Haan en Kloos? Men kan dus hoogstens die artiesten na leren denken of tenminste daarnaar trachten En dat kan men eerder met 'en methode, die de richtingHoogvlietDèr Mouw volgt, dan met de oude Onverbiddelik streng gaat deze amtenaar van het openbaar ministerie dan het requisitoir van deze laatste oplezen Z'n verontwaardiging maakt hem welsprekend en het betoog, dat er eerst hier en daar al te geleerd uitzag en wel 'en pleidooi vóór het behoud van Latijn en Grieks leek, zo veel wetenschapswoorden uit beide talen gehaald waren er in ten toon gesteld; dat al te veelzijdig was haast met z'n vergelijkingen uit andere wetenschappen als bv de biologie, voor de meeste litteratoren en onbekend terrein, maar met dat al niet wegslepend, ja hier en daar zwaar op de hand, dat betoog vloeit nu door de waarheid er van De ‘legkaartmanier’ wordt onder handen genomen, waarnaar tot in de hoogste klassen blijkbaar gewerkt wordt; het maken van 'en ‘constructie’, als dacht de Romein verkeerd en de Nederlander alleen juist, in plaats van de jonge ‘te brengen tot met het origineel evenwijdige reproduktie’ Heel de schat van je eigen herinneringen wordt blootgelegd weer, alles zie je weer voor je, zoals het je zelf gegaan is met je eigen leraren Wat waren dat soms saaie, eindeloze uren, als je er niets ánders onder doen kon en dan weer welke opwekkende als er naar het mooie, juiste woord gestreefd werd bij 'en vertaling, als op het tekenende, het komiese in Homerus en Terentius gewezen werd! Maar dan waren de vakken niet prettig of vervelend, maar de docenten en zo was het met andere vakken ook, de leraren deden het 'em Juist, zie je wel, dat is 'tem juist: het ligt niet aan de methode en dus Neem me niet kwalik, ik wil wel geloven dat er ook met deze nieuwe methode gruwelik saaie uren zullen blijven, maar dit staat vast, dunkt me, en nu spreek ik voor me zelf: laten ze op school beginnen met het lezen van gemakkelik latijn, latijn dat bv inmanier van denken dicht bij het Frans staat, wat ze dan toch ook al leren, bv uit de latere latiniteit, waar wel stukken op te sporen zijn, die jonges mooi kunnen vinden, dunkt me 1)en naar ik hoop, want voor latinist zou ik me niet graag durven uitgeven begrijpen kunnen; of 'en andere manier was deze: wij hebben hier te lande aan de universiteiten altijd noch grote kranen in het Latijn Zou er nu geen van die Hooggeleerden zich meer zo jong kunnen gevoelen, zich zo in z'n jeugddenken kunnen terugplaatsen, dat hij uit meelij zelf eens aan 'tver 1) Zie Taal en Letteren VIII, 516 Taal en Letteren Jaargang 11 129 tellen ging in Latijn en Grieks wat hij wist aan aardige vertellingen, avonturen, jongesgedachten in één woord, die aantrekkelik voor jonges zouden zijn? Als men dan zo op die beide manieren bloemlezingen van prettige stukjes wist samen te stellen, dan kon men opklimmen in moeilikheid en mischien mischien ook niet in de hogere klassen komen tot het met waardering lezen van de levendigste klassieken Het mooie dat Dr HJ Boeken 1)vindt in de Anabasis wordt er door hun de tweede klas vaak die 'tmoeten lezen om Grieks te leren ,niet in gezien, dat weet ik zeker De vergoding van de klassieken moet eerst voor alleen mooivinden plaats maken en daarbij moet er van methode gewisseld worden, algemeen; want men mag zeggen, zoveel men wil dat het aan de personen ligt en niet aan de algemene denkbeelden, op de Lagere School hadden we ook wel onderwijzers van wie we veel hielden en dus veel leerden, maar dat neemt niet weg dat men er toch de methode gewijzigd heeft en noch wijzigt en daardoor ‘im grossen und ganzen’ de school verbeterd is; bij Nederlands en Modernetalen (MO) hetzelfde: niettegenstaande veel prettige herinneringen aan pittig, levendig onderwijs, verandering van methode en in 'talgemeen gesproken levendiger, pakkender onderwijs dat meer inspanning vordert van wie het geeft, maar dan ook veel scherper herinneringen in de jongeszielen nalaat, zoals altijd het leven zelf meer aangrijpt dan de geleerdheid van het boek, het concrete meer dan het abstracte Terecht spot, dunkt me Dèr Mouw met de ‘eliterigheid’ (denk aan onze ‘leeuwerigheid’ van Multatuli) nu toegeschreven door mensen, die zelf die proef hebben doorstaan, aan anderen die hun hersenen volgestopt hebben met paradigmata, accenten en legkaartendenkbeeldenomtrentdeklassiekeschrijvers, maar dit staat vast: het gymnasium, wil het z'n recht van bestaan niet verbeuren, moet als 'tgrote doel hebben: opleiding tot wetenschappelikheid, zodat men de ‘dispositie (en) de gezindheid (heeft) om weetgierig en nauwkeurig et uitverkoren vak te bestuderen’ Nu zweept de vrees voor de klassieke talen als hoofdvakken voor overgangsen eindexamens de jonges voort, om er toch hun beste krachten aan te besteden Bewijzen? Na het eindexamen zijn ze leeggetapt en er blijven meestal maar 'en paar herinneringen aan genoten moois in de ziel achter bij die enkelen, die 'en zo grote geschiktheid voor alle taalstudie hebben, dat er toch 'en gedeelte van met hun ziel vergroeid is Dat eindexamen vooral is 'en gruwel en het allerergste is de thema, die rest uit oude tijden, toen de mensen hun naam noch verlatijnsten en in die taal schreven beter dan in hun moedertaal, die toch, dachten ze, zowat vertaald Latijn was Nu, wijziging van het eindexamenprogramma is om meer redenen wenselik, want, zegt Dèr Mouw, bij 1) Nieuwe Gids V509 Taal en Letteren Jaargang 11 130 ons eindeksamen, vannú heeft hij die slaagt bewezen ‘dat iop de stoffige zolders van z'n geheugen magazijn 'n ruim assortiment voorradig had van homerische wapens (volledige uitrustingen moeilijk te bekomen), liviaansche puzzles (met zeer bruikbare handleidingen ter oplossing; voorts facsimile's van romeinsche wetten (keurige uitgave, kompleete kolleksie); verder vaderlandsche en algemeene koningen, staatslieden en veldheeren (moeten met 'n droge doek worden afgenomen, overigens treffende gelijkenis); voorts prachtige leeren ruggen met de namen van wijsgeeren en dichters in vergulde letters (de werken zelf kunnen er zonder groote onkosten in gebonden worden); benevens allerlei andere artikelen, te veel om op te noemen Blijkbaar wist iin die rommel ook goed de weg, zoodat de aanzienlijke heeren die op enquête naar de toestanden in de antiquariaten z'n magazijn bezochten, hoogst tevreden waren over de prompte bediening’ Welnu met zo'n eindexamen zelfs, dat zo gegronde redenen tot spot geeft, was er noch wel wat meer aan de jonges mee te geven als nu in de regel gebeurt, wanneer er maar meer tijd over was en die kan er, dunkt hem, nu al komen bij het Grieks onderwijs, als de methodeHoogvliet toegepast wordt Daar toch is geen thema, eerst uit het Latijn vertaald, om daarna als 'en soort van monnikenwerk in dezelfde vorm teruggebracht te worden Die taal hoeft dus ten minste niet bepaald naar het oude model te worden geleerd, zoals voorlopig met Latijn noch wel min of meer het geval zal moeten blijven Dan bleef er, zoals Dèr Mouw terecht nodig vindt, tijd over om de jonges meer te geven dan kennis, ‘fonkelend schuim aan et oppervlak van onze ziel’, die tot ‘de diepte, de dragende bodem met monsters en parels, et karakter’ niets afdoet Vergelijkende mythologie, iets van kunstgeschiedenis en wijsbegeerte zouden Zeus, Praxiteles en Sokrates tot iets meer dan namen kunnen maken Evengoed zouden, voeg ik er aan toe, bij Vaderlandse en Algemene Geschiedenis in plaats van al de helden en koningen, de bijbehorende veldslagen en jaartallen, kortom heel het geheugenwerk kunnen besproken worden: de maatschappelike toestanden, het peil van volksontwikkeling en beschaving, de logiese gevolgtrekkingen uit gegeven toestanden voor de volgende feiten Ik stem het Dèr Mouw volkomen toe, dat er niet alleen gebreken zijn in het onderwijs in de klassieke talen, maar deze zijn zo overheersend aan het gymnasium, dat ook de fouten het meeste opvallen en kwaad doen Nu toch gaan mannen als Dèr Mouw zover dat ze neerschrijven: ‘Et schrappen van latijn en grieksch als onderwijsvakken zou ik 'n bizonder verstandige maatregel vinden; nog niemand heeft et me ook maar waarschijnlijk gemaakt, dat de studie van die talen als paedagogicum ,als excitans van schoonheidszin, weetgierigheid, plezier in begrijpen en nauwkeurigheid, als middel derhalve tot vorming van wetenschappelijke mannen, die bovendien Taal en Letteren Jaargang 11 131 ook smaak en kunstgevoel hebben niet met voordeel zou kunnen vervangen worden door grondige studie van nieuwe talen en òf zooveel wiskunde, dat niet te moeilijke astronomische en physische berekeningen begrijpelijk worden, òf enkele hoofdstukken uit de biologie’ Als mannen van het vak er zelf zo over schrijven, dan vergeet 'en leek of 'en minister al heel gauw, wat Dèr Mouw later zegt, dat ‘de lektuur van oue schrijvers’ (als men die talen als vormingsmiddel wil houden om welke reden dan ook) ‘heel dienstig kan zijn als uitgangspunt van taalkundige, beschavingshistorische, psychologische uitstapjes Zoals men in 'n bergland 'n geschikt punt uitzoekt om van daaruit de natuur te leeren kennen, zoo kan de lektuur van latijn en grieksch (behalve dat et nuttig is, zooals alle vertalen) als rustig pension dienst doen van waar men de jongens langs hun onbekende wegen naar hoogten brengt, die hun nooit vermoede vergezichten geven’ En als wij dat laatste nu om de fouten in het tegenwoordige onderwijs niet kunnen inzien, dan zouden wij, zoals velen nu al doen, het kindje met het badwater willen weggooien wat dat kindje toch wel eens erg pijn kon doen en wie weet bij slot van rekening ons zelf mischien wel verdriet Immers men kan zich zo moeilik verplaatsen in omstandigheden, waarbij dit of dat anders moest als het nu is Summa summarum: ik hoop dat denkbeelden als die van Dr Hoogvliet, door de apostel Dèr Mouw samengevat en verspreid, mischien door 'en ander voor de praktijk gewijzigd, voor de klassieke leraren evangelie mogen worden Dat er evenals over godsdiensten veel twist over komen zal weet ik zeker, maar eveneens dat men ze niet langer doodzwijgen mag Dan zal het natuurlik gevolg zijn, dat er mettertijd bij alle taalonderwijs één methode komt, wat het individu ten goede moet komen Het aangewezen doel van ons voorbereidend onderwijs is het zoeken van de levende of voor onze geest weer oplevende natuur en mens in al z'n vormenrijkdom, van uiterlik en van gedachten, het opwekken tot wetenschappelikheid, tot lust om verder door te gaan Haarlem JB SCHEPERS Taal en Letteren Jaargang 11 132 Het W ilhelmus ,door J Postmus Kampen, JH Kok, 1900 De kiem van dit werkje steekt in 'n artiekel, enige tijd geleden in dit tijdschrift geplaatst 1)De karakteristiek van de Geuzenliederen ,en van 'tWilhelmus , daar gegeven, werd uitgebreid tot de hoofdstukken III en Vvan de voor ons liggende monografie Hieraan zijn toegevoegd: hoofdstuk I,over De oude tekst ;II, over het Geuzenlied ;IV, Ex profundus ;VI, Oranje en het Wilhelmus ; VII, De Auteur ;VIII, Holland en het Wilhelmus ;IX, Het Wilhelmus en de Toekomst Het werkje is hier en daar wat frazeologies, zichtbaar militant, maar met vuur en overtuiging geschreven Want 'et boek wil zijn 'n wapenkreet van 'et ‘herlevend’ Calvinisme Het omlijst de Geuzenstrijdkreet, 'et ademt aan 'tslot 'et Geuzentroostlied Ja deze auteur blijkt zelf te staan in 'tdoor hem goedgeziene teken van z'n bergenverzettend Geloof: Ex profundis! In 'tVoorbericht deelt de schrijver mee wat er over 'tWilhelmus geschreven is Te beginnen met 'tjaar 1834, toen Dr Schotel in ‘Eenige gedachten over het oude volkslied Wilhelmus van Nassouwe en den vervaardiger van hetzelve’, uit wist te maken dat, zoals veel beweerd was, niet de bekende Coornhert de schrijver kon zijn In 1869 gaf Dr WG Brill in de ‘Bladen uit onze Volkshistorie’ 'n ‘eigenaardige’ parafraze die ‘meer nog den schrijver zelf, dan wel het lied’ karakteriezeerde; in Sijthoff's ‘Algemeene Bibliotheek in 1872’ gaf Dr Jan ten Brink (in z'n Drie Volksliederen )iets over 'et Wilhelmus, 'n soort volksboekje of ‘vrijzinnig traktaatje’, maar ‘voorwerp van studie of onderzoek was ook hem 'tlied niet geweest’ Evenmin is de oogst rijk in de LieteratuurGeschiedenissen; Jonckbloet maakt er zich (Dl II, hoofdst VII) af met 'n korte notiesie; de overigen geven ‘fanfares’, zelfs Kalff in z'n ‘voortreffelijke Geschiedenis der Ned Letterkunde in de 16 eeeuw’, bleef ‘bij het oude’, en wat er in 'tTijdschrift der Ver voor Noord Nederl muziekgesch werd medegedeeld, waren wel geen onbelangrijke vondsten, maar deze betroffen de melodie, en gingen slechts ten dele 'tlied aan Daarom toog de schrijver van dit boekje zelf aan 'twerk 1) Jaargang 1897, blz 258308 Taal en Letteren Jaargang 11 133 Wie de schrijver van 'et Wilhelmus geweest is, zijn we er niet door te weten gekomen Twee namen werden er vroeger genoemd: Coornhert en Marnix Coornhert, ‘de libertijn in hart en nieren’, kon niet de zanger zijn van 'tCalvinisties lied van 't‘Voor Godes Woordt gepresen’ 1)Ook Prof Fruin heeft deze veronderstelling ‘bijna belachelijk’ gevonden 2)Schotel heeft, zoals we opmerkten, de onmogelikheid er van betoogd En eigenlik, ‘aan Coornhert komt zooveel lof ook niet toe’ 3)Marnix dan? Hoe aanlokkelik dit denkbeeld ook moge zijn, de historie wijst 'et af Wel zijn er twee getuigenissen gegeven; die van de Nijmeegse rector, Jacobus Verheiden: ‘Men acht dat van desen man (Aldegonde) dat Liedeken eertyds gesongen ter eeren van den Prince sy ghemaect ende uytghegeven’ 4)en dus zeer vaag, en dat van de Mechelse rederijker Willem de Gortter, die onder het Wilhelmus, in z'n bundel gedichten opgenomen, schreef: ‘D'eynde 1568 Ghecomponeert ende Ghemaeckt door ionckheer Philips van Marnicx heere van Sinte Aldegonde excellent poëet’ 5) Daarentegen zijn er feiten die deze beweringen volkomen neutralieseren Marnix was nòch in de laatste maanden van '68, nòch in 'tbegin van '69 in 's Prinsen nabuurschap: integendeel, vrij ver van hem verwijderd 6)Eerst in 1570 trad hij voor vast in 's Prinsen dienst, en 'tlied wordt gehouden in 'tlaatst van 1568 te zijn ‘ghecomponeert’ In de ediesie van 1581 luidt de aanhef van 'topschrift: ‘Corts na dat Graef Lodewijck van Groeningen opgebroken (en van Gemmingen verdreven was) is de Prince van Orangien na de Mase ghetogen Ende volcht een Christelick Liedt gemaeckt ter eeren’, enz 7)Waarschijnlik is de auteur 'n krijgsman geweest 8) Maar wat wel 'et voornaamste is, 'et lied is voortgekomen uit de boezem van 'tvolk, is niet de zang van één, maar die van de ‘kleyne luyden’, onder wie één der broederen weergaf, wat er leefde in aller leven, in aller borst 9) Wie ook de schrijver geweest mag zijn, hij was 'n diepaangelegd gemoed Wat moet er in 'tlaatst van 1568 niet in de hoofden en de harten van de ballingen zijn omgegaan Oranje vagabondeerde met enkele ruiters over de Franse grenzen; z'n huurlingen verliepen; z'n getrouwen versmolten Holland had niets meer te wachten; Oranje's middelen waren uitgeput En onder dat handjevol verdrevenen wordt dit lied geboren Eén man van veerkracht houdt in deze stilreine geloofsuiting aan Oranje 'n spiegel voor Eén van die sterken, die als 1) Blz 86 2) Zie 'et getuigenis, blz 86 3) Vgl 'et oordeel van Prof Rutgers, ald Over de Libertijnse historieschrijvers, blz 91 vgg 4) Blz 88 5) Blz 89 6) Blz 90, 91 7) Blz 9 8) Zie de gronden op blz 83 en 84 9) Blz 84 Taal en Letteren Jaargang 11 134 alles wegvalt, rechtstaat, omdat hij staat in z'n recht Een die zo vast en zo zeker weet, dat God z'n zaak niet zal prijsgeven, en dat ‘alles weer reg kom’, dat hij rustig en veilig liggende op de beslistheid van z'n firmamentvast geloof, uitdelen en ronddelen kan van z'n hoopvolle berusting, aan anderen Eén van die weinigen, die wetend dat voor 'togenblik alles vernietigd is, toch met voorzichtige kalmte van onderen op, in armoe en ellende, om alles, beginnen, huis en hof, vrijheid en vaderland, maar bovenal, de vrije openbaring der Waarheid, van meet af aan terug te veroveren, en die, ze weten 'et vast, ook éénmaal terugveroverd zal worden Hun pogen moge falen, en nochmaals falen, éénmaal, al is 'tniet bij hun leven, zal de Heer ontegenzeggelik uitkomst geven Van zo een is dit Ex profundis Van 'n ‘uitverkorene’ Gods Van 'n tiepeGeus, van 'n Calvijnman van wie de sterkte en de kracht is uitgegaan Van 'n koppige, die desnood alle bruggen afbrak, om terug te gaan tot de basis der zelfvernietiging Zie, daar in ZuidAfrika, 'et ‘Holland van Overzee’, glijden noch die Geuzenschaduwen langs de onafzienbare vlakten, en echoën de steilten noch de geloofspsalmen van de oude Hollanders terug Zo komt dan toch noch alles terecht ‘God nie kan ons nie verlaat’ In 'et Wilhelmus liggen de leuzen van 'topkomende vorstenhuis en van 'twordende Nederland ineengesnoerd ‘Oranje is de man van 'tWilhelmus geworden,’ zeker 1) ‘Geworden!’ zeer terecht Want Oranje die vóór en ná de Pacificatie al 'tmogelike heeft gedaan om de verschillende heterodoxe groepen aan elkaar te verbinden en dus in z'n polietiek in elk geval 'n Libertijn was, 2)is door z'n ijvervol leven, z'n tragiese dood en z'n stervend gestamelde smeekbee de man van de nasionale zaak geworden, en 'tmeest gevierd door hen, bij wie 'tin de worsteling om de gewichtigste belangen ging Iemand als Oranje, zal door z'n veelbewogen leven, z'n veelzijdige taak en de veelvuldige omstandigheden, waarin zowel karaktervol doortasten als conciliant opofferen gevergd wordt, altijd wel moeielik door 'tnageslacht, in z'n beginselen en z'n handelingen te doorgronden blijven: de moeielikste beschikkingen dulden de minste openbaarheid, noch bij de landzaat, noch bij de nakomelingschap; door tal van verrassingen die plotseling in z'n polietiek ingrepen, werd hij zelf, schoon meester van de toestand, te veel door de omstandigheden geleid; doch gegeven voor 's Lands zaak heeft hij zich, onwederlegbaar, met al z'n kunde en z'n arbeid, tot ‘goed en leven’ toe, en 'tis niet onzielkundig te gissen, dat hij zich ten slotte met de innerlike drijfveren van hen, die als ‘ridders Gods’ 'tkrachtigst en onverzoenlikst naast hem stonden, op 'n ver 1) Vgl hoofdstuk VI: Oranje en het Wilhelmus 2) Vgl Naber ,Calvinistisch ofLibertijnsch? Taal en Letteren Jaargang 11 135 trouwelike voet is komen te staan De merkwaardige woorden op z'n stervende lippen getuigen in elk geval, dat hij zich ingeleefd had in de gedachte van te staan aan de spits van 'n aan God toegewijde schaar, die bij z'n plotseling verscheiden zonder hun dagelikse en gerede leider zou zijn, en 'tis niet onmogelik dat door 'et zeldzame schouwspel, hoe 'n handvol volks zich in 'n reeks van jaren staande heeft kunnen houden tegen 'n goeduitgeruste overmacht, bij Oranje de gedachte is opgekomen dat hier uit veel dieper roerselen en op grond van veel innerliker rechten 'n pleit te beslechten viel dan hij zelf met half polietieke half humanistiese bedoelingen in 1568 heeft onderstaan te beginnen In elk geval mogen we bij 'n grondige studie van Oranje en z'n tijd niet voorbijzien, dat in 1572, toen niemand ter wereld kon gissen wat de afloop zou worden van de opmars van 'tSpaanse leger tegen de zwakversterkte en de verdeelde Hollandse steden, hij 'et gewaagd heeft, in 'tOosten en in 'tWesten afgesloten van de zee, te midden van enkele meerendeels weifelende burgerijen en omringd door 'n onbetrouwbare boerenbevolking, zelf geen krijgsman zijnde, openlik z'n leven en z'n talenten te stellen tegen de voortreffelike en telkens opnieuw aangevulde Spaanse troepen In zulk 'n vermetel bestaan ligt wat in 'tlied van de balling schuilt: de heldenmoed en 'tberustend vertrouwen van 'tEx profundis! Voor de heer Postmus ,stel ik me voor, en dit werkje geeft voor deze onderstelling voet en moed, 1)zou 'et ter verpozing van z'n dagelikse arbeid 'n welkome taak kunnen zijn, binnen 'truime kader begrensd door ‘uit de diepten’ en ‘Gode alleen de eer’ naast z'n ‘Wilhelmus’ enige monografieën over 'n nasionaal heldental te plaatsen, en wat noch wenseliker is, 'n werk op te zetten over de volksaardige lieteratuur We hebben tot heden wel 'n handboek van onze nasionale geschiedenis, dat door z'n vast karakter en z'n benijdenswaardige pragmatiek de eenmaal bij onze ‘neutralieteit’ noodwendige eenzijdigheid vergeeflik maakt; doch 'n lieteratuurhistorie op Calvinistiese leest zal op 'et handboek van Groen dit vóór kunnen hebben, dat de bewerker, zonder uit libertijns geschreven bronnen z'n draad behoeven te ontwoelen, van meet af aan in 'n openliggende lieteratuur kan grijpen, en ze onbekommerd rangschikken kan om de lijn van z'n wereldbeschouwing Onbekommerd, en dus met 'n open oor voor 'ttaalgeworstel der ongeoefenden, en met opruiming van klassistiese ‘schoonheids’wetten 2)Onbekommerd, en dus zonder face hoeven te maken tegen de in de weg staande ‘autorieteiten’, 3)maar hoog zich houdende aan 'tover 1) Ikwijs op hoofdstuk IV en V(!), VIII en IX 2) Zie de opmerking op blz 20 3) Wel wat vaak ‘aangehaald’ en dan verstoten! Taal en Letteren Jaargang 11 136 hen gespannen psychologiese koord Dan zal hij, die 'tWilhelmus ook op breder doek wist te spannen, ook binnen dit kader naast 'et Calvinisties ‘stroeve’ ook 'et ‘verstandelike’, 'et ‘dartele’ en 'et ‘ongeoorloofde’ z'n plaats weten te geven, en 't ganse volksleven om z'n lijn weten te kristalieséren Rijke bronnen zal hij vinden op z'n weg, lavender en sterkender noch uit de dagen, als diepe geesten en karaktermensen de hoofden opsteken en hun harten uitstorten, omdat ze, voor hun de tijdstroom overstelpt, appèl aantekenen bij God en de mensen, dat ook zij zullen worden gebrandmerkt als behorende tot hun eeuw Dan ook te meer zal, meelevende met de zijnen, de auteur werken ‘uit de diepten’ En ook zal hij, omdat z'n leer 'n weg wil, en de weg 'n doel, als z'n menselike kortzichtigheid bij 'theden stil moet staan, de troost als zìjn baken zetten, 1)tegenover de diepte Hij zal dat doen ook noch, in z'n vreugde over 't‘herlevend’ Calvinisme In één opzicht echter zouden we wensen, zo slechts niet z'n illusie verteert voor z'n diepere blik! dat hij aan de rechtvaardigheid geeft wat haar toekomt, zo hij zich zet zich zelf en z'n tijd bedachtzaam aan 'tCalvinisme te toetsen Dat wij psychologies geworden, 'et diepe leven van onze voorzaten trachten te herkennen, strekt ons tot ere Dat wij, nieuwgeboren, onze verwanten zien of zoeken in de strijdenden en de sterken, die in hun tijd in hun kerkelike vormen hun onmiddellik kindschapGods uitdrukten, niemand kan 'tonze piëteit euvel duiden, dat wij bij hèn de schaduwen van onze viesiën borgen Maar straks, als we, indievieduën, weer door de gegeven verinnerliking van ons wezen, weer door de gegeven striemen der kastijdingen tevens, als vernietigden van meet af bennen, wie zegt ons dan in wat voor vormen we, alléén en als volk, onze nieuwgeborenheid uiten, en in wat voor woorden en tonen òns Ex profundus ons vast vertrouwen zal opzenden over 'ttroostende pad Want de afstand tussen Rome en Génève moge groot zijn, de nieuwe tijd ziet de kloof als niet meer dan 'n grensrand, maar zoveel te meer z'n eigen toekomst als 'n nieuw werelddeel Wat brengt de morgen? In de vraag, en dit bindt ons allen, ligt ook 'et antwoord: we staan in raadselen tegenover de Eeuwigheid, en altijd zullen we hunkerend behoeven de Troost ! J KOOPMANS 1) Zie 'tslot: blz 120 Taal en Letteren Jaargang 11 137 Kleine meedelingen over boekwerken JW Bruinier ,Das deutsche Volkslied ,über W erden und W esen des deutschen Volksgesanges Leipzig BG Teubner ,1899 Gaarne vestigen wij de aandacht op dit boekje, dat onder een beknopte vorm heel wat interessants brengt omtrent de geschiedenis van het duitse, tevens van het nederlandse, volkslied Zeer eigenaardig zijn de aanwijzingen welke B geeft omtrent de oorsprong en de ontwikkeling van de onderscheidene genres als ook omtrent het verband tussen het volkslied en de oudgermaanse godsdienst Het hoofdstuk waarin deze theorie wordt uiteengezet, is zeker het verdienstelikste van het ganse werkje en verruimt onze kijk op de germaanse oudheidkunde De oorsprong van het volksgezang zoekt B met R Koegel direkt in de germaanse oudheid; hij beschouwt het als onafscheidbaar van de godsdienst, als een direkt uitvloeisel van de feestelikheden van onze vaderen De getuigenissen omtrent het bestaan van gezangen behorende tot de natuurfeesten of tot plechtigheden uit het burgerlike leven, ontbreken niet, van de tijd der Romeinen af tot in de middeleeuwen Als godsdienstig koorgezang bestond het lied bij de Germanen van oudsher Bij de kerstening ging er veel te loor, doch niet alles, zodat zich nog heden menig overblijfsel, van de cosmogonische mythen bv, laat terugvinden in het kinderrijmpje en het volksraadsel De reizende speelman van de middeleeuwen laat zich ook, naar deze theorie, terugbrengen tot de oudgermaanse priesterzanger Wegens de ineengedrongen behandelingswijze men zie bv hetgeen B zegt over de compositie bij stukken en brokken van vele liederen werkt menig hoofdstuk in dit boekje prikkelend en zet aan tot verdere studie van het onderwerp Wellicht zal hij, die in dit boekje een ‘inleiding’ zoekt tot de kennis van het volkslied, vinden dat de schrijver het hem wat moeilik maakt Maar een mens kan niet alle kwaliteiten bezitten B is oorspronkelik, en warm voor zijn onderwerp En dit is al veel; hoewel nu en dan wat duister, en af en toe al te goed vaderlander, doet hij in elk geval Taal en Letteren Jaargang 11 138 de poëzie van het volkslied tot zijn recht komen AUG GITTÉE Dr O W eise, Die deutschen Volksstämme und Landschaften Leipzig BG Teubner ,1900 In dit boekje wilde de schrijver een beeld ontwerpen van de verschillende germaanse elementen welke behoren tot het tegenwoordig duits gebied De geografiese woonplaats heeft in de eerste plaats ingewerkt op het temperament, op het karakter, en den geesteliken aanleg in een bepaalde richting ontwikkeld Hier legt men zich meer toe op landbouw, daar houdt men zich liever bezig met industrie en handel Voortreffelik heeft dr Weise de karaktertrekken van de onderscheidene duitse stammen omlijnd en toegelicht door het nodige aantal konkrete voorbeelden Tevens wijst hij er op, hoe zich de karaktertrekken terug laten vinden in de zeden en gewoonten, in de sagen en sprookjes, bij de inrichting der woning, in de politieke gezindheid, in de uitingen op litteraries gebied Enige goed gekozen en keurig uitgevoerde platen, voorstellende stadsgezichten, landschappen en merkwaardige gebouwen, versieren het boekje, dat hiermede warm wordt aanbevolen AUG GITTÉE In het eerste Nederlandsch letterkundig bijblad van ‘Cosmos ’,redactrice Marie Marx Koning ,medewerkers: Anna de Savornin Lohman, Joh de Meester, Henri Borel, Victor de Meyere, J Everts, Gerard van Eckeren, Edw B Koster, Karel van de Woestyne, Herman Teirlinck, ea, wordt bericht, dat inplaats van maandeliks één vel, om de twee maanden twee vel van dit bijblad zal verschijnen, waardoor het onaangename ‘wordt vervolgd’ zoveel mogelik voorkomen wordt Stijn Streuvels, ‘Lenteleven ’,‘Zomerland ’,‘Zonnetij ’ Wanneer wij met één woord moesten bepalen, wat de bekorende kracht is van Stijn Streuvels, waardoor hij ons aantrekt en vasthoudt op eens, dan zouden wij zeggen met diepe overtuiging: bijna geen ander nederlandsch schrijver staat zoo directweg aangesloten bij het inwaarheidwerkelijk zijnde, zóó, zonder tusschenwand van ikheid of reflectie, in echt, onmiddelijk contact met de natuur Wat hij ziet, ziet hij scherp en klaar en zuiver, ziet hij groot en toch weelderigfijntjes, en voelt er niets anders bij, als wat de dingen, die hij ziet, hem te voelen geven, zooals hij opzichzelve en uitzichzelve inderdaad zijn Reflectie en wijsheid, die, o, zoo vaak! zoo dom is van conventie, komen niet bij het zien in hem op; neen, hij proeft alles, zooals Taal en Letteren Jaargang 11 139 het tot hem komt, op de zuivere tong, als het ware, van zijn onbevangen geestelijkheid: hij ziet het, zooals een diepmeêvoelende en door de inwendige heiligheid der dingen hooggestemde, maar onbewuste godheid het zien zou, en zegt het dan uit, fierlijkvrij, in zijn haast kreuklooze reinheid van áánschouwing, met den zachten gloed en het harmonisch zich wendend bewegen, die reeds van uit het diepste der dingen naar voren kwamen, vóórdat hij keek Elke vooropgezette houding, alle uit vergankelijke en willekeurige abstracties van des schrijvers bedenkenden geest saamgeknutselde wilsprocessen en kijksystemen, 'tzij sentimenteele of quasiartistieke, 'tzij socialistisch of kerkelijkdrijvende, kortom, al het tijdelijke, wijl menschlijksubjectieve, is van dezen schrijver verre gebleven: hij ziet alle dingen eenvoudigschoon en menschlijknatuurlijk, zooals zij in de heusche werkelijkheid waarachtiglijk zijn En daarom zal het werk van Stijn Streuvels blijven leven en hoog omhoogstaan voor alle tijden, als al het tendentieuse, het leelijkexpresse reeds lang is verzonken in vergetelheid Zo om Willem Kloos in De Nieuwe Gids van Febr 1901, terwijl in de Hollandsche Revue NETSCHER die als ‘Het boek van de maand bespreekt Van alle tijden Onder Redaksie van CG KAAKEBEEN en JAN LIGTHART ,verschijnt bij JB Wolters, te Groningen een Bloemlezing, die Van alle tijden heet ‘Door dezen titel: Van alle tijden hebben we niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats willen uitdrukken, dat de stukken aan de letterkunde van verschillende eeuwen ontleend zullen worden, maar ook, maar bovenal, dat ze behooren zullen tot die uitingen van geest en gemoed, welke bij alle onderscheid van vorm het algemeen menschelijke doen kennen, het onvergankelijke wezen in den tijdelijken schijn, dus juist datgene, 'twelk van alle tijden en voor alle tijden is Wij hebben ons ten doel gesteld, naast een zuiveren herdruk van den tekst al die verklaringen te geven, welke tot het recht begrip noodig kunnen zijn Voor velen zal er wat overbodigs wezen, doch daarvan zal niemand ons zeker een verwijt maken De Inleiding maakt den lezer bekend met wetenschappelijke bijzonderheden aangaande het stuk en wijst hem op enkele schoonheden In het algemeen gaan wij van het denkbeeld uit, dat het genot van het stuk zooveel mogelijk moet worden verhoogd en dus zoo weinig mogelijk belemmerd door opmerkingen en uitweidingen, die in uitgaven voor vakgeleerden passen en hun intellectueele voldoening kunnen verschaffen, doch den lezers, die wij ons voorstellen, weinig belang kunnen inboezemen Uit dit oogpunt zijn ook de varianten weggelaten’ Uit het Voorbericht Taal en Letteren Jaargang 11 140 Die Spiegel der Sonden ,door Dr J Verdam Eerste stuk Leiden, EJ Brill, 1900 f6 ‘Hoe dankbaar wij ook Prof Verdam hulde brengen voor de zorg door hem aan deze uitgave besteed, willen wij er geen geheim van maken dat ze ons niet te enemaal bevredigt Wij zien namelijk niet in dat het de moeite loonde de taal van het Munstersch hs terug te vervlaamschen Liever een vernederduischte en verdorven tekst, getrouw naar het Handschrift, en met de noodige aanteekeningen van den uitgever bij de moeilijke en belangrijke plaatsen, dan een reconstructie, die heel zeker in menig opzicht en onvermijdelijk niet beantwoordt aan den oorspronkelijken tekst Liever eene uitgave, wier voorkomen zelf bij iederen regel utoefluistert: hier liggen wolfijzers en schietgeweren, dan zulk eene wier voorkomen eerder geschikt is om een valsch gevoel van zekerheid en vertrouwen te doen ontstaan Ook in de schikking der uitgave kunnen wij niet nalaten te betreuren, dat de teksten van het Munstersch hs en van het Oudenaardsch niet tegenover elkaar werden gedrukt; door het afdrukken der beide teksten achter elkaar wordt het vergelijken noodzakelijk veel verdrietiger en tijdroovender Een bezwaar van grooter belang is echter dit: Prof Verdam heeft bij de bewerking van zijn kritischen tekst geene rekening gehouden met de fragmenten van verschillende hss van den Spiegel der Sonden ,ofschoon de uitgave dier fragmenten, door Jhr Nap de Pauw hem die benuttiging ervan zoo gemakkelijk hadden gemaakt Meer dan eene aanteekening zou weggevallen of anders uitgevallen zijn in de uitgave van Prof Verdam, meer dan eene vərdorven plaats zou door eene betere lezing vervangen zijn geworden, zoo dit geschied was Bedoelde fragmenten vijf in getal, komen voor met aanteekeningen over hunne verhouding tot het Munstersch hs en tot den prozatekst, op bl 406 tot 464 van de reeds meer gemelde 2de afl der Middelnederl Gedichten en Fragm (1893) Ze bewijzen dat de Spiegel der Sonden nog al verspreid moet geweest zijn; de vijf fragmenten zien er uit alsof ze elk tot een ander hs zouden behoord hebben; en de taal is bij alle zuiver Middelnederlandsch Een dier fragmenten, volgens den h de Pauw tot de XIVe eeuw opklimmend, bevat zelfs een aantal verzen uit een der hoofdstukken over de Gulzigheid, welke in het Munstersch hs ontbreken, en vult dus een deel der leemte aan Die verwaarloozing van de fragmenten, door Prof Verdam, bevreemdt des te meer, daar hij wel degelijk voor zijne uitgave gebruik heeft gemaakt van een fragment, indertijd door Prof Moltzer medegedeeld in het Tijdschr v Nederl Taal en Letterk; bedoeld Fragment (van) Geervliet ,bij Jhr de Pauw bl 42237) is nochtans door Prof Moltzer nóch gansch volledig, nóch gansch nauwkeurig medegedeeld Taal en Letteren Jaargang 11 141 geworden, de latere uitgave van den h de Pauw (ofschoon daarom toch nog geen blind vertrouwen verdiend!) verdient heel zeker de voorkeur’ L SCHARPÉ ,in Dietsche Waranda en Belfort De eerste maanden Fransch volgens normale methode ,door Dr JM Hoogvliet Amsterdam SL van Looy ,1901 Eigenaardigheden, waardoor deze methode zich van andere nieuwere methodes bv de methodes Langenscheidt, Gouin en Berlitz onderscheidt, zijn oa de volgende: 1o Er is hier geen sprake van een oppervlakkige ,gedeeltelijke hervorming Tot de bodem toe is alles vernieuwd Alles wat onlogiesch en onwaar isin de tradicioneele spraakleer, wordt hier onvoorwaardelijk verworpen De natuurlijke ,zielkundige spraakleer wordt in alle deelen gevolgd 2o De zinvormingsleer is hoofdzaak en wordt aanvankelijk geheel op zich zelf behandeld Deze behandeling geschiedt door middel van een letterlijke vertaling zonder bijvoeging van de oorspronkelijke tekst De letterlijke vertaling is hier niet gebrekkig en onnauwkeurig De vertolking van ieder woord is zoo gekozen, dat zij behalve in de betrokkene ook in iedere willekeurige andere volzin zou kunnen dienst doen 3o De klanken komen meer volkomen tot hun recht, doordat in de eerste maanden alleen een fonétische en niet de gangbare schrijfwijze wordt gevolgd 4o De woordenkennis wordt niet verwaarloosd, maar door praktische, belangwekkende opmerkingen bevorderd Van begin af aan tracht de methode, zoo in dit als in alle andere onderdeelen, het onbekende voortdurend op een of andere wijze aan het bekende vast te knoopen 5o De voorstellingen van de klanken worden hier op hoogere prijs gesteld en meer in aanmerking genomen dan de klanken zelf Sommige letters, die wel gedacht ,maar niet gesproken worden, zooals bv de (e) van bonne ,belle ,de (z)van enfants ,femmes ,secrets enz, worden als bestaand erkend 6o De leerling is zelf voortdurend in de gelegenheid de geregelde voortgang van zijn vorderingen te kontroleeren 7o Het maken van zoogenaamde thémata wordt onnoodig Wel leert men volgens de normale methode ook in de vreemde taal vertalen, maar dit gebeurt eerst later als men genoeg gelezen heeft om geschikte zegswijzen uit zelfgelezene verhalen te putten 8o Het opdreunen van woordvormen in reeksen en het geweldadig instampen van regels met uitzonderingen vervalt Wij houden ons voor de uitspraak van het Fransch geheel aan de grootste autoriteit op dit Taal en Letteren Jaargang 11 142 gebied, nl prof Paul Passy te Parijs, De in Nederland meest gangbare uitspraak van 'tFransch is in sommige bizonderheden met dit gezag in strijd Het Voorbericht Verklarend Handwoordenboek der Nederlandsche Taal ,door MJ Koenen Tweede, zeer vermeerderde druk Groningen JB W olters, 1901 Dit boek is tevens woordentolk vooral ten dienste van het onderwijs, bevattende nagenoeg 60 duizend woorden en uitdrukkingen op allerlei gebíed, eigene en vreemde; verklaring van eigenlijke en figuurlijke beteekenissen, van zegswijzen, spreekwijzen, voor en achtervoegsels enz; aanhalingen uit onze dichters en prozaschrijvers; een aanhangsel in zeven afdeelingen Absolute volledigheid bezit het werkje zeker niet, en als wetenschappelijke vraagbaak wil het niet fungeeren Met voordacht zijn uitgelaten: 1o allerlei afleidingen en samenstellingen bij werkwoorden, zelfst nw enz, die door niemand ooit gezocht worden, 2o die woorden en uitdrukkingen, welke in de beschaafde spreek en schrijftaal zelden of nooit gehoord worden De opengevallen ruimte is gebruikt tot het verklaren van woorden en en uitdrukkingen, ook in overdrachtelijken zin, van zegswijzen, spreekwoorden, enz Verder zijn de gangbare vreemde of uitheemsche woorden in ruime mate opgenomen en verklaard; hun getal bedraagt duizenden, zoodat het werkje ook in dit opzicht als tolk kan dienen Tal van eigene en uitheemsche woorden werden ingevoegd, ook Indische of Maleische benamingen Voorbericht Nieuwe boeken: JH VAN DEN BOSCH en JLCA MEIJER ,Lees en taalboek voor hoogere burgerschool en gymnasium ,normaal en kweekschool Utrecht, Kemink & Zoon 8oDl II B, voor klasse 2 (IV, 250 blz) f150 Voor den coupé Utrecht, AW Bruna & Zoon 8oPer nr f010 Per 6dl (6 nrs) f060; geb f090 No 89 ANNA VAN DURDT ,Hoe Mies een man kreeg! Oorspronkelijke novelle (47 blz) Litterair Universum Verzameling der beste romans en novellen van hedendaagsche schrijvers Haarlem, Gebrs Nobels Kl 8oPer nr f025 Per 24 nrs f480 No 29 GRAAF LEO NTOLSTOJ ,De dood (119 bl, m afb) JTHMARMELSTEIN ,Bijeengebracht Een bundel voordrachten (proza en poëzie) Amsterdam, JPh Marmelstein (Reyer Anslostraat 28) 8o(298 en 2blz) f 150; geb f2 Taal en Letteren Jaargang 11 143 TRUIDA KOK ,Uit het Gooi Novellen Amsterdam, HJW Becht 8o(V, 246 blz) f240; geb f290 CORNÉLIE NOORDWAL ,Pension Brocke Amsterdam, Cohen Zonen Gr 8o(III, 268 blz) f175; geb f225 THÉRÈSE HOVEN ,Aan de bron Met 60 penteekeningen van Dinah Kohnstamm Almelo, W Hilarius Wz Gr 8o(III, 380 blz) f3 ;geb f350 EDOUARD RÖPCKE ,Ongelukskinderen Amersfoort, GJ Slothouwer Gr 16 o (143 blz) f250; geb f290 MCE OVINK SOER ,Vrouwenleven in de dessa Amsterdam, LJ Veen 8o (VII, 206 blz) f2 ;geb f250 FA Buis [NJ FABIUS ],In ketenen van hoogheid Amsterdam, PN van Kampen 8o2dln (III, 212; III, 248 blz) f490; geb 590 JEANNE REYNEKE VAN STUWE ,Tragische levens Oorspronkelijke roman 'sGravenhage, N Veenstra 8o2dln (III, 215; III, 207 blz) f4 ;geb f5 HERM HEIJERMANS JR,Op hoop van zegen Spel van de zee in 4bedrijven Amsterdam, SL van Looy Kl 8o(IV1, 44 blz) f1 ANJ FABIUS en A REYDING ,Het lintje Blijspel in 3bedrijven [10 h, 7d] Amsterdam, Van Holkema & Warendorf 8o(109 blz) f1 GERARD VAN ECKEREN ,Ontwijding Amsterdam, CLG Veldt 8o(219 blz) f 275; geb f325 LOUISE FETZER ,Langs moeilijke paden Naar het duitsch door Cath Van Gogh Visser Amsterdam, HJW Becht Gr 8o(III, 248 blz, m 4pltn) f 150; geb f190 GA HENTY ,Door de russische sneeuwvelden Een verhaal van Napoleons terugtocht uit Moskou Uit het engelsch Amsterdam, Uitgeversmaatschappij ‘Vivat’ 8o(VII, 144 blz, m 8pltn) f075; geb f125 ROSA MULLHOLLAND ,Om godswil Naar het engelsch door H Tersteeg Amsterdam, ELE van Dantzig 8o(260 blz) f190; geb f250 XII oude liederen ,met 5prentjes versierd door PH van Moerkerken Jr Amsterdam, SL van Looy 8o(37 en 2blz) f060 DRELAURILLARD ,Bijbel en volkstaal Opgave en toelichting van spreuken of gezegden in de volkstaal, aan den bijbel ontleend 2e druk Rotterdam, D Bolle 8o(VII, 147 blz) f075 JEF RECHTS ,Geschiedenis van den vlaamschen taalstrijd van af Maerlant tot op onze dagen Maldegem, Dr ijV Delille 12 o2fr J VERCOUILLIE ,Nederlandsche spraakkunst ,voor de athenaeen ,colleges en normaalscholen 2e uitgave Gent, J Vuylsteke 8oGecart f080 W OLTUSZEWSKI ,Psychologie u Philosophie der Sprache Berlin, Fischer's Medicin Buchh Gr 8oM 150 Taal en Letteren Jaargang 11 144 O SCHRADER ,Reallexikon der indogermanischen Altertumskunde Grundzüge einer Kultur u Völkergeschichte Alteuropas IHalbbd Straszburg, Karl J Trübner Gr 8oM 14 VICTOR GIRAUD ,Essai sur Taine ,son oeuvre et son influence Paris, Hachette & Cie Gr in8, av 1portr 10 fr GEORGES PELLISSIER ,Études de littérature contemporaine IIe série Paris, Perrin & Cie In16 3fr 50 G BRANDES ,Die Litteratur des XIV Jahrh in ihrer Hauptströmungen II, Bd 2 Aufl Leipzig, Veith & Comp Gr 8oM 750; geb M 850 STHOCK ,Die Vampyrsagen u ihre Verwerkung in der deutschen Litteratur Berlin, Alexander Duncher Gr 8oM 340 Inhoud van Tijdschriften: De Nieuwe Gids ,afl 7, Maart 1901, oa: J Reddingius ,Eerste Avond JH de Veer ,Columbus JR van Stuwe ,Een Operette Willem Kloos ,Verzen J Hora Adema ,Een dissonant J de Meester , Geertje, II Willem Kloos ,Literaire kroniek De Gids ,No 3, Maart 1901, oa: Stijn Streuvels ,Langs de wegen Carel Scharten ,Uit ‘De Aarde der Symbolen’ Elsevier's geïll Maandschr ,afl 3, Maart 1901, oa: SG van der Vijgh Jr ,'tKedoo (Het Cadeau) J Tersteeg ,Storm en Drang Nederland ,Maart 1901, No 3, oa: Cyriel Buysse ,Mijn beestje De Tijdspiegel ,No 3, Maart 1901, oa: CC ter Reehorst ,Pijn Dietsche Warande en Belfort ,No 2, Febr 1901, oa: Anna Germonprez , De Weddingschap Noord en Zuid ,No 1en 2, 1901, oa: JP, Getij Mr CB, In den aap gelogeerd zijn H van Leeuwen ,De zwarte tijd onzer Dichters Mr CB, Nijdas Schelts van Kloosterhuis ,Het opkamertje van den onderwijzer (Een woord vooraf) De twee Bultenaars (Van Staring I) Lezen Volkskunde ,Tijdschr v Ned Folklore ,13e jrg 5e en 6e afl oa: Prof Dr JH Gallée ,Sporen van IndoGermaansch ritueel in Germaansche lijkplechtigheden A van Werveke ,De ontucht in het oude Gent Dr Jos Schrijnen ,De vogel op de Palmpaasch Dr GJ Boekenoogen , Nederlandsche sprookjes en vertelsels A de Cock ,Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwlijk A de Cock , Volksliedjes Boekbeoordeelingen Vragen en aanteekeningen Tijdschr v Onderwijs en Handenarbeid ,5e jrg, No 3, oa: De V, De Handenarbeid op de Vergadering der ‘Vereeniging voor Paedagogiek’, op 28 Desember jl te Utrecht Gs Borea ,De opvoedende Waarde van het Onderwijs in Handenarbeid uit een zielkundig oogpunt Taal en Letteren Jaargang 11 145 Geslacht in taal Wanneer men dageliks kan opmerken, dat in de beschaafde nederlandse omgangstaal niemand het bekende manlik en vrouwlik geslacht van de Vries en te Winkel in de vorm van het lidwoord het kenmerk bij uitnemendheid voor die geslachtsbepaling onderscheidt; en wanneer men daarbij nagaat, hoeveel er in allerlei schrifturen tegen die (door de Vries en te Winkel in hun bekende ‘Woordenlijst’ opgegeven) onderscheiding gezondigd wordt; dan zou men wel horende doof en ziende blind moeten zijn, om bij 'tbegin van de 20 ste eeuw nog te kunnen beweren en te willen volhouden, dat in het onverschoolde taalbewustzijn van de nederlandse ‘spraekmakende gemeente’ die gecodificeerde onderscheiding zou bestaan En na de verschillende uiteenzettingen in vroegere jaargangen van dit tijdschrift en elders ter bevestiging van de waarheid, dat we in onze taal metterdaad alleen de en het zelfstandige naamwoorden onderscheiden, 1)zou 'tmet recht water in zee dragen kunnen heten, wanneer ik deze waarheid opnieuw met argumenten trachtte te staven Evenmin zou 'tmeer pas geven, over de waarheid met een vertoon van nieuwheid te spreken: 'tis nu wel aan te nemen, dat tenminste in wetenschappelike kringen hieromtrent geen verschil van mening meer bestaat Onze taal is dus in dit opzicht vrijwel in eenzelfde doen als de verwante noorse talen en komt in zekere zin overeen met 'tfrans, waarin ook maar twee lidwoordsvormen ter geslachtsonderscheiding voorkomen 2)En het engels heeft zelfs deze 1) Ikverwijs hier om naar Pauls Grundriss der germanischen Philologie I(1891), blz 681, waar Jan teWinkel inz'n ‘Geschichte der niederländischen Sprache’ zegt: ‘Dadurch ist inder Umgangssprache der Unterschied zwischen männl und weibl erloschen Nur für das sächliche Geschlecht mit dem abweichenden Artikel het hat der Niederländer noch Gefühl’ Evenzo inde 2e uitgaaf (Sonderabdruck) van 1898, blz 872 2) Dat in'tfrans het neutrum van vroeger (dwz van 'tlatijn) niet meer bestaat en daarentegen de noorse talen en 'tnederlands het vroegere onderscheid tussen masculinum en femininum niet meer kennen, ishier van geen belang Taal en Letteren Jaargang 11 146 simpele onderscheiding niet meer: dat kent maar één lidwoordsvorm, waarmee dus bij de zelfstnw elke geslachtsonderscheiding van vroeger heeft opgehouden Eèn taal, aan de onze naverwant, is er intussen, die werkelik nog drie geslachten onderscheidt, dwz nog drie vormen van 'tbepalend lidwoord bij de zelfstandige naamwoorden kent; en wel 'tduits ,waarin der ,die en das nog in kracht en bloei staan En gaan we terug naar hetgeen ons door schriftelike overlevering bekend is van vroegere taalperioden op 'tgebied van het germaans, dan vinden we daar overal hetzelfde verschijnsel, dat nu nog in het duits bestaat, namelik de onderscheiding van de zogenaamde drie geslachten ,al werden deze ook niet juist zo biezonder kenmerkend door lidwoorden 1)aangeduid En niet alleen aan 'tgermaans, maar aan het gehele indogermaanse talencomplex was of is dit verschijnsel eigen, waarbij 'tvoor de algemeenheid van de eigenschap om 'teven is, of lidwoorden, voornaamwoorden of buigingsvormen van zelfstnw of bijvoeglnw die drie geslachten in taal uitdrukken *** Na deze inleidende opmerkingen kan worden overgegaan tot een verklarende behandeling van het begrip ‘geslacht ’in taal, tot een onderzoek naar het al of niet bestaan van samenhang tussen taalgeslacht en seksueel geslacht, en eindelik tot een uiteenzetting van de hypotheze, resp de hypothezen over het zgn ontstaan van 'tgeslacht in taal 'tEen zomin als 'tander is tot nu toe met enige uitvoerigheid in dit tijdschrift gedaan, waardoor, hetgeen ik laat volgen, z'n recht van bestaan mag hebben En dat ik niet voor vakgeléérden schrijf, zal wel het karakter van m'n uiteenzettingen rechtvaardigen Mijn doel is alleen het begrip ‘geslacht in taal’ in z'n algemeenheid tot geestelik eigendom te doen worden van wie in taal belangstelt Ik hoop daarbij alle holle wijsheid te vermijden, maar mag zeker wel enige ‘Vorkenntnisse’ veronderstellen Wie met de litteratuur over het onderwerp zelf wil kennis maken, kan zijn voordeel doen 1) Het tegenwoordig heersende gebruik van lidwoorden iseerst inlatere eeuwen ontstaan Hetzelfde geldt van de romaanse talen; 'tlatijn kent nog geen lidwoorden 'tGrieks daarentegen kende al'tbepalend lidwoord ‘Lidwoord’ gebruik ikhier en in'tvolgende als regel voor ‘bepalend lidwoord’ en ook gewoonlik voor ‘lidwoordsvorm’, als de duidelikheid er niet onder lijdt Taal en Letteren Jaargang 11 147 met de desbetreffende oriënterende opgaven op de volgende bladzijden ‘Geslacht ’is een woord, dat ieder uit het dageliks leven kent In de registers van de burgerlike stand heet het: Een kind geboren van 'tmanlik of van 'tvrouwlik geslacht In die zin is elk kind òf van 'tmanlik òf van 'tvrouwlik geslacht In diezelfde zin zijn van 'tmanlik geslacht: de man ,de koning ,de graaf ,de leraar ,de onderwijzer ,enz; en ook: de hengst ,de reu ,de haan ,enz; en van 't vrouwlik geslacht: de vrouw ,de koningin ,de gravin ,de lerares ,de onderwijzeres , enz; en eveneens: de merrie ,de teef ,de hen ,enz Maar ook zijn in diezelfde zin van 'tmanlik geslacht: het mannetje ,jongetje , ventje ,koninkje ,het haantje ;en van het vrouwlik geslacht: het vrouwtje ,meisje , koninginnetje ,het wijf ,het hennetje ,enz In dezelfde betekenis is van 'tmanlik òf van 'tvrouwlik geslacht, zoals zoëven al werd opgemerkt: het kind; en evenzo: het veulen ,het kalf ,het rund ,het schaap ,het hert ,het varken ,het paard ,het hoen ,enz Eveneens: de mens ,de hond Ook de kat ,de geit ,de koe ,de kip ,de wolf ,als deze begrippen niet in tegenstelling met de kater ,de bok ,de stier ,de haan ,de wolvin worden bedoeld En zo zouden vrijwel alle verdere diersoorten te noemen zijn, net gelijk of de diersoortnaam het of de voor zich heeft Dit is een waarneming uit het dageliks leven, die, nog uitgebreid tot de planten, zou voeren op het wetenschappelik gebied van de natuurlike historie 'tIs dan namelik 'tbegrip zelf ,door het zelfstnw genoemd, waarom we spreken van manlik en vrouwlik geslacht ;maw we hebben tot nu toe voorbeelden en gevallen van seksuele geslachtsonderscheiding opgegeven ‘Geslacht’ in deze betekenis komt overeen met het latijnse begrip sexus en met het franse sexe ,nederlands sekse Nu is intussen ‘geslacht ’niet alleen een alledaags begrip, dat presies zo op 'twetenschappelik gebied van de natuurlike historie z'n uitlopers en vertakkingen heeft Maar ‘geslacht’ is ook een begrip in de taalkunde ,een techniese term in de taalwetenschap, of om 'tzo begrensd mogelik uit te drukken: in de spraakkunst ,in de grammatica 1) 1) Ikschrijf geen woordeboekartiekel over 'twoord geslacht ;daarom ga ikde betekenissen van dit woord, hetzij die uit 'tdageliks leven, hetzij die op enig wetenschappelik gebied, met stilzwijgen voorbij, wanneer ze geen waarde hebben voor de verduideliking van 'tbegrip ‘geslacht intaal’ Taal en Letteren Jaargang 11 148 'tMag zeker wel als bekend worden verondersteld, dat het objekt van waarneming in de spraakkunst de taal is, en voor zover het geslacht betreft, het woord , en niet, zoals in de natuurlike historie, het ding, het voorwerpzelf En wat in wetenschappelike zin van de natuurlike historie geldt, is ook toepasselik, maar nu vanzelf in nietwetenschappelike zin, op het dageliks leven: ook hier gaat 'tom de dingen, de voorwerpen zelf En, met uitzondering van enkele geluidnabootsende (onomatopoietiese) uitingen 1), is er niet de minste wezenlike overeenkomst tussen de begrippen en de weergeving ervan in taal Of men zegt: tafel ,Tisch ,table ;zoon ,son ,fils ;tong ,Zunge ,langue ; taal ,Sprache ,language; de vierderlei begrippen, die met dit dozijn woorden worden weergegeven, zijn als zodanig door het verschil in taalweergeving niet in 'tminst anders geworden En geen enkel van deze woorden bezit ook maar één enkele kenmerkende eigenschap, die aan de genoemde dingen zelf eigen zou zijn Evenmin bestaat er de geringste wezensovereenkomst tussen de begrippen ‘man’ en ‘vrouw’, die volgens hun seksueel geslacht te onderscheiden zijn, en der Mann en die Frau als taalkundige begrippen, die van de kenmerken van taalkundige geslachtsonderscheiding zijn voorzien We zouden dus in de taalkunde kunnen spreken van het taalkundig geslacht of korter: van 'ttaalgeslacht ;in de spraakkunst van het spraakkunstig of grammaticaal geslacht; ten laatste zouden we nog kunnen spreken van het geslacht van 'twoord of van 'twoordgeslacht Dit alles gebeurt ook inderdaad Ook eenvoudig weg geslacht wordt gebruikt, als 'tverband onduidelikheid buitensluit En 'tis uit het voorafgaande duidelik, dat met deze termen telkens presies hetzelfde bedoeld dient te worden Dit zal ook door mij gebeuren, tenzij opzettelik, maar dan met opgaaf van de reden, ervan afgeweken wordt Tegelijk moet het, voor wie 'tvoorafgaande goed in 'toog heeft gevat, evenzeer duidelik zijn, dat het, zelfs in 'tgeval, dat 'tseksueel of natuurlik geslacht van levende wezens volkomen korrespondeerde met het taalgeslacht wat echter volstrekt niet waar is ,dat het zelfs dan nog onvoorwaardelik zou zijn af te keuren, om in de spraakkunst van een ‘natuurlik’ (= seksueel) geslacht te spreken Deze benaming kan alleen op z'n plaats zijn in 'tdageliks leven of in de natuurlike historie 1) Over het gebrekkige van onomatopoietiese taaluitingen ten opzichte van de wezenlike gelijkheid van die uitingen en de geluiden zelf, vgl oa W Wundt, Völkerpsychologie Il,blz 253, noot 2en de daarbij behorende tekst op blz 251/4 Taal en Letteren Jaargang 11 149 ‘Geslacht ’(= seksueel geslacht) in 'tdageliks leven (resp in de natuurlike historie) is een heel ander begrip dan ‘geslacht ’in de spraakkunst oftewel dan ‘geslacht ’in taal Ter verdere bevestiging hiervan mag dienen, dat in de spraakkunst niet alleen van een manlik en vrouwlik geslacht wordt gesproken, maar ook van een derde, het onzijdig 1))geslacht, wat seksueel opgevat, dus in 'tdageliks leven, niet mogelik zou zijn Dat er bij de voornaamwoorden ook van geslachtsonderscheiding sprake is, kan, voor zover ze zelfstandige naamwoorden vervangen, niet bevreemden En ook hier geldt vanzelf van het begrip ‘geslacht’, wat al op 'tgebied van de zelfstnw er over gezegd is 2)) Nog wil ik op 'tvolgende wijzen, om zo krachtig mogelik te doen uitkomen, dat ‘geslacht ’in de spraakkunst een techniese term met genuanceerde of variërende betekenis is, maar waarvan 'tbegrip niets gemeen heeft met het begrip (seksueel) ‘geslacht ’in 'tdageliks leven Het begrip ‘geslacht’ bij de bijvoeglike naamwoorden, voor zover het te onderscheiden was of nog is, is in één opzicht van geheel andere aard als bij de zelfstnw en heeft meer overeenkomst met dat van sommige voornaamwoorden (: duits guter ,gute ,gutes vergeleken met welcher ,welche ,welches )In 'talgemeen kan namelik een en hetzelfde bijvoeglnw (en van sommige voornw geldt hetzelfde) in drie geslachten voorkomen! Hieruit blijkt toch wel zo duidelik mogelik, dat ‘geslacht’ een techniese benaming is Want niet alleen hebben we nu niet meer met (seksueel onderscheidbare) dingen te doen, maar met eigenschappen ;en bovendien zou een dergelijke geslachtelike metamorfoze tegen elk begrip van seksualiteit indruisen 3)),om niet te spreken van de ook hier voorkomende seksueel onmogelike drievoudigheid van geslacht 1) In'tWoordenboek der Nederlandsche taal van de Vries, X, kol 2239, kan men lezen, dat deze grammaticale term 'eerst inhet begin der 18 de eeuw ingebruik gekomen' isen ze 't eerst gebruikt werd door A Moonen inz'n Nederduitsche Spraekkunst van 1706 Aan onzijdig ging generley ofgeenderley (letterlike vertaling van 'tlatijnse neutrum )als term vooraf 2) Vgl wat Jacob Grimm daarover zegt, aangehaald hierna op blz 152 noot 4 3) In'tvoorbijgaan wil iknog even wijzen op de onderscheiding van een bedrijvend, lijdend en mediaal geslacht op 'tgebied van de werkwoorden, waarbij evenwel verwarring met seksueel geslacht niet tevrezen is; evenmin als bv bij de onderscheiding van manlik en vrouwlik rijm op 'tgebied van de versleer, ofschoon hier de geslachtsnamen inklank weer geheel overeenkomen met de seksuele geslachtsbenamingen De enig mogelike en inderdaad bestaan hebbende (en nog bestaande) verwarring van seksueel geslacht met woordgeslacht isgeweest op 'tgebied van het zelfstandignaamwoord (resp voornaamwoord) Taal en Letteren Jaargang 11 150 ‘Geslacht ’in spraakkunstige zin isniets dan een vertaling van de latijnse techniese term genus In 'tduits is ‘Geschlecht’ sedert de 17 eeeuw in gebruik 1)En 'tmag voor wie wetenschappelik heeft leren denken bijna onnozel klinken, maar 'tis toch niet anders: Dat één en hetzelfde inheemse woord voor twee geheel verschillende soorten van begrippen een alledaags en een wetenschappelik begrip in gebruik kwam, heeft aan de wetenschap heel wat kwaad gedaan, evenals ook elke techniese benaming, die schijnbaar voeling houdt met de levende taal, aan 'tgevaar bloot staat, verkeerd te worden opgevat 2)In Duitsland heeft blijkbaar Jacob Grimm het gevaar voor vermenging van ‘Geschlecht’ als sexus met ‘Geschlecht’ als genus al gekend, 3)tenminste hij zegt dadelik bij 'tbegin van de ‘Genus’behandeling in z'n Deutsche Grammatik ,3 Teil (1831), blz 311 noot: ‘vorteilhafter waäre es, wenn wir für genus das dem lat und griech ausdruck ganz entsprechende goth kuni , ahd chunni gebrauchen und geschlecht auf den begriff von sexus einschränken könnten’ 4) Inderdaad, 'tkomt me zeer waarschijnlik voor, dat een gelukkiger weergeving van 'tlatijnse genus in de taalkunde zou hebben voorkomen de wetenschappelik heilloze vermenging van de begrippen ‘seksueel geslacht’ en ‘woordgeslacht’, zoals die in werkelikheid nog in allerlei taalboeken van lager en hoger orde, al is 'tdan ook niet meer in alle, voorkomt Intussen, is 'tal vaak moeilik nieuwe techniese termen te scheppen, eenmaal ingevoerde door andere te vervangen behoort vrijwel tot de onmogelikheden Jacob Grimm, de schepper van techniese namen als ‘Ablaut’ en ‘Umlaut’, heeft geen poging gedaan, om de spraakkunstige term ‘Geschlecht’ door een ‘vorteilhaftere’ te vervangen En in 'tnederlands zal men zich van een dergelijke poging ook wel moeten onthouden Des te nadrukkeliker mag er daarom zeker nog wel eens op worden gewezen, dat men zich op elk gebied van wetenschap heeft te hoeden voor begripsafleiding uit de benaming; dat men bijgevolg goed zal doen, steeds wetenschappelik begrip en weten 1) Zie Deutsches Wörterbuch von Jacob uWilhelm Grimm op Geschlecht ,4Bd 1Abt 2Teil, kol 3910 'tFranse genre en 'tengelse gender mogen hier in'tvoorbijgaan worden genoemd 2) Ikmag hier wel verwijzen naar m'n opmerking inT &LVII, blz 27/31 3) En toch heeft Grimm zelf door z'n geslachtsteorie zo zeer tot die verwarring meegewerkt! 4) Met 'tnederlandse kunne ,dat etymologies met 'tgenoemde gotiese en oudhoogd woord overeenkomt, zou de moeilikheid volstrekt niet zijn opgeheven, omdat het inbetekenis ook weer met ‘sexus’ overeenstemt Taal en Letteren Jaargang 11 151 schappelike benaming als volmaakt heterogene dingen te beschouwen, waardoor men te gemakkeliker en te eerder zal doordringen tot het begrip ,waarom het toch alleen te doen is 1)) Uit het voorafgaande zal 'tnu wel duidelik zijn geworden, dat het verkeerd is, in een spraakkunst, in de taal te onderscheiden een ‘natuurlik’ en een ‘spraakkunstig’ geslacht Woorden kunnen geen natuurlik, di seksueel geslacht hebben, waarmee de genoemde onderscheiding vanzelf vervalt *** Iets anders is 't, of we niet soms enig verband waarnemen tussen taaluiting en seksueel geslacht; of, om ook psychologies de vraag juist te stellen: bestaat er met betrekking tot het woordgeslacht niet enig verband met het seksuele geslacht van 'tbegrip, heeft het seksuele begripsgeslacht niet soms die karakteristieke taaluiting ten gevolge, die in de taalkunde als woordgeslacht bekend staat, zodat bv aan seksueel vrouwlik geslacht taalkundig vrouwlik geslacht beantwoordt? Dit nu schijnt voor enkele gevallen niet te kunnen worden ontkend Bv we zullen steeds van een man zeggen hij ,van een vrouw zij ;2)in 'tduits der Mann en die Frau Hiermee in overeenstem 1) Nog eens veroorloof ikme, aan T &LVII 27/31 teherinneren Het zondigen tegen dit metodies prinsiep heeft ook inde ‘lagere’ wetenschap de verderfelikste gevolgen En wat zo juist van 'tongelukkige woord ‘geslacht’ gezegd is, geldt evenzeer van de termen ‘manlik’, ‘vrouwlik’ (en ‘onzijdig’) Ook Wundt (Völkerpsychologie I2,21) maakt de opmerking, dat ‘die alten grammatischen Bezeichnungen des “Masculinum, Femininum und Neutrum” entschieden ungünstig auf die Erkenntnis [des] ursprünglichen Sinnes [derselben] gewirkt’ hebben 2) 'tIsgeheel onnodig in'tvolgende alleen met het lidwoord teopereren, temeer, omdat er in onze taal geen verschillende lidwoordsvormen ter onderscheiding van 'tzogenaamd manlik en vrouwlik woordgeslacht zijn Er wordt trouwens inal'tvolgende over het taalkundig begrip ‘geslacht’ heel in'talgemeen gehandeld, waarbij 'tniet mogelik zou zijn, alleen door lidwoordvoorbeelden tebewijzen ofteverduideliken Toch zal alles dienen ter verklaring van 'tgeslacht van het zelfstnw 'tGeslacht van de voornw (in de eerste plaats de persoonlike) met betrekking tot de door hen aangeduide begrippen zal door me worden geraadpleegd, waar ikdit voor nodig houd, maar kan hier niet een onderwerp voor biezondere behandeling zijn: daarvoor verwijs iknaar Kollewijn inT &LV, blz 217/28 en naar enkele regels inPauls Prinzipien der Sprachgeschichte 1898 2,blz 246/7 Dat de voorbeelden ook niet tot onze taal kunnen beperkt worden, zomin als tot de tijd, waarin wij leven, spreekt eveneens vanzelf Taal en Letteren Jaargang 11 152 ming zeggen we ook steeds hij van een broer en zij van een zuster ,en heet 'tin 't duits der Bruder en die Schwester Hetzelfde merken we op bij koning ,graaf , onderwijzer ,dierekteur tegenover koningin ,gravin ,onderwijzeres ,dierektrice 1),of bij König ,Graf ,Lehrer ,Direktor tegenover Königin ,Gräfin ,Lehrerin ,Direktorin ,e dgl m Maar men kan niet zeggen in 'tduits der Knäbchen en die Mädchen (vgl der Mann en die Frau ),maar moet steeds in beide gevallen das gebruiken, waarmee dus alle verband tussen het seksueel begripsgeslacht en 'ttaalkundig geslacht van 'tzelfstnw is verbroken 2)Ook pronominaal 3)bestaat er hier weinig samenhang en ze is beperkt tot het persoonlik vnw van de 3epersoon, dat in 'talgemeen nog 't meest verband houdt met 'tseksueel geslacht; 4)dit is mutatis mutandis 5)ook op 't nederlands van toepassing We zeggen: Het jongetje (meisje ),dat gisteren bij ons was ,heeft een ongeluk gehad: het of, zeldzamer mischien, hij (zij )is van de trap gevallen En in 'tduits: Das Knäbchen (Mädchen ),das gestern bei uns war ,hat ein Unglück gehabt: es ,of wellicht zeldzamer, er (sie )ist von der Treppe gestürzt Wat is nu wel de enig mogelike verklaring voor dit gehele of gedeeltelike ontbreken van verband tussen seksueel en grammaticaal geslacht? Niets anders als de woordvorm De zogenaamde 1) Deze en de daarmee tevergelijken volgende groep van duitse zelfstnw, die ter aanduiding van 'tseksueel vrouwlike begrip door bepaalde suffixen van andere zelfstnw zijn gevormd, die (meestal) seksueel manlike begrippen benoemen, heten inde taalwetenschap ‘gemoveerde feminina’ Zie nog blz 156 en 157 noot 1 2) In'tnederlands iseen dergelijke redenering niet mogelik, omdat daar geen ‘manlik’ en ‘vrouwlik’ door 'tlidwoord wordt onderscheiden Hier kan alleen worden waargenomen, dat broertje en zusje ,koninkje en koninginnetje ,onderwijzertje en onderwijzeresje ,enz het lidw het verlangen, en niet, zoals broer en zus (ter ),koning en koningin ,enz met de kunnen worden gezegd 3) Dat het bepalend lidwoord uit 'taanwijzend voornw isontstaan (resp uit aanwijzend en persoonlik voornw, zoals in'tnederlands; vgl oa Jan teWinkel ‘Gesch der niederl Sprache’ inPauls Grundriss 1891, blz 677; 1898 2,blz 866), isgeen reden, om 'thier niet als iets spraakkunstig zelfstandigs tebehandelen 4) Vgl JGrimm, Deutsche Grammatik III(1831), blz 311: ‘Das geschlechtsverhältnis haftet nirgends dauernder als am pronomen der dritten person, gewissermassen einem typus für die ganze declination Dialecte, inwelchen sich die genusformen zumeist abgeschliffen haben, wie der dänische und englische, bewahren sie daher noch wenigstens indem pronomen han, hun, det, he, she, it’ Vgl ook Kollewijn, T &LV, blz 219/20 5) Omdat de andere voornw, die in'tduits drie geslachten onderscheiden kunnen, in't nederlands, analoog aan 'tlidw, maar twee vormen kennen, dus daardoor algeen ‘manlik’ en ‘vrouwlik’ kunnen aanduiden Taal en Letteren Jaargang 11 153 verkleiningsuitgang heft bij 'tzelfstnw blijkende uit 'tlidwoord en dikwels ook uit 'tvoornaamwoord het onderscheid, waar dit zonder die uitgang bestaat, tussen manlik en vrouwlik geslacht in taal op 1)Nemen we nu aan, dat er in enkele gevallen psychologies verband bestaat tussen seksueel en taalkundig geslacht, dan zullen we, blijkens de gegeven voorbeelden, ook wel moeten aannemen, dat er psychologies verband bestaat tussen kleine (of jonge) levende wezens en de wijze, waarop de taal dat ‘kleine ’(of ‘jonge ’)uitdrukt (namelik door de verkleiningsuitgang benevens het zgn onzijdig geslacht); ja, dat dit verband veel hechter is dan het (kortweg genoemd) geslachtelik verband en wel 1oomdat de verkleiningsuitgang veel en veel geregelder aan het begrip ‘het kleine’ (of ‘het jonge’) beantwoordt 2)dan het taalkundig geslacht aan het seksueel geslacht, en 2oomdat het onderscheid van seksueel geslacht in taaluiting er geheel of nagenoeg geheel door wordt opgeheven, wat toch in werkelikheid, dus als werkelik seksueel begrip, vanzelf geensins 'tgeval is 3) Hieruit blijkt dus al, dat het begrip ‘seksueel geslacht’ geen biezonder krachtige sporen in de taaluiting heeft gedrukt, als ik 'tzo noemen mag En als we ons herinneren de voorbeelden op blz 147, die nog met heel vele, 'tduidelikst weer in 'tduits, zouden te vermeerderen zijn, dan kunnen we er wel bijvoegen, dat 'taantal sporen bovendien heel gering is De volgende voorbeelden en gevallen mogen 'teen zowel als 'tander nader bevestigen 'tWoord wijf is evenals 'tduitse Weib onzijdig, dat wil dus zeggen, tenminste in 'tduits, dat het in z'n woordgeslacht vol 1) Dat verkleinwoorden ook heel anders gevormd kunnen worden, zien we bv in'tlatijn, waar de verkleiningsuitgang indrie vormen voorkwam, (lus ,la,lum ),alnaar gelang 'tgrondwoord manlik, vrouwlik ofonzijdig was, zodat het geslacht van 'tverkleinwoord daar hetzelfde was als dat van 'tgrondwoord 2) Aan ‘het kleine’ ook bij levenloze dingen, dus op een terrein, waar aan seksuele geslachtsonderscheiding niet tedenken valt Maar dit geval heeft geen waarde voor m'n bewijsvoering 3) In'tvoorbijgaan wil ikhier even wijzen op een begrip, dat, hoewel zonder uitwerking op de woordvorm, toch het woordgeslacht verandert Het is'tbegrip ‘verachting’, dat z'n uitdrukking vindt indat heer bij ons en indas Mensch (voor een vrouw) in'tduits 'tGeval iszeldzaam, maar merkwaardig genoeg, omdat het, met andere weinige gevallen (zie blz 156 (aide )en blz 186 (schildpad ,enz)) bewijst, dat sommige begrippen ofjuister: begripskategoriën dierekt, dwz zonder verandering van woordvorm, op het woordgeslacht van invloed kunnen zijn; dubbel merkwaardig, omdat aan analogiewerking wel niet tedenken valt: ikken ten minste geen prototype Taal en Letteren Jaargang 11 154 strekt niet aan 'tbegripsgeslacht beantwoordt 'tBegrip ‘verachting’, dat in 'tmoderne nederlands met het woord is verbonden, heeft 'tniet onzijdig gemaakt (vgl de laatste noot): 'tis altijd onzijdig geweest En 'tis ook in nederlandse dialekten onzijdig zonder verachtelike bijbetekenis Hetzelfde geldt van 'tduitse Weib Zelfs op uitsluitend taalkundig gebied, bv door overeenkomst in vorm met andere onzijdige woorden denken we oa aan verkleiningsuitgangen! ,is er geen reden op te geven voor 'tniet taalkundig vrouwlik zijn van dit woord En dat het seksuele begrip het na zoveel eeuwen, als 'twoord bestaat, niet heeft kunnen doen overstappen in de taalkundige kategorie van die Frau ,1)bewijst Ongetwijfeld, hoe gering al eeuwen lang de invloed van het begripsgeslacht op 'twoordgeslacht is Ook mag hier worden herinnerd aan: le poète ,le grand poète (van een dichteres), le grand auteur (van een schrijfster); aan Cathérine le Grand En omgekeerd aan die Schildwache ,la sentinelle ,aan die Waise (ook van een weesjongen), aan Ihre Majestät ,zelfs nederlands nog Uwe Majesteit uit de ‘officiële taal’ (van een vorst, zogoed als van een vorstin) Ook hieraan: Als een oude, arme vrouw op straat is gevallen, kan iemand uit de omstanders zeggen: Laten we dat arme mens ophelpen 2) En dan: 'tmeervoud van de zelfstnw Daar bestaat in de moderne talen helemaal geen onderscheiding van taalgeslacht 'tHeet bv de mannen ,de vrouwen , de kinderen ,die Männer ,die Frauen ,die Kinder ,les hommes ,les femmes 3) Ed dit is, ten minste op germaans gebied, ook nagenoeg geheel of geheel 'tgeval met die voornaamwoorden, die in 'tenkelvoud 1) Hier kan alweer de vrouw niets pozitiefs bewijzen, wegens de gelijkheid van lidwoord (de ) bij zelfstnw zowel voor seksueel manlike als vrouwlike begrippen 2) Iseen negatief bewijs, tevergelijken met het wijf Vgl laatste noot Niet meer zo sterk sprekend, maar psychologies daarom niet geheel van onwaarde, zijn voorbeelden als de volgende: Een vrouw kan zeggen: Ikben hier de baas Maria Stuart zegt inde beroemde parkscene tot de omgeving van koningin Elizabeth: ‘Regierte Recht ,so läget ihr vor mir Im Staube jetzt ,denn ich bin euer König ’ 3) Hier mag er aan worden herinnerd, dat in'tfrans enfant in'tenkelv verband kan houden met het seksuele begripsgeslacht, maar in'tmeerv ingeen geval, bv Charles est un enfant soumis Marie est une enfant soumise Maar: Marie etLouise (evenals: Charles etJean ,of: Charles etMarie )sont de bons enfants 'tBegrip ‘kind’ heel in'talgemeen drukt 'tfrans uit door 'tmanlike un enfant (bv Jouer comme un enfant ) Taal en Letteren Jaargang 11 155 nog taalkundige geslachtsonderscheiding hetzij dan eventueel met of zonder beantwoording aan seksueel begripsgeslacht hebben, zoals bij 'tpersonale van de 3eps of bij 'tdemonstrativum en relativum Bv Ze zijn er geweest Sie sind da gewesen They have been there Andere voorbeelden zijn aan ieder bekend 1) Ook bestaat er geen taalkundige geslachtsonderscheiding in 'tnederlandse Wie is dat? 'tduitse Wer ist das? 'tfranse Qui (estce qui )te l'a dit ?vragen, die betrekking kunnen hebben op man, vrouw of kind Of, al weet ik, dat er een vrouw binnengelaten is, toch heet 'tin 'tduits: Es ist jemand im Zimmer ,der 'sauch nicht reich hat En dit, niettegenstaande het relativum in 'tduits drie geslachtsvormen in 'tenkelv heeft, wat met 'tzoëven genoemde interrogativum (wer )niet 'tgeval is En dan ook 'tvoornaamwoord van de 1een 2epersoon kent helemaal geen geslachtsonderscheiding Logies redenerend zou het toch onbegrijpelik zijn, waarom hier 'tseksueel geslacht niet evengoed op de taaluiting moest inwerken als bij de 3epersoon, of zoals in zinnen als: Ich ,der ich das gethan habe; ich ,die ich das gethan habe ;du ,der du das gethan hast: du ,die du das gethan hast ,waar toch ook der en die gebruikt worden, al naar gelang ich of du een seksueel manlike of vrouwlike persoon is Maar, in 'tvoorbijgaan, de taal is niet logies, is maw geen denkprodukt, maar psychologies ,maw een zielsprodukt Taaluiting is een functie van de ziel, of wel juister: een komplex van zielsfuncties 2)Wie dit niet steeds in 'toog houdt, zal niet de ware kijk op taalverschijnsels hebben en telkens maar weer grammaire raisonnée leveren Nog éen voorbeeld ten slotte als vervolg op de voorgaande: Der Taugenichts ,op een jongen toegepast, schijnt z'n taalkundig geslacht door vergelijking met der Junge makkelik te laten verklaren Maar men zegt evengoed der Taugenichts ,toegepast op een meisje, zodat: Du bist der grösste Taugenichts von der Welt zowel tegen een meisje als tegen een jongen kan worden gezegd Nu ligt het toch voor de hand al weer logies redenerend en in de veronderstelling, dat het seksueel geslacht lichtelik op het grammaticaal geslacht zou inwerken ,hoe gemakkelik men 1) In'tfrans bestaat in'tmeervoud onderscheiding van manlik en vrouwlik geslacht op pronominaal gebied (ils,elles ;ceux ,celles ,enz), in'tnederlands nauwliks (sporadies haar , 'r,d'r naast hun ),in'tduits en engels niet 'tOnzijdig geslacht, dat in'tfrans helemaal niet voorkomt, wordt nergens in'tmeervoud uitgedrukt 2) Vgl Wundt, Völkerpsychologie I2,blz 420 Taal en Letteren Jaargang 11 156 tegen een meisje die Taugenichts zou kunnen zeggen Immers de substantievering Taugenichts heeft als woordvorm geen enkele eigenschap, die verklaarbaar zou maken, dat het alleen in de kategorie van woorden met manlik taalgeslacht voorkomt Zo is 'took gesteld met Springinsfeld ,Tausendsasa ,Guckindiewelt ,eam Uit deze voorbeelden waarin alleen begrippen met duidelik sprekend seksueel geslacht ten opzichte van hun geslacht werden vergeleken met het taalkundig geslacht van de woorden voor die begrippen blijkt dus, hoe vaak woordgeslacht niet aan begripsgeslacht beantwoordt En hieruit volgt dus, dat duidelik sprekend seksueel geslacht in bepaalde gevallen (vooral bij gemoveerde feminina, zoals Gräfin ,Botin ,Wolfin! )wel op 'ttaalgeslacht schijnt in te werken; maar dat die invloed voor 'tminst bij 'tzelfstnw geringer is als andere, meestal formele (dus zuiver taalkundige) invloeden (bv verkleiningsuitgangen!), waardoor dus die invloed in z'n totaliteit vrij zwak mag worden genoemd *** We komen nu tot begrippen zonder duidelik sprekend seksueel geslacht, hetzij dat die begrippen, ofschoon indieviedueel van een duidelik sprekende sekse, in hun algemeenheid, dwz met verwaarlozing van hun seksualiteit, worden genomen en benoemd, zoals der Mensch ,das Kind ,das Pferd ,hetzij dat van die begrippen de seksualiteit bij de gewone alledaagse waarneming niet in 'toog springt of in 't algemeen van geen belang is, zoals die Maus ,der Spatz ,der Hecht ,das Wiesel Zo goed als zonder uitzondering 'tfranse un aide naast une aide! behouden de zelfstandige naamwoorden voor zulke begrippen hun geslacht, net gelijk of 't indievieduele wezen van 'tmanlik of van 'tvrouwlik geslacht is Maw er bestaat geen verband tussen het seksuele begripsgeslacht en 'ttaalgeslacht Alleen kunnen van sommige van deze zgn ‘gelijkslachtige’ zelfstnw andere worden afgeleid, om in 'tbiezonder het seksueel manlik of vrouwlik geslacht van 't begrip aan te duiden Zo kan in 'tduits van Gans worden gevormd Gänserich voor 'tbegrip van de manlike gans; en van Spatz komt wel eens (in de litteratuur) Spätzin voor, om 'tbegrip van de vrouwlike mus te benoemen Maar we staan dan voor 't taalverschijnsel, dat ‘Motion’ of ‘movering’ heet: van de grondwoorden zijn ter aanduiding van een bepaald seksueel geslacht gemoveerde manlike of vrouwlike woorden Taal en Letteren Jaargang 11 157 gevormd, 1)en we hebben dus in werkelikheid met andere woorden te doen En dit taalverschijnsel heeft tot enige psychiese oorzaak: inwerking van seksueel begripsgeslacht op taaluiting (woordvorming!); en in talen, die manlik en vrouwlik woordgeslacht onderscheiden, beantwoordt dit dan aan het respektievelike begripsgeslacht Dat in zulke gevallen de aard van de movering zich richtte naar het grondwoord, dwz dat er een manlik woord voor 'tmanlike dier ontstond, omdat die Gans een vrouwlik woord is, en omgekeerd een vrouwlik woord voor 'tvrouwlike dier, omdat der Spatz een manlik woord is, kan zeker niet bevreemden En evenmin, dat daarmee onvermijdelik gepaard ging een spesializering van de betekenis van die Gans en der Spatz ,die anders de algemene diersoortbegrippen noemden, tot het biezondere vrouwlike (Gans )of manlike (Spatz )dierbegrip Zo kan dus Gans 'tdiersoort in 'talgemeen en ook 'tvrouwlike dier aanduiden en Spatz 'tdiersoort in 'talgemeen en ook 'tmanlike dier Vgl nog: der Löwe en die Löwin , der Wolf en die Wölfin eam Of ook: de seksueel verschillende begrippen kunnen in enkele gevallen met verschillende, niet door movering ontstane woorden worden benoemd, waarmee dan weer in talen, die manlik en vrouwlik woordgeslacht onderscheiden, beantwoording hiervan aan het respektievelik begripsgeslacht gewoonlik gepaard gaat Zo onderscheidt men bij der Mensch der Mann en die Frau ,bij das Kind der Junge of Knabe (en das Mädchen ;maar dit zonder geslachtsbeantwoording), bij das Pferd der Hengst en die Stute ,bij das Schwein der Bär en die Bache 2)Maar in de meeste gevallen bestaat die mogelikheid niet en kan alleen het verschillend seksueel geslacht zonder overeenstemming met het woordgeslacht aangeduid worden, bv door te spreken van de mannetjesarend en de wijfjesarend 3)of, wetende over welk diersoort men spreekt, eenvoudig door het mannetje en het wijfje ,3)duits: das Männchen en das Weibchen In een zeer enkel geval, zoals in der Hirschbock en die Hirschkuh ,is er door het tweede lid van de samenstelling nog overeenstemming tussen 'tseksuele begripsgeslacht en 'twoordgeslacht 1) Vgl blz 152, noot 1 Voor 'ttegenovergestelde taalverschijnsel (man naast vrouw ,vader naast moeder ,stier naast koe edgl, benevens nog andere gevallen als beter naast goed ,vergeleken met mooier naast mooi ea m) tracht Hermann Osthoff de benaming intevoeren ‘Suppletiverscheinung’ of samenvattend: ‘Suppletivwesen’ Zie Hermann Osthoff, Vom Suppletivwesen der indogermanischen Sprachen ,Heidelberg 1900 2) Suppletiverscheinung! Zie vorige noot 3) Hier kan iknatuurlik weer nederlandse voorbeelden geven 3) Hier kan iknatuurlik weer nederlandse voorbeelden geven Taal en Letteren Jaargang 11 158 Hier kan nog ten slotte de opmerking worden gemaakt, dat de term ‘gelijkslachtig’ (genus epicoenum) al evenmin in de spraakkunst thuis hoort als 'tvroeger gewraakte ‘natuurlik geslacht’ (zie blz 148 en 151); en wel om overeenkomstige reden *** In de derde plaats de talloze begrippen zonder seksueel geslacht: de levenloze dingen Die laten vanzelf helemaal geen onmiddelike vergelijking met de daarvoor gebruikelike woorden ten opzichte van 'tgeslacht ervan toe Hier zou alleen van middelike vergelijking sprake kunnen zijn, bv door aan te nemen, dat die begrippen langs metaforiese weg in onze voorstelling met seksueel geslacht zijn bedeeld geworden Nu is dit inderdaad verondersteld, zoals we later zullen zien, en wel door niemand minder dan Jacob Grimm, die niet alleen 'tgeslacht van de woorden voor levenloze dingen, maar ook dat van de woorden voor levende wezens (dieren), waarvan de tweeërlei sekse niet door tweeërlei woorden (hetzij suppletiefwoorden of gemoveerde woorden) werd uitgedrukt, op die wijze trachtte te verklaren Maar waar we in de voorafgaande voorbeelden zagen, hoe weinig invloed het seksuele geslacht van levende wezens (mens en dier) op het woordgeslacht heeft, kunnen we wel apriori aannemen, dat in 'tgeheel niet bestaand, maar alleen metafories opgevat seksueel geslacht zeker nog veel minder dus het ‘in 'tgeheel niet’ dicht nabij komend of mischien wel bereikend op 'twoordgeslacht zal hebben ingewerkt Intussen, de onhoudbaarheid van de veronderstelling van Jacob Grimm zal, hoop ik, later nog duidelik blijken, bij de uiteenzetting van zijn teorie over het zgn ontstaan van 't‘spraakkunstig’ (tegenover ‘natuurlik’)geslacht en bij de behandeling van de teorie van Karl Brugmann over dat ontstaan En is dat aangetoond, dan is daarmee tevens bewezen, dat het taalgeslacht van de woorden voor levenloze begrippen het rezultaat is van een zuiver taalproses, 1)waarmee de mogelikheid van enige seksualiteitsinvloed tevens vervalt Bij voorbaat mag wel worden gezegd, dat ook het taalgeslacht van de benamingen van de meeste levende wezens uit een zuiver taalproses is ontstaan en dat de tegenwoordige indogermaanse 1) Een zogenaamd zuiver taalproses isvanzelf inz'n wezen ook van psychiese aard de phyziologiese faktor, zoals die bij klankwijzigingen inaanmerking komt, blijft inde materie ‘geslacht intaal’ als niet bestaande verzwegen ;maar de term drukt uit, dat de materiële begrippen langs psychiese weg erniet op influenceren, dat het dus een geheel formeel proses is Taal en Letteren Jaargang 11 159 talen haast geen andere seksuele geslachtsonderscheiding in taaluiting kennen dan door 'twoord zelf, zoals bv 'tnederlandse man en vrouw ,koning en koningin , hengst en merrie ,'tengelse manservant en maidservant ,turkeycock en turkeyhen in taal beantwoorden aan wezens met resp manlik en vrouwlik seksueel geslacht Ditzelfde is ook voor de vroegere perioden van de indogermaanse talen aan te nemen, waarop nog licht zal vallen bij de behandeling van de teorie van Brugmann Deze vooropstellingen mogen tevens als doel worden aangemerkt, dat door de verdere behandeling van ons onderwerp steeds meer moet worden genaderd Nog dit: De term ‘spraakkunstig’ of ‘grammaticaal geslacht’, zoals die door Jacob Grimm en tot op de huidige dag algemeen wordt gebruikt als tegenstelling tot ‘natuurlik geslacht’, heeft voor ons, zoals we op blz 148 hebben duidelik gemaakt, de ruimere betekenis van ‘woordgeslacht’ Voor 'tgemak kan ik er intussen nog gebruik van maken, maar zal 'tdan tussen aanhalingstekens doen of er ‘zogenaamd’ (‘zgn’) aan laten voorafgaan In 'tvoorafgaande, waar alleen werd getracht, 'tbegrip ‘geslacht in taal’ door vergelijking met seksueel geslacht zo duidelik mogelik te doen uitkomen, moest wel het meeste licht vallen op de namen voor levende wezens In 'tvolgende, waar zal worden getracht het wezen van ‘geslacht in taal’ in z'n volle omvang te doen begrijpen door de wording ervan na te sporen, zal vooral aandacht worden geschonken aan 't‘geslacht’ van de woorden voor levenloze dingen (resp voor levende wezens, waarvan de tweeërlei sekse niet door tweeërlei woorden met korresponderend ‘manlik’ of ‘vrouwlik’ geslacht wordt uitgedrukt) Want juist dat was voor wie 'tals een axioma goldt, dat seksueel begripsgeslacht met woordgeslacht korrespondeerde het opvallende in de indogermaanse talen, dat deze woorden niet alle neutra zijn, dwz volgens die verkeerde overbrenging van begripsgeslacht op woordgeslacht: geslachtsloos 1) *** En hiermee ben ik genaderd tot de vraag: Hoe heeft men zich 'tontstaan, of juister de wording van 'ttaalgeslacht te denken? Welke teoriën bestonden of bestaan er daaromtrent? Zekerheid omtrent het ontstaan van 'ttaalgeslacht bestaat er niet en is uit de aard van de zaak ook nooit te verkrijgen Men kan alleen met behulp van het daartoe vereiste materiaal en met 1) Vgl Lambert ten Kate, Aenleiding tot de Kennisse van het Verhevene deel der Nederduitsche Sprake Iblz 396, aangehaald hierna op blz 160 Taal en Letteren Jaargang 11 160 toepassing van de psychologiesphilologiese metode voor de verklaring van de wording van 'twoordgeslacht een zekere graad van waarschijnlikheid bereiken, die, zolang er geen hogere graad bereikt is, in wetenschappelike zin als waarheid mag gelden, maar waarop bescheidenlik de naam ‘teorie’ of ook wel ‘hypotheze’ toch juister past En ‘welchen andern prüfstein haben wir für den wert oder unwert einer wissenschaftlichen hypothese, als den grösseren oder geringeren grad, in dem sie durchführbar ist und einzeltatsachen gleichmässig erklärt?’ 1) *** Strikt genomen zouden er maar twee geleerden te noemen zijn, die als de eersten en voornaamsten hebben getracht het zgn ontstaan van het ‘geslacht in taal’, of wil men juister: dat van 'tzgn ‘spraakkunstig’ geslacht, wetenschappelik te verklaren 'tZijn Jacob Grimm en Karl Brugmann Doch vóór dat hun teoriën worden besproken, is 'twellicht niet ongepast, even stil te staan bij de Nederlander, die in de voorgrimmse tijd van de germaanse philologie een zeer eervolle plaats inneemt, namelik onze amsterdamse schoolmeester 2)Lambert ten Kate Hermansz († 1731) In het eerste deel van zijn hoofdwerk: Aenleiding tot de Kennisse van het Verhevene deel der Nederduitsche Sprake ,in 1723 verschenen, komt om een verhandeling voor, in de vorm van een ‘redewisseling’, over ‘'tGenus of de Geslagten der Substantiva’ (blz 396/410), waarop een ‘Geslachttoetse van ruim 750 woorden’ 3) volgt (blz 411/68) In die samenspraak zegt N (blz 396): ‘'t Is lichtelijk te begrijpen waerom of men VADER ,waerom MOEDER ,en wijders alle die van de natuer door de Kunne onderscheiden worden, ook bij de Taelen in Manlijk en Vroulijk verdeelt; maer waerom of alle anderen die buiten dien rang zijn, niet op een Onzijdige manier, naemlijk in 'tGenus Neutrum behandelt worden, is mij te duister, en nogtans heeft het zijn oorzaek, en, dat te verwonderlijker is, men vind het bij meest alle Talen van aenzien’ 4) 1) Uit de voorrede tot de Altgermanische Metrik van Ed Sievers 1893 2) En graanhandelaar? Vgl Lambert ten Kate door Dr A van der Hoeven, blz 3 3) Zo wordt het aantal inde ‘Inhoud’ opgegeven 4) Vgl hiervóor blz 159 noot Taal en Letteren Jaargang 11 161 Daarop wordt door L geantwoord ‘met een gissing’ 1)en wel in dezer voege: De dichters zijn ‘op Verhevene vinding uit’, ‘bestaende grootelijks daer in, dat men aen levenlooze dingen een aerdige en Verbloemde Persoonverbeelding toepast, om alzo onder een schilderagtige gedaente zijn gezeg een luister, kragt, leven, en gevalligheid bij te zetten Onder deze Persoonverbeeldingen was 'tniet even veel aen wien men een Manlijke, of aen wie men een Vroulijke Gadaente toepaste, en schoon de Rede leert, dat uit de Gelijkheid van Eigenschappen, als sterkheid of zwakte of iets diergelijks, dit moest ontleent worden, die Konst nogtans was zo gering niet, dat elk 'er even hebbelijk in zijn kon: dog eindeling moest als een vast gebruik en gewoonte worden de Keuren van die genen, die in deze Vindingen de kroon spanden, en door hun agting anderen dit Voetspoor deden volgen Op diergelijke manier, agt ik, dat de Geslagtverbeelding tot de Naemwoorden, die uit haer natuer geene Kunne erkennen, overgegaen, en metter tijd een algemeen Taelgebruik geworden zij; 'twelk, zo drae 'tdoor lang verloop van Jaren vast gewortelt raekt, als een Onwraekbaer Taeleígen geschat en ingevolgt moet worden, bij aldien men niet zondigen wil tegens den meergemelden Grondslag van De Taelwetten ,even als de Landwetten ,nu van agteren te vinden en niet te maken ’ (blz 397/8) Dus: de dichters zouden bij wijze van ‘Persoonverbeelding’ oftewel ‘Geslagtverbeelding’ veel onseksuele zelfstandige begrippen seksueel hebben onderscheiden; en wat van die in taal geuite seksuele onderscheiding door de beste dichters was ingevoerd en daardoor algemeen bijval vond, werd door 'tvolk nagepraat en is zo ‘metter tijd een algemeen Taelgebruik geworden’ Dat in verschillende talen dezelfde onseksuele begrippen met verschillend taalgeslacht worden benoemd, wordt zo verklaard, ‘dat die Volkeren, die ten tijde van de Toepassing der Geslagten en Persoonverbeeldingen reeds verdeelt waren, zeer ligtelijk verschilligen weg kunnen ingeslagen hebben’ (blz 398) En niet alleen vond er ‘onder een zelfde Volk’ in verloop van jaren vastworteling van taalgebruik plaats, maar ook ontworteling, namelik ‘eenig Verloop van Gebruik’ (blz 399); en dit ‘is zeker niet te verwonderen’; want ‘wat is 'er tog bestendig onder de Maen?’ vraagt L met beminnelike naïeveteit Nu ,dat eenmaal de dichters zoveel onseksueels in hun verbeelding zouden geseksualizeerd hebben, bv die Haut en der Staub , 1) ‘Rakende den Oorspronk der Geslagten bij de Naemwoorden die uit haer Natuer geene Kunne erkennen’, zoals aan de rand van blz 397 staat opgetekend Taal en Letteren Jaargang 11 162 die Freude en der Verdruss is psychologies ondenkbaar, om de eenvoudige reden, dat zoveel levenloze begrippen ‘ondichterlike’ begrippen zijn, als ik 'tkortweg zo noemen mag 1) Maar aangenomen zelfs, dat alle begrippen op z'n tijd als ‘dichterlik’ konden voorkomen, dan zouden er daaronder toch zeker heel wat zijn, die slechts bij hoge uitzondering eens ‘verdichterlikt’ werden Hoe zou het geslacht van de woorden voor zulke begrippen tot ‘een vast gebruik en gewoonte’ hebben kunnen worden? En dat een volk de personificaties van zijn dichters, zelfs ook maar de meeste, klakkeloos zou hebben nagepraat wat toch voor de wording van ‘een algemeen Taelgebruik’ noodzakelik zou zijn ,is een opvatting, die wel alleen kon ontstaan in een tijd, waarin geleraard werd, dat de mensen hun dichters moesten napraten; want dat zijn immers de taalkunstenaars en taal is immers kunst! Eerst een halve eeuw later, in 1770, zou de grote Duitser Herder in zijn (door de koninkl Akademie van Wetenschappen te Berlijn) bekroonde en in 1772 verschenen prijsvraagbeantwoording ‘Über den Ursprung der Sprache’ de fundamentele en bijna geheel modern klinkende uitspraken doen: Sprache ist eine ‘Production menschlicher Seelenkräfte’ 2),en: So ‘gebar sich Sprache mit der ganzen Entwicklung der menschlichen Kräfte’ 3) Maar, om op Lambert ten Kate terug te komen: het zal, na 'tvoorafgaande, wel niet al te zeer kunnen verwonderen, dat hij niet afkerig was van de mening, dat de geslachten, van wege ‘de groote Eenstemmigheid van onze Voornaemste Schrijvers’ in 'tgebruik daarvan, wel bij ‘besluit’ ‘van een vergaderd Lichaem’ van die schrijvers konden zijn tot stand gekomen 'tHoofdbezwaar tegen deze opvatting schijnt voor hem alleen te zijn geweest, dat ‘daer uit eerder verdeeltheid als eendragt geboren stond te worden, om dat meest elk [in “een vergaderd Lichaem, 'twelk geen wezendlijk gezag had” ]zo gaerne wil, dat zijn Haentje Koning zij’ En hiermee kunnen we wel van deze rationalistiese verklaring, 1) Ikweet wel, dat ergeen grens kan worden getrokken tussen begrippen, die ‘dichterlik’ kunnen zijn en zulke, die 'tniet kunnen zijn 'tAannemen van ‘ondichterlike’ begrippen draagt daarom een aprioristies karakter Maar toch zal 'twel niet moeilik vallen om in'tbiezonder begrippen tenoemen, die hetzij met zekerheid, hetzij met grote waarschijnlikheid als ‘ondichterlik’ kunnen worden aangemerkt 2) Aangehaald inde Litteraturgeschichte des achtzehnten Jahrhunderts von Hermann Hettner 1879 2,5edeel, blz 61, waar een korte, maar treffende waardering van Herder als heraut van de moderne taalwetenschap voorkomt 3) Aangehaald inde Geschichte der Germanischen Philologie von Rudolf von Raumer, 1870, blz 279 Taal en Letteren Jaargang 11 163 of om volkomen eerlik te spreken, van deze rationalistiese ‘gissing’ omtrent het ontstaan van het geslacht van woorden, die levenloze dingen noemen, afstappen De ‘geslachttoetse’ kan nu vanzelf met stilzwijgen worden voorbijgegaan Als ten Kate geen Nederlander was van overigens hele grote verdienste op taalwetenschappelik gebied beperkter gezegd: op 'tgebied van de vergelijkende germaanse philologie ,als hij niet de scherpzinnigste taalman uit de voorgrimmse periods was geweest, dan zou hij hier onvermeld hebben kunnen blijven Doch nu, ofschoon zijn ‘gissing’ waardeloos is en dan ook geen spoor in de taalwetenschap heeft achtergelaten, was 'tmischien niet geheel van belang ontbloot, te laten zien, hoe een van de beste taalmannen vóor Grimm over ‘geslacht in taal’ heeft gedacht *** De eerste, die in waarheid heeft getracht het ontstaan van 'tzgn ‘spraakkunstig’ geslacht wetenschappelik te verklaren en die dan ook niet met een ‘gissing’, maar met een teorie voor de dag kwam, is geweest Jacob Grimm, de grondlegger van de germaanse taalwetenschap In 't3edeel van zijn Deutsche Grammatik ,dat in 1831 verscheen, behandelt hij op een goeie 250 blzz 'tGenus; daaronder zijn een kleine 220 blzz meer bepaaldelik aan het ‘spraakkunstig’ geslacht in tegenstelling tot het ‘natuurlik’ geslacht gewijd 1)En niet ten onrechte zegt Wilhelm Scherer in zijn biografie van Jacob Grimm (1885 2,blz 217), dat ‘die Lehre vom grammatischen Geschlecht für den Höhepunct von Jacob Grimms Buche’ is te beschouwen Jacob Grimm leefde in de bloeitijd van de duitse Romantiek en zijn gemoed, zijn poëtiese zin en zijn neigingen stempelen hem ten volle tot een ‘Romantiker’ onder de geleerden Laat me dit vooropzetten En nu beknopt zijn teorie over 'tontstaan van 't‘spraakkunstig’ geslacht weergegeven, waarbij, als een axioma voor Grimm, verder zonder vermelding blijft, dat het seksuele begripsgeslacht van enkele levende wezens korresponderend woordgeslacht heeft bewerkt; dit heet dan 't‘natuurlik’ geslacht ‘Das natürliche geschlecht,’ zo zegt Grimm op blz 344, ‘umfasst eine, im vergleich zu den übrigbleibenden, sehr geringe anzahl von wörtern’ En 1) Vgl hiervóor blz 159 Ook mag hier de volgende opmerking een plaatsje vinden: ‘Entweder ist das geschlecht natürlich oder bloss grammatisch Bei dem unselbständigen, sich immer auf ein subst beziehenden adj und pronomen kann überall nur von dem grammatischen die rede sein’ Taal en Letteren Jaargang 11 164 al die andere, of ze levende of levenloze dingen benoemen, vallen onder 't ‘spraakkunstig’ geslacht Grimm meende nu, dat door de fantazie het natuurlik (di seksueel) geslacht op alle begrippen was overgebracht, die anders niet seksueel worden onderscheiden of waarbij van geen sexus sprake is ‘Das grammatische genus’, zo staat er op blz 346, ‘ist demnach eine in der phantasie der menschlichen sprache entsprungene ausdehnung des natürlichen auf alle und jede gegenstände’ Deze opvatting sluit zich onmiddelik aan bij die van Wilhelm von Humboldt, die 'tspraakkunstig geslacht ‘aus dem einbildungsvermögen der sprache erklärt’ 1) We merken hier al dadelik op, dat Grimm evenals Wilhelm von Humboldt deed op bedenkelike wijze aan de taal toeschrijft, wat alleen aan de mens, in 'tbiezonder aan de menselike ziel, is toebedeeld 2)Zo en niet anders, heeft hij ook gehandeld met het geslacht: wat alleen aan zekere objekten is te onderscheiden, namelik sexus, heeft hij als een eigenschap van woorden genoemd 3) Afgezien van enkele woorden, zoals god ,duivel ,zon ,maan ,dag ,nacht en nog een paar andere, 4)waarvan het geslacht ‘nicht wie das der übrigen wörter [met “grammaticaal” geslacht] nach einer allgemeinen phantasie, sondern nach einer wirklichen personification ’bepaald is, zodat deze ‘zwischen natürlichem und gramma 1) Door Grimm uitdrukkelik vermeld op blz 345 met verwijzing ineen noot naar: ‘G de Humboldt sur lanature des formes grammaticales etsur legénie de lalangue chinoise Paris 1827 p 12 13’ Overigens isde verdienste van Wilhelm von Humboldt op dit gebied van geen betekenis; vgl Victor Michels inGermania 36, blz 135/6 2) En dit gebeurt nog Zo zegt oa een bekend frans ‘grammairien’, E Bourcier, inLa Simplification de lasyntaxe française (Revue des Lettres françaises etétrangères, OctDéc 1900): ‘Je n'apprendrai rien àpersonne en disant que notre langue est une de celles qui ont poussé leplus loin l'analyse de lapensée’ Dr Salverda de Grave, die deze woorden inDe Nederl Spectator 1901, no 4,aanhaalt, laat erterecht op volgen: ‘De taal isdus een denkend wezen!!’ Nog een voorbeeld van Grimms bedenkelike opvatting is, wat op blz 344 voorkomt: ‘Das natürliche geschlecht umfasst eine, im vergleich zu den übrigbleibenden, sehr geringe anzahl von wörtern Bei den meisten und den ihnen zum grund liegenden begriffen konnte die sprache gar keine wirklichen geschlechtsverhältnisse wahrnehmen, oder es muste ihr selbst da, wo sie noch wahrnehmbar waren (wie bei vielen thiernamen, denen man bloss grammatisches geschlecht zuschreiben darf), wenig daran gelegen sein, sie physisch hervorzuheben’ 3) Niettegenstaande zijn opmerking, hiervóor op blz 150 geciteerd 4) ‘Ausdrücke für das höchste wesen, die götter und göttlich verehrten elemente und naturerscheinungen’ (blz 348) Taal en Letteren Jaargang 11 165 tischem geschlecht gleichsam die mitte halten und streng genommen weder jenem noch diesem zugezählt werden dürfen’ (blz 348) afgezien van deze woorden, zouden dus, als daarmee Grimms bedoeling goed wordt weergeven, langs metaforiese weg zijn ontstaan die Maus en der Hecht ,ook der Korb en die Bank , die Linde en der Tisch ,enz, enz; zelfs ook die Tugend en der Fleiss maar wat abstracta betreft, met grote restricties, zoals we later zullen opmerken En in laatste instantie ook das Wiesel ,das Brett ,das Zeug ,das Laster ,enz, enz Grimm poogt van blz 357/563 een groepering van woorden te geven, die hun geslacht aan de bovengenoemde ‘phantasie der menschlichen sprache’ zouden te danken hebben Het heeft er voor Grimm alle schijn van, alsof 'tmasculinum uitdrukt: ‘das frühere , grössere ,festere ,sprödere ,raschere ,das thätige ,bewegliche ,zeugende ’,'t femininum :‘das spatere ,kleinere ,weichere ,stillere ,das leidende ,empfangende ’; 'tneutrum ‘das erzeugte ,gewirkte ,stoffartige ,generelle ,unentwickelte ,collective ’ Maar hij kan niet nalaten, behoedzaamheid in de toepassing van deze ‘grundsatz’ aan te raden; maw 'tklopt niet altijd Deze kenmerken, die Grimm meent waar te nemen bij 't‘grammaticale’ geslacht in 'tduits ,dwz voor Grimm 'tgermaans ,1)vormen dus volgens hem de grote overeenkomst van dit geslacht met het seksuele geslacht Maar of die zienswijze met de werkelikheid overeenkomt en psychologies houdbaar is? Zeer zeker niet En wel 1oniet, omdat afgezien van het seksueel onbestaanbare ‘onzijdig’ niet van al de genoemde eigenschappen kan worden gezegd, dat ze op het respektievelike seksuele geslacht passen; zo bv heeft toch ‘het vroegere’ zeker wel niets met het manlike en ‘het latere’ niets met het vrouwlike begripsgeslacht gemeen; 'tzou zeker een merkwaardige interpretatie worden, als we het grimmse prinsiep gingen toepassen op der Hecht ,die Maus en das Wiesel ,op der Korb ,die Linde en das Brett of op der Fleiss ,die Tugend en das Laster ,om 'teven welke eigenschappen van de bovengenoemde men daartoe meer in 'tbiezonder zou willen laten dienen; 2oniet, omdat, al bestond in werkelikheid de door Grimm gevindiceerde over 1) ‘Anderen sprachen geht das neutrum ab, namentlich der celtischen, litthauischen and sämmtlichen romanischen Sei es, dass sie diese form entweder nie entwickelt, oder, wie die romanischen, fahren gelassen haben’ (blz 313); en op blz 548: ‘Nicht allein der roman sprache, auch den celtischen (galischen), litthauischen gebricht das neutrum Ob es ihnen stets gemangelt hat, oder anfänglich eigen war und erst später verloren ging? verdient geprüft zu werden’ Grimm beperkte zich inhoofdzaak tot 'tgermaans Taal en Letteren Jaargang 11 166 eenkomst, er geen analogon voor een dergelijke alomvattende veelvertakte 1) metaforiese zielswerkzaamheid bestaat; 'tis inderdaad opvallend, dat Grimm bij zijn kwalieficatie van ‘personification’ in tegenstelling tot ‘allgemeine phantasie’ 2)en bij z'n opsomming van de weinige sporen van personificatie, vergeleken met de ontelbare gevallen van metaforizering 3)(blz 348), niet de onhoudbaarheid van zijn teorie heeft opgemerkt Maar, om die teorie nader weer te geven: ‘Das grammatische geschlecht’, zo lezen we op blz 317, ‘ist eine, aber im frühsten zustande der sprache schon vorgegangene anwendung oder übertragung des natürlichen auf alle und jede nomina’ En deze verklaring geldt niet alleen voor 'tontstaan van manlik en vrouwlik ‘grammaticaal’ geslacht, maar ook voor 'tontstaan van 'tonzijdig geslacht Grimm zegt daaromtrent op blz 317/8: ‘Es scheint bedenklich, ob man auch schon dem neutrum ,das in dem grammatischen genus eine so grosse rollespielt, natürlichen anfang zuschreiben könne, mit andern worten, ob sein ursprung in dem begriff von foetus oder proles lebendiger geschöpfe gesucht und daraus eine übertragung auf andere wörter geleitet werden dürfe? Ich bin dazu geneigt, weil ich mir sonst die entstehung des grammatischen neutrums gar nicht zu erklären weiss, da es schwer zu begreifen wäre, warum man nicht alle jetzt neutrale wörter dem grammatischen masc oder fem überwiesen haben sollte (wie in der that auch einige sprachen [bv de romaanse] thun), wenn nicht schon ein entwickeltes natürliches neutrum dazu genöthigt hätte’ Hoe verlegen Grimm met het ‘spraakkunstige’ neutrum 4)zat en hoe zwak zijn verklaring ervoor is, zal zeker wel ieder onbeveroordeelde in 'toog springen Voor Grimm was in de taal 'tmanlik geslacht de belangrijkste en oorspronkelikste vorm; daaruit is afgeleid 'tvrouwlik 1) Ikdoel hier op de verscheidenheid van kenmerken, die door Grimm worden opgesomd (z blz 165 hiervóor) 2) Zie hiervóor blz 164/65 3) Zie hiervóor blz 165 4) De opvatting van Lambert ten Kate, dat eigenlik het neutrum bij alle namen van levenloze begrippen teverwachten was, had zeker meer raison d'être als de gewrongen verklaring van Grimm Hier mag ook nog een plaatsje vinden, wat Grimm op blz 315 zegt: ‘urbedeutung des neutrums scheint, dass es die unentwickelung des geschlechts ,nicht gerade geschlechtslosigkeit bezeichne Daher wird das junge, dessen geschlecht sowohl männlich als weiblich sein kann, sich aber noch unwirksam darstellt durch das neutrum ausgedrückt’ Zeker een niet minder gewrongen verklaring als de zoëven aangehaalde inde tekst Taal en Letteren Jaargang 11 167 geslacht; terwijl als een vermenging en verbinding van manlike en vrouwlike vormen 'tonzijdig geslacht optreedt 1)(zie blz 311) Uit Grimms opvatting van ‘geslacht in taal’ moest wel volgen, dat hij naar de betekenis van de woorden, dus strikt genomen naar de begrippen ,maw eigenlik buiten de taal om ging groeperen ten minste van ons standpunt kan er dadelik deze krietiek op volgen Maar Grimm zat zelf soms al met zijn betekenis groepen verlegen Bv op blz 368v moet hij al bekennen: ‘Bei den einzelnen bäumen lässt sich der im thierreich deutliche grundsatz nicht geltend machen, dass grösse und stärke für männliches, kleinere gestalt für weibliches genus entscheide; gerade die höchsten und mächtigsten bäume sehen wir feminina Auch den Griechen und Römern waren die meisten bäume weiblich’ 2) En nu zocht Grimm de reden daarvoor òf ‘in der beschränkteren lebensthätigkeit der unbeweglichen bäume im gegensatz zu den thieren’ òf en hier past hij een vroeger door ons nog niet genoemd prinsiep toe ‘wieder in volksmythen, die zusammenhang der bäume mit geisterhaften weiblichen wesen annahmen Man erinnere sich der Dryaden, der deutschen holzweibchen und der heiligen frauenbilder aus baumstämmen’ Nu kan men ten opzichte van dit laatste prinsiep wel met Scherer zeggen, dat de ‘mythologische Vorstellungen in ihrem letzten Grunde zusammenfallen mit den Vorstellungen, aus denen die Genusbezeichnung [volgens Grimms opvatting] entsprang’ 3)Maar of we daaruit mogen gevolgtrekken, dat daarom die ‘Vorstellungen’ zelf te identificeren zijn, zal toch wel ontkennend moeten worden beantwoord Zodat er niets anders overblijft, dan te konstateren, dat Grimm in plaats van zijn metafories prinsiep soms een ander, 'tmythologiese, toepast; maw het eerste prinsiep is niet voldoende ter verklaring van 't‘grammaticaal’ geslacht En erger nog: Grimm kon de groepering naar de betekenis van 1) Hier horen we dus iets puur over de vorm ,zoals later ook bij de abstracta (vgl hierna blz 168 2) Als in'tlat dit volgt uit 'tvrouwlike arbor ,dat ‘er steeds bij gedacht kon worden’, hoe moet dan de verklaring wel luiden voor 'tduits met z'n manlike ‘Baum’? Wat op de ene taal past, isdaarom nog niet op een andere van toepassing, kan worden geantwoord Dat isjuist (Vgl blz 171, noot 2) Maar is'tdan werkelik bewijsbaar waar, wat van 'tlatijn wordt gezegd, of is'tmischien maar een soidisant verklaring? Er isalvan m'n leven zoveel met een franse slag uitgemaakt op 'tgebied van taal! Vgl Delbrück inde Grundriss der Vergleichenden Grammatik van Brugmann en Delbrück III, blz 91 3) Jacob Grimm 1885 2,blz 217/8 Taal en Letteren Jaargang 11 168 de zelfstnw niet eens ten einde brengen, waaruit volgt, dat zijn indelingsprinsiep verkeerd is, waarmee implicite zijn hele teorie buitelt Hij kon namelik deze indeling volgens de betekenis alleen maar op de concreta toepassen; bij de abstracta nauwkeuriger gezegd, bij de namen van onstoffelike begrippen is hij genoodzaakt te erkennen: dierekt de betekenis van de afleidingen ,indierekt de kracht van de analogie Hij zegt zo (op blz 357): ‘Für das [genus] abstracter wörter mögen gewisse ableitungen besondere dienste leisten, weil dergleichen wörter oft nach der analogie gebildet und vermehrt werden und damit in der ganzen classe dieser formation das geschlecht bestimmt ist’ Dienovereenkomstig deelt Grimm de abstracta in naar de vorm (vorming ) van de zelfstnw En, merkwaardig: Was bij de concreta ‘im ganzen das genus weit unsicherer, weil die phantasie der sprache fast bloss mit den sachen spielte; hier [bij de abstracta] wird sie 1)schon durch die formen und ableitungen gezügelt und gehalten’ (blz 478) En zo kunnen we nu wel met volle overtuiging het oordeel van Delbrück over de teorie van Grimm onderschrijven, namelik ‘dass Grimm zu fassbaren und auch für andere überzeugenden Ergebnissen nicht gelangt ist’ 2) Ofschoon men zou menen, dat reeds door de belangrijke tegenspraak met zich zelf aan de grimmse teorie geen al te lang leven kon zijn beschoren, toch duurde het nog vrijwat jaren, namelik een goeie halve eeuw, vóordat de eerste krachtige wetenschappelike stoot ertegen zou worden uitgebracht Deze vrij lange tussentijd kan echter niet al te zeer verwonderen In de eerste plaats was Jacob Grimm terecht een autoriteit van de eerste rang; en autoriteitsgeloof is zo iets menseliks, dat het ook in wetenschappelike kringen niet onbekend is En dan ook: dat dichterlik overdragen van seksueel geslacht op alle onseksuele dingen (minus de abstracta!) en dit in taal uiten, en daarbij zo nodig nog wat mythologie te pas gebracht, was een al te verleidelike teorie voor geleerd en ongeleerd Sedert een jaar of 15 zijn intussen veler ogen open gegaan en is hoe langer hoe meer de mening gaan doordringen, dat de 1) namelik de fantazie wat zeker als zodanig wel weer een psychologiese onmogelikheid mag worden genoemd, maar waarin overigens een kiem van waarheid ligt opgesloten, die eerst inde brugmannse teorie tot een plant zou opschieten 2) Brugmann und Delbrück, Grundriss der Vergleichenden Grammatik ,III1,blz 97 Taal en Letteren Jaargang 11 169 hypotheze van Jacob Grimm over 'tontstaan van 't‘grammaticaal’ geslacht ‘ein schöner Wahn’ is, zoals meer overigens aantrekkelike hypothezen van dezelfde Grimm, bv zijn tierfabelhypotheze En nu mag dan de jongste teorie er wat nuchter uit zien, ze zal toch, daarvan houd ik me overtuigd, de poëtiesere grimmse teorie eenmaal geheel verdrongen hebben in de wetenschappelike en daarna ook in de nietwetenschappelike wereld *** In 'tjaar 1888 stelde de leipziger professor Karl Brugmann in de Internationale Zeitschrift für allgemeine Sprachwissenschaft ,hrg von F Techmer, IV (1889) blz 100/9 zijn teorie over ‘Das Nominalgeschlecht in den indogermanischen Sprachen’ op, een teorie, die zich al sedert 1875 of '76 bij hem had gevormd, zoals hij in 1891 in de 15 ebd van Paul en Braunes Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur op blz 524 meedeelt 'tIs waar, dat Brugmann meende, door z'n verhandeling slechts de richting te hebben aangeduid, die tot oplossing van het vraagstuk zou voeren, of, zoals hij in de Beiträge 1)'tnoemt, dat hij zijn opstel ‘nur erst für den anfang einer discussion ansehe’ Maar dit neemt niet weg, dat, al mag er op de door Brugmann voor 'tindogermaans gelegde grondslagen geen gebouw zijn opgetrokken, zoals Grimm dit voor 'tduits (resp germaans 2))heeft gedaan, ja al moet ‘ein solches Unternehmen so gut wie resultatlos verlaufen’, zoals Delbrück meent, 3)dat het ferment uit zijn eerste verhandeling heeft gewerkt met de kracht van een nieuwe teorie, zodat tegenwoordig bijna algemeen het vraagstuk ‘geslacht in taal’ prinsiepiëel op de wijze van Brugmann wordt beoordeeld en behandeld In dit opzicht heeft Brugmann nagenoeg bereikt, wat hij zich met het publieceren van zijn artiekel had voorgesteld, tw ‘die überzeugung zu schaffen, dass die übliche herleitung des maskul und femin grammatischen geschlechts aus dem natürlichen ein unglaubwürdiges axiom ist’ 4) Zelf heeft hij aan 'tslot van z'n opstel ‘Zur Frage der Entsteh 1) Vgl aan 'tslot van de verhandeling (Beiträge 15, blz 530) 2) Vgl de noot op blz 165 en Michels, Germania 36, 124 3) Brugmann und Delbrück, Grundriss der Vergleichenden Grammatik III1(1893), blz 98 Trouwens Grimms gebouw isvoor een zeer gewichtig gedeelte (de abstracta!) ook maar op zand gebouwd, om van Grimms standpunt teoordelen Voor ons heeft natuurlik deze vleugel juist de stevigste grond onder zich Vgl noot 1op blz 168 hiervóor 4) Aan 'tslot van 'tartiekel inTechmers Zs (blz 109) Taal en Letteren Jaargang 11 170 ung des grammatischen Geschlechts’ in de reeds genoemde Beiträge van Paul en Braune (blz 523/32) een kleine koncessie aan de oude (grimmse) genusteorie gedaan En anderen mogen nog iets verder of ook minder ver in dit opzicht gaan Maar over 'tgeheel is verwezenlikt, wat in z'n Grundriss der Vergleichenden Grammatik II(1892) op blz 101 1)in deze woorden is vervat: ‘Die Meinung, der Urmensch habe, mit einem wunderbaren Maass von Einbildungskraft begabt, so ziemlich alles Unbelebte und Unsinnliche nicht nur als Person überhaupt, sondern auch nach einer bestimmten Seite hin sexualisiert angeschaut und daher stamme das ganze Nominalgeschlecht, diese Vorstellung sollte doch heutzutage abgethan sein’ Dat Brugmanns teorie in de meer genoemde Grundriss van Brugmann en Delbrück is opgenomen, spreekt wel vanzelf; en tegelijk is hiermee opgegeven, dat Delbrück de opvatting van Brugmann over het ontstaan van 't‘Nominalgeschlecht’ deelt Hier mag niet onvermeld blijven, dat Victor Michels in Zum Wechsel des Nominalgeschlechts im Deutschen I(1889), ofschoon ‘im Wesentlichen vor dem Erscheinen des Brugmann'schen Aufsatzes [in Techmers Internat Zs IV] geschrieben’, ‘das Problem von vornherein in derselben Weise ins Auge fasste’ 2); en dat hij in 1891 uitvoerig op de ‘zuerst von Brugmann ausgesprochene und von [ihm] acceptierte Hypothese’ terugkomt in 'topstel: ‘Zur Beurtheilung von Jacob Grimms Ansicht über das grammatische Geschlecht’ in Germania 36 (1891), blz 121/36 Verder dient hier te worden genoemd Rudolf Henning, die in z'n verhandeling ‘Über die entwicklung des grammatischen geschlechts’ in Kuhns Zs (= Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung ,begründet von A Kuhn) 33 (1894), blz 402/19 een vergelijk tracht te treffen tussen de teorie van Jacob Grimm en die van Brugmann Het karakter van 'tgeslacht en z'n ontwikkeling in enkele afrikaanse talen en vooral in de hamitiese en semitiese taalfamielies wordt daarbij nagegaan, en wel met het volgende rezultaat: ‘wie viele fragen ungelöst bleiben mögen, so viel scheint mir klar zu sein, dass wir keinen grund haben, die arischen [= indogermaanse] geschlechter mit anderen augen als die hamitischen und semitischen anzusehen Darauf hinzudeuten war der zweck dieser zeilen Die männlichen wesen sind wohl immer als männlich, die weiblichen als weiblich empfunden, obschon 1) Reeds 1889 indruk verschenen Die 2ebd kwam in2helften uit, waarvan het gezamenlike tietelblad 'tjaartal 1892 (toen de 2ehelft verscheen draagt 't‘Vorwort’ bij de 1ehelft iszelfs alop 1Oktober 1888 afgetekend 2) Zie Germania 36 (1891), blz 121 Taal en Letteren Jaargang 11 171 dies in der grammatik erst sehr allmählich zum ausdruck kam Andrerseits aber ist es nicht zu glauben, dass auch alle leblosen nomina von anfang an einem schrankenlosen und doch so inconsequenten personificationstrieb unterlagen Wohl dachte der mensch der urzeit sinnlicher, und wenn er sinnliche vorgänge in seiner phantasie persönlich belebte, belebte er sie vermuthlich geschlechtlich, das bestätigen sprache und mythologie seit unseren ältesten überlieferungen Aber schliesslich war eine grenze des zu belebenden vorhanden, welche zu fixiren wir ausser stande sind Anzunehmen ist wohl, dass auch im Arischen das nominale genus von den natürlichen grundworten aus sich zum theil mittels pronominaler 1) kennzeichen etappenweise weiter verbreitet hat Und zwar sind innere beziehungen für die auftheilung mindestens ebenso wirksam gewesen als die grammatischen endungen Einiges davon liesse sich auch jetzt wohl noch nachfinden Jedenfalls vermag die analogie, an die Brugmann sich hält, den vorgang allein nicht zu erklären’ (blz 418/9) Opdat ieder zich enigsins met het bemiddelend standpunt zou bekend kunnen maken, is dit rezultaat in extenso meegedeeld en verwijs ik nog naar het rezumee met daaropvolgende korte krietiek van Kollewijn in dit tijdschrift jg V(1895) blz 217/8 Men zal 'topstelzelf niet zonder nut lezen; maar of de bewijsvoering met z'n omhaal van nietindogermaanse talen 2)overtuigen zal; en of men de rezultaten niet te vaag zal vinden, om de gewenste opheldering te geven over hetgeen op indogermaans gebied omtrent het ‘grammaticaal’ geslacht en z'n wording valt waar te nemen? Eindelik mag hier niet worden verzwegen de kampioen voor de teorie van Jacob Grimm, namelik Gustav Roethe, de wederuitgever van Grimms Deutsche Grammatik In de voorrede van de 3ebd van deze herdruk, blz XXI/XXXI, verdedigt Roethe ‘nicht ohne Geschick und Eifer’ 3)de grimmse teorie tegen Brugmann En naar aanleiding van Brugmanns 1) De pronomina zouden eerder als de substantiva een geslachtsonderscheiding hebben gehad ‘Die nomina bedürfen weniger eines grammatischen geschlechtes als die pronomina Sie haben ihren substantiellen wurzelsinn, den die pronomina, welche nur beziehungen andeuten, entbehren Deshalb ist das geschlechtliche unterscheidungs oder verdeutlichungsbedürfuiss an den beziehungsworten auch zuerst zum ausdruck gekommen’ Henning, ta pl blz 414 2) Die voor de indogermaanse talen natuurlik niets dierekt bewijzen Ze kunnen alleen steun geven aan een verklaring op indogermaans gebied, door telaten zien, hoe iets ontstaan zijn kàn (Vgl Joh Schmidt, Die Pluralbildungen der indogermanischen Neutra ,blz 11 en hiervóor noot 2op blz 167) 3) V Michels, Germania 36, blz 121 Taal en Letteren Jaargang 11 172 wederwoord in de reeds meergenoemde Beiträge van Paul en Braune laat Roethe ‘Noch einmal das indogermanische genus’ in de Anzeiger für deutsches Alterthum und deutsche Litteratur 17 (1891) blz 181/4 als nadere verdediging van die teorie volgen Dit mag volstaan ter aanduiding van de plaats, die de teorie van Brugmann in de tegenwoordige wetenschappelike wereld inneemt; terwijl er tevens uit blijken kan, dat de rumor in casa van voor een tiental jaren voor 'tminst in geschrifte bedaard is Wie dan ook tegenwoordig nog betogend in de zin van pleitend voor de teorie van Brugmann optreedt, doet dit tegenover de populaire, nauwliks meer tegenover de wetenschappelike opvatting van ‘geslacht in taal’ In 'tvolgende zal nu worden getracht, een voorstelling te geven van de teorie van Brugmann, om daarop verder voort te bouwen, zo nodig met hulp van geschriften, die eveneens op die teorie steunen In historiese tijd zijn op 'thele indogermaans gebied in de gewone (niet dichterlike) taal manlik en vrouwlik als zgn spraakkunstige geslachten, dus ,al is 'tniet uitsluitend, zo toch in de eerste plaats bij substantiva voor levenloze dingen een nietsbetekenende vorm ,die met de begripskategoriën ‘sterker, groter, enz’ voor 'tmanlik en ‘zwakker, kleiner, enz’ voor 'tvrouwlik 1)niets te maken heeft 2) Wilde men werkelik een betekenis, in plaats van een secundaire functie aannemen in uitgangen, dan zou men uit konsekwentie van een ‘dier of dierlike betekenis’ moeten spreken bij de griekse uitgang phos in woorden als kólaphos ‘oorvijg’ of krótaphos ‘slaap aan 'thoofd’, omdat phos min of meer produktief 3)is geworden voor de vorming van diernamen (zoals élaphos ‘hert’, askálaphos ‘een soort van uil’, kóssuphos of kóttuphos ‘merel’); of van een ‘verwantschapsbetekenis’ bij de uitgang er in bakker ,arbeider ,baker ,akker ,snipper ,beker ,polder ,omdat er min of meer 1) Vgl hiervóor blz 165 2) De begripskategorie ‘kleiner’ vinden we bv wel functioneel inde verkleiningsuitgangen, zoals inmannetje ,vrouwtje ,hondje ,tafeltje ,steentje ,leugentje ,aardigheidje Zo kunnen als regel van alle zelfstnw verkleinwoorden worden gevormd, als 'tbegrip daartoe aanleiding geeft Dat die uitgang van verkleinwoorden ook wel eens andere functies kan hebben, (bv 't uitdrukken van ‘lief’, ‘bemind’) en soms ook wel eens helemaal geen meer (bv meisje tegenover jongen ,'tduitse Kaninchen )merk ikin'tvoorbijgaan op, en verzwakt geensins het karakter van die uitgang als verkleiningsuitgang 3) Zie voor de betekenis van deze term blz 174 Taal en Letteren Jaargang 11 173 produktief isgeweest ter vorming van verwantschapsnamen (vader ,moeder ,broeder , zuster ,zwager; in 'tduits nog: Vetter ,Schwieger )Natuurlik denkt niemand aan zo'n konsekwentie Neen, de oerbetekenis van alle suffixen is ons onbekend Maar de woorden zelf in hun geheel hebben een betekenis En de suffixen in 'tindogermaans zijn als taalelement als ik 'tzo noemen mag tot op de huidige dag van een zeer biezondere belangrijkheid Zo zijn er, zover kan worden waargenomen, altijd suffixen geweest, die iets van de betekenis van 'thele woord en daarmee tevens natuurlik de taalkundige eigenschappen van 'thele woord omdat deze meestal in de suffixen alleen waarneembaar vervat zijn functioneel in zich als iets zelfstandig levends opnamen Zo betekent tafeltje ‘een kleine tafel’ Het begrip ‘klein’, dus iets van de betekenis van 'thele woord, is functioneel vervat in het suffix tje ,zodat we ook kunnen spreken van een stoeltje voor ‘een kleine stoel’; en tevens heeft stoeltje door z'n suffix presies dezelfde taaleigenschappen als tafeltje (bv ze zijn onzijdig en vormen hun meervoud op s) Welnu, zo zijn er wel steeds woorden geweest, die namen waren van wezens, waarvan 'tseksuele geslacht meer of min levendig in 'tbewustzijn van 'tsprekend indieviedu was We hoeven maar te noemen man en vrouw Zo kunnen als dikwels gebruikte woorden worden verondersteld in de oerindogermaanse periode mamā ‘moeder’ of genā ‘vrouw’ (vgl got qinô ),1)twee woorden voor begrippen, waarvan 'tseksuele geslacht levendig in 'tbewustzijn van 'tsprekend indieviedu was 1) Ikwaag hier de veronderstelling, dat zelfs zulke woorden alleroorspronkelikst wel geslachtsloos moeten zijn geweest inde zin van: dat iets seksueels inbetekenis daarmee zou zijn verbonden, evengoed als dit nòg 'tgeval is, wanneer kinderen (beneden de puberteitsjaren zeker!) de woorden moeder ofvrouw uitspreken Dit laatste iseen psychologiese waarheid, waaraan niemand kan twijfelen En zou 'tzonder daarmee het stikdonkere gebied, dat ‘de oorsprong van de taal’ heet, tebetreden tegewaagd zijn aan tenemen, dat ingeen geval de volwassenen alleen, maar wel degelik ook de kinderen tot het ontstaan van taal inde volledige betekenis van 'twoord hebben meegewerkt en nog meewerken? Zo kan immers een kind van zekere leeftijd, dat alvan z'n omgeving heeft overgenomen tafeltje ,stoeltje ,boekje , hondje ,poesje ,enz enz, voor de begrippen ‘kleine tafel’, kleine stoel’, enz, zeer goed op een gegeven ogenblik spreken van een oliefantje ,dat 'tvoor 'teerst naast een grote oliefant inde diergaarde ziet, zonder oliefantje ooit van z'omgeving tehebben gehoord (Of wil men liever, omdat oliefantje aleen bestanddeel van onze taal is, ‘het ontstaan van taal’ aanvullen met ‘resp de instandhouding van taal’? Prinsiepiëel maakt dit hier geen verschil) 'tBegrip ‘klein’ isaanwezig in'tbewustzijn van 'tkind van reeds jeugdige leeftijd Maar 'tbegrip ‘seksueel geslacht’ wordt 'tkind bij lange na niet zo vroeg bewust als 'tbegrip ‘klein’ en 'tiszelfs bij volwassenen in'talgemeen nooit zo intensief bewust als 'tdierekt inde ogen springende begrip ‘klein’ Waaruit ikde konkluzie meen temogen trekken, dat de mens jaren lang (als kind) over een aardig tal alledaagse woorden beschikt voor seksueel teonderscheiden wezens, zonder dat die seksuele onderscheiding inde ziel, in'tbewustzijn nog plaats heeft gehad Een jong kind onderscheidt vader en moeder ,broer en zus ,oom en tante ,man en vrouw ,jongen en meisje waarlik niet seksueel, maar naar heel andere als seksuele kenmerken Wie 'thiermee eens is, zal inde tekst ‘sprekend indieviedu’ opvatten als ‘sprekend indieviedu boven zekere jaren’ en hij zal ook dan nog ‘de levendigheid van 'tbewustzijn van seksueel geslacht’ zeker niet overschatten Wat ikaan 'tbegin van deze noot op psychologiese gronden veronderstelde, vindt blijkbaar steun van zuiver taalkundige zijde, want ‘das geschlecht war ursprünglich inder sprache nicht vorhanden, was daraus hervorgeht, dass die ältesten weiblichen ausdrücke [die verwandtschaftsnamen] keine geschlechtszeichen an sich tragen’, zegt Fr Müller inz'n Grundriss der Sprachwissenschaft III2(1887) blz 526, aangehaald door Henning tapl, blz 402, waar tevens isopgegeven, dat reeds Schleicher inz'n Compendium der Vergleichenden Grammatik der indogermanischen Sprachen 1861/2 (1876 4)aannam en ontwikkelde, ‘dass ineiner ältern sprachepoche der idg ursprache das genus ohne bezeichnung war und erst im laufe der zeit durch secundäre hilfamittel die genera am nomen gesondert wurden’ Taal en Letteren Jaargang 11 174 Secundair kan zich nu met de uitgang āvan deze woorden en alleen bij indievieduen boven de puberteitsjaren; zie de laatste noot de functie hebben ontwikkeld, dat ermee seksueel vrouwlike begrippen werden benoemd, omdat die woorden in hun geheel namen van seksueel vrouwlike wezens zijn Toen kon bv van een woord *ekuo (s)‘paard’, dat eerst alleen een diersoortnaam was, dus geen seksueel geslacht uitdrukte, naar analogie van mamā en genā , gevormd worden *ekuā voor ‘merrie’ Vergelijk echtgenoot ,dat voor ‘man’ en voor ‘vrouw’ kan worden gebruikt, dus geen seksueel geslacht hoeft uit te drukken, en het daarvan gevormde echtgenote voor de ‘vrouw’ alleen Zo kan er nu een reeks van woorden zijn ontstaan naast een paar al bestaande, waarmee inderdaad door de ontstane functie van 'tsuffix seksueel vrouwlike begrippen benoemd werden 'tSuffix āwas nu, zoals 'tin de taalwetenschap heet, ter vorming van namen van seksueelvrouwlike begrippen, produktief geworden, evenals afgezien van de mate van produktieviteit in 'tnederlands de uitgang tje (je,pje )en in 'tduits chen (lein )produktief is ter vorming van verkleinwoorden Maar tevens kunnen er al heel wat woorden met dezelfde uitgang hebben bestaan, die geen seksuele begrippen uitdrukken, Taal en Letteren Jaargang 11 175 dus bv voor levenloze begrippen Die konden dus niets seksueelvrouwliks uitdrukken, noch in hun geheel, noch secundair zomin als primair in de uitgang Maar die konden toch dezelfde taaleigenschappen hebben als de zoëven genoemde, evengoed als bv in 'tnederlands (de )vreugde ,(de )belofte ,en dgl dezelfde taaleigenschappen (van de Vries en te Winkel, bv de genitief enkv (der )vreugde , belofte ,echtgenote !)hebben als 'treeds genoemde (de )echtgenote 1) En ook kon de uitgang van deze woorden min of meer produktief zijn geworden, nu vanzelf niet om iets seksueels uit te drukken, maar bv om onder de levenloze begrippen een zekere kategorie van abstracta te benoemen; laten we bv maar eens denken aan 'tduitse suffix ung al vinden we dit ook niet bij woorden voor seksueel vrouwlike begrippen; dat doet er hier niets toe en z'n ontzachlike functionele en woordvormende produktieviteit: (die )Erwartung ,Hoffnung ,Beseligung , Wirkung ,Verbreitung ,Wallung en honderde zo gevormde verbaalabstracta meer, die nog dageliks kunnen ontstaan, als ze er al niet zijn Uit het voorafgaande volgt, dat er dus eenmaal 4groepen van zelfstnw kunnen hebben bestaan, die dezelfde uitgang en daardoor dezelfde taaleigenschappen hadden; en wel: 1o een paar woorden, die dat suffix oorspronkelik hadden en seksueel vrouwlike begrippen benoemden; 2o een groep van woorden, die dat suffix hadden aangenomen, om eveneens seksueel vrouwlike begrippen te benoemen; 2) 3o enkele woorden, die datzelfde suffix oorspronkelik hadden en geen seksueel vrouwlike, maar levenloze begrippen benoemden; 4o een groep van woorden, die dat suffix hadden aangenomen, om eveneens levenloze begrippen, natuurlik tot dezelfde begripskategorie behorende als de vorige, te benoemen Als we de scheiding in prototypen en nieuwvormingen verwaarlozen, komen we tot een samenvatting van de beide eerste en van de beide laatste groepen, en kunnen we dus kortweg zeggen, dat er voor twee verschillende kategoriën van begrippen 1) Voor de taaleigenschappen zouden in'tduits betere vergelijkingen kunnen worden gemaakt; bv (die )Muhme en (die )Eiche ,(die )Freude ;maar voor de woordvorming (vgl echtgenote van echtgenoot )laat 'tduits ons inde steek 2) Als de teorie van Brugmann hiermee juist isweergegeven, dan blijkt daaruit, dat ze niet alleen een verklaring voor 'tzgn spraakkunstig geslacht en z'n wording geeft, maar dat ze ook helder licht laat vallen op 'tbegrip en de wording van ‘geslacht intaal’ in'talgemeen 'tKomt me voor, dat de opschriften van Brugmanns beide verhandelingen en de inleiding van z'n əerste artiekel dit alleen maar schijnen teweerspreken Taal en Letteren Jaargang 11 176 woorden van presies dezelfde vorming, en daardoor ten minste in 'talgemeen genomen met presies dezelfde taalkundige eigenschappen bestonden, in casu voor de kategorie van vrouwlike wezens en voor een kategorie van levenloze begrippen En houden we rekening zowel met de (schriftelike) overlevering op indogermaans gebied als met de nog levende indogermaanse talen, dan kunnen we er nog bijvoegen, dat de tweede groep woorden in historiese tijd altijd! heel wat groter is geweest dan de eerste Dat nu in de spraakkunst al deze woorden vrouwlik zijn genoemd, welke term wel waarschijnlik onder associatieve invloed van de begripsbetekenis van de eerste groep woorden (namelik die voor vrouwlike mensen en dieren) zal zijn ontstaan, kan niet bevreemden 1)En deze term was niets dan de naam voor een ‘Begleiterscheinung des Nomens’, 2)dus een spraakkunstige term, waarmee zekere taalkundige eigenschappen van die woorden werden samengevat en niet seksuele eigenschappen van de begrippen, die maar door een (klein) gedeelte van die woorden werden benoemd Toen nu eenmaal *equā met de betekenis ‘merrie’ in gebruik was, kan licht * equo (s),dat eerst ‘paard’ betekende, dus de naam voor 'tdiersoort in 'talgemeen was, als tegenstelling tot *equā ter benoeming van 'tbegrip ‘hengst’ in gebruik zijn gekomen, waarnaast de oude betekenis voor ‘paard in 'talgemeen’ niet in onbruik behoeft te zijn geraakt (vgl lat equus ‘paard’ en ‘hengst’, equa ‘merrie’) 3) Ook hiervoor zijn er weer analoga in moderne talen te geven Zo heeft blijkbaar echtgenoot oorspronkelik, evenals dit nog mogelik is, zowel ‘de vrouw’ als ‘de man’ benoemd; maar nadat ‘echtgenote ’voor ‘de vrouw’ was ontstaan, kon als een secundaire betekenis 1) Ipl vvrouwelik had evengoed moederlik de term kannen zijn Wetenschappelike termen zijn wel steeds ‘bewuste scheppingen’, wat intussen geen associatieve beinvloeding hoeft uit tesluiten 2) Vgl Brugmann und Delbrück, Grundriss III1,blz 3Ikwenste bij deze gelegenheid naar de hele ‘Einleitung’ (blz 1/88) van Delbrück inde genoemde Grundriss IIIteverwijzen; alsmede naar H Steinthal, Geschichte der Sprachwissenschaft bei den Griechen und Römern ,Berlin 1890/1 2,voor onze materie meer bepaaldelik naar I136, 364/70 en II244 en 307/10 (op de laatstvermelde blzz meer in'tbiezonder de functie van 'tartiekel volgens de oude griekse grammatica) 3) Ook 'tsuffix iē(ī)moet alin'toerindogermaans de functie hebben gekregen, woorden te vormen, die seksueel vrouwlike wezens benoemden, bv *wlki ‘wolvin’ naast *wlko (s)‘wolf’ Maar de behandeling van éen suffix inde tekst isvoldoende; en omdat met 'tāsuffix een duideliker voorbeeld was tegeven, heb ikdit gekozen Taal en Letteren Jaargang 11 177 ontwikkeling in tegenstelling daarmee ‘echtgenoot ’ook alleen ‘de man’ aanduiden, wat inderdaad voorkomt Ook aan 'tduitse Hund en Hündin kan worden herinnerd Hund ,oorspronkelik en nòg de naam van de diersoort, kan, in tegenstelling tot Hündin voor ‘de teef’, ook ‘de reu’ betekenen 1) Nu kunnen er, evenals equo (s),andere woorden een dergelijke secundaire begripswijziging met of zonder behoud van de oorspronkelike betekenis hebben doorgemaakt En ook kunnen er heel wat woorden zijn geweest en steeds nieuwe zijn ontstaan met dezelfde uitgang als equo (s)2),om wie weet welke begrippen te benoemen; maar in elk geval woorden, die krachtens hun suffix dezelfde taalkundige eigenschappen hadden als equo (s)Die eigenschappen zijn dan gevoegelik in de spraakkunst samengevat onder de naam van manlik Of nu door de indiese en griekse grammatici eerst ‘vrouwlik’ en dan ‘manlik’ of omgekeerd eerst ‘manlik’ en daarna ‘vrouwlik’ als techniese term zal zijn gecreëerd, dan wel of beide benamingen tegelijk onder associatieve invloed van de seksuele begripsbetekenis van een groep woorden zijn ontstaan, doet niets terzake al kan men de laatste veronderstelling voor de waarschijnlikste houden ;genoeg is 't, dat beide termen voor bepaalde ‘Begleitererscheinungen des Nomens’ zijn ingevoerd, dat beide dus niets dan spraakkunstige termen zijn, waarmee zekere taalkundige eigenschappen van de zelfstnw 3)worden samengevat en niet seksuele eigenschappen van de begrippen Het mag nu duidelik zijn geworden, dat de betekenis van een woord 4)secundair aan 'tsuffix van dat woord een functie kan verlenen, waardoor dit suffix produktief wordt, dwz ter vorming van nieuwe woorden dient, die een verwante onder éen kategorie samen te vatten betekenis uitdrukken En die nieuwe woorden zullendan taaleigenschappen bezitten, waardoor ze om hetzelfde ‘woordgeslacht’ hebben als 'twoord 4),waarvan de analogiewerking uitging 1) Prinsiepiëel dezelfde, maar infacto de omgekeerde betekenisontwikke ling heeft blijkbaar Katze doorgemaakt, dat als diersoortnaam oorspronkelik en nog ingebruik, na de vorming van Kater voor 'tmanlike dier en integenstelling daarmee ter benoeming van 'tvrouwlike dier ingebruik kwam Van Huhn vergeleken met Hahn wordt hetzelfde aangevoerd door Michels, Germania 36, 133 Hetzelfde kan van ons kip tegenover haan worden gezegd Vgl nog hiervóor blz 156/57 2) Namelik o;de sisde uitgang van de nominatief 3) Evenals van bijvoeglnw en van voornw ;maar daarover kan hier worden gezwegen 4) Of van woorden natuurlik Met ‘woord’ of‘woorden’ wordt, als er geen onduidelikheid door kan ontstaan, zelfstnw bedoeld 4) Of van woorden natuurlik Met ‘woord’ of‘woorden’ wordt, als er geen onduidelikheid door kan ontstaan, zelfstnw bedoeld Taal en Letteren Jaargang 11 178 En zo kunnen mettertijd wie weet hoeveel suffixen produktief zijn geworden en wie weet hoeveel woorden taalkundige verschijnselen gemeen hebben gehad, waardoor ze tot éen ‘woordgeslacht’ behoorden, zonder dat de begrippen voor de woorden met die suffixen hoegenaamd enige samenhang hadden met seksueel te onderscheiden levende wezens Daar dit met de werkelikheid in de indogermaanse talen, van vroeger als van nu, geheel overeenkomt, kan het ‘kunnen’ van zoëven vrij in ‘zijn’ worden veranderd Als we bv tegenwoordig zeggen: In 'tduits zijn de woorden op heit ,keit ,schaft , ung vrouwlik ,dan wil dat zeggen om maar de voornaamste taalkundige eigenschap te noemen, die ze tot vrouwlike woorden stempelt :ze kunnen alle het lidwoord die voor zich hebben Wie, die bij 'thoren van die Wahrheit ,die Dankbarkeit , die Freundschaft ,die Erwartung ,of bij welk woord ook met éen van deze uitgangen, de voorstelling van iets seksueel vrouwliks in 'tbewustzijn zou kunnen roepen? Noch dierekt door de begrippen zelf ,noch ook indierekt associatief door bv die Frau is daarvan sprake 1) Noemt men in de duitse spraakkunst een woord als Bank of Last vrouwlik , dan bedoelt men daarmee presies hetzelfde als met de woorden op heit keit ,enz van zoëven Ook Linde ,Eiche ,Tanne ,e dgl heten in de spraakkunst om dezelfde reden vrouwlik En presies om dezelfde reden heten in de grammatica vrouwlik : Frau ,Tochter ,Mutter ,Stute ,Kuh ,e dgl Want werden deze laatste woorden om een andere reden, en wel om 'tseksuele begrip ‘vrouwlik’ genoemd, dan zouden Fräulein ,Töchterchen ,Weib ,Mädchen ,Kühlein ,e dgl ook ‘vrouwlik’ in de spraakkunst moeten heten En dat is toch in geen enkele grammatica het geval, al had ze ook de verstoktste aanhanger van de teorie van Grimm geschreven Grimm deed 'ttrouwens zelf niet *** Maar, zou men kunnen vragen, is 'tdan werkelik ondenkbaar, dat er voor 'tminst enkele begrippen van levenloze dingen zijn gepersonificeerd ,wat meer zegt, zijn geseksualizeerd ? In de eerste plaats is daarop te antwoorden, dat tussen personificeren en seksualizeren een grote afstand kan liggen en ook meestal ligt Als bv een kind een stoel of tafelpoot, waaraan 1) Personificaties, allegoriën en dichterlike metaforen blijven hier buiten beschouwing; daarover later nog iets (z blz 178/81) Taal en Letteren Jaargang 11 179 'tzich stoot, personificeert, dan is daarmee nog niet gezegd, dat het seksualizeert 1) En dan, zeker er werden en worden bij gelegenheid wel levenloze dingen gepersonificeerd, zelfs geseksualizeerd Maar: de seksualizering, zoals we die in de mythologie en in de kunst kennen, is mischien altijd, zeker bijna altijd op 't taalkundig geslacht van 'twoord terug te brengen en niet omgekeerd; dwz de woorden voor die begrippen waren er al, ze hadden dezelfde taalkundige geslachtseigenschappen als prototype woorden voor seksueel duidelik onderscheidbare begrippen, en onder associatieve invloed van de begrippen, die deze prototype woorden uitdrukten, werden nu ook dus in overeenstemming met het taalgeslacht van de woorden de begrippen in kunst en mythe geseksualizeerd (Vgl het geval, op blz 180/1 genoemd) Zo is Selene ‘de maan’ in de griekse mythologie een vrouw, bij de Romeinen Luna evenzo: 1) Verondersteld natuurlik, dat werkelik 'tkind uit zich zelf stoel oftafelpoot beknort alsof 't mensen waren, en 'tgeen napraten isvan hetgeen iemand uit z'n omgeving het voorgepraat heeft 'tKan ook die voorwerpen als dieren behandelen (bv als hond ofpoes) En vooral moet erbij in'toog worden gehouden, dat de jeugdige ziel inzulke gevallen niet met abstracties als ‘de mens’ (of ‘een man’ of‘een vrouw’) of‘de hond’, enz opereert, maar met heel bepaalde voorstellingen; men moet maar eens opletten, als 'tkind met poppen ofook met andere levenloze dingen speelt, die het personificeert En dit geldt prinsiepiëel van alle personificatie, ook die van volwassenen: daaruit isook alle allegoriezering en mythenvorming inz'n oorsprong teverklaren Bovendien is'thier de plaats, er uitdrukkelik op tewijzen, dat door de menselike fantazie niet alleen wordt verpersoonlikt, maar ook ‘verzakelikt’, als me dit woord (in navolging van 'tduitse ‘versachlicht’) veroorloofd is Michels wijst daarop inde vroeger genoemde Germania (36, blz 129/30): ‘Der Krieger ist uns ein Arm inder Schlacht, ein Degen, eine Kriegsgurgel, ein foudre de guerre, usw Eine bekannte Classe zusammengesetzter Substantiva, die allen indogermanischen Sprachen gemeinsam, beweist, dass Benennungen wie “der Rosenfinger” für die Göttin der Morgenröthe indie Zeit der Spracheinheit zurückgehen Die Wolke erscheint mythologischer Vorstellung nicht bloss als ein Mann, auch als ein Mantel, die Sonne als ein Auge, oder als ein siegglänzender Schild inder Wetterschlacht, oder als ein goldener Wagen’ En ook aan Goethes ‘Gedichte sind gemalte Fensterscheiben!’ mag hier worden herinnerd Eindelik, inverband met hetgeen indeze noot alvan 'tkind werd gezegd, de fantazie ‘verdierlikt’ ook, als me ook dit woord isveroorloofd Een erg bewegelik kind kan een veulentje ofeen jong geitje worden genoemd, (ook in'tduits: ein Füllen) En de Belgen kennen ‘de Leeuw van Vlaanderen’ Vgl ook eigennamen als Vos ,Beer ,Wolf ,Hond ,Leeuw eam ten opzichte van hun ontstaan Taal en Letteren Jaargang 11 180 de woorden selene en luna zijn grammaticaal vrouwlik Maar bij de Germanen is (der )Mond een man, de man of broeder van (die )Sonne als vrouw of zuster, waartegenover bij de Grieken Helios ‘de zon’ als man werd voorgesteld, evenals bij de Romeinen Sol :de beide laatste woorden hebben manlik taalgeslacht Elke poging, de disharmonie in die seksualizatie uit werkelik seksuele of uit de door Grimm genoemde (zie blz 165 hiervóor) eigenschappen van ‘de zon’ en ‘de maan’ te verklaren, zal toch wel schipbreuk moeten lijden Was er harmonie in de zo juist genoemde voorstellingen, dan zou een verklaring ten minste niet reeds apriori onmogelik hoeven te zijn, wat bij de bestaande disharmonie toch 'tgeval is Een verklaring daarentegen, waarbij 'ttaalkundig geslacht als 'tprius wordt aangenomen, maakt het verschijnsel volkomen duidelik Evenzo is zeker Hupnos ‘de slaap’ bij de Grieken als man voorgesteld de slaap is de broeder van de dood door de woordvorm, in overeenstemming met bv Theos ‘god’, waarvan 'tbegrip seksueel manlik was Op die manier werd blijkbaar meestal, zo niet steeds geseksualizeerd bij personificaties en zo gebeurt 'tnog of wellicht juister: want zo gebeurt 'tnog Zo was bij de Ouden Eros of Amor of Cupido een jongeling of knaap, daarentegen in 'tduits heet 'tal in de middeleeuwen ‘Frau’ Minne en die Liebe is nog ‘eine Königin’ alles in overeenstemming met het grammaticaal geslacht van de woorden Goethe noemt die Phantasie ‘meine Göttin’; waarom niet bv ‘einen blühenden Jüngling’, als 'tniet onder de middelike invloed van 'twoordgeslacht was? 1)En waarom wordt engel (vgl der Engel )nog altijd als een manlik wezen voorgesteld? 2) Denk ook eens aan de vrouwlike beelden voor de ‘vrouwlike’ woorden: justitia , musica ,fortuna ,enz Alleen uit kunsttradietie is 'tte verklaren, dat die begrippen nog gereld als vrouwen in beeld worden gebracht, ofschoon we spreken van het recht ,das Recht ,das Glück En ook aan Vater Rhein en aan de Donauweibchen kan wellicht in dit verband worden herinnerd (vgl der Rhein ,die Donau ) Zo las ik eens in een wetenschappelik werkje van een jonge man, die blijkbaar een verheven gestemd ogenblik had: ‘Hier zagt nicht nur die Empfindung, nein auch ihr Bruder, der keckere Verstand, bleibt wenige Schritte weiter ratlos stehen’ Waarom 'tvroegere anders voorgesteld als 'tnu nog dageliks 1) Vgl Michels, Germania 36, 122 2) Wèl merkwaardig, als we daarbij denken aan de toepassing van dit woord alleen op de vrouw, niet op de man (in de verliefdetaal bv) Taal en Letteren Jaargang 11 181 gebeuren kan en gebeurt? De schrijver van 'teind van de 19e eeuw heeft toch waarlik niet die Empfindung naast der Verstand in 'tduits ingevoerd? Neen, die woorden waren er al en onwillekeurig was voor hem, toen hij die begrippen door z'n fantazie personificeerde en ze als ‘Geschwister’ zich voorstelde, die Empfindung =‘die Schwester’ en der Verstand =‘der Bruder’ 1) En als daarbij nog aan de voor alle tijden en volkeren onomstotelike waarheid wordt herinnerd, dat kunst uiting niet maar zonder meer te identieficeren is met taal uiting, of wel kunstuiting in taal met algemene taaluiting, dat 'teerste altijd iets heel biezonders is tegenover de algemeenheid van 'tlaatste, dan zal de inwerking van kunstuiting op taaluiting zeker wel zo er al sprake van kan zijn als uiterst gering moeten worden gedacht; zodat er ook in dit opzicht niet te denken valt aan een algemene seksualizering van die levenloze dingen, die in een of andere indogermaanse taal met woorden worden benoemd, waarvoor de spraakkunst manlik of vrouwlik geslacht boekstaaft 2) Dus zo hebben we in 'tontstaan van de grote groepen van ‘manlike ’en ‘vrouwlike ’zelfstnw wel niets anders te zien als een zuiver psychiesmechanies taalproses (analogiewerking), waarbij alleen voor een zeer gering aantal woorden enig verband met seksueel te onderscheiden begrippen niet onmogelik is; in tegenstelling met de voorstelling van Jacob Grimm, die 'thele germaanse (en indogermaanse) mensdom oorspronkelik voor zo iets als dichtersintaal hield Op deze grimmse poëtiese tijd 1) 'tSpreekt vanzelf, dat, afgezien van de mythologie en de tradietionele kunst, seksualizering niet absoluut ondenkbaar is, die disharmoniëert met 'twoordgeslacht, alzou iker ook geen voorbeeld voor kunnen noemen en zal dit geval zeker wel tot de zeldzaamheden behoren En waar een begrip wordt geseksualizeerd, waarvoor een woord met onzijdig taalgeslacht bestaat, daar heeft de fantazie natuurlik vrij spel Op deze wijze kan worden verklaard (als erten minste geen invloed van 'tduits heeft gewerkt met z'n der Verstand )‘Mijnheer Verstand’ ineen bekend gedichtje van Heye: Hand en Hoofd ,waarin een vers zo eindigt: ‘En ied'ren dag vier’ ‘Juffrouw Hand’ |Haar trouwfeest met ‘Mijnheer Verstand’ (Vgl ndl het verstand! ) Wat hier van de neutrale zelfstnw isgezegd, geldt ook ikherhaal: als er geen invloed van tradietie bijkomt inalle gevallen, waar geen grammaticaal manlik en vrouwlik wordt onderscheiden, dus bv in'tnederlands en in'tengels 2) Bij de neutrale substantiva isde mogelikheid van ‘seksualizering’ vanzelf helemaal buitengesloten Zie vorige noot Taal en Letteren Jaargang 11 182 past Michels wel met recht de woorden van Leonore von Este in Goethes Tasso toe: ‘Die schöne Zeit, sie war so wenig als sie ist’ 1) *** De hoofdzaak ter kenschetsing van hetgeen onder ‘geslacht in taal’ wel moet worden verstaan, is hiermee afgedaan Maar overbodig zal 'tdaarom niet zijn, ook iets te zeggen over het ontstaan van 'tonzijdig woordgeslacht, waardoor het wezen van dit taalgeslacht evenzeer zal worden opgehelderd als 'tgeval was bij het manlik en vrouwlik taalgeslacht, toen de wording daarvan werd behandeld A priori kunnen we nu wel veronderstellen, dat dit geslacht evenzeer op psychiesmechaniese wijze zal zijn ontstaan; maar nu natuurlik zonder enige de minste samenhang met de seksuele geslachtsonderscheiding, waarmee echter oorspronkelik enig verband met andere betekeniskategoriën niet hoeft te zijn buitengesloten En inderdaad heeft Joh Schmidt in Die Pluralbildungen der indogermanischen Neutra (1889) zulk ontstaan zeer waarschijnlik gemaakt Met een eenvoudig in schema behandeld voorbeeld, ontleend aan Der Formenbau des französischen Nomens van Gustav Körting (1898), hoop ik dit proses voldoende te kunnen verduideliken 2) De latijnse stam jugo ‘juk’ (een ostam) verboog oorspronkelik wel, zoals alle manlike zelfstnw van die vorm: 3) enkv 1*jugus ,2jugi ,3jugo ,4jugum mv 1*jugi ,2jugorum ,3jugis ,4*jugos De accus enkv drong in de nomin, mischien omdat de acc meer gebruikt werd dan de nom, mischien ook naar analogie van de oorspronkelike verbuiging van een sstam als corpus ,dat in de nom en ook in de acc *corpus luidde, dit laatste om de onmogelikheid van corpus +(accusatief) m 4)Zodat nu 'tenkv van de stam jugo luidde: 1jugum ,2jugi ,3jugo ,4jugum Een dergelijke gelijkwording van de nom enk aan de acc 1) Germania 36, 131 2) Dit voorbeeld komt ook bij Joh Schmidt voor, op blz 20 en 35/6; maar de wijze van behandeling daar was minder goed over tenemen als die bij Körting 3) Niet overgeleverde vormen worden gewoonlik boven voor aan de opgegeven vorm van een sterretje voorzien Reeds enkele blzz vroeger kwam dit teken voor; maar nu eerst isvoor de duidelikheid een verklaring ervan onmisbaar 4) Körting, tapl 120 Joh Schmidt (tapl 36) meent, dat ‘der accusativische ursprung [van de nominatiefvorm] gar nicht erwiesen sei’ Maar inzijn uiteenzetting wil hij de mogelikheid wel toegeven; dat kunnen wij inonze uiteenzetting dan zeker ook wel doen Taal en Letteren Jaargang 11 183 vinden we op pronominaal gebied in 'tmiddeleeuws middelduits, waar in 'tvrouwlik enkv 1die ,2, 3der ,4die al voorkomt in plaats van 1diu ,enz; in 'tnieuwhoogduits bestaat uitsluitend die voor nom en acc enkv vrouwlik, zoals bekend 'tZelfde geldt van 'tbijvoeglnw Ook in 'tbrabants dialekt kan men horen, niet alleen den aannemer is er geweest , maar ook den dokter is er geweest In 'teerste geval zou nter vermijding van hiaat kunnen worden verklaard, maar niet in 'ttweede voorbeeld, waar wellicht de nnaar analogie van de hiaat nuit 'teerste voorbeeld (en dgl m) in de nom is gedrongen Maar om tot jugo terug te keren: Wellicht bestond er naast deze stam een vrouwl āstam, dus *juga ,als collectiefbegrip; 1)dit werd dan in 'tenkv verbogen: 1juga ,2 *jugae ,3*jugae ,4*jugam Dit laatste paradigma werd syntakties met een enkelvoudig werkwoord gekonstrueerd, zoals bv ndl het volk is opgestaan ,het vee loopt in de wei ,het geboomte staat in volle bloei en had daardoor en gesteund door de (al is 'took niet in elk opzicht overeenstemmende) betekenis grammaticale verwantschap met het ontstane paradigma jugum ,enz, waarin de nom gelijk was geworden aan de acc Die gelijkwording van nom en acc, maar hier (wellicht weer onder andere wijzigende, resp beschermende paradigmainvloeden) acc gelijk aan nom 2),had nu ook licht in 'tparadigma juga plaats, zodat ontstond 1juga ,2*jugae ,3*jugae , 4juga 1) Dat enkelvoudige woorden meervoudige begrippen kunnen uitdrukken, isbekend genoeg Bv het vee ,het volk En met het voorbeeld inde tekst zou inde verte kunnen worden vergeleken het geboomte naast de boom ,het gevogelte naast de vogel ,waarin het collectivum ook een andere uitgang en een ander geslacht' heeft als het enkelvoudige begrip (het voorvoegsel ge kan hier ons onverschillig zijn) Uit Joh Schmidt, Die Pluralbildungen ,neem ikeen paar voorbeelden, vergelijkbaar met jugajugum ,ter nadere illustratie over: oudhoogd loupa [‘een verzameling bladeren’?] hoogd ‘Laube’ ‘Laubhütte’, ‘priëel’, vrouwl naast oudhoogd loup hoogd ‘Blatt’ onzijd (en lat terra ‘Gelände’, dan ‘land in'talgemeen’, naast oskies terùm ‘einzelnes Grundstück’) (tapl blz 10 en 20) 2) Welke invloeden hebben gewerkt, isdikwels, jameestal niet met zekerheid op tegeven En 'tkomt hier ook eigenlik op de aard van die invloeden niet aan In'tndl isbij 'tlidw ook de acc aan de nom gelijk geworden in'tmanlik enkv (:de ),wat een analogon tot het zo juist inde tekst genoemde verschijnsel vormt Vgl oa van Helten, Middelnederl Spraakkunst § 352 (en Museum VIII, kol 250) en Stoett, Beknopte Middelnederl Spraakk I§146 Overigens ismij iets, dat op een verklaring voor dit proses lijkt, niet bekend Körting (tapl 121) glijdt er over heen En Joh Schmidt (tapl 35/6) bekent geen verklaring er voor teweten Taal en Letteren Jaargang 11 184 En van de andere kant kon nu wegens de ‘meervoudige’ betekenis van dit paradigma licht in de beide andere naamvallen aansluiting aan 'tmeervoud van jugum plaats vinden, waardoor ontstond: 1juga ,2jugorum ,3jugis ,4juga Zodat nu het volledige paradigma was geworden: enkv 1jugum ,2jugi ,3jugo , 4jugum ,meerv 1juga ,2jugorum ,3jugis ,4juga ,dat inderdaad in 'tovergeleverde latijn zo voorkomt en in de spraakkunst neutrum heet Dit is dus, zoals men ziet, een proses, dat heeft plaats gehad op 'tgebied van 't numerus ('t getal) en niet eens op 'tgebied van 'tgenus, laat staan, dat een seksueel begripsgeslacht er mee kon worden in verband gebracht Dat nu, na 'tontstaan van enkele neutra op de hier ontwikkelde wijze, de analogie dit psychiesmechaniese proses een grote rol begon te spelen, hetzij alleen door de woordvorm, hetzij in verband met bepaalde betekeniskategoriën, is zeker geen te gewaagde veronderstelling Denken we maar eens aan de konstante ‘onzijdigheid’ van de zelfstnw met de zgn verkleiningsuitgang in 'tnederlands en 'tduits Ten gevolge van een numerusproses is en dit mag de mogelikheid van dergelijke taalprosessen nader illustreren in 'tduits die Thräne ontstaan, dat in 'tmiddelhoogd nog der trahen ,der trân (waarmee de nieuwhoogd vorm der Thran zou overeenkomen heette Door de betekenis moest wel veelvuldig worden gebruik het meervoud die trahene ,die trehene ,die trêne (nieuwhoogd vorm die Thräne )De enkelv woordvorm kon in vergetelheid geraken door 'tzeldzame gebruik ervan, en er ontstond daardoor een zekere syntaktiese onzekerheid of verwardheid, als men nu toch het enkv begrip wou uitdrukken; dan gebruikte men namelik nu ook het eigenlik meervoudige die Thräne (vgl Weihnachten sind en Weihnachten ist schön gewesen :in beide konstrukties hetzelfde Weihnachten! )Maar toen naast: Die Thräne laufen herunter ook Die Thräne läuft herunter gebruikt kon worden, werd blijkbaar na enige tijd die Thräne als vrouwl enkv gevoeld wegens het lidwoord en naar analogie van de vele zo gevormde woorden (op e)en moest daaruit wel volgen het ontstaan van de nieuwe meervoudsvorm: die Thränen 1) En hiermee genoeg over ontstaan en wezen ook van 'tonzijdige 1) Voor meer dergelijke voorbeelden zou verwezen kunnen worden naar Victor Michels Zum Wechsel des Nominalgeschlechts im Deutschen I1889, blz 52/7 'tLaatste stadium van 't geschilderde proses heeft niet meer op 'tgebied van 't‘getal’ (numerus), maar op dat van 't ‘geslacht’ plaats, zoals men zal hebben opgemerkt Taal en Letteren Jaargang 11 185 woordgeslacht 1)Aan enig verband met seksueel begripsgeslacht is daarbij in geen geval te denken en is ook, blijkens de ‘sprekende’ term zelf, nooit gedacht Als de andere termen (manlik ,vrouwlik en ook geslacht zelf) in even goede zin ‘sprekende’ termen waren, dan zouden ze zeker taalwetenschappelik niet zo'n staindeweg geweest zijn en in zo vele spraakkunsten en bij het onderwijs nog zijn *** Ook bij de uiteenzetting over het ontstaan van 'tonzijdig geslacht kon, zoals we zagen, de betekenis niet geheel buiten beschouwing blijven Maar de inwerking ervan was toch slechts een middelike en de hoofdfaktor in die ontwikkeling was duidelik de vorm Bovendien was 'tde betekeniskategorie ‘veelvoud’ (meestal met de grammaticale kategorie ‘meervoud’ korresponderend) en geensins een seksuele betekenis, die in aanmerking kwam Iets dergelijks was bij 'tverloop van der Trahen tot die Thräne waar te nemen En zo kan in meer gevallen een of andere betekenis kategorie blijkbaar ingewerkt hebben op 'tontstaan, of liever op 'tverloop van de woordgeslachten, zoals ons die in historiese tijd, dus ook tegenwoordig, bekend zijn Een paar voorbeelden mogen hier volgen In 'tfrans is été manlik; maar 'tlatijnse aestatem 2),waaruit été is ontstaan, was vrouwlik In 'talgemeen zijn de woorden van gelijke vorming als aestatem (zoals veritatem ea) ook in 'tfrans vrouwlik gebleven Dat été daarop een uitzondering vormt, is wel niet anders denkbaar dan door de invloed van de nauwe verwantschap van z'n betekenis met die van de manlike woorden printemps en hiver (en automne? )Zei men bv Le dernier printemps aété beau ,dan kan licht daarop zijn gevolgd: Et le dernier été aussi ,of: Et l'été aété beau aussi ,ipl v la en belle 3) Zuiver taalkundig, dus als een abstractie, los van de menseziel, is taalwording onmogelik Hieraan dient men steeds indachtig te 1) Of 'tonzijdig geslacht, hetzij bij 'tzelfstnw, hetzij bij de zelfstandige voornw, ooit meer in't biezonder met de begripskategorie levenloze dingen' heeft inverband gestaan, schijnt niet tekunnen worden vastgesteld, jazeer twijfelachtig Inde tegenwoordige indogermaanse talen is'tover 'talgemeen niet het geval (Maar vgl 'tgebruik van 'teng it!) 2) Dit isde accusatiefvorm; daaruit, en niet uit de nominatief heeft zich été ontwikkeld Zie de franse historiese spraakkunsten 3) Dat zo iets niet zo maar op eens en over 'thele taalgebied verspreid zich heeft vastgezet, spreekt van zelf Voor de prinsiepiële faktoren van zulke historiese prosessen zie Pauls Prinzipien Taal en Letteren Jaargang 11 186 zijn, ook al blijft kortheidshalve gewoonlik de psychologiese faktor in taalwording ongenoemd Daarom heb ik hier een interpretatie gegeven van een taalkundige formulering als bv ‘été ,féminin en latin, devient masculin d'après printemps ,hiver ’ (Vgl Arsène Darmesteter, Cours de Grammaire historique de la langue française , Deuxième Partie, 1894, blz 56) Bij Thräne (blz 184) deed ik al iets dergelijks Zonder meer of min veelvuldig gebruik van de prototypen in werkelike taaluiting (dus in syntaksiaal verband), maw alleen door begripsverwantschap, zijn analogievormingen toch wel niet denkbaar 1) In 'tnederlands kennen we de diernamen de schildpad ,de hermelijn ,de bever ; maar daarnaast de stofnamen: het schildpad ,het hermelijn ,het bever ,wat zeker niet uit de vorm van die woorden is te verklaren, want die is in beide gevallen gelijk 'tLigt voor de hand, dat begrips verwantschap met het hout ,het goud ,het ijzer van invloed bij 'tontstaan van 'tonzijdig geslacht moet zijn geweest (resp nog is) Zo ook kan worden herinnerd aan de stofnamen: het diamant ,het doek ,het draad , het hoorn ,(of horen ),het kurk naast de voorwerpsnamen: de diamant ,de doek ,de draad ,de horen (of hoorn ),de kurk (vgl de stok ,de das ,de jas ,de hoed ,de naald , enz) 2) En zo zouden er meer voorbeelden uit de indogermaanse talen zijn te noemen Maar, al kan voor 'tgeslacht van enkele woorden of woordgroepen een of andere betekenis kategorie hetzij dan ‘seksueel geslacht’, hetzij ‘het kleine’ of ‘de jaargetijden’, of welke kategorie ook van middelike invloed zijn geweest, eventueel nog zijn, tegenover de vèroverwegende invloed van de vorm (= vorming )op wording en verloop van 'ttaalgeslacht komt dat niet zeer in aanmerking Wat duidelik is waar te nemen in samenstellingen als die 1) Wat veelvuldig gebruik van prototypen vermag, zien we bv aan 'tduitse des Nachts (nachts ),dat alleen isteverklaren door de veelvuldig onder presies dezelfde syntaktiese omstandigheden voorkomende (adverbialen): des Morgens (morgens ),des Abends (abends ), des Nachmittags (nachmittags )Waartegenover onder variërende syntaktiese omstandigheden (als zuiver zelfstnw met z'n naamvallen) geen analogie heeft gewerkt, zodat die Nacht is gebleven naast der Morgen ,Abend ,Nachmittag 2) Of indeze laatste groep voorbeelden de prioriteit aan de stof ofaan de voorwerpsnamen toekomt, laat ikhier, wijl van geen prinsiepiëel belang, onbeslist, maar houd ikvoor verschillend naar gelang van 'tbegrip Aan de posterioriteit van de stofnamen inde eerste groep voorbeelden valt zeker wel niet te twijfelen Taal en Letteren Jaargang 11 187 Kaisereiche evengoed als die Eiche (niettegenstaande der Kaiser ),der Birnbaum evengoed als der Apfelbaum (niettegenstaande die Birne )is prinsiepiëel van toepassing op suffixen En daarom heet 'took die Eiche ,die Linde ,die Birne ,die Woche ,die Liebe ,alles omdat die woorden op euitgaan Om dezelfde reden, dus om de vorm, zijn als regel de latijnse neutra in 'tfrans manlik ,als ze in de enkelvoudige vorm tot franse woorden zijn geworden, en vrouwlik ,als ze in de meervoudige vorm die overgang hebben doorgemaakt 1)En zo kan in 'talgemeen van 'tfrans worden gezegd, dat 't als regel ‘ganz mechanisch’ naar de vorm twee soorten van zelfstnw onderscheidt: ‘Substantiva auf e,welche den Artikel la,bezw die Adjectivform auf ezu sich nehmen, und Substantiva irgend welcher anderen Endung, welche mit dem Artikel le und mit der nicht auf eausgehenden Adjectivform sich verbinden’ 2)Daarom is poudre en cendre ,ofschoon de korresponderende woorden in 'tlatijn manlik waren (:pulvis acc pulverem en cinis acc cinerem ),evengoed vrouwlik als rose en table , die hun geslacht van uit 'tlatijn hebben behouden *** Zo zijn dan nu op 'tgebied van 'tgeslacht in taal bij de uiteenzetting van de teorie van Brugmann ,met behulp ervan en erop voortbouwende, enkele gevallen verklaard En met die teorie is de verklaring van nog heel wat meer gevallen gegeven, terwijl ze de ideële mogelikheid voor verklaring ook van tot nu toe onverklaarbare gevallen biedt Dit laatste moet voor ieder duidelik zijn, die overtuigd is van de prinsiepiële juistheid van genoemde teorie En als er nu in moderne indogermaanse talen, waarin taalkundige geslachtsonderscheiding duidelik bij 'tzelfstnw waar te nemen is, geen regels voor 'tgeslacht van heel wat woorden zijn te vinden of als er uitzonderingen moeten worden gekonstateerd, dan kan in 'tgunstigste geval de geschiedenis van die woorden eerst de vereiste opheldering geven over hun vorm (resp vorming), omdat er door de tijd heel wat suffixen hoofdzakelik onder invloed van klemtoon òf met andere tot éenzelfde suffix geworden òf geheel verdwenen zijn En wanneer ook na 'traadplegen van de taalgeschiedenis 'tgeslacht van vrij wat woorden nog onverklaarbaar 1) 'tZou me tever voeren, dit hier alles teontwikkelen Ikverwijs oa naar Köörting, ta pl § 20 en 21 2) Zie Körting, ta pl blz 135 De eerstgenoemde ‘vrouwlik’, de laatstgenoemde ‘manlik’, zoals bekend Taal en Letteren Jaargang 11 188 is, zo is dit nog geen reden om in een hypotheze heil te zoeken, die ‘auch nicht den Schatten einer Möglichkeit’ 1)ter verklaring biedt Met de prinsiepiële onhoudbaarheid van zo'n hypotheze vervalt ook z'n waarde voor de metode van onderzoek Metodiese onderzoekingswaarde van een hypotheze of teorie heeft tot voorwaarde prinsiepiële juistheid: beide hoedanigheden zijn onafscheidelik met elkaar verbonden Eerst waar men zich overtuigd mag houden van de prinsiepiële juistheid van een hypotheze wat weer afhankelik is van de omvang en diepte van kennis ,kan de hoop worden gekoesterd, dat een ‘ignoramus’ van de vorsers niet tevens een ‘ignorabimus’ zal zijn 'tSpreekt vanzelf, dat ‘het ontstaan van 'twoordgeslacht’ in de striktste zin van 't woord evenmin kan worden verklaard als ‘het ontstaan van taal’: de oorsprong der dingen is niet te verklaren En zodra er in de taalwetenschap met behulp van de psychologie iets te verklaren valt, gelden de woorden van Wundt (Völkerpsychologie I2, blz 584): ‘die Voraussetzung eines Zustandes, in welchem der Mensch nicht nur der Sprache, sondern, was damit notwendig gegeben wäre, auch aller der Eigenschaften entbehrt hätte, aus denen sie hervorgehen musste, eine solche Voraussetzung ist für sie [: die Psychologie] eine leere Fiction, mit der sich nichts anfangen lässt, well sie [:die Voraussetzung] die Bedingungen beseitigt, mittelst deren die Existenz der Sprache überhaupt zu begreifen ist Kann die Sprachpsychologie nur innerhalb der Sprache ihren Standort wählen, indem sie die thatsächlichen Entwicklungsformen derselben psychologisch zu analysiren und zu interpretiren sucht, so gibt es aber für sie ein besonderes, von dieser Untersuchung abzuscheidendes Ursprungsproblem überhaupt nicht’ Er is dan ook alleen getracht, uit het voorhanden taalmateriaal of uit zulk materiaal, dat door wetenschappelike reconstructie als eenmaal bestaan hebbend kon worden aangenomen met behulp van de psychologiese metode de faktoren voor geslachtswording in taal op te sporen Daarvoor was 'tnodig als axioma aan te nemen zolang de taalverschijnselen daarmee niet in tegenspraak kwamen; en dit gebeurde inderdaad niet ,dat in 'talgemeen de psychiese faktoren, die nu werken of werken kunnen, ook vroeger hebben kunnen werken: alleen de biezondere uitingen in taal zijn naar tijd en volk verschillend Maar van 'tbekende, 1) Namelik de hypotheze van Jacob Grimm; zie Michels, Germania 36, blz 131 Taal en Letteren Jaargang 11 189 dat is van 'ttegenwoordig waarneembare, moest worden uitgegaan En evengoed als we zagen, dat er tegenwoordig in taal geen geslachtsonderscheiding hoeft te bestaan bij de zelfstnw ('t engels!), kan dit worden aangenomen voor een vroegere tijd; en het taalmateriaal scheen zelfs die veronderstelling noodzakelik te maken Maw ‘geslacht in taal’ is een secundaire, geen primaire, dus geen inherente eigenschap van taal Maar waar ‘geslacht in taal’ eenmaal was waar te nemen, daar moesten de psychiese faktoren voor de wording ervan worden opgespoord Die faktoren werken blindelings en over 'tgeheel onbewust dit laatste in de alledaagse betekenis van 'twoord te nemen Alleen wanneer 'ttaalgevoel reageert tegen ongewone taaluiting of bij zgn onzekerheden in taaluiting en bij 'tontstaan van nieuw taalmateriaal kan het onbewuste min of meer bewust worden wat vanzelf niet in de betekenis van taalwetenschappelik bewust is op te vatten En juist uit zulke gevallen, waarin dus de ziel als 'tware in beroering, in actie komt, zijn de psychiese faktoren te putten Maar afgezien van zulke gevallen, neemt elk mensegeslacht het taalmateriaal van een vroeger geslacht over, zonder dat daarbij de psychiese faktoren in actie komen, die eenmaal bij 'tontstaan ervan gewerkt hebben: dus geheel op psychophysiesmechaniese wijze 'tOerindogermaanse kind kreeg evengoed het toen voorhanden taalmateriaal kant en klaar van zijn ouders en omgeving als het tegenwoordige Er is alleen rekening te houden met de feitelike taaltoestand: waar geen ‘geslacht in taal’ bestaat, kan 'took niet worden verklaard; alleen eventueel voor z'n verdwijning kan men trachten een verklaring te geven En dit laatste gebeurt dan ook inderdaad evengoed als voor 'tverschijnen ervan Om aan te tonen, dat de muren, die op de jongste hypotheze zijn opgetrokken, steviger psychiese grondslagen hebben als die van 'tgeslachtspaleis van Jacob Grimm, isin het voorafgaande het oogmerk steeds hoofdzakelik op prinsiepiële uiteenzettingen gericht geweest, zowel bij de behandeling van wat onder ‘geslacht in taal’ is te verstaan als bij de verklaring van de wording ervan resp z'n verdwijning (zoals 'tlatijnse neutrum) 1)Voor 1) Ikwenste hier nog nadrukkelik tewijzen op de prinsiepiële uiteenzettingen over ‘geslacht in taal’ bij Hermann Paul, Prinzipien der Sprachgeschichte 1898 3,blz 241/7 en bij Wilhelm Wundt, Völkerpsychologie ,Erster Band, Zweiter Theil, blz 15/24 Volgens Wundt is‘aller Wahrscheinlichkeit nach’ oorspronkelik ‘nicht das natürliche Geschlecht, sondern die einfache Werthunterscheidung ,die Gegenüberstellung einer höheren und einer niederen Classe von Objecten massgebend’ geweest bij de zogenaamde geslachtsonderscheiding intaal! Wie geeft zekerheid? Maar 'tisalzoveel waard, als men zich heeft geëmancipeerd van de bestaande terminologie, want die heeft ‘entschieden ungünstig auf die Erkenntnis’ van de oorspronkelike betekenis ervan gewerkt (z blz 151 noot 1) Ook hier zou 'teinde van alle wijsheid wel kunnen zijn, dat men niets wist ‘Maar men moet weten waarom ’ Taal en Letteren Jaargang 11 190 beelden in 'tbiezonder kan ieder naar believen en uit elke hem bekende indogermaanse taal en taalperiode vermeerderen; evenzo groepen van voorbeelden, die biezondere gevallen in 'tgrote geheel vormen En staat men dan door de duisternis, waarin de geschiedenis van 'twoord, resp van de wording en verwording van 'tsuffix is gehuld, of ook wegens het weinige taalmateriaal niet zelden voor een non liquet, zo kan de aanhanger van de nieuwste teorie zich al dadelik daarmee troosten, dat ook Jacob Grimm niet alles in biezonderheden kon verklaren Bovendien kan hij uit inzicht overtuigd zijn en blijven, dat de prinsiepiële juistheid van deze teorie door die onvolkomenheden in de historiese taalkennis volstrekt niet wordt aangetast ‘Nog viel bleibt ruhigem Fleisse zu thun und manches Wirrsal zu klären Aber hoffen dürfen wir, dass sich die heutige Forschung in richtigen Bahnen bewegt’, schreef Michels een tiental jaren geleden (in Germania 36, blz 135) Op de laatste passus in die uitspraak komt 'taan En daar de toen geuite hoop tot nu toe niet teleurgesteld is, mogen de ‘richtigen Bahnen’ tegenwoordig aan de taalman, ook al is hij geen taalvorser, niet meer geheel vreemd zijn Als dit artiekel deze en gene belangstellende baanwijs mocht hebben gemaakt, zou 'tdoel ervan bereikt zijn JG TALEN Taal en Letteren Jaargang 11 191 De Nederlandsche letterkunde op het examen voor hoofdonderwijzer III Ten slotte willen we nog een oogenblik stilstaan bij de keuze der gelezen werken In zekeren zin wordt deze keuze, al is het dan in vage woorden, bepaald door het programartikel, waar het spreekt van de voornaamste voortbrengselen ,vooral van den lateren tijd Verschil van meening over deze tijdsbepaling schijnt niet te heerschen, daar de lectuur der candidaten zich in den regel bepaalt tot de drie laatste eeuwen Zoolang de examenvakken niet in twee groepen met afzonderlijk examen gesplitst en de meeste examinandi van afdoende hulp bij hunne letterkundige studie verstoken zijn, durven we niet aandringen op eenige kennis van het Middelnederlandsch, hoe gewenscht we deze ook zouden achten als noodzakelijke aanvulling van de studie der vaderlandsche geschiedenis in de Middeleeuwen, als uitstekend middel om den candidaathoofdonderwijzer eenig denkbeeld te geven van de historische ontwikkeling onzer taal en als inleiding tot de studie van den nieuweren tijd De lectuur van de schrijvers der 17 de eeuw bepaalde zich gewoonlijk tot Hooft: Granida en de Warenar ;Huygens: de Zeestraet ,Batave Tempe ,hoogst zelden Oogentroost en Vondel: de Gysbrecht ,Lucifer ,Palamedes Leeuwendaelers en een enkel hekeldicht: Harpoen en Roskam Und der vierte im Bunde: Cats? Cats lezen de heeren niet meer, dank zij eensdeels het schelden en schetteren van Busken Huet en het verdraaien van citaten van Jonckbloet, anderdeels de nieuwe begrippen over litteraire kunst, die sedert 1880, zoo niet de harten dan toch de hoofden van het jongere geslacht van streek brengen Litteraire kunst lost zich op in ‘mooizeggen’ en ‘intense gevoel’, al verstaat men onder het eerste vaak weinig meer dan inhoudloozen klinkklank en onder het laatste dikwijls niets anders dan de rillingen, welke een bezoek aan de ‘Chamber of Horrors’ veroorzaakt Noch Taal en Letteren Jaargang 11 192 het een, noch het ander treft men bij Cats aan; de historische waarde vooral die zijne werken bezitten geeft ze hunne letterkundige beteekenis, en wat de zoo gevierde schilders dier eeuw: Jan Steen, Terniers, Ostade enz met het penseel deden, deed hij met de pen; geen dichter van dezen tijd geeft ons zulk een uitvoerig en getrouw beeld weer van het huiselijk en maatschappelijk leven onzer voorvaderen Daarenboven is de poëzie van Cats gemakkelijk te vatten; Hooft moge zangeriger, Huygens dieper zijn, hun taal en zinsbouw eischen voorbereiding; de dictie van Cats vergt niet zooveel inspanning als die van den Drost en Constanter, wier poëzie voor den oningewijde vol voetangels en klemmen is gelijk velen candidaten wel gebleken zal zijn op het examen De lyrische poëzie dezer eeuw komt heelemaal niet tot haar recht Dit is te meer te betreuren, omdat deze soort in het algemeen niet zoo lastig te verstaan is als de andere genres, en zich daarenboven in zangerigheid van toon en natuurlijkheid van gevoel dichter aansluit bij de kunstprodukten van de beste schrijvers der 19 de eeuw, voornamelijk van de auteurs nà 1880, die allen met Hooft en zijne evenknieën in de lyriek dwepen Marnix' Psalmen ,Bredero's Liedtboek , Starter's Friesche Lusthof en Vondel's Lyrische gedichten staan als kunstuitingen hooger dan hunne andere werken, (behoudens een enkele uitzondering), geven den beoefenaar onzer letteren eene betere opinie van de hoogte, waarop onze kunst van ‘mooizeggen’ in de 17 de eeuw stond en doen hem duidelijk de onjuistheid van veler bewering inzien, dat de ‘taalmuziek’ in onze letterkunde van nà 1880 zou dateeren De uitgave van Dr Sabbe in de Pantheoncollectie heeft thans Joan Luyken's Duytse Lier voor geringen prijs onder het bereik van elken vriend onzer letteren gebracht; we bevelen den onderwijzers de kennismaking met dit werkje aan; ze zullen zien, dat de lyrische gedichten van dezen piëtist iets beters verdienen dan de verwaarloozing, waartoe totale onbekendheid ze in de onderwijzerswereld doemt Niemand zal bij het nagaan van de gelezen werken willen beweren, dat de woorden: ‘voornaamste voortbrengselen’ te ruim door de candidaten worden opgevat; men kan het moeielijk met minder doen, vooral wanneer we hierbij niet vergeten, dat elk werk, als geheel op zich zelf staande, gelezen wordt De heeren missen een globaal overzicht van het tijdvak dat ze bestudeeren en zijne in het oog vallende letterkundige verschijnselen, en krijgen dus ook geen totaalindruk Het is dan ook niet te verwonderen, dat velen in de meening verkeeren, dat er in onze ‘gouden eeuw’ geen ander proza geschreven is dan de Historiën van Hooft in 'talgemeen te zware kost voor hen en dat zij van Schelmenromans ,Arcadia's en de biografieën van G Brandt nooit gehoord Taal en Letteren Jaargang 11 193 hebben, evenmin als van de gevoelvolle gedichten van Camphuysen en de pittige poëzie van Revius De 18 de eeuw, die op letterkundig zoowel als op elk ander gebied, verre achterstaat bij haar voorgangster, wordt hierom zeker door de candidaten zeer stiefmoederlijk bedacht; kunne kennis gaat niet veel verder dan de namen van een paar auteurs en de titels van enkele werken Van Poot kent men gewoonlijk slechts Het Akkerleven ;de litteraire waarde van dit gedicht en het verschil tusschen de poëzie van de 17 de en de 18 de eeuw zal den examinandi te duidelijker in het oog vallen, wanneer ze eens Poot's werk vergelijken met Luyken's Buitenleven en met den keurigen rei van Euboeërs in het 3de Bedrijf van den Palamedes ,die waarschijnlijk niet zonder invloed geweest is op de conceptie van Het Akkerleven Indien men den zanger van Abtswoude wil leeren kennen en den verderfelijken invloed, dien de geest zijns tijds met zijn quasigeleerdheid en zijn ballast van mythologische namen op hem had, men leze eenige van zijne vroegste (natuurlijke) gedichten en enkele uit zijn later leven; het verschil tusschen beide zal dadelijk in het oog springen en het onderscheid doen uitkomen tusschen natuurlijke poëzie en litterairen bombast (Cf Potgieter's: Foliobijbel in zijn: Proza De gebroeders Van Haren, eigenlijk de eenige representanten onzer letteren uit het tijdperk van verval in de 18 de eeuw die het de poene waard is te lezen, deelen met hunne tijdgenooten in de algemeene onbekendheid Het menschelijk leven van Willem en Onno's Geuzen verdienden wel iets beters; het eerste wordt dubbel aangrijpend en enkele passages van het laatste werk krijgen iets meer reëels en treffends, wanneer men ze leest in verband met het leven dezer zwaar beproefde edellieden (Vgl Halbertsma's: Het geslacht der Van Haren's of Polak's Studie over de beide broeders) Het ‘onbekend maakt onbemind’ geldt ook van de beide interessante vrouwen Wolf en Deken, die, ongeveer tijdgenooten van Van Effen, meer dan één punt van overeenkomst met hem hebben Ook zij werkten onder Engelschen invloed, hadden een open oog voor de maatschappelijke feilen van haar tijd, welke ze met fijnen humor op de kaak stelden en verrieden in haar werken eene groote voorliefde voor degelijke, oudHollandsche typen (tante Martha); in fijn uitgewerkte schetsjes van het huislijk leven overtroffen zij den bovengenoemden essayist Heur taal en stijl zijn pittig, piquant, geheel en al vrij van de soeperigheid, die zoovele werken harer tijdgenooten voor ons ongenietbaar maken Het nieuwe, het frappante van hare wijze van zeggen en hare vaak ongemeene keuze van woorden verhoogen het genot van de lectuur Taal en Letteren Jaargang 11 194 harer romans en verzoenen den lezer, die nog niet te veel te lijden heeft gehad van het zenuwachtig jagen onzer dagen, met de lijvigheid harer verhalen Inderdaad, zoowel wat dictie als inhoud betreft, zal men te vergeefs de weerga harer werken zoeken onder de prozavoortbrengselen van de 30 eerste jaren der 19 de eeuw en wij zijn van meening, dat de onderwijzers meer nut en genot kunnen trekken uit het lezen van Sara Burgerhart en Willem Leevend dan uit verscheidene ephemerische produkten van onze hedendaagsche litteratuur, waarvan er vele aan de markt gebracht worden, die onverstaanbaar van taal, onbegrijpelijk van inhoud en ongenietbaar ten opzichte van beide zijn Met de twee laatstgenoemde auteurs zijn we de 19 de eeuw binnengegaan, waarvan de verschillende tijdvakken vrij ongelijk door de candidaten bestudeerd worden Uit de 30 eerste jaren heeft men gewoonlijk alleen iets van Staring, bij uitzondering een gedicht van Bilderdijk gelezen; de tweede periode, van 18401880, een tijdperk van herleving en bloei in onze letterkunde, dat zoo vruchtbaar in voortreffelijke werken, zoo rijk in litteraire verschijnselen is geweest, was door de examinandi wel wat meer in de breedte, doch niet in de diepte bestudeerd; een gevolg hiervan was, dat van sommige auteurs niet de belangrijkste ,de beste werken waren gekozen Van Schimmel werd bv zeer zelden Sinjeur Semeijns en de Kapitein van de lijfgarde opgegeven; ook van Mevrouw BosboomToussaint bleef de lectuur bepaald tot kleinere werken en had niemand den moed gehad de schoone en voortreffelijke Leicestertrits en haar onmiddellijk vervolg: de Delftsche Wonderdokter te lezen Wat ons wel het meest trof was, dat bijna geen enkel candidaat Potgieter's schoone, zangerige Liedekens van Bontekoe anders dan bij naam kende, noch zijn: Aan 't Vensterke van Elzemoer ,noch 'tWas maar een Weesje ,die toch ieder kenner onzer 19 de eeuwsche litteratuur rekent onder de beste en uitstekendste gedichten niet alleen van dezen auteur zelf, maar ook van de heele eeuw Of men Florence gelezen had? Neen, en dit zouden we den candidaten ook niet durven aanraden te doen, voordat ze eens een paar maal eene goede vertaling van Dante's Divinia Comoedia gelezen hebben, en zelfs dan nog vergt de lezing van dit gedicht vrij wat inspanning Slechts een uitgave met degelijke, exegetische aanteekeningen, zooals de Zwolsche Herdrukken er ons reeds eenige bezorgd hebben, kan dezen zwanenzang van Potgieter voor den candidaathoofdonderwijzer volkomen verstaanbaar en genietbaar maken 1)De voorliefde voor de jonge Priester en de 1) Onder het afdrukken vernamen we, dat eene uitgave van dit gedicht, voorzien van de noodige aanteekeningen, inbewerking isbij een der collega's, H Taal en Letteren Jaargang 11 195 Zangeres onder de heeren, die gepaard gaat met geringe kennis van de overige poëzie van dezen grooten dichter, is waarschijnlijk toe te schrijven aan de behandeling dezer beide produkten in een of ander vakblad De werken van het laatste kwart der 19 de eeuw, dat een fellen strijd zag ontbranden tusschen de kunstbegrippen der ouderen en de nieuwerwetsche theorieën der jongeren, dat getuige was van de opkomst eener litteratuur, wier produkten om hun aard en strekking velen met verklaarbaren afkeer en begrijpelijke bezorgdheid vervullen, vinden onder de adspiranten enkele enthousiastische bewonderaars; het is evenwel jammer, dat deze geestdrift soms meer het resultaat is van napraten dan van eigen studie en gepaard gaat met een al te groote verwaarloozing van de vroegere tijdvakken onzer litteratuurgeschiedenis; dit maakt eene vergelijking van het heden met het verleden onmogelijk en doet eene partijdigheid ontstaan, die wel te begrijpen, doch niet te verdedigen en nog minder te rechtvaardigen is Ofschoon eene vergelijking van onze litteratuur met die der ons omringende landen buiten het kader van de studie der candidaten valt en bij de meesten hiertoe ook de noodige kennis van de nieuwe talen ontbreekt, zou toch eenige bekendheid met de buitenlandsche invloeden, die op onze letteren hebben ingewerkt, ten goede komen aan de algemeene ontwikkeling der adspiranten en hun een beter inzicht verschaffen in sommige verschijnselen op het gebied onzer letterkunde Deze inwerking, waarop we reeds de aandacht vestigden, toen we van Van Effen en de dames Wolf en Deken spraken, heeft zich vooral sterk doen gevoelen in de 19 de eeuw We zouden deze eeuw in drie tijdperken: het Duitsche ,het Engelsche en het Fransche kunnen verdeelen naar den meerderen of minderen invloed, dien de letterkundige stroomingen in deze landen op onze vaderlandsche schrijvers geoefend hebben In het begin der vorige eeuw zien we de sentimenteele richting van Klopstock en den Hainbund welig tieren in de werken van Feith cs, die het, evenals Dolf van Brammen's zuster Amelie, zoo gaarne ‘op de maan gooiden’ Ook in de Engelsche letteren van het begin der vorige eeuw heeft deze ziekelijke richting hare sporen nagelaten in de werken der Lakists ,(cf: Coleridge's Ancient Mariner ),waaraan Hildebrand ons schijnt te willen herinneren, wanneer hij in zijn: Leidsche peuëraar een Engelschman doet optreden die met geschilderde vliegen vischt, ten einde geen dubbelen moord te begaan Het tweede kwart dier eeuw wordt beheerscht door de Romantiek 1) 1) Een artikel over de Romantiek met betrekking tot onze letteren zal binnenkort verschijnen in een onzer taalkundige tijdschriften H Taal en Letteren Jaargang 11 196 ‘den internationalen drang naar verandering’, die uit Engeland over Frankrijk ons land binnentrekt en waaraan onze litteratuur de renaissance van haar proza, het ontstaan en den bloei van den historischen roman te danken heeft; ook de wegsleepende gedichten van den misanthroop Byron vinden hier vele bewonderaars en navolgers onder onze jonge dichters: Beets, Ten Kate, Van den Bergh, en Potgieter die the Dream overzette, terwijl de staatkundige lierzangen van den Engelschen Lord onze letteren verrijken met de schoone en meesterlijke navolgingen van Da Costa: Vijfentwintig jaren ,de Slag bij Nieuwpoort enz In de laatste decennia der eeuw is het vooral de invloed der Fransche letteren, die zich krachtig doet gelden in ons vaderland Daar ontwikkelde zich het sterkst uit het réalisme ,dat tot krachtigen bloei kwam door de Romantiek, het naturalisme , welks priesters bovenal naar waarheid streven en helaas, maar al te dikwijls onsmakelijke vruchten aanbieden op zilveren schalen Misschien vraagt menig candidaat bij het lezen dezer schets zich af, wie tot zulk eene breed opgezette studie in staat is Hij make zich niet ongerust; wij hebben slechts de leemten in zijn letterkundige studie willen aantoonen en hem opmerkzaam maken op het onvoldoende van eene studie onzer letterkunde, wanneer niet elke schrijver beschouwd wordt in de lijst van zijn tijd, niet elk werk bestudeerd in verband met het leven van den dichter Zoolang de huidige regeling van de examens blijft bestaan, dwz zoolang de vakken niet in twee groepen gesplitst en vele adspiranten van alle leiding verstoken zijn, zullen de candidaathoofdonderwijzers het best doen, willen zij niet slechts wat oppervlakkige kennis voor het examen opdoen, niet veel te lezen, maar weinig voorname stukken goed en in het verband, zooals boven aangewezen is Doch voor men zich tot detailstudie zet, trachte men zich met een overzicht onzer litteratuurgeschiedenis vertrouwd te maken Men neme daarvoor geen uittreksel, doch excerpeere zelf Een geschikt werkje van dezen aard is bv de kleine geschiedenis der Nederlandsche letteren door Dr J ten Brink (uitgave van de erven F Bohn, te Haarlem) 1)Nog beter ware het, wanneer de candidaten, die overzichtcapita lazen en bestudeerden, welke in de Geschiedenis der Nederlandsche letteren van denzelfden hoogleeraar aan elk tijdvak voorafgaan Zij, die aan cursussen met het onderwijs in de letterkunde belast zijn, mogen hierin een wenk zien om toch niet dadelijk met een afzonderlijk werk van een auteur te beginnen, doch eerst in groote trekken een overzicht te geven van de voor 1) Een heel goed werkje isook: RK Kuipers: Kleine geschiedenis der Nederl letterkunde , Kuilenburg f150 Taal en Letteren Jaargang 11 197 naamste verschijnselen op het gebied onzer letteren en ook de bespreking van een afzonderlijk werk te laten voorafgaan door een aperçu van het leven des schrijvers en door een kort schetsje van den tijd, waarin het produkt ontstaan is Zal evenwel de studie onzer letterkunde zijn, wat ze behoort te wezen voor mannen aan wie de opvoeding van het opkomende geslacht, di van het Nederlandsche volk der naaste toekomst is toevertrouwd, dan is het onzes inziens wenschelijk, dat: 1o het examen in twee deelen worde gesplitst, 2o er van regeeringswege cursussen voor de hoofdakte worden opgericht en 3o de onderwijzers des Zaterdags vrijaf krijgen, opdat de candidaten van het platteland in de gelegenheid worden gesteld deze cursussen bij te wonen Kampen DRSSHOOGSTRA Poëzie De poëzie, di de tot harmonische en melodieuse schoonheid wonderbaar spontaanweg opgegroeide uiting van het hoogste en diepste en innigste in een fijnvoelende menschelijke ziel, de poëzie, die opperste en teêrste van alle menschelijke geestesmachten, is heden ten dage niet zoo bijzonder populair En de poëten, of, liever gezegd, de lieden, die, in de nu verledene tijden, zich als zoodanig voor wisten te doen, dragen daarvan zelf wel eenigszins de schuld Want men meende en die meening is thans nog niet de wereld uit dat, wie maar flink en breed en ferm met rijm en rhythmus en zinsbouw terecht kon, wie maar royaallijk strofe na strofe wist te laten deunen met een galmvollen zwier, een straf en sterkgehoudenen woordzwaai, zóó meesterlijkmeêslepend dat de lezer ten slotte niet meer wist, waar hij bleef, dat zoo'n evenwichtig jongleerder op het gespannen metrische danskoord tegelijkertijd daardoor ook een dichter mocht heeten, wiens naam steeds met eerbied moest worden genoemd Maar de lieden, die zoo dachten de critici dier dagen, zoowel als het willoos hen volgend publiek vergisten zich schromelijk in deze hunne houding, vergisten zich, evenals wie zou meenen, dat een bloem uit wat geur en wat kleur slechts bestaat Want ware dit waar, ware het werkelijk wezen, het levende leven van iedere bloem, waardoor zij bloem is, iets onverschilligs, iets toevalligbijkomstigs alleen, dan zou Taal en Letteren Jaargang 11 198 een geroutineerd fabrikant van kunstbloemen, die ze dan besprenkte met odeur van den kapper, de hortulaan ook bij uitnemendheid zijn O, die lieden ik zeg dit niet ter lyrische smading, ik zeg het ter begrijpende kenschetsing slechts die lieden hielden, in hun deftige wijsheid, het oppervlakkig, het schijnbaarkunstige voor de waarachtige, echte kunst, zij namen den groven, uiterlijken schijn, die met wat handigheid, door oefening verkregen, o, zoo gemakkelijk! kan voortgebracht worden voor het heusche, innerlijke wezen, voor het zachtsterke, nooit vergankelijke, het eigenlijkpoëtische der poëzie Een grappig, maar op den duur verwarrend gevolg dier alleen naar het dadelijkin'toogvallend uiterlijk ziende beschouwingderdingen was dan ook natuurlijk, dat wij dichterstoet kregen na dichterstoet, allen vastzittend in het rhythmische zaêl, allen tooneelmatigstatiglijk stappend op der lederen, zenuwlooze schema's eentonigheid, op der ongevoeldkortlange iamben traaglijkdeunenden, zeurigen kadans En brak er soms een enkele met de dorre traditie, golfde dan zijn kracht over 'tafgebakend boord, zoodat er ten minste wat vaart kwam in de wetering, dan stak men de hoofden eerst schuddend tezamen en tierde hem tegen, maar, toen het toch zoo doorging, koos men allengskens voor zijn geld maar eieren, en proclameerde hem, met morrende emfase tot een de regels verschoppend genie Terwijl inderdaad toch Willem Bilderdijk enkel en alleen hier als dichter beoordeeld wèl het rhythmisch élan had, de zielskracht, die geweldig ging breken met den schoolschen sleur, maar niet de in haar oorsprongen onnaspeurlijke fijnheid van voelen en zien en hooren, die uitsluitend den waarlijkgenialen, den onsterfelijken dichter maakt Ach, men wist niet, dat de ziel van den dichter, den werkelijken dichter, iets tenopperste bijzonders, iets hoogs en iets fijns, iets dieps en iets teêrs, iets zóó eigenaardigsuperieurs is het altijd geweest is, en 'took zijn zal voortaan, dat de klanken haar geen klanken blijven, geen doode symbolen, maar als levende wezens voor haar worden, vol individueele kracht en beweging, elk op zichzelf en allen met elkaêr W ILLEM KLOOS ,Literaire Kroniek, Nieuwe Gids ,Des 1900 Lex suprema Von den Fchlern, die uns Lehrern trotz aller philosophischen und pädagogischen Bildung immer anhaften werden, ist der, langweilig zu sein, eincr der verhängnissvollsten und folgenschwersten! Dem lähmenden Taal en Letteren Jaargang 11 199 Einfluss des phlegmatischen Temperaments widerstehen auf die Dauer nicht Unterrichtsstoff, nicht Schüler Viele der Schulstrafen für schlechtes Betragen, für Mangel an Aufmerksamkeit, ja auch für Unfleiss haben in dem Betriebe des Unterrichts, in der Persönlichkeit des Lehrers ihre verborgene Quelle Vor allem sei jung, möchte O Jäger, dem Lehrer des Deutschen sagen: es kommt auf den §1 alles erziehenden Unterrichts hinaus: ‘Sei nicht langweilig’ Lyon's Zeitschrift für den Deutschen Unterricht, 1899, 673: in Ueber die Pflege des mündlichen Ausdrucks auf den höheren Schulen, von E GRüWALD Dichterkunst Verheugt, O Phoebi jeugd, Door dezen zoeten tijd: Den zomer door zijn deugd Vertoont zijn groene blaren; 'tGevogelt zich vervreugdt, 'tGediert in 'tbosch verblijdt; 'tVeld lacht elk toe verjeugd Vliedt weg, alle bezwaren Neen, dit zijn zeker nog niet onze mooie verzen Het is jongenswerk van een achttienjarigen Van een rederijker die van elk woord een rijmregel en van een vers een verzameling maakt van ‘dichterlijke’ zegswijzen En nog draagt het zwakzangerige wijsje weinig voor onze verbeelding meê Maar toch, hoort ge niet iets helders in dat rijmenrijke wijsje? voelt ge niet iets frisch, fijns en opens in de bewegelijke gevoeligheid waar die beginnende dichter ‘denzoete ntijd’ op ‘den zomer door zijndeugd’ doet overgaan: zop z, dop d, langs de glijdingen van zijn zachte n's? Want dit is zoo met dichters, dat voor men doordringt in den tuin van hun betooverde leven, tot onder het gehoor van hun rijke volleerdheid, men al overal de wijsjes van hun jeugd hoort, of de lucht in hun nabijheid melodisch tusschen de boomen is Taal en Letteren Jaargang 11 200 Van vijf jaar later al is het: Uitvaart en Treurdicht van Henricus de Groote: ziet hoe eens konings roem En blijdschap eer verwelkt dan een versierde bloem, Die 'smorgens vroolijk bloost en 'savonds leit vertreden Dus rees tot Sint Denijs den blijden dag, besloten Tot Medici's triumf, waarvoor de schoone Mei Heur bloemen allezins op 'taartrijk als een sprei Had verwig uitgespreed, en rijkelijk gegoten Hoe ruischt en kraakt hier 'tgoud Der kleedingen Henrici schoone Bruid, Die met heur witte hand en vingeren ompeerelt Den scepter Daar hij met 'tbloedig zweert Met roode sluyers en veel krijgsroof kwam te peert, Zelfs uit den slag lvry triumfelijk gereden, Daar 'tbloed liep van zijn arm in karmozijne stralen, Daar hij stak in de locht de bloedige trofeên, Waarmet de Ligue in 'tvlak bestoven veld verscheen En meinden van zijn hoofd de groote kroon te halen Dit alles is al veel meer Vondel Op de maat van zijn klare en opruischende rythmen wiegelen omhoog de beelden van die roembloem en dien Meitijd, die bruid en dien triumfator, en we komen Vondel al te kennen, den rijken, rijpen Vondel, in die liefde voor blanke en roode, prachtige en ompronkte woorden, die elk van hen hem zóó waard zijn, dat hij het weefsel van zijn verzen nooit zoo eng wond of hij kon er ze tusschen steken en óver strooien, als losse, geplukte bloemen, alleen om hun geurende mooiigheid Open, klaar en open, als pas opengegane bloemen, zijn, ook hier al, zijn mooie woorden Wie die verzen leest, en maar hun maat houdt, en, maar zich ruimte geeft, want maat dat is ruimte, dat is vrijheid en gemak van zich gaan laten, die zal uitrustend lang op Vondels è's ee's en ie's, a's o's en ij's zich varen voelen, en hun koelte voelen, en hun openheid inwonen, en met den aard van Vondels mooiheid zal hij ineens ook Vondels grootheid weten, als van wie op de maten van zóostijf gescholden alexandrijnen als over de deiningen van een bebloemde zee te gaan lijkt, vreugdelijk aarzeloos en ónverbleekt VERWEY ,Een Inleiding tot Vondel Taal en Letteren Jaargang 11 201 Letterkundige sprokkelingen uit de brieven van wijlen JAF L baron van Heeckeren 1 Over Romances Ik houd niet veel van romances Is het een bloot verhaal, dan is het mij te flauw; is het wijsgeerig, dan gaat de wijsgeerte doorgaans niet diep genoeg Ik ken slechts twee romances, die mij in beide opzichten voldoen Het is de Erlenkönig van Goethe en de Pijgmalion van Kinker De laatste heeft echter het gebrek van te lang te zijn De noordsche romances met haren schrikverwekkenden climax laten bij de eerste lezing altijd een geweldigen indruk na Zij behooren eigenlijk tehuis in een onbeschaafde maatschappij Men neme bv de Eduard ,die èn door Bilderdijk èn door Goethe vertaald is, en door beiden zoo schoon is gevonden Die telkens herhaalde vraag der moeder: Hoe druipt uw degen zoo van bloed ? die uitvluchten van den zoon, gij kunt ze niet denken, dan zoo gij uwel een 1500 jaar laat terugvoeren Daarenboven moet de climax zoowel als de tegenstelling thans wat meer verborgen worden Naïeve romances, zooals het Roosje van Bellamy ,het Vogelschieten van Staring , bevallen over het algemeen zeer aan het publiek, maar toch ligt in dat gedwongen naïeve iets onnatuurlijks Schooner vind ik de verhalen van Staring ,als bv zijn Verjongingskuur ,de Verloofden ,enz Gedichten als de Kindermoordenares van Schiller reken ik niet tot de romances Gij schijnt wat verliefd op dat genre, 'tIs ook een mooi genre Ondertusschen heeft onze letterkunde het twee eeuwen zonder romances gedaan Om aan de leemte een einde te maken, spraken Rau en Bellamy af er ieder één te maken Rau spande de kroon en Bellamy dacht dat hij hoegenaamd niet was geslaagd Om echter te toonen dat hij iets gedaan had, zond hij zijne mislukte proeve Roosje in De Elize van zijn mededinger wordt door niemand meer gelezen Sinds Taal en Letteren Jaargang 11 202 dien tijd zijn de romances bij ons overvoerd, de vaderlandsche romances vooral met hun eeuwige verhalen uit den 80jarigen oorlog 10 Februari 1885 2 Hexameters Ik las voor een paar dagen eene zeer opgeschroefde uit een engelsch tijdschrift overgenomen engelsche recensie van mr Vosmaer's Londinas Ik heb van het gedicht slechts enkele gedeelten gelezen, maar ik vind, daarnaar te oordeelen, het stuk zulk een lof niet waardig Na Goethe's Herman und Dorothea en Voss's Luise moest men mi voorgoed afzien van de poging om eenvoudige moderne zaken uit te drukken in grieksche maten In den hexameter van Homerus verliest Goethe's taal soms hare natuurlijkheid En ook was het gebruik van hexameters voor Goethe en Voss iets meer dan een aardigheid Bij hen lag een hoogere beweegreden tot grondslag; bij hen was het eene poging om de duitsche poëzie voorgoed te verlossen van het dwangjuk der fransche alexandrijnen en der engelsche jamben Bij Vosmaer is het een bloote aardigheid en die aardigheid wordt geprezen als het morgenrood van een nieuwen dag; zou hierin geene kameraderie in het spel zijn? 8Maart 1878 3 Cats' liefdesverhalen Cats heeft als kunstenaar, naar mijne meening, oneindig meer verdiensten dan de hedendaagsche beoordeelaars hem willen toekennen In den lossen verhaaltrant heeft hij bij ons misschien alleen in Staring zijns gelijke Zou hij Ovidius en Boccacio de kunst van vertellen hebben afgekeken? Welk een geestige stof ligt meestal aan zijne verhalen ten grondslag! Hoe weelderig is hij in zijne beschrijvingen vóór, hoe sober in de ontknooping! Ofschoon als het ware geboren moralist, bederft hij zijn verhalen toch zelden door zedepreeken Deze bewaart hij voor de gesprekken tusschen Philogamus en Sophroniscus ,die altijd op zijn verhalen volgen Die gesprekken zijn vervelend en langdradig, maar zijn verhalen worden er te aangenamer door, bevrijd als ze daardoor zijn van de duffe en mistige lucht eener al te moerasachtige moraliteit 21 September 1879 Taal en Letteren Jaargang 11 203 Kleine meedelingen over boekwerken Stijn Streuvels, Zonnetij en Zomerland Amsterdam, LJ Veen Op Lenteleven liet deze jonge WestVlaming onlangs volgen Zonnetij en Zomerland , twee bundels novellen, gedeeltelik, meen ik, reeds verschenen in tijdschriften Ook hier toont zich Streuvels een kloeke kunstenaar die een mensenziel weet te doorschouwen, en het opgemerkte te brengen tot een uitdrukking welke bewondering afdwingt voor de scherpte van zijn blik en zijn talent van ontleding Toch wil het mij schijnen dat menigeen met zijn vroeger werk, Lenteleven ,meer ingenomen zal zijn dan met Zonnetij en Zomerland In vergelijking met de eerste bundel, welke onvoorwaardelik als kunstwerk hoog moet worden aangeschreven, schijnen de nieuwe pennevruchten van Streuvels, behoudens een enkele uitzondering, meer gewoon werk Met deze uitzondering zijn bedoeld de stukken waarin Streuvels binnen de grenzen van zijn omgeving blijft Er bestaan zeker weinig novellen in onze nieuwere letterkunde welke pittoresker geteekend zijn dan de geschiedenis van Zalia met haar geitjes (Avondrust )of krachtiger gepenseeld dan de boerenbruiloft van In 'tWater met haar tragies einde Ook de schildering van de oogstwerkers, welke zich elk jaar naar Frankrijk begeven, behoort nog tot het pakkendste dat onze moderne litteratuur heeft aan te wijzen Van minder gehalte evenwel schijnt mij geheel de laatste bundel te wezen, juist omdat de erin getekende boeren niet behoren tot onze gewesten of tot onze tijd De Knudde 's doen ons denken aan Gargantua, en het blijft de lezer een raadsel waar de schrijver met zijn simboliese personages heen wil Zij beantwoorden nl aan niets dat vlees en been heeft, zoals men gewoon was steeds bij Streuvels te vinden Intussen, zelfs wanneer hij aldus het eigenaardig karakter van zijn talent als 'tware vergeet, vloeit nog veel schoons en verdiensteliks uit zijn pen De natuurschildering munt steeds uit door kleurenrijkdom en scherp afgetekende oorspronkelikheid Over de taal van Streuvels kan Taal en Letteren Jaargang 11 204 ik, ook na de lezing van zijn jongste werk, geen gunstig oordeel uitspreken Het aanwenden van hier en daar een gewestelik woord, wanneer dit door groter expressiviteit, door scherper omlijning, de algemene taal zou kunnen verrijken, is geen bezwaar Daarover hoeft zeker geen schrijver vooral niet iemand die beschikt over een zoo fors talent als deze WestVlaming verontschuldigingen aan te bieden Maar of dit het geval is met al de WestVlaamse woorden welke wij hier aantreffen, is zeer de vraag Op dit punt kan men het licht oneens zijn Het is allerminst twijfelachtig, dat vele van die woorden slechts door zeer weinigen, behalve de schrijver, worden begrepen De nietWestVlaamse lezer moet er naar raden, en meest van al de NoordNederlander de critici inkluis, welke tot nog toe zoo mild geweest zijn met lof voor die lokale woorden Laat ‘goede taal’ voor Streuvels en voor de Hollandsche Revue (zie Jan 1901, p 68) een kwestie van ‘voelen’ zijn, ik heb er vrede mee Doch laat waardering eveneens zijn een uitdrukking van ‘voelen’, van voelen nl van het schone dat ligt in des kunstenaars gevoel, en laat de bewonderaar eerst eens kalm onderzoeken of hij dit schone wel begrijpt Dat nu doet de lezer niet, bij de meeste van de gewestelike woorden waarmee Streuvels zo kwistig omgaat De Spectator heeft het bekend met een openhartigheid die verdient op prijs te worden gesteld, en ook de NRC wees op dit bezwaar, ter gelegenheid van de lezing van Stijn Streuvels in den Rott Kunstkring Wanneer het publiek voor een raadsel wordt gesteld, waar blijft dan het effekt dat de schrijver van die woorden verwacht? Dat er nu in WestVlaamse of verouderde woorden meer pit, meer kleurigheid kan steken, niemand denkt er aan het te betwisten Maar, wat hebben wij aan WestVlaamse verdraaiingen van algemeen Nederlandse woorden, zoals ip en dip voor opentop (z Zomerland ,p 123), zonnesching voor zonneschijn en zovele andere? Waarin de hogere artisticiteit ligt bij zulke vormen, dat verklaar ik nederig niet te vatten AUG GITTÉE Steloefeningen voor de Lagere School ,aansluitende aan de serie leesboeken: ‘In W oord en Beeld’ van Meerwaldt en Nijk, door H Sasburg en L de Vries, hv s te 'sGravenhage (I, II) PNoordhoff, 1901 Groningen Uit 'et ‘Voorbericht’: ‘Tot voor korten tijd werd het stelonderwijs vrij algemeen gegeven in aansluiting bij een daarvoor apart vervaardigde serie oefeningen De bezwaren daartegen zijn ten duidelijkste aangewezen door den heer Schiphorst, die dan ook de voldoening heeft mogen smaken, dat op het gebied van Taal en Letteren Jaargang 11 205 het stellen een geheele ommekeer is ontstaan: in de plaats van het slaafsch volgen eener stelmethode kwam een stelonderwijs, dat zich aansluit bij het overig onderwijs en de waarnemingen der leerlingen buiten de school Het komt ons voor, dat deze zwenking onder een te scherpen hoek heeft plaats gehad Volgaarne stemmen we in met hen, die beweren: 1 dat stellen is het uitdrukken van gedachten; 2 dat deze laatste dus aanwezig en vooral zoo helder mogelijk moeten zijn; en 3 dat de onderwijzer hiervan dan zeker is, als hij het stelonderwijs doet aansluiten bij het overige onderwijs Maar we vragen toch, of de taak, die alzoo op de schouders van den onderwijzer wordt gelegd, niet te zwaar is; of het hem dikwijls niet zeer moeielijk valt, door de leerlingen een behoorlijk gesteld en goed afgerond relaas te laten geven naar aanleiding van een juist besproken onderwerp We meenen, dat de theorie heel mooi, maar de practijk heel lastig is, en dat het niet ongewenscht mag heeten, met eerbiediging van de boven onder 1, 2en 3genoemde juiste beginselen van goed stelonderwijs ,daarbij eenige leiding te geven in den trant van de hierboven veroordeelde methode’ We zien in bovenstaande uitgave alweer 'n poging om 'n naam te redden Men betuigt ‘dat het zaak en spreekonderwijs goed moeten zijn om goede stellers te kunnen vormen’; men spreekt zelfs van ‘een drieëenheid weten sprekenstellen ,waarvan het derde lid zonder het eerste en tweede onbestaanbaar is’; maar ondanks de ‘drieeenheid,’ voelt men het stelonderwijs tot een soort knechtschap verlaagd, nu het evenals het repetérend opzeggen bij navragen, 'n kontrolemiddel is geworden voor de deugdelikheid voor iemands onderwijs, en dus uitteraard zèlf, in nagenoeg catechetiesen leervorm, geschiedenis, aardrijkskundig, enz onderwijs is gebleven En waar blijft nu, denken er velen, het stel onderwijs? Stellen is stellen ;'tstaat op de rooster; en 'tschrappen gaat ook niet; wat blijft er anders van 'ttaal vak over, vooral nu wat vaak ‘eigenlik taal’ heet, de spelling en de buiging in miskrediet beginnen te raken! Komaan, dan maar weer stel boekjes! Maar stellen =weten ;de leerlingen moeten dus eerst weten wat ze te schrijven hebben Maar raakt 'et weten dan niet de wetenschap En komen we op die manier niet weer bij 'tzaakonderwijs terecht? De heren Sasburg en De Vries hebben er wat op gevonden Ze hebben een weten ontdekt dat niets met de zaak heeft te doen Ze hebben 'et rijk van de fiksie opgezocht in 'n serie belletristiese leesboekjes, en laten die leeslesjes door middel van vragen reproducéren; in plaats van hun toevlucht te moeten nemen tot 'n geschiedenisboekje of 'n geschiedenisles Taal en Letteren Jaargang 11 206 over bv 'et verdrinken van Johan Willem Friso, want dit zou overwegend zaak onderwijs zijn, geven ze er de voorkeur aan, lesjes te lezen en vragen te doen over jongetjes, die te water vallen, muisjes die van 'tspek snoepen, en dergelijke Niet dat dit af te keuren is, verre van daar Vooral niet voor jonge kinderen Maar we vrezen, dat de uitgevers van deze oefeningen te veel werk zullen maken, en niet genoeg in 'toog houden, dat in de hoogste leerjaren of wel het hoogste leerjaar, de eigenlike leeftijd van het ordenen en afmaken van wat er van school af wordt meegenomen, andere, zakeliker en tussen onderwijzer en leerling vooral rechtstreekser opgaven nodig zijn tot 'et duidelik en gemakkelik weergeven van wat 'n mondelinge of 'n geschreven les de kinderen voor belangrijks en degeliks aanbiedt Voor njongere leeftijd achten we ‘steloefeningen’ en ‘taaloefeninin 'talgemeen, van weinig aanbelang Overigens is de keuze van de leesboekjes ‘Meerwaldt en Nijk’ geen slechte De ‘oefeningen’ zijn even goed als die van anderen Eén voordeel hebben ze noch, dat we noch niet elders vonden, Het raakt wel niet 'et ‘stellen’ dierekt, maar 'tis toch 'n uitmuntend middel om de onderwijzers die dit boekje zullen gebruiken tot 'n geregelde exegese van hun leeslesjes te gewennen De woorden en uitdrukkingen namelik, die voor 'et goed verstaan van de les 'n zorgvuldige behandeling vereisen, worden door afzonderlike, beknopte oefeningen, die er onmiddellik aan worden toegevoegd, noch eens verwerkt en vastgelegd, waarmee 'et vervliegen van 'et geleerde wordt voorkomen, ‘en aldus een niet onaanzienlijk voordeel wordt behaald voor het verstaan van de volgende leeslessen met dezelfde of soortgelijke moeielijkheden’ (zie bv over de betekenis van sluipt ,gretig ,tuurt ,voor 'tlapje houden , bekleed ,gluurt ,reppen ,eensklaps ,leerzaam ,enz blz 120) Hierin de gebruikers van de boekjes enige wenken te hebben gegeven, achten we 'n gelukkige inval Ook 'et zich rekenschap geven met eigen woorden komt de gemakkelike reproduksie te pas En dan zouden we haast vergeten dat de bewerkers noch een goede paedagogiese kijk hebben gehad in zake de zogenaamde grammatiese zuiverheid Zuiverder dan de stelmannen, die hun leerlingen zonder dat deze iets van de de en den kwestie afweten, op goed gezag af noodzaken nu eens de en dan weer den te schrijven, laten de bewerkers van deze boekjes hun leerlingen in deze kwestie 'et oor raadplegen, en mogen ze ongestraft schrijven: die mand voor dien mand (blz 14), op de neus voor op den neus (blz 19) onder de zware last voor onder den zwaren last (blz 20) Natuurlik houdt dat zondigen op als de jaren der ‘zuiverheid’ komen (Zie Voorbericht )Waarom nu juist bij het 3de,en niet bij het 4de deeltje de buigingsuitgangen weer moeten Taal en Letteren Jaargang 11 207 aangehecht, verklaren we niet te kunnen begrijpen Tot 'et goed verstaan van de inhoud, zo verstandig zijn de uitgevers wel, doen die vormen niets toe of af 'tIs enkel 'n zaak van, en hoogstwaarschijnlik van 'n weldra te verdwijnen mode En voor de kinderen des volks, die broodnodig andere en degeliker zaken voor hun leven mee hebben te nemen, is deze onnutte ‘mode’, die nergens toe dient en slechts 'n vals beschavingscachet kan geven, 'n ding van de allerlaatste ‘zorg’ JK Nieuwe boeken: Voor den coupé Utrecht, AW Bruna &Zoon 8oPer nr f010 Per dl (6 nrs) f060; geb f090 No 90 HANNA ,Gevonden Novelle (46 blz) Tooneelstukjes voor dames IIe serie Culemborg, Blom &Olivierse 8oPer nr f075 No 1 Mevr FABIUS CREMER EINDHOVEN ,Zijn portret Tooneelspel in één bedrijf [5 d] EVA W ESTENBERG ,De treurigste bladzijde Tooneelspel in één bedrijf [2 d] (52 blz) No 2 FIORE DELLA NEVE ,De Pahlipaarlen Tooneelstukje in één bedrijf [7 d] (43 blz) No 3 MELATI VAN JAVA ,Tante Betje Tooneelstukje in één bedrijf [5 d] (53 blz) Dr JAN TEN BRINK ,Romans in Proza 6e afl Boekhandel en Drukkerij voorheen EJ Brill, Leiden E GLASER ,Woher kommt das Wort ‘Kirche ’? Neuerdings untersucht Mit einer lautphysiologische Tabelle München, Hermann Lukaschik Gr 8oM 120 F MAUTHNER ,Beiträge zu einer Kritik der Sprache IBd: Sprache u Psychologie Stuttgart, JG Cotta'sche Buchh Nachf Gr 8oM 12 ;geb M 14 JOHAN W INKLER ,Studiën in Nederlandsche namenkunde Haarlem, HD Tjeenk Willink & Zoon Gr 8o(VII, 328 blz), f290; geb 325 A BASTIAN ,Die humanistischen Studien in ihrer Behandlungsweise nach comparativgenetischer Methode auf naturwissenschaftl Unterlage Prolegomena z einer ethn Psychologie Berlin, Ferd Dümmler Gr 8oM 3 G SAINTSBURY ,History of criticism and literary taste in Europe Vol I:Classical and mediaeval criticism London, Blackwood & Sons 8o16 sh net LÉON LEVRAULT ,Les genres littéraires Paris, Paul Delaplane In18 Le vol fr 075 Taal en Letteren Jaargang 11 208 ANRI POL ,De fouten der kinderen Opvoedkundige nota's Gent, Ad Hoste Gr 8 f1 H TEMMERMAN ,Handboek voor de opvoed en onderwijskunde Gids voor onderwijzers, onderwijzeressen en normalisten Gent, Ad Hoste Gr 8of3 HL VAN W EEREN ,Leiddraad voor de studie der letterkunde ,examens hoofdacte Hardinxveld, BDK Busé Gr 8o(147 blz), f090 Inhoud van Tijdschriften: De Nieuwe Gids ,afl 8, April 1901, oa: JR van Stuwe ,Een Operatie Edward B Koster ,Verzen J Hora Adema ,Een Dissonant J de Meester ,Geertje, II Willem Kloos ,Literaire kroniek Tweemaand Tijdschrift ,2e afl, 1901, oa: Stijn Streuvels ,In de Weide J Everts Jr ,Onweer Aug Peaux ,Gedichten Adriaan van Oordt ,April Albert Verwey ,Poëzie in Europa Van Nu en Straks ,5e jrg, No 1, Maart 1901, oa: J Mac Leod ,Nieuwe Wegen René de Clercq ,De Linde De Kobbe De Gids ,No 4, April 1901, oa: GH Priem ,De doode Prof AG van Hamel ,Fransche spraakkunst IHet tolerantieedict Hélène Lapidoth Swarth ,Verzen PC Boutens ,Thuiskomst in Holland Twee sonnetten Elsevier's geïll Maandschr ,afl 4, April 1901, oa: JB Schepers ,Balders Bruidstrijd Richard de Cneudt ,Nacht Droom P Valkhoff ,Een weerzien (Uit het leven van Marie Barnholt) Vervolg Gerard van Eckeren ,Aan de Vaart Woord en Beeld ,Maart 1901, oa: Ida Haakman ,Twee Schetsen Augusta de Wit ,Sinaasappelen Boon's geïll Magazijn ,No 21, Maart 1901, oa: F Marion Crawford ,In het paleis van den Koning, een roman uit het Oude Madrid (vervolg )Dr J ten Brink ,Een goede boerde van Meester Jéan van den Damme (slot ) Catharina W Eck ,Stenografie Nederland ,April 1901, No 4, oa: Ed Thorn Prikker ,De droom Cyriel Buysse ,Mijn beestjes Mevr La Chapelle Roobol ,Voor 'toog van de wereld Thérèse Hoven ,Bezorgd Volkskunde ,Tijdschr v Ned Folklore ,13e jrg, afl 7, 8, oa: Prof dr JH Gallée ,Sporen van IndoGermaansch ritueel in Germaansche lijkplechtigheden (slot )A van Werveke ,De ontucht in het oude Gent (slot )A de Cock ,Spreekw en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken en volkszeden (vrijen en trouwen) Dr Boekenoogen ,De Dorhoed Virginie Loveling ,Van de schoone Visioene (Vl wondersprookje) Dr GJ Boekenoogen ,Nederlandsche Sprookjes en Vertelsels De Navorscher ,51e jrg, afl 2, oa; RD Nauta ,Felis Catus en Mus Ratus Waar zijn ze vandaan gekomen? |Ontbreekt wat in T & L III, 119122 (Uhlenbeck) staat!| Taal en Letteren Jaargang 11 209 Het Abel spel, de Esmoreit I 'tMiddelnederlands is en komt hoe langer hoe meer in trek, en in tel Recht, historie, taal, kunst, kultuur, in een woord: geheel die tijd is tegenwoordig in studie ‘genomen’ Terecht Hadden we in de XV etot XVII eeeuw hier te lande de invazie de wedergeboorte of renaissance zoals 'theet van 'tclassicisme, wat nog nawerkt bij velen; we beléven nu, meer en meer, de herleving van ons eigenzelfwezen, meer en meer de germaansnederlandse renaissance 1) En zo is 'tgeen wonder dat men zich gaat verwant gevoelen aan de voorouders van vóór die classicistiese, die romaanse renaissance, aan de voorouders uit de MiddelEeuwen Zeker, ook toen was er buitenlandse, was er romaanse invloed; maar zíj, de middeleeuwers, waren krachtig genoeg om 'tvreemde aan zich te assimiléren; gaven zij niet zelfs aan de uitheemse woorden hun klank? zogenoemd: volksetymologiseerden zij niet? namen ze niet van 'tRecht over wat hun goed voorkwam, maar bewaarden hun eigen rechten? zelfs ten noorden en westen van Europa's vasteland nog in onze tijd in zwang? Zo bléven zij in de MiddelEeuwen ‘lieden út den lagen lande bider see’, al gebruikten ze, en vertéérden ze veel uit het Buitenland Bij die verwante lui uit het eigenland voelt men zich nú weer thuis Geen wonder dan ook dat men nu 'tmiddelnederlandse toneelspel ook weer gaat opvoeren In die middelnederlandse spelen is evenzeer een naïeveteit, een levendigheid, een plasticiteit, als in de Liedekens van toen Toch komt men eerder onder de bekoring van deze laatste: 'tnaïeve en 'tzangerige vooral men herinnert het zich zo men ze heeft horen zingen 1) Lees ook Taal en Letteren ,VIII, 225; VI, 26, 187, 188; II,383 'tslot de aankondiging van MullerLogeman, Proza Reinaert Taal en Letteren Jaargang 11 210 vindt veel gauwer weerklank Maar ook van deze ‘abele spelen’, inzonderheid van de Esmoreit, treft de echte klank van 'tgevoel! Wat bij de vertoning opviel: 'tPubliek werd er stil onder: 'tgeraakte ook nu onder de bekoring; 'tvoelde de ‘stemming’, als bij nieuw eigen werk van de laatste tijd Niet minder komt men onder de indruk van de als muziekklinkende taal Tal van regels kan men zelfs uit hun verband met het geheel daarvoor citeren Men zal er hierachter enkele vinden De Esmoreit is een van de stukken, van de weinige jammer genoeg, die ons zijn overgebleven 1)'tDateert als de andere uit 'teind van de XIV eeeuw Vergelijkt men het met franse stukken in dit tijdperk, dan heeft de jonge Serrure gelijk: ‘dat men zich over de toestand van zijn Mndl toneel te recht mag verhovaardigen’ 2) ‘Dramatiese kunst, die zó begon, zou een benijdbare toekomst hebben gehad, ware zij in hare ontwikkeling niet belemmerd door inmenging van vreemde bestanddelen 3)namelik klassieke!’ En nu we ons van dit laatste ontdoen, komt het eerste in ere Dan, 'tstuk is biezonder kies en kuis, zelfs voor onze tijd de tijd van kuisheid en kiesheid bij uitnemendheid Niets aanstoteliks komt er in voor! Alleen is 'tnog wel genietbaar? Voor velen vooral onder de zogenoemd beschaafden? Men is heel wat anders gewend, het dekoratief, de kostumes, 'tspel zelf doet vaak meer af als 'tstuk zelf En nu, een werk uit zo heel andere tijd, met zoveel ander geloof, gevoelens, zedelikheid, begrip van eer, levenswijs, en wat niet al? Onbewust wel, legt men vaak als maatstaf aan, wat men ontleende aan klassiciteit, zoals 'tPubliek, zonder studie van eigennederlandse oude kunst ook bouwkunst, en schilderkunst, en beeldhouwkunst in veel nog doet; di men stelt vooraf eisen op, omdat men door onderwijs zijn smaak bedorven heeft Men heeft dan modellen klaar staan, waarnaar een kunstenaar moet werken: moeten kleine auteurs in hun werk niet de grote nadoen? en wijkt het af, dan is 'tniet zo als men 1) De Esmoreit Den Hertoghe van Bruyswijc Lanseloet van Denemerken Van den Winter ende van den Somer Zie de uitgave van Leendertz ,Mndl Dram Poëzie, (1901) Moltzer ,Mndl Dram Poëzie, (1875) De ‘beste, en goedkoopste voor dageliks gebruik isnog: Van alle Tijden, onder redactie van CG Kaakebeen en Jan Ligthart, teGroningen bij JB Wolters, 1901 IDe Esmoreit De Aantekeningen konden hier en daar vermeerderd; en zeker verbeterd 2) Jonckbloet, inzijn Mndl Dichtkunst, III, 541 3) Alzo schrijft Jonckbloet inzijn Gesch vd Ned Letterkunde, II,373 Taal en Letteren Jaargang 11 211 'tverwacht; dan is 'tkinderachtig voor ons die groot ons geworden achten Maar deze kritiek is verouderd: men mag alleen eisen: geef wat in uzelf is! en doe dit zonder te vragen: wat zal ‘men’ van ueisen? En die 'tbeoordeelt onbevooroordeeld, vergelijkt het met gelijksoortig werk allereerst Niet om te eisen, maar om te verklaren: is de taak van de criticus, zo hij wetenschappelik is; hij moet zijn ‘voorbereider, padvinder, naderbrenger tot het nogonbegrepene’; hij moet niet zo ‘bourgeois’ wezen, dat hij, ‘niet het Publiek opvoert tot de kunstenaars, maar de kunstenaar daagt voor de rechterstoel van het Publiek’ De aanmatiging moet hem vreemd blijven, dat hij de man is, die 'tweet en zeggen moet; in plaats van de kunstenaarzelf, die 'tuit in zijn werk wat in hem was Om nu de Esmoreit evenals veel van vroeger tijd te kunnen beoordelen en naar waarde genieten, moet men de psyche, de ziel van de middeleeuwen hebben gevoeld, moet men zich de moeite willen geven in die tijd, in die omgeving zich in te voelen, in te denken ‘Men moet het stuk’, zoals 'theet ‘in de lijst van zijn tijd plaatsen’ 'tWas in de ME anders als nu, maar zeker niet minder, nòch in leven, nòch in geloof, nòch in beschaving, nòch in kunst En van de materiéle genietingen, die men nú onontbeerlik acht, voelde men toen 'tgemis niet Ze hadden weer anderen ook Evenmin als wij in de ME ons thuis zouën voelen, zouden zij 'tdat bij ons Evenmin als wij, zouën zij hebben willen ruilen 'tWas in de MiddelEeuwen anders als nu Toen achtte men dat andere kwesties het leven raakten, dat waard was te leven: voor andere zaken maakte men zich warm En de dichters dichtten, en 'tpubliek genoot er van, van veel, van heel veel dat anders was dan nu Dat moet men zich te binnen brengen Men moet zich oriënteren en acclimatizeren II Men kan De Esmoreit naar númanier verdelen; dan is 'teen stuk van twee bedrijven en negen tonélen! Nieuwerwets zou 'took de titel kunnen hebben: ‘Esmoreit en Damiët, of Achttien jaar later’ 'tStuk speelt om 'tandere toneel nú in Sicilië en dan in Damaskus Dat beurtelings afwisselen doet geen kwaad, 'tbevordert de levendigheid, houdt de aandacht vast, juist door het telkens tegenstellen van kristen en heiden En om die tegenstelling is 'tjuist te doen Het toneel waarop gespeeld werd, was naar alle gegevens te oordelen die ons ter beschikking gekomen zijn, hoogst eenvoudig Naar Taal en Letteren Jaargang 11 212 ons iedee, dus primitief Maar op de hoofdzaak waar 'top aan kwam, daarop werd toen gelet 'tStuk, niet de entourage Pleit 'et voor ons of voor de middeleeuwers, zo wij bijna geen toneelspel kunnen genieten, als niet 'et dekoratief ‘mooi’ is; zo zij 'tspel boven 'tdekoratief, 'tstukzelf boven de entourage stellen? Staat 'en goed verstaander die maar 'en half woord behoeft, niet boven iemand, die tekst en uitleg bovendien nodig heeft? 'tWaren goede verstaanders, die middeleeuwse mensen: aan een half woord 'tblijkt uit de Liedekens, aan een enkele aanduiding op het toneel hadden ze genoeg Trouwens, hoe vertoont men Shakespeare? En wat leerde ons Maeterlinck? Of men nu evenwel niet prakties deed in dit opzicht de tegenwoordige toeschouwers ter wille te wezen? Daarmee echter neemt men toch ook voor een groot deel 'tnaïeve, de stemming, weg Vermoedelik was het toneel in tweeën gedeeld: rechts van de toeschouwer lag Heidenesse, links 'tChristenrijk; enige ‘belommerde’ bloempotten, die een boschaazje verbeelden, vormen de scheiding Men stelde zich 'tHeidenland vrij wel gelijk voor als 'teigen land in omgeving, als in klederdracht; daarbij moet in 'toog gehouën dat de europese klederdracht niet altijd zo heel veel verschilde van de oosterse Men droeg mantels, sandalen 1)En overigens men wist dat het toch maar toneel was, maar ‘verbeelding’, geen ‘werkelikheid’ Geheel voor Christen toeschouwers was ook bestemd dat de heiden Platus zichzelf een ‘payijn’ noemt, en spreekt over het ‘kerstenland’ De prisoen was waarschijnlik een keldergat, geen gevangenis boven de grond Van Lennep heeft, in de Friezen te Rome, dit duidelik laten uitkomen Verder stond er een galg op de booswicht te wachten Want men vertoonde noch wat er plaats greep, in plaats van 'tte vertellen, zoals later onder invloed van 't klassieke moest gebeuren; men hield niet van Vondeliaanse dialogen en monologen: ‘'t sien ging noch boven 'tseggen’! Als Robbrecht echter bericht: ‘die tafel is bereit’, 2)dan zal deze tafel wel achter het ‘doek ’zijn geplaatst Van de achtergrond komen de spelers naar voren om hun verzen te ‘zeggen’ Ik betwijfel toch sterk of alle spelers vanbeginaf op het toneel waren, en er geregeld bleven Het telkens gehoorde ‘Waer 1) Let er ook op hoe inde romans de oosterse personen als westerlingen voorgesteld worden; evengoed als de oude Grieken, Alexander bv Vgl vooral Elster, Prinz dLitt Gesch, aangehaald inT &LVIII, 218 noot 4 2) Vs 841 Taal en Letteren Jaargang 11 213 sidi’ in de verschillende tonelen, in meer dan éen toneelspel, wijst er mi op dat telkens sommigen van achteren door de deur opkwamen! 1)Dit blijkt ook uit een ander toneelspel, waar als toneelaanwijzing voorkomt: ‘Nu heeft si gheweest met hem in die camere’ Waar men 'topvoerde is niet zeker Mischien op de markt, in een tent, met amphitheatersgewijze ingerichte banken: immers men gaat ‘de graet (di de trap’) af! Dus evenals het ‘spel op eenen zolre, dat myn here Jan van Blois ginc sien’ 2) III De personen die in de Esmoreit voorkomen, zijn: De coninc van Ceciliën De coninghinne Esmoreit, sconincs sone Robbrecht, sconincs neve De beul De coninc van Damast Damiët sine dochter Meester Platus De Voorredenaar begint met een toespraak, en de korte inhoud van 'tspel als proloog medetedelen Hij vermaant tot zwijgen en horen! Soms tot tweemaal; halverwege en aan 'tslot Wel te verstaan, hij deelt de inhoud mee van het eerste deel, want van de gelukkige ontknoping meldt hij niets: zo spant hij de aandacht van de nieuwsgierige menigte 'tEigelike ‘spel’ begint met de jammerklacht van Robbrecht ‘Ay mi, ay mi,’ terwijl hij het bitter beklaagt, dat zijn oom de koning zich verheugt in de geboorte van een erfgenaam, die hem de toekomstige waardigheid en 'trijk ontneemt Maar hij zal dat zo maar niet toelaten Met een dure eed zweert hij ‘'t wicht te verderven’ En om te zorgen dat de kans niet weer verkeert, zal hij de koningin te ‘scande’ maken, dat de koning nimmer weer naar haar omziet Het tweede bedrijf speelt in Heidenesse De wijze meester, de sterreziener Platus is hoogst ongerust De ‘geweldich heer van Damast’ vraagt naar de reden 's Nachts is Platus buiten op 'tveld geweest 1) In'tbegin van de Esmoreit komt blijkbaar op: Voorredenaar, daarna: Robbrecht Dan de ‘Meester’, en de ‘Coninc’ Zij gaan weg De ‘Meester’ verschijnt, die de ‘Coninc’ roept; deze vraagt: ‘Waer sidi Damiet’ Na dit toneel gaan zij weg en opent de ‘Coninc’ het toneel, die ‘Robbrecht’ oproept; en deze de ‘vrouwe’; later wordt zij weggevoerd Zo komen en gaan, dunkt me, ook inhet tweede bedrijf de spelers 2) Inde Grafeliksheidsrekeningen van Holland; bij Jonckbloet, Gesch Mndl Dichtk III, 632 Vgl Jonckbloet, Gesch Ned Lett II,378 Lees vooral de aanschouwelik beschreven voorstelling door Hofdijk ,inOns Voorgeslacht, IV, 348372 Vgl vooral Jan teWinkel, Ned Lett I,528/9 Taal en Letteren Jaargang 11 214 Daer sachie die locht also ghestelt Ende die planeten ant fiermament Dat in kerstenrijc een kint Gheboren es van hoger weerde Dat usal dooden metten sweerde, Her coninc here, ende nemen dlijf, Ende udochter sal sijn zijn wijf Ende kerstenheit sal siontfaen 1) De koning ontstelt, ‘is er niets aan te doen’? Zijn lieve vrient is toch ‘soe wisen man,’ ‘hij sal enen raet visieren (bedenken) Die bestaat hierin, dat Platus uitgaat naar 'tchristenland, om ‘mit siere const’ 2)de jongeling in zijn macht te krijgen, dan kan de koning 'em voor z'n eigen zoon uitgeven, en als een ‘goet payijn’ ‘na onser wet’ doen opvoeden En de koning geeft hem ‘zelver ende gout metter gisschen onghetelt; spaert daer ane ghenen cost’! Ondertussen ligt Robbrecht een tijd lang, wel een paar jaar ,3)op de loer, eer hij de jongen in zijn macht kreeg De koninklike ouders zijn er gelukkig mee Zij zagen natuurlik! nooit schoner kind Die vreugde kan Robbrecht niet verdragen, ‘het gheeft (s)iere herte pijn’! Hij vloekt ze, en zal hun ‘die bliscap wel verjaghen’ Hoe nijdig klinkt 'tdan grijnzend tegen de knaap: ‘Vermalendijd moestu sijn Ende die uoec ter werelt bracht’ 4) ‘Dijn lijf dat heeftu nu verloren Ic sal di in enen put versmoren Ofte sterven doen een ergher doot!’ Juist op de rechte tijd hoort dit Meester Platus uit Damaskus, en zegt zeer ter snede ‘vrient dat ware jammer groot 5),over wie heb je 't? waarop ben je zo gram?’ En listig geeft hij zie de verandering in zijn gelaatstrekken! een verzonnen reden op: in een droom heeft hij gezien dat dit jongetje hem 'tleven zou nemen; daarop heeft hij geloerd van ‘uren duren’, en hem zijn moeder ontstolen Nu is ‘siner fijn’ (zijn einde) daar 6) Dan weet Platus betere raad: verkoop 'em me, ik zal hem voeren ‘uten lande in heydenesse’ Nu deelt, om de koopprijs op te drijven, de ander mede wie de ouders waren, en Platus koopt hem al is 'tniet goedkoop Daarmee is het hart van Robbrecht ontlast; ‘ewelijc blijft hi ver 1) Vs 64 vv 2) Vs 113 3) Zie Aantekeningen 4) Vs 150/1 5) Vs 158 6) Vv 166 Taal en Letteren Jaargang 11 215 borghen in heydenesse’ En met bittere humor klinkt het: al krijg ik nu 'tlandschap niet, nochtans ben ik een heer met dit geld; maar ook 'tland zal mij ‘geworden’ 1) 'tVolgende toneel speelt weer in Damaskus, waar de meester met de jonghelinc aankomt De koning was nooit ‘soe wel te moede’, als nu hij dit ‘hoghen present’ (geschenk) krijgt De heiden zal hem als zijn eigen kind grootbrengen; en de tweejarige knaap aan zijn enige jaren oudere dochter ‘bevelen’ Platus raadt dit af Voorzichtig met de dochter; zeg niet van welke komaf of hij is, noem hem een vondeling, gering van afkomst mogelik, aan zoeen zal haar weinig gelegen liggen Maar wist ze dat de knaap een koningskind is, ‘vrouwen zijn van herten wanc(kel)’, ‘der minne vier mochte in uwer dochter openbaren’ De koning is aan de trouwe, vooruitziende dienaar geen uitzondering in de ME uiterst dankbaar; en zal naar zijn raad doen, ‘so machic in vreden (daarover gerust) sijn’ 2) Damiët is blijkbaar enige dochter; biezonder welkom is haar deze jonge broer Ze raakt in extaze, zo lief ziet hij er uit: O uutvercoren jonghe figuere, Du best die scoenste creatuere, Die icmet oghen nie ghesach Met rechten icMamet dancken mach, Dat icsal hebben enen broeder; Ic wil gerne sijn suster ende moeder 3) En van geringe afkomst kan hij ook niet wezen, zo ziet 'tliefhebbend vrouwenoog scherper dan de wijze meester en de vader: vanwaar anders die rijke ‘gewaden’? En ze zweert bij al haar goden, ‘bij Tervogant, Mamet, en Apolijn,’ dat zij met zusterlike en moederlike liefde hem wil verplegen, ‘nu komt met mi, wel scoene man, ic sal uals minen broeder doen,’ roerend te meer, nu hij de eigen moeder mist Op Sicilië is intussen de oude koning ‘utermate’ bedroefd 'tKind is tezoek Hij beraadt zich met zijn neef Robbrecht En deze kan 'tniet langer verzwijgen ‘Al drijft mijn moeye den rouwe soe groot,’ ze meent het niet: ze houdt niet van u: ‘haer herte dat es t'uwaert fel, om dat ghi out sijt van daghen’ Hij heeft de koningin zo menigmaal beluisterd Zij zal ‘u noch met haerre list nemen tleven’ 4)‘Si mint seker enen jonghen man’ Zeker weet hij, dat zij de moordenares is van het kind Hij durft het bezweren: ‘daer settic vore mijn lijf’ 1) Vs 222 2) Vs 256 3) Vs 279285 4) Vs 325 Taal en Letteren Jaargang 11 216 De koning gelooft zijn neef Hij schrikt op: Mi dochte dat icenen inghel sach, Als icanesach haer edel lijf; Ende es so wreet dat felle wijf? 1) Zij wordt geroepen door Robbrecht zelf Diep bedroefd is ze Maar de koning houdt het voor huichclarij Zij heeft haar kind toch gedood! Hoe echt natuurlik en edel is haar verdediging: Hoe soudic dat vinden in mijn herte, Dat ichem doen sonde eneghe smerte, Die icte mijnder herten droech? 2) Maar de koning is buiten zichzelf van woede En zij krijgt geen gehoor bij de strenge rechter, want niemant neemt haar partij op Zo heeft dan de hoge vrouw geen andere bescherming dan God die hem ane ene cruce liet slaen, Die soo moet mi nu verdinghen, Ende te mijnder ontscout bringhen, Want ichier af niet en weet 3) Waarop Robbrecht niet zonder zelfverwijt zeker haar toefluistert: ‘seker vrouwe, het is mi leet;’ maar zonder dit te horen, betuigt de koningin haar onschuld in het roerend gebed Ay god, ontfermt udit swaer torment, Daer icin ben, want ikhebbe mijn kint Verloren, ende men tijcht mi ane die daet 4) God die ‘sonder verdiente ende sonder scout vaste ghenaghelt ane ene hout’ werd, en u‘hemelsche coninghinne,’ doe mijn onschuld blijken; Ay God, uut usoe comt gevloten, Alle recht ende alle waerheyt Nu hulpt mi 5) Na dit roerend slot begint het Tweede Bedrijf, 18 jaar later 'tKind is intussen opgegroeid tot een jongman Hij verwondert zich bij ‘Tervogant en Apolijn’ er over, dat zijn zuster niet trouwt: ‘si mint enen creatuere heimelike’? En hij verheugt zich: ‘Ic waent haer Mamet al ingheeft’ Hij kan toch niet buiten haar Hij houdt deze alleenspraak, terwijl hij in 'tbos wandelt, waar ook zij graag toeft De ‘vaeck’ overvalt hem, waarom zou hij niet gaan rusten? 1) Vs 34850 2) Vs 3758 3) Vs 3825 4) Vs 3879 5) Vs 400404 Taal en Letteren Jaargang 11 217 Zonder van hem afteweten wandelt daar ook Damiët; die 'tniet langer zich verbergen kan: Ay mi, ay mi, hoe groten last Dragic al stille int herte binnen Ic ben bevaen (bevangen) met sterker minnen voor Esmoreit Zij prijst hem, ‘hi es edel van natueren, Ende oec van enen hoghen moede, Hi es coenlec’ En al weet ze niets van zijn geslacht, haar ‘herte van binnen zeit, dat hi es hoghe geboren’ En 'twordt haar plotseling duidelik: ‘O, Esmoreit achtien jaar, Hebdi gheweest mijn minnekijn’ Maar ze zal dit niet laten blijken, ‘dadict, mijn vader name mi dlijf’ Esmoreit ondertussen slaapt niet vast genoeg, om nú niet wakker te worden: ‘Benic dan een vondelinc’? Geen droever man dan de jongeling Dan ontdekt de koningsdochter alles En Esmoreit acht het droevigste: Ick plach te segghen: ‘suster mijn’, Maer dat moetic nu verkeren Enen anderen sanc moetic nu leren, Edel wijf, ende spreken uan Ghelijc enen vremden man 1) Hij zal echter bliven haar ‘vrient ende ghetrouwe boven allen wiven’ Maar hij gaat zijn ouders zoeken; hij is òf van ‘kleinder gheboert, ofte uut verren lande’, anders had men wel laten verluiden dat er een kind zoek was! Daarop de jonkvrouw: ‘O Esmoreit nu blijft bi mi’ Ze kan hem niet missen; ze wil hem trouwen, en als mijn vader sterft, ‘moghdi dan sijn van Damast gheweldich here’ Neen, die ‘onnere’ en die ‘lachter’ zal haar nimmer gebeuren, geen vondeling trouw je Maar niemand zal dat Esmoreit verwijten, blijf alleen maar: ‘met groten vrouden onghemeten selen wi leven, ic ende ghi’ 'tBloed verloochent zich echter niet! Hij zal geen vrouw trouwen of eerst zal hij zijn vader kennen En 'tmeisje zucht: ‘bi vele spreken es die menege (menigeen) verloren!’ Zo gaat hij dan; maar niet zonder belofte van terug te komen En zij geeft hem liefde is vindingrijk al wat hem helpen kan, het windsel waarin hij gevonden is: dat kan een merkteken zijn Bind de band om uw hoofd ‘of ieman waer, die ukennen mochte daer an, “Ende peinst om mi!” 1) Vs 486491 Taal en Letteren Jaargang 11 218 In Sicilië is de jongman gekomen Hij beziet de mooie wapens op de band; als ze hem behoorden, was hij zeker van “edelen bloede” en kreeg zijn geliefde zeker Wie hem toch in dat windsel gewikkeld zou hebben? “Mochtic noch vader ende moeder scouwen”! Een gevangene hoort dit Ik heb 'tvan verre gehoord Wat doet uklagen? De jongman is verbaasd zo “scone vrouwe” in dit “prisoen” te zien Beiden lijden, en die lijden, troosten elkaar: “Wie moghen mallic andren ons verdriet claghen” Dan de blijde herkenning, als ze elkaar van hun leven berichten Je bent mijn zoon! “Mijn herte mochte wel van vrouden breken Ik sie mijn kint ende ichoort spreken” Welsprekend de moeder, die “noit en loech In twintich jaer, 1)daer silach Ende noit sonne noch mane en sach,” 1) welsprekend, als zij bidt: Oetmoedech god, nu moetti sijn Gheloeft, ghedanct in allen stonden, Mijn lieve kint hebbic nu vonden, Di mi nu verloesten sal Want die vroude es sonder ghetal, Die nu mijn herte van binnen drijft 2) De koning zendt nu onmiddelik zijn vertrouwde Robbrecht om haar te halen En de vader vraagt vergiffenis aan zijn vrouw: Ic bidde uom gode, die ontfinc Die doot van minnen, vergevet mi’! En de edele moeder die haar zoon terug heeft als ‘scoen volwassen jonghelinc’, doet het Want alleen haar zoon is haar gedachte: ‘Waer es myn lieve kint Esmoreit Roepten mi voert ende laetten mi sien’ Dan verhaalt Esmoreit van zijn leven, en van Damiët Als de dader nu maar werd gestraft; want, al zegt de vrouwe: Ic bidde gode, die sijn cruce coes, Dat hijt hem te recht wille vergheven, Die mi anedede dat bitter leven, Daer icsoe langhe in hebbe ghesijn, 3) de vorst in Esmoreit antwoordt: ‘ondaet noch moert’ bleef ooit verholen Naar onwrikbaar rechtsiedee: alle schuld moet ‘gheloent’! 1) Vs 2629, zie aantekening 1) Vs 2629, zie aantekening 2) Vs 696701 3) Vs 786789 Taal en Letteren Jaargang 11 219 Robbrecht, die nog erger in de angst zit dan ‘enen dief die men ontlijft’, zweert ‘bi den here, die was ghecroent met eenre croenen van doerijn (doornen), een vreselike dood aan de dader: deze zou hem niet ontkomen, tenzij ‘hi ontsoncke mi in die eerde’! Allen zijn verheugd: de moeder 'tmeest; maar ook de koning: alleen Esmoreit aanbidt nog beidense afgoden Daarom zegt de koning: Maar Mamet ende Apolijn, Die soe moetti nu vertiën, Ende ghelove ane Mariën Ende ane God den oversten vader, Die ons ghemaect heeft alle gader, Ende al dat in die werelt leeft Met sijnre const ghemaect heeft Die sonne ende mane, dach ende nacht Heeft ghemaect met sijnder cracht Ende oec hemel ende ertrijc Ende loef ende gras in dier ghelijc; Daer soe moetti gheloven an 1) De jongeling, vroom en braaf, is gehoorzaam aan zijn vader En zo bidt hij dan hoe goed kent de dichter zijn hart! allereerst: God moge mijn Damiët beschermen! Robbrecht vindt dit uitnemend Ook hij toont zich verheugd wie zal trouwens uitbrengen welk aandeel hij had in de zaak? Daarom ‘willen wi alle droefheit vergeten; en 'tklinkt in zijn angst als galgenhumor: ‘met blide moede willen wi gaen eten’ Damiët in 'tHeidenland, intussen mist Esmoreit: Ay, ende waer mach Esmoreit Merren, dat hi niet en comt? Ic duchte, dat hi es verdoemt Ochte ghestorven quader doot, Ofte hi es in vrouden groet, Dat hi mi dus heeft vergheten Ic sal nochtan die waerheit weten, Hoe die saken met hem staen, Al soudic daer om die werelt doer gaen: 2) ‘gherechte minne’ dwingt haar er toe Platus is bereid haar te vergezellen Ze gaan als pelgrims En komen in 'tKerstenland Rovers echter hebben hun alles ‘afgheset’: ze moeten bedelen Daar herkent Esmoreit de stem: 1) Vs 812823 2) Vs 842850 Taal en Letteren Jaargang 11 220 Ay, daer hoeric Damiët Spreken Hoerdicse nie? Ende hoe ghelijc soe sprect sihare 1), waarop Damiet schalks naïef! antwoordt: Waer icte Damast int conincrijc, Esmoreit wel scoene man, Soe soudic haer bat gheliken dan, Maer nu sta icals een pilgherijm 2) Hoe blijde is Esmoreit: ‘nie liever gast en sach’ hij ooit Hij roept zijn vader Die ze welkom heet Krone zal ze dragen in Sesiliën; want hij zal de regeering afstaan aan zijn zoon Robbrecht vindt dit ‘goet gevisiert’ daaraan herkent Platus de verrader Groot is zijn verontwaardiging, ‘dat ic niet uut minen sinne en come’ Alles brengt hij nu uit Esmoreit staat ‘al buten kere,’ ‘Die ondaet sal ghewroken sijn, Eer ic sal eten of drincken wijn’ 3) Robbrecht ontkent wel, en wil zelfs ‘in een crijt, er voor gaan; maar de ‘oorkonde’ is te overtuigend, te onweerlegbaar; 'tyvorijnen foertsier (geldkistje) is in de ‘scrijn’ te vinden! 4)Na dit overtuigend bewijs volgt geen duël Robbrecht wordt niet onthoofd als een edelman, maar gehangen, als een aartsschelm IV Dit verhaal hoe een jong christenkind wordt verkocht naar 'theidenland spreekt weinig tot ons, we stellen ons weinig er bij voor; ons doet zoiets weinig verdriet aan In die oude tijën was 'tanders Men wist: 'tgebeurde niet nu en dan, maar vaak Maar wat 'en zonde ‘loed’ iemand daarmee op zijn ziel! Toen men alleen als zijn evennaaste beschouwde, die van 'tzelfde christengeloof was; toen men als spreuk leerde aan de jongeren, niet: doe een ander niet wat je niet wilt dat jezelf geschiedt, maar: ‘Ne doe dinen even kerstin niet Dattu niet wilts datti ghesciet’ 5) Toen men nietkristenen als buiten de wet rekende, als afvalligen Men mocht die vervolgen, Heidenen, Zigeuners, die rondzwierven; en Israëlieten vooral, die Christus hadden gekruist! Evengoed als de Ketters van later! 1) Vs 874, 875 en 877 2) Vs 884887 3) Vs 963/4 4) Dat dit gevonden wordt, blijkt uit het vervolg De middeleeuwers waren goeie verstaanders 5) Die bouc van Seden, ed Suringar, blz 3 Taal en Letteren Jaargang 11 221 Maar dubbel erg werd deze zonde, nu het de neef gold: ‘te vercopen uwes selfs geboren bloet!’ de band van de famielie onderling werd trouw gehouden Het ene famielielid was aansprakelik voor het andere: men deelde in de boete, zo goed als in de vergoeding en schadeloosstelling Later nog werd de bezittingen van de gehele famielie verbeurd verklaard, zo een er van veroordeeld werd Beschamend is 'tnu voor deze christen, hoe de heidenzelf handelt: ‘neem zoveel geld als je wilt,’ terwijl de kristen om eigenbaat een moord wil begaan, en dit alleen laat, om 'tchristenkind te verkopen aan de heiden En deze had de moord niet eens hoeven te verhinderen: dan ook had hij 'tdoel bereikt waarvoor hij uitging! En de schuld van de listige oom wordt niet lichter, nu hij 'en motief voorwendt, dat in de ME bij iedereen ten volle gold: zelfverdediging tegenover ieder, hoe ook Van hoeveel beter natuur blijkt de heiden, om te willen ‘in syn staet te bliven’: hij die werkelik levensgevaar loopt; terwijl de oom geen recht meer heeft op de toekomstige kroon En hoeveel hoger ook staat de heidense koning in zijn middel om 'tgevaar te voorkomen Welk een tegenstelling in zijn geheel: de menslievende heiden, tegenover de valse christen En welk een kontrast: de woedende haat van de kristen, van de bloedverwant, en de heiden, die zegt: ‘ik hebbe soe groten lost, Dat ic de jonghelinc soude bescouwen’ 1) Dan de lasterlike aanklacht tegen de koningin! Laag is die aanklacht: de moederzelf te betichten van haar eigen kind te hebben ‘verdaan’, in een tijd, toen men in elke moeder dacht aan de moeder Gods, in de tijd van de ridderlike vrouwendienst, toen elk ridder 'topnam, zelfs voor schuldige vrouwen Moest, nu niemand zich aanbood, de koning de aanklacht van zijn neef dan ook niet geloven? En dan die opwekking van zijn jaloersheid met ‘si mint seker (voorzeker) enen jonghen man’ Vaak komt dit voor, in de Middeleeuwen Vooral zo de man vele jaren ouder is De bloedverwant neemt het dadelik voor waar aan 2);in een tijd dat men wel de mannelike verwant, maar de vrouwen niet vertrouwde Want wel werd de vrouw hoog vereerd vrouw betekent ‘hérin ’!,maar toch een vrouw is niet te begrijpen, zo dachten de Middeleeuwers 3)Telkens weer blijkt: 'tzijn raadsels voor de man; en betrouwbaar nooit Maerlant 1) Vs 138/9 2) Vs 346 3) Lees bv Vrije Fries X85, Weinhold, Die deutsche Frauen Vgl Wrake van Ragisel, in Lancelot III, 12773, vv Van Boendale, Jans Teesteye 2836; Lekenspiegel III(4) 185 Taal en Letteren Jaargang 11 222 ‘der Dietse Dichtren vader,’ 1)die zo populair in de ME was, schreef er van: ‘luttel trouw en vint (men) aen vrouwen’, en ‘wive syn wandelre dan die wint, ende nieloper (nieuwsgieriger) dan een kint, ende wreder dan enich tiran 2)En hoe slim zijn ze als ze de man niet liefhebben, om hem te bedriegen, hun eigen lusten bot te vieren, ze staan voor niets; voelen geen verantwoordelikheid welke ook! Déze weet de biechtvader zelf te gebruiken als ‘postillon d'amour’ 3);die stuurt haar man van huis om Playerwater 4);een derde weet een man te verbijsteren dat hij een betrekking van zinnen had, toen hij zijn vrouw op overspel betrapte 5) Vrouwen zijn raadsels, volgens de Middeleeuwers De koning valt na die beschuldiging tegen z'n vrouw uit Zo deed ook ridder Aymon tegen de moeder, als deze bang is voor de beste en stoutste van de Vier Heemskinderen Men was in de ME openhartiger dan nu beschaafd heet; en sprak minder kwaad achter iemands rug! Men zag niet tegen een hartig woord op, niet tegen een scheldwoord, vooral als men diep verontwaardigd was; of men 'tdan nú laat? De vorst veroordeelt als koningrechter de misdadiger, die wel ontkent, maar de waarheid daarvan niet kan bevestigen, wat beiden, beschuldiger en beschuldigde, moesten doen naar de wijze van die tijden, door verdediging met de wapens: een vrouw hoefde nòch mocht zelf strijden, maar ridderplicht bracht mee 'tvoor de onschuldig geloofde vrouw optenemen En niemand neemt haar partij op Daarom is 'tzo'n fijne trek van hoog kunstgevoel, 6)als de vrouw God aanroept, die ook onschuldig aan 'tkruis stierf En dit smeekgebed maakt indruk, blijkbaar is de koning getroffen: dit is ook weer tussen de regels optemaken, evenals veel bij de middelnederlandse liederen Hij doodt ze dus niet, maar sluit ze in de ‘prisoen’: vrijlaten gaat niet: 'tbewijs toch van haar onschuld is volstrekt niet geleverd Zo wordt de koningin, jong en mooi, gevangen gezet Een treurige toekomst: 't gehele huweliksgeluk vernietigd, van de oude koning, maar ook van de nog jonge koningin De koning van Damaskus wil de gekochte jonge aan zijn dochter ‘bevelen’ Platus raadt voorzichtigheid aan Menskundig, liever vrouwen 1) Strof gedichten 2) Alexander VI, 563; vgl ook Hist van Troie 1061 3) List van Vrouwen 4) Inde klucht van die naam 5) Cluyte van Lippijn 6) De kwestie ishier niet ofde maker van de Esmoreit 'teerste dit vond,’ ofwel 'teffekt voelde bij vroegere lektuur, en 'thier opnieuw ‘vond’ Taal en Letteren Jaargang 11 223 kundig is die raad: ze mocht er op verlieven, als de jongman ‘ware comen te sinen jaren’ 1)Trouwens, meer en meer blijkt onderanderen, dat in die zo vaak duister genoemde middeleeuwen in 'talgemeen zuiverpsychologies werd wáárgenomen; niet schools en doctrinair! Hoe oud is nu deze dochter? Ze zal enkele jarenmaar ouder zijn geweest 2)als de jonge Esmoreit van ongeveer 2jaar Zoals tegenwoordig nog, kan aan een meisje van een jaar of zes/zeven best een broertje worden toevertrouwd Dat een ietwat oudere vrouw op een jonger man verlieft, wordt herhaaldelik in de ME bericht Ook Clarina verlieft op haar pleegkind Valentijn 3),en Eliënor doet niet anders met Ernout 4)Men weet dat in zeer beschaafde kringen in Azie nog, naar gewoonte, de vrouw vrij veel ouder is dan de man En is 'tin onze tijd niet een zelfde geval geweest met de kroonprins van Roemenië en Hélène Vacaresco, die tien jaar ouder was? Is de Serviese koning niet gehuwd met een veel oudere vrouw? En kent men ook in Nederland niet dergelijke huweliken? De vrouwen zijn in de ME ondernemender dan de mannen Damiët's driestheid gaat lang zo ver niet als ons verteld wordt van vele andere vrouwen in die tijd Denk aan Galiëne, hoe toeschietelik zij is voor Ferguut, aan Melior tegenover Parthenopeus, aan Europa, Ysabele, Ginovra, Luciane 5)De mannen zijn veel schaamachtiger, minder stoutmoedig, dan vrouwen die verliefd zijn Zo was het toen En wordt nu nog wel de kwestie niet opgeworpen, wie eigelik ‘vraagt’: 'tmeisje of de jongman? Tragies is 'tals Esmoreit ontdekt dat hij vondeling is! Dit is een zeer erg feit, in een tijd toen er niets geen schande in stak buitenechtelike kinderen te hebben De móeder kon zelfs geen bastaard, geen onecht kind voortbrengen Want of 'teen huwelik was, hing af van tgoedvinden van de beide betrokken personen en de ouders: hoe lange tijd heeft de kerk in die eeuwen er op aangedrongen dat kerkelike sanctie 'tzou heiligen; de ‘burgerlike stand’ is van veel later datum Esmoreit dan is vondeling: die smaad kan hij niet op zich laten zitten Al stoort de liefhebbende Damiët zich weinig daaraan: blijf bij me! Maar 'tbloed verloochent zich niet, en hij blijft dus bij zijn plan: ik zoek mijn vader en moeder! 1) Vs 234 vv 2) Sommigen nemen aan dat er 18 jaar verschil is Waarom? Een meisje inde ME was met 12 jaar alhuw baar! En dit laatste behoeft Damiët nog niet eens tewezen als Esmoreit wordt meegebracht 3) Inde roman van Valentin en Nameloes 4) Moltzer, Inleid Dram Poëzie, blz XLIX 5) Inde romans van die naam; Europa inde ‘Limborch’, de anderen inde ‘Walewein’, de ‘Lancelot’, de ‘Aiol’ Taal en Letteren Jaargang 11 224 Deze ‘combat de générosité’ is net iets voor de ME 1);en ook nog echt menselik! Haar achting stijgt Laat hem dan gaan Maar zoveel ze kan, zal zij helpen De liefde is vindingrijk Ze geeft hem dus mee de ‘bant’ waarin hij, naar 'theet, gevonden is Hij moet die om zijn hoofd winden Dit zal voor hem wezen: het wapen datie voert En 'tdoor liefde gevonden middel blijkt probatum De koningrechter erkent dadelik zijn rechterlike dwaling 'tbeste bewijs is toch zijn levende zoon, door de moeder herkend en erkend, dit leest men weer tussen de regels! Dan blijkt ook welk een nobele vrouw de koningin is Let op haar vergevingsgezindheid tegenover hem die haar dit ‘bitter leven anedede’! 2) Nu kan verder de heidense Esmoreit ook geen heiden meer blijven, zodra hij erkend wordt van zo hoge afkomst: niemand toch ‘en mocht hogher gheboren zijn Int kerstenrijc verre noch (na)bi’ Soortgelijke bekeringen worden vaker vermeld Als Karel de Grote de Sarraceense koningin in Spanje overwint, wordt ook zij Christen, en trouwt Karel Zij hebben niets vreemds 'tChristendom zou 'tHeidendom overwinnen: er waren onder de Heidenen uitverkorenen; en kinderkens zouden God de Heer allereerst dienen Het Christendom is alles overweldigend En God is ‘den oversten Vader’ Dit toch is de grote bezielende gedachte in 'tgehele stuk: ‘God bewaert de sinen en keret alles ten rechte’; ‘al sal rechtkom’ Daartoe gaat het zo als 'tgaat, en niet anders Geen toeval is 'tTer rechter tijd komt Platus: 'tis Gods beschikking Niet toevallig krijgt Esmoreit ‘vaek’ en hoort hij dan wat tot zijn speurtocht leidt: zendt de Heer niet de zijnen in de slaap de uitkomst? Niet toevallig is de ontmoeting van zoekende zoon en gevangen moeder: beiden zijn lijdende slachtoffers die van God alleen hun uitkomst wachten In de sterren werden vaak wonderen aangekondigd aan die kennis van zaken hadden Men geloofde algemeen aan voortekenen: of men er in onze tijd vrij van is, en er boven verheven? En God beschikt het als de ‘ster in 'toosten bij Christus geboorte’ Zo werkt in de Esmoreit geen ijverzuchtig wrekende vergelding, geen geheimzinnig noodlot als in klassieke drama's, maar God alleen! Er is daardoor een noodwendigheid van omstandigheden in deze Esmoreit Waar de mens 'tboze vóor heeft, de christen om zich 1) Denk ook aan Floris en Blanchefloer 2) Vs 7S6788 Taal en Letteren Jaargang 11 225 zelf, de heiden om beter, daar gaat alles toch naar 'teenmaal besloten is in Gods raadsbesluit Al wat men er tegenin doet, bevordert het juist veel meer ;'tloopt juist zo dóórdat men 'tvoorkomen wil Want de grondklank van 'tgeheel is: De mens wikt, En God beschikt De kristenjongeling zal de heidense ‘vader’ doden, en de ‘gekerstende dochter’ trouwen De moord wordt voorkomen, maar niet het huwelik Waarom niet? Omdat ‘moord’ tegen Gods bevel ingaat, maar een huwelik niet! Te minder daar de heidense vorstin daardoor christinne wordt De oom wil de neef en de koningin in 'tverderf storten; maar de een bezorgt hij een liefhebbende vrouw en de ander een tot het kristendom bekeerde schoondochter! Hoe 'took gaat in de wereld, of men verkocht wordt, en te vondeling wordt gelegd; of men onschuldig in de gevangenis zucht, twintig jaar lang; God waakt voor de zijnen De Voorredenaar zegt het, om het publiek er op voor te bereiden ‘God wou niet laten verloren (gaan) Dat hi met sinen handt hadde gemaect’ Al vindt men nu in dit Abelspel van Esmoreit vele motieven terug uit ridderromans en riddersproken 1),al stemt het in z'n geheel met het drama in geheel middeleeuws beschaafd Europa Al vindt men een motief er in van een vervolgde, onschuldige heldin als koningin Sibylla, als Helena van Constantinopel, vooral als Genoveva van Brabant Al vindt men een ander motief de heldvondeling, als de vondelingen van Longus, Dafnis en Chloë, als de heldin uit le Lai del Freisne, van Marie de France; als de latere romanheld Palmerin d' Oliva Al komen deze motieven vooral voor in de ‘Chansos de Geste’ van de Zwaanridder, die thuis hoort in Zuidnederland, oa in Brabant 2),en is Robbrecht 'tevenbeeld van Gaufroi; en vindt Esmoreit zijn partij in Ernout de Beauvois, Damiët in ‘la belle Eliënor, seur du Rougelion’ 3) Al herkent men al die motieven ook in deze Esmoreit: zo is deze schepping in z'n geheel een oorspronkelik nederlands toneeldicht, met deze grondgedachte, zo eigen aan de Middeleeuwse gelovigen, eigen ook aan de latere Protestanten, eigen nog aan de ZuidAfrikaanse Hollanders: Wie maar de goede God laat zorgen, En op hem bouwt in 'tbangst gevaar, Die redt hij goddelik, wonderbaar BH 1) Vgl vooral Jan ten Brink, Geïll Geschied vd Nederl Letteren, 219 2) Zie Blöte inT &LVIII, 287294 Vgl ook Moltzer, Mndl Dram Poëzie LXI/II 3) Moltzer, Inleid Dram Poëzie, XLVIII Taal en Letteren Jaargang 11 226 Aantekeningen Mi zijn er twee naredenen De meester zegt de zijne (de tweede), in 'tbiezonder geval dat er een ‘sotheit’ na gespeeld wordt Immers met het ‘Amen’ van de jongelinc is 'tstuk eigelik uit: deze zegt de eerste narede Onder het ‘Amen’ hiervan staat xcviij vs,de aanwijzing, zoals onder veel stukken, dat het in casu 1008 verzen 1)telt; en daarmee oorspronkelik uit is De overige tot 1018 zijn er dus verder bijgevoegd: zijn ze in 'thandschrift van dezelfde hand? Van die (tweede) nareden zelf verschilt de exegese 2)Meestal volgt in zo'n toespraak tot het publiek nu eens: ‘Nu swicht ende maect een ghestille Dit voerspel es ghedaen Men sal uene sotternie spelen gaen’ 3) Of ook: ‘Nu biddic uallen dat ghi wilt swigen Ons voerspel dat es ghedaen Men sal uene sotheit spelen gaen’ 4) In tegenstelling met het slot van Lippijn: ‘Staet op, ghi moget wel gaen voort’ En met het slot van de Buskenblazer Gi goede liede, dit spel es ghedaen: Ghi moght wel alle thuusweert gaen Ende lopen alle den graet neder Ghenoeghet u, comt alle weder De toespraak in de Esmoreit nu luidt: Elc blive sittene in sinen vrede, Niemen en wille thuisweert gaen; Ene sotheit sal men uspelen gaen, Die cort sal sijn, doe icuweten Tot zover 'tkan dus vergeleken met de andere toespraken Maar de volgende drie regels stemmen daarmee slecht samen: 1) Er worden inde uitgave 1006 maar geteld; hoe komt dit? 2) Zie nu de noot op de laatste bladzij, bij Kaakebeen en Ligthart 3) Slot van Hertog van Brunswijc 4) Slot van Lanseloet Taal en Letteren Jaargang 11 227 Wie honger heeft, hi mach gaen eten Ende gaet alle dien graet neder Ghenoeghet u, so comt alle merghen weder’ ‘Wie honger heeft, hi mach gaen eten,’ blijft in verband met de context me onhelder Mischien zijn de beide laatste regels een vooraanduiding al vast van wat aan 't slot van de boerde gezegd wordt dan ook is de laatste regel duidelik Van een pauze is nergens sprake, en van 'tgebruiken van eenofander is ons evenmin iets bekend 1) In de laatste regel is evenzeer kwestieus dat ‘mergen ’ Is dit mogelik de verklaring? Is deze Esmoreit, evenals de andere spelen in deze verzameling, opgevoerd bij gelegenheid van een kermis die dagen achtereen duurde, en werd de volgende dag (mergen) een van de andere spelen door hetzelfde gezelschap vertoond? Zo'n speelgezelschap wordt in 1393 vermeld als ‘den ghesellen vanden spele in den Hage’ 2)Of is dit spel op 'en feest als later 3)de ‘landjuwelen’ opgevoerd, en kwamen de volgende dag andere spélen en spélers aan de beurt? 4) De voorredenaar en de eerste naredenaar hoeft mi niet dezelfde persoon te wezen: de jongeling 5);zo komt in een van de ‘sotte boerde’ een afzonderlike ‘messagier’ voor Natuurlik is 'tniet de beul of de ‘meester’; waarom zou 'tdeze wezen? In vs 27 lag de koningin twintich jaren in de gevangenis Later is er sprake van 18 jaar, die Esmoreit bij Damiët heeft doorgebracht Ook Platus spreekt van achttien jaar dat hij de jongeling gekocht had Dit wordt verklaard als Robbrecht enige maanden lang heeft moeten wachten eer hij de jongen in zijn macht kon krijgen Een zuigeling te transporteren zonder moeder, en levend te bezorgen, was in de ME toch ook te kras! Ook moest Platus de reis maken, heen en terug Deze duurde altans enkele weken, van Bagdad naar Cicilië 1) Vgl ook JteWinkel, inTaal &Letterbode VI, 75 2) Holl Graafl Reken Jonckbloet, Mndl Dichtk III 3) Ao1413 alinAudenaerde; Ao1431 oa teBruggge: Jonckbloet II,424/5, 427 4) Zoals inAntwerpen in1461, waar van 1023 Aug 14 Kamers speelden 5) Moltzer, blz 190 Leendertz, blz 119 Taal en Letteren Jaargang 11 228 Onderwijs ‘Ons onderwijs, dwz de wijze, waarop het is georganiseerd en wordt gegeven, is slechts voor een deel uitvloeisel van het inzicht in de behoeften van het kind, zooals wij die thans, dank zij den vorderingen van psychologie, physiologie en hygiene kennen, maar in zijn innigste wezen een erfstuk van het voorgeslacht, en wel niet slechts van het onmiddellijk voorgeslacht, neen, zijn stamboom klimt zonder eenige gaping op tot de Atheensche sophisten uit de 5e eeuw vC Deze hebben een vorm van onderwijs geschapen, die weldra door de geheele GriekschRomeinsche oudheid geaccepteerd is en die men vrijwel vergelijken kan met ons middelbaar en hooger onderwijs Het was het onderwijs, bestemd voor den jongen man van goeden huize, wien een openbare, een politieke loopbaan was toegedacht Dat onderwijs was essentieel rhetorischwetenschappelijk; het woord was daarin één en alles; het was de opleiding voor toekomstige volksredenaars, advocaten en kamergeleerden Nu heeft de OudChristelijke Kerk de groote fout begaan van dit onderwijs eenvoudig over te nemen: zij heeft haar dure roeping, om nieuwe vormen voor het onderwijs te scheppen, verzaakt En zelfs heeft de oude Kerk die heidensche, de zoogenaamde “encyklische” opleiding niet geadopteerd voor allen, maar alleen voor haar eigen aanstaande geestelijken Eerst de reformatie maakte ernstig werk van volksonderwijs; maar zij nam (en zij kon moeilijk anders) haar model van het bestaande onderwijs Zoo is ons lager onderwijs niet, wat het toch eigenlijk zijn moest, een onderdeel van een rationeele, op nauwkeurige waarneming van het kind gegronde, kinderopvoeding, maar een voorbereiding tot en gedeeltelijk een nabootsing van een voorbereidend geleerdenonderwijs, waarin het verbalisme den scepter zwaait Men wordt dit gemakkelijk gewaar, wanneer men zich afvraagt of wij, wanneer wij het lager onderwijs geheel vrij, onbelemmerd door tradities en bestaande inrichtingen, van onder af aan hadden op te bouwen, of wij het dan zouden inrichten gelijk het nu is Immers niet’ Dr JH GUNNING ,Verslag in het Tijdschr voor Onderwijs en Handenarbeid ,V, afl 3 Corrigenda: vo: aan 'teind een punt 4 reg tekst, Blz 146, vb: gekend; 12 reg tekst, Blz 150, vo: gold 11 reg tekst, Blz 159, vo: identieficeren 6 reg tekst, Blz 167, aan 'teind een haakje 2: reg noot 1, Blz 170, leugentje 3: reg noot 2, Blz 172, vo: 'kleine 6 reg noot, Blz 173, vo: oliefantje 5 reg vo: aan 'teind geen streepje 3 reg tekst, Blz 177, Taal en Letteren Jaargang 11 aan 'teind een streepje 1: reg noot, :de laatste noot met een 4aanduiden vb: met seksuele 12 reg tekst, Blz 182, aan 'teind een komma 8: reg noot 1, Blz 183, vb: aan 'teind een haakje 23 reg tekst, Blz 184, vb: gebruikt 24 vb: achter hoorn geen komma 19 reg tekst, Blz 186, Taal en Letteren Jaargang 11 229 Verandering van woordbetekenissen 1) (Semasiologie) II Verruiming van de betekenis Tegenover beperking staat verruiming van de betekenis Door verruiming wordt de inhoud van 'twoord verarmd, en kan dit derhalve in een groter aantal gevallen gebezigd worden Een dusdanige wijziging van de betekenis is in 'talgemeen mogelik, doordat het bij de voorstelling van een zaak onnodig is, zich àl de onderdelen duidelik in het bewustzijn te roepen Alleen de belangrijkste (wat in een bepaald geval de belangrijkste zijn, hangt af van 'tverband en de opvatting van het individu) duiken op, andere blijven weg En nu ligt het voor de hand, dat een persoon of zaak, van een andere wèl verschillend, maar ermee overeenstemmend voor zover het de onderdelen betreft die bij 'tnoemen het eerst in 'tbewustzijn komen, op den duur ook door de naam van die andere zaak (of persoon) kan worden aangeduid Zo betekende schilder de man, die wapenschilden verfde (oorspronkelik zeker: die ze máákte) Bij dat verven of malen trad langzamerhand de gedachte aan schild op de achtergrond, en schilder werd eindelik geheel daarvan losgemaakt De betekenis van het woord is nu verruimd :een schilder verft van àlles maar ook verarmd ,omdat van het nieuwe schilder een kenmerk minder is op te geven dan van het oude (maler van wapenborden ) Verruiming van de betekenis komt volgens Waag minder vaak voor dan beperking Toenemende beschaving zou tot steeds fijner onderscheiding, specialisering (en dùs beperking) leiden Over ‘verruiming’ samengaande met metaphories gebruik, wordt in een volgend hoofdstuk gehandeld Voorbeelden: Gezel ,kameraad ,genoot 1) Vervolg van blz 113 Taal en Letteren Jaargang 11 230 Gezel ,kameraad is oorspr hij, met wie men dezelfde woning deelt (gezel in etymol verband met zaal ;kameraad met kamer) Genoot is degeen die mèt een ander geniet, voordeel trekt, geld wint Bij alle drie deze woorden is de betekenis verruimd tot die van makker (vgl deelgenoot , lotgenoot ) Koor Oorspr koor van in de kerk zingende geesteliken Verruimd tot zangerstoet Muts Oorspr hoofddeksel van een geestelike Kapel Eigenl manteltje (middeleeuws lat capella )Vandaar kerkje waarin een heilige mantel (die van Sint Maarten) bewaard wordt Bij uitbreiding: bedehuisje Spijker (uit lat spicarium ,van spica ,aar) Eigenl bewaarplaats van koorn Later in 'talgemeen: zolder, pakhuis Vgl opspijkeren Naald Oorspr werktuigje om mee te naaien De betekenis is verruimd in haarnaald, magneetnaald Beetje In verb met bijten Eigenl hapje Nu: kleine hoeveelheid, weinig, enigszins Vgl een beetje water, een beetje uitrusten Van Iemands van Eigenl dat gedeelte van zijn naam dat met van begint: Willem van Haren ,Jan van Gent Bij uitbreiding: elke familienaam Laars Oorspr lederhoze, leren kous Nu soort van schoeisel Vgl leren en stoffen laarsjes Lichaam Het lijf van mensen en dieren Bij uitbreiding van ieder stoffelik voorwerp gezegd: Een veerkrachtig, een hard, een kogelrond lichaam Ossevlees in 'talgemeen van rundvlees Scherfje in een scherfje bijdragen Oorspr halve penning, kleinste geldstukje Wol in houtwol Zaak Oorspr strijd, rechtsgeding, voorwerp waarover getwist wordt, voorwerp, ding (vgl: Is dàt nu zo'n zaak?!) Ding Oorspr rechtszaak Zelfde verloop Bericht Eigenl datgene waarbij (waarnaar) men zich te richten, te gedragen heeft Dan: mededeling op zo iets betrekking hebbende (‘officiële berichten’) Dan: mededeling in 'talgemeen Vaardig Eigenl gereed om te varen (di gaan )Verg reisvaardig Krijgt de betekenis gereed in 'talgemeen: boetvaardig, slagvaardig Ook: flink, deugdelik Vgl vaardig met de pen Mat Oorspr dood (arabperz schâh mât, schaakmat, de koning is dood) Bet verruimd tot krachteloos, zwak Smerig Eigenl vettig Nu: vuil, vies Taal en Letteren Jaargang 11 231 Beschutten Eerst: ergens een schut of schot voor plaatsen Dan: beschermen, bijstaan Wijden Oorspr heiligen Bet uitgebreid tot opdragen (iets wijden aan iemands nagedachtenis bv) En dan, heel in 'talgemeen, doen dienen: ‘Aan de verklaring van die uitdrukking wijdde hij enige regels’ Stichten Eigenl een gebouw, een gesticht doen verrijzen Dan: tot stand brengen, te weeg brengen, bewerken Vgl een rijk stichten, vrede stichten, onheil stichten Schenken Oorspr drank ingieten ,te drinken geven Verruimd tot geven in 't algemeen Vormen Eigenl een vorm geven Dan: maken Bv het gelukte hem een partij te vormen Zich een denkbeeld van iets vormen Dit dier vormt een overgang tussen de zoëven besproken soorten Uit de aangevoerde voorbeelden blijkt duidelik, dat een gedeelte van de voorstellingsinhoud van een woord kan verdwijnen Welk deel in een bepaald geval op de achtergrond is gedrongen, kan veelal blijken uit de tegenstelling die ons bij 't gebruiken van 'twoord in de gedachten komt Gaan bv heeft oorspr de betekenis voortschrijden (door voetbeweging van mensen of dieren) Nu kan gaan zowel dienst doen als tegenstelling van rijden , varen ,zeilen ,sporen ,enz, als ook van een inrustzijn, dat meestal door staan wordt uitgedrukt De betekenis van staan (oorspr op de voeten rusten) is verruimd tot: in rust zijn in 'talgemeen (een huis staat, een wagen staat) De tegenstelling van dìt staan is gaan in de betekenis ‘bewegen’ in 'talgemeen Zo kan men dan nu zeggen: het schip gaat, daar gaat de trein, het horloge gaat Spelen ,van spel ,eigenl een bezigheid die tot ontspanning verricht wordt, kan worden opgevat als tegenstelling van niets doen ,rusten Dientengevolge wordt een reeks van zeer verschillende werkingen en bewegingen aangeduid door spelen Het geschut speelt; men laat de wind ergens doorspelen; de fonteinen spelen; bankroet spelen Vgl ook speelruimte Ook winnen en verliezen zijn in verband met bepaalde tegenstellingen een deel van hun inhoud kwijtgeraakt Winnen is eigenl door inspanning en strijd verwerven (vgl landaanwinning) Maar al lang wordt het gebruikt van hetgeen iemand zonder moeite, ja zonder bedoeling verkrijgt Men wint in de loterij; heeft aan een herstellende zieke gewonnen, enz Verliezen ,dat als tegenst van vinden betekent: bij ongeluk laten Taal en Letteren Jaargang 11 232 vallen ,krijgt als tegenstelling van winnen de bet: niet mogen behouden Zijn vermogen, zijn eer, zijn ouders verliezen Ook van sluiten is de oorspr betekenis verruimd Bij sluiten werd aan sleutel en slot, of altans aan grendel, klink, knip of iets dergelijks gedacht Nu wordt het gebruikt als tegenstelling van openen Wij sluiten de ogen, de mond, de lippen en zelfs het oor In figuurl zin: de vergadering sluiten Als verruiming van woordbetekenis (met buitengewone inhoudsverarming) kan men beschouwen tal van versterkingen, die een zeer zonderlinge indruk maken op wie ze in letterlike zin mocht willen nemen Bv vreselik prettig; verschrikkelik aardig; schandalig rijk; gemeen lekker enz Eerst werden zulke bijwoorden alleen als versterkingen gebruikt bij ongunstige begrippen: schandalig gemeen ,verschrikkelijk boos Daar de voorstelling van het slechte of erge reeds uit wordt gedrukt door het bijvoeglik naamwoord (gemeen, boos) werd het bijwoord door velen bloot als versterking gevoeld Zo kon het dan ook als versterking van iets goeds of gunstigs gebezigd worden Niet onwaarschijnlik werden door hen die de kracht van 'twoord nog voelden, ‘voor de grap’ analoge versterkingen in omloop gebracht (‘akelig lekker’ enz) Heidens in verband met de strijd tegen heidense volken (in de middeleeuwen) als vergelijkend woord met ongunstige betekenis in gebruik genomen, wordt als versterking gebezigd in ‘heidens kabaal’, ‘een heidens leven’ Tot algemene versterkende betekenis heeft heidens het niet gebracht in onze taal In veel versterkingen is de oorspronkelike kracht van vloeken ,vervloekingen enz vervluchtigd Men spreekt in minder beschaafde kringen van vervloekt scherp en verdomd mooi; van al(le)machtig stom, duivels aardig, hels koud Vgl verder donders , bliksems ,hagels en zonderlinge samenstellingen als allejezis (‘'t is allejezis koud’) en godsliederlik (‘hij heeft zich godsliederlik verveeld’) De meest alledaagse versterkingen, erg en zeer ,hebben een dergelijke ontwikkelingsgang gehad Erg (arg )bet oorspr kwaad ,boos ,laag Sprak men eerst alleen van erg lelik , erg vals ,erg slecht ,later ook van erg mooi ,erg lekker ,erg lief Sommigen keuren erg af in zulk een verband en willen 't Taal en Letteren Jaargang 11 233 vervangen door zeer Op zeer zou evenwel dezelfde aanmerking zijn te maken 't Betekende vroeger pijnlik (vgl het znw zeer ,hoofdzeer ,zich zeer doen ) Maar tegenwoordig kan iemand die ‘zeer getroffen’ verklaart te zijn, zowel bedoelen dat hij onaangenaam als aangenaam werd verrast III Metaphoren Wanneer Dr Waag het heeft over de beeldspraak, voor zover die bij de verandering van woordbetekenissen te pas komt, onderscheidt hij metaphoren van metonymia's Of die onderscheiding in 'talgemeen van belang is1),kan ons hier onverschillig zijn Als we maar duidelik weten wat in het boek van Waag door het een en wat door het ander verstaan wordt En dàt is ondubbelzinnig aangegeven Bij de metaphoor berust de beeldspraak op overeenkomst, op gelijkenis tussen verschillende zaken Bij de metonymia is het niet de gelijkenis maar de samenhang, de afhankelikheid, die aanleiding geeft tot het overdrachtelik bezigen van een woord Noemt men een zwaarlijvig man een olifant ,dan heet de beeldspraak metaphoor; een dikbuik ,dan metonymia Men weet dat in dichterlike taal de metapher dikwels wordt aangetroffen Men is er zich niet zo algemeen van bewust, dat die ‘beeldspraak’ een onontbeerlik middel is om nieuw te benoemen voorwerpen en begrippen een naam te geven Zo was 'tal in oude tijden (misschien moest ik zeggen: toen vooràl) Maar wij raken zo gewoon aan die oude beeldspraak, de munt slijt zo af, dat langzamerhand van het beeld niet het minste meer wordt gezien Natuurlik is 'tjuist die versleten beeldspraak die onze aandacht verdient, wanneer wij de ontwikkeling bespreken van woordbetekenissen Beschouwen we in de eerste plaats de gevallen waarin het uiterlik, de vorm, zonder meer, tot vergelijking aanleiding geeft Om te beginnen met namen van lichaamsdelen, gebezigd voor daarop in vorm meer of minder gelijkende dingen: Wij spreken van het oog van een naald, van een dobbelsteen, van een pauweveer; het oor van een kruik of een melkkan; de tong van een gesp, van een weegschaal; de tanden van een zaag, van een (tand)rad; de lippen van een wond of een orgelpijp; de 1) Vgl JG Talen inTaal en Letteren VIII, oa blz 180182 Taal en Letteren Jaargang 11 234 armen van een weegschaal De timmerman gebruikt (draad) nagels en duimen Omgekeerd worden lichaamsdelen genoemd naar voorwerpen van overeenkomstige vorm De lens in het oog ontleent zijn naam aan de linze of lins (peulvrucht) In de hals heeft men amandelen In het oor het slakkehuis ,de stijgbeugel ,de hamer ,het aanbeeld Vgl verder oor schelp ;oog appel ;adams appel ; muis van de hand 1) Ook het woord kop hoort hier bij De betekenis ‘hoofd’ heeft zich uit die van rond drink vat (vgl teekopje) ontwikkeld Namen van lichaamsdelen worden gebezigd als namen van maten (Men kan hier met evenveel recht van ‘verruiming van betekenis’ spreken als van metaphoor) Vergel voet ,palm ,duim ,el (oorspr onderarm Elleboog en ellepijp zijn met dit el samengesteld) Vadem :eigenl de beide uitgestrekte armen, omarming Als maat: afstand tussen de vingertoppen der naar weerszijden uitgestrekte armen Metaphories gebruik van diernamen wegens overeenstemming van kleur of vorm: Vos noemt men een mens met rood haar Ook een voskleurig paard Kraai is de scheldnaam van de (in 'tzwart geklede) aansprekers Misschien met de bijgedachte, dat er geaasd wordt op lijken Haan van 'tgeweer (om de oorspronkelik op een haan gelijkende vorm) Kraan van een vat Kraan is kraanvogel Het voorwerp werd zo genoemd wegens de overeenkomst met de lange hals van een kraan Slang van de brandspuit Enz Een groot aantal namen van koekjes en gebakjes berust op gelijkenis met andere voorwerpen Bv room horens ,peper noten ,kletskoppen ,sneeuwballen , boter schelpen ,fluitjes enz 'tWoord wafel staat waarschijnlik in verband met weven Het is dan aan het Nederduits ontleend en van een woord afkomstig dat zowel weefsel als honingraat betekent (vgl Duits Wabe ) Metaphoriese aardrijkskundige benamingen zijn hoorn (voor punt, uithoek), berg rug , kopje ,ketel (dal), zee boezem enz Andere metaphoren die op uiterlike gelijkenis berusten, zijn: stalen pen (rok), kachelpijp (hoge hoed); net van straten, kanalen, 1) Vgl over muis de etymol wbkn van Kluge en Franck Taal en Letteren Jaargang 11 235 telegraafdraden; cel en spier weefsel ;koffie en botaniseer trommel ;tabaks pijp (pijp oorspr fluit );hanepoten schrijven enz Bij een ander soort van metaphoren is 'tminder de overeenkomst in vorm, die aanleiding gaf tot de vergelijking, dan de eigenaardige plaats waarop zich een onderdeel bevindt, waardoor aan dat onderdeel een oneigenlike naam wordt bezorgd Zo noemt men het bovenste deel van een speld of een spijker de kop; ‘bijt’ men de kop van een borrel af; spreekt men van 'thavenhoofd en het bruggehoofd , niet om de gelijkenis met hoofd, maar alleen wijl het uiterste deel is bedoeld Het hoofd van een mens heet ook zijn bovenkamer of bovenste verdieping Verg verder de hals van een fles, de ziel (het inwendige, binnenste) van een fles of een kanon; de buik van een kan; de rug van een mes, een boek; de staart van een vlieger of een komeet; de vleugels van een gebouw; de zoom van het woud Ook kan bij 'tontstaan van metaphoren overeenkomst van vorm en gelijkheid van functie samengaan Dat is bv het geval bij wieken (vleugels) van een molen Pen bet oorspr veer, vogelveer De stalen schrijfpen leek op het onderste deel van de veren pen; de functie was dezelfde, vandaar dat het stalen voorwerp eveneens pen werd genoemd Griffel Oorspr het schrijfwerktuig waarmee men letters in wastafeltjes grifte Overgedragen op de stift waarmee men op leien schrijft Hoorn (blaasinstrument) Oorspr koehoorn, waarop geblazen kan worden Overdrachtelik van het metalen instrument, dat aanvankelik de vorm van een hoorn had behouden Schaal eigenl huls, dop (van vruchten), overdrachtelik in: eetschaal, weegschaal Kool Oorspr alleen van houtskool gezegd Later ook van steenkool Olie Eigenl sap van de olijf Nu tal van vettige vloeistoffen Neteldoek Eerst weefsel uit brandnetelvezels, nu fijn weefsel van katoen Nog een andere mogelikheid bij 'tontstaan van metaphers: eigenaardige plaats van een onderdeel (vgl hierboven) èn gelijkheid van functie Dit geval doet zich voor, als men spreekt van poten van tafels en stoelen (plaatsing: onderaan; functie: dragen); van de voet van Taal en Letteren Jaargang 11 236 een lamp; de ribben van een schip; de hemel van een troon of een ledikant Maar dikwels is gelijke functie alleen voldoende om 'n metaphoor te doen ontstaan: Hoofd betekent de hoogste, de leider, in hoofd van een opstand van een familie, een school, een kerk Wij zeggen van een persoon dat hij is de rechterhand van een ander Straal betekent oorspronkelik pijl In bliksemstraal schemert nog iets daarvan door In waterstraal ,lichtstraal niet meer Het zich snel bewegen van de pijl zal wel de aanleiding tot het metaphories gebruik zijn geweest Ook woorden als kemphaan (vechtersbaas), spotvogel (spotter), bliksemafleider (figuurl), kruiwagen (fig) vallen onder deze rubriek Daar ruimtevoorstellingen (plaats, afmeting) ons nader staan dan voorstellingen van tijd, is het niet te verwonderen dat de uitdrukkingen voor 'n betrekking van tijd grotendeels metaphories gebruikte termen voor betrekking van ruimte zijn Maar bij de meeste die behoren tot deze groep, wordt van de oorsprong niets meer gevoeld Wij spreken van lange en korte tijd; zeggen dat iets lang duurt of kort ,hebben het over tijd stip ,tijd ruimte Het oude zelfst nw maal betekende een bepaald punt in de ruimte, een merkteken Het werd overgedragen op de tijd en ging betekenen tijdpunt, tijd, keer enz Vandaar voormaals ,toenmalig ,eenmaal ,driemaal Vgl hierbij de samenstellingen met keer en werf (van werven, draaien) Bijwoorden van plaats worden bijwoorden van tijd Daar is bv her =hier, hierheen, in van ouds her ,sedert jaren her Dan af in van Maandag af,van nu af Weder ,eigenlik terug ,gaat betekenen wederom, nogmaals Daar is verder voorshands ,dat oorspr betekent: wat voor de hand ligt, dichtbij Overgedragen op tijd: vooreerst, voorlopig Dan tans uit tehand(s); eveneens betekenende: wat bij de hand is, dichtbij Dan metaphories van tijd: spoedig, zo spoedig mogelik, nù Straks hoort bij de stam van strekken Bet eigenl wat gespannen, strak uitgerekt is Dan: rechtuit, zonder omwegen, zonder verwijl Hier moeten ook de op tijd betrekking hebbende voorzetsels worden vermeld, die oorspronkelik alleen plaatselike betekenis hadden Vergel in deze week, in de middeleeuwen, tegen de middag, voor Pasen, over een jaar, iets bekennen onder tranen In de uitdrukking ‘om negen uur’ gaf om aanvankelik te kennen dat het evengoed iets voor als na de genoemde tijd kon zijn; wat Taal en Letteren Jaargang 11 237 wij nù uitdrukken met omstreeks Dat het denkbeeld ongeveer niet langer aan om wordt gehecht, blijkt duidelik uit het gewone: om 8uur presies Ook werkwoorden van beweging (die dus oorspr plaatselike betekenis hadden) worden bij tijdvoorstellingen gebruikt De dagen gaan voorbij, vliegen om; de uren komen ,kruipen voorbij; de tijd nadert ,overvalt ons enz Vgl ook zinnen als: de leerplicht strekt zich niet uit over 'tveertiende levensjaar Die bepalingen die betrekking hebben op plaats ,ruimte ,afmeting ,worden overdrachtelik niet alleen van tijd gebruikt, maar ook om de sterkte of de intensiteit van iets aan te geven Zo spreken wij van een grote zonde, een groot zondaar, grote hitte, een klein vergrijp, een hoge som, een hoge ouderdom, zelfs van de grootste of hoogste minachting, niet meer voelende dat min ‘klein’ betekent Vgl hierbij uitdrukkingen als: de geestdrift steeg ten top; de temperatuur daalde Aan sterkte of intensiteit grenzen waarde en rang Prijzen dalen ,de koers rijst ,iemands aanzien stijgt ,men stelt de ene dichter boven de ander, men spreekt van hoge geboorte, hoge adel, de hoge school, de lagere school, Karel de Grote ,groot moedig, een grote ziel, enz Ook tonen zijn hoog en laag ,stijgen ,rijzen ,zakken ,vallen Een stem gaat in de hoogte ,verheft zich ,daalt Met deze voorbeelden is het metaphories gebruik van ruimtetermen intussen verre van uitgeput Wij hebben nog een blik te slaan op het grote aantal uitdrukkingen die zijn overgebracht op het geestelike, abstrakte Er gaat iemand iets door het hoofd Iets komt hem in de gedachte Hij verliest het uit de herinnering Hij kan er niet opkomen Het gaat hem aan zijn hart Zo spreekt men van hoogdravendheid ,van hoge vlucht Bij het abstrakte, bij uitdrukkingen die op het denken betrekking hebben, telkens ontlening aan 'tzinnelike Iemand die tobt, heeft ‘een wonderlike worm in de kop,’ of, nog sterker, muizenesten Begrijpen is eigenl omspannen Vgl ook vatten en snappen in de betekenis van begrijpen Van begrijpen in overdrachtelike zin komt begrijpelik Ook het abstrakte begrip staat er mee in verband Van iets dat men niet begrijpt, zegt men: Het is mij te hoog Ik kan er niet bij Ervaring is afgeleid van ervaren ,di reizen (vgl varen =gaan); vandaar nagaan, uitvorsen, vernemen Taal en Letteren Jaargang 11 238 Wat men onthouden ,di vasthouden wil, prent men zich in het geheugen (prenten =drukken) Ook in geestelike zin wordt gesproken van onmetelik ,maatstaf ,overwégen (vgl het concrete óverwegen) Merkwaardig genoeg staat wagen met over wégen ,wikken en wegen ,in 'tnauwste etymologies verband Wagen is in de waagschaal (di weegschaal )stellen Daarbij werd gedacht aan 'tonzekere van de uitslag Bij ‘wikken en wegen’ aan voorzichtig beramen vóór het volvoeren van een daad Uitdrukken ,gewoonlik overdrachtelik, heeft de letterlike betekenis in een zin als: Zij drukten de sappige druiven uit Voorstellen bet oorspr: vóór iemand plaatsen Vergelijk nog: iets uitleggen ,iets ontvouwen ,een mening ontwikkelen ,een zaak plooien (vroeger ook: falievouwen ,bv bij Wolff en Deken), iets bewimpelen en het gelijkbetekenende: ergens doekjes om winden Ook een aantal termen uit het rechtswezen zijn uit dergelijke uitdrukkingen ontstaan Hebben bet eigenl houden, vasthouden Recht ,het bijvoegl naamw, bet rechtlijnig (vgl lood recht ),niet krom Dat recht werd overdrachtelik gebezigd ten aanzien van zedelike wetten en voorschriften 'tWerd gesubstantiveerd als het Recht Rechtvaardig wil oorspronkelik zeggen wat recht gaat Vgl verder rechten en het zelfst nw rechter De grondbetekenis van bezitten is nog gemakkelik te herkennen (Vgl ook: iets onder zich houden) Wanneer een woord, dat de indruk noemt, op een zintuig gemaakt, wordt gebezigd ten opzichte van een ànder zintuig, is die overdracht ook te beschouwen als metaphoriese betekenisontwikkeling Men begrijpt dat zulk een overdracht mogelik is, als men bedenkt hoe nauw verwant de gewaarwordingen kunnen zijn, door verschillende zinnen opgewekt Bekend is het, dat sommige mensen aan een bepaalde reuk of klank steeds de voorstelling van een bepaalde kleur verbinden 1) Wij brengen gehoorindrukken over op het gebied van het zien, als wij spreken van schelle kleuren (schel staat in verband met schallen ,luid klinken) Ook schril bet oorspr gillend, luid klinkend Helder is verwant met hellen, hallen di weerklinken; schitteren moet oorspr hebben betekend: plotseling uitbarsten van geluid (vgl het etymologies gelijke schetteren )Van Deyssel spreekt van ‘luisterende ogen’ 1) Vgl Taal en Letteren III, 221 vgg Taal en Letteren Jaargang 11 239 Gewaarwording van het gevoel, van de tastzin, is overgebracht in de uitdrukking warme en koude kleuren Ook in: de tong, het oor, het oog strelen ;in prikkelende geur; in zachte kleur, zachte tonen; scherp geluid, scherpe smaak, hard geluid, harde kleur, hard rood Gezichtsgewaarwording werd overgebracht in schoon ,gebezigd van klank, muziek enz Want schoon staat in verband met schouwen, di zien Van smaakgewaarwording gaan wij uit, als wij 'thebben over een zoete geur, een zure lucht, of zeggen: die schilderij zit lekker in de verf Vaak wordt een woord dat oorspr een zintuiggewaarwording aanduidt, voor een zielsgewaarwording gebezigd, op 'tzieleleven toegepast Vgl prikkelende lektuur, een zacht gemoed, een hard lot, scherpe gezegden Sommige van die woorden worden uitsluitend op het inwendige leven (en niet op 't gebied van een ander zintuig) overgedragen Takt (maat) wordt van rhythmus: gevoel voor 'tgepaste Droef bet oorspr niet helder, ondoorzichtig Wordt vooral in de afleidingen: droevig ,bedroefd ,van zielstoestanden gezegd Vgl verder bitter 'tBijvoeglik naamwoord verheven (eigenl het verleden deelwoord van verheffen) wordt alleen in figuurlike zin gebruikt Uitdrukkingen voor zinnelike waarneming ,overgegaan op geestelike, zijn oa voelen , dat oorspr alleen op de tastzin betrekking had en betekende: tastend onderzoeken (vgl de pols voelen) Zien ,vooral in samenstellingen: aanzien, inzien, afzien (van), (zich) voorzien (van) Verder uitdrukkingen als in 'toog vallen ,in 'toog vatten ,het schemert hem , nu gaat hem een licht op Ook: nasporen (oorspr alleen van wild, vijanden enz gebezigd: het spoor nagaan), in de snuif krijgen enz Een laatste groep van metaphers moet nog besproken worden, nl die, waarin het levenloze als levend wordt voorgesteld (personificatie) Smakelik eten lacht iemand toe; een ongeluk schuilt of zit in een klein hoekje; hemeltergend onrecht; schreeuwende kleuren Ook in veel gevallen, waarin niemand meer aan personificatie denkt: Het huis staat op een weg; een japon zit goed; een boom ligt op de grond; het horloge loopt; een venster ziet uit op de markt; een geweer weigert; een zuur bijt uit Etsen bet doen (vr)eten, uit doen vreten, doen uitbijten Als objekt volgt niet ‘een zuur’ (dàt uitbijt): men etst een metaalplaat, die uitgebeten wòrdt Taal en Letteren Jaargang 11 240 Horen in horen van, behoren, toebehoren duidt aan dat men dacht aan een ‘luisteren naar’ (vgl gehoorzamen) Daaruit ontwikkelde zich de betekenis van ondergeschiktheid (horigen, hofhorigen) en daarna die van ‘het eigendom zijn’ Uit al het genoemde blijkt dat men verkeerd zou doen, de mataphoor te beschouwen als ‘dichterlik versiersel’ Hij is in de taal onmisbaar; een noodzakelike vorm van het denken Jean Paul had geen ongelijk, toen hij zei: ‘Jede Sprache ist in Rücksicht geistiger Beziehungen ein Wörterbuch erblasseter Metaphern’ (Wordt vervolgd ) RA KOLLEWIJN Kleinigheden IV Brou Bovenstaand adjectief, dat veelvuldig voorkomt bij den Zuidnederlandschen kluchtspelschrijver De Bie in de beteekenis van braaf ,wordt door hem op een eigenaardige wijze als adverbium gebezigd Men vergelijke: Daer quam by my van daegh een brau rechtschaftich kerel Van den subtylen Smit ,1671, bl 40 T'is waer ick wou dat ick heer Smalbroeck hier cost wenschen, t'is sulcken brouwen man Madam Sacatrap ,bl 20 Iae iae is dat naer my? steckt vrijelijck noch eens daer ben ick brou ontsnapt Ibid bl 10 Mijn vader moest unaar t'gevangenhuys doen voeren, daer sout gy by de rest brou leeren coeckeloeren Ibid bl 33 Vergelijk hedendaagsche uitdrukkingen als: dat gevaar ben ik mooi ontsnapt; iemand braaf voor den gek houden; we hebben braaf gelachen; braaf drinken; braaf liegen etc Leeuwarden K POLL Taal en Letteren Jaargang 11 241 Gevraagde en ongevraagde inlichtingen aangaande Vondel's Palamedes De onderstaande aanteekeningen bij eenige regels van een tragedie van Vondel, die door candidaathoofdonderwijzers veel gelezen schijnt te worden, danken haar ontstaan aan eenige vragen om opheldering, die tot mij gericht werden, en aan de lezing van dit stuk met eene der hoogere klassen van het Kamper Gymnasium Tot de eerste soort behooren er enkele, die de vragers zelf wel hadden kunnen vinden, indien in hun boekenkast een mythologisch woordenboek en een Van Dale, beide onmisbaar bij de studie onzer taal en letterkunde, niet ontbroken hadden De lektuur van den Palamedes met de jongelui van het gymnasium heeft mij doen zien, dat de beide meest gebruikte edities: die van Van LennepUnger en de Pantheonuitgave van Velderman, niet alle gewenschte inlichtingen verstrekken en vaak onbetrouwbaar zijn; Velderman neemt veel van Van Lennep over, terwijl zijn eigen aanteekeningen somtijds van het zelfde gehalte zijn als die van zijn voorganger De interpunctie van beide uitgaven is allerdwaast en net geschikt om den argeloozen lezer er in te laten loopen Geen interpunctie is beter dan zoo'n averechtsche Wat deze heeren bewogen heeft ze zoo maar voetstoots over te nemen, begrijp ik niet, te meer daar de zoogenoemde Putjesuitgave op dit punt veel duidelijker en juister is Bij de volgende verklaringen nemen we de nummering der regels van Van Lennep over, waarmede de uitgave van Velderman klopt vs 65 'twelck wtbarst langs hoe meer, Mits ick met hengsten van 'tverovert Lesbos keer Met hoorenbeesten en een hoop geboeyde slaven, Maer 'tgoud verlochen ,om behendigh t'ondergraven Het steunsel hunner maght Deze aangewakkerde haat (zie vs 61) komt hoe langer zoo meer aan het licht, nu ik met paarden, hoornvee en slaven van het veroverde Lesbos teruggekeerd ben, doch ontken goud meegebracht te Taal en Letteren Jaargang 11 242 hebben; (men stroyt uyt), dat ik dit achterbaks zou houden, om hiermede op listige wijze de macht ‘der twee gebroederen’ te ondermijnen Deze verklaring van vs 68: Maer 'tgoud verlochen ,wordt gesteund door vs 80: Als die den roof misbruyck tot een bysonder (= particulier) voordeel vs 81 En Chirons voesterling soeck voor te trekken Hiermee wordt Achilles bedoeld vs 87 Dreygt Palamedes vry te moorden en te priemen, Hy blijft de selve man, al sneed ghy hem aen riemen, En draegt sích na sijn' plicht getrou, oprecht en kuysch; Men soecke hem waer ,men wil ,hier leyd d'Euboeër thuys Velderman zegt: ‘Hier woont d' Euboeër, hier is hij te vinden’ Ja, mits ge hier maar niet in eigenlijken, lokalen zin opvat, maar op den voorgaanden regel laat slaan Palamedes wil zeggen: waar ge mij ook zoekt, gij zult mij niet in ongeoorloofde daden vinden, maar alleen in oprechte zuivere handelingen, die in overeenstemming zijn met wat mijn plicht van mij eischt vs 101 (hy =Calches) hange 'rniet wat by Van 'tsijn, of lust 'et hem, elck hebb' sijn oordeel vry De nadruk moet op elck vallen: als Calches vrij wil zijn in zijne uitlegging van bijbelsche waarheden, laat hij dit recht dan ook aan andren gunnen vs 129 De deughd des Peleaens verstaelt met kloeck beleyd; D' eylanden en de steên aen Helles strand ,ontseyd Van af vs 115: Dits mijn' besolding dan somt Palamedes op alles, wat hij voor den bloei en het welzijn van den staat gedaan heeft; enkele regels slaan op de geschiedenis van Palamedes zelf, de meeste evenwel bevatten overduidelijke zinspelingen op de daden van Oldenbarneveld, oa de verzen 125 en 126: Met kielen ingesleept den oegst die 'toosten las (OI Compagnie); Ja daer de naelde swijmt, gestaen na vryen pas (tochten naar 'tNoorden) Alles is duidelijk genoeg, behalve vs 130 Van Lennep doet er het zwijgen toe, welk voorbeeld Velderman volgt en, hoewel deze laatste in zijn woordenlijst wel ontsegghen (= weigeren, bedreigen) opneemt, schijnt hij deze beteekenissen niet op vs 130 te laten slaan Terecht Ontsegghen moet hier beteekenen: den oorlog aandoen ,verklaren ,beoorlogen (cf Verdam, Mnl Wd ,Kiliaen en het Wd der Ned taal )Palamedes zegt dus, dat hij de Grieksche steden en eilanden den oorlog heeft aangedaan Of dit Taal en Letteren Jaargang 11 243 historisch juist is met het oog op de geschiedenis van Palamedes hebben wij niet te weten kunnen komen, tenzij de Grieksche held zinspeelt op vs 66: 'tverovert Lesbos Wij voor ons gelooven, dat dit vers, evenals bijna alle van vs 115138, op de bedrijven van den Advokaat betrekking heeft en dat Vondel wil zeggen: Oldenbarneveld heeft zijn best gedaan om de steden, die nog niet tot de Republiek behoorden, den oorlog aan te doen, ten einde ze aan Spanje te ontrukken en het gebied de geuniëerde gewesten te vergrooten vs 290 Nachtmerri, oude kol, hoe hebt ghy ons geplaeght Met uw' bebloede sweep en peckstock onderwegen De bebloede swecp is de geesel van scorpioenen, de peckstock ,de fakkel, waarmee de Furiën afgebeeld worden vs 419 Nu duncktme gaet hy glad, en 'tmagh een raed verstrecken Nu loopt hy (= d' aenslagh, vs 417) glad van stapel en moet er verder raad geschaft worden vs 478 'T isrecht Ulysses vond, maer als ick 'ternstigh wick, Het stuck isvol gevaers Laet desen raed besterven Velderman zegt: ‘De beteekenis is: Zie van dit plan af’ Niet juist: besterven beteekent hier niet verkoelen ,maar BEkoelen en Diomedes wil dus zeggen: laten we (met het oog op het gevaar) dezen raad nog eens overwegen, in petto houden, zooals ook blijkt uit zijne woorden in vs 483: Best datmen 'twat vertreck (= uitstelle) Besterven heeft hier dus de zelfde beteekenis als in: de verf ,de kalk laten besterven Zóó gebruikt ook Hooft dit woord (cf Weiland, iv) vs 532 Ja self den blixemdrigh gekroont tot hoorendrager Ja zelfs Jupiter gemaakt heeft tot bedrogen echtgenoot vs 683 Die (= Juno) bleef verschopt, en al sijn' (= Jupiter's) feest Was hoer, of jongen, of een beest Jupiter vond al zijn genoegen in den omgang met zijne talrijke minnaressen, met Ganymedes (‘jongen’) of in zijne veelvuldige gedaanteverwisselingen, waardoor hij vrouwen verleidde vs 695 Dat Minos bruyt ,het geyle dier, Sich liet bespringen van een stier Taal en Letteren Jaargang 11 Minos bruyt is Pasiphae, de vrouw van Minos II vs 747 Ghy die voor kroonengoud en vorstelijcke banden Nu voert den kopren helm Velderman zegt: ‘kroonengoud =het goud der vorstelijke kronen, Taal en Letteren Jaargang 11 244 di hier voor de Grieksche vorsten’ Dwaasheid Kroonengoud wil zeggen: gouden kronen en vorstelijcke banden beteekent vorstelijke diadeemen (cf vs 955 en 1071) De regels beteekenen: Gy, die nu, in plaats van gouden kronen en vorstelijke diadeemen, den koperen helm draagt, ie die nu, in plaats van als vorsten te regeeren, krijgsdienst moet verrichten vs 794 AJAX Ja Palamedes is't, die brout ons dit verraed Die booswicht moet van kant ULYSSES Beschut ons goede goden! DIOMEDES Dat tref Laomedon! AJAX Of eer in tyds gevloden! DIOMEDES Dat ongeluck en sy ons nimmermeer bescheert! We zijn hier in den door Agamennon bijeengeroepen raad, waar de ondergeschoven brief van Priamus, het schelmstuk van Ulysses, ter tafel gebracht en besproken wordt Agamemnon koestert niet den minsten twijfel aan de echtheid van den brief; hij moet echt en een onweerlegbaar bewijs van Palamedes' schuld zijn Ajax, den toeleg des veldheers doorziende, tracht Palamedes te verdedigen en neemt in vs 794 zijn toevlucht tot ironie ‘Natuurlijk is het Palamedes,’ zegt hij; ‘hij moet het immers zijn; die booswicht moet om hals gebracht worden’ Hierop roept Ulysses uit: ‘Beschut ons goede goden’ (tegen dit verraad) Deze uitroep van den sluwen, schijnheiligen Ulysses is meesterlijk door Vondel gekozen, omdat hij zoowel op vs 794 als op vs 795 kan slaan, alsof Ulysses, om des te beter zijn ware gezindheid voor Ajax te verbergen, en verbaasd over de krasse, met opzet misverstane woorden van dezen, zijn groote verwondering en ontsteltenis wil te kennen geven over zulk een strengen maatregel Op Ajax' woorden roept Diomedes uit: ‘Moge dit verraad op den kop van Troje neerkomen’ ‘Of,’ valt Ajax in, terwijl hij zijn ironie volhoudt, ‘als jelui bang zijn, dat wij het op den kop krijgen, dan is het beter, dat wij het in tijds op een loopen zetten,’ waarop Diomedes antwoordt: ‘Dat ongeluk (dwz dat wij moeten vluchten, na zooveel gevaren getrotseerd te hebben) moge nooit voor ons weggelegd zijn’ Taal en Letteren Jaargang 11 245 vs 810 Hy merckt de misdaed licht, diese anders mercken wil anders =ten minste (cf Ned Wd iv IV); de nadruk valt op wil vs 830 Besadight breyn uschey'; die rechter iste bits Die rechter slaat niet op breyn, maar op spits =zwaard (vs 829, 828) vs 867 'T islicht een hoofd gevelt in reuckeloosen tooren; Maer kunst is't, let hier op, den wortel gants te smoren, Wanneer den hals in plaets van een veele hoofden telt Zoowel in vs 867 als in vs 869 moet op één de klemtoon vallen vs 976 Wy sijn gehult ,gesalft tot Jupiters trawanten gehult is het part perf van hulden =plechtig aanstellen (in eene waardigheid), bij Kiliaen: inaugurare principem Van hier het subst: hulding (= huldiging); cf Weiland, iv vs 1042 Maer beur uw voorhoofd op, en toon dat ware deughd', Als d'eedle pallemboom, geen' last te droegen weygert, En tegens 'tswaer gewight der lasteringen steygert ‘En laat zien, dat ware deugd zich verheft (= te meer aan den dag komt) tegen het zware gewicht der lasteringen in, evenals de palmboom te hooger opschiet, naarmate zijn kruin meer belast wordt,’ eene zinspeling op het Latijnsche: palma sub pondere crescit vs 1054 Jupijns manhafte soon ,sijn neef de Peleaen Erbieden sich om strijd Jupijns manhafte soon is Ajax, cf vs 1477; sijn neef de Peleaen is Achilles, cf, vs 1483 Velderman zegt dat met ‘sijn neef de Peleaen’ prins Frederik Hendrik bedoeld wordt Mis Met Jupijns manhafte soon bedoelt Vondel dezen prins (cf ‘de sleutel van Palamedes’) en met den Peleaen hier den gezant van Frankrijk (cf Van Lennep's aanteekening bij vs 1483) vs 1143 Ick sal gedaghvaert dan voor Agamemnon treden, En tegenwoordigh self den loosen raed bekleeden, Taal en Letteren Jaargang 11 En wtstaen met geduld het sy oock wat het sy Van Lennep verklaart hier loosen raed als voor den leus belegden raad, welke interpretatie door Velderman iv loos overgenomen wordt Daargelaten of 'twoord deze beteekenis kan hebben, strijdt deze uitlegging met het verband van onzen tekst Palamedes weet niet precies, wat er tegen hem gaande is, maar dat Taal en Letteren Jaargang 11 246 men het op hem gemunt heeft, daarvan is hij overtuigd, zooals blijkt uit vs 1023 vlg: Men vordertme in den raed; hoe derf ick my vertrouwen? Het isop my gemunt ,daer iswat quaeds gebrouwen Men mompelt allerleyds; men stroyt een valsch gerucht Van zijn kant kan Palamedes dus niet van een voor den leus belegden raad spreken; hij weet maar al te goed, dat hij vijanden heeft, die het er op toeleggen bewijzen van zijn schuld in handen te krijgen En van de zijde van Agamemnon, zijn bitteren vijand, ‘die het op hem gemunt heeft,’ zal Palamedes allerminst het bijeenroepen van een voor den leus belegden raad verwachten Loos heeft in dit vers de beteekenis van: bedriegelijk (vs 1025: men stroyt een valsch gerucht), verraderlijk ,gemeen ,die dit woord doorgaans ook in het Mnl had (cf Verdam, iv loos 3) Den zelfden zin heeft loos ook in vs 1271: loosen brief en in vs 1293: de schelm en loose dief In vs 1299: Soo heeftmen 'tloos geheym ontdeckt kan loos de minder ongunstige beteekenis: listig ,sluw hebben, welke Kiliaen als de gangbare van zijn tijd opgeeft en die ook reeds in de Middeleeuwen (cf Verdam, iv loos 4), hoewel betrekkelijk zelden, voorkomt vs 1327 Alree het dan gesaeyt gestarnt Verflaeut, en niet soo vyerigh barnt De schaduwe isaen 'toverleenen De nacht het opgeeft Velderman zegt: ‘overleenen =overbuigen Misschien bedoelt V, dat de schaduw zichtbaar wordt, dat de zon weldra (sic) hoog genoeg gerezen is om schaduw te werpen Anderen zien in de “schaduw” de betrekkelijke duisternis van den nacht’ Het eerste gedeelte van deze verklaring is al heel gek Hoe kan de zon schaduw geven, als ze weldra hoog genoeg gerezen is om schaduw te werpen? De zaak is, dat Vondel in de acht eerste regels van deze keurige Rey beschrijft, wat er aan het opgaan van de zon voorafgaat, en met vs 1335 de schildering van hare verschijning boven den horizont begint In de eerste verzen teekent de dichter den wijkenden nacht en de afnemende schemering Hij zegt: ‘Het licht der sterren wordt al flauwer en flauwer; de schaduwe , dwz de schemering helt meer naar den dag dan naar den nacht over (wordt al zwakker en zwakker), zoodat de nacht, het hopelooze van zijne worsteling met den dag inziende, den strijd opgeeft en met zijn heer van sterren op de vlucht staat vs 1394 En brengen soo veele hoofden t'saemen Taal en Letteren Jaargang 11 247 De aanteekening van Van Lennep bij vs 1397 en 1398: ‘hier wordt de lezer bepaaldelijk uit den fabeltijd in de 17 de eeuw verplaatst’ had wel bij dit vers gezet mogen worden, omdat Vondel in dezen regel de voornaamste bezigheid van den Advokaat in de vergadering van Heeren Staten aangeeft vs 1406 'twelck 'thart de siel doet quynend braecken dwz het vergif maakt, dat het hart het wegstervende leven uitbraakt; quynend heeft hier de kracht van een adj verbaal, behoorende bij siel (= het leven) vs 1407 Oock schuylt hy voor de poegnerts vry, Die achter de tapissery Den man van staat het lijf ontsegghen Onwillekeurig denkt men bij deze verzen aan Shakespeare's Hamlet ,Act III, Scene IV (Zie T & L II, 251) vs 1444 Hoe vrees en hoop in my nu ebben, nu weer vloeyen vloeyen staat hier tegenover ebben en =vloeden, vloed worden, rijzen vs 1507 En lette op voglesang, op spoock en ydle droomen, Op drift van God drift =inspiratie vs 1524 Hier prachte Calches meê, om nooddrufts eysch te krygen En bedelde achter land, gelyck hy was gewent Velderman verklaart prachen door pochen, bluffen, uitpakken; mis; zooals uit het zinsverband genoegzaam blijkt, beteekent prachen :bedelen, bij Kiliaen: mendicare Weiland en Van Dale geven het woord ook op vs 1576 Maer al vergeefs, helaes; sy vonden alle tempels Verlaeten van de Goon, van hayligdom het koor di zij vonden het koor verlaten (beroofd) van hailigdom =heilige, gewijde voorwerpen; Kiliaen: res sacrae vs 1655 Dat honderdoogigh hoofd, die wachter ben ikmoe, En Argos Argus haet, alwaer 'tmaer om de koe Taal en Letteren Jaargang 11 Dat honderdoogigh hoofd ,die wachter =Argus, waarmee de Advokaat bedoeld wordt Argos staat hier metonymisch, niet voor Diomedes zooals Velderman zegt, maar voor Agamemnon ,den koning van Argos vs 1785 geteelt Om barrevoets geschoeyt te gaen met eelt Met eelt verbinde men met geschoeyt Taal en Letteren Jaargang 11 248 vs 1818 'tSprietooghter al, geslagen van den dagh Sprietoogen ,een woord, dat Kiliaen reeds kent, beteekent dubbel en dus onduidelijk zien: de bewoners van de onderwereld, getroffen door het felle licht van den dag, zagen alles dubbel, onduidelijk Van Dale kent het woord slechts als medischen term vs 1821 Viert, kort en vlyd de keten met sijne hand Vlyd van vlijen ,hier transitief gebruikt in den zin van: van pas maken ,op de juiste lengte brengen; ons vlijen is intransitief in den zin van te pas komen :Dat vlijt mij niet vs 1823 Met sweem de Son, en 'tlicht ontsonck syn 'siel Syn slaat op son, hoewel 'twoord vrouw is Vondel personifiëert hier de dagtoorts en denkt dan aan den zonne god vs 1829 Als hy syn hoofd door 'sHemels nave stack Nave beteekent hier: centrum ,middelpunt ;de naaf van een wiel is de ‘middelste, holle verhevenheid, waardoor de as gaat en waarin de spaken bevestigd zijn’ vs 2098 Vervallen in 'tgedruys der Caphareesche klippen Caphareesche van Caphäreus ,een berg en voorgebergte op Euboea vs 2112 Ulysses evenwel en 'twrongkroondraegende Hoofd Een wrongkroon is een kroon in den vorm van een wrong =diadeem; 't wrongkroondraegende Hoofd is Agamemnon vs 2170 Cassandra, vol van God, ter sael komt ingevlogen, En met haer roosenhoed den lijcke d'wterste eer Bewijst, en kranst den romp Uit den samenhang blijkt hier, dat Vondel hoed gebruikt in zijn Middeleeuwsche beteekenis van krans ,welke Kiliaen reeds als verouderd opgeeft; roosenhoed is dus: krans van rozen vs 2194 Taal en Letteren Jaargang 11 Daghvaerden staende voets, de felle Raseryen Met biesend slangenhayr en ysselijck gegrim De ‘Raseryen’ of Furiën worden voorgesteld met kronkelende slangen in plaats van met haar op het hoofd; slangenhayr wil dus zeggen: slangen bij wijze van haar Biesend ,part praes van biezen (= bijzen ,dial bissen ,en volksetymologisch: pissen ,zooals het door het volk gebruikt wordt in: ‘Als de eene koe pist (ie biest), tilt d'n ander zen staart op ’)beteekent hier: in de hoogte stuivend vs 2219 dan na Trinacria Taal en Letteren Jaargang 11 249 Trinacria ,oude naam voor Sicilië vs 2224 Dan tweemaal daar Aeool sijn' setel heeft gesticht Aeool =Aeolus, de god van stormen en winden, die ‘syn setel heeft gesticht’ op de Aeoliae =de Liparische eilanden vs 2226 Dan weer naar Antiphaet Antiphates was koning der Laestrygones, op Sicilië vs 2309 Of treen Caysters boord, die wit Van langgehalsde swaenen sit Caysters is drielettergrepig vs 2299 Dat maegdelycke pruycken In groene olyven duycken dwz ‘dat de hoofden der maagden zich tooien met olijfkransen’ Pallas Athene was de beschermvrouwe van den olijfboom vs 2301 En 'thaer met silver niet vertuyt Nocht paerlesnoer, maer als een bruyt, Den witten hals bekleede, En deck' na d'oude sede Ter eere van Pallas Athene, die altijd afgebeeld wordt met afhangende vlecht, moesten de meisjes het haar niet opbinden, maar het, evenals de godes, onopgesmukt laten hangen vs 2315 'Tsy 'tgeen verdreven balling Nocht voeder heeft, nocht stalling Voor Griecxsche kleppers, en met druk Vlood herwaerts, om Achilles juck En heerschappy te schouwen In veylige landouwen Men leze: 'T sy 'tgeen, verdreven balling, waarin hetgeen =dat volk, dat, als pron demonstr gebruikt is Taal en Letteren Jaargang 11 De conjectuur van Van Lennep, dat in deze passage van de Armeniërs gesproken wordt, is niet zeer waarschijnlijk, omdat deze veel te ver van het tooneel van den strijd verwijderd waren De overige hier genoemde volken woonden alle om Ilium Welk volk bedoelt de dichter dan? vs 2322 En d' Ilyasche vesten voor Lyrnes (koor) Lyrnes :‘Trojaansche stad’ (Van Lennep); juister: stad in Mysië, later verdwenen Taal en Letteren Jaargang 11 250 vs 2349 O dochter van den Dondergod, Minerva, ghy bewaeckt het slot Van uw Godsdienstigh Trojen Het slot is de burcht van Troje: Pergamon De burchten stonden onder de bizondere bescherming van de krijgsgodin Minerve =Pallas Athene vs 2366 Voor uklinckt ruyspijp en schalmey ruyspijp ,bij Kiliaen ook sackpijp (tibia utricularis) genoemd, beteekent: doedelzak Kampen Dr SS HOOGSTRA Kleinigheden V Er eyeren in slaan Nicolaas Heinsius, de schrijver van De Vermakelyke Avanturier ,houdt nogal van vermakelijke beeldspraak, waarvan wij hier een staaltje laten volgen: ‘De nieuwsgierigheid en begeerte, die ik had, om de oorsaak van dese syn uitmuntende blydschap te weten, veroorsaakte, dat ik in syn wydlopige welsprekendheid en welsprekende wydlopigheid een paar dousyn eyeren wenschte, om deselve wat korter te maken Evenwel geloof ik, dat hy 'er nog wel een snees Rhetoricaalsche figuren sou in gelapt hebben, eer hy tot d' Anatomie ofte d' ontleding van de zaak gekomen was, indien ik hem niet gebeden had mij dezelve zeer succinctelyk te verhalen Hy was een Man van een al te rypen oordeel, om niet te bemerken dat zyn eloquentie myn aandagt een verschrikkelyke muilpeer gegeven had’ (Editie 1756, bl 340) Om den eersten volzin goed te verstaan, wete men dat 'er eyeren in slaan in de 17 eeeuw een gewone uitdrukking is voor ‘zich haasten’ Slaet er wat eyeren in beteekende: haast je wat, maak het kort Hier volgen nog eenige voorbeelden: Maar waar mag Godefroy blijven? hy maakt zijn voorreden bezukt lang Ja wel, zoo hij 'er niet wat eyeren in slaat ,zoo word ik wel half bang, Dat mijn ouden sintenel zijn post zal verlaten, en dat hem den tijd zal vervelen Van Paffenrode, Ged 1700, bl 67 Slaeter wat eyren in,hoorje? maeket wat kort Jan Vos, Kl v Oene ,1646, bl 1 Nu slaat 'er wat eyeren in,en kom voort weêr A Alewyn, Philippyn ,1707, bl 27 Hans klopt daer eyeren in,dan valt usegghen kort De Bie, Van den Rampsalighen Minnaer ,1707, blz 15 De oorsprong der uitdrukking ligt in 'tduister Leeuwarden Taal en Letteren Jaargang 11 K POLL Taal en Letteren Jaargang 11 251 Kleine meedelingen over boekwerken Het Dialect van EltenBergh ,door M Bruijel Dit proefschrift werd in 'tlaatst van April aan de Utrechtse Universiteit verdedigd Bij de fonetiese beschrijving van dit dialekt is het apparaat van Zwaardemaker (zie T & L IX, 74, vv) gebruikt Dan volgt als IIeen geschiedkundig overzicht, als III woordvorming, en als IV een woordenlijst Onder de litteratuur mis ik Van Helten Van de stellingen citeer ik hier: ‘Bij vaststelleng van de regels voor orthografie moet geen etymologie toegepast worden Het eerste werk van een literatuurhistoricus moet wezen het navoelen en het psychologisch ontleden van de te behandelen stof Dan volge het specifiek historische deel, biografisch, filologisch onderzoek en een schildering van de tijdgeest, die het werk zijn plaats aanwijzen in zijn omgeving en in de tijd Wanneer men eene motiveering voor het samenbrengen van de zoogenaamde lyrische poëzie onder één groep, hierin zoekt, dat deze slechts met het gevoel te maken heeft, of bij uitnemendheid tot het gevoel spreekt, dan is dit een bewijsvoering, die niet vol te houden is Het is evenmin vol te houden dat de zg lyrische poëzie de subjectieve poëzie bij uitnemendheid is De aangenomen indeeling der poëzie in epische, lyrische en dramatische is slechts uit practisch oogpunt, als gemaakt ter wille van het overzicht, te rechtvaardigen’ XII oude Liederen met 5prentjes versierd door PH van Moerkerken Jr Amsterdam, 1900, SL van Looy Een klein boekje met twaalf middeleeuwse liederen, een uitgave bestemd voor een rustig hoekje zover mogelik van de studeertafel weg, iets voor 'tgedichten lezend publiek Geen historiese inleiding, geen wetenschappelike en verklarende aantekeningen, eenvoudigweg een verzameling gedichten om Taal en Letteren Jaargang 11 252 te worden gelezen als gedichten Eigenlik zijn 'tliederen, immers ze werden gezongen maar ze worden hier gegeven zonder muziek, als gedichten En mooi zijn ze ook zó! Negen van de twaalf zijn van de bekendste middeleeuwse minnedichten: Heer Halewijn, Het daget in den Oosten, Ic stont op hoge bergen, Dat alle bergen goude waren, Twee conincskinderen enz De laatste drie zijn geestelike liederen oa 'tmooie Ic wil mi gaen vermeiden 'tBoekje is heel eenvoudig maar net gedrukt, en de vijf plaatjes, in stijl 'tnaiefmiddeleeuwse van de handschriftprentjes zoveel mogelik gevolgd en in rode inkt afgedrukt, voldoen goed D Romans in Proza ,door Prof dr Jan ten Brink In afleveringen bij EJ Brill Leiden Men lette wel: 'tgeldt hier alleen de romans in proza Het plan van de schrijver is ‘de geschiedenis der voornaamste Europése romans te verhalen, met dit voorbehoud dat in hoofdzaak van de romans in proza der Romaanse en Germaanse volken zal worden gesproken’ De vraag komt dadelik op, of de ‘roman in proza’ in de literatuurgeschiedenis werkelik bestaat als een afzonderlik kunstprodukt, waarvan men de ontwikkelings geschiedenis kan nagaan; of men romans in proza maar zo mag scheiden van de romans die rijmen Niemand zal er aan denken een afzonderlike geschiedenis te schrijven van 'tdrama in proza, tegenover dat in verzen Onze tegenwoordige prozaroman staat wel zonder metriese en berijmde mededingster, maar ik geloof niet dat er door iemand beweerd wordt dat zij zich ontwikkeld heeft alléén uit de prozaroman der vroegere eeuwen Daar hebben de romans in verzen evenveel toe bijgedragen De schrijver begint dan ook zijn inleiding met dat bezwaar ‘Romans in verzen en romans in proza zijn alleen naar den vorm verschillend,’ aldus zegt hij zelf, en even later volgt als verklaring waarom hij toch onderscheid maakt: ‘scheiding tusschen beiden te maken is alleen streven naar eenige splitsing der al te rijke, al te omvangrijke stof’ Er zou ook weinig bezwaar tegen bestaan, als de schrijver zich had bepaald tot een soort opsomming Hij geeft echter veel meer: ‘Mijn hoofddoel is de wording en de ontwikkeling van deze kunstwerken aan te wijzen, en te toonen: hoe de romans van lateren tijd zich aansluiten bij die uit vroegere dagen, hoe in ieder tijdvak bekende motieven op eigenaardige en oorspronkelijke wijze zijn bearbeid’ Laat men nu in deze ontwikkelingsgeschiedenis de romans in verzen (dat is, onder meer, bijna alles wat de Middeleeuwen aan romans hebben opgeleverd) op de achtergrond, dan wordt 'tuit den aard een werk met hiaten Maar toch, al te gewichtig mag dit bezwaar niet gemaakt worden Over de romans in verzen is genoeg elders te vinden; 'tis juist Taal en Letteren Jaargang 11 253 de roman in proza die in de meeste litteratuurgeschiedenissen als stiefkind is behandeld naast haar berijmde zuster, en daarom zal dit werk voor velen zijn een welkome gids; 'tis een samenvatting van de invloed die naast andere kunstwerken de vroegere prozaromans hebben uitgeoefend op wat nu toch is geworden 't hoofdprodukt van onze letterkunde, tenminste wat kwantiteit betreft Een korte aanduiding van de inhoud der tot nu toe verschenen afleveringen geve een karakterisering van 'twerk De reeks wordt geopend met de Griekse romans van de vijf eerste eeuwen na Christus, zwak naar inhoud en vorm, maar groot in betekenis door de invloed op de schrijvers der Middeleeuwen en der 16 de eeuw (de geschiedenis van Theagenes en Chariclea, van Heliodorus); allen sentimentele liefdesgeschiedenissen, zonder psychologiese karakterstudie, waarin langzamerhand avonturenverhalen komen door de scheiding die de gelieven moeten doormaken vóór hun eindelike vereniging De Latijnse roman volgt, met allereerst als voorbeeld de ‘satirae’ van Petronius, de ‘elegantiae arbiter’ van Nero Geen eroties element als in de Griekse romans; een aaneenschakeling van omzwervingen die tegelijkertijd een voorstelling en bespotting geeft van 'tleven van die dagen in ZuidItalie, de eerste roman de moeurs En als tweede voorbeeld de ‘Metamorphoses’ van Apuleius, eveneens een reisverhaal afgewisseld door tal van ingelaste vertellingen (oa Amor en Psyché) De behandeling der Middeleeuwse romans bevat weinig dat niet in iedere litteratuur geschiedenis te vinden is bij de romans in verzen 'tUitvoerigste wordt er gesproken over de prozaboeken der Britse romans, en biezondere aandacht verdient de inhoudsopgave van de prozaroman Kulhwch en Olwen Maar van Boccacio, Chaucer cs hoort men niets, want dat zijn verzen Met de ‘Amadis’ romans, de latereeuwse verheerliking van de middeleeuwse ridderdeugden worden we weer naar het Zuiden gevoerd, naar Spanje, 'tland waar de ridders 'tlangst gebleven waren, en waar de ‘Amadis’ van Montalvo aanleiding gaf tot een eeuwenlange teelt van ridderromans, maar waar ook in 'tbegin der 17 de eeuw de bijtende parodie op het dwaze in die litteratuur verscheen in de ‘Don Quixote’ van Cervantes 'tVijfde hoofdstuk behandelt de herderromans, 'tmotief van twee gelieven, nu niet meer rondzwervend en avonturen belevend, maar dwalend door schilderachtige landschappen, de nauwere aansluiting van 'tverhaal aan de natuur, door de renaissance overgebracht uit de Griekse romans (Longus) naar Italië, en vandaar vooral door de ‘Libro Arcadio’ van Sannazaro over Europa verbreid En dan eindelik de ‘schelmenromans’, ingeleid door de ‘Lazarillo de Tormes’ waarin tegenover de ideale vlucht van de Amadissen en 'tsentiment van de herders Taal en Letteren Jaargang 11 254 romans de eenvoudige levensloop van een bedeljongen gesteld werd, met al diens handigheden om wat te eten te krijgen, verhalen die navolgers vonden vooral in Frankrijk en Nederland Zover is de schrijver gekomen in de vijf verschenen afleveringen (er worden er tien beloofd) en blijkens het plan van uitgave is hij daar mee ook op de helft van zijn werk Hij zal nu nog behandelen: Heroïese romans, Robinson en zijn gevolg, romans in brieven, sentimentele romans, historiese romans, humoristiese romans, psychologiese romans, en eindelik realistiese en naturalistiese romans 'tVolgen van vaste motieven zal in de romans der jongste eeuwen telkens moeiliker worden 'tOpsporen van de oorsprong en de verbreiding der motieven geschiedt trouwens in de reeds verschenen hoofdstukken meest slechts met vluchtige aanduidingen 'tKon moeilik anders in dit bestek Want telkens komt de schrijver daarbij op 'tuitgebreide gebied der folklore Er zou nog heel wat meer verteld kunnen worden over de invloed der volksvertellingen die toch eigenlik ook behoren tot de prozaromans, al bleven ze lang ongeschreven D Lope de Vegas Dramen aus dem karolingischen Sagenkreis ,von Albert Ludwig, Berlin, Mayer & Müller Dr J Ten Winkel heeft indertijd in zijn, ‘Invloed der Spaansche Letterkunde op de Nederlandsche in de zeventiende eeuw’ een merkwaardige studie geleverd over de elementen uit Spaanse werken overgebracht oa op 'tNederlands toneel, toen hier door Jan Vos, cs een romantiese terugwerking kwam tegen de klassieke toneelstukken 'tWaren trouwens niet slechts Spaanse elementen, 'twaren gehele Spaanse stukken die vertaald, hier een enorm succes hadden Jonckbloet heeft in zijn ‘Letterkunde’ een lijst der hier opgevoerde vertaalde stukken opgemaakt uit de gegevens van dr Te Winkel, en daaruit blijkt dat die stukken, vooral die van de Vega en Calderon, niet alleen werden opgevoerd, maar tal van herdrukken beleefden, sommigen zes, anderen negen, enkele zelfs tot elf en dertien herdrukken toe Alle reden dus om een verzameling gegevens over Spaanse toneelwerken en vooral over die van de Spaanse Shakespeare, Lope de Vega, welkom te heten 'tBovenstaande werk is een bijdrage tot de ‘Spezialforschung’ over de Vega Bij iemand die zo'n ontzaglike massa toneelwerken geschreven heeft als de Vega (dr Van Vloten noemt 'taantal 1500) is een studie van onderdelen alleszins begrijpelik De hier behandelde rubriek bestaat uit een zevental stukken, waarin onderwerpen uit de Karelsagen gedramatiseerd zijn Maar van de verhalen der chansons de geste is bij de Vega weinig meer overgebleven dan de ruwe omtrekken, bij de meesten zelfs niet veel meer dan de namen, Taal en Letteren Jaargang 11 255 en bovendien is de Middeleeuwse geest geheel verdwenen Daarentegen is er veel in te vinden van 'tmoie van de Vega's kunst en van zijn persoonlike dramatiseringsgave, zo sterk afwijkend van de trant der ouden, die toen overal (behalve in Engeland) werd nagevolgd D Over lichamelijke straffen ,de baldadigheid der Jeugd en de rechtspositie der Onderwijzers ,door JW Gerhard (Amst Prijs 20 cent) In deze brochure wordt op heldere wijze betoogd, dat er gevallen zijn, waarin een lichamelike tuchtiging, door een bezadigd, vaderlik onderwijzer (LO) op zijn leerling toegepast, niet alleen gerechtvaardigd, maar wenselik en nodig kan wezen Ik geloof niet dat tegen deze stelling deugdelike argumenten zijn aan te voeren Maar is de kwestie daarmee opgelost? In grote gemeenten zijn er natuurlik altijd onderwijzers, die jong, prikkelbaar, driftig zijn, en in zelfbeheersing het hoogste niet hebben bereikt En nu ligt mi de moeilikheid hier: men moet òf lichamelike tuchtiging in het algemeen verbieden wat somtijds leidt tot moeielikheden, en nadelig kan zijn zowel voor de orde als voor het kind Of men moet het slaan in biezondere (zeer moeilik te omschrijven!) gevallen goedkeuren en er op voorbereid wezen dat nu en dan van dat tuchtmiddel misbruik zal worden gemaakt Nu is voor (en tegen) het een misschien evenveel te zeggen als voor (en tegen) het ander Persoonlik voel ik er iets voor, niet elke lichamelike tuchtiging te verbieden (tegen mishandeling dient natuurlik met ijver en strengheid gewaakt) Maar ik vind het jammer, dat de heer Gerhard in zijn zeer lezenswaardige brochure alleen op de voordelen van lichamelike straf het licht heeft doen vallen, en de bezwaren, ontegenzeggelik aan de toepassing van zo'n straf verbonden, geheel in de schaduw laat RAK Inhoud van Tijdschriften: De Nieuwe Gids ,No 5, Mei 1901, oa: Stijn Streuvels ,Doodendans Willem Kloos ,Verzen J de Meester ,Geertje, III WF Gouwe , DooiWeer WF Gouwe ,Sonnet J Hora Adema ,Een dissonant Taal en Letteren Jaargang 11 256 Tweemaand Tijdschrift ,3e afl, Mei 1901, oa: Albert Verwey ,Tijdzangen J de Meester ,Zondagmorgen Cyriel Buysse ,De Eenzame Karel van de Woestijne ,Verzen J Koopmans ,Tondalus' Visioen Albert Verwey ,Jac van Looy: SchilderSchrijver André Jolles , Aan Tilli Mönckeberg Ary Prins ,De Heilige Tocht (vervolg )Stijn Streuvels ,Doodendans De Arbeid ,afl 7, 1901: J Eigenhuis ,Afgebeuld Marie Marx Koning , Van het licht, dat niet gezien werd W van Overbeke ,Kinderleven Lode Baekelmans ,Marieken van Nijmegen De Gids ,No 5, Mei 1901, oa: Augusta de Wit ,De Prinses Marcellus Emants ,Inwijding (Fragment) Carel Scharten , Lenteuchtend Elsevier's geïll Maandschr ,afl 5, Mei 1901, oa: P Valkhoff ,Een weerzien (Uit het leven van Marie Barnholt) J Everts Jr ,Marianne Jeanne Reyneke van Stuwe ,Liefdezangen Woord en Beeld ,April 1901, oa: Marie Marx Koning ,Twee Sprookjes F van der Goes ,Dr W Doorenbos (met portret) Boon's geïll Magazijn ,No 22, April 1901, oa: Willem van Zuylen Geboren 3April 1847, overleden 11 Februari 1901 In memoriam Jeanne Bouberg Wilson ,'tOude liedje Nederland ,No 5, Mei 1901, oa: G de Graaf ,Zwartkop Arnold Huisman ,Den boer op JA Dalmeijer Jzn Zomers weêrkomst De Tijdspiegel ,No 5, Mei 1901, oa: Gustaaf Segers ,Zuster Amanda, I Noord en Zuid ,XXIV Jaarg 1901 No 3, 4en 5, oa: B Schelts van Kloosterhuis ,Het opkamertje van den Onderwijzer, De twee Bultenaars van Staring II JL van Dalen ,Bellamy's Roosje JE ter Gouw , Taal en Zeden onzer vaderen toegelicht door eenige oude kluchtspelen: III Eten, drinken en rooken Nauta ,Danse macabre Tijdschrift tot bevordering van de studie der Paedagogiek ,1e Jaarg 2e afl, April 1901, oa: J Geluk ,Methoden van Onderwijs, in den Bijbel gevolgd F de Muinck ,Kinderpsychologie (Uit een dagboek over een kind) H de Raaf ,Het begin van het opstel in het derde leerjaar [Wil boeketaal onderwijzen] Tijdschr v Onderwijs en Handenarbeid ,5e jrg, No 4, oa: Gs Borea ,De opvoedende Waarde van het Onderwijs in Handenarbeid uit een zielkundig oogpunt Zeitschrift für Deutsche Philologie ,32 Band, Heft IV, ua: A Koppitz , Gotische wortstellung Taal en Letteren Jaargang 11 257 Vondelstudieën VDe Immanente Liefde Er zijn te allen tijde gelovigen geweest, die God hebben willen zoeken door in te leven in Z'n eigenschappen Van die Goddelike eigenschappen werd 'et hoogst gesteld de Liefde, zo belangeloos groot, dat ze van 'tmensdom geen voedsel uit wederliefde behoefde, maar uit 'n onuitputtelike bron met onverminderde kracht steeds voortging, 'et afdwalende en verharde aards geslacht te vertederen en op te richten; en daarom streefden dan ook Z'n trouwste navolgers, door Z'n zelfverlochening in de Menswording geprikkeld, op hunne wijze eveneens te verlochenen wat hen 'tmeest aan de aarde bond, wat hun ogen begeerden en waarnaar hun handen zich strekten, wat hun behoeften vroegen en wat hun lusten verlangden Zo trachtten zij, waar God zichzelf in de Zoon had gegeven, zij óók zich zelf te geven in eigen doding, met Abraham beseffende, dat de kroon van 't kindschap Gods eerst te behalen zou zijn met de volledige afstand van hun vlees en hun bloed Doch mensen zijn geen geesten, en terwijl 'et bovenmenselik gedacht Iedeaal 'theelal met liefde vermocht te doortintelen, moesten de aan de aarde gebonden schepselen hun kracht en ijver sterken in de stoot waarmee ze de wereld verstieten, en konden ze, waar de Christenleer 'n allesomvattende mensenliefde vroeg, met hun lager aanleg niet vermijden dat hun begeerte naar God de trilling liet voelen van hun wereldhaat en hun zondeangst Aldus hebben zij die 'tzwaarste om de eenheid hebben gestreden, ook 'tsterkste van hun wezen de tweeheid gevoeld Niet, 'et evenwicht brengen, deed 'et Christendom: 'tverbòrg wèl de beloofde harmonie, maar slechts voor worstelaars Onophoudelik bazuinde en maande in hun oren 'tEvangelie: ‘Zoek bovenal de Liefde!’ en ten slotte onmachtig de harmonie in henzelf en met hun omgeving te kunnen vinden, sloegen ze van mystieken om in symbolisten en legden ze er zich op toe de harmonie van 'et Goddelike op te sporen in z'n afspiegelingen verborgen in de gevoelens en de daden der mensenwereld Zo de Godsliefde opoffering en prijsgeving was, zou dan onder de Taal en Letteren Jaargang 11 258 mensen, die toch 'et Godsbeeld droegen, er geen liefde zijn, die in kracht en in tederheid, in zinrijkheid en in onuitblusbaarheid 'et meest de hoogste Bron nabij kwam? Zou 'et onderpand dat God in 'tbloed van Christus tot 'n eeuwige verbintenis had gegeven, niet te benaderen zijn met 'et woord van gelofte dat de bruid en de bruigom onderling samensnoerde? De Schriften zouden 'et uitwijzen Reeds hoorde men 'tverbond tussen God en de Wereld, dat 'n zichtbare gestalte had gevonden in Christus en z'n Kerk, door Davids profetiese geest voorspeld Het Lied der Liefde 1)bezingt de aanstaande Koning, zoals de volkverwachting der Joden zich de van Jahwe gezondene dacht, als de bruidegom ,vol heerlikheid en majesteit, 'et zwaard omgord, de rechtvaardige schepter zwaaiend op de eeuwige troon, tot roem van de volken en tot heerschappij van de geslachten; de bruid daarentegen, in haar schoonheid en pracht, inwendig heerlik van geest, de aangebedene van rijken en steden, wordt beschreven als buigende voor 's bruidegoms stoel; beiden, leerde de oudChristelike symboliek, hielden als bruidspaar 'et Godsgeheim verborgen, dat zich later zou openbaren in de verbintenis tussen God en de mensen Salomo's beurtzang 2)gaf mede klem aan deze verklaring: de verliefde jongeling maalt er de heerlikheid af van z'n bruid, terwijl Sulamith op haar beurt de voortreffelikheid van geest van haar geliefde verheft Aan de allegorie kwam de typiek te hulp Adam, de eerste man, en gekneed uit 'n toenmaals noch onbesmette en noch niet door de zondeval verontreinigde aarde, had Christus voorspeld, geboren uit de reine en intakt gebleven Moedermaagd; Eva daarentegen typeerde de Kerk, omdat volgens 'et Godswoord, 'et zaad van de slang vermorzeld zou worden door 'tzaad van de vrouw, wat wel niet anders kon worden verklaard, dan dat 'et rijk der demonen zou worden vernietigd door de uit Eva voortgesproten mensengeslachten, in éne gemeente verenigd, en tot éne Moeder te brengen Waar op die voet het huwelik tussen man en vrouw in 'tOude Verbond op Gods Zoon en z'n Christelike Bruid werd herleid, moest waar 'tpas gaf, de lieteratuur van 'tNieuwe Verbond, die zich rechtstreeks met Christus bezig hield, zoveel te méér wijzen op de zichtbare of onzichtbare Kerk; en verklaarbaar is 'et dus, dat in de parabel van 'et bruilofstkleed 3)de gasten die tot de bruiloft, di 'et koninkrijk der hemelen worden uitgenodigd, maar in gering getale worden uitverkoren, de rechtvaardigen zijn die tot de Christelike gemeenschap worden toegelaten, terwijl de afgewezenen degene zijn die ter helle worden uitgeworpen Maar vooral vestigde zich de aandacht op Jezus' 1) Ps 45 2) Hooglied IIII 3) Matth XXII Taal en Letteren Jaargang 11 259 wonderdaad op de bruiloft te Kana Want dat de Heiland daar door z'n verschijning, en door z'n bekende omschepping van water in wijn zelf tot de vermeerdering van de feestvreugde had bijgedragen, kon niet anders opgevat worden, dacht men, dan dat Christus door z'n zinnebeeldige handeling, die toch z'n Verlosserschap en z'n dood aan 'tKruishout voorspelde, z'n zegel en z'n wijding had willen geven aan 'n van ouds gebruikelike instelling, die door God zelf bij de wereldschepping was ingezet Nu laat 'et zich horen, dat hoe meer iemands Christelike natuur asceties voelde, hij des te meer geneigd was in 'thuwelik 'n mystieke verbloeming te zien, en zich ook in die mate gedrongen gevoelde, om zelf in 'n innige verbinding met de Godheid te treden, of als geestdriftig zanger 'et bruidschap van de Kerk als 'tware huwelik te bezingen Deze mystiese opvatting nu, gold zowel de Protestanten als de Katholieken; zowel de Onroomsen als de Roomsen zagen in de mensheid de zichtbare of onzichtbare Kerk, die haar hoofd had gevonden in de Verlosser der wereld In de praktijk kon men uiteraard verschillende wegen inslaan De Katholiek kon, als van 'themelse huwelik sprake was, God alleen en voor alles stellen, de kloostergelofte roemen en de Christelike bruid in Sint Agnes bezingen De Protestant daarentegen, die van heiligenverering niets wou weten, veel minder zelf in 'tklooster zou gaan, wilde, dat de verbintenis van Christus en z'n Kerk voor de praktijk van 't leven 'n weliswaar door Godvrezendheid gekuist en geheiligd, maar dan toch in elk geval 'n zuivermenselik geleid huweliksleven zou bedoelen, en dat die verbintenis zo ze voor de menselike wandel 'n geesteliker verklaring vroeg, dan toch geheel buiten de vraag van 'tgeoorloofde van een echtvereniging om, niets anders dan de trouwe dienst van God boven 'tboeléren met de wereld wou prijzen Beide opvattingen, de werkheiligheid der Roomsen en de geestelike betrachting der anderen, vonden beide hun steun in de Bijbel: bij de een als bij de ander kon 'et sterkzinnelike Hooglied door 'n strengzedelike interpretasie omslaan in 'n hymne op de trouw aan de zelfopofferende Christus Doch, zou de strenge Katholiek van mensen heiligen willen maken, de echte Protestant wou de mensen niet als heiligen, maar als mensen zien Tegenover 't gebod van de eerste: trek op aarde de mensheid uit en toon uw godheid, zou de laatste stellen: ge zult op aarde de Godheid dienen in 'tkleed van uw mensheid Beide uitersten ontmoetten elkaar in de vraag, of 'et aardse leven, in gunstigen zin zinnelik en burgerlik gesleten, voor 'toog van God betekenis had, een vraag die diep ingrijpt in de wereldbeschouwing bij de verschillende religies Bij iemand als Vondel Taal en Letteren Jaargang 11 260 die zoals we weten in 'tkerkelike enige fazen heeft doorlopen, zou de verklaring van z'n blik op deze gewichtige zaak, enige moeielikheid kunnen opleveren Als Mennoniet toont zich z'n jonge wereld zeer begrensd, en voert hij, in eschatologiese onderschatting van de buitenwereld, al de verschijnselen van 'et leven symbolies op de Verzoeningsleer terug Spieghels krachtig merg ontpopt hem en opent z'n blik voor 'tuniversalisme Voor 'tgevaar dat dit universalisme in de Katholieke sfeer verfijnt tot 'n spiritualisties opgaan in z'n vroeger mysticisme, waakt z'n Bijbel, die hem telkens op de brede basis van de Oudtestamentiese mensenwereld terugvoert; voor te sterke ascetiese neigingen waakt z'n sensualisties temperament Rustig realist, als de Calvinist, is hij niet; hij wandelt als Adam in 'tParadijs, ziet nooit de natuur dan in weelde, en schiet vonken bij 'tblaken der zon Trouwens, als zoon van de Kerk werden hem geen ascetiese sympathieën gevergd Steeds was in de boezem van de Kerk de vraag opgeworpen geworden, of de eis van 'n godzalig leven juist de plicht van het coelibaat in zich moest sluiten Beweerde men reeds in de ME niet, dat 'et aantal kloosters en monniken volstrekt geen maatstaf was voor de heiligheid van de wereld; en oordeelden onze volksschrijvers erkennende dat 'et slechts weinige heiligen gegeven was 'n leven in volmaaktheid te leiden, het dan ook niet met 'n beroep op de oude zeden en de goddelike geboden, voor veel beter, in 'n kuis huweliksleven Gods dienst te onderhouden, dan in 'n klooster 'n vrij onnut en veelal ledig leven door te brengen? Zelfs preciseerde de twijfel de vraag, en dit was in 'n uitsluitend Katholieke wereld van betekenis, of de onthouding van het geoorloofde genot Gode welgevallig kon zijn De Kerk toch kon niet buiten de praktijk van 'tleven: de kosmologie leraarde dat de mensengeslachten de engelenkoren moesten vullen; een gewichtig argument vooral tegen de voorstanders van de ascetiese opvatting was het in Genesis uitgesproken woord tot Adam en Eva: ‘Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u!’ terwijl de latere lieteratuur, in 'et antiklerikale zog van de Renaissance getrokken, met haar ruimere en dichterliker blik op 'et natuurleven allerlei analogieën uit de dierenwereld en de kosmiese verschijnselen wist aan te voeren, om aan te tonen, dat heel 'et om ons ontwikkelende leven getuigde van onderlinge verbinding en harmoniese samenwerking tot instandhouding van 'et Heelal, en dat hemel en aarde, zoals reeds ‘de ouden en wijzen’ hadden verkondigd, door en met 'n levenwekkende en vruchtbaarmakende ‘geest’ was bezield We behoeven er zeker niet bij te voegen, dat bij orthodoxe naturen als Vondel dit argument zich assimileren moest met wat we hierboven opmerkten, nl dat 'et huweliksleven onder de hoede stond Taal en Letteren Jaargang 11 261 van dezelfde Christus, wiens navolging, onder 'tvolkomen verzaken van de wereld, elders in ascetiese gemoedstemmingen was gepredikt Jezus was nu eenmaal te Kana geweest; hij had door z'n tegenwoordigheid aan 'n hoogtijd z'n goedkeuring verleend en er z'n bescherming aan toegezegd; wat meer was, hij had aan 'et gulle wijnonthaal 'theilig geheim van z'n zending verbonden, en het kostelike vreugdverwekkende druivenbloed had de blijdschap voorspeld, die de gave in Christus aan alle volken bereiden zou Vondel toont zich in de gedichten van z'n eerste tijd, een jonkman van 'n mystieke aanleg en 'n strengpiëtistiese levensopvatting; de kring der Kameristen, waarin hij getrokken werd, was met z'n humanistiese tendenz, z'n nasionale ernst en zin van deugd, hem 'n steun in z'n strengheid van opvatting en voedde z'n rigorisme door de studie der Stoa en die der griekse wijzen, wier leer men als zeer nabij de leer van Jezus verklaarde Zo assimileerde zich de in Bijbelstof doorknede en met Bijbelse moraal vervulde dichter, de door Spiegels studie halfgekerstende en geadelde brede Oudheid met z'n diepaangelegd menskundig drama en z'n zinrijke mythologie Dus werd al wat de Renaissance aan nieuwe motieven binnen z'n Bijbelwereld had gebracht, omvat door de eeuwige God en z'n gekruisigde Zoon, en al wat men bij de eerste oogopslag als te werelds en te onchristelik zou brandmerken, middellik of onmiddellik binnen de lijn van z'n wereldbeschouwing genaast Z'n grenzen kent men nu Boven alles stond te verheerliken de door God geheiligde en door Christus gewijde liefde die de man met de vrouw verbindt om telgen te winnen die de mensheid tot roem en eer van God in wezen houden Dit nu eenmaal vaststaande, dat twee mensen bij Hemelse instelling zich in zedige eerbaarheid in gemeenschap mogen verenigen, en dus de kuisheid en de innigheid van de echte liefde de grondslag van de verbintenis is, zo staat er ook niets meer in de weg, om over 'et huwelik de volle zon van 's levens werkelikheid te laten schijnen, en door de geoorloofde driften de krachtige adem van de onbelemmerde natuur te laten waaien, om zodoende de weelden van 'tliefdegenot in hun donzige overvolheid in geestdriftvolle dythiramben te kunnen bezingen Tussen deze uitersten nu, de geestelike hymne op Christus en 'et dartele lustlied op de bruiloftsnacht, beweegt zich Vondels minnepoëzie Evenwel, 'tverband en de samenhang blijft zichtbaar; ook daar waar de wellust van het somaties schoon, voor de dronken zinnen met voordacht ontdekt, de volle brand in 'tgemoed steekt, en in 'tslaapsalet de hand naar de halfdoorzichtige sluier doet grijpen die de schaamte zich noch omhuld houdt, ook daar houden de goden de wacht: het Taal en Letteren Jaargang 11 262 beleid berust bij de Liefde, en 'tis veelal haar schim die de toon en de maat aangeeft, en onder 'n bewonderenswaardig orkestmuziek 'et bruidspaar naar de spits van hun hoogtijd drijft Zo blijft de dartele taal aan 'tkoord van de trouw gebonden; 'et onstuimig omwoelde bed is 'et echtbed ;en terwijl aan de oppervlakte de geilheid borrelt en uitspat, voelt men op de bodem de koelte van 'n strengchristelike ethiek Wat 'et Vondel, en niet alleen Vondel, maar ook Hooft en wellicht moet iemand als Breerô er in één adem bij genoemd worden, moet hebben gekost, om van hun ethiese princiepes uit op zuiver menselik terrein de snaren te spannen en de keel te stemmen voor iets wat op 'téne ogenblik bij God en de mensen verboden drift heet en kort daarna 'n gunst en 'n roeping, blijkt wel 'et meest hieruit, dat zij in hun eerste gedichten van deze aard telkens 'n pleidooi beginnen, dat de liefde waar ze mee voor den dag komen, niet is de wulpsheid en de Venusdienst, maar dat zij de kuise en trouwe liefde als de grondslag van 'thuweliksleven zullen bezingen Hooft heeft in 'teerste bedrijf van z'n Granida dan ook 'n dramaties opgezette uiteenlegging gegeven van de triomf van de ‘ware Liefde’ boven de wufte geslachtsdrift van de ‘geile Min’ Venus is dan ook de rechte niet; van Cupido was gezegd dat Jupiter hem uit de hemel geworpen had, als 'n verderfelike Luciferist, die de harten der goden belaagde en in de hemel de tweedracht bracht; 1)kortom de zuivere Liefde wou niets met Venus en haar zoon te maken hebben, 2)en liet zich mysties of wel asceties herleiden op Christus, of wel, men raadpleegde vlijtig, omdat de Renaissancerethoriek niet buiten de Olympus kon, de ethiese zijde van de Griekse mythologie, en schiep zich tegenover de wufte en wulpse godin van Paphos, die dan de schendster van de huwelikstrouw zou zijn, een beschermster van 'et echtelik leven in Juno pronuba ,en voor de kuisheid die zich van de gemeenschap onthield, raadgeefsters in Diana en Vesta Vandaar dat in de strijd tussen ‘Geilheid’ en ‘Kuisheid,’ de maagd of de nimf men lette bv op Dorilea in de Granida, 'n jageres is, en in Vondels Leeuwendalers, waar de dialoog van de ecloge op Hageroos ontoegankelikheid rust, alweer de jonkvrouw in Diana's dienst staat 3)Ook in de bruiloftszangen van Vondel speelt de kuisheid haar rol: ze tracht dan de maagd buiten 1) Den Gulden Winckel IIImet verwijzing naar Jesaja XIII (zie 'tbijschrift!) Verg de Dedicatie aen de Joncvrouwen van Vries landt ende Overijssel (Unger ,16051616) 2) Zie vooral De Bruiloft van den heere JJ Hinlopen en jonkvrouw Sara de Wael ,(bij Unger ,16181620) 3) Zie Den Gulden Winckel XII, en voor de ascetiese bijgedachte, XV Taal en Letteren Jaargang 11 263 'et bereik van de Liefde te trekken, waarop dan de geprikkelde Liefde rusteloos ijvert om de maagd tot haar dienst te dwingen: iets wat aan 'tlied de nodige spanning moet geven, en door 'et tweestrijdige van de inhoud, veelal ook invloed heeft op de dialogiserende vorm Op dit gegeven thema bestaan van de dichter 'n aantal variaties Opmerkelik is, door de vernuftige vinding, de passende symboliek en de bewegelikheid in de voorstelling de hulde aan de dames Baeck van Beverwijk, welke dames altans Katharina die eerst op 38jarige leeftijd huwde tamelik lang jonge vrijsters zijn gebleven Vondel kende de famielie goed, eensdeels omdat hij er tijdens de huiszoekingen in de Palamedeszaak geschuild had, anderdeels omdat de Baecks geparenteerd waren aan de Hooft's De beide meisjes nu worden voorgesteld 1)'n burcht die der kuisheid te bewonen, om welker witalbasten vesten 'n driedubbele gracht is geleid, en waar in 'n kapel, dag en nacht door 'tmaagdelik was verlicht, 'n rei van jonkvrouwen zich met zang en snarenspel vermeien; haar kunstrijke handen hebben de panelen en tapijten bemaald met passend schilder en borduurwerk, voorstellende die taferelen uit de Oudheid welke 'n zuivere en kuise wandel voor de ogen van 'tnagesl acht zullen verheffen: de schaamtevol schreiende Suzanna, door twee grijsaards beloerd, worstelende om 'et pand van haar eer en haar trouw voor haar bruidegom te bewaren; Jozef die bij 'taanschouwen van de opengerukte weelderige boezem van Potifars huisvrouw huiverend haar rustbed ontvlucht; de geschonden Lucretia, zich zelve dodende, opdat haar bloed van haar reinheid getuige; Dafne, die zich als laurier aan Apollo's omhelzingen onttrekt Van die kuisheidsburcht nu hoort te Paphos de in haar eer getaste Venus, en zij maakt zich met de verschillende wapens van haar talrijk leger, waarover Cupido als maarschalk gebiedt, op naar De Wijk, om ook daar haar gezag te laten gelden De belegerde Kuisheid roept nu Dianira en Katharina Baeck op om Venus om 'n mondgesprek te verzoeken en tussen haar en de Paphiese de strijd te laten beslissen Venus verliest de moed en laat de handschoen vallen; maar Cupido raapt hem op en neemt de uitdaging aan Daar rijdt de blanke Kuisheid de schitterende burcht uit, zittende op haar witte telganger; nageoogd door tal van ‘blanke nonnen’ die de ramen van de sterkte vullen; van de andere kant nadert de strijdwagen van Venus, door Cupido gemend Bij de ontmoeting van de strijdenden weet Venus Kuisheids opperkleed te scheuren; maar 1) Strijd of kamp tusschen Kuysheid en Geylheid Geheylight aen Catharina ende Dianira Baeck Bij Unger (16211625) Taal en Letteren Jaargang 11 264 op haar beurt wordt de Cypriese vorstin in 'thart gewond Nu wil Cupido wenden; maar de Kuisheid grijpt hem, tilt hem uit z'n kar en werpt hem 'n eind weg in 'tzand De armee van Venus vlucht Ook Cupido weet zich te redden, maar voortaan hinkt z'n voet De Kuisheid daarentegen keert in triomf naar haar vesten terug en wordt door haar priesteressen met de lauweren des roems bekranst Cupido tegenover Christus; Cupido vluchtende voor de eerbare Kuisheid; wel mochten we tot troost voor de trouwlustigen, opmerken dat hier van de uitersten er één ligt Zo aanstonds wordt 'et zelfde verjaagde manneke, zonderdat er wuftheid of wulpsheid bij bevonden wordt, door de nu onverdachte Liefde er op uitgestuurd om voor de smachtende aanbidders de maagdelike harten te ontvonken, en maakt ondanks z'n kreupele voet, als van ouds z'n gewone kapriolen 1)In 'talgemeen kwetst hij, volgens de gebruikelike rethoriek, met 'n pijl, maar kiest soms ook, zoals bij Cornelia Hooft, op wie David Leeuw z'n zinnen moet zetten, om te zekerder van z'n liefdeschichten te zijn, als punt van uitgang de ogen van 'n maagd 2)Wat noch sterker wijst op de karakterloze vervloeiing van de kuisheids en huweliksmotieven, 'n karakterloosheid die voortvloeide uit 'et formalisties wezen van 'n halfverrenaissanste lieteratuur, is wel dit, dat op z'n beurt niet Cupido , maar wel de kuise Christelike gloed in Cornelia's ogen 'et ‘vroom gemoed’ van Pieter Willems Hooft heeft ontstoken, 3)die nu met alle middelen der argumentering 'et hart kasteel van haar kuisheid bestormt, totdat ze wanneer 'et door 'et granaatvuur van z'n ijver bres geschoten is, zich onder z'n heerschappij komt stellen Doch ook daar waar Cupido optreedt, geeft Vondel allerlei modulasies op de aard van z'n koppelende diensten Opmerkelik alweer is in dit opzicht de Bruiloftszang, zeker wel de schoonste die er ooit door onze dichters geschreven is, bij gelegenheid van 'thuwelik van onze Pieter Cornsz Hooft met Helleonora Hellemans In dit noch al breed behandeld tafelspel halen Venus en de Poezie de diensten op van de Drost, waarmee hij beide ‘godinnen’ verplicht heeft; en daarom 1) Feitelik isdit gehele eerste bundeltje (Unger 16051616) een sprekend bewijs hoe 'n opkomend dichter destijds onmiddelik inde Renaissancerethoriek kon vervallen 2) De Leeuw aen Bandt voor David Leeuw en Cornelia Hooft Unger , (16481651) Vgl ook Unger (16521653) 3) Trouringk van Pieter Willemsz Hooft en Cornelia de Vries (Unger , 16301636) Taal en Letteren Jaargang 11 265 moet nu bij de feestgelegenheid van dit huwelik, Cupido 'et bruiloftslied opzeggen als 'n soort proefles om te tonen wat hij bij Hooft, de meester in dit genre, geleerd heeft Cupido kwijt zich volgens de jury, uitnemend van z'n taak; als hij klaar is, wordt hem de lauwerkrans uitgereikt Zoals gezegd is, zijn er de rollen verdeeld, maar de verzen van Cupido 'n goeie honderd strofen en de daarop volgende zang der Charieten steken in weelderigheid de hele rij van dartele lustige liederen van z'n overige minnepoëzie naar de kroon Cupido's gouden wagen vliegt door 't luchtruim regelrecht naar Venus' liefdepaleis; maar niet alleen leidt de wagenmenner de koers, hij richt ook Heleonora's zinnen op het naderend feest van de dagen van 'tzwijmelend geluk ‘Daar is,’ leidt Cupido in, ‘van 'twachtende bruiloftsbed de tijk van wellust geweven; 'tgekoos strekt tot dons; van schaamte en lust is 'tweefsel der dekens’ Dan bloost de bruid ‘Daar in de hemelse oorden’, roemt verder de liefde god, ‘weeft Hooft z'n rijk ontplooide geest uw lof door z'n loflied op Venus; en boven de goddelike schoonheid zal uw menselike schoonheid door de hemellingen aangebeden worden Dan, Venus zal zich niet belgen, als de Drost uw ogen roemt, uw schoonheid viert, uw rode lippen nadert en kust’ Noch groter zaligheden wachten Reeds klimt de wagen tot de derde hemelkreits Ze naderen Aanstonds, voorspelt de Minnegod, Na dat de wolcken sijn verstoven voor mijn' wielen, Hy met den vinger udie suyvre jonffersielen Sal toonen in 'tgestarnt, bij Goôn geplaatst omhoogh, Doen d' allergrootste selfs, verslingert op het minnen, Haer salighden, in spijt der pruylende Godinnen; Terwyl genaecken wij den moederlijcken boogh De wackere uuren, mijn' vrou moeders kamenieren En deurbewaerderssen, de poorten, die 'er gieren Van louter goud, terstont ons sullen open doen Ick sal usetten, met het glippen myner raden, Daer 'tbruyloftbêde duyckt in frissche myrtebladen, En avondstarrigh licht siet schitteren door 'tgroen Hier sultghe salighlijck en heughelijck versaemen, En geest en godlijckheên elckanders siel toeaêmen; Voltoyende uwe Min, gelijck uw minnaers dicht Ick salse al soetelijck aenprickelen met rymen, En huwen aen uw spel aldus den hylicxhymen; Waer toe my 'smeesters vlyt door leering heeft verplicht Stroopt nu 'tgemoed van sorg voor steden en kasteelen, En treckt omhelsen aen, liefkoosery en streelen, En kussen, jock, en lach, ja Venus gansch en gaer, Taal en Letteren Jaargang 11 266 Die ware door uw' siel en sinnen, lijf en leden, En propp' gevoelen en verstand met saligheden; Bekoorsters dickwils van den grooten donderaer Ach! waerom deckt natuur d' aenlockelijcke naecktheyd Der schoonheyd, en 'tgebruyck der opperste volmaecktheyd Soo schuw met schemerschaedwe, en sluyerpaers en wit? Is 'tniet om 'thart te meer te noopen met verlangen? En Mins verbeeldingen meer krachts te doen ontfangen, Wanneer haer' vlamme weyd van 'teen tot 'tander lit? Die selleve natuur schiep daerom de gepeynsen Der vrouwen weygerlijck, en gaf haer 'tgeestigh veynsen En 'tmarren in 'tgeheymst des boesems met voordacht, En winterkou en koelte, en traegheyd tot ontfarmen; Om, met een heetren toght, gelieven in liefs armen Te werpen, tot meer heyls voor 'tmenschelijck geslaght Het hart der Bruyd, dus lang tot kilkristal gevrosen, Ontlaet nu: 'taenschijn daeght, en mengelt ryp met roosen: En 'tsneeu der blancke borst door gloed aen 'tsmelten raeckt, Midts Bruygoms oogen op haer' staerende oogen micken, Die uyt robijnen kop des monds, om niet te ticken Van brand, verquicking eyscht, eer hem de dood genaeckt Ghy vraeght: wat voor een dood? de dood der leckernyen, Die op een' oogenblick de tweelingsielen lyen, Wanneer ick 'slevens vrucht op haere snackjes ent; Een' vrucht, die waerdigh sy om Venus oegst te cieren, Waerin men ommetreck en sweemssel in siet swieren Der teeldren; na dat Min hun diep was ingeprent Die vrucht, beloof ick, sal, op 'thooge slot te Muyden, Uw bruyloftsegen syn; en stieren land en luyden Na vaderlijck bericht, wan 'tgraf uwe asschen dooft: En 'tvolck noch lang in rou, na 'et volgen van uw doodbaer, Sal wysen: dat 'sde neef van dien oprechten grootvaêr, Het kroost van Leonoor, en 'trijck gelauwert Hoofd 1) Boven 'tteleogies bloemenontleden, bij 'twijsheidsprijzen van God, dunkt ons de schaterschreeuw waarmee we tuimeldronken 'n in volle Meizon pralende bloemenwei te omvatten pogen Ook hier in Vondels bloemengaarde, prijkt ongeplukt, de bloem 'et schoonst, en zwijgend, treft ons 'et meest de klankmuziek van 't wegklinkend strijkorkest Niettemin kunnen we er niet van 1) Bruyloftbed van den E Heere PC Hooft ende de Edele Joffr e Helionora Hellemans (Unger ,16261629) Taal en Letteren Jaargang 11 267 scheiden zonder onze eeuw voor 'n proef te stellen Waagt haar realisme, zo ze 't teelgenot alleen om 'tgenot wil beschrijven, de kamp met deze Vondel? Want zie, niet alleen de kunst van 'ttalent is 't, wat aan deze poëzie zulk 'n hoge adel geeft Ook de kultuur van de tijd, gaf er z'n wijding aan Over dit ‘Bruyloftbed’ reiken elkaar 'et voorgeslacht en 'et nakroost de hand Geen lust is laag als aan de ene kant de achting voor 'tvrouwengenie en de eerbied voor de vrouwedeugd 'et koord strekt, en anderzijds 'tverbond voelbaar is met de eeuwige heil wet, gebiedende dat de paring zal zijn òm de vrucht, opdat 'et sterfelik geslacht eeuwig zal leven in z'n kroost Kringelt niet ook uit déze vlam de wierook der piëteit omhoog naar 't Goddelik licht? Terwijl alzo onder de al of niet uitgedrukte Goddelike immanantie, vrouw Venus 'et paren en baren beleidt, en de heiligheid van de huwelikswet de wellustige geesten en lichamen doorlicht, wentelt de menselike natuur onbeschroomd zich in 'tvolle genot van de vleeselike geneugten Geloof dan ook niet dat Vondel er doekjes om windt als hij 'et nodig vindt te zeggen dat er hoogstens 'n jaar, maar dan allerliefst 40 weken, dienen te verlopen tot de gewenste dag waarop 'n evenbeeld van de ouders de wereld laat weten dat ook in 'tvervolg de huwelikszaken op dezelfde minnevoet zullen worden voortgezet Hier mag geen tijd verloren gaan Daarom krijgen dan ook de jonggehuwden, die hun beste jaren in 'n celibaatleven verzuimden, de dringende raad om hun renteloos bestaan met 'n verhoogde productie te boeten Als dokter Johan Blaeu, de geleerde eigenaar van de beroemde drukkerij, op zekeren avond door z'n kijker de hemel beschouwt, maakt Venus als hij haar in 'tviezier krijgt, van de gelegenheid gebruik, hem eens flink te kapittelen, en hem aan te sporen niet langer als Atlas de wereld op z'n schouders te laden of als Herkules deed, hem af te lopen, maar eens naar Gouda te gaan kijken bij Geertrui Vermeul: niet nodig toch is 'tlanger sterren te zien of boeken te drukken; Blaeu gaat, en vindt gelegenheid zich een kroost van zes kinderen te scheppen 1)Tot 'n veelzijdiger vruchtbaarheid wordt ook uitgenoodigd Matthaeus Vossius, de historieschrijver van de Staten van Holland en Zeeland; 'n man die zoveel oorlogen boekt, moet volgens Vondel, toch ook eens naar vrede verlangen, en op Venus' wens, tot stille voldoening van Gerard Vossius, die begerig naar kleinkinderen verlangt, verenigt Matthaeus zich met jonkvrouw Johanna van Veen 2) 1) Fackel van Dr Joan Blaeu en Geertrui Vermeul (Unger ,16301636) 2) Aen Mattheus Vossius op zyn huwelyck met Johanna van Veen (Unger ,16411642) Taal en Letteren Jaargang 11 268 Zo zien de ouden van dagen hun naam en beeltenis schakelen aan de onsterfelikheid Herman Gijsberts van de Pol, verstijfd en afgeleefd, zou graag het grijze en moede hoofd neerleggen; maar de echt van z'n éne zoon blijft kinderloos, en de andere, Jan, denkt aan geen trouwen; de Buitenkant waar hij woont, is 'n kouë hoek, waar de zon geen warmte stookt; en Pol verzucht Maar die zucht heeft de Hemel geboord, en stuurt er de Teelzucht op uit, die nu ten spoedigste uit de ogen van Duifken van Gerwen 'n pijl op de 40jarige vrijer afschiet; Jan laat de zaken de zaken en denkt om heel andere dingen 1)Waar zo de hemel meehelpt, is de haven spoedig bereikt; Vondels wens komt niet achter: ‘Ga, mengel bloed met bloed, en Pollen en van Gerwen |Daer volge, beurt om beurt, een dochter na een zoon |Ick zie den erfgenaem den kleinen Pol geboren, |Eer negenmaal de maen verwisselt haeren horen,’ en inderdaad, de geschiedenis heeft gewild, niet slechts dat ‘de oude Pol’ met het verlangde wichtje in de armen heeft kunnen zeggen: ‘Mijn lang gewenschte neef, Gods wille moet geschien |Hij hael mij in zijn rust, nu ick u heb gezien’ maar ook, dat de toenmalige Comissaris van Huwelixe Saken z'n 20jaar jonger Duifken een achttal kinderen heeft thuis gebracht Waar ouden van dagen reeds door hun verzuchtingen 'n hogere macht tot tussenkomst nopen, daar zal de nalatigheid zoveel te meer door de stem van afgestorvenen tot plichtsbetrachting worden gedreven De 38jarige Katharina Baeck trouwt dan ook eerst, als haar gestorven broer Jakob haar komt terecht wijzen; 2)en Peter van Heimbach neemt eerst Maria van Block, als de oude Heimbach zelf verschijnt en z'n zoon op de te lang verzaakte levensverordeningen wijst 3)Venus slooft zich uit wat ze kan; onwilligen en bloohartigen beproeft ze; geen moeite is haar te veel Behendig neemt ze de gelegenheid waar: zo heeft bv Jakob van Hinlopen niets te doen, en van stonden af aan schuilt de Min in de ogen van Ursula van Bergen, om hem in 'n eerbaar huweliksomgang tot 'n welbesteed leven te brengen 4)Mannen die 'tverbazend druk hebben we zagen 'et reeds aan Vossius, tracht ze afleiding te bezorgen; ook Cornelis le Blon moet zich 1) De Bruyloft van Joan van de Pol en Duifken van Gerwen (Unger , 16371639) 2) De feest van Hillebrand Bentes en Katharine Baeck (Unger , 16391640) Jakob trouwens was vroeger ook aangesproken door Baerle (Unger , 16301636) 3) Ter bruiloft van Peter van Heimbach en Maria van Block (Unger , 16571660) 4) De bruiloft van Jakob Hinlopen Symonsz en Ursula van Bergen (Unger ,16521653) Taal en Letteren Jaargang 11 269 ontspannen; 1)en dadelik is de Liefdegodin bereid, als niemand minder dan de Hollandse Maagd haar bemiddeling inroept voor Jan de Witt, om Wendela Bicker 'et hart van de jonge Raadpensionaris te laten ontvonken, die zonder 'n levensgezellin geheel op zou gaan in z'n gewichtige staatsbeslommeringen 2)Venus' macht gaat dan ook boven die van de andere goden Guglielmo Bartelotti van den Heuvel is in z'n hart 'n koopman, en Jacoba van Erp op haar beurt, gaat op in haar boeken en haar muziek; Pallas mag pruilen, en Hermes woelen, Venus vangt beide 'n vlieg af: 't‘geluckig paer’ volgt ‘schilt noch roe, |(Haer) koppel duifkens lacht (ze) toe, | natuurlik, willen gaven 'tliefst met anderen gedeeld: ‘Wat's geld? wat's wijsheid? zonder pret |Van twee, geënt in een gevoelen, |Die Venus in haar spraak verstaan? 3)Vandaar dat Cupido, die er op uit wordt gezonden om in jonkvrouw Cornelia Pauw het bruilofsvier te ontsteken, maar wegens haar schitterende eigenschappen haar hoog boven de bekoorlikheden van z'n eigen Cypriese moeder vermeet te prijzen, (vernuftig rekt Amors verzet de lof op de bruid!) door de alvermogende Vorstin geducht op z'n voorman gezet wordt: ‘Het voeghd geen willigh kind zijn moeder te bedillen |Mijn wil verstrecke uw wet’ De schutter kent nu z'n les; veel valt er te doen; eerst de bruid te bed helpen, dan al de ongetrouwde dames noch nalopen Wat hagel is 'tvoor tijd te teuten Vliegh heen in 'tbruiloftsbedde, en als de speelgenoot De Bruid hebt toegedeckt, dan geef azelven bloot, En offer haer uw dienst, en waar ghy joffers vind, Die killer zijn dan ys, en vryers vele jaeren Doen loopen achteraen, op ydle hoop van paeren; Bekoor die met een lach; en smet haer, onder 'tkussen Met een vergiftigh vier, 'twelck nergens zy te blussen Als in een bruiloftsbed; want in der Goden Raed Besluit men Amsterdam, ten steun van Hollands Staet, Met aenwas van meer volcx te proppen en te bouwen; Dat nu verhinderd word, door al te langsaem trouwen Vliegh heen, mijn Zoon 4) 1) Op de bruiloft van C de Blon en Elisabeth van den Kerckhove (Unger ,16421645) 2) Ter bruilofte van Joan de Witt en Wendela Bickers (Unger , 16541655) 3) Bruiloftlied voor Guglielmo Bartelotti van den Heuv len Jakoba van Erp (Unger ,16371639) 4) Ridderlyck bancket ,voor Adam van Lochorst en Cornelia Paauw (Unger ,16391640) Taal en Letteren Jaargang 11 270 Dit laatste hoort er bij, al stellen we het ‘besluit in der Goden Raad’ op rekening van de rethoriek De ‘yskille joffers’ doen 'et hem niet; hier tekent zich ook 'n kultuuropvatting af In de oude en de latere tijden, toen zware calamiteiten als oorlog pest en hongersnood de bevolkingen aanmerkelik dunden, was men er steeds op bedacht door het vergemakkeliken en soms 'et belonen van 'et winnen van kroost 'et staatsvermogen te vergroten, omdat men inzag of instinktmatig voelde, dat de grond in kapietaalswaarde stijgt, naarmate 'et getal van degenen toeneemt, die de bodem productief zoeken te maken Het jaar 1652 kenmerkte zich door groote sterfte; Amsterdam door den oorlog met Engeland gedrukt, verloor vele van z'n beste burgers 1);‘Al het land begon te mindren |In getal van burgerij |d' Ouders smolten en hun kindren, |Langs den Aemstel en ons Y’ In die omstandigheden schijnen de jongelieden 'et trouwen te hebben vergeten, totdat eindelik Marten Looten zich bijtijds bezint en uitroept, waarbij Christine Rutgers in z'n gedachten schiet: Zal men dus ten grave varen, Zonder afkomst, zonder min? Noch om leven, noch om sterven Wil ikschuwen d'oude wet, Die de huizen helpt aen erven, En haer zegen geeft aan 'tbed; en 'tgevolg is dan ook, dat vóór November uit is, de door Vondel bezongen bruiloft wordt gehouden, in de hoop dat deze verbintenis zegen geeft ‘Aen den boomgaert, daer de Looten |Den geslachtboom houden staen,’ 2)Enige jaren vroeger (1645) toen de dichter in 'n gestadige Turkophobie verkeerd, en geen wonder, want Duitsland lag machteloos en verwoest, vond hij gelegenheid, bij de bruiloft van Nikolaes Pankras en Petronelle de Waert, te betuigen, hoe de hemel behagen schept in 'tgestadig trouwen, omdat daardoor de slagen van de oorlog worden hersteld 3)Doch ook zònder Turkenvrees en zònder de knagende zorg voor 'n welvoltallig ‘Christenrijk’ dat de ‘erfvijandt’ eenmaal zal kunnen overmogen, blijft dit prediken van de huweliksgemeenschap, zoals we reeds 1) Oa Andries Bicker ,Sweelinck ,de priesters Leonardus Marius en Willem van den Zande ,allen door Vondel bezongen 2) De Hoogtyt van Martin Looten en Christine Rutgers (Unger 16521653) 3) Bruylofts zang aen Nicolaes Pankras en Petronella de Waert (Unger, 16421645) Dit motief komt zeer veel terug Taal en Letteren Jaargang 11 271 opmerkten, in de lijn van z'n Christelik en wijsgerig universalisme Straks, in de avond van z'n leven, zingen ook de stemmen die in de natuur van 'tonvergankelik worden en groeien gewagen, en die in 't‘Landtspel’ Adelaerts aanzoek omgalmen, samen met 'et telkens herhaalde en op verschillende wijzen geargumenteerde oudtestamentiese motief, en doordringt et krachtig, breed opgebouwde Spiegheliaanse theïsme, 'twelk ook de wijsgerige Hooftse poëzie doortintelt, tevens de minnepoëzie van onze onvermoeide zanger met de adem der wereldziel In deze tal op tal van schone verzen strengelen zich de vezels te saam, waaruit het weefsel van alle mogelike liefdedichten, geestelike en wereldse bestaan Poot en Bellamy, Luyken en Da Costa klinken hier terug Nu eens zingt de ene snaar, dan weer de andere de boventoon Hier komt zelfs, spijt Venus en Christus, en dus schijnbaar los van de materiële en de formalistiese inhoud van Vondels gehele zijn, waarlik Vrouw Natuur zich in 'n hof vermeien en wijst Clementia van der Vecht op de begeerte van de bezielde schepping om zich te verjongen in zaad en telgen De vlam voedt van alle kanten: en 'tvuur houdt niet op te stoven voordat de geliefden in wolken van weelden voor onze ogen verdwijnen Alle harpen laat hij spelen; en zo iemand, dan heeft onze Vondel degenen, voor wie hij z'n toon heeft ingesteld, met volle muziek naar bed gezongen Daar was bij hem geen ontkomen aan De bloesem was schoon, maar voor hem alleen schoon, omdat ze de noch schoner appel beloofde In 'tsterfelik schoon wilde hij de onsterfelikheid zien Van God was alles gekomen, en dat alles zag hij weer snellen in de armen der Eeuwigheid Hij was Christen: hij zag de spiegeling van 'tParadijs in 'tnieuw Jeruzalem, en tussen die polen lag 'et zondig worstelperk Hij was nochmaals Christen: uit 'et Hoogste Wezen vloeide in gulle golving de stroom der immanente Liefde, om 'tgevallen en sterfelik geworden geslacht, tot hun lust en hun vreugd, in zich zelf te verjongen, en met 'et blijvend Godsbeeld in 'twezen gedrukt, als wedergekomen kind opgenomén te worden in der Hemelen schoot Ze zijn schijnbaar tegenstellingen, de twee volgende bruiloftszangen Ook dáárom tegenstellingen, omdat 'et eerste op de leeftijd van 17 jaar, en 'et laatste op 75jarige ouderdom gemaakt is Toch worden ze door 'n zelfde, elders gebruikt motto verenigd: his unus amor Alleen 'et eerste is 'n brede terreinverkenning voor 'n operasiebasis; dat hij vaste grond onder z'n voeten heeft, en nu zeker van z'n zaak, heel z'n wereld om zich heen laat huppelen, toont ons 'et lied van de grijsaard Taal en Letteren Jaargang 11 272 Schriftuerlyck bruylofts referreyn Op 't houwelyck van Jacob Haesbaert met Clara van Tongerlo Verheucht ‘o Phoebi jeught,, door desen soeten tijdt: Den Somer door syn deught,, verthoont syn groene blaren; t'Gevogeldt sich vervreught,, 'tghediert int Bosch verblijdt; t'Veldt lacht elck toe verjeught,, vliet weg alle bezwaren; Droefheyt neemt floecx ukeer,, nijdt,, strijdt,, wilt henen varen; Voor ude Bruyloft wijckt, zoo ghy daer comt ontrent Cleyn, groot, ja wie t'mach sijn, Jongh' jeught, oft gryste hairen, Sijdt well' com int ghemeen, weest gegroet hier present, Die om vergad'ren hier, usoo ootmoedich kent: In liefd' sticht'lijck verheught, bij een met reyn manieren: Dus seg iknoch, vliet floecx van hier, ghy nydich tieren Laet jongst begeerich syn, gelijck eens Hirts bestieren, En d' Haasbaart sijn cracht snel, om loopen d' Hont t'ontwijcken, Snackend' na t'water Claarken cant beter gelijcken? Geenszins en laet in sangh,, Hymenaeus sijn verhooght Noch Thalassus geclangh,, maer Gode lofs voortbringhen, Hoe hij overvloedt schanck,, en t'water gants verdrooght Sonder yemants bedwangh,, bethoond' zoo vremde dinghen, Wt t'water, wyn seer claer, als een fonteyn deed' springhen, Vervult ses cruycken vol, int Galileetsche landt, Te Cana in de Stadt, een Bruyloft sonderlinghen; T' eerste teycken Christi ,men elck maackte bekandt Door sulcx ons mercklijck leert, dat int Houwlijckx verbandt Alleen men eerlijck hoort, te houden goed' geruchten: Den getrouwden hy meest behoeden sal voor schandt: Wie hem met lust bemint, en derft voor niemant duchten, Soo liefd' begeerich haackt, als t'Hirt doorsnelt gehuchten En d' Haasbaart enz Wat Christus met syn Bruydt,, elckeen te kennen gheeft, Laet ons met goedt beduydt,, malcand'ren daer in stichten, Die hy met zoet geluydt,, soo vriend'lijck roept beleeft: Comt overschoone spruydt,, die myn Hert kan verlichten! Myn peerl', myn Eelgreyn, ter Weyden comt bedichten! Schoon bloem en Roos int dal, Noeyt minnaer myns ghelijck Voor niemant sijt bevreest, Reyn Duyve wilt niet swichten, Die wtvercoren sijt! Myn jonst sonder afwijck Allaeghdy hier veracht, int bloed, op t'veldt, int slijck, Vertreden van elckeen, nochtans uniet begeven, Maer wiesch uaanschijn schoon, welrieckend met practijck Balsemd' uzoeten rueck, boven al waart verheven Als ghy schier waart vernielt, myn liefd' vierich ghedreven Als d' Haasbaart enz Taal en Letteren Jaargang 11 273 Godts kercke de Bruyt recht,, t'lichaam Christi een paar Van Christo ,haren echt, wert sy salich naar reden, Seer lieflijck hy beslecht,, al haer saacken eerbaar, Mint, naar reden, en recht,, alleen syns lichaams leden, Die al ter Bruyloftfeest,, lieflijck werden ghebeden, Vercoren volck alleen, wt goetaardich geslacht, t'Bruylofts cleedt zy ontfaan door dezen Vorst vol vreden Syn Bruyt wordt bovenal, Aldaar waardich geacht Sittend' in Haar Troon, na de ghenooden wacht, In witte zijd' geclcet, met pcerlen fraay behanghen Een croone sy ontfanght, van den Bruyd'gom gewracht, Een trouwrinck haar bedacht, Syns gheests, heeft zy ontfanghen Hierom spoedt uter feest, begeerich met verlanghen Als d' Haasbaart enz Prince Princen ,de Bruydt present,, voor al die zijn vergaardt Laet ons voor t'slodt end' endt,, T' geluck haer lieflijck bieden; Dat Godt syn seghen wendt,, als Davidt ons verclaardt, In syn Psalm maackt bekendt,, claarlijck voor alle lieden: Wel die den Heere vreest, Geluck zal hem geschieden: In al syn weghen sal verlynen overvloet, Uwijf sal ghelijck sijn, den wijnstock na t'bediedeen, Die vrucht draaght t'synder tijt, sy sal ontfanghen spoet Aan den Disch, als een croon, ukinders lieflijck zoet: Als olijfrancken schoon, sult ghy se claar aenschouwen, Met veel weldaden meer, van Godt vercrijghen goet: De Heer geef haar doch cracht, om in Liefd' niet te flouwen, Maar Jonst hen voeghe t'saam, begheerich na vreeds douwen Als d' Haasbaart syn cracht snel om loopen d' Hont t'ontwijcken Snackend' na t'water Claarken cant beter ghelijcken Ter bruilofte van de E Heere Bartholomeus Kromhout en de E Mejoffer Jakoba van der W iele, van der W erve Laat ons 'thuwelijk vereeren, Nu de May in zijn saizoen, En aan 'tvrolijk quinkeleeren, 'tBruiloftsbedt met levend groen, Loof en bloemen komt bespreien, En de bruiloftsgasten noôn Bruit en Bruigom te geleien, Op den blijden bruiloftstoon, Daer de liefde d'eensgezinden Eeuwigh zal door trou verbinden Taal en Letteren Jaargang 11 274 Kromhout schrijft het zich tot eer na Dat hij, minzaem uitgestort Over zijn getrouwe weêrga, Nu een levend groenhout wort, En Jakoba ,om een erve Te verwachten uit haer' stam, Van der Wiele ,van der Werve , Hem uit liefde in d'armen nam, En den Bruigomskus geregelt Met een wederkus bezegelt Op den voorgang der geslachten Volght dit paer der oudren spoor Met vereenighde gedachten, Wil en wenschen na als voor, Daer de schelle nachtegaelen, Om de bruiloftsledikant Quikeleerende, adem haelen, En met dezen galm en trant Hen uit geurige prieelen Pogen zacht in slaap te speelen: O gelukkige gepaerde, Mogt het gaen naer onzen lust, Gij zoudt, eer uw trou verjaarde, Dan gekust, dan weêr gekust, Zien uwe afkomst ugelijken, Recht als ofze waar gesneên Uit uw aenschijn, en de blijken En het edel kroost in een Mengen, met zoo schoone kleuren, Dat de Maybloem zich most steuren Grootvaêrs stam, belust op telgen, Zou dan leven in een' zoon, En de grootmoêr zich niet belgen, Zooze bly de zuikre koon Van een dochter quaem te kussen, Wat de hemel schenkt iswaert Spaert geen kussen noch herkussen Op uw zoete bruiloftsvaart, Om een bloem en vrucht te pluiken Leert den tijt met lust gebruiken Zoektge een voorbeelt: hoort de dieren Bruiloft houden in de wey, En gulhartigh tierelieren Daer de harders hun schalmey Riet en fluiten aen ontsteeken, Taal en Letteren Jaargang 11 275 In het juichend lantgewest, Vol van weelde en minnestreeken Ieder vogel bout zijn nest, En de duiven trekkebekken Om uw harten op te wekken Komt de bruit een kus te weigeren, Dat 'sde minnevlammen voên Dan begint het vier te steigeren; Maar die strijt wort met een zoen Neergeleit: want geestigh veinzen Voegt een joffer allermeest, Om met gloeiender gepeinzen 'tHart des minnaers op het feest Aen te prikkelen tot vryen Zoo volght vrede na het stryen Op dien zang, een heusch vermaenen, Schreide in 'tendt de bloode bruit Eenen douw van maegdetraenen, Eerze quam tot een besluit Bartholmeus ,vol verlangen Naer 'tgenot van trouwe min, Wischt de traenen van haer wangen, En vertroost zijn bedtvriendin: Laat u'shemels wil behaegen Morgen zultge uniet beklaegen J KOOPMANS Een nieuwe spelling van vóór 1000 jaar Aus der intimsten kenntnis der zeitverhältnisse heraus war Karl Müllenhoff der gedanke einer karolingischen hofsprache aufgegangen Hatte Müllenhoff behauptet, vom hofe Karls des grossen sei der anstoss zu einer sprachlichen reform ausgegangen und es bleibe, bei aller vielgestaltigkeit, in der die sprache der zeit uns entgegentrete, ein gemeinsamer grundtypus sichtbar, so wurde dies von Kögel umgestossen: ‘nicht vom hofe der Karolinger, sondern von den grossen klöstern sind die ersten versuche ausgegangen, die herrschaft der mundarten im schriftlichen gebrauche des deutschen zu brechen und zu festen normen der schreibung zu gelangen Nicht éin centrum hat es gegeben, sondern eine ganze anzahl (wie viele, bleibt noch zu untersuchen), von denen jedes einen bestimmten kreis beherrschte Müllenhoffs hofsprache lehnen wir ab; aber wir setzen an ihre stelle die schriftsprachen der grossen klöster und stifter’ Taal en Letteren Jaargang 11 276 Ich nehme die behauptung Müllenhoffs wider auf; sehe mich freilich genötigt, ihr eine ganz andere wendung zu geben Während Müllenhoff mit seiner karolingischen hofsprache die vorherrschaft einer mundart vertreten hat, immer darauf aus gewesen ist, die materialen elemente der sprache, die grammatischen formen und einzellaute als regelmässig oder schriftsprachlich zu erweisen, handelt es sich jetzt um dier formale seite unserer überlieferung, um gewisse den schreibgebrauch regelnde orthographische tendenzen Diese normen konnten nach den herrschenden strömungen keines andern ursprungs sein, als unter den für die schreibung des neuen karolingischen lateins in die praxis umgesetzten regeln In welcher weise die herstellung einer gleichmässigen, leicht lesbaren schrift stattgefunden hat, ist im einzelnen noch nicht bekannt, aber es steht seit den untersuchungen Leopolde Delisle's fest, dass der anstoss zu der kalligraphischen reform in Deutschland vom hofe ausgegangen ist Es ist die schrift, in der die mehrzahl der althochdeutschen sprachdenkmäler überliefert ist; sie ist bekanntlich rasch im 9 jahrhundert in einhcitlichem ductus durchgedrungen und von den individuellen varietäten abgesehen gleichmässig in den litterarisch tätigen schreibstuben der deutschen klöster eingebürgert (Pauls Grundr 12,277 fg) Von derselben tragweite ist die reform der lateinischen orthographie gewesen Dafür hat sich der kaiser Karl lebhaft interessiert und es ist ihm ein ebenso rascher erfolg beschieden gewesen; ‘indem lehre und methode, anregung und eifer sich in unzählige schulen und klöster fortpflanzte, wuchs eine ganze generation in höherer bildung heran und wurde speciell auch befähigt ein correctes, wenn auch einfaches latein zu reden und zu schreiben’ (Th Sickel, Lehre von den urkunden der ersten Karolinger s 156 fg) Doch hat sich vieles erst unter Ludwig durchgesetzt; während der regierungszeit Karls des grossen kehren noch immer archaismen unter den neumodischen correctheiten wider Das ist uns längst nicht bloss aus den urkunden, sondern auch aus den lateinischdeutschen sprachdenkmälern geläufig (Sickel aaos 150 fgg) Aber dadurch wird das verdienst der vom hofe Karls ausgehenden orthographiereform nicht herabgesetzt Der name Alcuins ist mit diesem ruhmreichen werk vor allen andern verknüpft: erst seine schüler haben diese reformen in die klöster getragen Für die althochdeutsche grammatik ist es nun aber von grundsätzlicher bedeutung zu erkennen, wie mit dieser reform der lateinischen orthographie eine reform des deutschen schreibgebrauchs parallel läuft Citaten van FRKAUFFMANN ,Das Keronische glossar, etc Zeitschrift für Deutsche Philologie ,32 (1900), blz 145 vv Taal en Letteren Jaargang 11 277 Verandering van woordbetekenissen 1) (Semasiologie) IV Metonymia's Zoals wij reeds opmerkten, berust de metonymia op werkelike samenhang; en wel op afhankelikheid in de ruimte (dus door de plaatsing), op afhankelikheid in de tijd of op causale (oorzakelike) afhankelikheid Van de metonymia's die bij de verandering van woordbetekenissen in aanmerking komen, zijn wel de eenvoudigste die, waarbij een belangrijk deel wordt genoemd in de plaats van 'tgeheel (pars pro toto ) Zo wordt drempel symbolies genomen voor huis, in: Hij zet bij mij geen voet meer over de drempel (= in huis) Men spreekt van dak lozen, van arme mensen zonder dak ,en bedoelt met dak: woning, huis Ook haard ,haardstede wordt voor huis en huisgezin gebruikt: Eigen haard is goud waard De troepen keren naar hun haardsteden terug Kansel (van lat cancelli ,hek, hekwerk, omheining) duidt oorspr het hek aan, dat de geestelikheid van de leken scheidde; toen de ruimte, door dat hek afgezet, en de verhoging waarop de sprekende geestelike zich in dat afgezette gedeelte plaatste Zo kreeg kansel de betekenis preekstoel Ook kanselarij is oorspr de voor ambtenaren (schrijvers) door hekwerk afgeschoten ruimte (nu: griffie, kantoor van regeringsmachten, gezantschappen enz) Vaak worden personen naar (meestal kenmerkende) lichaamsdelen genoemd Vgl een schip, met dertig koppen bemand Veel hoofden ,veel zinnen Een knappe kop Een kaal kop ,een dik kop ,een dom kop ,een krulle bol Een blauw oog ,een lache bek ,een aardig snuitje of snoetje of bekje ,een neus (voor: persoon 1) Vervolg van blz 229 Taal en Letteren Jaargang 11 278 met een grote neus), een melk muil ,een zuur toet ,een lang tong ,een grom baard Gezicht is van de ogen overgedragen op 'thele gelaat (een knap gezicht) en verder van 'tgelaat op de hele persoon: 'tis een aardig gezichtje Wie is toch dat mooie gezichtje? Vergl verder nog een hals ,een dik buik ,een buikje ,een bult ,een bochel ,een lang been ,een mank poot ,een oud vel (in 'tlied van de Koningskinderen: ‘een also vileynich vel’) Dan: hartje en (schertsend voor een gehuwde vrouw:) rib ,ribbetje Eindelik moeten hier worden vermeld de woorden geest en ziel ,die eerst op het onlichamelike betrekking hebben en daarna toch ook dienen om individuen aan te duiden: Kwel geest ,plaag geest ,vrij geest ,in de 17 eeeuw ook: een geest (oa voor: schrander persoon), een goeie ziel ,een arme ziel ,een zieltje ,een stad met dertig duizend zielen enz Ook worden personen niet zelden genoemd naar een kenmerkend kledingstuk Een gemaskerd persoon heet een masker Men spreekt van een neepjesmutsje (dienstmeisje), een slaapmuts ,een (ouwe) pruik De straatjongen scheldt 'n meneer uit voor hoed ;de geestelike heette en heet nog, naar het vroeger door hem gedragen hoofddeksel: steek In de 17 eeeuw werden mannen en vrouwen onderscheiden als broeken en doeken Vgl verder pikbroek ,een jong broekje ,roodbaatje ,witkiel (kruier, sjouwer), blauwkous ,kortjakje (in het kinderliedje: ‘Altijd is Kortjakje ziek, midden in de week en 's Zondags niet’ enz) We hebben met nagenoeg dezelfde overgang van betekenis te doen, wanneer iemand aangeduid wordt door de naam van een door hem gebruikt werktuig, of een onderscheidingsteken, door hem gedragen Het scheldwoord vlegel zal wel het eerst zijn toegepast op dorsvlegels hanterende boeren Geweren komt voor in de plaats van gewerendragende mannen Vroeger eveneens pieken voor piekeniers, speren voor speerruiters Samuel Coster bezigt roskam voor paardehandelaar Krakeelijzer en sleepsabel zijn spotnamen voor officieren De adjudantonderofficier heet bij zijn ondergeschikten stip ,naar de glimmende knoop op zijn kraag Krent is een bijnaam voor de kruidenier Pil voor de apotheker (vroeger ook voor de militaire student in de geneeskunde) Koperen bout voor de amsterdamse politieagent (naar zijn helmversiersel) Vgl nog bijltje (scheepstimmerman) Taal en Letteren Jaargang 11 279 Een spijs of drank wordt soms genoemd naar een enkel bestanddeel De met peper bereide saus waarmee hazen wel worden gegeten, heet hazepeper Later krijgt het hele gerecht (met de haas erbij) die naam Zult (het woord hoort bij zout ,met klankwisseling) betekent eigenl iets zouts, zoute spijs Nu: hoofdkaas Vgl nog: iemand op de koffie vragen en koffiedrinken ,waarbij eten 'tvoornaamste is (En velen drinken bij die gelegenheid chocola of melk, maar géén koffie) Ook: een bittertje (voor jenever met bitter) Een paar andere gevallen, waarin een deel wordt genoemd in de plaats van 'tgeheel, zijn nog kalfsvel voor trommel en zelfs voor leger (trouw zweren aan 'tkalfsvel) Band voor boekdeel Koppel oorspr verbinding (vgl sabelkoppel), touw waaraan de jachthonden werden meegenomen; dan: een door 'n koppel verbonden paar (eindelik ook: een niet verbonden paar; een aantal, een troep) Bij tijdsbepalingen valt op te merken dat een grotere tijdruimte ook soms wordt aangeduid door een woord dat een kleinere tijdsduur noemt Stond ,stonde (eigenl een korte tijdruimte, vgl terstond, aanstonds) wordt vooral door dichters gebruikt voor uur Middag wil zeggen: het midden van de dag De tijd omstreeks 12 uur Gewoonlik wordt er een verloop van verscheiden uren onder verstaan (van 12 tot bv 4of 5 uur) Morgen betekent ochtend, het eerste deel van de dag Dan krijgt het de bet van de gehele volgende dag, zodat men kan spreken van morgenmiddag en morgenavond Bij avond iets dergelijks De Germanen rekenden de avond en de nacht tot de volgende dag Zij noemden dus Vrijdagavond wat nu Donderdagavond heet (Vgl SintNikolaasavond ,niet de avond van de SintNikolaasdag, 6December, maar de vorige avond 5December) Van ‘vorige avond ’ging de betekenis over op die van ‘vorige dag ’Zo is Vastelavond de dag vóór 'tbegin van de vasten Vergel verder uitdrukkingen als: ‘Aan de vooravond van de Revolutie’, waarbij men ook niet aan een avond maar aan dagen denkt Lente ,zomer ,winter kunnen betekenen: jaar ‘Een meisje van achttien lentes of zomers’ ‘Hij telde tachtig winters’ Het gebeurt ook wel, dat een deel in de plaats wordt gesteld Taal en Letteren Jaargang 11 280 niet van het geheel, maar van een ander, overeenkomstig deel van een ànder geheel, dat met het eerstbedoelde in nauw verband staat Zool bet eigenl schoenzool, sandaal, en wordt overgedragen op de ondervlakte (zool) van de voet Schoot wil zeggen: slip, onderste rand van een kledingstuk Wordt van de slip die bij 'tzitten het onderlijf en de dijen bedekte, op die delen van het lichaam overgebracht Het omgekeerde heeft plaats bij lijfje (kledingstuk); onder lijfje ,dat aan 'tboven lijf wordt gedragen, maar zo heet omdat het zit onder de japon; rijg lijf ;korset (van corpset )dus hetzelfde als lijfje; duim (van een handschoen); kraag (eigenl: hals vgl een stuk in zijn kraag hebben) Broek komt waarschijnlik van een woord dat achterste, aars betekende Met deze overgang nauw verwant is die, waardoor de naam van 'tomhulsel gegeven wordt aan het geheel of gedeeltelik omhulde Wij spreken van een lekkere schotel ,een fijne fles ,een goed glas ,een heerlik kopje Bij een andere groep worden met de naam van woonplaats of woning de bewoners aangeduid Het beierse huis regeerde hier De Tweede Kamer vergadert Dinsdag De school gaat uit De hele stad spreekt er schande van Het land kwam in opstand De Rederijkerskamer Vondel gaf hier een voorstelling Hetzelfde bij hof Dit woord betekent oorspr tuin, omheinde ruimte (vgl kerkhof ‘Klein, klein kleuterke, wat doe je in mijn hof ’) Dan: stuk grond met gebouwen Vorstelik hof =tuinen en gebouwen van de vorst En eindelik bedoelde men met hof :de voorname bewoners van die vorstelike gebouwen Kapel Eerst: slotkapel Zangers (en muziekanten) die in de kapel van het slot zongen en speelden (gewijde muziek) Later ook van muziekgezelschappen gezegd, die wereldlike concerten geven Ook hier het omgekeerde: 'tGebouw krijgt de naam van de personen die er in huizen Er is brand geweest in het ministerie van Binnenlandse Zaken Wij wandelden langs de universiteit De societeit wordt behangen De club is geïllumineerd Het koor van die kerk wordt gerestaureerd (koor genoemd naar de koorzangers) Wereld bet oorspr mensenleeftijd; dan geslacht, menigte mensen, de mensen waarmee men leeft, de mensen in 'talgemeen De bet woonplaats van de mensen, de aarde, heeft zich eerst later ontwikkeld Anders dus dan men vermoeden zou is de bet wereld in: ‘Hij Taal en Letteren Jaargang 11 281 komt haast niet in de wereld ’oorspronkeliker dan die in: ‘dàt geluk zal je nergens op de wereld vinden’ Nog een andere groep van metonymia's is die, waarin gemoedsaandoeningen worden aangeduid door woorden, die eigenlik doelen op de onwillekeurige bewegingen of gevoelens waarmee die aandoeningen veelal gepaard gaan Men is door (over) het een of ander verrukt ,(dat wil eigenl zeggen: van zijn plaats gerukt) Men is (voelt zich) gauw op zijn teentjes getrapt Of men is opvliegend ; is, als een verontwaardigd middeleeuws ridder, dadelik op zijn paardje ;wordt geel en groen van woede, waarschijnlik omdat de gal overloopt Wie grappig wil zijn, verklaart dat zijn bloed karnemelk wordt Bij sommige van die uitdrukkingen is de oorspronkelike betekenis op het eerste gezicht niet duidelik meer Bang uit beang staat met eng in verband en betekent bedrukt, benauwd Ontsteld wil eigenlik zeggen: van zijn plaats getrokken (Werd dat nog gevoeld, dan zou een zin als: ‘Ontsteld bleef hij staan’ onmogelik zijn) Schrikken betekende springen (schrikkeljaar is het jaar dat een dag verspringt Vgl ook duits Heuschrecke , sprinkhaan )Met scherts werd oorspronkelik een vrolike, huppelende beweging bedoeld Bij weer een andere groep wordt een symboliese daad vermeld waarmede vroeger een handeling gepaard ging, in plaats van die handeling zelf Een meisje naar het altaar geleiden betekent: huwen Bruiloft wil eigenlik zeggen: optocht met de bruid Men vraagt iemand om de hand van zijn dochter, wat herinnert aan 'toude symboliese ineenleggen van de handen bij een verbond De hand op iets leggen voor: het in zijn bezit weten te krijgen Een verbond bezegelen (omdat vroeger een oorkonde van een zegel werd voorzien) De staf over iemand breken (Bij 'tuitspreken van een doodvonnis brak vroeger de rechter werkelik zijn stat) Iemand op de troon plaatsen of van de troon stoten Het hoofd in de schoot leggen (van een ander, ten teken van onderwerping) In zak en as zitten (oud israelieties gebruik) Zijn sporen verdienen ,herinnering aan de riddertijd, evenals: De handschoen toewerpen Soms wordt een mening aangeduid door het noemen van een handeling die het uitspreken van die mening vaak vergezelt Taal en Letteren Jaargang 11 282 Iemand wil ergens niet mee te maken hebben of vindt iets belachelik, en men zegt: Hij haalt er de schouders over op Men weet niet hoe te doen, en krabt zich de kop of zit met de handen in 'thaar Men kan zijn drift haast niet bedwingen en verbijt zich of staat zich te verknijpen Andere metonymia's: Het werktuig wordt genoemd in de plaats van het voortgebrachte (causaal verband) Zo noemt men vreemde talen ook vreemde tongen (vgl Handelingen der Apost II, waarin de talen symbolies door vurige tongen zijn voorgesteld) Iemand schrijft een mooie hand ,een lelik pootje Een stempel is niet alleen het stempelwerktuig, maar ook het door stempelen op of ingedrukt teken De pers is de drukmachine, en tevens het gedrukte, de kranten Weer een andere groep: het abstracte zelfstandig naamwoord dat een eigenschap of toestand aanduidt, wordt gebezigd voor het concrete, dat die eigenschap bezit of in die toestand verkeert Zo staat jeugd voor: de jonge mensen; macht voor leger of legerafdeling Verg verder burgerschap (eerst: het burgerzijn, dan de burgers), ridderschap ,kristenheid (eerst: toestand of waardigheid van kristenzijn, dan de kristenen), mensheid , Godheid ,een schoonheid ,Uwe Hoogheid enz Oorspronkelik allemaal abstracta Ook abstracte werkingsnamen gaan over tot persoons, voorwerpsen verzamelnamen Raad ontwikkelde uit de betekenis raadgeving, beraadslaging, die van raadgevend persoon (geheimraad) en raadgevend en wetgevend lichaam (gemeenteraad) Lijf beduidde oorspr leven (vgl lijf rente; het lijf bergen of redden; lijfs gevaar; lijf tocht) Later wordt lijf: levend lichaam, menselik lichaam Aanleg Eerst: het aanleggen, later het aangelegde (park, plantsoen) Druk Eerst: het drukken Dan: het gedrukte (het boek) ‘Ik zal mij een nieuwe druk aanschaffen’ ‘De oude druk heb ik weggegeven’ Werk De betekenis het werken gaat over in die van: het gewerkte, het tot stand gebrachte Een groot werk Een kostbaar werk Een haakwerkje Zending Het zenden Dan: Wat verzonden wordt Taal en Letteren Jaargang 11 283 Slok Het slikken Dan: De drank die ingeslikt wordt (een slokje =een borrel) Verhandeling Het verhandelen Dan: Het verhandelde Opstel Het opstellen Dan: Het opgestelde Verzameling Het verzamelen Dan: Het verzamelde Hierbij horen ook woorden als gang ,dat van de betekenis het gaan overgaat tot: weg of plaats waar (waardoor) men gaat Zoals gang tot gaan staat weg tot be wegen Ook steeg (in verband met stijgen dat in het oudgermaans niet klimmen maar gaan schijnt te hebben beduid), kan hier worden genoemd Verder: handel ,bv in boekhandel =boekwinkel Geld ,dat oorspr betaling betekende, wordt gebezigd om het betaal middel aan te duiden Nering (voeding, broodwinning) wordt: middel tot broodwinning (handel, klandizie, zaakje) Vergelijk nog aandenken en herinnering in de bet souvenir V Andere veranderingen in de woordbetekenis Beperking verruiming metaphoor metonymia Dit zijn de grote afdelingen waarin de meeste gevallen van verandering van woordbetekenis kunnen worden gerangschikt Op een paar andere rubrieken dient evenwel nog de aandacht gevestigd Daar is in de eerste plaats de overdrijving (hyperbool) Een groot aantal van die overdrijvingen wordt in het dageliks leven zó vaak gebruikt en dan onwillekeurig door ons taalgevoel tot de juiste maat teruggebracht, dat we gevoegelik van betekenisverandering kunnen spreken Daar zijn bv de grote getallen die wij bezigen, zonder ons altijd bewust te zijn van overdrijving ‘Ik heb het je wel honderdmaal gezegd’ ‘Die opera heb ik nu al twintigmaal gehoord’ ‘Duizendmaal dank’ Vgl ook samenstellingen als duizendblad ,duizendknoop ,duizendpoot ,miljoenpoot enz Ook bij half (voor: veel minder dan half) die overdrijving: Ik lachte me half dood Ze was half bevroren Hij is altijd half gek geweest Even ongemerkt als men met getallen en andere hoeveelheidsbegrippen vergroot, wordt er ook verkleind Men geeft 'n kind een paar kersen en natuurlik zijn het er meer dan twee (vgl Taal en Letteren Jaargang 11 284 daarentegen paar in: bruids paar ,echt paar ,'n paar handschoenen) Men heeft met iemand een enkel woordje te spreken, zal hem maar een ogenblik ophouden (of: één minuut )Men nodigt iemand uit om 'savonds een uurtje te komen praten (en bedoelt drie uur); men schrijft 'nregeltje ('n brief) Zo spreekt men ook van een handvol mensen, noemt een kleine legerafdeling: drie man en een paardekop enz Andere overdrijvingen hebben we in uitdrukkingen als: een hemelsbreed onderscheid; ontelbare fouten; een onafzienbare massa; fabelachtige prijzen, een stroom van tranen; het meisje baadde in tranen Wat we niet dadelik begrijpen noemen we gek ,mal of zot Iets heerliks wordt door de meisjes dol gevonden of dolletjes Men lacht zich een ongeluk ,een bult ,een bochel ,een breuk ,heeft aan slechte muziek een broertje dood enz Doordat men eerst bewust, later onbewust het overdrevene steeds ging terugbrengen tot zijn juiste afmeting, konden sommige versterkende bijwoorden (die bij voorkeur hyperbolies gebezigd werden) langzamerhand hun kracht volkomen verliezen Van iets waarschijnliks ,iets mogeliks werd hyperbolies vaak gezegd dat het zeker was, vast stond Dientengevolge kon de kracht van die woorden verdwijnen Vergelijk: ‘Ik weet zeker (met klemtoon) dat het zo is’ met: ‘Hij heeft al zijn geld zeker uitgegeven’ (zònder klemtoon) Hij is ‘vast’ weer ziek (zònder klemtoon) Hij komt ‘stellig’ weer geld te kort Hij zal zich ‘wel’ vergist hebben Ook graag (eigenlik hetzelfde betekenend als gretig )heeft zijn kracht verloren in zinnen als: ‘Ik wil het graag geloven, maar’ De oude versterking is in dit graag eigenlik tot verzwakking geworden ‘Ik wil het graag geloven, maar’ wil ongeveer zeggen: ‘Ik kan het moeilik geloven maar daarover zal ik me niet uitlaten’ Iets dergelijks hebben we bij het op onverschillige toon uitgesproken heel :‘O, 't is heel aardig, heel lief’ en ook bij wel in: ‘Het kan wel waar zijn, maar’ Ook bij tamelik Dit woord betekent betamelik ,zoals het betaamt, zoals 'thoort Het heeft langzamerhand de betekenis ‘niet zo heel’ gekregen wanneer het een woord met gunstige betekenis bepaalt (tamelik rijk, tamelik knap, tamelik nauwkeurig) en ‘nogal, vrij’ bij een woord dat iets òngunstigs aanduidt (tamelik lelik, tamelik flauw De muziek klonk tamelik vals) Taal en Letteren Jaargang 11 285 Onder de overdrijvingen zijn vaak de ruwheden en platheden te rangschikken, die bij meer mensen dan men denken zou niet alleen bij onbeschaafden in de smaak vielen Door veelvuldig gebruik kon het ongewoonruwe verloren gaan; kon het woord ‘gewoon’ worden, door de fijnst beschaafde dame gebezigd die natuurlik niet vermoedt welke betekenis oorspronkelik was verbonden aan het bewuste woord Een paar voorbeelden maar Schelmpje ,veelgebruikt liefkozingswoord voor kinderen, verkleinwoord van schelm, dat oorspr bet: lijk, kreng, aas Aarzelen ,van aars ,wil eigenlik zeggen: zich bewegen in de richting van de aars (dus: achteruitgaan Vgl Frans re cul er) Met gevallen als deze zijn andere verwant, waarin ruwe uitdrukkingen of scheldwoorden worden gebruikt als liefkozingswoorden, ofschoon de eigenlike betekenis nog duidelik wordt gevoeld De kracht van het scheldwoord is dan natuurlik eerst, door overdreven (hyperbolies) gebruik, vervlogen Zo noemt men een kind een dier ,een diertje ,een duvel ,een diefje ,een rot ,een vod ,een prul enz Van een bijdehand klein meisje hoort men wel: ‘O, 'tis zo'n krengetje ’Blijkens Justus van Effen (Holl Spectator ,3ebetoog) waren er in de eerste helft van de 18 eeeuw moeders, die hun kleine dochtertjes ‘dagelijks’ toeriepen: ‘Je bent een hoertje van een meisje, je bent een allerliefst hoertje, ja dat benje’ Terloops zij hier opgemerkt dat van veel scheldwoorden de oorspr betekenis niet meer gevoeld wordt En die oorspronkelike betekenis is in veel gevallen veel minder èrg, dan men zou vermoeden Smeerlap was de vette doek, waarmee de slepers hun sleetjes van onderen smeerden Schobbejak ,schobberd ,schoft en schurk betekenden alle vier de wrijfpaal, waaraan het vee in de weide zich schuurt Schavuit is oorspr uil Schoelje waarschijnlik zo iets als koksjongen Del betekende babbelaarster Belazerd was iemand die leed aan lazarij, de Lazarusziekte, melaatsheid Het eerst lid van kakmaker (snoever) staat in verband met het oude ww kaken (waarvan kakelen )dat babbelen, snappen betekende Evenals de hyperbool speelt ook de litotes (verkleining) een rol in de semasiologie Een paar staaltjes hebben we daar al van gezien Andere vinden we in uitdrukkingen met niet :‘Maar hij, ook niet lui ,sprong op’ enz Taal en Letteren Jaargang 11 286 Niet lui is niet langer de ontkenning, maar het tegendeel van lui Zo betekent niet wijs :gek Vergelijk verder: niet kwaad ,lang niet mis ,niet voor de poes (zoals katvis bv), niet van gisteren (maar 'n man van ondervinding), niet van stro (maar degelik, soliede) enz Als tegenstelling van overdreven platheden kunnen we de euphemismen of verzachtende, verbloemende uitdrukkingen beschouwen Nu komt het voor, dat die euphemismen, juist door veelvuldig gebruik, zó nauw met het platte begrip dat men verbloemen wil, worden verbonden, dat ze na verloop van tijd onbeschaafd gaan klinken en door andere euphemismen (soms ook door 'tjuiste, noemende woord) vervangen worden Dit is voornamelik het geval met termen voor zekere lichaamsdelen, lichaamsverrichtingen en kledingstukken Het kan er nog even door, dat men spreekt van ‘zekere plaats’, ‘bestekamer’ of ‘nummer honderd’; de oorspr euphemistiese woorden pletie ,plee en sekreet zijn plat geworden Bij naar achteren gaan doet het verbloemende nog dienst Een grote boodschap doen klinkt nagenoeg even plat als het woord waarvoor de uitdrukking oorspronkelik euphemisties in de plaats is gesteld Een natuurlik gevolg van het dikwels in korte tijd waardeloos worden van dergelijke euphemismen, is het telkens opduiken van andere (soms zeer ‘grappige’ 1))die ook al heel gauw van de helling glijden en in het nietnette verzinken Een voorbeeld dat een woord waarvoor een verbloemende term werd gebezigd, zèlf weer meer in gebruik komt, hebben we in hemd Men acht het in beschaafde kringen niet langer strikt nodig van zijn chemise te spreken Merkwaardig is de geschiedenis van het woord ruiken Daar het vaak euphemisties gebruikt werd (en wordt) voor stinken (bv wat ruikt het hier!) kreeg het ook zelf een luchtje en kwam het bij velen in discrediet Men ging nu een (willekeurig) onderscheid maken tussen ruiken en rieken (vgl kuiken en kieken ,bestieren en besturen ,lieden en het oudere luiden enz) en meende het aan zijn fatsoen verplicht te zijn om het onovergankelike ruiken door rieken te vervangen De liefhebberij om te 1) Zijn slaapkameraad uitlaten ,zich naar 'tkantoor van de in en uitgaande rechten begeven enz De ‘spraeckmakende gemeent'’ isop dit terrein albiezonder geestig Taal en Letteren Jaargang 11 287 zeggen: ‘Wat riekt het hier vreemd’, ‘het riekt wel aangenaam’ schijnt echter in de spreektaal tot betrekkelik weinigen beperkt te blijven Er zijn ook euphemismen die hun oorsprong vinden in godsdienstige of bijgelovige vrees Vervloekingen, aanroepingen van God, Kristus of Heiligen, woorden waaraan men ‘bovenaardse’ begrippen verbond, werden eerst, om niet te zondigen, verbasterd, en toen bloot als uitroepen en versterkingen of uitingen van afkeer gebruikt Een paar voorbeelden maar uit de grote massa: Gut ,Gossiemijne ,Gommes (= Godmens, vgl frommes voor vrouwmens), Jazzes ,Harrejazzes ,sakkerloot (uit sacre en een niet met zekerheid verklaard loot ),weergaas ,blikkedosie , verdompeltjes ,enz Een derde soort van euphemismen staat in verband met de beleefdheid Men wil iemands eergevoel niet beledigen, en betitelt hem zekerheidshalve liever te hoog dan te laag Daar is in de eerste plaats het woord heer Eigenlik de vergrotende trap van een bijvoeglik naamwoord dat hoog ,eerwaardig ,aanzienlik betekende Hogergeplaatsten sprak men dus aan met ‘heer’ of ‘mijn heer’ (mijn hogere) Als beleefdheidsformule kwam het ook tussen gelijken in zwang Een tijdlang werd heer gebruikt als titel voor adelliken Het ging over op burgers, die door stand en ontwikkeling als de gelijken van de edelen konden gelden, werd steeds algemener en nadert, vooral in de grote steden, het woord man Met vrouw ging het dezelfde weg Oorspronkelik beduidt het ook de hogere, de gebiedster, de meesteres (vrouw gevormd van een oud frô ,dat heer betekende) Evenals heer werd vrouw de titel voor iemand van adel Nietadellike vrouwen waren wijven Ook het woord vrouw werd meer en meer algemeen; eindelik verving het zelfs wijf als tegenstelling van man Mevrouw (di mijn vrouw, mijn gebiedster; vgl mijnheer )bleef als aanduiding van gehuwde vrouw van zekere stand, iets voornaams behouden; en vrouwe ,eigenlik net hetzelfde als vrouw ,werd nagenoeg tot gehuwde dames van adel beperkt Jonkheer en jonkvrouw (de jonge heer en de jonge vrouw) zijn ook niet gedaald Juffrouw (juffer )uit jonkvrouw daarentegen wèl Ten slotte nog iets over de ironie Ook deze werkt mee om de woordbetekenis te wijzigen Er zijn altijd mensen die voor de grap iets anders zeggen dan ze bedoelen Sommige van hun gezegden worden na druk gebruik ook door anderen overgenomen, en ten laatste zelfs aangewend in tamelik ernstige stijl, waarbij Taal en Letteren Jaargang 11 288 men dan niet meer voelt dat ze eigenlik juist het omgekeerde zeggen van hetgeen wordt bedoeld Dikwels wordt ironies gebruikt: Jawel Bv: ‘Ik dacht dat ik aan de beurt zou komen, maar jawel ’(bedoeling: maar neen) ‘Je dacht zeker dat het zó was gebeurd? Dat kan je begrijpen ’‘Ga je dreigen? Och kom, ik ben bang voor je ’‘Dacht je dat jij het van me kreeg? Morgen brengen (oorspr bet: ‘Ik zal het je morgen brengen Later ook gebezigd in zinnen als: ‘Verbeel je je, dat ze iets om je geven? Morgen brengen ) Vgl nog: ‘Jawel, daar zal ik me aan storen !’‘Ik dank je lekker ’‘Ik zal me voor niets vermoeien !’‘'tIs me 'n zorg ’ Bijvoeglike naamwoorden met een gunstige betekenis worden niet zelden ironies gebruikt: ‘'t Is me 'n mooie historie!’ 'n Mooie grap, een fijne madam, een fijn werk, een stichtelik verhaal ‘Zeker, lieg jij er maar om, dat is je ware ’ Andere oorspronkelik ironies gebruikte uitdrukkingen zijn: Aan de dans raken (slaags raken); 'tis 'n feestnummer ;dat grapje kost me nog honderd pop Verder allerlei uitdrukkingen voor een borrel als: 'n piereverschrikkertje ,'n glaasje erger dan de cholera ;woorden als duizendpoot ,weekdier ,hit voor dagmeisje; pennelikker enz enz (Slot volgt ) RA KOLLEWIJN Mof In een recensie van Franck's Etymologisch Woordenboek, Indogerm Forschungen, VI, 205 beweert Franz Jostes, dat dit woord oorspronkelijk een schimpnaam is door de Hollanders (vermoedelijk bedoelt hij hiermede: de Nederlanders) aan de Eemslanders gegeven Gronden voor deze bewering worden niet opgegeven Opmerkelijk is, zooals trouwens algemeen bekend is, dat tegenwoordig de schimpnaam soms wederkeerig door bewoners van naburige streken aan elkander gegeven wordt Het woord beteekent dus in dit geval barbaros ,in de Grieksche beteekenis van dit woord Minder bekend is, dat oudtijds de Hollanders of de Amsterdammers de Zeeuwen ook moffen noemden, zooals blijkt uit Willem Leevend, VIII 1,232: ‘De Zeeuwen zijn nog al van de domste Moffen niet’ NAC Taal en Letteren Jaargang 11 289 Kleine meedelingen over boekwerken Leven en W erken van Jonker Jan van der Noot ,door Aug Vermeylen, Antwerpen De Nederlandsche Boekhandel 1899 in8 o Ik herinner me niet wie eens gezegd heeft dat een wetenschappelijk man een vroeg gestorven kunstenaar is Of dit gezegde dikwijls als een waarheid gelden kan, betwijfel ik; altijd is het toch niet toepasselijk Bovengenoemd werk van Vermeylen bewijst het Met de nauwgezetheid van den wetenschappelijk geschoolde, maar tevens met de breede opvatting van den kunstvoelende, heeft de schrijver zijn studie over Van der Noot uitgewerkt Het iseen voordeel, beter, een noodzakelijkheid, en daarbij een groote vreugde dat artisten zich met letterkundige geschiedenis gaan bezighouden (en men vraagt zich zelfs af, hoe 'tmogelijk is dat dit niet steeds zoo is), omdat als kunst gegeven werk ook door kunstenaars alleen naar zijn juiste waarde kan beoordeeld worden; en dat, waar de loutere wetenschappelijkheid den gezichtskring soms verkleint, het intuïtieve van hun gevoel hen dieper doet zien in de wezenlijke waarde van 'twerk, en hun dingen doet ontdekken die een uitsluitend wetenschappelijk man er niet in zou gevonden hebben Vermeylen zelf heeft het gevoeld, wanneer hij zijn overtuiging uitspreekt, dat de geleerde zijn opvatting over 'tiambisch vers niet deelen zal (bl 136); wanneer hij beweert dat hij ‘niet het mechanische der jambenmaat’ op 'toog heeft (blz 68), en dat ‘niet de regelmatigheid van het metrum (hem) van belang schijnt’ (bl 135) Hoe zeer ik ook zijn uitspraak van een artistiek standpunt billijk, geloof ik toch dat hij met de bedoeling van de schrijvers zelf geen rekening heeft gehouden, en dat hij hun een waarde toekent die zij niet zoo onbedingd gehad hebben, terwijl heel zijn werk over VdN toch wil aantoonen, dat met hem voor 'teerst het kunst bewustzijn in onze letterkunde ontwaakt is, en dat zijn verzen niet meer aan louter toevalligheden hun oorsprong verschuldigd zijn Op gevaar af eentonig te worden, daar ik over deze Taal en Letteren Jaargang 11 290 quaestie mijn oordeel al eens uitgesproken heb 1),betwijfel ik of de geprezen verzen wel zoo vrij zijn als de schrijver het doet voorkomen, en of ook zij niet behept zijn met die toenmaals algemeen heerschende ziekte der verkeerde beklemtoning Nieuwe voorbeelden tot staving daarvan hebben mij in mijn meening versterkt Hooren wij bv naar Spenser, die aan zijn vriend Harvey schrijft: ‘For the only or chiefest hardness, which seemeth, as in the accent, which sometime gapeth, and, as itwere, yawneth illfavouredly, coming short of that itshould, and sometime exceeding the measure of the number, as in Carpenter ;the middle syllable being used short in speech, when itshall be read long in verse, seemeth like alame gosling that draweth one leg after her; and Heaven being used short as one syllable, when itis in verse stretched out with adiastole, is like alame dog that holds up one leg’ 2) Of wanneer wij bij Bredero lezen En uschoonheyt ons voort verleyt Door haer besondre luysters, waar ‘schoonheyt’ rijmen moet op ‘verleyt’, dan komt het mij toch voor dat ‘heyt’ een tegennatuurlijk accent moet hebben, wil het als rijm kunnen klinken Ik zou die voorbeelden met honderden kunnen vermeerderen, maar acht het voldoende om aan te toonen, dat die verkeerde accentueering even ‘internationaal’ was, als de Renaissance zelf die haar zag opkomen, en met zich dat verschil bracht tusschen volkstaal of gewone spreektaal en dichterlijke taal, zóó dat men het Cats later zou verwijten, dat zijn uitdrukkingen te gemeen, te verstaanbaar waren Indien dit één der schaduwzijden is van deze machtige beweging, zoo heeft zij toch een grooten invloed ten goede geoefend, waarop Vermeylen met veel helderheid van uiteenzetting wijst Alhoewel hij een kant van de zaak onaangeroerd heeft gelaten Want ik geloof dat de Renaissance niet altijd aan een behoefte voldeed, en dat veel, die er zich door lieten beïnvloeden, gehoorzaamden aan een modegevoel ,aan een verlangen nieuw en anders te willen zijn, zonder den innerlijken drang te hebben Maar tevens handelde hij voorzichtig, toen hij tegen de moeilijkheid die 'tvolledig kenschetsen van die beweging bevat, waarschuwde Een tijdperk immers duurt soms voort, zelfs eeuwen nadat een ‘nieuwe’ tijd aangebroken is; de ontwikkeling van den mensch verschilt toch dikwijls volgens de plek der aarde waar hij zich bevindt Een nieuwe tijd, meen ik, wordt gekenmerkt door het op den voorgrond treden van een trek, die lang reeds in kiem bestond; en indien het met minder 1) InTijdschrift vNed Taal en Lett XVII, bl 105 2) Aangehaald bij James Russel Lowell The English Poets Leipzig, Heinemann and Balestier, 1891, bl 12 Taal en Letteren Jaargang 11 291 moeilijkheden gepaard gaat de feiten voor oogen te leggen, des te lastiger is het die feiten terug te brengen tot één of meer princiepen, waarin ze alle passen 1)Veel van het nieuwe wordt gevonden in individuën, die nog gedeeltelijk tot het zoogezegd vroegere tijdvak behooren, en veel van het oude in hen die als vertegenwoordigers van de nieuwe richting optreden Dat heeft Vermeylen aangetoond; misschien had hij 'twat breedvoeriger kunnen doen Want, ondanks al 'tnieuwe in den dichter VdN, is er toch nog veel dat klinkt als een nagalm uit de middeleeuwen, met hun spontaneïteit en volkschheid, en als een nagonzen van de rederijkers met hun gegoten dichtvormen en gebrek aan gevoel Schijnt het volgende vers van VdN: ‘waer na altijdt staet myn verlanghen’, geen naklank van het: ‘Naer haer is alle mijn verlanghen’ uit het volkslied? Of is het vele moraliseerende dat nog in zijn werk voorkomt geen voortzetting van de middeleeuwen? En herinneren ons uitdrukkingen als: ‘eenpaer’, ‘met goey manier van doene’, ‘tot verfraeyen’, veurschreven’, ‘niet om verclaren’, ‘met goedt vercloeken’, ‘vrij sonder schamen’, ‘med verblijden’, ‘niet om verriken’, ‘niet om verschoonen’, ‘boven maten’, ea niet aan de talrijke keeren dat de Rederijkers die stoplappen gebruikten? Doch daarnaast vinden wij iets in VdN dat wij vóór hem in onze letterkunde nog niet aangetroffen hebben: nl zijn zelfcritiek, wel het beste bewijs, dunkt mij, van het literaire bewustzijn, waarover Vermeylen spreekt (bl 37) Juist omdat dit feit zoo belangrijk is, vind ik dat hij ook wat meer den nadruk had mogen leggen op de verbetering van het Sonnet ‘Ick sach myn Nimphe int suetste van den Jare’, dat eerst voorkomt in ‘Het eerste Bosken’, en daarna grootendeels van stoplappen ontdaan, in ‘Het Cort Begryp der XII Boeken Olympiados’ 2)Dàt was immers kenschetsend voor den tijd, want juist dàt was nieuw Het bewees een verdieping van 'tgevoel En de persoonlijkheid van Anna Beyns terzijde gelaten, waaraan de schrijver terecht herinnert, had toch ook, zoo niet vóór VdN, dan toch zeer waarschijnlijk wel tegelijk met hem, Lucas d' Heere aandoeningen van zijn gemoed uitgezegd, wel niet artistiek, maar toch gevoeld 3)Legt men echter het werk van den Gentenaar naast dat van den Jonker, dan is het verschil, dàt tusschen den rijmelaar, den rede 1) Cf Karl Federn Renaissance en Romantiek (In Van Nu en Straks Nieuwe Reeks IV, bl 152) 2) Aangehaald bij Verwey Gedichten van Jonker Jan van der Noot Amsterdam Scheltema en Holkema, 1895, bl 17 en 44 3) Inzijn Hof en Boomgaerd der Poësien van 1565 Ikhoop daarop terug tekomen inmijn monographiën over Lucas d'Heere en Karel van Mander, waarvan ikde bewerking onder handen heb Taal en Letteren Jaargang 11 292 rijker en den dichter, die nog wel niet tot volle ontwikkeling gekomen is, zooals oa het veelvuldig gebruik van het epitheton ‘goedt’, en zelfs dicht na elkaar (zie bl 108 van Verwey's uitgave) het schijnt te bewijzen; of het onbeholpene dat er ligt in verzen als de volgende, die tevens aanduiden dat VdN nog niet volkomen meester was over zijn ingeving, maar deze wel over hem: Heur borstkens wit syn (daer ick af moet droomen) Gelijck de vrucht isder Oraengen boomen, Oft sy syn oock te recht (om bat te spreken) By bollekens van oudt yvoir geleken: Waer op den Aerdt op elck' heeft comen veughen Een criexken roodt Dit schrijve ick med geneugen (Verwey, bl 58) Is het niet eigenaardig, dat gebrek aan keus; die dichter, welke twee vergelijkingen in zijn pen heeft en ze beide uitwerkt? Maar duidt het tevens niet op een drang naar artisticiteit van den man die zijn dichterlijk gevoel bevredigd weet door twee figuren, maar het een aan 'tander niet kan opofferen? En uit diezelfde redenen van artisticiteit is dan ook zijn karakteronvastheid uit te leggen Hij was eerst en vooral kunstenaar, het is waar, één die dikwijls zijn kunst tot broodwerk verlaagde, en nooit hebben de godsdienstige beroerten hem zoo zeer kunnen beïnvloeden, dat hij er heelemaal in opging Welk verschil met Lucas d' Heere en Van Mander, die men gewoonlijk in één adem noemt met VdN! Als karakters staan de twee eersten naast de grootste figuren uit de 16e eeuw; niets heeft ze in hun overtuiging doen wankelen Als kunstenaars echter streven ze VdN niet op zij, die zijn pen slechts bij uitzondering ten dienste stelde van de politiek en den godsdienst, maar die zong, omdat hij zingen moest, al kwam de grootste opwekking van buiten, uit Frankrijk In de Pléiade heeft VdN zijn aansporing gevonden Maar zijn gevoel was in staat om het gekregene naar waarde te schatten, het in zich op te nemen en te verwerken, wat met veel anderen niet het geval was, en om daarnaast toch nog oorspronkelijkheid genoeg te bewaren om een eigen stem te hebben Waar Vermeylen er in geslaagd is ons een duidelijk beeld van VdN voor oogen te hangen, zullen wij hem niet hard vallen om eenige onnauwkeurigheden, die maar kleinigheden zijn en aan het beeld van den dichter niets veranderen Er werd reeds op gewezen dat de lauwerkrans, dien VdN om de slapen draagt, niet het eenig geval van dien aard is in de Nederlanden In 1507 werd te Thienen Gerardus Geldenhauer Noviomagus door Keizer Maximiliaan tot dichter gekroond 1) 1) Zie JPrinsen, JLz Renaissance en Humanisme (In Noord en Zuid XXII, 6,bl 505) Taal en Letteren Jaargang 11 293 En aan Houwaert werd door de Brusselsche jonkvrouwen een lauwerkrans aangeboden, als belooning voor zijn Pegasides Pleyn ofte Den Lusthof der Maechden 1) Niet overal ook is door Vermeylen alles afdoende uitgemaakt Zoo komt het mij voor dat de schrijver wel wat haastig is heengestapt over 'tonderzoek betreffende het door hem verloren verklaarde ‘Bücher der liebdten’ (bl 42) Is het soms geen bijtitel of een karakterizeering door Grenerus van een ander zijner werken, later onder een anderen naam verschenen, vooral wanneer we hooren dat er naderhand nog dikwijls spraak is van dit werk, en dat componisten als Andries Pivernagie, Gregorius Trehou, Huibrecht Waelrans en Cornelis Verdonck ‘sommige Sonetten oft Madrigalien’ op muziek gebracht hebben (bl 44)? Komen de woorden van de composities overeen met gedichten die in andere werken van VdN voorkomen, dan is de zaak opgelost Ik weet niet of Vermeylen dit onderzoek gedaan heeft; in ieder geval deelt hij er ons den uitslag niet van mee Ook is het woord ‘ketterije’ geen bewijs van Katholicisme, zooals Vermeylen het doet voorkomen (bl 66) Dit woord werd niet uitsluitend door de Katholieken gebezigd; ook de Protestanten bedienden er zich van om hun tegenstanders aan te duiden Plaatsen uit Lucas d' Heere's Tractaet ofte Handelinge van de Kercke , in 1580 verschenen, op een oogenblik dat hij reeds lang openlijk tot de Hervorming was overgegaan, bewijzen het Op blz 23 lezen wij: ‘Maer wy segghen dat zy (nl de Roomsche Kerk) een Kettersche Kercke is’ 2) Onjuist is de bewering (bl 42) dat d' Heere de psalmen van Marot vertaald heeft Hij vertaalde er slechts 37, en niet alleen naar Marot, doch ook naar de Bèze, Marot's meewerker 3) Ook op een tegenspraak in Vermeylens werk moet ik wijzen, waar hij op bl 51 beweert dat ‘VdN de germaansche 4)woordkoppelingen vermijdt, die de Pléiade met geweld in de fransche poëzie wilde invoeren’, terwijl hij op bl 123 zegt: ‘Hij (nl VdN) volgt de Pléiade zelfs niet na, waar zij die vreemde woordkoppelingen naar 'tGrieksch of 'tLatijn 4)schept’ Ik geloof dat die woordkoppelingen hier alles behalve Germaansch waren Om één voorbeeld uit vele te nemen: wanneer Van Mander in zijn Bucolica en Georgica de samenstelling ‘claerstemsche’ als hoedanigheidsaan 1) Cf Dr AS Kok Van Dichters en Schrijvers Culemborg Blom &Olivierse (18981899) 2e stuk, bl 199 2) Andere bewijzen in'tzelfde werkje op bl 12, 18, 45 en 241 3) Tot inlichting kan ikden Heer V, die de leuitgave van Datheens psalmen (1566) niet kon vinden (bl 162) meedeelen, dat de Heer Victor van der Haeghen, archivaris der stad Gent, er een exemplaar van bezit 4) Ikcursiveer 4) Ikcursiveer Taal en Letteren Jaargang 11 294 duiding bij ‘swanen’ voegt, doet hij niets anders dan het oorspronkelijke ‘argutos olores’ vertalen Op bl 169 gaat Vermeylen te ver, wanneer hij met zekerheid het Pasquillus Testament (waarom Pasquillen bij V?) aan d' Heere toeschrijft Zeker is dit niet; hoogstens zeer waarschijnlijk 1) Deze kleine opmerkingen doen natuurlijk geen afbreuk aan de waarde van 'twerk, en halen VdN niet neer van de plaats waarop Vermeylen hem gesteld heeft Zijn invloed op de andere schrijvers is overigens gering geweest; V stelt dit vast, al wordt VdN naam in Den Nederduytschen Helicon (waarom Het bij V, bl 139 en 140?) van 1610 nog tweemaal genoemd Maar vroeger reeds scheen men hem òf vergeten òf niet gekend te hebben Door de vriendelijke welwillendheid van wijlen den Heer Dr ChM Dozy, oudarchivaris der gemeente Leiden, gewerd mij indertijd een handschriftelijk gedicht, dat door den archivaris aan den bekenden Jan van Hout toegeschreven werd Het ontbrak hem echter aan de gegevens om den datum van het stuk met eenige juistheid te bepalen Het is een klacht van de Nederlandsche taal, die als persoon optreedt, en bedroefd is, omdat men zooveel vreemde woorden in 'tNederlandsch gebruikt Zij wijst op 'tvoorbeeld van de Italianen en de Franschen, die hun taal zuiver schrijven, welke door goede dichters verrijkt wordt En gaat zij voort: Aenmerct den vlyt van mynen zoon den Corenhert Dantwerpsche (eylas) omgeschoffierde maecht my bystant duet met haren Heyns En haecht De stat van Gent tot mywaert wert ooc milder Dees vuet my op Lucas de Heer den schilder Dus kinderkens zue gy myn druc wilt dra bevreden Poocht ualdees haer vueten stappen nae te treden Het komt mij voor dat dit gedicht omstreeks het einde van de 16 eeeuw ontstaan is Misschien wel na de inneming van Antwerpen in 1585, waarop de uitroep: ‘Dantwerpsche (eylas) omgeschoffierde maecht’ schijnt te slaan Willem van Haecht in elk geval gaf in 1579 zijn psalmvertaling uit Het wijzen op de geschuimde woorden schijnt mij het oogenblik aan te duiden waarop de Kamer ‘In Liefd' bloeyende’ haar Twespraack vande Nederduitsche Letterkunst’ (1584) en andere werken tot taalzuivering uitgaf Dat Marnix niet genoemd wordt, die toch in ieder geval als een der eersten zou moeten aangetoond worden, is misschien met opzet geschied De overgave van Antwerpen werd hem, zoo men weet, door de Protestanten zeer kwalijk genomen; men ging zelfs zoover hem van verraad te beschuldigen Dat Van Mander evenmin een plaatsje heeft, is misschien aan de omstandigheid te wijten dat hij nog niet bekend 1) Ikzal dit nader aantoonen inmijn verhandeling over d'Heere Taal en Letteren Jaargang 11 295 was; immers is het slechts omstreeks 1600 dat hij beroemd werd in de Nederlanden Tusschen 1580 en 1590 is dus misschien het gedicht geschreven, en toen behoorde VdN toch niet meer tot de onbekenden 1) Maar bekend of niet, al of niet invloedrijk, toch verschaft hij ons door zijn zuiver kunstbegrip en door zijn soms heel mooie verzen een dichterlijk genot, dat wij in dien tijd niet gewoon zijn, en Vermeylens groote verdienste is het ons dit met veel duidelijkheid te hebben aangetoond Antwerpen, Januari 1901 Dr MARTEN RUDELSHEIM Nieuwe boeken: CG KAAKEBEEN ,Beknopte Nederlandsche spraakleer, 2e, herziene druk Tiel, D Mijs 8o(XI 180 blz) Gecart f125 WS LOGEMAN ,Leesboek en grammatika Met oefeningen en woordenlijst, hollandschengelsch Voor den tweeden standaard 2e, nauw keurig herziene druk Amsterdam Kaapstad, HollandschAlrikaansche Uitgeversmaatschappij vrhn Jacq Dusaeau & Co 8o(130 blz) Geb f075 WS LOGEMAN ,Lezen leeren Het eerste leesboek 2e druk AmsterdamKaapstad, HollandschAfrikaansche Uitgeversmaatschappij vrhn Jacq Dusseau & Co 8o(40 blz, m afb) Geb f030 RK KUIPERS ,Geïllustreerd woordenboek der Nederlandsche taal ,bevattende alle gebruikelijke zoowel Nederlandsche als bastaardwoorden, opgehelderd door aanhalingen uit Nederlandsche schrijvers en door vermelding van spreekwoorden, zegswijzen en synoniemen [Met afbeeldingen tusschen den tekst] afl 29 Amsterdam, UitgeversMaatschappij ‘Elsevier’ Gr 4o(Venstergat Voorspiegeling) Dr EF KOSSMANN ,Holland und Deutschland Wandlungen und Vorurteile Antrittsrede Haag, Martinus Nijhoff Gr 8o(38 blz), f060 H SCHEEPSTRA ,Onderwijs en opvoeding Beknopt leerboek voor kweek en normaalscholen Groningen, JB Wolters 8o(VII, 312 blz), f225; geb f250 CFA ZERNIKE ,Paedagogisch woordenboek Afl 1/2 Groningen, JB W OLTERS 8o(Blz 1192) Per afl f050 Kompleet in 10 afleveringen JL W ÉRY ,Stenographie en de reclame ScheithauerRients Balt 'sGravenhage, 1901 Gratisbrochure De leerplichtwet Wet van 7Juli 1900, Staatsbl No 111, houdende bepalingen tot regeling van den leerplicht Tekstuitgave 2e druk Groningen, P Noordhoff 8o(20 blz) f010 1) Mettertijd hoop ikdit gedicht inzijn geheel uit tegeven Taal en Letteren Jaargang 11 296 Inhoud van Tijdschriften: De Gids ,No 6, Juni 1901, oa: Hélène Lapidoth Swarth ,Verzen Rob Roberts ,Sonnetten De Arbeid ,afl 8, 1900: J Tersteeg ,De beteekenis der hedendaagsche Letterkundige Kritiek [Met zeer veel goede opmerkingen] Karel vd Oever ,Van stille dingen Vict de Meyere ,Het bloedende hart van Daneelken Adolf Herckenrath ,Verzen Lode Baekelmans , Marieken van Nijmegen A Rehm ,Herstel Elsevier's geïll Maandschr ,No 6, Juni 1901, oa: ThJ Thijssen ,Het Eendje Marie Marx Koning ,De pedante Paddestoel Sprookje voor groote menschen G van Hulzen ,Minnebloem JH Speenhoff ,Het verboden boek Woord en Beeld ,Mei 1901, oa: G van Hulzen ,Aankomst Circus Jeannette Nijhuis ,Liefde Boon's Geïll Magazijn ,No 23, Mei 1901, oa: Otto Ludwig ,De tooverring Kinderoperette in 4bedrijven GH Priem ,Kiekjes en Instantanés Zijn geluksdag Met penteekeningen van Jan Bleys F Marion Crawford ,In het paleis van den Koning, een roman uit het Oude Madrid J Ter Steeg , Voordrachten: Monologen, Dialogen, Salonstukjes en Verzen Niet kibbelen, klucht in één bedrijf De Tijdspiegel ,No 6, Juni 1901, oa: J Eysten ,Simon van Beaumont Gustaaf Segers ,Zuster Amanda, II Noord en Zuid ,No 6, 1901, oa: J Hobma ,Het rijksmuseum (Potgieter) Tijdschrift (Mij Ned Letterk ),XIX, 4: J Verdam ,Over het voorvoegsel ont J Verdam ,Een tot heden onbekend woord voor leem (nl don )JH Kern Hz ,Naschrift op Tijdschr XVIII, WL De Vreese ,Nieuwe middelnederlandsche fragmenten X Eene nog onbekende ‘twistsprake’, XI Fragment eener vertaling der Disticha Catonis gedrukt door Jan Brito WL De Vreese ,Middelnederlandsche geestelijke gedichten, liederen en rijmen Volkskunde ,Tijdschr v Ned Folklore ,13e jrg, afl 9en 10, oa: A De Cock , De Arabische nachtvertellingen A De Cock ,Spreekwoorden en zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden Dr M Sabbe ,Eenige Brugsche volksliederen Dr GJ Boekenoogen ,Nederlandsche sprookjes en vertelsels Kroniek Boekbeoordeelingen Taal en Letteren Jaargang 11 297 Verandering van woordbetekenissen 1) (Semasiologie) VI Opeenvolging van onderscheiden Betekenisveranderingen Onder de voorbeelden die wij tot dusver aanvoerden, waren er enkele waar men bij opmerken kon, dat de betekenis van een woord soms eerst in de ene, dan in de andere richting verandert In zulke gevallen gebeurt het niet zelden dat de oorspronkelike betekenis geheel verdwijnt, en een toevallige, bijkomende omstandigheid op de voorgrond treedt Wij merken dit oa op bij uitdrukkingen die eigenlik een betrekking van plaats aanduiden en dan, omdat in dit plaatselike toevallig de oorzaak ligt van het een of ander, iets causaals gaan betekenen Grond is het fondament dat iets draagt, waar iets op rust; dan het fondament waarop een bewijsvoering steunt (vgl: gronden aanvoeren voor een bewering); dan datgene, waar onze mening op berust, argument (‘ik heb geen grond om aan zijn schuld te twijfelen’; niet zonder grond ;op die grond );dan: reden van bestaan (vgl A Loosjes: ‘Ik zou aan uschrijven, wanneer mijn hoop meer grond had’, gecit Wbk Ned Taal V, 944 Ook: ongegrond )Ook: oorzaak (vgl Cats: ‘Die tot sijn quale raet wil krijgen |En moet haer gronden niet verswijgen’, gecit Wbk tap 945) Bij middel iets dergelijks Middel is eigenlik het middelste deel van een zaak; dat, wat zich tussen twee dingen bevindt De betekenis wijzigt zich tot: datgene waardoor men van het een tot het ander komt; dat, wat tussen het onderwerp en zijn doel staat Daar het gemakkelikste middel om tot iets te komen geld is, wordt middel (en ) ook in die zin gebezigd ‘Een man van middelen ’‘Hij heeft de middelen niet’ Bemiddeld 1) Zie hiervoor blz 288 Taal en Letteren Jaargang 11 298 Ook weg neemt causale betekenis aan Vgl vanwege ,van rechtswege ,deswege , wegens Verder halve (oorspr betekenis: zijde, kant, richting) in derhalve ,weshalve , mijnenthalve Voorzetsels die betrekkingen van plaats aanduiden, krijgen ook causale betekenis: Om Vergel een zin als ‘de mug vliegt om de kaars’ met ‘hij werkt om den brode’ Bij ‘Je kan bij zijn aanleg moeilik anders verwachten’ Op gelijke wijze gaan ook voegwoorden van tijd in voegwoorden van reden of grond over Daar ,eerst plaatsbepaling, daarna voegw v tijd (in de bet toen ,terwijl ;nu verouderd), eindelik causaal voegwoord Wijl en dewijl doelden ook oorspr op tijd (wijl =tijd, tijdruimte Vergel terwijl ) Nochtans ,ontstaan uit nog dan ,wil eigenlik zeggen: ‘dan komt er nog iets bij;’ daarbij Dat ‘erbijkomende’ heeft soms tegenstellende betekenis; dan wordt die (eerst toevallige) tegenstelling hoofdzaak, en nochtans geeft te kennen dat het verwachte (altans in normale omstandigheden te verwachten) gevolg uitblijft: ‘Hij was een goed zwemmer; nochtans kon hij de oever niet bereiken Wij zullen nu enige woorden bespreken, die oorspronkelik goede, altans neutrale hoedanigheden noemden, maar langzamerhand een beslist ongunstige betekenis kregen Dat zo iets mógelik is, hebben we al gezien In een goeie man ,een brave vrouw geven de bijvoegelike naamwoorden iets prijzenswaardigs te kennen Daar goedhartigheid en braafheid echter wel eens samengaan met een zekere armoede van geest, werd door sommigen op dat goeie en brave uit de hoogte neergezien Zo kon men dau met iets medelijdends in z'n stem van ‘wel een goeie man’ of ‘zo'n brave vrouw’ gaan spreken Iets dergelijks maar veel sterker vinden we bij een woord als slecht Oorspronkelik beduidt het effen, vlak; dan: eenvoudig ‘Slecht en recht geloof’ Slechte mensen waren eenvoudige mensen; mensen van weinig beschaving, uit mindere stand De ongunstige betekenis wordt al sterker, verdringt eindelik de oorspronkelike geheel Simpel ,eenvoudig, ontwikkelt zijn betekenis tot die van idioot Onnozel was eerst onschadelik, toen onschuldig, toen niet in staat om kwaad te doen, halfwijs Gemeen (oorspr algemeen) ging ook die kant uit In ‘gemeen overleg’ ‘gemenebest’ enz is de oorspr betekenis echter nog zichtbaar Taal en Letteren Jaargang 11 299 Nog een woord dat tot deze groep behoort, is het nu verouderde, maar in de 17 e eeuw veelgebruikte aalwaardig ,aalwarig ,alwarig 'tBetekende eigenlik: alwaar, di geheel waar Later: ernstig; eenvoudig; toen: zot (vergel simpel ),onbezonnen enz Andere woorden die een ongunstige betekenis ontwikkelden, zijn: middelmatig ; alledaags ;in sommig verband eigenaardig (ofschoon eigenaard en oorspronkelikheid gewoonlik geprezen worden), gepeupel enz Soms verliest oud zijn gewone betekenis en dient het om iets verkeerds, vervelends in iemand aan te duiden Zelfs van kinderen wordt wel gezegd: ouwe zanik, ouwe zeur, ouwe drens Boef betekende eerst jongen; dan knecht, dan schavuit, schurk Ellendige en ellendeling wil oorspronkelik niets anders zeggen dan persoon uit een ander land; gespecialiseerd tot: banneling (van el,ander, en land ) Standje beduidt oorspronkelik: het bijeenstaan (van mensen) Door bijgedachte aan ruzie, waardoor het bijeenstaan vaak wordt veroorzaakt, ontwikkelt het zijn tegenwoordige betekenis De oude betekenis van wrevelig was moedig, koen; vandaar brutaal, kort aangebonden enz Huichelen wil oorspr zeggen: vleien; schimpen betekende schertsen In al deze voorbeelden heeft een ongunstige bijbetekenis de oorspronkelike verdrongen Hier volgen enige gevallen waarin bijvoorstellingen van allerlei aard, maar niet juist ongunstig, op de voorgrond treden Bij tafel werd dikwels aan eettafel gedacht Nu ging het woord niet alleen eettafel betekenen, maar ook het eten Bv ‘Je moet je onder tafel (= onder het eten) behoorlik gedragen’ ‘Na tafel (= na het eten) gaan we uit’ ‘Ze houden daar van een goeie tafel ’Vergelijk ook het ww tafelen :‘We hebben van middag wat lang getafeld ’ Maal bet zoals wij zagen tijdpunt, tijd Het werd vaak van de tijd gebezigd, waarop men at (etenstijd), en zo kreeg ook maal de betekenis eten Het middagmaal (= het middageten); avondmaal ;een lekker maal enz Vergelijk ook maaltijd ,dat waarschijnlik dezelfde weg heeft doorlopen als maal alleen Dus maaltijd eerst = etenstijd ,daarna het eten (‘Gedurende de maaltijd’ ‘Een eenvoudige maaltijd’) Kermis Eerst de mis ter viering van de wijding van een kerk; dan ook gezegd van de jaarmarkt, bij die gelegenheid gehouden; dan die jaarmarkt alleen; die jaarmarkt met z'n vermakelikheden; eindelik ook de vermakelikheden alleen (altans in hoofdzaak) Zegen (uit Latijn signum )bet eigenlik teken; gespecialiseerd Taal en Letteren Jaargang 11 300 als teken des kruises Dan: woorden bij het maken van dat teken uitgesproken; bij uitbreiding: woorden waaraan men beschermende kracht toekende; plechtige heilwens, voornamelik door afscheidnemende ouders tot hun kinderen gericht Interessant is 't, de betekenisontwikkeling na te gaan van het werkwoord zien Eerst was het: met de ogen waarnemen, kijken Toen werd het gebezigd van de uitdrukking van iemands ogen: Hij ziet scheel, hij zag vrolik Eindelik diende zien om het gelaat, het uiterlik van iemand te kenschetsen, waarbij aan de ogen niet meer hoeft te worden gedacht (zien =er uitzien) ‘Wat zie je bleek!’ ‘Hij zag vuurrood’ ‘O, hij zag zo geschrokken!’ Kozen bet eerst spreken, babbelen Dan gespecialiseerd als het babbelen van verliefden, met bijgedachte aan tederheidsuitingen als kussen, strelen enz Dit bijbegrip wordt hoofdzaak in liefkozen een handeling die ook zonder spreken geschieden kan Eigenaardig is ook de betekenisontwikkeling van laten Eerst was het: nalaten, niet verhinderen dat iets geschiedt (‘Ik zou dat overbodige werken maar laten’ ‘Hij liet hem kalm vertrekken’) Waarschijnlik doordat dit laten , nalaten soms een gevolg was van een zichzelfbedwingen, van inspanning dus, kon het overgaan tot de betekenis: zorgen dat, bewerken ‘Hij liet verse troepen aanrukken’ ‘De rechter liet de gevangenen wegvoeren’ ‘Hij liet alles streng onderzoeken’ In deze zinnen is laten bijna een tegenstelling van laten =nalaten geworden De overgang van betekenis werd hier vergemakkelikt door zinnen als ‘hij liet de sleutel vallen,’ waarbij het onzeker kan zijn of laten een nietverhinderen uitdrukt dan wel een opzettelik doen Krijgen (het sterke ww) staat in verband met een oud substantief dat inspanning betekende Uit zich inspannen ontwikkelde zich de betekenis trachten, streven, worstelen, strijden Dááruit: door strijd verwerven, verkrijgen Het begrip verwerven treedt op de voorgrond, dat van strijd verzwakt en verdwijnt Krijgen hoeft niet meer met inspanning gepaard te gaan (‘een geschenk krijgen’), het kan zelfs iets onverwachts en iets ongewenste te kennen geven: een ongeluk krijgen ,slaag krijgen enz Bestellen Eigenlik: bij iets plaatsen, op iets plaatsen, met iets bezetten Dan oa iets regelen, iets bezorgen, iets leveren (‘de waren uit die winkel waren van ochtend nog niet besteld’); en eindelik: melden dat iets geleverd moest worden (een boek bestellen, wijn bestellen) 1) Zengen is een causatief van zingen 'tBetekent dus oorspr doen 1) Vergl voor bestellen het Nederl Wbk II2estuk, 2131 vgg Taal en Letteren Jaargang 11 301 zingen (snerken, snirsen) Later werd zengen =schroeien, licht branden Aan 't zingende geluid werd daarbij niet meer gedacht Ook bij de modale hulpwerkwoorden zijn zeer grote betekenisveranderingen waar te nemen Een paar voorbeelden Kunnen betekende oorspr weten, begrijpen (vgl kunde, kundigheden) Dan wordt het veelal gebruikt om een prakties weten, een vaardigheid aan te duiden: Hij kan zwemmen, vioolspelen In veel gevallen nu is de oorspr bet weten geheel verdwenen en door in staat zijn ,mogelik zijn vervangen Bv ‘Hij kan elk ogenblik komen’ ‘Ze kan een jaar of twintig wezen’ Mogen was vroeger: vermogen, macht hebben, kunnen (nog over, ofschoon verzwakt, in: Dat mag wel zo zijn) Een overgang tot de latere betekenis hebben we in zinnen als: ‘Ik mocht hem wel weer eens opzoeken’ ‘Je mag wel eens vragen hoe hij het maakt’ Zullen ,in etymol verband met schuld ,was: van rechtswege verplicht zijn Vandaar dat het kon gaan betekenen: voornemens zijn te doen, en dat het, geheel verbleekt, de toekomende tijden helpt vormen Tot de gevallen waarin een bijvoorstelling tot hoofdzaak is geworden, behoren enige woorden die een maat of hoeveelheid aanduiden, maar niet (zoals de vroeger besprokene voet ,duim ,el)uit metaphories gebruik te verklaren zijn Roe (de ),de lengtemaat, is hetzelfde woord als roe :gard, stok, rietstengel Toen er roeden als meetstokken van een bepaalde lengte (10 meter) in gebruik waren gekomen, ging het woord roe van de stok op de lengtemaat over, en wist men al spoedig niet meer wat roe eigenlik wilde zeggen Schok betekent nu zestigtal Oorspr hoop, onbepaalde hoeveelheid Waarschijnlik door het gebruik om bij 'toogsten telkens 60 bundels bijeen te plaatsen, kreeg schok zijn bepaalde betekenis Iets dergelijks bij last ,eigenlik lading di karrevracht Sommige woorden die oorspr iets van een leeftijd te kennen geven, zijn een afhankelikheidsbetrekking aan gaan duiden Vooreerst jongeren ,dat discipelen, leerlingen betekent Ouders (eigenl ouderen) wordt nu uitsluitend gezegd van vader en moeder Meid uit maagd, jong meisje, ongehuwde vrouw, nam de betekenis aan van dienstbode Knecht ,mannelik kind, jongetje, jonge man, werd: bediende Vergel ook het nederlindiese jongen voor mannelike inlandse bediende, zelfs van hoge leeftijd Taal en Letteren Jaargang 11 302 Eveneens ten gevolge van ontwikkeling van bijvoorstellingen gaan verwantschapsnamen soms in soortnamen over Besje ,grootmoeder (uit best verkorting van bestemoer =grootmoeder) is nu in het algemeen een stokoude vrouw Evenzo grootje Ook moedertje betekent oude vrouw Vgl nog vadertje (voor: vrindje, baasje) Zus voor meisje: Een knappe zus, een olike zus, een Mennistezusje Verder: koffie tante en in 'tZuidAfrikaans: Oom ,tante ,neef ,nicht Wij komen nu aan een grotere groep Eigennamen worden, door 'top de voorgrond treden van een bijbegrip, tot soortnamen, naderen altans tot de soortnamen We zien hier dus het tegenovergestelde van hetgeen wij opmerkten op blz 112 (ontstaan van eigennamen uit soortnamen) Vooral de naam Jan is gebruikelik om, 'tzij zonder 'tzij met een toevoegsel, allerlei mensen en mensetypen aan te duiden Een kelner is een Jan, een matroos een Jantje Vergelijk verder Jan Klaassen; Jan Salie, Jan Kalebas, Jan Ongeluk, Janhagel, Jan Rap, Jan Gat, Jan Hen, Jantje Goddome en Jantje Sekuur Hans ,verkorting van Johan (meest in gebruik door duitse invloed): Hansworst, Schraalhans, Hans Fortuinig Vgl ook het van Hannes afgeleide werkw hannesen (zaniken) Piet in: Pietje bedroefd, Pietsnot, 'n hele Piet Vgl verder: Dolle Gijs ,brave Hendrik ,ijzeren Hein ,houten Klaas ,'n Bram ,'n boze Griet ,malle Trien ,potte trien enz enz Men neemt gewoonlik aan, dat het nu verouderde maarte (dienstmeid) is ontstaan uit de voornaam Martha (vgl Lukas X, 40) Een uitsluitend ongunstige betekenis kregen de voornamen Stoffel en Lijs ('n stoffel ='n onhandige domoor; een lijs ='n saai, langzaam persoon) Ook op dieren en voorwerpen worden soms eigennamen van mensen overgedragen Een kanarievogel heet een piet ,het winterkoninkje kleinjantje Een rieten model om japonnen te passen noemt men een mandemie ,het bovenkruiszeil een grietje , het matrozemes kortjan ,een dunne tros een keesje ,een klemtang een klaas ,een nachtkledingstuk voor jongetjes hanssop (van Hans Soep, 'n neefje van Hans Worst) In de dievetaal was lange Hannes de geselpaal en worden, naar ik meen nu nòg, een sleutel een petrus en voetstappen frederiks genoemd Maar ook familienamen worden tot appellatieven door veelvuldig gebruik 1) 1) Vgl het stuk van Dr GA Nauta inTaal en Letteren X, 59 vgg en 97 vgg Taal en Letteren Jaargang 11 303 Een flikje (chocolaadje) heet naar Caspar Flick; een hopje naar baron Hop; de trem volgens sommigen naar zekere Outram (afleiding zeer onzeker); een kiekje naar de leidse fotograaf Kiek enz Ook sommige namen van volken hebben in bepaalde verbindingen het karakter van eigennamen verloren Ons woord slaaf is oorspr hetzelfde als Slaaf (persoon van Slavies ras) Met slaaf bedoelde men in Duitsland al spoedig een gevangen Slaaf; dan gevangene in 't algemeen, dienstbaar gemaakte enz Vergelijk verder de uitdrukkingen: ‘'t Is hier niet pruisies ’en ‘'t Gaat er spaans toe’ VII Betekenisverandering van Zegswijzen 1) Reeds herhaaldelik waren wij in de gelegenheid op te merken, dat niet alleen enkele woorden van betekenis veranderen, maar ook uitdrukkingen, zegswijzen, zonder dat juist de afzonderlike, daarin voorkomende woorden een nieuwe betekenis ontwikkelden Een groot aantal spreekwijzen waarin de woorden neus ,mond ,ogen ,tand enz voorkomen, moeten hiertoe gerekend worden Met zijn neus in het vet vallen, iemand bij de neus hebben, niet verder zien dan zijn neus lang is, iemand iets onder de neus wrijven, op zijn neus kijken enz Met de mond vol tanden staan, iemand de mond snoeren, niet op zijn mondje gevallen zijn, iemand naar de mond praten, een grote mond (bek) opzetten enz Een oog in 'tzeil houden, iemand naar de ogen zien, iemand de ogen uitsteken, ergens een goed oogje op hebben enz Iemand de tanden laten zien, iemand de tanden uitbreken, haar op de tanden hebben enz enz Veel van die zegswijzen zijn ook in hun oorspr betekenis nog duidelik; andere echter niet En het is zeer de moeite waard, na te gaan wáárdoor bij sommige de oorspronkelike zin is verduisterd Die oorzaak nu ligt veelal in het verouderen van een gebruik Wij zeggen voor ‘opstaan na de maaltijd’ ook de tafel opbreken Dat ‘opbreken’ had in de middeleeuwen werkelik plaats De 1) Voor dit hoofdstuk verwijs iknaar Dr F Stoett's Nederl Spreekwoorden enz, waarin veel van de hier behandelde uitdrukkingen worden aangetroffen Taal en Letteren Jaargang 11 304 tafel bestond uit planken op schragen Na het eten werden die tafels opgebroken; planken en schragen op zij gezet Veel ophef maken Misschien ontleend aan 'tsoms blufferig opheffen van de wapens vóór het begin van het tweegevecht De plaat poetsen en zijn piek schuren waren vermoedelik verontschuldigingen van lafaards, die zich aan het gevecht onttrokken (Plaat is dan harnasplaat, borstplaat) Een korf krijgen en door de mand vallen staan in verband met de middeleeuwse galanterie Edelvrouwen lieten hun minnaars niet zelden heimelik optrekken in manden naar 'traam van hun kamer Lastige hofmakers lieten ze op, of neer, in manden met slappe, slecht bevestigde bodems De heren vielen dan door de mand Nog in de 17e en 18e eeuw was een bodemloze korf het symbool van een blauwtje (nu nog studenteterm: een korf krijgen =zakken voor een examen) Vrg verder: een lans voor iets breken ,voor iemand in de bres springen enz Nauw verwant hiermee zijn de gevallen dat een vakterm, of uitdrukking die in beperkte kringen thuis hoorde, in veranderde betekenis algemeen in gebruik is gekomen Op touw zetten herinnert aan 'tweversbedrijf; monnikewerk verrichten (geduldwerk doen Ook: nodeloos werk) aan het kloosterleven Met de klap lopen deden de melaatsen, die hun komst aankondigden door de lazarusklep Over de kling jagen wil eigenlik zeggen: het hoofd afslaan, zodat dit over de kling springt (gejaagd wordt) Vergelijk verder: in het krijt staan (schulden hebben), veel op zijn kerfstok hebben (oorspr ook: veel schuld hebben), 'tis een streepje aan de balk (zolderbalk, waarop merkwaardige feiten soms met een tekentje en een datum werden vermeld); te kort schieten; ergens geen gras over laten groeien; met open kaart spelen; door de mazen van het net kruipen; achter het net vissen; munt uit iets slaan enz enz Dikwels ontmoeten wij in zegswijzen woordeparen ,gewoonlik door alliteratie of rijm verbonden, die ook in hun betekenisontwikkeling opmerkelike veranderingen hebben ondergaan Daar zijn in de eerste plaats die woordeparen, waarvan het éne lid tot de eigenlike drager van de betekenis is geworden, en 'tandere onbegrepen blijft en als onbelangrijk wordt beschouwd Bv van heinde en ver Ver geldt hier voor 'teigenlike Dat heinde (in verband met hand )wil zeggen: dichtbij, is aan 'tgrote publiek niet meer bekend Tegen wil en dank Wil het eigenlike Dank (in verband met denken ) had vroeger ook de betekenis wil Kant en klaar Dat kant ‘netjes’ betekende, ‘zoals 'thoort,’ is niet algemeen meer bekend Taal en Letteren Jaargang 11 305 Hangen en verlangen In 'tMiddelnederlands kon hangen dezelfde bet als verlangen hebben Heg noch steg Steg eigenl bruggetje, paadje Hou en trouw Hou =genegen Zoals 'treilt en zeilt Volgens Franck staat reilt voor treilt ,dat bet trekken, slepen 1) Paal en perk aan iets stellen Perk was afgesloten ruimte, afsluiting, grens Te kust en te keur Keur (op keur) kent men nog Kust, ook van kiezen bet hetzelfde In kind noch kraai denkt niemand aan de vogel kraai Het woord schijnt haan (de kraaiende) te betekenen Het staat dan voor kippen, hoenders Bij een andere woordparengroep van de eerste niet overal scherp te scheiden wordt nog wèl aan ieder lid een betekenis gehecht, maar bij een van de woorden is die betekenis vaag De oude verloren gegane zin wordt zo goed en zo kwaad als het kan door een nieuwe vervangen die men in 'twoord legt Bont en blauw slaan Vroeger: blond (di geel) en blauw slaan Slecht en recht Bij slecht (oorspr eenvoudig) denkt men zich veelal: niet veel zaaks Frank en vrij Frank oorspr hetzelfde woord als de stamnaam Frank, de Frank, betekende vrij, onbeschroomd Loven en bieden Bij enig nadenken begrijpt men dat loven het aanprijzen van de verkoper is Toch voelt men in een zin als ‘na veel loven en bieden kreeg ik het voor een gulden’ in ‘loven’ een handeling van de koper, die moet dienen om de prijs te verminderen Rijden en rossen ,wikken en wegen ,enz Bij nog een andere groep zijn de woordeparen zo innig verbonden, dat geen van de leden sterker dan 'tandere is Maar in de hier bedoelde gevallen wekt ook geen van beide een duidelike voorstelling De uitdrukking heeft nog alleen als geheel betekenis Tegen heug en meug Heug bet lust, zin Meug ,in verband met mogen (lusten) eveneens Van haver tot gort Wijziging van ‘van aver tot aver’ (van de ene voorouder tot de andere) Op en top voor ‘op end' op’, di helemaal Steen en been klagen Waarschijnlik: klagen aan stenen en beenderen (op het kerkhof?), daar levende schepsels niet te vermurwen zijn Vgl verder: vieren en vijven Ook: vijven en zessen 1) Volgens Stoett: zoals 'trijdt en zeilt Rijden moet dan bet: voor anker liggen Taal en Letteren Jaargang 11 306 VIII Invloed van Zeden en Gewoonten Verandering van zeden, gebruiken, kan ook op de woordbetekenis van invloed zijn Een voorwerp wordt bv genoemd naar de eigenaardige vorm, of de grondstof waaruit het vervaardigd is Na verloop van jaren gaat men het anders maken; geeft het een andere gedaante, maakt het uit andere stof Toch blijft de oude naam in zwang, waarvan de oorspronkelike betekenis niet meer begrepen wordt ten minste niet meer gevoeld Wàs dat het geval dan zou de oude, voor 'tnieuwe voorwerp niet passende naam, door een andere worden vervangen Venster ruiten waren oorspronkelik stukken glas van scheefhoekig vierkante vorm Tegenwoordig spreekt men ook van langwerpig vierkante en ovale ruiten Het blik of blikje de wederhelft van de stoffer heet naar 'tmetaal waaruit het vervaardigd werd Nù spreekt men zonder aarzelen van een koperen blikje Bij oorijzer denken we niet meer of bij uitzondering aan ijzer Oorijzers zijn van goud, van zilver, van koper van ijzer nooit Een bord (het woord betekent plank) was vroeger van hout Het etensbord was het ronde plankje waarvan men at 'tWoord bord bleef in gebruik, ook toen de plankjes werden vervangen door voorwerpen van metaal of aardewerk Winkel betekent eigenlik hoek (vergel winkelhaak) Een inspringende hoek tussen huizen was van ouds de geliefde standplaats van de straathandelaars Winkel ging zodoende betekenen: verkoopplaats Boek is een bijvorm van beuk (boekenootjes wordt nòg veel gezegd voor beukenoten) Met boek bedoelde men vroeger óf de letters uit beukehout gesneden, óf het beuken plankje waar de letters in werden gegrift In een kap werd vroeger het hele lichaam gehuld, óók het hoofd Kapmantel Vgl: gelijke monniken gelijke kappen (pijen); ook de onzichtbaar makende tarnkap van Siegfried in 'tNibelungenlied Toen de oude kappen in onbruik raakten, bedoelde men met kap niet langer mantel, maar hoofddeksel Knoop was de dikte die ontstond door 'tvastbinden of strikken van banden Toen men minder banden vastknoopte, maar de kleedingstukken sloot met behulp van ronde hoornen of benen voorwerpjes die aan 'tkleed bevestigd waren, werden die ook knoopen genoemd Gulden ,in verband met goud ,duidde oorspronkelik een goudmunt aan Taal en Letteren Jaargang 11 307 Maar niet alleen bij voorwerpsnamen, ook bij namen van betrekkingen en beroepen, van handelingen, eigenschappen enz merken wij op dat de woordbetekenis verandert door wijziging van toestanden en begrippen Met maarschalk duidde men vroeger een paardeknecht aan Een adelborst was een edelknaap 'tWoord slager geeft te kennen dat de vleeschhouwer runderen doodde door te slaan Ook waar dit slaan (of dollen) werd vervangen door doodsteken (hals afsnijden) bleef in NoordNederland slager 'tgewone woord Toen men voor 'teerst gebruik ging maken van buskruit, bezigde men bij voorkeur zwaar geschut De zware kogel moest worden ingeladen 'tWoord laden bleef in gebruik, ook al is bij het laden van een geweer of revolver van een ‘last’ geen sprake Op schildwacht staan wil eigenlik zeggen: waken in volle wapenrusting; wachthouden met het schild Sedert eeuwen al zijn de schilden in onbruik geraakt; de schildwachten trekken nog altijd op Ook van taptoe wordt nog gesproken Herinnering aan het oude leven in legerkampen, toen 's avonds het signaal werd gegeven dat de tappen (kranen) van de vaten dichtgedraaid moesten worden Ofschoon het geloof, dat de duivel soms bezit van een menselik lichaam neemt, vrij wel uitgestorven is, hoort men nog altijd vragen: ‘Ben je bezeten?’ ‘Ben je beduiveld?’ Elf is het gekkenummer Herinnering aan de tijd toen men aan elven of alven geloofde en met ‘elf’ de gedachte aan iets geheimzinnigs, vreemds, raars verbond Demoedig zei men oorspronkelik van iemand die de inborst had van een knecht Demoedig was de mens met een slaveziel Nù heeft demoed veel hoger betekenis 'tIs de nederigheid van hem, die tot besef is gekomen van eigen zwakheid en feilbaarheid Deugd ,afgeleid van deugen ,wil eigenlik zeggen ‘wat deugt’, ‘wat nuttig is, waarde heeft’ Eerst later werd deugd van ethiese waarde gebruikt Vergel deugdzaam met deugdelik Zede betekent gebruik, gewoonte Daar oude gewoonten dikwels in hoge eer gehouden worden, geheiligd schijnen, eist men onderwerping aan de ‘zede’ Onder ‘zede’ gaat men dan verstaan: regel (vooral op moreel gebied) waarnaar men zich heeft te gedragen Zedelik is dan niet langer ‘gebruikelik’, maar moreel En zodra het die betekenis heeft, kan men een ergens heersend gebruik ‘onzedelik’ noemen Wij maken verschil tussen kunst en wetenschap ,schoon kunst afkomt van kunnen dat oorspr weten betekende In samenstellingen wordt kunst nu nog gebezigd voor wetenschap: geneeskunst, Taal en Letteren Jaargang 11 308 spraakkunst, rekenkunst Het woord kunde is altijd wetenschap, kennis, blijven betekenen: ‘Een man van grote kunde’ Ook in samenstellingen: meetkunde, taalkunde, aardrijkskunde enz Vroom bet oorspr voordelig, nuttig; dan goed, degelik, voortreffelik; dan, toegepast op voortreffelikheid in de strijd: dapper Eindelik wordt het uitsluitend ten opzichte van godsdienst, geloof gebezigd Geest Dit woord ontwikkelde een grote rijkdom van betekenissen, die gedeeltelik naast elkander ontstonden Vooreerst is geest het levensbeginsel in mensen en dieren; vgl: ‘de geest geven’ Soms ook in 'tmeervoud, geesten :‘de levensgeesten bij iemand opwekken’ Dan wordt het levende in de mens als iets zelfstandigs opgevat, dat ook zonder 'tlichaam kan voortbestaan (na de dood) Vgl: een geest zien, geestverschijning, geestebanner, klopgeesten enz Ook noemde men geesten allerlei mythiese wezens als aardgeesten, luchtgeesten, watergeesten, beschermgeesten, geleigeesten Onder invloed waarschijnlik van 'tfranse esprit werd met geest ook een zielshoedanigheid aangeduid, die in zekere tegenstelling staat met wat men hart noemt of gemoed Vgl: geestig, geestesontwikkeling, geestverwanten, ‘verstoken van alle geest’ enz Een individu wordt ook naar zijn geest ‘een geest’ genoemd (vgl hiervoor blz 278) en ten slotte schrijft men aan een groep mensen één geest toe, waaronder dàt wordt verstaan wat ze gemeen hebben in hun voorstellingen en wensen: kastegeest, volksgeest, tijdgeest, eeuwgeest 1) In de semasiologie weerspiegelt zich de gedachtenontwikkeling van een volk Wie geleerd heeft de betekenisverandering van de woorden na te gaan, te begrijpen, bezit in zijn moedertaal onuitputtelike stof tot opwekkend, verrassingrijk denken RA KOLLEWIJN 1) Zie over geest het zeer uitvoerig artikel inhet Wbk der Nederl Taal ,IV 706736 Taal en Letteren Jaargang 11 309 De cartografie der Noordnederlandse tongvallen 1) De overtuiging is nu wel algemeen, dat een levende taal niet juist alleen die der beschaafden is, maar de som van alle spreekeigenaardigheden die in een taalgebied gesproken worden; dat deze van groot belang zijn zowel voor de beoefenaar van de fonetiek en de historiese taalstudie, als ook voor die van menig ander deel der cultuurgeschiedenis In alle Germaanse landen heerst tegenwoordig een verblijdende werkzaamheid op het gebied der dialectstudie Vooral het lexicologies gedeelte is met voorliefde beoefend en behalve de vele kleinere werken die de woordenschat van kleinere tongvalstreken geven, zijn ook verscheidene grotere ontstaan of noch in wording, als het Jutlands woordenboek van Feilberg, The English Dialect Dictionary van Wright, de idiotica van Zwitserland, de Elzas, Zwaben, Zevenburgen en Oberhessen, om enige der voortreffelikste te noemen Maar het lexicologies deel, hoe gewichtig ook, is niet datgene, wat het eerst de aandacht van de onderzoeker vraagt; de klank en accentnuances vormen het meestessentiële, het meestkenmerkende van een dialect Men kan zich toch zinnen, ontstaan in verschillende dialectstreken, voorstellen, waarin de woorden van dezelfde stam zijn en hun schikking gelijk is; dan geeft het klankverschil het biezonder dialectkarakter; en dat het accent nauwkeurig onderzoek vereist, wordt nu wel algemeen erkend, sinds gebleken is, van hoe veel belang het geweest is voor de verklaring van enclisis en proclisis en de overgang van lange vocalen in diftongen Ook op dit gedeelte der dialectstudie hebben dan ook velen in de laatste 30 jaren hun aandacht gericht Winteler, de beschrijver van het Kerenzer dialect, en de Skandinaviërs zijn voorgegaan maar slechts voor weinige van de zeer vele dialecten kan een nauwkeurige beschrijving verwacht worden Onderwijl neemt het algemeen verkeer toe en de taal der beschaafden 1) De Noordnederlandsche tongvallen Atlas van taalkaarten met tekst, door Dr JteWinkel Leiden, Brill Taal en Letteren Jaargang 11 310 is begonnen en gaat snel voort de volksdialecten aan zich te assimileren en, al moge de socioloog hierin niets betreurenswaardigs zien, de beoefenaar der historiese wetenschap bemerkt met leedwezen, dat de oude verschillen meer en meer ineenvloeien en vernevelen Men heeft nu beproefd kennis van tenminste de voornaamste eigenaardigheden in grotere taalgebieden te verkrijgen Lijsten met vragen naar een groot aantal met zorg gekozen woorden zijn rondgezonden en het materiaal, aldus verkregen, heeft men in kaart gebracht Zo ontstond de atlas der Zwabiese dialecten van Fischer en is sinds 1881 in wording die der Noord en Middelduitse dialecten van Wenker; zo ontstond ook de eerste kaart van een Nederlandsetongvallenatlas, bewerkt door Prof J te Winkel Nadat reeds vroeger enige vergeefse pogingen tot het verkrijgen van een dialectenkaart aangewend waren 1),vatte in 1878 het Aardrijkskundig Genootschap op voorstel van Prof H Kern weer het plan op en een vragenlijst door deze geleerde samengesteld werd rondgezonden; voor 212 plaatsen kwamen opgaven in, maar voorlopig kwam er van de verwerking van dit materiaal niet veel Twaalf jaar later nodigde het Bestuur Prof te Winkel uit de liggende bouwstoffen te onderzoeken Het bleek hem dat het materiaal dringend aanvulling behoefde Er werd toen een commissie benoemd bestaande uit Prof H Kern, Prof Gallée en Dr JW Muller, waartoe later ook Prof te Winkel toetrad, en door de ijverige bemoeiingen van deze commissie werden door De Maatschappij van Nederl Letterkunde en Het Provinciaal Utrechtsch Genootschap belangrijke subsidiën beloofd In 1894 werd een nieuwe vragenlijst rondgezonden in overeenstemming met het nieuwe plan van bewerking, waarbij het er op aankwam, iedere oorspronkelike klank met zijn schakeringen in een voldoend aantal woorden te kunnen bestuderen en bovendien te kunnen nagaan, hoe ver het gebied zich uitstrekt, waar voor een bepaalde zaak een naam heerst, die in andere streken voor dezelfde zaak niet in gebruik is Men ziet dus dat men het onderzoek niet tot de klanken alleen wilde bepalen De nieuwe lijsten leverden met de oude voor 363 plaatsen en streken gegevens en dit cijfer klom tot 388, di tot ongeveer een derde van de gemeenten waaruit ons land bestaat, door de opgaven die geleverd werden in het Dialecticon van Johan Winkler, de versjes en vertellingen in het werk van de heren Leopold ‘Van de Schelde tot de Weichsel’ en door het bestuderen van het vele dat reeds over de streekspraken gedrukt is Bij de bewerking zal Prof te Winkel uitgaan 2)van de Oudgerm 1) De Noordnederl Tongvallen, Inleiding, l,vv 2) Uitvoerig heeft de bewerker zijn plan meegedeeld inTijdschr Kon Aardr Gen XII, 60 vv Taal en Letteren Jaargang 11 311 toestand; 14 kaartjes zullen dus waarschijnlik van de klinkers en tweeklanken verschijnen, van de medeklinkers minder, daar deze, behalve in 'tFries, nagenoeg gelijk gebleven zijn In hoever het doenlik zal zijn ook de klankveranderingen der vocalen onder biezondere omstandigheden, bv door umlaut, op dezelfde kaart af te beelden, zal eerst later blijken, maar daar het te kostbaar zou worden ook de wijzigingen door biezondere invloeden bij de verschillende tongvallen afzonderlik in kaart te brengen, zal men zich voor deze met de tekst zonder kaart tevreden moeten stellen De tekst geeft dus steeds meer dan de toelichting van het op de kaart afgebeelde, terwijl de bewerker rekenschap zal geven van zijn cartografiese afbeelding Verder zullen er enige kaarten voor sommige kenmerkende verschijnselen op het gebied van buiging, woordvorming en woordgebruik verschijnen Zijn alle kaartjes gereed en met toelichtende tekst gepubliceerd, dan zal er bepaald moeten worden, welke afzonderlike verschijnselen het meeste gewicht in de schaal leggen en tevens welk verband er tussen de verschijnselen bestaat Men zal waarschijnlik de hulp van historie, fysiese geografie en ethnologie moeten inroepen maar niet, voordat het werk zijn voltooiing nadert, nl als de algemene taalkaart moet ontworpen worden door combinatie van de bouwstoffen, zoals die verwerkt dwz in de vorm van kleinere kaarten gesystimatizeerd en onder ieders bereik gebracht zullen zijn Maar eerst dan zal het blijken, of het combinatievermogen opgewassen is tegen de grote moeilikheden die zich ongetwijfeld zullen voordoen, of het in kaart brengen van onze Nederlandse dialecten inderdaad mogelik is Ziehier in hoofdtrekken, hetgeen door Prof te Winkel in extenso over de voorgeschiedenis en het plan van de bewerking is meegedeeld De Nederlandse fielologen zullen ongetwijfeld allen met dankbaarheid aanvaarden, hetgeen door de bewerker, die zijn kostbare tijd en grote werkkracht aan deze onderneming gewijd heeft, hun aangeboden wordt in ruime mate zal daardoor de kennis der streekspraken bevorderd worden en wanneer hier enige bedenkingen tegen de opzet van het werk en de verwerking van het materiaal ten beste gegeven worden, komt dit voort niet uit mindere erkentelikheid, maar uit grote belangstelling in deze onderneming De eerste kaart geeft de schakering van de Oudgerm ae of Nederl â 7streken worden door verschillende kleuren aangegeven: 1 de streek waar heldere âheerst, 2 de streek van de eej of â,3 die van de ieë (ie)en ēa ,4 van de ae ,5 van de å, 6 van de òa en â,7 van de òa ,óa of ō;ten slotte noch een waar de umlaut öä of eu ,door de bewerker jongere umlaut genoemd, heersend is Verder geeft de tekst behalve de woorden waarnaar de klankschakering van de âin kaart gebracht is, ook enige die in biezondere omstandigheden ver Taal en Letteren Jaargang 11 312 keren en daarom ieder op zich zelf moeten besproken worden, benevens de zogenaamde oudere umlaut, zich vertonende als i,ae of ee ,die in op zich zelf staande woorden over bijna het gehele land verspreid, maar niet overal vertegenwoordigd en nergens regelmatig gehandhaafd is Wanneer men deze Nederlandse taalkaart met die van de Wenkerse atlas en de proefbladen van de Atlas linguistique de la France vergelijkt, bemerkt men een groot verschil in de publicering van het materiaal, waarnaar een toekomstige algemene taalkaart zal moeten vervaardigd worden Terwijl nl Wenker en zijn medewerker Wrede, Gilliéron en Edmont de woorden afzonderlik, ten minste in den regel afzonderlik, in kaart brengen, is Prof te Winkel terstond meer combinerend te werk gegaan, zoals men uit het bovenstaande ziet Wanneer nu deze door combinering ontstane kaart de taaltoestand geeft zoals deze werkelik is en dit is toch immers een vereiste, wil men een zekere basis hebben voor de toekomstige algemene kaart? dan is zulk een bewerking allesins te verdedigen, maar het komt mij voor dat dit niet in allen dele het geval is en wel, omdat: 1 Plaatsen bij een bepaalde kaartstreek gebracht worden ,die met evenveel , soms noch meer recht tot een andere streek te brengen zijn Zie hier enige voorbeelden: a Het Oosten van de Zaanstreek (de Wijde Wormer, Oostzaan en Ilpendam) wordt op de kaart tot de streek gebracht, waar eej en āheersen, di waar eej voorkomt in de woorden leejte (n),sleejpe (n),scheejp of skeejp ,dreejd ,eejvend , streejt ,neejste ,neej ,heer en deer en āin gaan ,staan en kraam ,meest ook in jaar Het Zuidelik deel van Waterland (Purmerend, Edam, Broek, Holijsloot, Schellingwoude, Durgerdam en Ransdorp) brengt de bewerker daarentegen tot de streek waar åheersend is Gaat men nu in de toelichtende tekst de werkelike toestand na, dan vindt men dat het materiaal aangeeft, dat in 'tOosten van de Zaanstreek åvoorkomt 1)zo goed als eej ,evenals in 'tZuiden van Waterland 2)eej naast å In Broek heeft men nl skeejp naast skåp ,voor Ransdorp wordt opgegeven skeep ,dreed ,street ,heer ,sleepe (n)naast skåp ,dråd ,stråt ,hår ,jår ,låte (n),gån en stån ,voor Holijsloot skeejp en Winkler geeft er noch bij op heete (n),deer ,nee Mag men nu waar de toestand in deze plaatsen een zodanige is, de ene landstreek brengen tot het gebied van eej ,āen de andere tot dat van de å? b In de Krimpenerwaard is de ae heersend Te Oudekerk heeft men evenwel slechts met ae :laete (n),slaepe (n),gaen ,aevend en naeste ,maar met òa :slòape (n), gòan ,kròam ,nòaste en met ā:schaap ,kraam ,avend ,daar 3) c Bodegraven wordt tot de ae streek gebracht, ofschoon de opgave 1) De Noordnederl Tongvallen, p57 2) p72 3) p69 Taal en Letteren Jaargang 11 313 āheeft, maar de bewerker richt zich naar ‘Van de Schelde tot de Weichsel’, waarin wel awordt geschreven, maar met de bijvoeging in een noot: ‘De uitspraak der aa zweemt eenigszins naar die in de omstreken van Alkmaar Ze heeft iets van de è in 'tFransche père ,maar slechts zeer weinig’ Woubrugge wordt daarentegen door Prof te Winkel tot de āstreek gebracht, al hoewel Winkler toch hetzelfde van deze plaats zegt: ‘De volkomen ahelt eenigszins naar den blatenden ae klank over, maar niet zooveel, dat men den Rijnlandschen klank met ae kan afbeelden’ d Hilvarenbeek is in de streek opgenomen, waar de jongere umlaut heerst ,terwijl alleen maar dröäjke in de tekst 1)opgegeven wordt 2 Grensstreken niet tot hun recht komen In A kan men daar reeds voorbeelden voor vinden Noch een paar: a De Alblasserwaard behoort tot de ae streek, maar Sliedrecht heeft niet alleen gòan en stòan maar ook schòape ,lòate en slòape b 'sHertogenbosch en Tilburg worden tot de streek gebracht waar de jongere umlaut heerst; in de tekst staat dat hij daar noch min of meer optreedt c Schiermonnikoog behoort tot de streek, waar ēa heerst in de woorden gaan , staan en kraam De opgave voor dit eiland geeft evenwel ǵājn ,stājn en krājm (p 65) 3 De cartografiese afbeelding van een gehele kaartstreek niet overeenkomt met de werkelike toestand; voorbeeld: De ieë en ēa heersen volgens de kaart in 'tLandfries; de toelichtende tekst deelt mee, dat men ieë vindt in laten ,slapen ,haar ,draad ,schaap ,straat en jaar (p 62) Gaat men nu de opgaven na (p 63, 64), dan blijkt dat dit heersen van de ieë in deze woorden zich slechts bepaalt tot slieëpe ,het enkelvoud van jier ,van hier ,trieëd (draad) en skieëp; daarentegen komt laten overal voor als litte of lit,het enkel en meervoud van straat bijna altijd als strjitte ,stritte ,strutte ,strjitten ,stritten en strutten Het meervoud van jier ,trieëd en hier is bijna overal jirren ,tridden ,trjidden ,hirren en hjirren ,terwijl naast jirren noch meest jirrig voorkomt Waar skieëp een aparte meervoudsvorm heeft, luidt deze skjippen 2)Slieëpe heeft naast zich een zwak verleden deelwoord, dat regelmatig zich als sljipt of slept vertoont; bovendien wordt 1) p90 Bij vergissing iszeker Doornspijk niet tot de streek van de jongere umlaut gebracht; immers de tekst zegt dat deze daar wel heersende is Een andere onnauwkeurigheid trof ikaan op p91, waar telezen is, dat de meervoudsumlaut voorkomt inGorsel ,Winterswijk, Aalten, Varseveld, Sinderhoek, Zelhem, Hummeloo en Drempt ,maar dat deze umlaut niet voorkomt langs de oever van de IJsel ofinhet Westen van de Graafschap Gorsel licht toch bij de IJsel tussen Deventer en Zutfen en Drempt tussen Doesburg en Laag Keppel? 2) Behalve inLemsterland waar skièpen voorkomt Taal en Letteren Jaargang 11 314 noch sljipperig opgegegeven Kan men nu deze opgaven beziende alleen van een ieë streek spreken? 1) Door de voorafgaande voorbeelden heb ik trachten aan te tonen, dat de cartografiese methode door de bewerker toegepast niet voor iedere klank geschikt is en vaak een onzuivere voorstelling ten gevolge heeft En toch om een zo zuiver mogelike voorstelling is het te doen, want de kaarten, niet de tekst, zullen de basis vormen 2),waarop later zal worden voortgebouwd, en hoe zal anders kunnen uitgemaakt worden, ‘in hoever de loop der rivieren de verspreiding der dialecten heeft tegengehouden of de inpoldering van land, de ontginning van veenen heidegronden haar in de hand heeft gewerkt, in hoever de oude gouwverdeeling berust op stamverwantschap en stamverscheidenheid’? 3) De hoofdbezwaren door Otto Bremer tegen de Wenkerse taalkaarten ingebracht 4): het ontoereikende van het materiaal en de door de invullers der lijsten gebruikte orthografie, zijn tegen iedere kaart, waarvan de bouwstoffen langs indirekte weg verkregen zijn, met recht aan te voeren; zo ook tegen die der Noordnederlandse tongvallen Terwijl echter de bewerkers van de Duitse kaarten in hun onheuse en de kern der zaak niet rakende aanval 5)op Bremer's kritiek deze bezwaren niet openlik erkennen, wijst Prof te Winkel niet zelden op het ontoereikende van materiaal en orthografie Zie hier enige voorbeelden: ‘Hoever de heldere āzich Oostelijk in ZuidHolland uitstrekt, is voorals nog niet strikt nauwkeurig uit te maken; ongemerkt schijnt ze in ae over te gaan langs Lek en Hollandsche IJsel en in het oude land van Woerden’ (p 53); ‘sommigen schrijven eof ee (in plaats van eej )en 'tis wel mogelijk ,dat in dit geval inderdaad de jklank 1) Niet altijd isde bewerker consequent inhet gebruik maken van de materaalbronnen: de opgaven, het Dialection en ‘Van de Schelde tot de Weichsel’ Een voorbeeld gaf ikreeds in l,c;het volgende moge noch als bewijs dienen: Voor 5der 6grote Friese steden: Leeuwarden, Franeker, Harlingen, Bolsward, Sneek en ook voor Heerenveen, geven de opgaven de ā Winkler zegt wel, dat de bewoners van Bolsward niet geheel vrij zijn van de oe uitspraak, maar de bewerker isvan oordeel, dat zulks wel sinds 1874 kan veranderd zijn, en brengt daarom Bolsward tot de āstreek, aan de opgaven de voorkeur gevende boven het Dialecticon Tegen de opgaven in, maar op gezag van Winkler, neemt hij daarentegen elders aan, dat in Harlingen en Franeker oe uitspraak heerst Kan nu indeze plaatsen de uitspraak ook niet sinds 1874 veranderd zijn? 2) Nederlandsche Tongvallen, p30 3) NT p30, 31 4) Beiträge zur Geographie der Deutschen Mundarten, tevergelijken met Zur Kritik des Sprachatlas inBeitr zGdd Spr uLit XXI, 27 vv 5) Der Sprachatlas des deutschen reichs, Dichtung und wahrheit Taal en Letteren Jaargang 11 315 ontbreekt’ (p 55); ‘steeds is de ae klank gerekt, soms met naslag van een toonlooze vocaal, doch de opgaven veroorlooven niet, die geringe schakeeringen te localiseeren Bovendien zullen die schakeeringen wel hier en daar op rekening van de individualiteit moeten gesteld worden’ (p 66); ‘met åis de klank weergegeven, die in de opgaven gewoonlijk heet: azweemende naar o De grenslijn tusschen å en òa is echter eenigszins willekeurig getrokken, daar de opgaven niet altijd even duidelijk zijn en het materiaal niet rijk genoeg’ (p 72); ‘vermoedelijk’ (moet tot de åstreek gebracht worden) ‘geheel West en OostStellingwerf, Aengwirden en Schoterland, ofschoon de opgaven voor Noordwolde, Wolvega, Oosterwolde, Tjalleberd en StJohannisga alle oa schrijven’ (p 77); ‘de onbepaaldheid van een deel der opgaven’ (van de streek van òa ,óa of ō) ‘laat niet toe, de grenzen dezer verschillende klanken in kaart te brengen’ (p 79), enz Langs indirekte weg zal men nimmer kunnen komen tot het vaststellen van vele, ook voor de toekomstige algemene kaart, gewichtige verschijnselen, als de uvulare en linguale uitspraak van de r,de palatale uitspraak van de n(verg Amsterd mån =man), de nasalering der vocalen, de uitspraak van de s,ven g,die van de au en ou ,kenmerkende accentverschillen, enz Dit kan alleen geschieden volgens de direkte methode, door Edmont voor de Atlas linguistique de la France en Karl Haag voor Die Mundarten des oberen Neckarund Donaulandes aangewend en door deze laatste in de Beilage z Münch Allgem Zeitung, nr 230, p 6nader toegelicht 1):het verzamelen van het materiaal moet slechts geschieden door zodanigen die foneties opgeleid zijn, wil men een zekere basis verkrijgen, waarop een stevig gebouw van de kennis der dialecten kan verrijzen Ook dan kan niet alles volmaakt zijn, maar naar het volmaakte is tenminste gestreefd *** Het is mij natuurlik onbekend, welke gelden voor deze onderneming beschikbaar zijn Het is zeer goed mogelik, dat, hetgeen ik nu volgen laat, wegens financiële redenen nimmer uitvoerbaar zou geweest zijn, maar ik meen dat, waar ik hier bedenkingen tegen de arbeid van de bewerker van de Nederlandsetaalkaart ten beste heb gegeven, ik niet mag nalaten mee te delen, hoe ik mijzelf de cartografie der dialecten had voorgesteld Vooreerst had men mi voorlopig aan niets anders moeten denken dan aan het verkrijgen van een zo vertrouwbaar mogelik materiaal De direkte had men met de indirekte methode moeten verenigen Na 1) Die direkte Methode der MundartenKartographie, ihre sprachwissenschaftliche Bedeutung und praktische Nothwendigkeit Taal en Letteren Jaargang 11 316 grondige bestudering van de ingekomen antwoorden had een foneties opgeleide (of meerdere, zo die daarvoor te vinden waren) het materiaal moeten controleren, zo nodig, aanvullen en op de eigenaardigheden van de verschillende generaties in een zelfde plaats of vlek moeten letten; ook had hij zijn waarnemingen dan moeten uitstrekken tot een groter aantal gemeenten Daarna had men op de wijze van de bewerkers van de Atlas linguistique het materiaal moeten publiceren zo veel mogelik voor ieder woord een eenvoudig, ongekleurd kaartje gevende, terwijl men het materiaal de woordenschat betreffende in de tekst had kunnen meedelen, waarin men dan ook nadere biezonderheden omtrent de personen die men ondervraagd had, had kunnen opgeven Verscheidene jaren zouden verlopen zijn eer allen, die in het werk belangstelden, het gehele aldus geordende materiaal in hun bezit gekregen hadden, maar ook volgens de nu toegepaste methode moet het werk zeer langzaam vorderen Wanneer nu alles gepubliceerd was geweest, hadden verschillende geleerden van gedachten kunnen wisselen over de combinatie der bouwstoffen een zo uiterst subtiel iets de combinaties hadden dan, zo mogelik, vastgesteld kunnen worden, doch in kaartbrenging van deze was niet nodig geweest, mededeling er van in de tekst voldoende Dan had men kunnen zien of het iedeaal van één algemene Nederlandsedialektenkaart kon verwezenlikt worden Amsterdam ,5Junie WF GOMBAULT Vlamingen De zuiverste en oorspronkelijkste stem die over ons land klonk was die van een grijsaard, ons aller meester, Guido Gezelle Hij verpersoonlijkt de Vlaamsche herwording Meer dan een derde van zijn werk ontstond vóór 1860 Zijn leerling Hugo Verriest schreef ‘Avondrust’ in 1877, en werkt thans nog meê aan dit tijdschrift der jongeren Een leerling van Verriest was Albrecht Rodenbach (gestorven in 1880) die met Pol de Mont, lang vóór De Nieuwe Gids bestond, hier ‘réveiltijdschriften’ uitgaf, en eigenlijk is het zijne traditie, die wij nog voortzetten In 1889 kraaide met leutig jeugdige geestdrift een tweede Jong Vlaanderen Al viel het, de geestdrift brandde verder, en dáár kwam Van Nu en Straks uit, in 1893 Maar toen had Buysse al zijn ‘Biezenstekker’ gemaakt, en verzen van Prosper Van Langendonck verschenen sedert 1883 Van 1887 zijn er al die even goed mogen heeten als het beste wat in Holland toen voortgebracht werd Van Nu en Straks heeft verspreide krachten tot broederlijke samenwerking vereenigd: de Vlaamsche ontwaking is niet uitsluitend zijn Taal en Letteren Jaargang 11 317 werk Maar al ware 'tnu zoo, dan nog zou men heel bepaald mogen tegenspreken, dat die ontwaking onder den invloed der NieuweGids beweging heeft plaats gehad De stichters van VN &S stonden het dichtst bij de FranschBelgische schrijvers (geen Walen, zooals Netscher meent, maar bijna allen verfranschte Vlamingen); zij zijn opgegroeid in dat kunstleven, dat van Brussel uit ons Beotië bevrucht heeft, en waarin de grootste rol toekomt aan La Jeune Belgique ,Les XX ,en de volksconcerten van Dupont Daarom wil ik nu zeker de beteekenis, welke De Nieuwe Gids voor ons gehad heeft, niet geringschatten: de NoordNederlandsche beweging is ons een gewichtige ruggesteun geweest, zij heeft ons meer vertrouwen gegeven in onze eigen uitdrukkingsmiddelen, meer moed om in ónze taal te beproeven wat de Jeune Belgique hier gedaan had Verder mag het van twee onder ons (meer niet) wellicht beweerd worden, dat zij vooral door de lezing van NieuweGids proza hun taalgevoel hebben gezuiverd: van de Bom (?) en van mij Netscher zegt ergens dat ‘Vermeylen, de patriarch en alhoeder van jonge Vlamingen’ (maar, den Goden zij dank! ik ben de jongste van de heele bende!) regelrecht van onder de vleugelen van Willem Kloos gekomen is ‘Daar kan ik moeilijk zelf over oordeelen Maar 'tzou nu maar weinig bewijzen: want de waarheid is, dat mijn vrienden veel meer invloed op mij hebben gehad, dan ik op hen De gedachtengang onzer kritiek is niet die van de NG De motieven onzer kunst zijn niet uit Holland overgewaaid; dat moet in 'tbijzonder opgemerkt worden voor Van Langendonck, die ietwat Kloos'sche sonnetten dichtte, lang voor hij Kloos te lezen kwam, ja zelfs voordat Kloos verzen had uitgegeven Van Langendonck, de Bom, Hegenscheidt, hebben eerst en vooral hun eigen leven gebeeld, in den passenden vorm Welke lectuur is hier van overwegende beteekenis geweest? Voor Van Langendonk: Vondel, enkele Vlamingen, Hélène Swarth, Platen Voor Buysse: Maupassant en Zola Voor Hegenscheidt: Goethe, Shakespeare, Wagner Voor Streuvels: de OudVlaamsche dichters, Gezelle, Tolstoj, Dostojevskij, Andersen Maar geen Nieuwgidsers! Dat Van Nu en Straks geen uitlooper van De Nieuwe Gids is, dat er nevens de Hollandsche letterkunst, ook eene uit den Brabantschen grond opschoot, en nog eene andere in WestVlaanderen, dat de ontwaking in verschillende streken tegelijk heeft plaats gehad, ziedaar juist wat ook den NoordNederlander moest verheugen Want het bewijst dat er thans een werkelijk GrootNederlandsche literatuur aan 't worden is En dat onze ‘jonge richting’ aan diepere stroomingen gehoorzaamt dan doorgaans vermoed wordt AUGUST VERMEYLEN , Van Nu en Straks ,No 1, 5e jrg, Maart 1901 Taal en Letteren Jaargang 11 318 Kleinigheden VI Korte mylen maken Naast de mijl op zeven gaan ,dwz in plaats van een mijl zeven vierendeelen van een mijl afleggen, dus een omweg maken, bezigde men in de 17e eeuw korte mylen maken in de beteekenis: met spoed te werk gaan, snel vorderen, weinig omslag met iets of iem maken Bijv: de deugde zwoegt en hygt En heeft veel jaren werck, eer zy ten eertop stygt; Myn geld in tegendeel kan korte mylen maken Jeremias de Decker, RymOeffeningen ,1726, bl 105 en soude met ons wel haast korte mylen ,als men seyd, gemaackt hebben Journaal van Bontekoe ,bl 34 Zooals men ziet, is in het laatste geval de uitdrukking geheel en al synoniem met korte wetten maken K POLL VII Vogtlepel In Van Paffenrode's Hopman Ulrich (Ged 1700, bl 124) ontmoeten we het woord vogtlepel als benaming voor degen, zwaard, rapier: Ik heb al lang genoeg gaan torssen met dit stuk koud yzer op de zy Hangt de vogtlepel in de wapenkas We hebben hier te doen met een schertsende verbastering van het oude vochtel (Hgd Fuchtel), dat oa nog gebruikt wordt door Ten Kate in zijn Legende van StChristophorus: Mijn vuchtel hongert in de scheide, En 'slevens beste tijd ontvliedt In de eigenlijke beteekenis komt vochtlepel voor bij Van Vloten, Kluchtspel II, bl 14, waar een dronken boer zegt: My dunckt dat my den vochtlepel begheeft, By gans creeft, van dorst ick smacht in 'tlesten, Hier ben ick immers in drooghe ghewesten Leeuwarden K POLL Taal en Letteren Jaargang 11 319 Schetsen uit ons moedertaalonderwijs Lang al bestaat er methode en methode Ook daarom is 'tgewenst 'en kijkje in de school zelf te geven, 'tgaat toch niet meer aan noch altijd te blijven vasthouden aan het vanbuitenleren van verschillende versmaten, metaphoren en metonymia's, aan het inzinnenbrengen van synoniemen met onnaspeurlike verschillen, alles tot voorbereiding van litteratuuronderwijs en alles vrij saaie uiterlikheden, terwijl men meewerking, meedenken kan en moet krijgen door tot de kern van de kunst door te dringen en de hoofdaandacht te vestigen op het beeldende in alle goeie kunst, op het persoonlike in ieders waarnemen en weergevenintaal In zover is er ook polemiek in het volgende, want het wil propaganda maken vóór de natuur, ook bij het kennisdoenmakenmetkunst, tégen de boekewijsheid Even veelzijdig als de natuur is, kan ook de opvatting van de propaganda daarvoor zijn Wat we hier geven is natuurlik niet meer dan éne opvatting Heeft iemand 'en andere, laat hij ook die meedelen! Er zijn vele wegen naar het goede en ware! I De derde klas 1);'tis middags 3uur: Nederlands De leerlingen hebben nu al haast drie, velen vier jaar 'tis nà de Paasvacantie het algemene Nederlands in zich opgenomen in lectuur en in bespreking, en geüit in lezen, spreken en opstelschrijven; er komt nu ook 'en tijd dat ze met het biezondere, met kunst, moeten kennis maken Analecta V van Dr B zal daarvoor dienen De leraar die meent dat er, in dít Analecta vooral, 'en ziel zit, begint eerst met te proberen, door de klas die ziel te laten opmerken: hij zegt iets over de indeling van dit boek in drie grote rubrieken: 1o 1) Voor vele van de volgende kwesties isalindeze klas belangstelling tevinden Enkele zijn er voor de volledigheid tussen inbesproken, maar horen meer inde vierde klas thuis Dat kan ieder zelf voelen Wie vissen gaat voelt ofziet dat hij beet heeft Taal en Letteren Jaargang 11 320 afbreking, afmaking van onkunst, 2oparodie op onkunst, 3okunst; hij wijst vooral op de laatste rubriek om het aanknopingspunt met het tot nu toe gegeven onderwijs te vinden en neemt ten slotte, het concrete voor het abstracte kiezend, een voorbeeld uit het boek zelf ‘Sla eens op de voorlaatste bladzijde’, zegt hij: ‘Daar staat een vers, Schilderen aan het strand Ik zal het je zo dadelik voorlezen, maar weet je allemaal wat tuben zijn, in de eerste regel?’ Een van allen weet het ‘Nu dan: Schilderen aan het strand Zwart en wit, de tuben uitgeknepen, Mengt de schilder op het bruin palet; Voor de jeugd, wat ongewone pret Nu ze toekijkt, de oogen half genepen! Ach, dat schilderen heeft men ras begrepen Hier een veegje en ginds een pik, een spet, Hoedjes die hij vlug op hoofdjes zet, Boven boezelaars: witte kronkelstrepen Toch de pink heeft, meent men groene boorden; Hij maakt grijze; dan in strik en lis Hangen kabeltouwen: hier zijn 'tkoorden Ook de kleur der starren vindt men mis Maar het blijven woorden, woorden, woorden Voor den schilder die een vreemdling is Langzaam is dit gelezen ‘Vertel me nu eens,’ vraagt de leraar, aan één van de jonges, niet een van de slimste, die hem min of meer ongelovig noch blijft aankijken, ‘heb je dit tafreeltje gezien?’ ‘Wel zowat, meneer, maar ik moet het noch eens lezen’ ‘Meneer’, zegt een van de meisjes, ‘wat wil de schrijver zeggen met de twee laatste regels; zit daar noch niet wat meer achter en waarom herhaaltie dat woorden driemaal?’ Dat zijn de beide uitersten Het vers moet voor zichzelf en tot ieder spreken en de leraar gaat het noch eens zo goed mogelik lezen Enkele o ja's nu staat het hele tafereeltje ze allemaal voor ogen Blijft noch alleen de diepzinnige vraag omtrent dat wat er achter die beide laatste regels zit Het woord van Hamlet wordt even verklaard, maar de rest moeten ze zelf vinden en één van de slimsten doet dan ook de ontdekking: ‘de schilder geeft niet om kritiek!’ ‘Nu, dat doen ze vaak wel,’ zegt de leraar, ‘maar je bent er haast’ Taal en Letteren Jaargang 11 321 'En ander: ‘Hij verstaat ze niet en daarom stoort hij er zich niet aan!’ ‘Ja wel, toe maar, je bent er gauw!’ Verder komt echter niemand en de leraar tracht nu weer zo eenvoudig mogelik te zeggen, wat hem er van dunkt Hij wijst er oa op dat de mensen in het algemeen elkaar zo slecht verstaan, of ze vreemdelingen voor elkaar zijn zelfs naë famielie en vrinden ,hoeveel te meer dan deze uiteenlopende mensen De strandjonge en de volwassen schilder tegenover elkaar ‘Nu iets anders,’ zegt hij, ‘wat heeft dus de schrijver hier gedaan, Bertha?’ ‘Het strand beschreven, waar iemand zit te schilderen 'tIs 'en vreemde, de kinderen staan om hem heen en 'tis avond, want hij schildert sterren’ ‘Wat is daarbij zijn doel geweest, je begrijpt dat ik van de dichter spreek’ ‘Ons te laten zien wat hij zelf zag!’ ‘Juist en net zoals hij het zelf zag en zeg jij eens, Sipkes, toen jij me laatst dat opstel maakte over die tocht met je vader naar de waterval van Schaffhausen wat was toen je doel met die beschrijving? Behalve natuurlik het afhebben van 'en opstel!’ ‘Om ute laten zien wat ik zag!’ ‘Maar toch vooral om 'en opstel te hebben,’ zegt één van de jonges, die zelf haast nooit iets te vertellen heeft ‘Zo, denk je? Sipkes, weet je noch hoeveel bladzijden je daarover volgeschreven hebt?’ ‘Zowat 'en twintig, meneer, uit m'n schrift’ ‘En jij, Klaases, met je opstelletje over de koningin in Amsterdam?’ ‘Vier meneer!’ ‘En wat kreeg jij voor het jouwe, Klaases?’ ‘'En vier, 1)meneer’ ‘Nu, van der Laan, dan zie je toch wel dat Sipkes, als het hem voornamelik te doen was geweest om 'en opstel te hebben, datie dan altijd op blz 10 wel opgehouen was en er onder had gezet: wordt vervolgd ,dan kon hij er tweemaal plezier van hebben Maar dat is het niet: ik kon veel te goed merken datie er zelf plezier aan had toenie zat te vertellen Hij dee het dus om het mij te laten zien net zoals hij het zelf zag! Waar zit dus nu het verschil, Sipkes? In de taal?’ ‘Wel 'en beetje’, zegt Sipkes, ‘ik zou zeggen uit de tuben geknepen en met half toegeknepen ogen en ach en spet zou ik niet gebruiken’ 'En vinger ‘Ja, Aleid?’ ‘En ik lis niet, maar lus en sterren voor starren ’‘Iemand anders ook noch iets?’ ‘Wat ongewone pret: wat 'en zou ik zeggen!’ ‘Goed, Fikkert! Zijn dat allemaal grote verschillen?’ ‘Nee’ ‘Wat is dan het grootste verschil, Sipkes?’ ‘Maat en rijm, meneer!’ ‘Wie herinnert zich nu, wat we vroeger wel eens geprobeerd hebben op het bord? In de eerste klas!?’ Een stuk of wat vingers ‘om de maat door 'en golf aanteduiden’, zegt er een ‘Jawel, waarin?’ ‘In die gewone stukjes van Analecta I’‘Proza hè? Weet je noch wel die wonderlike golving van: Stilstaan, stilstaan enz uit de 1) Vijf ishet hoogste Taal en Letteren Jaargang 11 322 SergeantInstructeur ?Nu, daar was dus ook maat in, maar hier is 'twat regelmatiger Later zullen we daar noch op terugkomen; maar vertel jijme nu eens, Bertha, is er nu in de grond verschil tussen het weergeven van de waterval van Schaffhausen door Sipkes en dit schilderen aan het strand ?’ ‘Nee, alleen wat de vorm betreft’ ‘Zoen waarom maakt die schilder de boorden nu grijs, terwijl ze toch groen zijn, Aleid’? ‘Hij schildert alleen met zwart en wit’ ‘Goed, maar waarom dan niet zwart’? Zij bedenkt zich 'En ander ‘omdat grijs voor hem daar op die tekening net hetzelfde was als groen’ ‘Goed zo! Nu daarover later meer’ 1)De leraar wijst er ten slotte op, dat er ook wel eens dingen gemaakt worden, die zich gedichten noemen en die er alleen maar in de vorm iets van hebben, bv hun eigen Sinterklaasgedichten, maar daar staat ook 'en aardig staaltje van in dit boek en weldra is de klas verdiept in Lod Mulder's: ‘Iets uit den tijd toen ik nog een lief vers maakte’ JB SCHEPERS Haarlem (Wordt vervolgd ) Kunst Geen van beide schrijvers, Aletrino en mejuffrouw Antink, behoort tot de wouldbe optimisten, die, niet tegen het werkelijk leven kunnend, alle dingen flauwhartig bekijken door een roodeengele pincenez, om zich toch, in godsnaam, maar wijs te maken, dat altijd en overal de dageraad ontbloeit Neen, integendeel, beiden zien het leven flink onder de oogen en geven het met al zijn licht en donker, zooals het in de werkelijkheid waarachtig is Kunst toch moet niet opbeuren, sterken of troosten met opzettelijkgewilde middeltjes, met te geven, in plaats van de tintenrijke waarheid, een fraaiglimmenden, opgepoetsten schijn Kunst dient hoogstens om den mensch te heffen uit zijn daaglijkschen sleur van nietmeer gevoelde gewoontedingen, door hem te ontroeren met de aandoening der schoonheid en van echtmenschelijk medegevoel Zoo heeft altijd en overal, over de heele wereld, door alle tijden heen, de kunst gedaan der ware artiesten W ILLEM KLOOS ,De Nieuwe Gids ,Juli 1901 1) Dit iseen kwestie die in'en hogere klas verder uitgewerkt kan worden Taal en Letteren Jaargang 11 323 Letterkundige sprokkelingen uit de brieven van wijlen JAF L baron van Heeckeren 4 Jonkvrouw de Lannoij Het is vreemd dat mevrouw van Merken en jonkvrouw de Lannoij ,die in haar tijd ver boven Wolf en Deken werden gesteld, thans zoo geheel vergeten zijn Bilderdijk , Feith en Helmers zouden vreemd opgekeken hebben, als men hun verteld had, dat er een tijd zou komen, waarin de Sara Burgerhart boven den Germanicus en den Leo de Groote zou worden gesteld Leo de Groote is zwak van stijl, maar in aanleg is het wellicht het beste treurspel, dat wij bezitten 7December 1884 5 De Genestet's Haantje van den toren De tering is toch eene recht treurige ziekte; echter nog meer voor de omstanders dan voor den lijder zelven Noch Beets ,noch de Genestet hebben in hunne beschrijving deze tegenstelling genoeg in het oog gehouden Het Haantje van den toren van den laatste vooral is in mijn oog hoogst eenzijdig opgezet Als dat gedicht, naar men zegt, op des dichters aan de tering overleden vrouw ziet, dan heeft hij haar al raar behandeld Een jong gezellig wijfje krijgt de tering en nu laat de man dat vrouwtje eenzaam op de ziekekamer wegkwijnen Zij zit maar te turen op het haantje van den toren Geen bezoek van een vriendin, geen aanspraak van den man zelven komt haar opbeuren Zij peinst maar op uitgaan, op uitgaan alléén, alsof de teringlijder, zoo hij van gemoedelijken aard is, ook geen andere genoegens kende; alsof hem niet vaak verkwikkende droomen worden toegezonden; alsof de hartelijkheid van vrienden en bekenden hem niet streelt; alsof de gezelligheid hem het leven niet veraangenaamt Men voegd daarbij de balsem van den godsdienst, het éthérische dat het geheele wezen door deze ziekte verkrijgt en waarlijk, ook in haar vindt men lichtpunten Taal en Letteren Jaargang 11 324 Van dit alles schijnt de Genestet niets geweten te hebben Hij laat zijne zieke redeneren over eene Voorzienigheid, zooals de traditie die schetst, maar hij geeft haar geen oog voor Gods liefde, zooals die in het werkelijke leven zich toont Hoe veel dichterlijker zou zijn tafereel geweest zijn zoo hij dit had gevoeld en geuit 21 September 1879 6 Busken Huet over Hooft Na de lezing van Busken Huet 's voortreffelijke studie over Hooft ,heb ik met een nieuwen blik in onzen eersten en grootsten dichter gelezen en daarbij veel nieuws opgemerkt Die studie van Huet in de Gids is de mooiste, die ik van zijne hand heb gelezen Terwijl hij Vondel ,Cats en Bilderdijk alleen heeft doorbladerd, heeft hij Hooft bestudeerd, en door studie is hij tot waardeering en bewondering gekomen Naar aanleiding van Busken Huet 's studie heb ik de Gerard van Velsen opnieuw gelezen en nu heb ik er in waarheid een drama der vrijheid in gevonden Ik weet niet of gij het treurspel wel eens goed hebt gelezen, maar zoo niet, doe het Gij zult er in zien de verdrukte vrijheid, na lange, bange worstelingen, eindelijk zegepralend De rei der Amsterdamsche jufferen drukt het hoofddenkbeeld uit van het treurspel Eerst schetst deze rei de wandaden van graaf Floris en kiest partij voor den wrokkenden adel Daarna maant een tweede rei den graaf, met het oog op Rome 's noodlot, tot nederigheid en de edellieden, tot behoedzaamheid Voor alles waarschuwt zij tegen oorlog en bloedstorting Maar de hemel wordt duister; de wolken pakken te samen De wraakzucht van den beleedigden echtgenoot zegeviert in Gerard van Velsen over het goede beginsel Vergeefs treden zijn edele vrouw en Gijsbrecht van Amstel als zijn goede geniussen op De meerderheid van den adel besluit den weg van geweld en verraad op te gaan, maar toch kiest de rei niet de zijde van den graaf Integendeel, nu eerst galmt zij het heerlijk vrijheidslied uit De graaf wordt verraderlijk vermoord Met de zaak der wettige vrijheid staat het slecht Het gemeen kiest de zijde van den vermoorden graaf Doch daar treedt de Vecht op met de profetie van de zegepraal der ware vrijheid, van den tijd, waarin de ware vrijheid, over dienstbaarheid en wetteloosheid heen, over Holland 'sburgerij zal heerschen Uit dit oogpunt beschouwd is de Gerard van Velsen een uitmuntend treurspel, vol van de schoonste gedachten Ik beschouw het gedicht wel uit een ander oogpunt als Busken Huet ,maar ik moet erkennen dat hij mij tot een beter inzicht heeft gebracht 19 Februari 1882 Taal en Letteren Jaargang 11 325 Boekaankondiging ‘Zwervers ’,‘Amsterdam in Kroningsdagen ’en ‘Getrouwd ’,door G van Hulzen Van Van Hulzen zijn tot nu toe als afzonderlike boekdelen slechts de drie bovengenoemde werken uitgegeven Van een aantal schetsen in verschillende tijdschriften verspreid zal noch een tweede bundel ‘Zwervers’ worden samengesteld Een vrij kort lijstje dus, maar toch heeft van Hulzen er in eens zijn naam mee gemaakt Zijn werk zal hem niet tot een populair schrijver maken Daarvoor is er in zijn schetsen en verhalen te weinig spanning door handeling Maar wat hij geeft als weerkaatsing in zijn gemoed van alledaagse werkelikheid is zó glashelder, zó scherp van lijnen weergegeven, dat hij om de grootte van zijn kunnen dadelik vooraan is geplaatst onder onze schrijvers In mijn bewondering voor Van Hulzeu, denk ik eerst aan zijn zuivere en volmaakte wijze van werken, en daarna aan 'tweergegevene Van Hulzen's werk staat tot de werkelikheid, als een adjectief tot een voorwerp: 'tis een kenschetsing 'tIs niet een hernieuwing, geen dramatiesering Zijn personen handelen maar heel weinig Hij laat ze niet, zoals in een drama en in veel romans, zich openbaren door hun uiterlik doen, door hun daden Hij staat er altijd naast, en vertelt wat ze doen, en waarom Hij laat ze ternauwernood spreken Hij spreekt, hij denkt voor hen, al is het in hun woorden Wie zó wil werken, moet met zijn volzinnen de aandacht van zijn lezer zó sterk vasthouden op 'tgeen hij beschrijft, dat geen enkel oogenblik ook maar, niet door 'tkleinste verkeerde woordje, de aandacht wordt afgeleid van 'tbesprokene op den spreker Wanneer hij in een beschreven gedachtengang slechts éven inlast wat hij zelf denkt, dan knapt de draad van de stemming af 'tIs juist in dit opzicht dat Van Hulzen zo zuiver werkt Niettegenstaande 't fijnbewerkte van zijn schilderingen is hij uiterst strict in 'tweglaten van zijtinten en schaduwen die hij zelf wel ziet, maar die de lezer zouden brengen uit de gedachtensfeer van Taal en Letteren Jaargang 11 326 de beschreven personen Bijwerk ter afwisseling geeft hij niet Van Buenos Aires zien we in ‘Getrouwd’ niets dan 'tgeen Henk en Gonne er zien, en daarvan nog alleen dat, wat invloed heeft op hun twist van blijven of teruggaan naar Holland 't Hele eerste deel van het verhaal is tot de uiterste vezeltjes toe doortrokken van die kwestie en van niets anders, zoals 'ttweede deel doortrokken is van Gonne's plantenleven in Amsterdam, met éen, trouwens op zich zelf mooie uitzondering, de beschrijving van de Gerard Doustraat, omdat daarin dingen verteld worden, die Henk en Gonne zeker niet zó gezien hebben, maar de schrijver wel Bij al dat zuivere van zijn werk is 'tdaarom des te meer stuitend dat iemand die 'tzoveel beter weet, zich zelf enkele malen, tot grof banaal toe, aan ons opdringt Een voorbeeld: in ‘Broertje’, waarin hij naast de beschrevene sterker dan in enig ander schetsje een bijpersoon invoert die hij gebruikt als medium, wil hij aan 'tslot vertellen hoe die persoon (hij zelf) op een late avond op 'tDamrak loopt te dromen en dan in eens dat jongetje ontmoet Hij beschrijft dat hij wat geschrijf naar de post heeft gebracht en dromerig naar 'tDamrakveld staat te kijken, en dan begint hij in eens te vertellen over zijn werk met een opmerking over ‘'t peuterig werken onder lamplicht, aldoor volgend het zwart gekriebel der woorden op dat velletje papier, ze nog verbeterend’ Flap! weg is de stemming waarin 'tvoorgaande ons gehouden heeft 'tLigt er op als een donkere lap op een lichte broek Hier en daar is er meer van dien aard bijv in ‘Kroningsdagen’, als hij een afgezette straat beschrijft Hij vertelt dan ook hoe er een paar verslaggevers midden op de lege straat lopen Dat is een goed trekje Maar dan laat hij er op volgen dat die verslaggevers hun indrukken ‘al bij voorbaat in woorden omzetten, om ze straks op 'tgeduldig papier snel te kunnen weergeven in vlugneergekrast schrift, door jaren geoefende zetters bijna niet te ontwarren’ Weg is in eens 'tbeeld van de straat, en we zien niets dan de heer Van Hulzen, die ons indirect wil vertellen dat hij ook een van die verslaggevers was Mogelik is 't(ik hoop 't) dat dergelike dingen alleen in 't vroegste werk voorkomen De stemmingskunst van Van Hulzen heeft een groot gevaar door de wijze waarop hij haar uitvoert, vooral in ‘Getrouwd’ De lezer in één stemming te houden met een betrekkelik korte schets zoals die in ‘Zwervers’ is mogelik Maar om zoals in ‘Getrouwd’ in éen stemming te blijven 260 bladzijden, zonder éen ogenblik van opwakkering, zonder éen wijziging van stemming, behalve op de allerlaatste bladzijden bij de vrij onverwachte loutering van Henk, ik ben er van overtuigd dat het de meeste, Taal en Letteren Jaargang 11 327 zelfs van de beste lezers te lang is Noem 'tlangdradig, noem 'tgebrek aan levendigheid, 'tbezwaar is er en 'tblijft, hoe hoog de andere verdiensten van zijn werk mogen zijn Van Hulzen's eerste werk ‘Zwervers’ was glanzend mooi als afgewerkte studies van enkele personen, enkele feiten Ik hoopte, vooral op grond van ‘De vrouw met de molentjes,’ dat zijn groter werk zou worden een compositie waarin dergelike enkele feiten zouden zijn saamgesmolten Maar in ‘Getrouwd’, zijn eerste grote werk, kregen we net als in ‘Zwervers’ weer éen enkel feit, alleen van wat langer afmetingen Het doet me denken aan een van onze schilders, Klinkenberg, die eenmaal een goede formule heeft gevonden voor een stadsgezicht, en die nu àl zijn schilderijen uit diezelfde formule opbouwt En is 'took niet 'tzelfde met sommige van onze eerste dichters en dichteressen, die eenmaal de formule van 'tsonnet in zich opgenomen hebben, en nu nooit iets anders geven dan sonnetten, al maar door sonnetten, en daardoor eentonig worden, hoe prachtig ieder van die sonnetten ook mag zijn? In een ‘Begeleiding’ tot zijn ‘Zwervers’ heeft de schrijver het nodig geacht bij voorbaat te verklaren, dat zijn werk niet behoort tot de zg proletariese kunst Als men alleen op 'tonderwerp lette liep hij ook gevaar, dat men 'tdacht Behalve enkele straatbeschrijvingen, nog in verschillende tijdschriften verspreid, en zijn ‘Kroningsdagen’, dat ook daaronder gerangschikt kan worden, heeft hij van 'tgeen hij zag onder de mensen, in zijn werk weerkaatst: Een Amsterdamse bedeljongen; twee Haagse bedelmeisjes, een Amsterdams menswrak, een meisje dat vent met waaiers, een Joodse bedelaarster, een gekke kermismeid, een vrouw en man die molentjes venten, een half bankroete kroeghouder; in ‘Getrouwd,’ een sjofel echtpaar dat met de grootste moeite scharrelt om rond te komen; voorts in de in tijdschriften verspreide stukken oa ‘Kermis misére’, een Joodse schets, en ‘Ontredderd,’ een rondzwervend bedelaar De ellende van de achterbuurten Ze wordt gegeven zonder geuite of ongeuite strekking Er is evenmin boeiende romantiek doorgeweven om 'tgeval interessanter te maken 'tIs de ellende vuil en rampzalig, zoals we haar kunnen zien, stinkend soms van goorheid Waarom hij dat nu geeft? Alleen om den aanblik? In de werkelikheid ga je die dingen liefst niet zien, hoogstens een enkele maal uit nieuwsgierigheid Er is in 't geen wij zien weinig moois in die gevallen Taal en Letteren Jaargang 11 328 Maar er is meer in dan wij kunnen zien, of tenminste zagen, en dat meerdere scherpt de schrijver in ons brein ‘Een man uit 'tvolk,’ zegt hij in de Begeleiding, ‘is, ondanks zijn uiterlijk verschil daarom innerlijk niet anders dan een gelijkaangelegde uit verfijnden stand Wie het karakter van een grove vrouw beschrijft kan een koningin hebben weergegeven’ Ik geef de rest van het nog al breedsprakige betoog cadeau voor die enkele regels Vooral omdat hij in de praktijk in zijn schetsen, die zoveel overtuigender zijn dan zijn teoréties betoog, zo heerlik die karakters uitbeeldt, en relief brengt uit hun omstandigheden Ik maak een uitzondering voor ‘Extremis’ dat ik alleen walgelik vind Maar overigens, wat een heerlike tekening van mensen! Neem dat duffe, gore, versuffende aan als de atmosfeer waarin die menschen leven, en kijk dan wat een prachtig menselik type, die zichzelf verknuffelende Joodse bedelaarster in ‘Metier’; wat een inverdorven maar gulhartige jonge galgestrop in ‘Broertje’; wat een verzopen lamlendige luiaard in ‘Ontredderd’ En dan vooral de twee vrouwenfiguren in zijn beste stukken, ‘De vrouw met molentjes’, en ‘Getrouwd,’ in 'teerste de sterke vrouw zichzelf vergoiend door de drang tot bescherming, die 'tgevoel van medelijden met een zwakkere in haar fors gemoed opwekt; in het tweede, Gonne, de alleen voelende, nooit redenerende vrouw, in haar egoïsme tergend en dreinzend, met de bewustheid ongelijk te hebben En mooi ook de eerste verweking in de starre vastberadenheid van de man door het nachttoneel: eerst zijn zinnendrang om zijn vrouw te willen kussen, als ze zo kalm slaapt, dan de angst voor haar hallucinaties, dan weer de ruzie hoog en fel, en eindelik de reactie met de eerste twijfel aan 'trecht van zijn nietwillen toegeven Karakters worden omhuld door omstandigheden, en je brengt ze scherper uit wanneer die omstandigheden worden bestudeerd, en er uit wordt gekozen wat invloed heeft op de karakters, om dat aan te hechten aan hun doen, en de rest weg te laten Zoals ik in 'tbegin zei, is daarin Van Hulzen buitengewoon zuiver 'tIs vaak tot peuterigheid toe dat de biezonderheden geteekend zijn, maar 'tis bijna alles raak en juist, raak en juist op die biezondere plek Schrijven is woordkunst, maar woordkunst komt neer op woordkeus, als eenmaal de gedachte in 'tbrein is En 'tis weer het louteren en verscherpen van de gedachte dat de felsprekende beelden en woorden doet vinden Om bij werk als dit te spreken van een stijl in schrijven, gaat niet aan Een schets als ‘Broertje’ kán niet in eenzelfde stijl zijn als ‘Ontredderd’ Maar dit kan wel gezegd worden: dat de zinnen bijna overal klaar en doorzichtig Taal en Letteren Jaargang 11 329 zijn, vooruitbrengend in 'twoordbeweeg wat hoofdzaak is, zacht klinkend 'tmindere, 'tbijkomende En dat woordbeweeg wordt bij een schrijver die zó zuiver voelt, van zelf rythmies Een enkel woord over de straatbeschrijvingen Een straatbeschrijving of eigenlik iedere beschrijving van omgeving, moet al een heel biezonder karakter hebben om recht van bestaan te hebben als een afzonderlik geheel Ze doen me meestal aan als studies voor onderdelen in een groter werk; alleenstaande lijken ze me zo gemaakt Dat geldt ook van Van H's werk van dien aard De beschrijving van de Nieuwe Markt is bovendien verward Maar daarentegen als onderdeel van zijn ander werk, doen sommige van die beschrijvingen aan als een stemmingbrengende inleiding tot een muziekstuk, bijv 'tverwaaide park met de half afgebroken kermis in ‘Herfsturen’, de hete straten van Buenos Aires in ‘Getrouwd’ ‘Kroningsdagen’ heeft wel voldoende eigen karakter om alleen te kunnen staan, maar toch is 'tjuist ook 'tgebrek aan een voldoend stevigen kern, die 'twat slap maakt 'tIs de uit het geroezemoes en 'tvertoon van die dagen gedistilleerde geestdrift, maar er is niets meegekomen dan de vluchtigste stoffen; al het soliede is achter gebleven Een beschrijving van een dergelike massabeweging alleen in algemene tinten en trekken, zonder uitlichting en verscherping van kenschetsende feiten, zal slechts zelden de reeks van indrukken opnieuw in den lezer opwekken 'tBeste is Van Hulzen bij 'tbeschrijven van 'tgeen er te zien was Sommige van die versierde straten en volle pleinen worden met een verrassende helderheid met enkele woorden ons voor ogen gebracht Maar veel minder is dat bij de beschrijving van 'tgeen er te horen was Arnhem JH DEIBEL Taal en Letteren Jaargang 11 330 Kleine meedelingen over boekwerken Gothische CasusSyntaxis ,door MJ van der Meer In de Inleiding deelt de schr mede: ‘Delbrück beklaagt zich er over bij de behandeling van den genitivus van den bezitter, dat hem geen “Materialsammlungen” van de casus ten dienste stonden, waardoor een nadere indeeling onmogelijk werd Voor het Gotisch wil dit proefschrift deze leemte aanvullen In de eerste plaats is derhalve getracht naar volledigheid Toen ik reeds eenigen tijd met de verzameling van het materiaal bezig was, verscheen de Heilandsyntaxis van Behaghel, die zijn materiaal op geheel andere wijze indeelt dan men tot nog toe gewoon was Hij legt vooral den nadruk op de zgn “Gruppenbildung” en keurt het af, dat men “das einzelne Glied der Rede zum Gegenstand der Behandlung macht, von der Bedeutung, von der Function dieses oder jenes Casus redet” Zeer zeker terecht Eerst in de wijze toch, waarop de verschillende elementen tot zinnen worden verbonden, komt hun functie duidelijk uit en zoo blijkt ook het gebruik en de beteekenis der casus alleen uit de verbindingen, waarin ze voorkomen Bovendien heeft de behandelingswijze van Behaghel dit groote voordeel, dat veel subjectiefs in de verdeeling kan vermeden worden, omdat steeds als verdeelingsprincipe kan worden aangenomen de wijze van verbinding van de elementen, zooals die werkelijk voorkomt Evenwel zijn voor het Gotisch de nadeelen van een behandelingswijze, zooals in dit proefschrift, veel geringer dan bv bij het OudSaksisch, omdat de zinsbouw sterk onder den invloed staat van den grondtekst en meer Grieksch dan Gotisch is, terwijl het gebruik van de casus zelf over 'tgeheel als idiomaitsch moet worden beschouwd Daarom is dan ook van het eenmaal opgevatte plan niet afgeweken In hoofdzaak is de indeeling dezelfde als die van Delbrück Bij de verdeeling der transitieve verba naar hun beteekenis is echter Behaghel gevolgd, zij het dan ook met ééne afwijking Behaghel scheidt nl de verba, die “eine Veränderung bezeichnen, welche mit der physischen oder geistigen Beschaffenheit eines Objects vorgenommen wird” van die “die be Taal en Letteren Jaargang 11 331 zeichnen dass bei einem Object die Lage seiner Theile verändert wird” In het onderstaande zijn deze beide groepen vereenigd, omdat de scheiding moeilijk uitvoerbaar bleek te zijn Trouwens, deze geheele indeeling heeft veel subjectiefs, niet alleen ten opzichte van de vraag, tot welke groep ieder verbum moet gebracht worden, maar ook, wat de verdeeling zelf betreft’ Van de stellingen citeren we: Het is onnoodig met Prof Van Helten (Mnl Spraakkunst §337, opm 3, pag 440) het gebruik ‘van sî,sie ,soe en su ter benaming van het vrouwtje eens diers’ te verklaren uit ‘een volksetymologische identificeering van het oude substantief hie met het personale hî en hie ’ De verklaring van Leenderts (I, pag 189) van vs 16 van Hoofts ‘Rosemont, hoordij speelen noch singen?’ is aannemelijker dan die van Dr Stoett (I, pag 175) De verklaring, die Dr Eymael (T en L IV, pag 303) geeft van vs 8van Huygens' ‘Voorhout’ verdient de voorkeur boven die van Dr Kollewijn (ll, pag 304) en die van Dr Stoett (N en Z XX, pag 243) De punten van overeenkomst tusschen den Alexander en den Reynaert (Franck's Inl, pag XVII vv Te Winkel Nederl Letterk I,pag 257, noot 1) onderstellen niet noodzakelijk afhankelijkheid Het is waarschijnlijk, dat het door Dr Bolte, Tijdschr X, pag 288, gepubliceerde fragment een gedeelte is van een tooneelstuk, waarnaar Hooft zijn Granida heeft bewerkt Voor as docenten is een philologische en litterairhistorische opleiding van veel grooter belang dan een linguistische Paul Hagen, Der Gral Quellen und Forschungen zur Sprach und Kulturgeschichte der germanischen Völker ,hgb von A Brandl, E Martin, E Schmidt LXXXV ] Strassburg, Karl J Trübner ,1900 124 S 8 M 3 Der durch frühere Untersuchungen zur Gralsage bekannte Verf unternimmt es hier, den Gral als Meteorstein zu erweisen Vielleicht war die Geschichte dieses Grals einmal auch mit der Sage vom Priester Johannes verknüpft Sehr erwünscht wäre, wie der Verf wiederholt bemerkt, dass ein Arabist von Fach sich dieser Fragen annähme Soviel scheint mir aber jetzt schon als wahrscheinlich erwiesen, dass der Gral bei GuiotWolfram als Meteorstein gemeint ist Und zwar scheint dieser in der That aus einem arabischen Geographen zu stammen Zweifelhaft bleibt dagegen der Zusammenhang dieses lapsit exillis mit der Johannessage Die These des Verfs gilt ausschliesslich für diese eine Version der Gralsage In keinem einzigen der übrigen Gralromane vermag ich etwas zu finden, was die Bedeutung als Meteorstein beweisen könnte Insbesondere bei Taal en Letteren Jaargang 11 332 Crestien lässt sich nichts dergleichen aufzeigen Die christlichlegendarischen Motive Crestiens scheinen mir nach wie vor unbestreitbar EDUARD W ECHSSLER Deutsche Litteraturztg no 16, 1901 [Vgl de uitvoerige aankondiging in Museum VIII (Nov 1900) door JFD Blöte, die maar deze twee rezultaten van Hagen kan aanvaarden: ‘de stad Acratôn is Herat, en de Latijnsche naam van den Graal lapsit exillis kan niet beteekenen lapis electrix ’] K Brugmann: Uber das W esen der sog W ortzusammensetzung Eine sprachpsychologische Studie Berichte der philolhist Klasse der K Sächs Gesellschaft der W issensch 1900, S 359401 Mit eindringerder Schärfe und Verwendung reichen Materiales, wie man es bei ihm erwarten durfte, tritt Brugmann in der vorliegenden Abhandlung an das Problem des Kompositums heran Die Frage ist die: Gehört Lautkontinuität, äusserliche ‘Zusammensetzung’ zum Wesen des Kompositums? B verneint sie Den Ausgangspunkt der Betrachtung bilden Beispiele, wie ‘loskaufen’, ‘antreiben’, die wir schon durch die Zusammenschreibung zu Komposita stempeln, während die Bestandteile gesondert auftreten können: ‘er treibt ihn an’ Solche Fälle des Schwankens zwischen Kontinuität und Trennung finden wir allenthalben in den indogermanischen Sprachen Vom semasiologischen Betrachtungsstandpunkt aus ist also der überlieferte grammatische Begriff der Wortkomposition zu erweitern, indem von der ‘Kontaktkomposition’ die ‘Distanzkomposition’ zu unterscheiden ist (S 382), und folglich manches als Kompositum zu bezeichnen, was die traditionelle Grammatik nicht als solches anerkennt, zB ne quidem, um willen Wie ist es nun aber möglich, dass zwei in einem Satze von einander getrennte Wortgebilde eine vollkommen untrennbare Begriffseinheit bilden können? Das Problem löst nach Brugmann Wundt durch seine pzychologische Analyse des Satzes ,der in der Seele des Sprechenden vor seiner Aussprache als Vorstellungseinheit vorhanden ist und nicht erst succesiv nach seinen Teilen appercipiert wird (vgl S 390 ff); der Satz ist der primäre Bewusstseinsinhalt, aus dem erst im Sprechen die Einzelvorstellungen entwickelt werden, nicht dass umgekehrt aus den einzelnen Vorstellungen sich der Satz zusammenbaute O HEY , Archiv fLat Lexikographie u Grammatik ,Mei 1901 1) 1) Men vindt ditzelfde met nederl voorbeelden aangewezen door vd Bosch inTaal en Letteren III,blz 1120, 145152 Zie ook T &LII,blz 317, 321 vv Taal en Letteren Jaargang 11 333 De Bruidstijd van Annie de Boogh ,door Herman Robbers Amsterdam, Jac G Robbers ‘De Bruidstijd van Annie de Boogh’ is voorzien van een zeer gewone, bijna prozaïsche visie, die verre van zich als een fictie te geven het leven, zooals het in waarheid is, bekijkt En dit gewone doet het boek alleen staan in de literatuur van heden, en vermoedelijk ook in die van de toekomst; het buitengewone, het abnormale het dwaze, onechte, leugenachtige schijnt causaal aan de literatuur en de kunst verbonden; en als zoodanig geeft het tegendeel aan het boek het kenmerk van het eenige De roman gaat voort in gewone, vrij normaal gevormde zinnen, voort in steeds hetzelfde niveau, dat van het werkelijke leven, en in gedachten, waarmee ook hij, die nooit Couperus en nooit Kloos' gedichten las, vertrouwd kan wezen Juist in dit vermogen, waarover tegenwoordig zoo weinig schrijvers beschikken aan de verzoeking in de hoogheid van hun zieltjes plechtig te doen, en goddelijke woordjes te zoeken is, zooals 'tblijkt uit ‘De bruidstijd’, de groote voortreffelijkheid van dit boek gelegen De verzoeking was groot, want wie laat niet gaarne een schilder, miskend zijn en een ‘hooge ziel’ hebben, en een meisje met hem dweepen? Annie de Boogh dweept niet, maar bemint; de schilder Paul oreert niet, maar schildert; en de menschen met wie ze in aanraking komen, zijn, evenals zij, menschen, zooals ze te Rotterdam en elders in grooten getale aanwezig zijn EDV( ERBURGH ), in Arbeid 1901 Onze Kleine Dorpswereld Leesboek voor de hoogste klassen der lagere school, door J Mulder ,Hoofd der school te Bronkhorst 1e en 2e dltje (120 en 92 blzz) 8oGroningen, PNoordhoff Compl 2dltjes àf030 ‘Onze Kleine Dorpswereld’ onderscheidt zich hierdoor van andere leesboekjes, dat de personen, die in de lesjes optreden, genomen zijn uit de omgeving der leerlingen onzer plattelandsscholen Dat ik echter niet geschroomd heb met de kleine Buitenvelders uitstapjes te maken ver buiten hun woonplaats, daarvan is de inhoud van menig lesje het bewijs Niet alleen voor buitenscholen is het boekje geschreven, ik hoop, dat ook de onderwijzers in de steden den inhoud geschikt zullen vinden voor hun leerlingen, als ze die in aanraking willen brengen met de dorpsjeugd De lesjes zijn alle oorspronkelijk en zijn zoo gerangschikt, dat die uit het eerste deeltje het best worden gelezen in het zomerhalfjaar, terwijl die in het tweede stukje in hoofdzaak leesstof bevatten voor de wintermaanden’ Voorbericht Taal en Letteren Jaargang 11 334 Nieuwe boeken: De Nieuwe Bibliotheek voor de jeugd ,onder redactie van J Stamperius Heusden, LJ Veerman 8oMinstens 4dltjs naar keuze bijeengenomen worden gecart àf060 en geb àf095 afgeleverd VIIIe serie No 1 W ILLEM OTTO ,Tom [Nieuwe uitgave] (120 blz, m 3gekl pltn) Afz dln gecart f075, geb f110 XVe serie, no 1: CHKRIENEN ,Kees Lovers Met teekeningen van WK de Bruijn (88 blz) Gecart f075; geb f110 Warendorfs NovellenBibliotheek Amsterdam, Van Holkema &Warendorf 8o Per nr f010 Per dl (6 nrs) f060; geb f090 No 135 J EIGEMHUIS ,Idylle (47 blz) No 136 FOKKO BOS ,Een huwelijk uit berekening (48 blz) No 137 F DE SINCLAIR ,Sherlock Holmes junior Oorspronkelijke novelle (48 blz) Boon's Geïllustreerde Roman Bibliotheek Amsterdam, NJ Boon 8oPer nr f030; geb f060 No 29 ERNST VON W ILDENBRUCH ,Het wandelende licht Naar het duitsch (158 blz) No 30 NORA GÖRNER ,In hoogen kring (175 blz) Voor den coupé Utrecht, AW Bruna & Zoon 8oPer nr f010 Per dl (6 nrs) f060; geb f090 No 91 THÉRÈSE VAN ARENDSBERG [Mevr Van der Meer Van den Bosch ],Twee zusters (48 blz) No 92 FEDOR BERG ZALEWSKI De wissel (45 blz) No 93 ERNST VON W ILDENBRUCH ,Qaudia's lusthof Eene legende Naar het duitsch door Cato de Jongh (48 blz) Amerikaansche Detectiveromans Utrecht, AW Bruna & Zoon 8oPer nr f 030 No 13 OLD SLEUTH ,Een strijd tegen moordenaars Episode uit het leven van een Amerikaansch politiebeambte (188 blz) No 14 AH GREEN ,Een zonderlinge verdwijning (208 blz) No 15 GABORIAU ÉMILE ,De misdaad te Orcival (168 blz) Vertelselboekjes ,onder redactie van N VAN HICHTUM Amsterdam, SL van Looy 16 o IV NELLIE (Mevr Van Kol ),Een geheim ,en andere verhaaltjes, bijeengebracht en naverteld Met 16 plaatjes (32 blz) f025 V Mevr PAPE CARPENTIER ,De perzikepit ,en andere verhaaltjes Bewerkt door Nellie Met 18 plaatjes (32 blz) f025 KwartjesBibliotheek Amsterdam, Cohen Zonen 8oPer dl f025; geb f050 No II H SCHOBERT ,Bijna bezweken Vrij naar het Duitsch (154 blz) Taal en Letteren Jaargang 11 335 Nieuwe bibliotheek voor zondagschool en huisgezin Red: HW S[ piering ] en mevr Wildeboer Haarlem, De Erven Loosjes Kl8 o No 27 Trouw beloond of voor recht en vrijheid Naar het engelsch door HWS (70 blz, m 1plt) f025 Tooneel en voordrachtenbibliotheek (ES Clup's) voor rederijkers, bruiloften en andere feesten, Groningen, HL van der Klei 8o No 3/4 De portemonnaie Blijspel in één bedrijf [4 h 1d] Naar het duitsch door HK (34 blz) f040 No 5 ES CULP ,Drie nieuwe voordrachten (4 blz) ff010 Litterair Universum Verzameling der beste romans en novellen van hedendaagsche schrijvers Haarlem, Gebrs Nobels Kl 8oPer jrg (24 nrs) f 480 Afz nrs f025 No 21 W ALTER VON CHRISTMAS ,Aan board der ‘Oroya ’Maima (96 blz, m afb) E MOLT ,Historische verhalen ,voor kinderen van 10 tot 12 jaar Geïllustreerd door BW Wierink Medemblik, KH Idema 4oPer dl, bij inteek f070; geb f1 Afz dln f090; geb f120 III Alewijn ,de lijfeigene Historisch verhaal uit de 12e eeuw (129 blz, m 3 pltn) MJ KOENEN ,Proza en Poëzie Leesboek ten gebruike van de Nederlandsche jeugd (Inleiding tot ‘Een bloemkrans’ door JP de Keyser) Zwolle, WEJ Tjeenk Willink 8o 1 5e, vermeerderde druk (VIII, 148 blz) f055 Onze Letterkunde [Bloemlezing, ten dienste van candidaathoofdonderwijzers] Deventer, AEE Kluwer Gr 8o IV PC HOOFT ,Warenar en Granida Met portret en aanteekeningen (III 142 blz) f045 Inhoud van Tijdschriften: De Nieuwe Gids ,afl 10, Juni 1901, oa: Willem Kloos ,Verzen Leo Faust ,Fräul Ader Reddingius ,Verzen J Hora Adema ,Een dissonant J de Meester ,Geertje, III Afl 11, Juli 1901, oa: Willem Kloos ,Verzen Reyneke van Stuwe , Ondergang HJ Boeken ,Verzen J de Meester ,Geertje W van Meurs, Verzen J Hora Adema ,Een dissonant De Arbeid ,3e jrg, afl 9, oa: G van Eckeren ,Langs vaste paden Frans Buijens ,De man aan het venster W van Doorn ,Miniatuurtjes Lode Baekelmans ,Marieken van Nijmegen Taal en Letteren Jaargang 11 336 De Gids ,No 7, Juli 1901, oa: J Eigenhuis ,Een grootsch wijf Verzen uit het gevangenkamp te Groenepunt, door Een Krijgsgevangene Prof AG van Hamel ,Wetenschappelijke beoefening der moderne letterkunde II Een historischletterkundig Congres AW Stelwagen , Roomsche woorden C Scharten ,Kloostertuin Elsevier's geïll Maandschr ,Juli 1901, oa: Pol de Mont ,Van Gotelindis Marie de Negri ,Erbarmen Leo Faust ,Stervende poes Woord en Beeld ,Juni 1901, oa: Pol de Mont ,Van het Heidenjongetje Op hoop van Zegen, met bijschrift van VN H Baart de la Faille Wichers Hoeth ,Smarteweg Boon's Geïll Magazijn ,No 24, Juni 1901, oa: User ,Spionskop A Conan Doyle ,De misdaad van den brigadier Voordrachten Monologen, Dialogen, Salonstukjes en Verzen Nederland ,No 7, Juli 1901, oa: Johanna Steketee ,Arme Dido Winter ,Op reis in de binnenlanden F de Sinclair ,Verloren Willem van Santen ,Verzen Van Bearghen ,Lenteavond Willem van Santen ,Liedje JC Sonneborn ,De Zee Willem van Santen , Verzen De Tijdspiegel ,No 7, Juli 1901, oa: Dr L Knappert ,Oudvaderlandsch volksleven uit de Acta der provinciale synoden Noord en Zuid ,No 7, Juli 1901, oa: JL van Dalen ,Emma PH van Moerkerken Jr ,Des Amorie Van der Hoeven of Potgieter? Verscheidenheden: Nauta :Naar de barrebiesjes; Begaoves; Voor den draad komen De Navorscher ,51e jrg, afl 5 1901, oa: Dr PC Molhuizen ,Jan van der Does, Nederduitsche Gedichten Leuvensche Bijdragen ,4e jrg, 2e afl, oa: J Jacobs ,Oudfriesche etymologie L Scharpé ,De Rovere's spel van Quiconque vult salvus esse Tijdschrift (Mij Ned Letterk )XX, 1: J Verdam ,Een weinig bekend Malegijs fragment P Leendertz Jr ,X Goede boerden J Prinsen J Lz, Men noemt geen koe bont ,of er is een vlekje aan J Verdam ,'t Alleluia is geleid A Kluyver ,Tschubiakkro JA Worp ,Jacob de Mol's Spel van Aeneas en Dido (1552) Een comedia ofte speel van Susanna (1582) Venator's Redenvreucht der wijsen ,enz (1603) H Kern ,Huls ,hulst Kachtel Vreugde JH Gallée ,Henne ,hunne en hune en hunne samenstellingen (met naschrift) P Leendertz Jr ,Eenige geneuchlijke dichten Zeitschrift für Deutsche Philologie ,33 Band, Heft I,ua: W Friedrich ,Die flexion des hauptworts in den heutigen deutschen mundarten (schluss )[Bevat veel, dat ook van nut is voor onderzoekingen over Nederl] Taal en Letteren Jaargang 11 337 Vondelstudieën VI Het pascha Koningen moeten als herders zijn Het herderschap fiegureert het koningschap Zoals 'thoeden van kudden in zich vereist het weren van wolven, en 'tgelijk bedélen der weiden over de lammeren, zo houdt ook 'tregeren van volken in zich besloten 'et afwijzen van vreemde heerschappij, en 'tgelijkberechten van 'talgemeen onder 'n zelfde orde en wet Wie dit niet inziet of volgt, deugt voor 'et koningschap niet 1) En daarom is Farao 'tGeweld Onder zíjn scepter zwoegen slavende Israëlieten onder in weelde wadende Deltazonen Het bed van de eersten is harder dan de wegen waarop hun meesters wandelen 's Konings rijksstaf is voor hen 'n geselende vlegel, 's konings kroon voor hen 'n wetteloos juk Is dat recht, als 'tvorstelik zwaard aan de ene kant de zoon van Egypte beschermt, en aan de andere kant als 'n zeis de knechten van Israël maait? Wat is dat voor 'n land waar de ene burger de slaaf van 'n ander is? Wat is dat voor 'n bedéling, als de werklui die Memphis' zolders met koren vullen, tot loon slechts 'et schrale kaf voor zich krijgen? 2) En noch is Egypte's tieran niet tevreden Al mogen de Hebreeuwen van 'smorgens vroeg tot 'savonds laat grachten graven, muren optrekken en torens bouwen, noch scheldt Farao met heftige verwijten op hun ledigheid, roepende dat Egypte 'n woestijn is, en te gronde zal gaan door de werkeloosheid van z'n slaven 3) Is dit dankbaarheid? Zo zijn dus Jozefs weldaden uit 'et Egypties gemoed gewist; vergeten is, hoe in de magere jaren 'et land uit zíjn schoot is 1) Het Pascha ,IeDeel, vs 5364 (Unger ,16051616) Vgl ook Hooft inBaeto Grotius inVondels Sofompaneas voornamelik door bijbelse invloed 2) vs 6580 3) vs 8192 Taal en Letteren Jaargang 11 338 gespijzigd Toen ter tijd, werd z'n naam geprezen, en z'n beheer geroemd als dat van 'n koning wijs, omdat voor àllen z'n vriendelikheid was, omdat hij aan niemand de vrucht van den overvloed onttrok, zoals ook aan allen Gods lieve zon gemeen is Maar Jozef heeft helaas, meteen de wolven gevoed die tans 'et lam verscheuren; en de mildheid van Israëls oudvader wordt door de bedeelden met dwingelandij beloond Beter ware 'tgeweest, zo Jozef aan de Hebreeuwse vaderen z'n gaven onthouden had; ze zouden dan lang voor deze dag met Egypte's hongerigen begraven liggen in der aarde schoot 1) Uit deze diepe treurtoon worstelt de smeekbee omhoog tot de God der Vaderen ‘Heer, wanneer mag van onze altaren de rook in liefelike geuren ten hemel stijgen! Heer, waar en in welk land is 'tuw behagen onze heilige offeranden te ontvangen! Heer, gedenkt 'et teken des verbonds, bezegeld met uw woord, dat uw scepter in onze handen zal rusten om de trots van uwe vijanden te fnuiken Doe uwe gelofte gestand en keer van ons niet langer de zon van uw aangezicht af En mocht 'et zijn dat ons lijden de straf voor onze zonden is, was ons dan Heer, in de bron van uwe genade, en toon de volken de gunsten in welke we delen!’ 2) Hetzelfde gedrukte volk dat nu smacht naar de verlossende dood welke voor de schande de vergetelheid zal brengen, zal zo meteen in jubel uitschateren over de verkregen vrijheid Nacht en morgen, beide uitersten in 'tExodusboek gegeven, lokten Vondel uit tot 'n dramatiese bewerking Doch de tussenliggende zigzagweg van worstelend winnen en verliezen is door eentonigheid lang, en ver moest de veer van Israëls somber lijden achterovergehaald worden om de schicht van 'tmotief, zonder mat te worden, door de in de dialogen gegroepeerde momenten van Godswonderen en vorstenweifeling naar de dageraad van de vrijheid te drijven Doch aan de tekst van 'tverhaal zou de Bijbelvaste dichter getrouw blijven, en evenzo is de toon overal zo karakteristiek oudtestamenties, dat 'et stuk, behoudens de ingedrongen kultuurdenkbeelden en 'et onmisbaar geachte rhetories Olympusmateriaal, op 'n waardige wijze de rij der dramatiese bijbelspelen van onze merkwaardige landsman opent Er is veel wat 'et spel eigenaardig maakt Het ‘Pascha’ is namelik 'n ‘spel van sinne’, 'et schaduwt af de opstand tegen 1) vs 93116 2) vs 125141 Taal en Letteren Jaargang 11 339 Spanje, 'tfiegureert tevens de menselike Verlossing door Christus uit de slavernij der zonde Zoals we zullen zien, dekt en ontdekt het wereldlike, feitelik, 'et goddelike Vondel was pas 24 jaar, toen 'et stuk gedrukt werd 'tWas reeds vroeger geschreven en vertoond, en doordat het aandacht trok, werd 'et in afschrift vermenigvuldigd, waarbij deze of gene, zij 'tdan uit opzet of bij onwetendheid, gedeelten wegliet, verminkte of wijzigde Toen was 't, dat Vondel voor z'n geestelik eigendom opkwam, en door de druk er z'n waarmerk aan gaf Ongetwijfeld gaven de tijdsomstandigheden en de veelzijdige ‘zin’ er aktualieteit en belang aan Mannen van naam leidden 'et in met sonnetten De gang is de volgende: Mozes weidt z'n schoonvaders schapen in Madian bij de berg Horeb, en klaagt over Israëls slavernij Daar verschijnt hem in 'tbrandende braambos de Heer, en gebiedt hem, met z'n broer Aäron, bij Farao de vrijlating der Israëlieten te verzoeken Mozes gaat en komt bij z'n volk, onder 'twelk Josua en Caleb de eer van God tegenover de ontevreden Corach verdedigen Allen verblijden zich, nu Mozes van 's Heren hulp gewaagt Het Koor prijst Gods wijsheid (Ie Deel) Ondertussen heeft Farao 'n ongelukkige droom en brengt dit visioen in verband met andere ongunstige voortekenen in de natuur Z'n wichelaars raden hem nu, om erger te voorkomen, de oude Godsdienst streng te handhaven, en de Goden met 'n offer te verzoenen Terzelfder tijd verschijnen Amrams zonen, en verzoeken de vorst z'n vergunning tot Israëls uittocht Farao en z'n wichelaars verzetten zich tegen hun argumenten Het Koor treedt op, en vermaant de Koning (IIe Deel) Farao, geplaagd door de bekende rampen, ziet in dat er 'n hogere Vorst regeert Doch dit prikkelt hem, en tartend roept hij de God der Joden aan, om uit z'n Hemel te komen en zich met hem te meten Mozes en Aäron komen opnieuw met 'n aanzoek Tevergeefs weerleggen ze 'skonings bezwaren Farao weigert ten tweede male Het Koor bezingt de Vrijheid (IIIe Deel) De uitgetrokken Israëlieten laten de Egyptenaren achter in rouw over de dood van hun eerstgeborenen De Joden jubelen; de koning toornt en gelast z'n veldheer Albinus ze te achterhalen Het Koor dreigt Farao (IVe Deel) De Faam verkondigt de redding van Israël en de ondergang van Farao's armee Israël looft de Heer Mozes verklaart 'et offer Het Koor voorspelt de latere verlossing door Christus (Ve Deel) Taal en Letteren Jaargang 11 340 Is 'tgoed te keuren dat de Nederlanders tegen hun wettige Vorst zijn opgestaan? Want dit antwoord toch zullen we uit dit Bijbels spel en dus tevens uit de oudtestamentiese geschiedenis moeten halen Israëls kroost heeft zich aan 't Egyptiese juk onttrokken, en is buiten de landpalen van Farao, zich 'n eigen staat gaan stichten Het doet er niet toe, dat God zelf de leiding op zich nam, de aanvoerders en middelen aanwees, en met buitengewone straffen en wonderdaden in de loop van de geschiedenis ingreep Want met dat alles wordt de vraag zoveel te dringender: Duldt de zelf meewerkende God dus, dat 'n volk zich tegen z'n wettige heer verzet en hem als Vorst afzweert? Wil God dan voor alles geen gehoorzaamheid, maar wil hij dat vóór de berusting 'et verzet gaat? De kwestie is niet nieuw en heeft velen bezig gehouden Er gaat door de lieteratuur, die trouw de denkbeelden der geslachten weergeeft, in de eerste plaats 'n stroming, die volkomen onderworpenheid gebiedt, en elk verzet tegen de bestaande machten als zondig brandmerkt Jezus had gezegd: geef de keizer wat des keizers, en Gode wat Gode is, daarmee bedoelende, dat 'et aardse goed, zelfs tot et lichaam toe, aan de machten der aarde behoorde, en dat aan God de onsterfelike ziel toekomt De martelaren volgden dan ook in hun bereidwillige dood 'et voorschrift van hun Meester Evenmin hebben de kerkvaders in onrecht of dwingelandij van 'et Staatshoofd, de opstand van 'n volk willen rechtvaardigen, en ook in de ME lieteratuur wordt berusting gepredikt tegen de despotiese maatregelen van 'n boosaardig vorst 1)Het moet ons dan ook niet vreemd vallen, in de ‘Pascha’ mede 'n nagalm te horen van de vroegere stemmen ‘Aanschouw 'et heelal,’ zegt Corach, de tot wanhoop gedreven Israëliet, ‘en merk op hoe alles wisselt: 'et zaaisel wordt koren, de bloesem vrucht, de winter wordt zomer, de dag wordt nacht; de sterren zelfs rijzen en dalen; maar onze droeve staat blijft elke wisseling vreemd, en kent slechts bestendigheid Is God nu niet wispelturig, dat hij de gegeven belofte breekt? En zo God eerst z'n woord wil kwijten bij latere tijden, wat vrucht geeft dan òns z'n verbond? Onthoudt hij z'n zegen ons soms ter onze beproeving? Maar schijnt 'et niet dat juist de beproeving de mens tot 'et uiterste voert? Dreigt Farao niet met verdelging? En zo 'et waar mag wezen dat God de harten der koningen leidt als waterbeken, ligt dan in deze bewering niet de lasterlike paradox, dat zelf de Godheid de oorzaak van 'tgoddeloos despotisme is?’ 2) 1) Vgl Tondalus Visoen in't‘Tweemaandelijksch Tijdschrift’ 1901 2) Deel I,vs 319336, 339344, 346, 348, 350, 469370, en verder Taal en Letteren Jaargang 11 341 Calebs antwoord sluit afdoend de weg af tot alle verdere redenering Het is de prop, die eeuwen lang de strengste ethiek op het vat heeft trachten te schroeven, waarbinnen de werkzame vrijheidsgeest, ten spijt en uit kracht van z'n verdrukking, ten slotte toch ruimte in 'n minder dogmatiese sfeer heeft gevonden ‘Niet tot 's mensen kwaad strekt 'et despotisme,’ zegt Caleb, ‘maar tot 's mensen baat Niemand wordt tot 'et kwaad gedwongen; alleen, 'et kwaad, dat geschiedt, wordt door God geduld Voor de rechtvaardige strekt 'et tot heil, voor de boze is 't 'n reden tot 'n strengere bestraffing Zo zal Farao's tierannij op de koning zelve gewroken worden; maar ons zal de opgelegde beproeving tot inkeer en boete brengen Zo wil 'et God; et 'tboze dat hier bestaat, strekt eensdeels tot loutering, maar voor de boosdoener is 'et de weg die tot z'n verdoemenis voert’ 1) Zo zijn dan de tierannen, bij de grasie en de goedertierenheid Gods, volkerenplagen Ze zijn, evenals oorlog, hongersnood en pest, door God opgelegde bezoekingen, die door boete en gebed wel zijn af te bidden mischien, maar zolang ze heersen, toch ootmoedig en rustig moeten gedragen Zo is de tieran 'n instrument in Gods hand ter liefderijke kastijding en wijze onderrichting Zo is 'et despotisme 'n middel in dienst van de opvoeding, en ondergeschikt aan 'talgemene nut, dat in de eerste plaats de zedelike vorming naar de christelike wet, van 'tmensdom beoogt 'tGeluk van de mens gaat vóór: de Kerk is 'n stichting van God, en tot haar opbouw roept God te voorschijn al wat hij nodig acht: keizerlike heersers en ellendige slaven, edele geesten en onmenselike kreaturen Elk speelt z'n rol, en 'tis God, die hoog en laag, de dans der gebeurtenissen beleidt Zo 'twaar is, dat in 'n dergelijke staatsleer geen plaats is voor ontluikende volksaspirasies, even zeker is 'et, dat de tieran ophoudt tieran te zijn, zijn macht tot niets is gereduceerd, en z'n bontste willekeur zich oplost achter de verborgen bedoelingen van 'n Almachtige God Daarmee wordt ontegenzeggelik elke bewustheid van onvermogen en vernedering, die bij de massa tot helderheid mocht komen, al reeds getemperd door 'tbesef, dat ook hij, die van de hoogte van z'n troon over 'et leven en de eigendommen zijner onderdanen gebiedt, niets meer is dan 'et blinde werktuig van 'n evenzeer voor hem ondoorgrondelik wereldbestuur, terwijl juist z'n grootste wandaden 'et meest die beschouwingen zullen voeden, welke hem van 'tvoetstuk halen waarop hij zich hooghartig het zekerste meende te zullen bevestigen Ook hier heeft de Christelikzedelike wet 'et hoge met 'et lage genivelleerd, om 1) ald vs 515524 Taal en Letteren Jaargang 11 342 de erupsies van 'et vrijheidsgevoel, en daarmee de individuële bewustwording à priori te brandmerken als 'n opstand tegen de kosmiese orde en de Goddelike wet Voortgekomen uit 'n tijd van strenge vervolging, heeft deze leer uitteraard zich 't krachtigst gehandhaafd en moeten laten gelden in eeuwen waarin doffe lijdzaamheid 'tingeboren vrijheidsvuur verstikte, en zo zullen we dan deze beschouwingen ook terugvinden in tijden waarin de wereldschokkende iedeën elkander bevochten zonder dat de strijd der debatten of der wapenen uitkomst bracht of de overwinning aan een der worstelende machten vermocht toe te wijzen Op dit dode punt nu stond de kultuur in 'tlaatst van de 16 de en in 'tbegin van de 17 de eeuw De grote beginselen die in 'tbegin van de 16 de eeuw de gemoederen hadden bezield en ontvlamd, verloren hun kracht en waarde door de verwereldliking van de motieven; de geestelike wereldbrand ontaardde in 'n krachtverspilling van mensenlevens en staatsbudgetten, terwijl de meest egoïstiese polietiek de dovende vlam zolang wist aan te wakkeren, totdat alle brandstof verbruikt was en de vonk uit gebrek aan voedsel verstierf Aan de ene kant voerde deze wanhopige worsteling de onderworpengelovige geesten tot 'et zwijgend aanvaarden van Godsleiding in de tuchtiging van 'n wereldsgeworden mensheid; aan de andere kant kweekte 'et doelloos beloop van de historielijn 'n stomp indifferentisme, waarin de Stoa met haar prediking van 's mensen machteloosheid tegenover 'et onverbiddelik Noodlot 'n vruchtbare bodem vond In deze benauwende tijden was 'et, dat Grotius z'n boek De Jure Belli et Pacis schreef, 'et merkwaardig rechtskundig pleidooi, waarin hij geprikkeld door de losbandigheid in de bestaande staatsrechterlike verhoudingen, en instinktmatig voelende dat 'n duurzame orde niet te bouwen is dan op de grondslag van 'et zelfbedwang en de eerbied van 'et gezag, in z'n betoog over de noodzakelikheid van 'n algemeen beschreven recht, z'n eerste gegevens liet wortelen in de heldhaftige onderworpenheid der eerste Christenen, en als stelregel opwierp, dat Christenvolken door dwingelandij onderdrukt, hun hoop op vrijheid ten offer moeten brengen aan hun geloof Tijdgenoot van deze man was Hooft, die in z'n ‘Baeto’ 'tnieuwNederlandse volk entte op 'n volksstam, welke 'n ootmoedig terugtrekken buiten 'et staatsgebied stelde boven 'tgeweldplegen tegen 'n despoties bewind 1)Bij deze geesten, die 'n algehele vrijheid van beweging met 'tChristenzijn onverenigbaar achten, hoort ook Caleb thuis: 'et lijdelik gehoorzamen aan de vorst is tevens 'n stil berusten in de verborgen wil van God 1) Zie Taal en Letteren V, afl 5 Taal en Letteren Jaargang 11 343 Naast deze halfstoïese halfchristelike leer der berusting, treffen we in deze tijd 'n andere beschouwing aan, de theorie namelik welke 'et recht van verzet tegen 'et onrecht verdedigt In de strijd der ME om de heerschappij, tussen de geestelike en de wereldlike machten, had zich de klerus naar de zijde van 'tvolk geneigd om in de steun van de massa 'n tegenwicht te zoeken tegen de aangroeiende macht van de vorsten; en toen nu de Jezuïeten met alle geestelike middelen de wankel geworden pauselike zetel weer zochten te bevestigen, wisten ze de door de Scholastieken verkondigde stelregel, dat ongehoorzaamheid aan de vorst in zekere gevallen geoorloofd was, uit te breiden tot 'n wetenschappelik geargumenteerde verhandeling over de staatsrechterlike verhoudingen tussen de vorstelike, geestelike en burgerlike machten, 1)waarbij 'et vorstelik gezag, schoon als tevoren ontleend geacht aan God, toch onder de hoede van Romes Kerkvorst gesteld werd Deze immers ontleende z'n autorieteit onmiddelik aan God, de koning slechts middellik, omdat hem dierekt door 'tvolk de macht was opgedragen en hij juist als uitverkorene des volks de goddelike wijding ontving Uit deze theoreties ontwikkelde verhouding lieten zich voor de praktijk twee gevolgtrekkingen afleiden Vooreerst deze, dat een gezag die door 'tvolk opgedragen was, ook weer door 'tsouvereine volk teruggenomen kon worden; maar parallel en in tegenstelling met deze rechtsgrond werd de regel opgeworpen, dat hij die als uitverkorene des volks als middelike vertegenwoordiger Gods z'n wijding ontving, deze zichtbaar had te ontvangen van Gods onmiddellike stedehouder, aan hem ook de verantwoording van z'n koningschap schuldig was, en door hem ook uit het heilig autorieteitsverband ontzet, maw vervallen verklaard kon worden Beide stellingen werden in de 16 de eeuw, niet het minst door de Jezuïeten, met ijver verdedigd, en vonden hun steun en toepassing in de logika der feiten, omdat bij het veelvuldig voorkomend geloofsverschil tussen vorst en volk, nu eens de leer van 'tsouvereine volksrecht, dan weer het recht van Rome de boventoon voerde, al naar de omstandigheden de inzichten en leuzen der sekten en partijen regelden Alleen moeten wij opmerken, dat deze leer van de afzetbaarheid der vorsten, van welk standpunt en met welk doel ze ook werden verdedigd, in elk geval op 'n ommekeer in de meningen, ja op 'n gehele kultuurwending wijst: 'et beginsel van lijdelike berusting tegen alle onrecht is verdrongen door 'et gevoel van recht; de mens moge in de verdrukkingen van z'n maatschappelik leven 'n leerschool 1) Vgl Suarez ,De Fide en Mariana ,De rege etregis Institutione ,bij Lecky ,Rationalisme inEurope Taal en Letteren Jaargang 11 344 vinden voor z'n opvoeding als Godskind, als lid van de Staatsgemeenschap staat hij tegenover orde en wet in z'n recht; de burger heeft zich van de Christen gescheiden; ook gedekt en gebonden door kerkelike leerstellingen en systemen blijft hij voortaan 'n amfibie: aan God past volledige overgave, aan z'n vorst gehoorzaamt hij onder voorbehoud; uit 'et ME universum dat in 'n onverbreekbare éénheid de mensen en de geestenwereld, het vaderland en de kerk, de antieke en de christelike beschaving omvat, is getreden de Staat Voortaan regelen Vorst en volk hun verhouding op de basis van beschreven gewoonten, nieuwe overeenkomsten of wel van tijdelike tegemoetkomingen en transaksies In de ‘Pascha’ nu geeft God aan 'n volk 'et recht de gehoorzaamheid aan z'n Vorst op te zeggen Niet om de heerschappij gaat 'et, let wel; niet eist God dat de verdrukten binnen 'et gebied waar 'tdespotisme heerst, 'et initiatief zullen nemen zich 'n nieuwe rechtsverhouding te scheppen; God wil dat 'et verslaafde volk 'n zelfstandig volk zal worden, en eerst buiten de liniën van de vorstenmacht zich 'n eigen gezag stelt 1)Eigenlik verlangt God van Mozes om z'n volk, waaraan Hij van oudsher 'tland Kanaän beloofd heeft, naar de Jordaan te voeren, en tot teken van 'tvolks verlossing Hem op de Horeb 'n dankoffer te bieden Nauwkeurig genomen, heeft de exodus dus de zin van 'n definitieve toewijzing van 'tBeloofde Land, in woord en in de aangevangen praktijk; en is dus 'et onttrekken van Israël aan Farao's heerschappij eerst 'n gevolg van de uittocht, en alzo slechts als 'n toevallige bijkomstigheid te beschouwen Doch laten we toegeven, dat Farao's verdrukking van Jakobs geslacht de enige oorzaak is geweest welke God eindelik tot ontferming heeft bewogen, en dat 'et de tirannie is geweest, waartegen 'et geplaagde volk zich verzette Woog 'et Egyptiese juk niet zwaar? werden niet lange uren van bovenmatige arbeid gevergd? Nochtans deze grieven mochten voor de strenge ethiek de uittocht niet rechtvaardigen Vondel bracht 'n nieuw element in Mozes' verlossingswerk; Farao wordt de verdrukker van Israëls geloof ;eerst zwakker, daarna sterker klinkt door Mozes betoog 'et recht om God op eigene wijze te mogen dienen ‘God wil,’ zegt Aäron bij 'teerste gehoor, ‘dat Farao de Israëlieten laat trekken in vrede, opdat ze buiten 'tgezicht der Heidenen op Horeb hun God 'n offerande brengen’ 2) 1) Vgl ook Hooft's Baeto Merkwaardig, dat wat Hooft inonze voorvaderen iedealiseerde toch door het Hollandse keurvolk inde Zuidafrikaanse ‘treks’ toegepast isgeworden En sprak Oranje inde uiterste nood ook niet van 'nalgemene exodus? 2) Vs 884890 Taal en Letteren Jaargang 11 345 ‘Niet langer, koning’ herhaalt hij bij 'ttweede bezoek, ‘belet ge Israël 'theilig altaar te ontsteken voor de driemaal hoge God’ 1)Geen teken van de gewenste verlossing is tans meer 'et altaar: 'et wordt het vrijheidsdoel zelf; in de eigen dienst sluit zich 'et eigen volkszijn 'tIs dit element, welke Israëls uittocht ten volle rechtvaardigt en tevens 'et spel van de Verlossing tot 'n allegorie heeft gemaakt van onze nasionale opstand Aan deze draad laat zich de ‘Verghelijckinghe’ spinnen welke 'tspel besluit, een parallel, waarin Filips door Farao wordt voorgesteld, die 'n zelfde soort hulde aan Osiris biedt als Spanjes koning aan de ‘God van de Tiber’; terwijl Mozes Oranje verbeeldt, die met z'n arm 'et Evangelie bevrijdt 2)Ook in de tekst van 'tspel is de Egyptiese dienst antiJoods en daarom antirechtzinnig en Heidens; de wichelaars Serax en Typhus zijn dienaren des Satans, zoals de koning bij Jupiter en de heidense afgoden zweert Reeds de antipaganistiese toon geeft ons 'et vermoeden in 'tstuk 'n bredere strekking te moeten zoeken Aan 'thoofd van ons opstel ontvouwden we kortelik de in de toenmalige lieteratuur geldende staatsleer, en ook in de ME boeteleer vinden we wat we in de staatkundige beschouwingen van de Renaissancedenkbeelden terugvinden, de stelregel gegeven, dat hij die 'thoogste staat, ook de hoogste plichten heeft te vervullen, en bij de verwaarlozing van z'n taak ook voor de strengste vierschaar komt te staan Daarom opent Farao, die zich tegen 'tvox populi vox Dei verzet, als monarch de rij van de Luciferisten, en moet hij, evenals de Olympusbestormers en de in de Christelike lieteratuur hun verwante Belials, uit de hoogte in 'tverderf worden neergetuimeld Heel Egypte staat met Farao onder 'tgebied van de Satan, en heel 'et spel van de ‘Verlossinghe’ is, afgescheiden van de nasionale tendenz, terug te brengen tot het gronddogma van 'tChristendom: de redding der mensheid door Christus, waarvan het Pascha van Israël de tiepe en de belofte is De Israëlieten verstrikt in de boeien van 'tduister heidens bewind, betekenen de wereld zoals ze gebonden ligt in de banden des doods, ten prooi aan Satan en zonde; en de Rode zee, waarin Farao met de machten 1) Vs 12111215 2) Zie de brede uitwerking inde ‘Verghelijckinghe vande Verlossinge der kinderen Israëls met de Vrijwordinghe der Vereenichde Nederlandsche Provincien’ (Aanhangsel bij 't‘Pascha’) Taal en Letteren Jaargang 11 346 des verderfs verzinkt, verbeeldt 'et rode bloed van Christus: de fontein waarin we onze zonden aflaten en worden bevrijd van duivel en dood De ondergang, waarvan Israël werd gered, is dan ook slechts 'n tijdelike dood, waar tegenover ons de nieuwe Samson ons van 'n eeuwige dood en straf verlost, omdat ook 'et Egyptiese zwaard slechts 'n zwakke afspiegeling is van de vuurafgrond van de zonde; zoals ook de tocht naar 'taards en vergankelik rijk van Kanaän als symbool is bedoeld van 't eeuwig Jeruzalem, waarheen ons Christus het pad heeft gebaand Het slachten van 'tofferlam eindigde met 'et offer op de Calvariënberg; de priesterdiensten hielden op in de Hogepriester op 'tPaasfeest; en zoals 'et lamsbloed op de deurposten de Joden spaarde voor het dodende zwaard van de Godsengel, zo zal bij 'tjongst gericht 'et kleed van Christus sterfelikheid voor 's Heren aangezicht onze onzuiverheid dekken, en ons sparen voor de toorn van z'n ogen Daarom ook mochten Mozes of Aäron hun volk niet in 'trijk Kanaän brengen: de oude Wet was te onvolkomen om ons uit de zielebrand te redden; Jezus zou de ladder zijn die ons op moest voeren naar 'tbehouden Huis Israël vertrok dan ook op hóóp van zegen; maar voor ons had Christus al lang te voren z'n gemeenschap gekocht Laten wij christenen ons dan als ware Israëlieten omgorden met de band der liefde, steunen op de staf van 'tEvangelie, eten op geestelike wijn z'n zielespijs, opdat ons de kracht van z'n zoendood ons tot sterking zij in ons geloof 1) Natuurlik valt deze uitlegging buiten de toneeluiteenzetting van 'et Bijbelse fragment: 'tis het ‘Choor’, 'twelk in dit opzicht de ‘Voorredenaar’ der ME spelen vervangt, wat dit gewijde spel tot 'n moralisasie maakt, welke moralisasie niet alleen twee wereldgebeurtenissen, de exodus van Israël en de opstand tegen Spanje, de ene vóór 'et offer op Golgotha, 'et andere er na, als schaduwen van 'n Goddelike Openbaring stempelt, maar ook de les inhoudt voor alle tijden en volken: de opgestane hoogmoed slaat God ter neer; Satan wordt overweldigd door Christus; 'tSataniese zowel als 'tGoddelike komt in de historiese gebeurtenissen zichtbaar in hun dualistiesen kamp voor den dag Bij Vondel is dit dualisme de ziel van z'n wereldbeschouwing; het is de nooit verslappende veer die hem aan de arbeid houdt; 'tis deze kamp die hem beweegt, in bij toneelwetten geregelde afstanden van tijd en plaats, zedelike grootheid en verdorvenheid in z'n personaadjes in aksie te brengen, en in ‘spelen’ van ouderwetse trant en beroemdgeworden dialogen die tweestrijd in 'n allerbehendigste dialektiek uit te stallen; het is deze kamp, 1) Zie 'tChoor aan 'tslot van 't5de Deel Taal en Letteren Jaargang 11 347 die zich ten slotte 'n gestalte schept in 'tspel van Satanzelf, 'et grootse modernMiddeneeuwse ‘Lucifer’: het kroonstuk op de zuilenrij, die de dichter oprichtte ter ere van de triomfen van de overwinnende Godheid 'tIs hier de plaats om er op te wijzen, dat 'et zoëven door ons opgemerkte terugvoeren van 'n paar feiten uit de wereldgeschiedenis op één Waarheid, waardoor brokken volks en mensenleven verflauwen tot schaduwen van één konkrete Goddelike handeling, door de auteur gedekt wordt in z'n Voorwoord, dat 'n merkwaardig staaltje is van de filosofiese beschouwingen welke z'n leven door, Vondels werken en streven hebben geleid 1)Zoals Vondel zelf in z'n poëzie opentop moreeldidakties, soms ook theologiesdidakties is, zo zag hij ook in z'n voorgangers uit de Oudheid, opvoeders van mensen, die om 'tgeen ze wilden onderwijzen, op 'n aangename manier voor de menigte toe te bereiden, 'et een of ander genre van de kunst te baat namen In de fabelen der Ouden bv ligt 'n kern van wijsheid, welke 'tvoor gretige zoekers 'n lust is uit de omwikkelde schors van 'tverhaal te zoeken; in hun toneelwerken liggen vergaard de schatten der wijsbegeerte, terwijl ze in de vorm van 'et drama, feitelik 'n wereld in 'tklein, 'n vingerwijzing hebben willen geven voor de ijdele zin van 'tleven zelf Is immers niet, wel beschouwd, 'n mens niet iemand die op 'et grote toneel 'n hem toegewezen rol speelt? Is 'n koning wel iemand anders dan een die zich als koning vertóónt; 'n krijgsman, 'n landman, 'n zeeman, zijn ze niet eigenlik wezens die zich zodanig voordoen? Want haastig vliegt in ijdel jagen de tijd; vóórdat ze recht weten, wat ze wezen mogen, ontvoert hen de dood; en koning en krijgsman, arme en rijke, schoonheid en mismaaktheid, alles is één en hetzelfde geworden Vandáár dat de wijze Herakliet schreide, dat Demokriet lachte, en Timon, schuw voor de waan, in de eenzaamheid de mensen ontvliedt Want de ouden wisten wel, dat 'et leven 'n spel en 'n ijdelheid is; en wat ze met hun toneelopzet voor hadden, was alleen om ons te leren ,dat de levens der mensen vertoningen en spiegelingen ter onderrichting zijn Leerschool, allereerst leerschool is de historie Wat is de oude Wet anders dan 'n voorspiegeling! wat anders de oude dienst ,wat anders heel Israëls wereldlik regiement! immers in Christus houden alle beelden, schaduwen en fieguren op En zelfs Christus onderwijst z'n mysterieën in parabels met denkbeeldige personaadjes; ja, het 1) Den Dichter wenscht den Goedwillighen Lezer Heyl ende Salicheyt (blz 2729) Vóór 't ‘Pascha’ Taal en Letteren Jaargang 11 348 oude Verbond, als ware 't'n toneelschool, geeft in de historieën van de hoogmoedige Saul, de voortvluchtige David, de overwonnen Zedekia en de tempelverwoestende Nebukadnezar, in de eerste plaats eksempelen tot lering van alle geslachten Deze voorbeelden zijn 'tdan ook, welke Vondel op zijn beurt hebben verlokt tot de dramatisering van het Pascha, ‘wenschende dat het met zoodanighe vruchtbaerheydt ghelesen werde, dat het ghedije tot prijs van den heylighen ende ghebenedijden Name Godts, ende dat door het overdencken van deze Tragecomedie ofte dit Blijeindichspel, de droeve Tragedie oft het droevich Treurspel van ons ellendich leven, mach nemen een vrolijc eijnde ende ghewenschten wtghangh’ Deze dooreenmenging van fiksie en feit, en 'et niet te miskennen opzet, om de geschiedenis zoals ze door hem op de planken wordt uitgestald, om de wille van 'et didaktiese nut gelijkwaardig te dunken met 'et historiese feit zelf, zoals 'et zich uit de loop der wereldgebeurtenissen had ontwikkeld, moest wel de nuchtere geesten verbazen en 'et sterkrealisties gevoel der Calvinisten beledigen 1)Vergeefs zou Vondel er zich dan ook op beroepen, dat Davids en Salomo's lotgevallen hoofdzakelik aan hun strekking hun betekenis ontleenden, en dat ter verkondiging van heilswaarheden, op Jezus' voorbeeld, ook 'tverzinnen van fiktieve werelden geoorloofd was: terecht wees de tegenpartij er op, dat 'et verzinnen van levensomstandigheden ter veraanschouweliking van 'n waarheid heel iets anders was dan 'et nabootsen van reële toestanden en feiten, en dat iemand die met 'et afleggen van z'n eigen persoonlikheid in de plaats van God, de duivel en de heilige oudvaders dringt, de gewijde geschiedenis vermetel wil herhalen, en dus òf de geschiedenis tot ijdelheid maakt, òf zelf ijdele dingen doet Even vruchteloos was Vondels beroep op de beeldende kunsten: ook de historieschilder, voerde hij aan, stelde de personen uit de geschiedenis getrouw in hun hoedanigheden en handelingen voor; de tegenpartij bood nochmaals front en bleef de toneelkunst verfoeien als staande op 'n loszinnige heidense bodem Vooral zou aan de auteur van 't‘Pascha’ verweten worden, dat hij in dit spel aan God zelf 'n rol had toegewezen, en dat hij zich had vermeten 'n nietig mensenkind de vertolking van Gods wil in woord en toon, hoogheid en gezag, in menselike taal na te laten bootsen Als dit heette ter lering te zijn, dan maakte zulk 'n bewering God en z'n geboden tot laster, en al wat heilig was, tot een summum van spot 1) Verg voor 'tvolgende Toneelschilt ofpleitrede voor het tooneelrecht (1661) bij Unger , 16601662; en de Bijlage: Tooneel schildsverplettering Taal en Letteren Jaargang 11 349 Het laat zich verstaan, dat de aanhoudende tegenkanting van de kerkeliken en de standvastigheid waarmee Vondel 'them geliefd geworden drama als verenigbaar met Godsdienst en zedelike moraal verdedigde, hem er onwillekeurig toe brengen moest, tegenover z'n bestrijders de historie, gewijde en ongewijde, als fiegurenreeks van Christelike waarheden te verklaren Zonder nu juist 'n geheel stelsel te geven, zoals Swedenborg er later een in z'n vermaarde ‘Leer der Geestenwereld’ ontwikkeld heeft, geven z'n dichtwerken genoeg aanwijzingen voor z'n uitgesproken overtuiging, dat de Griekse in lieteratuur gestoken wijsheid als zinrijke verbeelding is te beschouwen, evenzo goed al de Bijbelse droomverhalen als fieguren van geestelike waarheden te herkennen zijn Op deze wijze lijfde hij 'et toneel als fiksie, met heel het schijnwezen der mensenwereld in 'tkader van 'et eksempel Maar daarmee was ook 'et verzet wakker geroepen van de heersende bijbeleksegese en de Calvinistiese realieteitszin, en moest Vondel zich 'n laatste toevlucht zoeken langs 'n weg die hem door de denkbeelden van de Katholieke wereld heen naar de spits van de losbandigste lieteratuurverklaring dreef en hem volkomen van de geest der nasie en haar meest kenmerkende kultuuriedeën afsloot Veel is er in het ‘Pascha’, dat 'et stuk tot 'n werk van Vondel stempelt De koren zijn als altijd mooi, en de klachten van Mozes en Corach in het Eerste, en die van de van hun eerstgeborenen beroofde Egyptenaren in het Vierde ‘Deel,’ zijn diepgevoelde poëzie De treurpoëet geeft er z'n toon in Vooral het Eerste ‘Deel’ is werkzaam bearbeid Maar 'n grotere verdienste schuilt elders In de spanning, die Farao's vorstentrots bij de toenemende strengheid van de hemelstraffen teweegbrengt, last Vondel 'n kort moment waarin de Egyptiese koning 'n hogere macht hem dreigend voelt overstelpen, maar om zich over z'n korte twijfel te wreken, dadelik daarop verwaten Gods almacht durft tarten; en op deze dramatiese situasie bouwde de dichter z'n Luciferbedrijf, dat in z'n forsheid van trekken al dadelik de meester verraadt Hoofddoel, herinneren we ons van dit onderstrepen van Farao's trots en 'tverharden van z'n hart (in de lijn van 'tstuk,) als had God welbehagen z'n schepselen te verwarren in de strikken des doods, is te laten zien: dat God door de lasterlike hoogmoed van de koning te straften, aan 'tvolk van Israël de ere wil geven de roem van z'n naam te verheffen Pharao op z'n troon, gedachtig aan de zware plagen, zit en peinst: 1) 1) Het Derde Deel, vs 11071210 Taal en Letteren Jaargang 11 350 ‘Schoon ik op aarde met m'n scepter 'n wereld beheers, ìs er toch 'n Koning die met z'n roem de glans van m'n naam verduistert, en bestaat er 'n Hemels rijk, dat al de aardse rijken omvat, en aan 'twelk de vorsten hier hun naam en gezag ontlenen Die Koning is God, de heerser over de boven en benedengewesten, voor wiens tred de tronen sidderen en schokken Hij overziet 'et Heelal, Z'n troon stijgt boven de hemel, de sterren sieren Z'n kroon, hij toornt met 'tweerlicht, en de donder is de schrik van Z'n stem En deze God heeft tegen Egypte meer pijlen gewet dan 'tzand van de zee, en 't graan van 'et Nijldal Wat baat mij nu Afrika's kroon! Wat, dat ik 'et derde van de wereld beheers, dat ik triomfeer op trofeeën, aan de Nijlboorden m'n vondels zwieren, en de strijdbare Moor 'et scherp van mijn wapens vreest! Al kromde zich gans de aarde onder m'n juk, wat geeft 'et, zo boven mij de grote Krijgsgod blijft brallen! O Delta schoon, wier zuilen en mausoleën de wolken bereiken, en trots neerblikken op 'taardrijk; vergeefs verdonkert uwe pijlenvlucht 'et zonlicht, scharen zich de punten der lansen tot bossen, dekken uw benden de bodem, sieren uw wapens de eretekens, buigt zich 'et Westen, en nadert 'et Zuiden tot hulde! Vergeefs! Want nu kunnen stormen en onweersvuur uw hoogheid vertrappen en 'tland tot 'n ruïne maken Kom op dan Jupiter of wie ge moogt zijn, wiens oorlogsvaan de onze overvleugelt! Verlaat uw hemel, en overschrijd de drempel van 'tsterfelik dal Plant dan uw standerd op 'tslagveld Geen áárdse koning waagt z'n kroon tegen Memphis, welaan, ik waag de kreitsen der aarde voor 'n kans op 'tHemelse rijk Sneef ik, dan sneef ik met ere Hij die me slaat, kan geen aardling zijn Kom op dan en strijd, opdat ik de kracht van uw schild beproef En val ik, dan is zo'n dood 'n erezuil die Pyramieden tart Waar wilt ge toch, die de Hebreeuwen m'n scepter ontrukt, hun altaar bouwen? In straffer en dieper slavernij? Lybie is woest, en z'n zonen jagen hun pijlen op 't wild; Ethiopie is akkerland: maar de Moor dwingt de vreemdling als slaaf onder 'et ploegjuk Barbarije duldt geen anderen, noch Scythie, noch Medie; de Filistijn bewaakt de Jordaankloof, niet minder de oeverkust Zullen ze vallen in de handen van 'troofziek Arabië, 'thooghartig Assyrie dienen, of wel 'n land gaan zoeken waar wet noch recht bestaan, maar ieder z'n eigen rechter is, ieder wil heersen, en zij in verdrukking geen schild voor hun vrijheid vinden? Of zullen ze 'n staat gaan stichten waar nooit 'n sterveling Taal en Letteren Jaargang 11 351 z'n voet heeft gezet, en zonder tol van arbeid de natuur gewillig 'et akkerland toereedt? Zo zullen ze, eer dit gebeure, noch menigmaal Egypte terugwensen, alsvorens de bodem er de spijs kan leveren voor de duizenden hongerigen, die buiten Farao's toezicht minstens de volle hoorn des overvloeds voor hun leven en verzorging behoeven’ Iemand die zover de klus kwijt is, dat hij uitdaagt die 'theelal op z'n duim draait, slaat als dwaalgeest ook in z'n overige beschouwingen de bal mis, en ziet natuurlijk niet in, dat de kwestie wat er van de Israëlieten buiten Egyptes landpalen terecht moet komen, geen kwestie meer is, wanneer God zelf de leiding over z'n volk op zich neemt Heel die koningstrots, de verstoktheid des harten en ongeloof in Jahwe zijn krachtmeters van de druk, waarin de Israëlieten, zo God niet barmhartig was geweest, hadden moeten blijven verkeren; 'n druk, die we zo somber hoorden weergeven in Mozes' en Corachs klachten Maar straks wentelt et rad; de golven der Rode zee bestelpen de diepvallende Farao en sluiten 'tverleden af; op de donkere nacht van de lijfsdwang daagt de gulden vrijheidsmorgen; en de kreet van verlossing zwelt op tot 'n jubelzang Israël staat gereed, de lendenen omgord, de staf in de handen, en nuttigt z'n lamsmaal De dageraad spiegelt z'n glanzen af op 'n vrij volk Daar bazuint 'et over de vlakte hoog de lucht in, het schaterend trillende lied van alle volken, die hun heersers en rechters hebben gevonden in hun eigen broeders die met hen 'et schamele brood der dienstbaarheid in tranen hebben gegeten, en met wie ze verrukt waren over de onverdiende genade: Schoon morghenroot begint te blosen, Sy met verlanghen roepen tzaem, Komt werpt ustralen aenghenaem Eens in ons blyschap over Gosen, Blau Hemels Licht doorschijnt de Locht, Beschaemt den silverschijn der Manen, En distilleert de peerel tranen Die van ons wangen rollen vocht, Niet meer van droefheyt als voorhenen, Maar al van blijscap en van vreucht, Om dat den Hebree met gheneucht Syn soete vrijheyt isverschenen O zoete vrijheyt! wat een krooningh Dunct uden ghenen die verruct Nu zoo vele eeuwen heeft gedruct T' slaefsch jock van een tyrannich Koningh: Taal en Letteren Jaargang 11 352 Oft schoon t'wildt voghelken met lust Int korfken tiereliert en fluytert En in de traly twijl het tjuytert Verdient tghekochte zaedt gherust, T' zou liever inde tacxkens schieten, En klieven met zijn vlercxkens locht Den blauwen Hemel, zoo het mocht Slechts magher synen kost ghenieten Waerom versteect sich inde stoppels Der bosschen t'hoorngetacte Hert, De rancke Hind waerom zoo hart En snel vlucht sy voor s'Jaghers koppels? Waeromme vliedt het schuw Konijn En d' achterlamme bloode Hasen, Die als een schaduw wechgeblasen Zoo flocx in hun zantholen zijn? D' azure Visschen waerom duycken Sy voor tdoorluchtich net zoo ras Int diepste van het waterglas Int diepste van Thetidis kruycken? Ach! om hun vrijheit, die zoo naecte Een yeder van naturen wis Syn voorhooft ingheschreven is, Van dat hy eerst int licht gheraecte O drymael edel vrijheyts kroon! Die Isac d' hooftslapen omvlechtet, Waerom den lieven Hemel vechtet, Die met syn vleughelen ten toon Beschaduwt d' Isralijtsche benden, En helpt hun wt t'Egyptisch zandt, Int rijcke Palestijnen landt, Wt al hun droefheyt en ellenden 1) Zoëven herinnerden wij, hoe et ‘Pascha’ vijftig jaar na z'n verschijnen in de toneelstrijd werd betrokken Doch in de tijd van z'n geboorte kon daar geen sprake van zijn; in 'n gedialogiseerde vrijheidshymne met zulke verzen moesten destijds de nasionale herinneringen en de nasionale dankbaarheid samensmelten De strijders voor de onafhankelikheid en hun volgend geslacht vonden er hun dierbaarste belangen in uitgedrukt met innige woorden, wier klankrijkheid zonder wederga de snaren deed meetrillen van 'n brede en veelkleurige schare In de toon van Israëls zangen gedacht men 'et: 2) 1) Choor van 'tDerde Deel, 4e7estrofe 2) Aan 'tslot van de ‘Verghelijckinghe’ Taal en Letteren Jaargang 11 353 Den zelven Koningh die t'Rijck Israëls bevesten, Heeft eyndelijck uzaeck, oBelgica! ten lesten Voleyndicht in triumph: dies dy niet langer quelst Dewijl hy dijnen staet met sijne macht omhelst: Wat raster nu? dan God te vlechten met bescheydt Den loffelijcken krants van ware danckbaerheydt: Vreest hem die lichtlijck kan verstroyen in der ijlen Het steunsel van uzaeck, den Bos gheknoopte Pijlen, Peynst om den ghenen die de volckren van Sion Als Slaven voeren liet gheboeyt naer Babylon J KOOPMANS ‘Vlaams’ en ‘Hollands’ in Duitse dialekten Vlämisch dh ‘flamländisch’, war mhd ‘fein gebildet’, denn aus den Niederlanden kam die ritterliche cultur nach Deutschland, und nach Stalder 1, 376 bedeutet es in der Schweiz noch ‘das feine, zarte’ Flämisch zu reden hält der junge Helmbreht und nach Grimmelshausens Vogelnest 1, 18 im schwedischen kriege ein Schwabe für vornehm Umgekehrt redet in Pauli's Schimpf und Ernst No 484 ein heraufgekommener nit me sein sprach ,er nimpt sich an schwebisch zureden Als eine andere culturwelle viele flämische colonisten über Mitteldeutschland nach dem Osten führte, bekam flämisch offenbar nach dem grossen wuchs, der ernsten art und den trotzigen gesichtern der Flemminge die neue bedeutung ‘gross, grob, plump, rücksichtslos’ (im Hennebergischen ist auch hollandsch ‘sehr gross’ Zs fdm 3, 134; die lausitzische bedeutung ‘sehr’ ist wol eine abschwächung aus der folgenden; KG Anton Verzeichn oberlausitz wörter, 17, 19 vergleicht unflätig );dann in der Altmark und in Niedersachsen, Schlesien und Nordböhmen, Franken, Henneberg und Hessen ‘mürrisch verschlossen, tückisch’, schliesslich im Bairischen Wald, Nordböhmen und Thüringen (Stieler 496) ‘böse, zornig’ Auf eine dritte, vielleicht noch bevorstehende, entwicklung deutet Knothe Markersdorfer mundart 38, wenn er für Nördböhmen flamända ‘vagaband, liederlicher mensch’ anführt Sie entspräche einer dritten invasion der Flamen, der als herumziehender händler Dieses neueste flämisch hat aussicht, entwickelt zu werden, denn es kann an redensarten anknüpfen wie er ist von Flandern (vagi sunt eius amores ),Serz, Teutsche idiotismen 43a, er ist aus Flandern ,ein Fländerer ,er fländert (JG Berndt, Versuch zu einem schlesischen idiotikon, Stendal 1787), mädchen aus Flandern (Schmeller 1, 792), die aus volksetymologischer umdeutung von fländern ‘flattern’ entstanden sind (vgl auch flandern im DWb) Umgekehrt hat wol auf Taal en Letteren Jaargang 11 354 die entwicklung des volksnamens flamisch zu ‘mürrisch’ das weitverbreitete flänschen ‘das gesicht verziehen’ einfluss gehabt, namentlich die verbindung flämisches gesicht ist durchaus =flunsch ,doch darf man nicht mit Adelung flümisch in diesem sinne überhaupt als ableitung zu flennen usw ansehen Uit Alfred Goetze (Leipzig) Zur Geschichte der Adjectiva auf isch in Beiträge von Sievers 1899 (XXIV Bd) 471472 Eigen taal noeen Weissenfels weiss in seinen Abhandlungen, trotzdem oder gerade weil er ein echter und rechter Sohn und Verehrer der Gymnasialbildung ist, scharf zu unterscheiden zwischen trockner Gelehrsamkeit und lebendiger wahrer Bildung; er sieht in dem Nützlichkeitsstreben unserer Zeit Keime richtigerer und natürlicherer Schätzung menschlicher Bildungswerthe und bleibt dabei trotz realistischer Würdigung realer Werthe im Grunde ein gesunder Idealist Als klarschauender Pädagoge tritt er auch dem heutzutage herrschenden Grundsatz der nivellirenden Tendenz, die den sogenannten Nebenfâchern gleichen Werth wie den Hauptfâchern zulegt, energisch entgegen, giebt dem einzelnen Fache, was ihm gebührt, aber auch keinen Deut mehr, und vertritt in geistvoller Weise und mit klarem Zielbewusstsein den Grundsatz des multum, non multa, indem er immer wieder betont, dass die Schule nicht mit allem bekannt machen kann, was menschlicher Witz und Aberwitz erfunden hat und täglich noch erfindet Weissenfels betont als entschiedener Freund humanistischer Bildung, dass die Nebengänge beim Symposion der Schule von guter Wirkung sein mögen, wenn sie maassvoll genossen werden; dass sie aber, zum Hauptgange gemacht, den eigentlich nahrhaften Geisteswissenschaften die Nährkraft hemmen Eine treffende Bemerkung am Schlusse des Buches ist in dem Aufsatz ‘über Versetzungen’ von charakteristischer Bedeutung für das ganze Buch; sie lautet: ‘Wäre der deutsche Unterricht das, was er eigentlich sein sollte, so stände bei dem deutschen Lehrer die alleinige Entscheidung über die Versetzung’ Das ist ein ernstes Wort, eine versteckte Mahnung und ein berechtigter Tadel der Dinge, wie sie nun einmal sind und geworden sind Es geht dem deutschen Unterricht eben, wie es unserer Sprache überhaupt ergangen ist Seit Luthers Bibelübersetzung mussten erst zwei und ein halbes Jahrhundert vergehen, ehe die deutsche Sprache zu feinem Stil und zu einiger Anerkennung gelangte Damit wird auch der deutsche Unterricht sich trösten müssen Gut Ding will in Deutschland immer Weile haben Dass aber W überall in seinem Buche, besonders auch da, wo er über die Uebersetzungen aus dem Deutschen ins Lateinische spricht, dem Deutschen die Ehre giebt, die ihm gebührt, macht sein treffliches Buch erst recht werthvoll und lesenswerth ADOLF MATTHIAS , Deutsche Litteraturzeitung ,4Mei 1901 Taal en Letteren Jaargang 11 355 De brief van PC Hooft aan de Kamer In Liefde Bloeyende §1 Gelijk men als bekend mag veronderstellen, bestaat er van den dichtbrief, dien de jonge Hooft in 1600 uit Florence aan de Kamer ‘In Liefde Bloeyende’ heeft geschreven, een vrij sterk gewijzigde jongere redactie, waarvan, in tegenstelling met het origineel, geen spoor in de zorgvuldig bewaarde handschriften van Hooft te vinden is Deze omwerking komt (onder den titel Brief ,geschreven van den Heer PC HOOFT uyt Florence ,in 'tjaer 1607 of 8, aen d'oude Amsterdamsche Kamer In Liefd' bloeyende )het eerst voor in het Tweede Deel van de Verscheyde Nederduytsche Gedichten ,in 1653 uitgegeven en verzameld door G Brandt Voorts is deze tekst afgedrukt in de uitgaven van PC Hoofts Gedichten van 1657, 1668, 1704 en 1823 Al dien tijd schijnen de uitgevers van Hoofts Gedichten van het bestaan van den origineelen brief geen kennis gedragen te hebben In 1853 eerst werd door Dr J van Vloten de brief in zijn oorspronkelijken vorm ontdekt en uitgegeven, en voorzien van een inleiding waaruit blijkt, dat van Vloten aan Hoofts auteurschap ten opzichte van de omwerking volstrekt niet twijfelt 1)Toen de heer Leendertz een tiental jaren later zijn uitgave van Hoofts gedichten bezorgde, heeft hij daarin de beide teksten opgenomen Zijn stellige bewering: ‘Deze omwerking is zonder twijfel van Hooft zelven’, heeft hij trachten te bewijzen door het citeeren van enkele plaatsen uit Brandt, welke evenwel niets meer bewijzen dan dat Brandt mèènde dat de omwerking 1) Van den oorspronkelijken brief sprekende zegt hij oa: ‘zijne vergelijking met den lateren vorm doet ons op de ontwikkeling van Hoofts dichtgeest en taalstudy een belangrijken blik werpen’ (Zie Algemeene Kunst en Letterbode ,1853 (No 25) ofDr G Penon, Bijdragen II, bl 4) Taal en Letteren Jaargang 11 356 van Hooft was Ook Jonekbloet aarzelde niet, de tweede redactie als Hoofts eigen werk te beschouwen, getuige zijn woorden: ‘eerst de omgewerkte tekst van dien brief, die zes of zeven jaren later tot stand kwam, toont, dat Hooft meester van den vorm was geworden’ (Geschiedenis der Nederl Letk ,III,bl 353, '54, 3de uitgave) Dr Penon is de eerste geweest die op voorzichtige wijze zijne bedenkingen opperde tegen de heerschende meening (z Bijdragen II, bl 12 vlgg), al blijft hij de omwerking nog als Hoofts werk beschouwen En nu onlangs heeft Dr Stoett (z Dl I,bl 330 vlgg zijner uitgave) de kwestie besproken en is tot de conclusie gekomen dat Hooft onmogelijk de schrijver van de omwerking kan zijn; ja, hij gaat nog verder en tracht waarschijnlijk te maken dat G Brandt als zoodanig is aan te merken Bij een dergelijk verschil van meening is het apriori te verwachten, dat absolute zekerheid niet verkregen kan worden Eene hooge mate van waarschijnlijkheid is reeds een niet te verwerpen resultaat Een nauwkeurig onderzoek nu heeft mij de overtuiging geschonken dat het haast ondenkbaar is, dat Hooft de schrijver zou zijn van de omwerking Alvorens mijn gronden uiteen te zetten zal ik het al of niet steekhoudende van de bewijsvoering van Dr Stoett onderzoeken §2 Evenals Dr Penon heeft Dr Stoett den nadruk gelegd op een passage aan het slot van de omwerking, welke passage een belangrijke afwijking vertoont van het origineel Ik laat de parallelle plaatsen hier volgen: Oorspronkelijke brief ,vs 221227: ‘In Amsterdam men vint die met sijn hooch gedicht De duister wech, die leyt tot ware vreucht, verlicht, En vechters die omt best tgemeen beloop der dingen Tot goedts en quaets beken, met sengenaemheit singen, Veel geesten jonck en out, die cloeck en welbepraeckt, Met wesen nut verhalen haer gedicht volmaeckt Dit riepse’ Omwerking ,vs 203209: ‘Men vindt tot Amsterdam, die met zijn hoogh gedicht De duistre wegh tot lof en waere deught verlicht En Kampen, die met kunst 'tgemeen beloop der dingen Het nut der deught en 'tquaet der ondeught weet te zingen, En Koster ,Vondelen ,Brerôo en Victorijn , Die nu al toonen wat z'hier naemaels zullen zijn Dit riepze’ Taal en Letteren Jaargang 11 357 Naar aanleiding van deze plaats lezen we bij Dr Stoett (bl 330 vlgg): ‘De vermelding van de namen Kampen, Koster, Vondelen, Breroô en Victorijn in het jaar 1607 (of 1608) wekt eenige bevreemding’ Dan volgt een historisch betoog om te bewijzen dat genoemde mannen in de jaren 1607 of '8 hetzij geen lid der Kamer waren of nog niets van beteekenis hadden beloofd voor de toekomst, en ten slotte de conclusie: ‘Waar we dus met gerustheid kunnen zeggen dat Vondel, Bredero en Victorijn stellig in 1607 geen lid der Kamer waren, en we dit van Coster evenmin met zekerheid weten, en waar ons van geen dezer dichters iets bekend is, waaruit we mogen besluiten dat ze in 1607 reeds toonden wat ze later zouden zijn, daar komt het mij voor, dat Hooft, die dit alles natuurlijk wèl wist, onmogelijk de schrijver van deze omwerking zijn kan en dat in het opschrift boven den brief in den datum eene al of niet opzettelijke fout schuilt’ Misschien is het foutieve van Dr Stoetts argumenteering reeds terstond aan dezen of genen gebleken: Hij gaat van een premisse uit, die nog bewezen moet worden Want, wie zegt ons dat het opschrift waarin die dateering voorkomt (zie §1) van den omwerker is? En dus, dat Kampen, Koster cs in 1607 of '8 veel beloofden? Niemand En ook Dr S zal dat niet kunnen bewijzen Ook neemt Dr S ten onrechte aan, dat Coster, Vondel enz als leden der Kamer worden voorgesteld Over de Kamer wordt in 'tgedicht niet gesproken Er staat (vs 203): ‘Men vindt tot Amsterdam ’en niets meer En Hooft had eerst geschreven: ‘in mijn lant vint men oock’ (zie Dl IIbl 461, uitgave van Stoett) Ergo, zijn gevolgtrekking dat die namen (Kampen, Koster enz) bevreemding wekken IN VERBAND MET de dateering, heeft niet de geringste waarde Dat overigens Hooft, die tot oordeelen alleszins bevoegd was, de heusche Vrou best kon doen getuigen van de veelbelovendheid van jonge dichters al waren ze ook geen lid van de Kamer, of al hadden ze in 1607 of '8 niets van beteekenis laten drukken, dat spreekt van zelf Een bewijs tegen Hoofts auteurschap van de omwerking mogen we dus uit de boven aangehaalde plaats niet putten Het gewaand tegenstrijdige tusschen de dateering in den titel, en den tekst bracht Dr S van zelf op de gedachte dat er in den datum een fout moet schuilen ‘Hoe dit laatste te verklaren?’ vraagt hij zich af We zullen hem bij zijn betoog op den voet volgen ‘Zooals thans bekend is, zijn de Nederduytsche Gedichten (anno 1653) verzameld en uitgegeven door G Brandt, denzelfde derhalve, die in 1647 den oorspronkelijken brief èn de omwerking kende, daar hij in zijne Lykreeden op Hooft gedeelten uit beide Taal en Letteren Jaargang 11 358 redacties aanhaalt’ Juister had Dr Stoett zich uitgedrukt, indien hij in plaats van ‘gedeelten uit beide redacties’ geschreven had: ‘gedeelten, waar de lezing deels overeenstemt met die van de oudere, deels met die van de jongere redactie’ Overigens kan ik hier het woord laten aan Dr Penon, die tap op bl 1719 te veel tegen de door Dr S gehuldigde opvatting heeft ingebracht om die zoo maar aan te nemen ‘Hoe komt Brandt aan die wetenschap? Hoogstwaarschijnlijk heeft hij de papieren van den schouwburg gezien, waarin we versterkt worden door zijn eigen mededeeling, dat hij eenige bijzonderheden de Kamer In Liefde Bloeiende betreffende heeft geput uit “een oudt geschreven Reekenboek der Kamers” Niets belet ons te veronderstellen, dat hij toen ook den oorspronkelijken brief van 1600 gezien heeft’ Volkomen waar; we kunnen Dr S niet beletten, zulks te veronderstellen, maar we mogen toch wel opmerken, dat men met een opeenstapeling van hypothesen niets vermag te bewìjzen ‘Is dit zoo, dan kon hij ook den juisten datum weten, daar deze er duidelijk onder geschreven staat Toen nu in 1647 spoedig een lijkrede moest worden vervaardigd, gebruikte hij hiervoor, gelijk bekend is, de Oraison funèbre van Ronsard door Du Perron en vlocht er gedeelten uit den Brief van Hooft doorheen, maar zoo veranderd, dat Hooft ze zelf onmogelijk zoo kan geschreven hebben’ Hier hebben we niet met hypothesen te doen, maar met feiten, al zijn die niet bizonder juist voorgesteld Voor het gemak van den lezer zal ik de bewuste plaatsen, voor zoover noodig, hier citeeren Bij Penon is alles dienaangaande meegedeeld De plaatsen, waarop Dr S doelt, zijn twee in getal; er zijn nog wel vijf andere gedeelten, ‘zoo veranderd dat Hooft ze onmogelijk zoo kan geschreven hebben,’ maar die kunnen we achterwege laten: het zijn parafrasen in proza van gedeelten uit den tekst In den oorspronkelijken brief (vs 9798): ‘Dit sijn van Genoua de dickbemuerde wallen, Wiens borgers Princen sijn, en selfs ist niet met allen’ Lijkreeden: ‘Hy zag van Genua de dikbemuurde wallen, Wiens burgers Prinssen zijn, en zelf is'tniet met allen’ In den oorspronkelijken brief (vs 105106): ‘De stadt die Ginswaert leyt met haer begraven muiren, Dees weet het Rome danck dat haere tytels duiren’ Lijkreeden: ‘Hy zag hier ook de Stadt in haar begraave muuren, Dien Romen dank weet, dat haar tijtelen noch duuren’ Wat is er in deze regels uit de Lijkreeden, dat Hooft onmogelijk Taal en Letteren Jaargang 11 359 kan geschreven hebben? Alleen ‘Hy zag’ en ‘Hy zag hier ook’, en dat zijn wijzigingen van Brandt waar deze niet buiten kon Dr S vervolgt: ‘Met diezelfde veranderingen en nog vele meer geeft hij in 1653 den brief uit in de Verscheyde Nederduytsche Gedichten en dateert hem op 1607 of 1608, terwijl hij kon weten dat dit jaartal onjuist is De redenen waarom hij die jaren er boven laat drukken, zijn dunkt mij niet ver te zoeken Waar in den brief Vondel, Bredero, Coster en Vechters als leden van de Kamer worden voorgesteld, die reeds toonden wat ze later zouden zijn, kon deze moeilijk dateeren uit het jaar 1600, toen Vechters tien jaar oud was, en hem veel later te stellen dan 1607 kon al evenmin, daar in de lijkrede gezegd wordt, dat Hooft “een taamlijken tijdt zijner jeucht in Italië heeft doorgebracht” Aangezien nu Hooft in 1581 geboren is, kan de tijd van zijne jeugd ook al niet later gesteld worden Door deze twee omstandigheden gedwongen moest de bewerker wel 1607 of 1608 er boven laten drukken’ Dus Dr S neemt hier al weer iets aan, wat hij nog bewijzen moet Aan 'tbegin zijner redeneering zegt hij, dat Brandt den brief op 1607 of '8 dateerde, en aan 'tslot, dat de bewerker 1607 of 1608 er boven moest laten drukken, maw Brandt en de bewerker zijn volgens Dr Stoett een en dezelfde persoon; en Brandt heeft het opschrift met die dateering er boven gezet Waarheid is, dat we niets weten van de herkomst van dat opschrift Het kan al gestaan hebben boven de copie, die Brandt ter drukkerij zond Dat Vondel enz als leden van de Kamer worden voorgesteld, is ook niet juist (zie bl 357) ‘De vraag blijft over, als Hooft de bewerker niet kan geweest zijn, wien moeten we er dan voor houden? Me dunkt Brandt zelf Toen hij in 1647 haastig zijne lijkrede moest samenstellen, zal hij zich de juiste woorden van den brief niet meer hebben herinnerd;’ waaruit blijkt dit, zouden we willen vragen? De citaten zijn volkomen juist En anders kon hij ze waarschijnlijk naslaan Blijkbaar gaat Dr S van de veronderstelling uit, dat Brandt den brief eens van buiten heeft gekend en uit zijn geheugen putte bij het inlasschen van zijn citaten ‘Wellicht wist hij nog, dat er van vechters (vs 223) gesproken werd en door dit woord, dat Hooft bedoelde in den zin van “Kampvechters” misleid, heeft hij aan Johan Vechters gedacht, hem tot lid van de Kamer gemaakt en er eenige andere der meest bekende dichters aan toegevoegd’ Begrijpe dit wie kan: Iemand maakt een lijkrede Ter illustreering van het leven van den verscheidene haalt hij uit een van diens gedichten stukken aan, en dat wel uit het hoofd, zonder dat hij den tekst naast zich heeft Daar schiet hem in eens te binnen, hoe, dat moge Dr S ons Taal en Letteren Jaargang 11 360 verklaren, dat er van ‘vechters’ gesproken wordt 1);de voorstelling voor hem aan dit woord verbonden wordt eensklaps verdrongen door die van den schrijver Johan Vechters Deze wordt door den verstrooiden lijkredenaar tot lid der Kamer gepromoveerd Wat heeft die Kamer toch met de Lijkrede te maken? En hoe geschiedt dat tot lid der Kamer maken? Toch zeker in de vluchtige gedachte van het oogenblik? Neen! Want Dr S zegt: (hij heeft) hem tot lid der Kamer gemaakt en er eenige andere der meest bekende dichters aan toegevoegd Dus op het papier, en omdat hij zoo'n haast had! ‘De andere wijzigingen mogen we toeschrijven aan de meening dat de rederijkerstaal van Hooft uit het jaar 1600 moeilijk kon dienen, om zijne grootheid te laten uitblinken, zoodat eene kleine verfraaiing hier en daar geen schade zou doen aan 's dichters naam’ Zijn de kleine veranderingen in de beide citaten (z bl 358) daarvoor een voldoend bewijs? ‘Toen hij in de Verscheyde Nederduytsche Gedichten den brief opnam, moest hij natuurlijk die verandering overnemen, waaraan hij nog verschillende andere toevoegde’ Volstrekt niet natuurlijk, zouden wij zeggen ‘De mogelijkheid bestaat echter, dat Brandt in 1647 den geheelen brief reeds had omgewerkt en hieruit citeerde Dat Brandt tot een dergelijke verknoeiing in staat was, blijkt uit zijne handelingen tegenover Vondel, in wiens gedicht Henricus de Groote hij eenige regels van zich zelf inlascht, die Vondel zeer moesten grieven’ [daar steekt achter die verandering dus een begrijpelijke beweegreden, al is die dan ook minder nobel], ‘en dat hij eigenmachtig veranderingen heeft aangebracht in andere gedichten van Vondel, oa in zijne uitgave van 1682, heeft Dr Penon in zijne Historische en Bibliographische Beschouwing van Vondels Hekeldichten bl 208 aangetoond’ Bij onderzoek blijkt, dat we hier met een werkelijke verbetering te doen hebben, door Brandt in overleg met Vollenhove aangebracht Maar wat doet dat alles ter zake? Zulke gegevens kunnen zeer veel beteekenen in verband met andere stellig geconstateerde feiten, hoe klein die ook mogen zijn Waar nu Dr S geen enkel argumentje aanvoert, dat op Brandts medeplichtigheid wijst, heeft zijn beroep op Brandts karakter (z bl 333) niet de geringste waarde §3 We dienen thans de zaak opnieuw te onderzoeken De methode, 1) Voor de Lijkrede had Brandt deze plaats niet noodig; althans, ze isdaar niet tevinden!! Taal en Letteren Jaargang 11 361 bij dat onderzoek te volgen, is aangewezen: Uiterlijke gegevens zijn niet aanwezig; we zullen ze dus moeten putten uit het inwendige van het gedicht zelf en, daar we te doen hebben met het werk van een dichter, die bij uitnemendheid artiestmetdetaal was, den eersten kunstenaar van het woord in onze gansche literatuur misschien, zal het vooral zaak zijn, te letten op de aesthetische waarde van de verzen der omwerking Zoo ergens, dan is in het onderhavige geval een aesthetische critiek gerechtvaardigd niet alleen, maar geboden Dr Penon en Dr Stoett hebben hieraan niet gedacht Zij hebben slechts den nadruk gelegd op ééne periode aan het slot van ons gedicht; een nauwkeurige vergelijking van alle plaatsen ook met het oog op de artistieke waarde der verzen hebben ze blijkbaar verzuimd En toch zou zulk een wijze van onderzoek merkwaardige feiten aan 'tlicht hebben gebracht, feiten welke ons verbieden aan Hooft als den omwerker te denken Allereerst dit: Dat Hooft er van hield, zijne Gedichten te herzien en te veranderen, is genoeg bekend Taalkundige, doch meest metrische overwegingen hebben hem daartoe geleid Vrije rhythmen, die juist zoo'n gewenschte afwisseling geven in een overigens jambisch vers heeft hij in later tijd zorgvuldig vermeden (vgl bv de varianten van de Granida ,'tgemakkelijkst na te gaan in de uitgave van Van den Bosch, Zwolsche Herdrukken )En niet altijd zijn die veranderingen verbeteringen De heer Leendertz is er indertijd door weerhouden, de laatste lezingen als grondslag voor zijn uitgave te nemen Staaltjes van verknoeiing echter zooals onze omwerking ze vertoont, van 'tbegin tot het einde, heb ik tot nog toe in Hoofts varianten niet aangetroffen A Plaatsen die er op wijzen, dat de copie van den tekst, gedrukt in de Verscheyde Nederd Gedichten een AFSCHRIFT moet zijn, niet van Hooft zelf, maar van een ander, die deels door een moeilijk leesbaren tekst hier en daar heeft moeten raden, deels eigenmachtig veranderingen heeft aangebracht 1 In den oorspr tekst (vs 8182) lezen we: Van die dan, die mijn doen door gansch de werelt noemen Sal ick, want dats genoech, mij maer alleen beroemen Hier staat in de omwerking (vs 6364): Van dien dan die mijn doen doorgaens de Werelt noemen Sal ik, want dat 'sgenoegh, my maer alleen beroemen Doorgaens geeft geen zin Het is blijkbaar een afschrijversfout Taal en Letteren Jaargang 11 362 2 Oorspr tekst (vs 131132): Siet ghij dat Grof gebouw van wit gehouwe steenen, Wiens ront hovaerdich hóóft drinckt door de wolcken henen Omwerking (vs 113114): Siet gy dat grof gebouw van uitgehouwe steenen, Wiens rondt hovaerdigh Hof dringt door de wolken heenen? ‘Hof’ voor den koepel van de St Pieterskerk is onzin De fout moet op rekening gesteld worden van een slordigen of onkundigen afschrijver Oorspr tekst (vs 160161): En nae Parthenope wilt ugesicht toestuiren, T'eel Napels twelck ontveyst enz Omwerking (vs 142143): Om naer ons Parthenoop 'tnieuwsgierigh oogh te stuiren, Te Napels, 'twelk ontveinst enz ‘Te’ dat hier geen zin geeft, is blijkbaar verlezen en verschreven uit ‘T'eel’ Oorspr tekst (vs 169): Wanneer Angeriaen vertrock zijn waere min Omwerking (vs 151): Wanneer d'Auguriaen enz Deze dichter heet Hieronymus Angerianus 1) 5 Oorspr tekst (vs 175): Dan moylijck sijn misschien voor uons lange reden, Omwerking (vs 157): Dan mooglijk zijn misschien umoeylijk lange reden Ook voor een voorstander van gladde maten bestond er geen reden om vs 175 van den oorspronkelijken tekst te veranderen Is het niet zeer waarschijnlijk, dat een afschrijver ‘moylijck’ in den tekst, aanzag voor ‘mo glijck’, en dat hij toen, omdat het vers zoo gelezen zinloos werd, ‘voor uons lange reden’ heeft veranderd in: ‘u moeylijk lange reden’? Op die wijze wordt, geloof ik, het malle pleonasme in de omwerking (mooglijk misschien )het best verklaard 1) De fouten doorgaens ,Hof en d'Auguriaen zijn ook reeds door Dr van Vloten opgemerkt (z van Vloten, Brieven, Dl I,blz 5,7en 9) Taal en Letteren Jaargang 11 363 6 Oorspr tekst (vs 171172): Wiens pijn en tijtverlies geen ander lóón mocht beuren, Las dan met eigen hand sijn lijf en siel versteuren Omwerking (vs 153154): Soo dat zijn min en pijn geen ander loon moght beuren Dan laes! met eigen handt, zijn lijf en ziel te scheuren Het smakelooze ‘te scheuren’ schijnt weer een verknoeiing te zijn van een afschrijver Metrisch is het een net zoo goed als het ander Onder voorbehoud wijs ik ten slotte nog op: 7 Oorspr tekst (vs 165): Voorts siet van Maro', en óóck van Zannazaro tgraf en omw (vs 147): Voort ziet hier Maroos, en ook Lamioraes Graf, Wie Lamiora is heb ik nergens kunnen ontdekken Zou ‘Lamioraes’ geen verknoeiing kunnen zijn van ‘Zannazaro’? Ik voor mij acht het wel waarschijnlijk Als het handschrift niet al te duidelijk was, kon de afschrijver een Zen een Llicht verwarren en nn als mi lezen; ook is oraes uit azaro graphisch verklaarbaar ‘Zannazaro’ aldus aanziende voor een genitief ‘Lamioraes’ kwam de afschrijver er van zelf toe, den ganschen regel te veranderen B Plaatsen waar de omgewerkte tekst een lezing biedt, die door vorm of inhoud of ook door beide ,zòò ongunstig afsteekt tegen de oorspronkelijke, DAT MEN DE VERANDERDE LEZINGEN ONMOGELIJK AAN HOOFT KAN TOESCHRIJVEN 1) 1) Over de artistieke woorden der beide teksten hebben zich behalve van Vloten en Jonckbloet (z boven) ook Potgieter en Vosmaer, en inonzen tijd Albert Verwey uitgesproken Lees Potgieter (Poezie ,Zangen des tijds ,bl 342): ‘Voor mijn lezer iseen ander (genot) bewaard: de vergelijking hoe voortgezette studie onzer taal, hoe verkregen heerschappij over den vorm er Hooft inleerden slagen die ruwe klanken eindelijk naar de zachtere van het zuiden tedoen zweemen,’ en Verwey (Nederl Dichters met Proza ,PC Hooft ,bl 18): ‘Wat dacht men dat dat heerschen van gladde maten er altijd was? Spiegel had het niet, Hooft had het niet, Breeroo had het niet, Vondel had het niet maar wie lang leefde heeft het gehad Later had Hooft het: hij verknoeide dit vers er om’ Bizonder kenmerkend voor het verschil inaesthetische waardeering van de oude en de jonge generatie isook de bespreking van een artikel van Vosmaer inden Spectator van 7Mei 1887 door Albert Verwey (zie Nieuwe Gids ,jaarg 1887, bl 305 vlgg) Flanor had oa uit den oorspronkelijken tekst van den brief aangehaald vs 3144 en daarvan gezegd: ‘Laten wij hierin twee schoone regels erkennen en verder met alde piëteit, welke eens deze regelen Potgieter naar Florence deed vergezellen, deze zwakke dichtpoging ter zijde laten Zij leere ons echter hoe, op gelijken leeftijd, twee onzer jongeren, Jacques Perk en Couperus, de een oneindig meer poëzie en gedachten had, de andere meer schoonheid van beelden inzijn Florentijnsch tafereel en meer macht over de taal: zij leere ons ook hoe onvergelijkbaar met deze jeugdige brabbeling Potgieter's visioen inFlorence was Piëteit voor een vernuft als Hooft, goed, maar magis amica sit veritas’ Albert Verwey: ‘Ik houd er veel van, precies Taal en Letteren Jaargang 11 364 1 In den oorspronkelijken tekst (vs 8792) lezen we: ‘Soo seydse, en met haer handt Tóóndsij voor mijn om laech een gróót wellustich lant, Welx eene eindt gebercht en dickbesneeude wegen Beschutten voor tgewelt der volcken aengelegen Thooft steeckend' wt in see, met d'een en d'ander sij Dreycht middach en opganck met trotse slavernij’ Hooft beschrijft hier de ligging en de gedaante van Italië Na eenig nadenken wordt de zin duidelijk Het ‘eene eindt’ is het noordelijk gedeelte van Italië, dat door het natuurlijk bolwerk der Alpen beschermd wordt, en onder het hoofd dat in zee uitsteekt hebben we klaarblijkelijk te verstaan het eigenaardig gevormde zuidelijk deel, dat ‘met d'een en d'ander sij,’ nl met Calabrië en Apulië het Zuiden (middach) respectief het Oosten (opganck) ‘met trotse slavernij’ bedreigt Van deze vernuftige tezeggen wat ikmeen, en daarom beweer ik, dat er indeze aangehaalde passage, behalve dat zij zeer slecht geschreven is, drie grove vergissingen staan Ten eerste: zijn die verzen van Hooft geen “zwakke dichtpoging,” geen “jeugdige brabbeling” maar heel knap werk met aangehouden toon en vijf bijzonder schoone regels er in’ Enz En: ‘Wat een vastheid van klank, wat een strengheid van rhythmen, wat een originaliteit van zien, indie zoo slecht begrepene verzen van voor driehonderd jaar! Vergelijk daarmede eens de omwerking, die Hooft zelf, volgens zijn bekende gewoonte, inlateren tijd er van gegeven heeft, toen zijn vroegere sensatie zich verzwakt en zijn dichtmanier zich zoogenaamd beschaafd had “Florence” rijmde hij toen’: en dan volgen vs 1726 van de omwerking ‘Die twee eerste regels plastiek inde oude lezing hebben hier plaats gemaakt voor een rhetorische overdrijving en een geographische bijzonderheid, en de allerschoonste regels zijn weggevallen, geheel en al! Neen, Flanor, als Hooft unù kon hooren, zou hij ‘de rimpels voor in'thoofd verbreende “soetlijk” lachen, en Jacques Perk, die zooveel van Hooft hield, zou, om ude les telezen, terugkeeren uit zijn graf’ Taal en Letteren Jaargang 11 365 vondst is in de omwerking niets overgebleven Daar lezen we (vs 6974): ‘dit zeitz', en met 'er handt Vertoontse my om laegh een groot wellustigh Landt, Welks klippig hoog Gebergt met dik besneeuwde wegen Waekt tegens het geweldt der Volken aengeleegen, 'tHooft steekend uit in Zee met d'een en d'andre zy, En dreighend' Oost en West met trotze slaverny’ De tegenstelling in de beschrijving van het noordelijk en zuidelijk deel en de aardige vondst is verdwenen Hiervoor in de plaats hebben we gekregen de voorstelling van Italië, dat zijn hoofd met de eene en de andere zij in zee uitsteekt en het Oost en West bedreigt Zoo aanschouwelijk als de oorspronkelijke voorstelling was, zoo vaag is deze Immers men kan niet zièn, dat de oosten westkust van Italië het Oosten en Westen bedrèìgen, wèl daarentegen dat de hoornvormige uitsteeksels Calabrië en Apulië het Zuiden en Oosten bedreigen Zou het denkbaar zijn dat Hooft, die zijn eigen verzen toch ook wel later begrepen zal hebben, de tweede verminkte lezing in de plaats stelde van de eerste? 2 In den oorspronkelijken tekst (vs 143) wordt van Rome gezegd: ‘O stadt hoe swaer valt mij op uws gedacht te comen!’ Hiervoor lezen we in de omwerking (vs 121): ‘O Stadt het valt my zwaer uin de zin te koomen;’ Dit laatste vers is niet wel te verklaren; ‘u in de zin te koomen’ geeft geen zin ‘Iemand in den zin komen’ kan toch niet beteekend hebben ‘aan iemand denken’ Blijkbaar heeft de omwerker ‘op uws gedacht te comen’ niet begrepen of onbegrijpelijk geacht; ‘uws’ als genitief van het pron personale, afhangend van het substantief ‘gedacht’ lijkt trouwens ook meer op een Latijnsche dan op een Hollandsche constructie 1)De wijze echter waarop deze plaats veranderd is, noopt ons, aan een ander dan Hooft als den omwerker te denken 3 In den oorspr tekst (vs 3133) staat: ‘Fiorenza schóón, wiens schoon landouw en ackers goet Den schóónen Arno ciert met sijn seer schoone vloet, Doet om haer cierlijckheit van tael mij in haer blijven’ 1) Dat die genitief na verba en adjectiva heel gewoon was, isbekend Zie Van Helten, Vondels Taal ,Syntaxis bl 127 Taal en Letteren Jaargang 11 366 De overeenkomstige plaats in de omwerking (vs 1719) luidt: ‘Florence, 'tschoonste dat mijn oogh ooit heeft ontmoet Wiens vruchtbare Landow van d' Arno werdt gevoet, Doet om haer cierlijkheit van tael my in haer blijven;’ De mooie dichterlijke vizie is verdwenen Aanschouwelijkheid heeft plaats gemaakt voor een banale opmerking die we voor kennisgeving aannemen: ‘'t schoonste dat mijn oogh ooit heeft ontmoet’! Niet de schoonheid van het land maar zijn vruchtbaarheid heeft den omwerker 'tsterkst geïmponeerd Zou de schoonheidminnende Hooft zulk een verandering hebben aangebracht? 1 In den oorspr tekst (vs 67) lezen we: ‘Dewijl verwondert ick stae in gedachten stijf’ Hieraan beantwoordt in de omwerking (vs 49): ‘Dewijl ikstae verzet, verwondert, stokstil, stijf,’ 6 In den oorspr tekst (vs 6566): ‘Van d'eene comen blij, van d'ander droev' óóchslagen En beyde sijnse gayl in schijn van min te dragen’ De overeenkomstige verzen der omwerking (vs 4748) luiden: ‘De zommige zijn bly, en zommige die klaegen, En beide geil en zeer jaloers in min te draegen’ Hier is ook het metrum bedorven 6 In den oorspr tekst (vs 139) staat: ‘T'oudt Rome leyt daar neer beweechlyk te bewenen,’ In de omwerking (vs 117) is dit geworden: ‘Oudt Roome leidt ter neer, en geeft ons stof tot weenen,’ Voorts wijs ik nog op de volgende parallelle plaatsen, waar bij vergelijking zal blijken dat de latere lezing ver achter staat bij de oorspronkelijke: 1) vs 60 en vs 42; vs 163164 en vs 145146; vs 40 en vs 22; vs 181 en vs 163; vs 187189 en vs 169171; vs 193194 en vs 175176; vs 64 en vs 46; vs 119122 en vs 101104; vs 156 en vs 134135; vs 7580 en vs 5762; vs 23 en vs 9; vs 1516 en vs 12 In de omwerking hebben we hier een contradictie gekregen; vs 201 en vs 183 (komma achter ‘groote’!) Deze plaatsen zijn gemakkelijk met nog enkele te vermeerderen 1) Het eerste cijfer wijst het vers inden oorspr tekst aan Taal en Letteren Jaargang 11 367 C Conclusie Alles te zamen genomen pleiten dus tégen de onderstelling dat Hooft de bewerker der tweede redactie zou zijn, de volgende feiten: 1oHet is niet duidelijk welke reden Hooft kan gehad hebben, om het gedicht om te werken 2oEr bestaat geen handschrift van de tweede redactie 3oDe tweede redactie is een te sterke verknoeiing dan dat ze het werk van Hooft kan zijn Is er ook iets aan te voeren dat pleit vóór de onderstelling dat Hooft de bewerker der tweede redactie zou zijn? Zeker niet veel Dat Brandt, wiens critiek veel te wenschen overlaat, ze aan Hooft toekende, 1)bewijst natuurlijk niets Eéne plaats is er, die wellicht iemand zou kunnen aanvoeren als een aanwijzing voor Hoofts auteurschap: In den oorspronkelijken tekst lezen we (vs 52): ‘'tWelrieckent hayr gevlecht met een gentile vont’ (In het handschrift staat eigenlijk ‘wtheemsche vont’; ‘gentile’ is er door Hooft 2)als verbetering boven geschreven) In de omwerking (vs 34) staat: ‘'tWelriekend Hair getoeyt met een uitheemsche vond,’ Dezen versregel treffen we precies zoo aan in de Achilles en Polyxena (1ste hand 5de uytk) Nu moge men het waarschijnlijker achten, dat Hooft, die reeds eenmaal in zijn Achilles en Polyxena ‘getoeyt’ in hetzelfde verband had gebruikt, de lezing ‘gevlecht’ veranderde in ‘getoeyt’; veel bewijskracht is aan deze plaats toch niet toe te kennen Want ook een andere bewerker dan Hooft kon komen op de keuze van ‘getoeyt,’ bv doordat hij zich den bewusten regel uit de Achill en Pol herinnerde Stellen we nu hiertegenover alles wat pleit tégen de stelling, dat Hooft de bewerker is van de tweede redactie, dan komen we, geloof ik, tot de overtuiging, dat het verreweg het meest waarschijnlijk is, dat Hooft de omwerking nìèt heeft gemaakt De vraag doet zich nu op: Wie heeft ze dan gemaakt? Dat weten we niet Doch Brandt heeft het zeker niet gedaan (zie Bijdragen II) Wèl kunnen we iets constateeren omtrent de persoonlijkheid van den omwerker: Hij was een geletterd man, bekend met de letter 1) Zie Bijdragen IIbl 17 2) Zie Inleiding ,Uitgave van Dr Stoett, bl XLVIII onderaan en bl XIII Taal en Letteren Jaargang 11 368 kunde der Romeinen en der Italianen van het Renaissancetijdperk Dit blijkt uit verscheidene uitbreidingen en veranderingen Een enkel voorbeeld: De omwerker is bekend met den inhoud van Ariosto's Orlando Furioso ,want hij weet dat Agramant de vijand van Karel den Groote is (vgl oorspr tekst vs 124 en omw vs 106); ook kent hij de geschiedenis van Bireno, hertog van Zeeland, en Olympia, dochter van den graaf van Holland In den oorspronkelijken tekst (vs 126) is sprake van de ‘Hollandsche trouw’ van Olympia, waarmee bedoeld wordt haar trouwe liefde jegens haar verloofde Bireno De gewijzigde lezing in de omw (vs 108) ‘En van d' ontrouwe, die Olympia dorst schenden,’ ziet op een ander gedeelte van het verhaal, nl het snood verraad van Bireno, die zijn vrouw op een onbewoond eiland achterlaat (Zie Canto IX en X)(Het woord ‘schenden’ is hier al weer minder op zijn plaats; blijkbaar een gevolg van rijmdwang) Een historische bijzonderheid aangaande Vergilius' Aeneis stelde de omwerker in de plaats van vs 151152 van den oorspronkelijken tekst; vgl vs 129130 van de omwerking : ‘Dicht dat de Meester wou als ongeschaeft verbranden, En waerdigh was geberght door Vorst Augustus handen’ Volgens Plinius en Gellius toch heeft Augustus verhinderd, dat de Aeneis zou verbrand worden, gelijk Vergilius bij testament beschikt had 1) Het waarschijnlijkst achten wij het, dat een van de leden van de Oude Kamer of van de Duitsche Akademie de omwerking heeft vervaardigd 2) 1) Vgl voorts oorspr tekst vs 153154 en omw vs 131132 (historische bizonderheid betreffende Ovidius' leven); oorspr tekst vs 157158 en omw vs 136140 (bekendheid met Romeinsche schrijvers); oorspr tekst vs 190 en omw vs 172 (bekendheid met Petrarca) 2) Indeze meening worden we versterkt door de volgende overwegingen: InBrandts Inleydinge tot de Beschrijving der zes middelste vertooningen enz van 1648 lezen we: ‘Hier [in de Oude Kamer] heeft de Drost sijn eerste Heldensangen geschreven De genegentheit van den Ridder Hooft tot dees Oude Kamer heb ikkonnen sien uit een brief, die hun uit Italie toegesonden, en noch voor handen is’ Vervolgens citeert Brandt de 12 versregels waarmee de omwerking begint! Hoe kon Brandt inzage krijgen van dien omgewerkten tekst, die ‘hun uit Italie toegesonden, en noch voor handen is’ Om met Dr Stoett tespreken: ‘Hoogstwaarschijnlijk heeft hij de papieren van den schouwburg gezien, toen zijn vader regent was, een vermoeden waarin we versterkt worden door zijn eigen mededeeling, dat hij eenige bijzonderheden de Kamer InLiefde Bloeyende betreffende heeft geput uit “een oudt geschreven Reekenboek der Kamers”’ Als Brandt bij het nasnuffelen van die papieren den brief gezien heeft, waarvan hij spreekt, dan wordt het heel waarschijnlijk, dat een der leden van de Oude Kamer ofvan de Duitsche Akademie de auteur isvan de omwerking Taal en Letteren Jaargang 11 369 Wanneer is de omwerking tot stand gekomen? Natuurlijk vóór 1647, het jaar dat Brandt er voor het eerst uit citeert Maar we kunnen nog verder gaan: Aan 'tslot van de omwerking is, gelijk men weet, sprake van ‘Koster, Vondelen, Brerôo en Victorijn, Die nu al toonen wat z' hier naemaels zullen zijn ’Nemen we aan dat dit beteekent: ‘ die nu (in hun jeugd) al toonen wat ze in hun later leven nog zullen presteeren’, dan hoeft de dateering (1607 of '8) in de Verscheyde Nederduytsche Gedichten (zie bl 355) niet zoover bezijden de waarheid te zijn In 1607 of '8 toch waren de vier genoemde dichters allen nog jong In 1608 was Coster 29, Vondel 21, Victorijn 18 en Bredero 23 jaar oud Als terminus ante quem is in allen gevalle vast te stellen het jaar 1618, waarin Bredero gestorven is Eenigszins anders wordt de dateering, als we den bovengenoemden regel aldus weergeven: ‘ die nu reeds toonen wat ze in latere tijden zullen zijn (nl mannen waarop het Holland van een paar eeuwen later nog met trots zal kunnen wijzen)’ In dat geval bestaat er geen reden om aan te nemen, dat Koster, Vondel enz nog als jong worden voorgesteld, en kan men derhalve den tijd van de omwerking nog gerust enkele jaren later stellen dan 1608 Deze omwerking moet in lateren tijd (natuurlijk vóór 1653) zijn afgeschreven door iemand die zich wijzigingen veroorloofde (zie de plaatsen onder A, bl 361363) Wanneer dit afschrift gemaakt is, valt niet met zekerheid te zeggen In 1653 is dit foutieve afschrift gedrukt in de Verscheyde Nederduytsche Gedichten Van de geschiedenis van den brief valt echter nog iets meer te zeggen: Zooals reeds boven is opgemerkt, toonen de citaten in de Lijkreeden deels overeenkomst met den oorspronkelijken tekst, deels met den tekst die in 1653 gedrukt is Den oorspronkelijken tekst, het HS van den brief uit Florence, heeft Brandt niet onder de oogen gehad (z Bijdr II, bl 19 en 20); dus moet Brandt in 1647 een tekst gekend hebben die deels overeenkwam met het origineel, deels met den druk van 1653 We komen zoo tot de conclusie dat de brief tweemaal omgewerkt is De tekst dien Brandt kende in 1647 vertegenwoordigt dan de eerste, die, welke in 1653 gedrukt werd, de tweede omwerking Of de beide omwerkingen veel verschild hebben, is niet uit te maken, daar we van de eerste niets meer kennen dan de citaten in de Lijkreeden 1) 1) De volgende afwijkingen zijn teconstateeren: 1oInI(de eerste omwerking) kwam voor: ‘[Hij zag hier ook de Stadt] in haar begraave muuren’ InII(vs 87) lezen we: ‘Maer gins vertoont zich noch een Stadt met oude muiren’ 2oInImoet blijkens de prozaparafrase, van Ariosto gezegd zijn, inovereenstemming met den oorspr tekst: ‘Wiens schrift Spangiaert, Franchoy en Arabier ontvouwen’ InIIstaat (vs 101): ‘Wiens schriften Spanjaerden, ja Arabiers ontvouwen’ 3oInImoet blijkens de prozavertaling gestaan hebben: ‘T' eel Napels twelk ontveinst, verstoort door 'tSpaansche juk, Door uitwendige vreucht den inwendigen druk’ Taal en Letteren Jaargang 11 370 Het is mogelijk, dat de auteur van de tweede omwerking dezelfde is als de afschrijveromwerker (zie boven, bl 361 vlgg) De aard van de wijzigingen verzet zich niet tegen deze veronderstelling We kunnen derhalve de verhouding der teksten aldus voorstellen: 1 Het KLAD VAN DEN OORSPRONKELIJKEN BRIEF van Hooft, geschreven 8Juli 1600 en in 1853 voor 'teerst uit Hoofts HS uitgegeven door Dr J van Vloten De oorspronkelijke brief (van Hooft), die aan de Oude Kamer in 1600 is toegezonden (Het HS hiervan is verloren) 1ste Omwerking (van een onbekend lid van de Oude Kamer of de Duytsche Academie); hiervan is alleen bekend wat Brandt in 1647 in zijn Lijkreeden op Hooft eruit citeert 2 2de OMWERKING ,in 1653 gedrukt en uitgegeven in de Verscheyde Nederduytsche Gedichten NB De kopie van dezen druk bevatte verscheidene fouten en verknoeiingen, welke het werk moeten zijn van een onkundigen afschrijveromwerker Rotterdam ,Maart 1901 KH DE RAAF InIIlezen we: ‘Te Napels, 'twelk ontveinst, verstoort door 'tSpaansche juk Door uiterlijke vreucht zijn innerlijke druk’ Deze wijzigingen zijn beslist geen verbeteringen Vers 87 van IIisniet als vers telezen, en ‘oude’ geeft niet den oorspronkelijken zin weer Ook vs 101 iser op verminderd, zoowel wat betreft het rhythme als den inhoud Taal en Letteren Jaargang 11 371 Kleinigheden VIII 'n Aardig woord is (op )letten :'tverkeert in 'n ‘mutatietijdperk’, zoals de natuurvorsers zeggen We hebben sinds lang 'twerkw opmerken naast merken 'n Duitser zegt ‘auf etwas merken ’;'n Nederlander niet ‘op iets merken ’,maar ‘iets opmerken ’;en als De Génestet schrijft: ‘Merk op de bloeme’, dan is dat niet: ‘mèrk op de bloem’, maar wel: ‘merk òp de bloem’, en alleen 'n omzetting van ‘merk de bloem op’ Er is dus 'n werkw merken ,dat nooit 'n zogenaamd ‘oorzakel voorw’ heeft We (er)kennen immers niet in het tegenw Nederl de vorm merken op iets ;wel merken op ,maar dan alleen als vorm van 't‘scheidbsamengest’ werkw opmerken Naast opmerken bestaat ook sinds lang opletten ;opletten is ‘onoverg’ en opmerken ‘overgankel’ Daarnaast staat weer 'twerkw letten met 'n ‘oorzakel voorw’: letten op iets ,er op letten ,dat enz Maar nu is uit deze twee, letten (op )en opletten ,onder invloed van opmerken 'n nieuw woord opletten bezig te ontstaan Het vroegere letten (op )met 'n ‘oorz voorw’ is gebleven; 'tvroegere opletten , ‘onoverg’, eveneens Maar behalve deze hebben we nu 'n nieuw opletten met 'n ‘lijd voorw’ Vgl bv: ‘'t Was haar plicht te letten op het vele goede ’(Marc Emants, Vijftig, blz 192) met: ‘Wat ben je mooi (gekleed)! Ik had het zo gauw niet opgelet ’(ibid 188) Dit opletten is volkomen gelijk geworden aan opmerken Evenzo in 'tvolgende voorbeeld: ‘Nu echter hebt ge mij van beide die zaken (jacht en oorlog) uitgesloten, zonder eenige lafheid bij mij op te letten ,noch onwil’ (Van Deventer, vertaling Herodotus, Muzen I,blz 22) Maar in de volgende voorbeelden is opletten alleen syntacties gelijkwaardig met opmerken :'theeft, net als dit, 'n ‘lijd voorw’ bij zich; wat de betekenis betreft staat het gelijk met letten (op ):‘Want toen hij naar alle kanten boden had gezonden om de orakels te raadplegen, lette hij den afgesproken dag goed op ’(Van Deventer, tap blz 26) Taal en Letteren Jaargang 11 372 [NB Deze zin, uit z'n verband gerukt, zou ook opgevat kunnen, alsof Cresus op de afgesproken dag (‘bijw bepal’) goed oplette (‘onoverg werkw’) Uit het verband blijkt evenwel duidelik, dat hij goed lette op de honderdste dag na 'tvertrek van de gezanten] ‘Ik lig in 'tgras de kleuren op te letten ’(Hel Swarth, Poëzie, blz 98) Tussen opletten uit deze twee voorbeelden en de twee eerste bestaat hetzelfde verschil als tussen kijken en zien Zien is passief, gezichtsindrukken krijgen; net zo opletten in de eerste voorbeelden: bewustworden van 'n gedane waarneming Kijken is pogen te zien; ook zo is 'n bepaalde dag opletten ,kleuren opletten actief, evenals letten op iets 'tNieuwe woord opletten heeft dus alvast twee schakeringen: 1owat de act betek aangaat komt het overeen met het act letten (op ),en wijkt het af van het passieve opmerken ;en wat de syntaxis aangaat komt het overeen met opmerken dat ook 'n lijd voorw heeft, en wijkt het af van letten (op ),dat 'n oorzak voorw heeft 2ohet stemt in alles overeen met opmerken Opletten ,aldus gebruikt, mag nieuw worden genoemd, omdat het onder 'tlezen nog altijd de aandacht trekt; maar zelfs in geschrifte is 'tniet zeldzaam meer, en als gesproken woord nog veel minder En van de allerlaatste tijd is 'took niet; 'tkomt voor bij Busken Huet geschreven, en ik hoorde 'tuit de mond van oude mensen Omgekeerd ziet men ook bij opmerken soms 'n overhelling van 'tpassieve naar 't actieve Vgl oa de voorbeelden uit Schimmel, Het Zondekind: ‘In de eerste dagen zat hij stil, droomerig, zonder iets op te merken ’(blz 58) en: ‘En, wat den enkele verbaasde, die 'tnog de moeite waard vond dat misvormde schepseltje, dat hoopje schommelende en trillende schonken op te merken ’(blz 57) In 'teerste vb is het te vertalen door: gewaar worden; in het tweede door: aandacht schenken aan, letten op U PHM Taal en Letteren Jaargang 11 373 IX Wagenwijd is 'n wóórd: 'tstaat geboekt als zodanig Genen enkelen taalmeester deert des mans, die 'tschrijft ‘Leg uwen kop op de tafel, dat ik hem afkap, gebood de heks, terwijl ze hare oogen wagenwijd opensperde’ (De Mont en De Cock, Vlaamsche Vertelsels, 310) 'tWoord is logies verklaarbaar, en er valt zelfs bij te praten over ‘woorden en zegswijzen aan 'tdageliks leven ontleend,’ en er kan gewezen worden op 't echtaardige 'nmond als 'n hooischuur ;en wie knap is kan bij 'tbovenstaande voorbeeld spreken over 'n troop, 'n hyperbool 'tIs dus 'n behóórlik woord! Maar de spraakmakende gemeente heeft naast wagenwijd en met dezelfde betekenis, 'twoord wijdwagen Nochtans, is dat géén woord! 'tStaat in geen woordeboek; en toen ik uitging om te zoeken, of nu niemand nog de moed zou gehad hebben te schrijven wat hij wellicht honderdmaal al gezegd had, toen is dat 'n bijnavergeefse tocht geweest Dit is gevonden, en wel bij Schimmel, dus geen zo'n ‘moderne’: ‘'t Was waar, baas en vrouw Kloppers hadden de oogen nog wijd en waag open ’ (Meneer Frits; in Elseviers, Sept '99, blz 214) Maar weet nu ook iemand wijdwagen te groeien; 'tis 'n inheems plantje, maar in tuinen en broeikassen staat het nog niet U PHM X Jaromir te Lochem ,vs 8 Gehuld in SintFranciscusdos, Zat, die eens wandlen moest, parmantig op een ros De uitgever van Staring 's poëzie in de Zwolse Herdrukken zegt: ‘Waarom moet Jar een Franciskaan zijn! Daardoor wordt de aaneenschakeling van de 4verhalen mogelijk En wordt zijn figuur komieser, want deze orde verplichtte tot de grootste ernst, strenge askese en Jar is gemakzuchtig en een smuller’ We kunnen noch verder gaan; deze monniken reisden altijd te voet; zie in Stoett 's Nederl Spreekwoorden ,p 33, de verklaring van: ‘op zijn apostelspaarden ’‘Deze uitdrukking wil zeggen te voet In 'tItaliaansch zegt men hiervoor andare sul cavallo di San Francesco ,waarmede te vergelijken is het bij V Duyse ,bl 457, voorkomende: zij zijn met de paarden van den H Franciscus gekomen ,waarbij men zich herinnere, dat de arme Franciscaner monniken altijd te voet reisden, in tegenstelling met de rijke Benedictijnen, die dit te paard konden doen’ U Dr GE Taal en Letteren Jaargang 11 374 Boekaankondiging Nederlandsche Spreekwoorden ,Spreekwijzen ,Uitdrukkingen en Gezegden ,naar hunnen oorsprong en beteekenis verklaard door Dr FA Stoett Minder geleerd en dus ook minder bescheiden dan Dr A Beets 1)zal ik hier wél de twijfelingen en vragen het woord verleenen, die bij mij opgekomen zijn onder het doorlezen der verschenen afleveringen van dit ons eerste verklarend spreekwoordenlexicon En zoo al sommige van mijn vragen onredelijk mochten zijn, dat hoeft de ridderlijkheid daarom nog niet uit te sluiten In elk geval kán mijn wagen winst zijn èn voor mij èn voor anderen, terwijl door algemeene lofbetuigingen en vergoelijkend zwijgen hoegenaamd niemand wordt gebaat: waar de quaestie niet wordt gesteld, kan zij ook niet worden opgelost Om te beginnen: waarom de wel makkelijke maar hoogst onwetenschappelijke alphabetische indeeling, die toch niet veel meer is dan een gedetailleerder finis ,de voorkeur gegeven boven de een of andere systematische rangschikking? Nu krijgen we door elkaar als ge weet wel: spreekwoorden, vergelijkingen, gezegden en zelfs losse woorden naar geen beginsel saamgevoegd als naar de gril van het abc Het eigen goed van het Nederlandsch is niet gescheiden van wat er werd ontleend of internationaal zich ingedrongen heeft in vele talen; wat de bijbel bijdroeg niet van wat er hangen bleef uit de mythologie en litteratuur der ouden of wat er uit de sprookjes, fabels en volksverhalen part en deel geworden is van onze taal; wat enkel ‘litteratuur’ is, niet van het in de volkstaal levende, hetzij algemeen gangbaar of bepaald tot zekere streken Niet eens de in werken van dien aard veelal gevolgde rangschikking van de spreekwoorden, enz naar de begripssfeer, waaraan zij zijn ontleend, is hier tot haar recht gekomen een rangschikking, die in een boek als dit haast even zooveel raison d' être heeft als de historische verklaring Waarom zoodoende het aantrekkelijke en leerrijke van dergelijke verzamelingen zullen 1) Museum 1900 no 3 Taal en Letteren Jaargang 11 375 bijv de jongens geen plezier hebben in ‘stopwoorden’ uit Analecta IV? prijs gegeven ter wille van ja, ter wille wáárvan? Te prijzen is het zeker dat hier en daar voldaan is aan den eisch in de Revue Critique (no 27) uitgesproken in een beoordeeling van een andere spreekwoordenverzameling: ‘Réunion en un même groupe des proverbes de même sens,’ maar ook op dit gebied blijft nog veel ter aanvulling en uitbreiding over Waarom zijn bovendien sommige spreekwoorden enz wel, andere niet opgenomen? Hebben we hier nu de 2000 mooiste, de 2000 moeielijkste, de 2000 interessantste, de 2000 gebruikelijkste, de 2000 watgemaarwiltste òf heeft de schrijver zich meer laten beheerschen door zijn vondsten dan leiden door eenig ander beginsel? Waarom ook sommige zoo uitvoerig maar onnoodig toegelicht, andere weer die ook wijd en breed besproken zijn in de verschillende periodieken, uitgesloten? De eene groep met een bepaald woord rijkelijk bedeeld, een andere weer stiefmoederlijk behandeld? En waarom geen bibliografie zooals bij Suringar? Wat zal de gewone lezer hebben aan de vermelding dat dit of dit al voorkomt in de Prov Comm of bij Sartorius, als zelfs Neerlandici het Dr verkrijgen kunnen zonder van die ‘bronnen’ ooit gehoord te hebben? Ik weet niet of het waar is, dat de studenten aan onze hoogescholen de kunst leeren om uit de geschriften van onbekenden van vroeger dagen tot de auteurs te besluiten, maar zeker is dat het maar zeer enkelen gegeven is de juger des dates d'après les écrits en dat voor jaartallen alleen de Hollandsche graven goed schijnen te zijn Bij uitzondering zouden hier nu eens wat méér van die geheugenkapstokken welkom zijn Tot zoover mijn vrome en van piëteit voor de koopers van dit boek getuigende wenschen; thans nog eenige onvrome aanmerkingen Een enkele maal mist men varianten van bekende gezegden, waar men voor de verklaring wel iets aan heeft, al was 'talleen maar stof voor nieuwe verklaring bijv onder bekaaid (no 171) de regel uit de Reyslesse van Cats: Waer dat ick henen keer, mij dunkt ick stae bekaeyt! te meer daar dit stuk tot schoollectuur verheven is 1) Een enkele maal ook zal men zich niet kunnen vereenigen met de verklaring van den schrijver, Zoo ‘moet’ de oorspronkelijke beteekenis van iemand een huk zetten (no 656) zijn: in iemand hakken, hem snijden, pijnlijk aandoen Elders onder 842 vinden we deze uitdrukking gelijk gesteld met: bedriegen, afzetten Het is mogelijk, dat ze gewestelijk deze sterke beteekenis heeft, maar voor de meesten zal ze toch niet meer willen zeggen dan wat van Dale geeft: het op iemand gemunt hebben, hem een poets bakken Zou niet veeleer aan 1) OudNederlandsch Leesboek van vd Bosch Taal en Letteren Jaargang 11 376 te nemen zijn, dat de uitdrukking ontleend is aan het ‘hakken zetten’ bij het baantje glijden? Ook kan ik mij niet vereenigen met de beschrijving Jangat (no 869) dwz een Janhen, een bemoeial De beteekenis sul (van Dale) had hier toch ook wel vermeld mogen worden En wat een ander Jan betreft, is in Sakker Jan (no 870) dit Jan een verbastering van God of hebben we hier ongeveer dit: sakkerjan