PDF van tekst

PDF van tekst

653 Pages · 2010 · 4.29 MB · Dutch

In 1825 kocht J.F. Willems een drietal hss. die, naar hij zelf mededeelt, samengebonden waren en die afkomstig zijn van de Cisterciënser abdij Sinte. Bernards opt Schelt (bij Antwerpen, gesticht 1230). Over de oorspronkelijke band wordt niets medegedeeld. Vermoedelijk was de samenhang tussen de 

PDF van tekst free download


T ijdschrift voor Nederlandse T aal en Letterkunde Jaargang 69/70 bron Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 EJ Brill, Leiden 1952 Zie voor verantwoording: http://wwwdbnlorg/tekst/_tij003195201_01/colofonhtm © 2010 dbnl 1 Drie handschriften uit de Librije van de abdij van Sint Bernards opt Schelt (Brussel, KB 19545, 19546 en Kon Ned Akad vW etensch XXIV) I De handschriften In 1825 kocht JF Willems een drietal hss die, naar hij zelf mededeelt, samengebonden waren en die afkomstig zijn van de Cisterciënser abdij Sinte Bernards opt Schelt (bij Antwerpen, gesticht 1230) Over de oorspronkelijke band wordt niets medegedeeld Vermoedelijk was de samenhang tussen de drie boeken zó los, dat het voor de hand lag ze als drie afzonderlijke handschriften te beschouwen 1)In de volgende regelen hoop ik aan te tonen dat men ten onrechte tot nu toe verzuimd heeft deze hss in hun oorspronkelijk verband te bestuderen, omdat zij een zeer oude eenheid vormen Helaas laten Willems' mededelingen, niet toe om iets vast te stellen omtrent de volgorde waarin de hss door hem in die band werden aangetroffen Laten wij allereerst de uiterlijke vorm dier handschriften aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen Ik geef een korte beschrijving Voor de terminologie verwijs ik naar mijn catalogus van het oude fonds van de hss van onze Maatschappij (Leiden 1948), waar ik die in de inleiding toegelicht heb IHs Kon Ned Akademie van Wetenschappen nr XXIV (in 1) Ineen uitvoerige aantekening op het verso van een modern perkamenten schutblad voor in de band van hs Brussel 19546, geschreven en ondertekend door Willems, deelt hij mede: ‘hebbende ikdezelve, om de onmatige dikte, afzonderlijk laten inbinden’ Naar alle waarschijnlijkheid zijn de met ongekleurd leder ofperkament beklede houten borden van de oorspronkelijke band gebruikt voor het nieuw inbinden van dit hs Het leder ismet eenvoudige filets versierd en men ziet nog de sporen van 4knoppen en twee sloten Bij die gelegenheid heeft men die oude (14e à15eeeuwse) band een nieuwe zwaar zwijnslederen rug gegeven Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 2 bruikleen afgestaan aan de Kon Bibliotheek in Den Haag sinds 1937) Hein van Aken's vertaling van de Roman de la Rose, de Roman van Cassamus, de satire De Frenesie Perk 78 bll, 242 ×162 (bladsp 200 ×123), 2kol, 53 rr Katernen: V +schutbl, 6V, IV1 uitgesneden blad aan het einde Geregeld reclamen, geen signaturen De potloodliniëring is meestal onzichtbaar geworden, al zijn de sporen duidelijk te zien Het schrift is zeer eenvoudig (afb 13), soms bijna cursief; de inkt is bruin opgedroogd Hoofdletters in een aparte kolom, gerubriceerd door één enkele rode lijn Of die rubricatie, de eenvoudige rode en blauwe hoofdletters (2 rr hoog) en het merendeel der eveneens rode en blauwe paragraaftekens onmiddellijk na het afschrijven werden ingevuld, is niet uit te maken In ieder geval zijn de representanten overal duidelijk zichtbaar Een enkele hand schreef f1r68 veerst de Roman van de Roos en vervolgens, zonder merkbare overgang, die van Cassamus af Hetgeen f77 v,1ekolom, r12 volgt, na 2rr spatie, is later bijgeschreven in een donkere inkt van slechte samenstelling De hoofdletters, weer in een aparte kolom, zijn op overeenkomstige wijze door een rode lijn gerubriceerd Het is niet uitgesloten, dat wij hier toch met dezelfde hand te doen hebben, maar dan op een later tijdstip: er is grote overeenkomst in stijl en graphie (menichge ,gi ,geschiet ,zonder h dus) Aangezien het niet helemaal zeker is dat de initialen op ff 1r,77 ven de latere opluistering van de beginletter van de Roman van Cassamus ongeveer gelijktijdig zijn en dus in zekeren zin als oorspronkelijk te beschouwen, wil ik deze liever later beschrijven Zoals gezegd, werd het laatste blad, dat geheel beschreven was, getuige de schamele resten die bewaard bleven, weggesneden Bekend is Willems' preutsheid: het is opmerkelijk dat juist daar waar in de satire op f77 vbtwee erotische regels verwacht kunnen worden, zij door een radering (niettegenstaande de reagentia die Verwijs heeft aangewend en daardoor thans definitief) onleesbaar zijn geworden De lezer die Verwijs' X goede boerden, p 40 opslaat, zal zien dat het einde van het gedicht niet veel goeds naar Willems' smaak doet verwachten Heeft Willems het lot een handje geholpen met de schaar, toen hij toch bezig was de codex in drieën te verdelen? Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 3 Willems heeft het hs laten inbinden in een fraai bruinlederen stempelband (gesigneerd PFHEYNE ,RELIEUR ANVERS )Voorin een blank perk schutblad met in recto enige ‘probationes pennae’ uit de 15e eeuw en onderaan een vrijwel volkomen uitgeradeerde notitie, misschien een eigendomsmerk Het hs is door Willems in 1825 voor ƒ200 verkocht aan het Kon Ned Instituut (thans Kon Ned Akademie van Wetenschappen) 2) II Hs Brussel, Kon Bibliotheek 19545 Jacob van Maerlant's Rijmbijbel Perk 194 bll, 237 ×c 150 (bladsp 185 ×c 115) 2kol, 45 rr Katernen: 10 IV, II, 13 IV, IV 3+1 De foliëring van Willems is nog al eens in de war (2 ×f4; 2× f140) Bijna steeds reclamen, geen signaturen Schrift in een eenvoudige kleine textualis (afb 4en 7) Het hs is goed geschreven, maar niet heel regelmatig, zodat men wel eens de indruk krijgt dat de bladzijden soms niet gelinieerd werden vooraf Het perkament is behoorlijk, doch niet zelden slecht geprepareerd, waardoor de inkt uitgelopen is De katernen zijn niet in de regelmatige volgorde afgeschreven Het katern dat f85 begint was al klaar, toen het vorige beschreven werd: van f81 v af hebben de pagina's maar 39 rr, want men heeft het aantal kennelijk moeten minderen om een goede aansluiting te verkrijgen Hoofdletters in een aparte kolom, niet gerubriceerd Eenvoudige gekleurde initialen, afwisselend rood en waterblauw met enig conventioneel penwerk in groenig blauw en rood Het begin der bijbelboeken gemarkeerd door grotere initialen in roodblauw met penwerk, doch zonder verlenging in de marges zoals in hs 19546 (afb 7) De tekst begint f1ren wordt op de eerste 5bladzijden onderbroken door 8 miniaturen De eerste is eigenlijk een gehistorieerde V met een voorstelling van de H Drievuldigheid, de andere zeven hebben voorstellingen van de scheppingsdagen (afb 10) Die miniaturen, in een omlijsting, staan tegen een bewerkte achtergrond, blauw of rood, in de Franse stijl van c 1300 De voorstellingen zijn kunstloos 2) Zie Brieven aan Jan Frans Willems Toegelicht door JBols (Gent 1909), nrs 106, 108, 112, 113, 116 en 117 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 4 en hebben bovendien door de tijd zeer geleden Maten: 4à5cm hoog bij ruim 5 cm breed De tekst eindigt f191 vOp het recto van het schutblad dat daarop volgt, heeft de blauwe inkt zijn sporen achtergelaten, die gebruikt werd oa voor de kapitalen van een kalender, die wij aantreffen achterin hs Brussel 19546, waarvan de beschrijving volgt Deze kalender hoort dus blijkbaar in ons hs thuis De hand, die de kalender heeft afgeschreven komt trouwens eveneens voor in het hs zelf, waar zij, eveneens met rood, in de marge namen van personen en bijbelboeken heeft bijgeschreven (afb 5en 7) Wij komen daar op terug Het is niet onmogelijk dat een oudere kalender later is vervangen door de onderhavige, nadat het hs verhuisd was naar een ander diocees: de drie laatste bladen van het hs werden immers weggesneden en voor deze kalender is een nieuw diploma genomen Het schutblad, dat wij nu nog hebben en dat dus die afdrukken op het recto vertoont, kan later, tegelijk met de kalender ook toegevoegd zijn Het hs is gebonden in een fraai kalfslederen band, in alle opzichten gelijk aan die van het vorige hs, en werd door de Bourgondische Bibliotheek te Brussel in 1846 aangekocht op de auctieWillems voor frs 1000 III Hs Brussel, Kon Bibliotheek 19546 Jacob van Maerlant's Der Naturen Bloeme Perk 109 bll, 237 ×155 (bladsp 185 ×105) 2kol, 40 rr Katernen 4VI, V, VI, VI2, V, VIII, II, 1schutbl Reclamen, geen signaturen Het schrift, aanvankelijk zwaar en geposeerd, wordt allengs eenvoudiger en onregelmatiger Zeer merkwaardig zijn de lussen der letters van de bovenste regels der eerste 33 bladen, die verzwaringen van de schacht, niet aan de buitenkant, maar in de lus vertonen, een eigenaardigheid die mij uit geen ander hs bekend is Mogelijk zal men met behulp van oorkonden uit het begin der 14 eeeuw deze schrijfgewoonte nog eens kunnen localiseren (afb 8) Met het minder verzorgd worden van het schrift verdwijnt ook deze versiering Het perkament is ook in het tweede gedeelte van het hs bepaald slecht te noemen (f 92 ev loopt de inkt zelfs af en toe door) De hoofdletters staan in een aparte kolom, maar zijn niet gerubriceerd Wel Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 5 vindt men afwisselend rode en blauwe hoofdletters, nogal onhandig getekend (2 rr hoog) De grotere initialen, in de conventionele Franse stijl, roodblauw met de bekende Jvormige versiering, zich in de marge voortzettende, weer met penwerk opgesierd, geven geen aanleiding tot opmerkingen Zij zijn in overeenstemming met de stijl van het hs, uit het begin der 14 eeeuw 3)De grootte der initialen varieert tussen 5en 10 regels van de tekst F 1rheeft als schutblad dienst gedaan; de tekst begint op ¼ van de tweede kolom Het is reeds lang bekend, dat het begin van Maerlant's tekst is ingekort Maerlant haalt een groot aantal autoriteiten aan, die de copiïst in een schema heeft ondergebracht Daarvoor heeft hij de miniatuur gebruikt, die het verso van f2 inneemt en die een tabula consanguinitatis tot voorbeeld heeft gehad, zoals F Lyna, die het hs beschreven heeft, ons heeft duidelijk gemaakt 4)Deze verwantschapstabellen, die men gebruikte in het canoniek recht om gemakkelijk de graad van verwantschap tussen familieleden af te kunnen lezen, zijn in de ME reeds zeer vroeg bekend Hier is de figuur van Aristoteles het middelpunt, die als het ware een heel systeem van rode cirkels draagt, waarin de namen van alle autoriteiten zijn geschreven, die op deze meester teruggaan Lyna vond in twee Franse hss, beide uit het jaar 1314, het voorbeeld van deze tekeningen terug: twee uitvoerige miniaturen die zeer op elkaar lijken, zonder dat één dezer als het directe voorbeeld van het andere of van onze tekening is aan te wijzen Het ene hs berust in de Bibl Nationale te Parijs en is ook in die stad verlucht 5),het andere is afkomstig uit de abdij van Tongerlo, maar de herkomst is onbekend In de tijd van Joseph II, als gevolg van de opheffing der Zuidnederlandse kloosters, kwam het in de Bourgondische Bibliotheek terecht 6)De copiïst heeft nu zijn tekst zó ingericht, dat de tekening op f2vprecies past in de context, vandaar het begin van die tekst midden in de tweede kolom van f1v 3) Henry Martin, La miniature française du 13 eau 15 esiècle (Paris etc 1923), p2021 4) C Gaspard etF Lyna, Principaux manuscrits àpeintures de laBibliothèque Royale de Belgique I(1937), nr 113 5) Martin, oc pl 25 (ms lat 3893) 6) Lyna, oc nr 114 (ms 7452) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 6 De stijl van de miniatuur komt overeen met die der Parijse ateliers uit de eerste decenniën der 14 eeeuw, hetgeen het vermoeden wettigt, dat zij ook in die tijd ontstaan zal zijn Terecht looft Lyna deze zelfstandige Nederlandse bewerking; trouwens de hele werkwijze van de copiïst te dezen opzichte duidt op een zekere zelfstandigheid De tekst eindigt f105 r,2ekolom Het verso is onbeschreven, het volgende blad aanvankelijk ook Het dubbelblad, ff 107108, met de kalender, behoort in dit hs niet thuis, zoals wij reeds opmerkten Een nieuw bewijs daarvoor is het voorkomen van roestgaten in de laatste bladen van het hs vóór de kalender en niet in de kalender zelf Op geheel overeenkomstige plaatsen worden die gaten ook in het eerste blad van het hs aangetroffen Het zijn duidelijke sporen van een oorspronkelijke band: de roestende spijkers in de houten borden hebben het perkament der eerste en laatste bladen aangetast Een zeer oud schutblad, f109, mist die roestsporen eveneens Ook dit blad heeft in de allereerste tijd dus geen deel uitgemaakt van het handschrift Het hs is thans gebonden in een band, waarvan de oude met leder overtrokken borden van een 14 eof 15 eeeuwse, met eenvoudige filets versierde band gebruikt zijn, vermoedelijk de band, die Willems om de drie hss heeft aangetroffen Het leder is ongekleurd Voor de rug is een zwaar stuk ongekleurd nieuw zwijnsleder gebruikt Evenals nr 19545 werd het hs in 1846 aangekocht op de auctieWillems voor ƒ 1000 Wij hebben hier dus drie zeer verschillende handschriften, die wellicht ook vrij ver uiteenliggen met betrekking tot hun herkomst, al kunnen de dialectverschillen misschien die der copiïsten weerspiegelen, terwijl zij toch op één plaats geschreven kunnen zijn Overeenkomst is er alleen in formaat en in stijl: ze weerspiegelen één periode van ontstaan In alle drie zijn echter toevoegsels te vinden, die wijzen op een gemeenschappelijke bezitter in zeer vroege tijd Laten wij die latere toevoegingen eens nagaan in de verschillende perioden en zien of deze iets bijdragen tot de geschiedenis van die librije A De versiering van het Rosehandschrift F 1r een initiaal H, conventioneel roodblauw met uitgespaard wit Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 7 in de schachten (12 rr hoog), zich verlengend in de marge met de Franse Jversiering, afwisselend rood en blauw Voorts bleekblauw en rood penwerk, dat ook gebruikt is voor de blauwe Ten de rode Jin de eerste kolom De marginale versieringen zijn gelijksoortig, maar niet identiek met de overeenkomstige in hs Brussel 19546 Op éénzelfde wijze is de N van f69 vnaderhand versierd: oorspronkelijk onderscheidde deze letter zich in niets van de overige gekleurde hoofdletters Blijkbaar heeft men later ontdekt dat de Roman van de Roos daar onmerkbaar overging in die van Cassamus en het begin daarvan willen markeren Het is dus zeer wel mogelijk dat men de ruimte voor de H op f1raanvankelijk open gelaten had voor een tweede, meer artistiek begaafde rubricator De H waarmede de Frenesie begint, is ook later ingetekend, evenals het blauwe opschrift dit es de frenesie en het langgerekte rode hondje, dat de ruimte daaronder moet opvullen De versieringsmotieven waarin de staart zich oplost, lopen zelfs een weinig door de tekst heen De H heeft bijzonder fijn rood penwerk ‘in het oog’ Van deze hand zijn misschien ook een aantal ‘nota's’, handjes, halffiguren met wijzend handje (ff 49 v,50 v,68 v)in de marges bijgetekend, alles in een vroeg14 eeeuwse stijl Verreweg het belangrijkste echter is de ‘historie’ in de initiaal H van f1r,misschien uitsluitend het werk van een derde hand De beschikbare ruimte in het oog is door een verdieping in tweeën gedeeld: in de kleinste, bovenste helft is met blauwe inkt een man op een bed in rugligging getekend De handen zijn onzichtbaar door het dek, dat in fraaie plooien neerhangt Het bed helt sterk aan het hoofdeinde Een vierkant hoofdkussen ligt op een groen ander kussen, daaronder weer het wit van het bed Ook in de plooien en de poot van het bed aan het voeteneind een weinig groen Verder is alles wit gelaten De hoofdtooi van de man lijkt op die van de miniatuur van de Aristoteles te Brussel, die ook geheel ongekleurd is gebleven, op een weinig blauwgroen in de plooien van zijn kleed na Voor zover dit te beoordelen valt (het hele tekeningetje meet ruim twee bij nog geen twee cm), is de stijl in beide tekeningen zeer verwant De gehele ruimte in de H is verder opgevuld met een rode lijntekening op geel fond: witte ranken met groene schopvormige bladeren en witte bolletjes Voorts Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 8 dragen de ranken in de bovenhelft een grote bloemknop met een paarse bloem die op uitkomen staat en nog een kleinere In de benedenhelft kijkt men in een wijdgeopende paarse bloem, terwijl wij nog vier knoppen van bloemen opmerken in verschillende groeistadia Zonder twijfel zijn rozen bedoeld, de knoppen zijn zelfs ondubbelzinnig rozenknoppen De geopende bloem isbijzonder fraai en naturalistisch getekend, in alle schaduwnuances van paars Deze fraaie gehistorieerde letter is niet opgemerkt door Alfred Kuhn, die een uitvoerige monographie heeft geschreven over de miniaturen der handschriften van de Roman de la Rose 7)Dit is te meer te betreuren, omdat hij juist deze miniatuur van de dromende man uitvoerig in alle hem bekende hss heeft nagegaan De eerste periode der illustraties ligt tussen het einde der 13 eeeuw en c 1350; de oudste hebben een symbolische uitbeelding en de dromende man als enkele ‘historie’ in een letter staat natuurlijk aan het begin der ontwikkeling Aanleiding tot deze studie was een fraai verlucht Weens hs (Hofbibl 2592) uit de Parijse school van het einde der 14 eeeuw Juist dit hs heeft, als eerste van vier miniaturen op de beginpagina, die van de dromende man, en wel in een compositie die wij in hoofdtrekken ook in onze gehistorieerde hoofdletter terugvinden: de man ligt op zijn rug op een bed met verhoogd hoofdeinde, onder een kleed dat de rechterschouder onbedekt laat, terwijl daarentegen ook de naakte rechterarm boven het dek ligt Maar vooral de wijze waarop de kussens getekend zijn, is volkomen dezelfde De verwantschap tussen de beide miniaturen is onmiskenbaar 8)Onze tekening behoort echter tot een vroegere periode Had Kuhn deze miniatuur gekend, hij zou zeker niet geschreven hebben: ‘In der zweiten Hälfte des Jahrhunderts vollzieht sich eine kleine, aber bemerkungswerte Wandlung Die Madonnenlage (het hoofd gesteund op de elleboog) von der Antike übernommen, die das ganze Mittelalter hindurch die Regel war, macht nämlich der natürlichen Lage auf dem Rücken Platz’ Trouwens, sinds Lyna's publicatie weten wij dat deze nieuwe houding in het 7) Die Illustrationen des Rosenromans Jhrb der kunsthist Sammlungen des allerh Kaiserhauses XXXI (Wien, 1913/14) 8) Oc, Taf I Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 9 Noorden al zeer vroeg voorkomt, bijv in het psalterium, wellicht uit de abdij van Marchiennes in N Frankrijk van c 1260 (Lyna, oc plaat XVII, 4) en in de Miracles de N Dame van Gautier de Coincy, die misschien in Looz in het bisdom Luik zijn gemaakt, omstreeks het midden dier eeuw (Lyna, oc plaat XXIX, 2)9) Kuhn toont overigens aan dat overal waar in de stijl van Parijs sprake is van vernieuwing van motieven, deze te danken is aan de invloed van meesters uit NoordFrankrijk en Waals België Er kan hier dus sprake zijn van een zelfstandige bewerking door een Nederlander van een Parijs voorbeeld, zoals dat misschien het geval was bij de Aristoteles van hs 19546, maar men kan zijn voorbeeld even goed dichterbij zoeken Opmerkelijk is verder de naturalistische wijze waarop de bloemen getekend zijn: men aarzelt om deze zo vroeg in de 14 eeeuw te plaatsen, maar men bedenke hierbij, dat de rank met de rozen hier geen versiering is: het is een integrerend deel van de voorstelling Juist hier wordt de aandacht op de bloem als zodanig gevestigd bij de illuminator en het wordt hem een aanleiding om de roos te ontdekken, zoals zij er werkelijk uitziet! Wij hebben hier een fraaie vroegnederlandse miniatuur, die ik vlak naast de Aristoteles van Brussel zou willen plaatsen Bij een nader onderzoek verzuime men niet tevens de kleine pentekeningen in de marges daarin te betrekken, de wijze waarop de kopjes getekend zijn, de haartooi (afb 2) Vooral de handjes zijn interessant: men lette op de tot een krul gebogen pink, de zesde vinger bij vergissing, waarvan men het verkeerd begrepen voorbeeld misschien aantreft in hs Parijs, BN lat 3898, dat reeds genoemd werd in verband met onze Aristotelesminiatuur 10) Brengt ons de versiering van het hs in de kring van miniaturisten die contact met Parijse of franstalige handwerkslieden uit noordelijker regionen hadden, hetzelfde kunnen wij immers van de inhoud van ons hs zeggen, want wie nu tenslotte die Hendrik van Brussel is geweest, 9) Met opzet worden hier eenvoudige hss genoemd Men zou natuurlijk ook het antiphonarium van Beaupré bij Geraardsbergen (1290) kunnen noemen Zie Lyna, oc plaat XLVIII 10) Zie G Vitzthum, Die pariser Miniaturmalerei (Leipzig 1909), pl XLI Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 10 wiens ‘toename’ in ons hs niet is ingevuld, dat hij tegen het einde der 13 eeeuw aan het werk is geweest, behoorlijk Frans kende en van de toestanden aldaar op de hoogte was, is toch wel zeker Onze copiïst moet zowel de Roman van de Roos als de Cassamus, een bewerking van de Voeu du paon, in éénzelfde voorbeeld gevonden hebben en dat was een zó eenvoudig hs, dat beide werken zonder merkbare overgang daarin op elkaar volgden Het hs staat dus wellicht dicht bij de autograaf of gaat erop terug: een nauwkeurige tekstvergelijking van de beide stukken zal dat mettertijd moeten uitmaken Tenslotte wijst de Frenesie, een zeldzaam Nederlands product, gemaakt door een van die talrijke Nederlanders die in Parijs studeerden of vagabondeerden, toch wel zeer direct naar dit milieu B De oudste aantekeningen en bijvoegsels van hs Brussel 19546 De laatste 3pagina's van het laatste katern, een octern, waren oorspronkelijk onbeschreven F 105 vwas wegens de slechte toestand van het perkament, die maakt dat het in recto geschrevene doorschijnt, niet geschikt om verder te gebruiken F 105 rdraagt notities van zeer oude datum Het schrift moet wel vroeg14 eeeuws zijn a helemaal boven aan de pagina, na een probatio pennae (alfabet) een huishoudelijke notitie in het latijn: teanna xviij scutell as xi mappas x manutergias viii aurialia vij ollas iii ues ii (pall, doorgeh) patella vna missa omn ia ap ud arscot Er zijn dus enige stukken eetgerei naar Aarschot gezonden, waarvan hier notitie is gehouden b [Con] tra Emorroydes sun tvtilia pulu eres rosar um foliar um c [lu]na prima nildubites quidq uidin so mpno vid eris, in twee kolommen, blijkbaar een soort van maanastrologie met betrekking tot dromen d Na een zwarte scheidingslijn volgt dan een aantal door verticale streepjes gescheiden combinaties van letter +rom cijfer, een tabel die blijkens de uitleg betrekking heeft op de maanstanden in verband met ziekten Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 11 F 106 v,onderste helft, heeft van dezelfde hand een tabel met verticaal de 19jarige maancycli en horizontaal de zondagsletters Deze houdt stellig verband met het voorgaande Deze vroege hand heeft enige karakteristieke kenmerken die haar onderscheiden van een andere, die overigens gelijksoortige marginalia in het latijn betreffende de adamas ,de rubinus en de granatus op ff 95 v,97 en 98 vheeft bijgeschreven Wij zullen op die hand later terugkomen Men lette bij deze hand, die dus alleen in 19546 voorkomt, op de vorm van de ren op de merkwaardige vorm van het arabische cijfer 3in de tabel op f106 v(afb 6) Wij moeten hier nog vlak bij de 13de eeuw staan Zij komt in geen der andere hss voor en zal dus uit de zelfstandige periode van het hs dateren Uit diezelfde periode is misschien ook nog een fijne cursieve hand in lichter gekleurde inkt, die bruin is opgedroogd, die hier en daar verbeteringen in de tekst heeft aangebracht en een enkele glose in de marge heeft geschreven, benevens zeer talrijke nota's: nõ Ook deze hand is in geen der beide andere hss te vinden C Toevoegsels uit de tijd vóór de samenvoeging in hs Brussel 19545 Alléén in het Rijmbijbelhs vindt men een slordige hand, die in zeer zwarte inkt in het Evangeliegedeelte de indeling in lessen heeft aangebracht, meestal in het Latijn, maar ook wel in het mnl Van deze hand zijn ook hier en daar verbeteringen in de tekst Misschien ligt de datum van dit schrift nog vóór de vereniging der hss In ieder geval wijst dit op een gebruik van het handschrift door en voor leken Mogelijk heeft een huiskapelaan het Evangelie, op deze wijze berijmd, aantrekkelijke lectuur gevonden om aan tafel voor te lezen D Het laatste schutblad van hs Brussel 19546 Zoals wij reeds opmerkten, behoort het dubbelblad, ff 107 r108 vde kalender, waarmede dit hs eindigt, oorspronkelijk in het vorige hs thuis Daarachter echter, bevindt zich als schutblad nog een blad, dat thans als laatste schutblad de afsluiting vormt Oorspronkelijk heeft het ook geen deel uitgemaakt van dit hs, want de reeds genoemde roestgaten treft men er niet in aan Toch was het al een schutblad in het begin der 14de eeuw, zoals wij hopen duidelijk te maken Men heeft Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 12 daarvoor een oorkonde gebezigd, die tegen het bord geplakt werd met de beschreven zijde, die loodrecht staat op de schrijfrichting van ons hs De tekst is onderaan en rechts besnoeid en heeft vooral bovenaan door plakken en kreuken in de band zeer geleden Daardoor is het thans niet meer mogelijk ons een goede indruk te vormen van de inhoud Er is sprake van Henricus de bars (?), die een oorkonde uitgeeft die door zijn oom, Heer Godefridus de Brabantia ,dominus de arscot et de virson ,mede bezegeld wordt, om een geschil te beslechten tussen textores lovanienses en zekere Hildegherus de Ftessa , civis Coloniensis Het schijnt dat de coniuges et iohannes ,die steeds genoemd worden, dezelfden zijn als die textores Voor ons doel is alleen van belang, dat we hier een Leuvense particuliere oorkonde hebben, die bekrachtigd is door Godefridus van Aerschot, een der in 1302 gesneuvelde edelen in de slag bij Kortrijk Het is niet onmogelijk dat wij, nu éénmaal gemeld wordt dat iets naar Aarschot is vervoerd en een tweede maal een Leuvense particuliere oorkonde als schutblad is teruggevonden in het hs, enige grond zouden kunnen hebben om hs en schutblad samen in die buurt te localiseren Tenslotte vinden wij op het recto van f109 een korte aantekening, die eveneens op Brabantse herkomst wijst Ook deze moet van zeer vroege datum zijn, daar zij geschreven is vóór al het andere dat op die pagina later werd bijgeschreven, zoals wij zien zullen Van een heel andere hand, in crusief schrift, lezen we daar het vierregelig versje: ANnis duce ntenis bis quatuor octuagenis (!) In iunii nonis vixit (!) dux bella wuronis Hoe geweldig de indruk van de slag bij Woeringen in Brabant ook geweest moge zijn, zulk een spontaan neergeschreven rijmpje zonder enig verband met de rest, verwacht men toch niet lang meer na 1300 E De kalender De kalender (f 107 r108 vvan hs Brussel 19546) is beter op zijn plaats in het hs met Maerlant's Rijmbijbel (nr 19545), al is die ook in Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 13 dit hs later bijgevoegd Ook wat de maten betreft, behoort de kalender daar thuis: de breedte der bladen (150 cm) is geringer dan die van hs 19546 en gelijk aan die van hs 19545 Het calendarium is door Lyna reeds enigszins gedateerd en gelocaliseerd Hij merkt op dat de feestdagen overeenkomen met die van het bisdom Luik en hij dateert de kalender vóór 1322, omdat latere toevoegingen deze datum dragen Er valt over die kalender, mede in verband met onze drie hss, nog wel een en ander mede te delen De hoofdhand (afb 5) is die van iemand die Nederlands sprak, getuige de volgende mnl woorden a In zwarte inkt, naar alle waarschijnlijkheid reeds uit het voorbeeld overgenomen: aldermertelerendach (2 Juli), een benaming die in zwang schijnt geweest te zijn voor de feestdag van de martelaren Processus en Martinianus 11)Wij beschikken over maar zeer weinig kalenders met Nederlandse benamingen van vóór 1350 en zo zal het wel moeilijk zijn om een tweede voorbeeld te vinden: sinds die datum viert de kerk OLVVisitatie als hoge feestdag, zodat deze martelaren uit de kalender verdwijnen Alleen in kalenders waarin de nieuwe feestdag nog niet vermeld is, kan men die nog verwachten b Behalve de rode namen en de enkele blauwe initialen en cijfers, vinden wij ook tal van rode invoegingen, die door dezelfde hand, maar na de voltooiïng van de kalender kunnen zijn bijgevoegd Van de oorspronkelijkheid dier toevoegsels ben ik niet geheel zeker In ieder geval is de stijl geheel dezelfde Men vindt dan in rood, boven de namen der maanden loemaent ,dit es sprokille maent ,dit es de merte ,aprille ,dit es de mey ,Dit es braecmaent ,hoymaent ,oexstmaent ,dit es euenmaent ,herfstmaent ,dit es roselmaent ,Dit es slachmaent De benamingen komen vrijwel overeen met die, gepubliceerd naar de Hasseltse stadsrekeningen van 1487'88 door J Gessler 12) Van de hoofdhand is waarschijnlijk ook nog de aantekening in rood 11) Men zou kunnen denken aan een verkeerde interpretatie: Process mart =Processio martyrorum 12) Leuv BXXXIII (1941), p128 Mijn vriend Van Loey maakte mij hierop attent Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 14 in de ondermarge van het blad JanuariMaart met betrekking tot het vinden van de eerste Vastenzondag: Suect na marcelli waer de mane x daghe Nota out si daghe (verbeterd later met zwart in Sondaghes )dar na soe leeght men alleluya Dwz de Zondag volgende 10 dagen na de eerste nieuwe maan na S Marcellus papa et martyr (16 Jan) is de eerste Zondag van de vasten (dan laat men het alleluya weg in de voormis) Hoogstwaarschijnlijk zijn ook de benamingen van de tekens van de dierenriem aan de kop van de bladzijden nog van de hoofdhand Als dat werkelijk zo is, dan zie ik hierin een nieuw bewijs voor een zeer vroege eenheid van het Rijmbijbel hs en deze kalender Dat hs vertoont nl talrijke eigennamen en titels van bijbelboeken, die met rode inkt in de marges zijn bijgeschreven Zonder enige twijfel zijn die van een en dezelfde hand Men vergelijke bijv in de bovenmarge van f39 rde naam + iudas +met die der zodiaktekens in de kalender, eveneens tussen kruisjes geschreven (afb 5en 7) Gaan wij vergelijkende verder, dan komen wij op glibberig terrein: er zijn verschillende handen in de kalender te onderscheiden, die lang niet altijd te definiëren zijn Zoveel is zeker, dat de hand die de latijnse notities betreffende edelstenen in de marges in hs 19546 toevoegde (zie boven) dezelfde is, die in de ondermarge van de kalender voor Juli en Augustus de aantekening betreffende de quatertemperdagen noteerde Hoe oud is de kalender? Jonger in ieder geval dan hs 19545, maar toch nog uit de eerste decenniën der 14de eeuw Op zijn laatst schreef de oorspronkelijke hand in 1326 De copiïst zelf noteerde in rood in de marge bij 23 Maart: xxvi pasca ,stellig een aantekening voor eigen gebruik Pasen viel inderdaad op 23 Maart in 1326 Van zijn hand kan ook nog zijn de notitie in zwart bij 7April: xxv Ook dit komt uit voor 1325 Ik zou zeggen dat de zwarte jaarcijfers xxvijxxxiiii bij de overeenkomstige paasdata van een andere hand zijn Is het hs sinds 1327 door een ander gebruikt? Zoals bekend is uit Lyna's beschrijving van Brussel 19546, zijn er Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 15 nog twee notities uit 1322 Door een fijne cursieve hand, die ik nergens anders aantrof, is bij 14 Juni geschreven datu m anno domi ni Moccc oxxii odixit mate r (?) aley [dis se obituram ]en bij 12 Juli Moccc oxxii oObitus aleid is Dat dit een terminus quo ante zou zijn, zoals Lyna aanneemt, is mi niet bepaald noodzakelijk Het kan een zeer persoonlijke notitie zijn, een herinneringsdatum De aanvulling tussen []van de eerste inscriptie is natuurlijk niet anders dan een blote onderstelling van mij Inmiddels komt het jaar 1326 nog twee maal voor, één maal in een zeer klein geschreven maanstandberekening en één maal bij een feestdag (floretii (!) confessoris ,17 Oct) FDe hand van de latere ‘versieringen’ in de drie handschriften Een volgende categorie van toevoegsels, die zeer kenmerkend is, vinden wij in alle drie de hss Allereerst een smakeloze versiering van golvende lijnen in rode inkt, die uitlopen in drie of meer cirkeltjes en vaak vergezeld zijn van kleine rozetjes (een nulletje met puntjes eromheen; afb 3en 4) Meestal zijn deze in gezelschap van slecht getekende handjes en ‘nota’'s, die te herkennen zijn aan de ouderwetse kapitale N, zeer in de breedte uitgerekt soms en haast onherkenbaar Met die vier letters wordt op alle mogelijke wijze gespeeld, vaak zijn ze ín het handje getekend In hs 19545, f93 veen wapenschildje met het bekende rozetje en eromheen de letters van ivdit ;f62 veen handje met erin de letters van tempel enz In het Rose hs vindt men er talrijke voorbeelden van, in hs 19546 een paar (ff 85 r,89 v, 94 ren 102 v)Ze komen ook in de kalender voor, maar ook daar zijn het latere toevoegsels Eenmaal is het duidelijk aan te tonen dat zo'n versiering van latere datum is dan een rode aantekening van de oorspronkelijke hand: de versiering van de Avan de in zwart bijgeschreven notitie, die ook nog van de oorspronkelijke hand kan zijn: ANnus habe tdies ccc &lxv quarta m parte m vnius diei minus loopt dóór de mnl aantekening over het weglaten van het alleluya in de mis (zie boven) heen Deze toevoegsels in rode inkt zijn dus jonger dan de andere in de kalender 13)De lelijke 13) 365 moet natuurlijk 366 zijn Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 16 omlijstingen van de mnl notities die het aantal dagen der vier jaargetijden omgeven (in cursief schrift: lint en, somer ,herfst en wint er (afb 5), gevolgd door een rom cijfer) zijn geheel overeenkomstig ook in de andere hss te vinden Deze hand is 14eeeuws en ik zou zeggen ook nog uit de eerste helft G De hand van de rijmen in hs Brussel nr 19546 Een nieuwe categorie toevoegsels ontbreekt in het Rose hs Deze hand, of misschien zijn het er meer, schreef misschien weer wat later, maar toch zeker niet na 1350 Een zware hand, die pikzwarte inkt gebruikt en nu eens eenvoudig boekschrift, dan weer meer op oorkondenschrift met zware lussen gelijkend, schrijft, is begonnen op het recto van f109 (het meergenoemde laatste schutblad) van Brussel nr 19546, allerlei rijmen en rijmspreuken te noteren (afb 9) Zoals wij zagen, stond het latijnse rijmpje over de slag bij Woeringen er toen al, onderaan de pagina Rechts, loodrecht op het eerstgeschrevene, schrijft hij verder en als hij geen plaats meer heeft, gaat hij voort op f1r,dat zoals reeds opgemerkt als schutblad diende en blank bleef; hij breekt af halverwege de tweede kolom van die bladzijde Dat hij inderdaad in deze volgorde geschreven heeft blijkt daaruit, dat hij hier kennelijk klaar is Hij ging over naar f1r,omdat achteraan alles vol was F 106 rv was blijkbaar ook al beschreven Deze hand komt ook voor in Brussel nr 19545 Zij schreef f2r,op een opengebleven ruimte een korte verklaring bij de miniatuurtjes met voorstellingen van de scheppingsdagen (afb 10): IDer inghele wese n en de hem [e] lrike en de (rasuur ) ertrike IIdfirmame nt:III de zee en de bome en de cruet en de gras IIII sterre n Zo nne en de mane V vesche voghele wat erdire vi Dire vee beesten : Darnae te lest den ninsche (!) Ook deze hand komt in de kalender waarschijnlijk meer dan eens Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 17 voor Zeker is in ieder geval Apollonee virginis (9 Febr) 14) Conclusie: De drie handschriften die Willems in 1825 gekocht heeft, hebben al zeer vroeg bij elkaar behoord en zij moeten als een eenheid beschouwd en bestudeerd worden Alle drie zijn ze kort na 1300 geschreven, vermoedelijk in het Oostvlaamse of Westbrabantse gebied Het is zeer moeilijk om zonder diepgaande studie van de tekst te hebben gemaakt, iets definitiefs te zeggen over het dialect waarin zij zijn geschreven Van de Maerlantcodices schijnt het hs van Der naturen bloeme het meest Oostelijk gekleurd te zijn, doch is zeker niet Limburgs van herkomst, zoals Lyna aanneemt Het Rose hs schijnt zuiver Westbrabants te zijn Misschien zijn ze alle drie nog uit het diocees Luik afkomstig, gezien de kalender van 19545 en het schutblad van 19546 (het eerste der oorspronkelijke), waarop we een aantekening betreffende eetgerei dat naar Aarschot gebracht is vinden Als het laatste schutblad ook bij 19546 behoort, dan hebben we hier nog een oorkonde gegeven voor Leuvense wevers en een zeer oud lofdicht op de Brabantse hertog De miniatuur van het Rose hs vertoont verwantschap met die van hs 19546, maar het is mogelijk dat die iets later gesteld moet worden dan het handschrift zelf Het komt mij voor dat alle drie door nietkloosteringen geschreven zijn: zij weerspiegelen de kring die onder de invloed stond van de Parijse cultuur en dat geldt met name voor de miniaturen en de versieringen en in hoge mate voor het hs van die Rose Het veiligste is het om aan te nemen, dat zij omstreeks 1325 op zijn laatst in één hand gekomen zijn Van die tijd af kunnen wij de kalender dateren, die achter de Rijmbijbel is bijgevoegd, eventueel ter vervanging van een Kamerijkse kalender Uit die tijd stammen ook de talrijke marginalia en ‘nota’ 's, die telkens door dezelfde handen in de drie hss zijn toegevoegd Zonder twijfel zijn wij hiermede ook in de wereldse sfeer Het is niet zonder belang om met name die ‘nota’ 's 14) Hierbij ook terekenen de twee vorstelijke heiligen, bijgeschreven op 19 en 20 Nov: Elysabet vidue comitisse dori ngieen Etmu ndi regis ac martyris (afb 5) Speciaal de adel had een voorliefde voor vorstelijke heiligen! Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 18 en handjes in het Rose hs te bestuderen; zij geven ons aanwijzingen die van belang zijn voor de culturele geschiedenis van die tijd Zoals wij zagen zijn hier duidelijk twee handen te onderkennen De oudste zou die van degene kunnen zijn die de miniatuur getekend heeft, of althans die van de overige versieringen: op tal van plaatsen brengt deze hand paragraaftekens en ‘nota’'s aan Het zijn meestal sententies, waar deze man de aandacht op vestigt, ook vaak cynische opmerkingen over de vrouwen, het geld en een enkele keer over de kloosterlingen (f 49 v) De tweede hand, die dus in alle drie de hss, maar voornamelijk in het Rijmbijbelhs, voorkomt, is zeer interessant Ik geef deze enkele passage om te illustreren hoe men dikwijls aanwijzingen uit zulke aantekeningen kan halen, van belang voor de cultuurgeschiedenis van de tijd: +Rose, vs 2426'34 (hs f12 b) +Vsal oec dincken selke tijt Dat gi die scone die es volmaect Bi vhebt al moeder naect In uwen arme in die gebare Alse ocht uwe getrouwet wijf ware Ochte uwe amie van allen saken dan saldi borge in spaengen maken Ende grote ioie van nieuwete driuen Misschien is het kleine notateken, rechts van de kolom bij de twee laatste regels, gemaakt om de aandacht te vestigen op die uitdrukking ‘borge in spaengen maken’; duidelijk blijkt immers in het hele hs de voorliefde van deze lezer voor de sententie De grote ‘Nota’ echter aan de linkerkant, slaat op de hele passage en die is zonder twijfel van die tweede hand Voor ons is dit een aanwijzing: de theorieën in die Rose ontwikkeld, vonden ingang bij de lezers Men las daar althans niet overheen! Voor de latere geschiedenis onzer handschriften leveren zij zelf ons geen enkel gegeven over Willems heeft meer dan eens ondubbelzinnig de herkomst uit de abdij van S Bernardus ad Scaldim genoemd Het lot dezer abdij is sinds 1582, toen zij tijdens de troebelen verwoest is, zeer wisselvallig geweest Het is daarom zeer wel moge Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 19 lijk dat deze trits hss eerst sinds 1726, toen een nieuw tijdperk van bloei inzette, deel uitmaakte van de boekerij In ieder geval werd zij tijdens de revolutie in 1796 gesloten en het jaar daarop verkocht Meer ben ik over de bibliotheek van die abdij niet te weten kunnen komen 15) II De rijmen en rijmspreuken van het handschrift van Der Naturen Bloeme te Brussel Zoals wij gezien hebben, is alle beschikbare ruimte op de schutbladen van hs 19546 ingenomen door rijmen en rijmspreuken, die in twee perioden zijn ingeschreven De eerste periode zou mi nog vóór 1350 kunnen liggen (afb 9), de tweede valt reeds in de 15e eeuw (afb 8) Het is dus wel duidelijk dat wij die verschillende groepen van rijmen goed uit elkaar dienen te houden Die van het achterste blad zoals wij zagen is degeen die ze verzameld heeft dáár begonnen zijn ten dele uitgegeven door Verdam in Ts XI, p 296299 De uitgave is niet zonder fouten en bovendien onvolledig Een nieuwe editie geven wij in Bijlage I Het vervolg vindt men dan op f1van het hs, dat zoals wij reeds opmerkten, oorspronkelijk tegelijk als schutblad gediend heeft: Maerlant's tekst begint eerst in de tweede kolom van het verso Voor het grootste gedeelte vindt men alles wat op dit blad later bijgeschreven werd uitgegeven door Verdam in Ts XII, p 97111, met uitvoerige en lezenswaardige aantekeningen Deze editie is echter bepaald gebrekkig te noemen, tenminste voor zover het de tekst zelf betreft Blijkbaar heeft Verdam in die jaren een afschrift gevonden, door hem in een vroegere periode van zijn leven gemaakt te Brussel en, ziende dat die collectie rijmen nog onuitgegeven was, deze afgedrukt in het Ts zonder zijn teksten nog eens met het origineel te vergelijken Hij heeft zelfs niet eens gemerkt, dat hij indertijd midden in zijn werk was blijven steken en 15) E Michel, Abbayes etmonastères de Belgique (Brux etc, 1923), p6163 Dank ben ik verschuldigd aan de Antwerpse bibliothecaris, Dr GEK Schmook, die geen moeite gespaard heeft om voor mij tezoeken inAntwerpse auctiecatalogi van omstreeks 1825 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 20 heeft later gemeend dat de 129 regels door hem in 56 spreuken ingedeeld, midden in spreuk 56 afbraken In werkelijkheid volgen nog 8spreuken die hij, vermoedelijk omdat het ontcijferen van de tekst hem te zwaar viel en hij geen tijd meer had, niet had afgeschreven De uitgave wemelt letterlijk van de fouten: Verdam was geen paleograaf en dat wreekte zich hier, want het cursieve schrift van het jongste deel der verzameling is inderdaad zeer moeilijk te lezen Een tweede gebrek dat minstens even bedenkelijk is, blijkt uit het feit dat hij geen aandacht besteed heeft aan de vorm waarin hetgeen hij wilde bekend maken, tot ons gekomen is Nergens blijkt toch dat de rijmen door verschillende handen in ver uiteenliggende tijdperken geschreven zijn Dat wreekt zich natuurlijk zelfs in zijn, overigens zeer lezenswaardige, opmerkingen in de aantekeningen die volgen Verdam was een philoloog, voor wie een hs niet meer was dan een bron van een tekst; om het document zelf dat hem die overleverde, bekommerde hij zich hoegenaamd niet Zo was het mogelijk dat hij jaren later een tekst kon afdrukken zonder de indrukken, die hij indertijd bij de bron zelf had opgedaan, nog eens te verlevendigen door een collatie Zo was het mogelijk dat hij twee verzamelingen uit verschillende perioden van de middeleeuwen commentarieerde alsof zij uit een en dezelfde bron tot hem gekomen waren De eerste 34 rijmspreuken vormen duidelijk een collectie apart Door afwisselend rode en blauwe paragraaftekens is telkens het begin van een nieuwe spreuk aangeduid en een golflijntje scheidt de verzameling van twee rijmen waarmede de schrijver eindigt en die eigenlijk meer thuis horen in het genre van de rijmen van het laatste schutblad Men vindt deze dan ook aan het slot van Bijlage I,terwijl de 34 eerste spreuken Bijlage IIvormen Zoals wij zagen, moeten op paleografische gronden de verzen van Bijlage Ien II als van gelijktijdige herkomst beschouwd worden Kwamen wij hierboven tot de slotsom, dat op die gronden het schrift in de eerste helft der 14de eeuw gedateerd diende te worden, ook spellingseigenaardigheden wijzen daarop Ik noem ten eerste die van enkele iin tfirendeel ,ghirecheit ,liue ,tontfline ,grafieën die volgens Van Loey ook gevonden worden in Brabantse oor Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 21 konden van c 1330 16)Dan noem ik de spelling van gvoor zin taengine Van Loey plaatst daarnaast genne voor Senne, Elgebeke ,alge voor alse 17) en de spelling gh voor zin het Amsterdamse hs van het Leven van S Christina, dat ook uit het begin der eeuw moet stammen 18)Tenslotte gh in de positie voor oen a: ghoet ,ghoden ,ghanc ,ghaet ,mij bekend uit vroeg14deeeuwse hss (het Luikse hs van het Leven van Jezus!) Het dialect is misschien wat sterker Oostelijk gekleurd in de verzen van f109, dan elders Letten wij thans op de inhoud der rijmspreuken van f1, afgedrukt in Bijlage II, dan treft het ons, dat het genre overeenkomt met de sententies die in het Rose hs door middel van paragraaftekens en nota 'sdoor de oudste lezer waren gemarkeerd Dit en andere hss waren blijkbaar bij sommigen speciaal in trek met het oog op rijmspreuken en wij zullen deze verzameling dus wel als een bloemlezing te beschouwen hebben Geen enkele dier spreuken in die Rose vonden wij hier overigens opgenomen, maar de volgende nummers zijn door Verdam herkend: Parthenopeus, vs 5505 (tweede gedeelte) nr 2 Maerlant, Hist v Troyen, vss 11400 en 24703 nr 9 ald, vs 11471148 nr 20 ald, vs 1062310626 nr 21 Teestije, vs 39423943 (een bedorven lezing); ook nr 30 in het Boec vd Wraken III, vs23312332 Van deze hand volgen nog twee vierregelige rijmen, die zoals gezegd worden afgedrukt als nrs 7en 8van Bijlage I Pas in veel latere tijd, vroeg in de 15de eeuw misschien al, heeft een cursieve hand de ruimte die in de tweede kolom van f1en die van het verso nog restte, ruim een kolom voordat Maerlant's tekst begint, nog benut voor een aantal rijmspreuken Van de meeste is reeds lang bekend, dat zij vertaald zijn naar Freidank's Bescheidenheit 16) Bijdr tot de kennis van het Zuidwestbrabantsch inde XIIIe en XIVe eeuw Nomina geographica flandrica, Studiën IV ('sGrav 1937), p145147 17) Oc, p179 Binnenkort hoopt Prof Van Loey deze kwestie opnieuw aan de orde testellen inde kolommen van HTop Dial 18) Mededeling van Prof Van Loey Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 22 Die spreuken werden in 1836 reeds herkend door Mone, die ze afdrukte in de Anzeiger für Kunde der teutschen Vorzeit V, S 427 Aangezien het mij verbaasde dat Mone blijkbaar reeds over een afschrift van deze uiterst moeilijk leesbare rijmspreuken beschikt had, ben ik gaan zoeken in de copie, die De Vreese bij zijn bezoek aan de Straatburgse Landesbibliothek vervaardigd heeft van alle afschriften eertijds in Mone's bezit en die thans als Mone's Literarischer Nachlass, Hs L327, aldaar berust Inderdaad bleek uit De Vreese's copie, thans in zijn Bibliotheca Neerlandica Manuscripta te Leiden, dat daar ook een afschrift van onze complete verzameling berust van de hand van Serrure, dat oneindig veel beter is dan Verdam's gebrekkige uitgave Het is wel eens goed erop te wijzen, dat Serrure een zeer goed kenner van middeleeuws schrift was Aangezien veel van de bronnen door hem gebruikt voor de teksten, afgedrukt in zijn Vaderlandsch Museum, verloren is gegaan 19),houde men daar rekening mede: Serrure was wel eens slordig, maar zijn lezing van een moeilijk woord, dwz daar waar goed kijken geboden was, zal in de regel wel betrouwbaar zijn Het kan niet toevallig zijn dat wij een klein aantal dezer spreuken, ten dele in dezelfde volgorde, terugvinden in het Brabants getinte grote Hulthemse handschrift, dat op goede gronden c 1410 gedateerd wordt De spreuken, die aan Freidank ontleend zijn, werden in 1886 door Suringar uitgegeven 20)De in Bijlage III als nrs 1618, 19 (2de helft), 21 en 22 afgedrukte rijmspreuken vindt men in diens uitgave onder de nrs 112116 (hs f141d142a) Ons nr 22 is door Suringar niet (als nr 117) afgedrukt, maar weggelaten, waarschijnlijk omdat hij het lichtelijk anders reeds als nr 8had uitgegeven (naar f138a) Uit een en ander blijkt wel duidelijk, dat beide verzamelingen teruggaan op een en dezelfde bron Onze nrs 13 en 14 staan in het Hulthemse hs op f139 c, slechts door vier regels gescheiden (Suringar, nrs 43 en 46) Ons tweeregelig nr 8vindt men f140 d(Suringar, nr 104) De meeste andere rijmen, die dus niet in het Hulthemse hs voorkomen, heeft Verdam ook tot Freidank teruggevoerd 19) Zie Mnl W X, Bouwstoffen, art 1299 (ter perse ) 20) Middelnederlandsche rijmspreuken, uit een oud Brusselsch handschrift van de Kon Bibliotheek als vertaalde verzen van Freidank's Bescheidenheit aangewezen en toegelicht door WHD Suringar Hand en Meded vd Mij der Ned Letterk 1886, p185281 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 23 Het raadselgedicht (nr 6van Bijlage Ien dus in ons hs van veel oudere datum) vindt men weliswaar ook in het Hulthemse hs (f 136 d), maar in een sterk afwijkende lezing Ook in andere hss komt het voor, zodat we hier wel internationaal eigendom van hoge ouderdom voor ons zullen hebben: Suringar merkte reeds op, dat de twee laatste regels ook bij Freidank voorkomen 21) Dat deze laatste overeenkomst geen bewijs is voor de bekendheid van Freidank's spreuken in deze landstreken vóór het einde der 14de eeuw, behoeft geen betoog Naar alle waarschijnlijkheid is de dichter hier pas bekend geworden sinds de komst der Beierse vorsten in de Nederlanden Bijlage I(s XIV I) 1 +F 109 r +Eren en de werdeghen scone nvrouwen alrehande clappaedge wederstouwen Scone seden sunder ouermoet luttel spreke en de dat selue ghoet te tide nemen ende co nnen gheuen Simpel en de gherechteleec leuen En gheerre archeit vnderwinden vander herten ghirecheit sinden ghenindechleec onrecht wederstaen altoes gherne met ghoden ghaen wel te tide co nnen verdraghen met rechter redene nholpe nmaghe n [D]ie des[e xi]i hout En de gherne mect vrede alrehande ghoet sal hire winne nmede 2 Prelate su[n]der gods vntsien papen die hare kerke vlien princen vrec en de vnghenedech Scone wijf fel en de vnghestedech riddere die siin lant vercoept ioncwiif die te mettenne 1)loept richtere die gherne liecht Scepen die drecht bedriecht out man die inde (< tnde) doe[m]heit tiid 21) Oc, p192 1) Verdam: mertenne Als het er stond, zou het geen zin hebben: jonge meisjes gaan wel naar de markt, maar de metten wonen ze niet bij Als zij daarheen zeggen tegaan, hebben ze andere plannen! Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 24 nonne die dicke vte riit Scoluere die vruech mint arm man die wale wiin kint dits ene dousine wildiis lien dime nselden siet ghedien 3 Na liue sien: en de liues haken luttel spreken: peinsen: en de waken En de mi nnen al dat liue ane gheit dits mi nners leue nalse ict weit 4 Ay mocht mi noch soe ghescien dat ichare die dliefleec sien drecht mochte spreke nna miin ghenoech 2) Alre vrouden hedde icdan gnhoech: marge : 5 Miin vader wan mi hier te voren: Eer hi ghewonne n(o op a?) was ochte ghebore n miin moder gheloeft mi das: droech mi eer sigheboren was: En de icwas oec die selue man: die mire oudermoder magdom nam: En de icwas oec hoe ict verdroech: die tfirendeel vander werelt versloech: 6 Miins leuens troest reiseghe ioecht: Dier icvol trouwe naltoes dine: Al miin gheren es vtaengine: Troest mi werde want ghiet vermoecht Miins herte nbloet liefleke ioecht: lief doet blike nane mi uwe doecht: miin herte en piint vniet tontfline: wat miins daer nae steet te ghescine: miins doghens troest gratileke ioecht: dier icvol trouwen altoes dine: altoes begheric vteangine: 7 +f1rb +Somen dor liue meer verteert Somen dlief meer beghert Somen doer liue meer ghedoecht Somen meer vm liefde poecht 2) lees: gheuoech Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 *1 Afb 1 Rosehs (Kon Ned Akad v Wetensch XXIV), f1r Afb 2 Rosehs, f50v Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 *2 Afb 3 Rosehs, f58r Afb 4 Rijmbijbelhs (Brussel, Kon Bibl 19545), f173 r Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 *3 Afb 5 Nat Bloemehs (Brussel, Kon Bibl 19546), f108v Afb 6 Nat Bloemehs, f106v Afb 7 Rijmbijbelhs, f37r Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 *4 Afb 8 Nat Bloemehs, f1v Afb 9 Nat Bloemehs, f109r Afb 10 Rijmbijbelhs, f2r Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 25 Pine slaghe cost verdriet dat en mindert mi nne niet 8 Ic wille hore n suighe nsien en de herde n Ic hope et sal noch beter werde n Bijlage II(s XIV I) Door middel van rode en blauwe paragraaftekens zijn de spreuken in het hs van elkaar gescheiden Voor nr 17 en 24 ontbreekt dit teken ten onrechte in het hs, terwijl voor de derde regel van nr 33 door mij, evenals reeds door Verdam, een dergelijk teken verwaarloosd is 1 +f1ra +Die grote sake wilt bestaen Wat inden dat hiis mach vntfaen Sal hi pruue n es hi wies Dat hiis bliue su nder mespries 2 Elc man sal teuore nsien Wat vander dinc mach ghescien Wa nten es ghene dinc di[me n]doet Te prisene sine siin dinde ghoet 3 Van cleinre dinc cu mpt gro[te] mesual Dat machme npruue nouer al 4 Die met houerde ndinc bestaet icwent heme selden wel verghaet Al wertinde nbeghinne ghoet ten inde werdet al onspoet 5 Die niet scuwe nen wilt sine scade met rechte rouwet heme te spade 6 hi es va nsinne sere vervloect die raets niet en volcht en de raet soect 7 menech priest vore riecheit sere Arbeit vmder werelt ere 8 Die siin onrecht met rechte wrect ets recht datme nsheme ere sp rect 9 Die vliet hi vint wel dine iaecht Dat es va nmeneghe nwel ghesacht 10 En mesual es saen ghesciet hi es vnwiis die niet en vliet Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 26 11 me nsecht dicke daermen staet van dul w[or]t al[tiit] cu mpt dulle daet 12 Dicke doet de valsce loghe[nare] datmen den ghetrouwe nheft ommare 13 Men darf der ghichte nniet veronne n den ghene ndise lone nconnen 14 icwane hi qua de dachuaert doet die nimpt hem selue nere en de ghoet 15 boue nmacht piintme ndicke vm haue n wa ntnoet duet oude que ne ndrauen 16 Vromecheit en de grote cracht Siin cleine ieghe nmi nne gheacht 17 Et secht de dorp eredie mi ntde nma n dat hi sine nho ntghoets oec an 18 hi en dunct mi niet te sere risen die va ntween (< teen) quade ndminste can kise n 19 alte langhe van hues merre n dat heeft meneghe ndoen vererre n 20 Alse dscone bide nscone nleecht Soe es den ene nde pries vntseecht 21 dat hout menech wise in dien Soe wat sake ndie soude ghescien die moeste hebbe nhare nghanc al wertalder werelt vndanc 22 biden here die mi gheboet sterue nes dinde va nalre noet 23 +f1rb +TE horne seghict der werelt al Vroescap doech cleine su nder gheual 24 men sal scuen meer en de vlien Scande dan de doet vntsien Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 27 25 die du mpes en merct niet wat quade va ncleinre dinc ghesciet 26 Die qua et weet en de niet en vliet ets recht dat heme vernoi ghesciet 27 Sin en de mate hoe soet ghaet die siin ghoet in elcs mans daet 28 Vernoy verlies en de grote scade Cu mpt bi houerden en de bi vnrade 29 Soe blint es des mi nschen sin hi waent altoes dat heme ghewin te vrome naltoes come nsal neent et wert sulc stont mesual 30 Daer es redene ser[e] vntsient 3) daer de vrouwe der dirne ndient 31 Die sire ere nes vntspro nghen acht te min der lide tonghen 32 verredenesse es een ven[iin] dat niet quad ereen mochte siin wa nten es en ghene dinc quader in dese werelt dan die verrader 33 Nie en was vrouwe nherte soe fel men verwanse met doechden wel Al were siconi nghinne van liue sien hedde maer therte va ni wiue 34 al was troien die stat tebroken god heuet sint ghewroken Bijlage III (c 1400) 1 +f1rb +Wie gh erne wint (< went) gh erre spelt Wie vele verliest gerne steelt 2 Sijns selfs lacht er breit hi sere die sine ngheslachte sprecht onnere 3) ontzind Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 28 3 Mi du nke hi wel de nvlen 4)slacht die vo erede ndach prijst de nnacht 4 hi es salech die nv wel doet op dat de werelt hiet voere g[oet] 5 Soe wie ter werelt met eren si hi es te prise nvolsteet hi 6 En ghene hoede es soe [g]oet soe ene vrouwe haer seluen [doet] 7 +f1va +Die twe dinghe nte gad er doet Die sijn selde nbeide goet 8 hi es sot die daer trouwe soecht daer me nre een twint niet en roecht 9 Wie gh erne mine nwille doet Dien draghic gh erne houde nmoet 10 Waerme nwel loe nva ndienste ontfeet Daer salme nte die nste sijn ghereet 11 Jc weet wel dat selde nghebeide nca n bi eyghene nbroede een nodech ma n 12 Wie vele gheloeft sond er gheue n Wilt sond er noet insca nde nleuen 13 Nieme nen mach nv ghedoe nbat Da nhi hem pine te sine dat Met do mme ndom met wise nwijs want het es nv der werelt prijs 14 Dat wijsdom ghee nerue en si Noch const dat wa nhaghet mi Wa ntniema nen heuet so nder aerbeit wijsdo m ere noch houescheit (1e eop s) 15 Soe wie dat na ere steet Vele sorghe nhe m ou ergheet Ere en mach niema ngheuen Dat hi mach so nder sorghe leuen 4) =uilen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 29 16 Orse spere nscilt helm en de sweert Make ngode ridders weert want ere en de alle werdecheit he m ane dese viue leit 17 Die vroede ma nhi sorghet se ere om goet om lof en de om ere Die mi nnere sorghet om mi nne en de die ghireghe om ghewi nne 18 Al sulke nvrient en achtic niet Daer mi lachter bi ghesciet 19 Soe waer vvrient vdaecht }vut Compt daer vscaedt luttel }vut hoe verre een vrunt de nande rensi [Daer] sal doch trouwe wese nbi 20 Die he m gheselt mette ndore n Wat hi hem doet hets al verlore n 21 +f1vb +Wat me nvalsche nvrie nde claech het bleue beter onghesaeght 22 Niema ntsine vrient en weet Alse he m sijn dinc tenbeste ngheet Maer die vriende werde nbecant Alst hun 5)qua leec gheet in hant Voor commentaar en emendaties verwijs ik verder naar Verdam's aantekeningen LEIDEN GI LIEFTINCK 5) ĕin plecken (A 76) in de betekenis van ‘plakken’ De vorm kwam al in 'tmnl voor (Zie Mnl W onder placken ) Gerekte a, waar 'tAB de ăheeft bewaard: bael (A 75) De vorm is nog Vlaams; vgl De Bo: bael, bale Naast elkaar vindt men: laeste (A 3), laetste (A 6), leste (A 6, W 164) §2 ĕen ĭ Ronding van ĕof ĭtot ŭ Zelfs in gevallen waar het moderne Haags spul zegt, gebruikt Adriaen spel (‘dat men dan noch wederom groot spel met de Stadthouders soude hebben’, A 36) Huygens en Geertruide hebben spul Ik heb maar één voorbeeld van ronding ge 47) Ts 18, 169 48) Ts 18, 165 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 66 vonden: gerumpelt (A 139), ook gerompelt ;maar de ongeronde vorm komt ook voor: gerimpelt (A 122) Er komen juist een aantal ongeronde ŭ's voor; zie bij de ŭ Slecken, mv van ‘slak’ (A 16, A177); het Schouws heeft eveneens de ĕbewaard In tegenstelling tot het vorige geval heeft in ‘vlek’ het AB de ĕbewaard W schrijft vlackkies (W 154), maar ook vleck (W 165) ĕvoor n+dent >ei:seynden (A 17, W 90, M 32), Heyndryck (A 199), beseyndinge (A 156), eynten (A 142), maar verent (A 142) De broers schrijven steeds eynde Versenden (W 133) komt slechts één keer voor evenals sent (W 133) Geertrui en Constance Huygens hebben de vorm op ei nooit Huygens zelf gebruikt alleen veingster 49)Dorothea gebruikt behalve seynden nog andere dergelijke zuidelijke vormen 50) Alleynskens (A 46); de vorm allenskens (W 90) wijst er op dat dit woord, in het WNT afgeleid uit aleenskine, bij deze groep hoort De ei is ontstaan na de verkorting van de ee ĕ>ĭin schilpen Dit woord komt ook voor in de uitdrukking ‘in syn schilpen gecroopen’ (M 56), waar men tegenwoordig schulp zegt Vgl printen (W 165, A 261) Wisseling ĕen ĭin: aenrechten (A 70), uytrechten (A 15, W 143) maar uytgericht (A 9), opgerecht (M 10), schreckelicken (W 113) maar schrickelike (W 121), peckbrouck (A 18) Mit /met Kloeke merkt op, dat mit al vroeg een cachet van minderwaardigheid heeft gekregen; ‘de Haagse meisjes onthouden zich daarvan zorgvuldig’ 51) Verwonderlijk is 'tdaarom dat in de brieven mit niet voorkomt, wel met, terwijl Martinus mit gebruikt in een officieel stuk 52)Merkwaardig is de ĕvoor nasaal +cons in schemp (A 287) Overgang van ĭtot ĕhebben we in hette (A 155) <*hitj ;waarschijnlijk ook in crebben ;vgl os kribbia Een oud woord is slessen, 49) Ts 18, 166 50) Ts 48, 92 51) Ts 57, 34 52) Gonnet, aw I,XXI; misschien citeert hij daar uit de ‘expresseplacaeten’, waarvan op die plaats sprake is Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 67 waarvan het participium geslest (A 180) voorkomt Kiliaen heeft reeds naast het simplex ‘beslissen’ In A 81 komt slisten voor in de betekenis van ‘blussen’ §3 ŭ De ŭwordt soms ontrond tot ĕ:kneppel (A 88); hen (A 81) pron poss (‘met hen hoeden’), vgl Franck, Mnl Gr 2§214: ‘Auch wird unflektiertes hen (henlieden )als Possess gebraucht’ In de vorm rispen ‘rupsen’ (A 135), welke we in de moderne Noorden Zuidnederlandse dialecten terugvinden hebben we niet te doen met ontronding van ‘rups’ Men zie WNT sub voce In een vrij groot aantal gevallen verschilt het gebruik van ŏen ŭvan ons AB Ik heb de volgende gevallen genoteerd: connen (A 3) maar cunnen (A 40) (A en W gebruiken meestal konnen, een enkele keer kunnen M heeft steeds kunnen ),konst (W 125), cunst (M 186), kunsties (A 87), fondamenten (A 7, M 25), fonderen (A 109), plonderen (A 14), Monster (A 20) maar Munster (A 14), Monstersche (A 19), fonctie (A 92), bonsemshol (A 222), plockt (A 69) (ook Schouws, zie verder Opprel en Van Weel), jock (A 120, Van Weel: jok ),versockelt (A 199, Schouwen en Goeree sokkel ), droppen, werkw (A 12, Van Weel droppel ),vollen (A 36), knoppeldoeckie ?(W 145), bos (A 70), Joffrou (A 225), dobbel (A 73) maar dubbelt (A 83), locht (W 54) maar lucht (A 61) Een enkele keer komt ŭvoor, waar de moderne taal ŏkent: Muscovyter (A 21) maar Moscoviten (W 123), munniken (A 51), dult (A 70, praes van dullen, Vlaams dul ),Roermunde (A 86) maar Roermondt (A 62) Vgl omgekeerd canonick (A 73) Voor 'tbestuderen van de wisseling ŏ/ŭ in het 17deeeuwse Haags hebben we aan de studie van Kern niets Te Winkel suggereert, dat de ŏweinig voorkwam (blz 167) Maar Van den Berg noemt een groot aantal woorden met ŏ, die ook bij de gebroeders voorkwamen, bv konnen, locht, konst, dobbel, jock, drop (pen ),welke bij Huygens, behalve de ŏook wel een ŭhebben 53) 53) NTg 37, 243 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 68 Bij Van Leeuwenhoek zijn te vinden: gevold, konst, connen en droppel 54) Er is inderdaad een neiging merkbaar om ŏte vervangen door ŭ55)Maar als Van den Berg opmerkt: ‘De vervanging van ŏdoor ŭis dus een proces, dat voor H nog niet is afgelopen 56),verkondigt hij een waarheid, die 50 jaar later nog opgaat §4 Ontwikkeling van korte vocalen voor r haersenen (A 39): gewoonlijk ontwikkelt ĭr+cons tot ĕr +cons Afwijking van de normale ontwikkeling van ăr +dentaal vond ik in: perticuliere (A 76), waarin dus ăgepalataliseerd is; maar: particulierder (A 81); Aernem (A 109) naast AB Arnhem ;paertie (W 125), rekking, waar 'tAB die niet heeft; gors godespenning Carel (A 40) ‘kerel’ naast karlen (A 224) staat op één lijn met parel en paars, waarin ook de aa uit ĕis ontstaan Ontronding van eu tot ēmerkte ik op in: crepel Vgl Cats en modern Schouws Van Riebeeck heeft naast Creupelbos ook Crepelbos (H en Gr 304) eu voor oo vond ik in deur (A 274) en deurgaen (W 274); echter doghen (W 169) werd gebruikt voor ‘deugen’ Dat de eu in deurgaen niet meer als beschaafd gevoeld werd blijkt uit: ‘de door van de kerck’ (W 162) Een vreemde vorm is beleuft (A 98) Tot slot van het overzicht van het vocalisme moge ik nog een tweetal woorden met afwijkende vocaal noemen: vrinden (A 3, W 90) en vrunden (A 46, W 54) worden door elkaar gebruikt De schoolmeester veroordeelde vrind en vrindschap 68)Een ‘opmerkelijke dialectische vorm’ (FranckVan Wijk) hebben we in joecken (A 13), die nog steeds in het Schouws voorkomt W 286 heeft verkorting van oe dus jocken 68) Ts 57, 33 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 73 II Consonantisme §1 Intervocalische d Uit de brieven van de Gebr Van der G citeer ik eerst drie voorbeelden, die in het moderne Nederlands een hypercorrecte dhebben, maar die nog missen in de brieven: geschien (W 119), castien (W 119), Bierkaey (A 19 naam van een straat), kaey (A 258) Wat het laatste woord betreft, Adr gebruikt ook: kaden (A 232), somerkade (A 257) Wel heeft er blijkbaar differentiëring van betekenis plaats gehad: kaay = aanlegplaats, kade =lage dijk De schoolmeester moet de hypercorrecte vorm nog aanprijzen Ik geef nu de gevonden gevallen van elisie en substitutie van dvolgens de rubricering van Van Haeringen 69) 1a Syncope en verlies van syllabe: roo wijn (W 110) maar roode (A 61), goekoop (W 125) maar goedekoop (A 83), goe wijn (W 248), slee (A 210) maar sleede (A 211), qualick (A 85) maar quade vrinden (A 105), hey (A 88), heeuy (A 142), sceywater, schaloos (A 104) maar schaede (A 98), brugom (A 21) maar brudegom (A 70) b Syncope met op əvolgende consonant: spaen (M 49), noon (A 65), naer (A 21) ‘nader’, schaen (W 126), neerlach (A 17) naast nederlag (A 89), Neerlants (W 131, A 61), bien (W 160), verbien (W 259), boom (M 67, A 58), sael (W 145, vgl Haags Wrdb saal ),biechtvaer (W 160), Veel (A 6) ‘vedel’, voer (A 13), afgetreen (W 162) 'n Zeer ongewoon geval is nog bevrynghe (W 281) ‘bevrijding’ Bij sommige van deze woorden is het de vraag of de əverdwenen is: geschien, castien en bien Men vergelijke echter 'tKatwijks, dat overal de əin de voorafgaande klinker liet opgaan 70) 2 Syncope zonder verlies van syllabe: weyen (A 13) maar weyden (A 14), vetweyer (A 225), diefleier (W 151), blyelyck (A 69) maar blyde (A 46), vercouven (A 27) 3 Substitutie door j:moey (M 49) maar moede (A 9), parelpoeyer (A 40) maar poeder (A 94) 69) Ts 46, 1927, 1vv 70) Overdiep, De Volkstaal van Katwijk, 1940, 94 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 74 Merkwaardig is 't, dat de onder 1bgenoemde voorbeelden, die bij de Gebr veel voorkomen uit de moderne taal nagenoeg verdwenen zijn, of alleen nog als litteraire vormen voortleven Het Schouws en het Katwijks leren ons echter, dat we hier inderdaad te doen hebben met eigenaardigheden van de volkstaal 71)Het gaat om vormen als: schaen, bien, afgetreen, die Kern blijkbaar alleen bij Reigersberch heeft aangetroffen 72)Hij verwijst daarvoor naar het Noordbev Ik kan daar het Schouws aan toevoegen, maar we kunnen dus, zie het Katwijks, dichter bij huis blijven Waarom in de meeste der genoemde gevallen de dhersteld is, is wel duidelijk Bij de verba werkten daartoe mee de enkelvoudige persoonsvormen, bij de zwakke verba bovendien de verl tijd Bij spaen, boom, sael kunnen we aan homoniemenvrees denken Uit de opgegeven gevallen blijkt, dat ik er dikwijls in geslaagd ben, naast de vorm zonder interv der één te vinden, waarin de dbewaard is Bijzonder aardige hypercorrecte vormen zijn: aertvlooden (A 106, A 170), op te bouden (A 107) hagelbuyden (A 155) §2 Assimilatie Het wegvallen van tvoor sis in 'tHaags van alle tijden een gewoon verschijnsel 73) De Gebr deden aan deze assimilatie dapper mee: duysenste (A 3); laeste (A 3), vgl D lesten en Van Leeuw laaste ;gequest (A 4), vgl D gequesten ;Sweesche (A 18); geswest (A 51), harsticke dood (W 110), gereschap (W 138), ouste (M 25, W 267), Delfs (A 57), Duyse (A 105, vgl Haags Wb Duisser ),plaesen (subst A 195, vgl Haags Wb plaas, Van Leeuw plaas 74))Bij Kersmisse valt een volgende tweg Andere consonanten assimileerden eveneens aan de s:crijsraet (A 4), flus (A 43) Ook andere assimilatie was zeer gewoon: ontrent (A 4) en daerontrent (W 117), maar omtrent (M 42, vgl Van Leeuw ontrent ),ombedacht (A 8) De door mij gevonden dissimilatiegevallen zijn dezelfde, die ook 71) Overdiep, aw, 69 72) Ts 48, 97 73) Ts 48, 98 en Ts 57 37 74) Het isook mogelijk, dat de oude vorm bewaard is, dan hoort dit woord in'tgegeven verband niet thuis Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 75 bij Van Leeuw voorkomen; ze zullen dus wel veel verspreid geweest zijn: datelick (A 7, W 78), eyntelyck (M 52) §3 Epenthesis en paragoge din inwoonders (A 3), cleynder (A 6), alder beste (A 14), ampelder (A 41), speciaelder (A 51), particulierders (A 65), gehoorzaemder (A 73), schoonder (A 96), Alderheilige (A 102), dubbelde (A 149), speelder (W 90), gemeender (W 119), onnoselder (W 136), gheender (W 158), ampelder (M 25) tin namentlijck (A 5), gelegentheyt (A 5, W 77), opentlyck (A 18), genegenheyt (A 19, W 78), voornaementlyck (A 65), dubbelt (A 83), wecht (A 73), eygentlyck (M 25), namentlycke (M 32), volcomentlyck (M 52), gepeupelt (A 43) pin compt (A 6), noempt (A 7), beraempt (A 8), genompt (A 8), schaempt (A 12), neempt (A 12), quaempt (A 16), geraempte (A 16), verarmpt (A 18), versuympt (A 18), genaempt (A 24), ingeruympt (A 26), quamp (A 27), namp (A 40), de compst (A 50), gestormpt (A 75), quamp (W 77), noempt (W 90), waerneempt (W 110), gedroompt (W 125), beraempt (W 136), vreempt (W 136), beneempt (M 28), cortaesempt (M 28), versuympt (M 28), compt (M 29), vreempde (M 32), vreempdeling (M 185) Slechts zelden ontbreekt de overgangsklank: opneemt (A 51) Epenthesis van den twas bij Van Leeuwenhoek ook niet ongewoon, maar over de p, die bij de Gebr zo veel voorkomt, spreekt Mej Mendels niet 75) §4 w + r> v+ r vrevelich (A 62), gevroocken (A 107), gevrongen (A 212), uytgevrocht (A 120), maar uyt ghewrocht (W 157), vreken (W 248), gevreven (A 222) §5 Wat de velarisering van nbetreft, de broers verschaften me niet meer materiaal, dan Kloeke in het Haagse Wb vond (Ts 57, 39): vengster (A 238), maar vensters (W 143) A kent ook strang (A 94), dat dus niet alleen Schevenings was 76) 75) NTg 41, 127 76) Ts 57, 38 noot 2 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 76 Maar het mnl had reeds stranc 77)Dingsdag (A 11) naast Dinsdach (A 55) hoort wel niet in dit verband J de Vries acht velarisering niet onmogelijk 78);maar de gutturale nasaal is waarschijnlijk oorspronkelijk 79) §6 Auslautende nwerd niet meer uitgesproken: syde (A 51), silvere (A 48), porceleyne (A 57), selde (A 7), verscheide (W 165), sommige (A 7), vele (W 113), de Spaensche (W 90), de onse (W 54), de Swede (W 141), de maniere (W 151), De Engelsen seide (A 12), vele gelove (W 113), betrouwe (A 15), seynde (M 67) ‘zenden’ Vgl daarentegen: dat het mij ten hoogsten verwonderden (W 78) §7 cht voor ftkomt voor in: schricht (W 119), gight (A 86) ftis bewaard in stift (A 21), stiften (W 116) Graft (A 7) hoort hier niet bij; het heeft de betekenis ‘graf’ Hier hebben we dus te doen met een paragogische t §8 nk is nog vaak bewaard: lanck (M 42), lanckwijlige (A 9), lanckduyrige (A 12), jonck (M 25), ginck (A 17), ginckt (W 130), toeginck (W 78), uytganck (A 40), kerckganck (W 125), gevankenisse (W 151), Coninck (7 ×in A 10 naast 1×Coning ) Schönfeld noemt om dit verschijnsel te dateren de naam van Vondel Maar uit bovenstaande voorbeelden blijkt, dat het in de 2e helft van de 17de eeuw ook nog veel voorkwam 80) III Varia De diminutiva Kern kwam tot de conclusie, dat in 'tbegin van de 17de eeuw wat het gebruik der diminutiva betreft, overeenstemming was met het tegenwoordig beschaafd Het Zuidelijke ke suffix werd wat vaker gebezigd dan wij gewoon zijn Ook in mijn materiaal vind ik veel 77) Schönfeld 74, opm 4 78) Ts 48, 170 79) Vgl Herkomst en groei 193 80) Vgl Herkomst en groei 305 onder Pingh Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 77 vormen die overeen komen met de hedendaagse, dus met je, tje en etje Voor de schrijfwijze met ie werd door Kern de uitspraak je aangenomen Zijn opvatting van het suffix in visie 81) kan verstevigd worden door de gevallen kosie (W 265) en kasie (W 90) Een moeilijkheid daarentegen levert op lities (W 246) ‘liedjes’ Op de ieuitspraak zou kunnen wijzen de dubbele consonant in doossie (A 6) en vlackkie (W 145), maar twee voorbeelden bij inconsequente schrijvers als waar we hier mee te doen hebben, leveren voor een theorie een te gering materiaal Misschien, dat een vrij zeldzame schrijfwijze die bij A een groot aantal malen, bij W een hoogst enkele keer voorkomt, ons iets meer te zeggen heeft Het gaat om de woorden: korfttie (A 5), kycktie (A 6), kinderpocties (A 37), nopties (A 46), nefties (A 50) ‘neefjes’, zilverdoostie (A 57), copties (A 58), wisselbriefftien (A 74), brieftie (A 76), boecktie (A 83), sackties (A 85), sockties (A 85), cloptie (A 92) ‘klopje’, stucties (A 96), doostie (A 98), boomtie (A 228), Spreucktie (W 251), kettingtie (W 254) Deze ongewone schrijfwijze alleen Kern leverde me nog een voorbeeld: boomptgen, bij Te Winkel, die toch een groot aantal verkleinwoorden geeft vond ik er niet één zou mi heel goed kunnen wijzen op een zich distanciëren van een platte uitspraak: korfie, kijkie, enz Hiermee in overeenstemming zou zijn, dat de nog deftiger vorm op ken bij A in 12 op de 71 diminutiva voorkomt, terwijl deze bij W volkomen ontbreekt M heeft op 6verkleinwoorden 4keer ken 82)Van een achteruitgang in het gebruik van het ken suffix kan dus allerminst gesproken worden In dit verband lijken me de volgende diminutiva nog van betekenis: stucksties (A 7), saxties (A 75), boextie (A 94), roxtie (A 96), somerdixtie (A 156), cnoppeldoextie (A 191) Ik vat dit verlengde stje suffix op als een compromisvorm van ske en tje 83) Is dit inderdaad het geval, dan moet het suffix ke in het bewustzijn van de schrijver nog een belangrijke plaats innemen Bij W ontbreekt het volkomen; een reden om aan te nemen, dat het 81) Ts 48, 76 82) De twee andere vormen zijn: fijntjes (M 32) en meyssens (M 197) 83) Vgl lidetjes, dat ikverklaar door de invloed van liedekens Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 78 in de spreektaal van de 2de helft van de 17de eeuw zo goed als verdwenen was Het meervoud van enige substantiva 'n Dubbel meervoud trof ik aan in vlaggens (A 50), bruggens (A 109), Actens (A 82), datens (A 82), gehoudens (A 11) ‘gehuwden’ Alleen sheeft braves (A 6) Een nog steeds voorkomende ‘fout’ is data's (W 78) De naamvals n De nheeft de functie van naamvalsonderscheiding verloren: den staet heeft (A 5) Vaak staat de nvoor een woord, dat met een klinker begint: den officieren (A 6) Soms ontbreekt de n,waar hij grammaticaal thuis hoort: aen de Coninck (A 45) De dubbele ontkenning De broers gebruiken en in verbinding met niet en geen :daer de Sweeden niet aen en vielen (A 6); De onse en hebben daer gheen viant gesien (W 54) Deze dubbele negatie komt vooral in bijzinnen voor, zoals tegenwoordig in het Katwijks nog regel is84) Het werkwoord De ww sien en gaen hebben in de 1e prs sg een n: ick sien wel (A 12); gaen ick (A 27) Beginnen :praeterita begonden (W 141), begondt (A 69), begonst (A 59), begost (W 254); participium: heeft begost (A 75, W 307) Durven :praesens steeds met e:derven uytstellen (A 9) derft men (A 9), derff (A 12), derve (W 173); praet dorsten (A 5) Kennen en kunnen ;deze verba worden nog vaak voor elkaar gebruikt: gij cundt d'intresten van dat volck (A 50); dat hij het wel doen kende (W 78) De inf en het praes van kunnen hebben bij A en W meestal o, bij M steeds een u Echter in dezelfde brief (A 40) gebruikt A cunnen en connen Praet konde (W 133), cost (A 13), costen (A 13) Liggen en leggen :leggen ipv liggen (niet omge 84) Overdiep, aw, 93 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 79 keerd): dat d'onse was blijven leggen (A 7); 3e pers praes van liggen :leyt (M 23), 3e pers praet lei (W 259) Part pf van leggen :geleyt (A 40) Worden ;inf en part hebben meestal nog e:werden (A 3), gewerden (M 32), werdende (A 18) Vormen met okomen ook voor: worden (W 171), geworden (A 6) In 'tpraet ie:wiert (W 54), wyerde (M 25) Zeggen ;praes: seyt men (A 5), part geseyt (W 77), op de geseide stont (W 121) Tot slot enige minder betekenende afwijkingen: Bij dorsen het participium gedorsen (A 120) Vragen :praet vraeghde (W 126) Zwakke vormen die zich niet hebben kunnen handhaven zijn: getreft (A 40), verkerft (W 121), beweeght (W 143) Het volt deelw van kiezen is gecooren (A 6), maar vriezen heeft gevrosen (A 95, W 181), uytgevroosen (A 65), bevroosen (A 63) Nog steeds bekende ‘volkse’ vormen zijn: ontfong (A 120) en hongen (A 239) De strijd tussen gesteken en gestoken in de 17de eeuw, waarvan Schönfeld spreekt 85) is in de besproken periode nog niet uitgewoed; vgl gesteecken (A 5), versteken van (A 34) Vinden heeft een praeteritum von (W 141) M schreef als mrv van zijn : De Portugysen syne (M 49) Moet men bij een praet als pleeght denken aan contaminatie van placht en pleegde ?Een merkwaardige stapelvorm is hieude (W 167) van houwen De aanspreekvormen De brieven leveren voor de aanspreekvormen maar weinig materiaal De Gebr spraken elkaar zeer vormelijk aan en wel met UEd in de 1e, 3e en 4e nmv, UEd's of UEd tsin de 2e nmv In de ‘Inleiding’ komt een fragment van een verslag voor dat weergeeft, wat de voor 'tHof van Holland gedaagden elkaar in verhitte gemoedstoestand toeschreeuwden Enige bijzonderheden wil ik de lezer niet onthouden De woedende Adrichem spreekt vd G aldus aan: Du hontsvoth, du reeckel Dus in de 2de helft van de 17de eeuw werd du in schimpende taal nog steeds gebruikt 86)Iets minder met gevoel geladen was: Wilt 85) Hist Gr 4154 86) Vgl JW Muller, Bijdrage tot de geschiedenis onzer Nieuwnederlandsche aanspreekvormen, NTg 1926 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 80 ghy voor hem spreeken, hontsvoth Je als subjectvorm in: ick sal comen, ick belooft u, waer je wilt In deze zin treffen we uals objectvorm aan Naast ukomt voor UL (Uwe Liefde) De knecht van vd G waarschuwt zijn meester met de woorden: daer es de Heer wederom, dye UL op de marct onlancx aangetast heeft, hy wil u spreecken Het wederkerende voornaamwoord Zich heb ik slechts één keer opgemerkt: sigh voeghen (W 248); dit pronomen kwam blijkbaar nog maar weinig voor In plaats daarvan trof ik aan hem :Die Koningh beklaeght hem (W 117); voor 'tvrouwelijk en 'tmannel mrv haer :luiden van verstant verwonderen haer (W 145) Nog een ander reflexivum is: zijn eigen in te veel met zijn eighen te doen heeft Syn selven in Dye goed man hadde syn selven ingebeelt (M 49) Enige opmerkelijke woorden Tot slot heb ik enkele woorden genoteerd, die om de vorm of de zeldzaamheid van betekenis zijn: akers (W 121), asem (W 165), amonitie (A 105), als ‘alles’ (A 40), bedevaerden (A 67), bedient (W 143, vgl Huygens bediente ),backhuys (M 49), bohaey (A 34), eman (A 40) ‘echtgenoot’, erweten (A 89), fantiseren (W 181), fielen (W 78), gesanters (A 105), gaeren (A 14), garn (W 77) ‘gaarne’, hartsticke doot (W 110), huyden (M 31), huissen (W 151) ‘handelen’, holder te pa (A 6) ‘drukte’, ietwes (A 36), jegenstaende (M 186), jegenwordigh (W 113), kinnetes (A 260) ‘vaatjes’, cot (A 40) ‘hok’, leffhebber (A 88), luck (A 227), meen (A 50) ‘gemeten’, oest (A 10) ‘oogst’, schicken (A 3) ‘sturen’, sirvelnoten (W 171), sonders (A 7) ‘bijzonders’, spienjongs (A 85) ‘spionnen’, speeltie (W 110), tarre (A 34), tarru (A 50), tjolckeis (A 44) ‘jachthonden’, tulpanen (W 117), tulipaenbollen (W 119), twinten (A 35), vercouentheyt (A 20), vermolsempt (A 49) ‘vermolmd’, volen (A 14) ‘veulen’, wecht (A 73) 'sGravenhage JJ BORGER Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 81 ‘Karel ende elegast’ en de ‘meesterdief ’sprookjes Een halve eeuw geleden heeft Fr Panzer het probleem van de verhouding tussen heldenepos en sprookje opnieuw behandeld; in zijn boek HildeGudrun (1901) trachtte hij toen te bewijzen, dat het ‘Goldener’ sprookje (Grimm, KHM 136) de grondslag voor de Hildesage zou zijn; in Beowulf (1910) en Sigfrid (1912) verdedigde hij de opvatting, dat het gelijknamige Angelsaksische epos en de Sigfridoverleveringen in hoofdzaak op het sprookje van de ‘Berenzoon’ (Grimm 191) gebaseerd zijn Sedertdien is de Germanistische wereld, voorzover zij zich met deze dingen bezighoudt, in twee groepen verdeeld Sommigen hebben zich door de welsprekende uiteenzettingen van Panzer laten overtuigen; de meerderheid echter wil de heldensage en het heldenepos in 'talgemeen van het sprookje gescheiden houden en geeft alleen toe, dat bepaalde sprookjesmotieven in heldensagen binnengedrongen zijn De strijd is nog altijd niet geheel beslist; Panzer althans houdt aan zijn opvattingen vast In de samenhang van deze strijd over de prioriteit van sage of sprookje heeft al lang geleden de Middelndl ‘Karel ende Elegast’ de aandacht getrokken CC Uhlenbeck heeft (Ts XII) op een Russische byline (heldenzang) over Volch Vseslavjevič opmerkzaam gemaakt, die hij voor een verwante sprookjesachtige vorm van de ‘Karel ende Elegast’stof houdt; ik zal deze tekst echter liever buiten beschouwing laten, omdat de overeenstemmingen toch wel heel gering zijn Duidelijke varianten van de ‘Karel ende Elegast’ vond H Kern echter in een Mongools verhaal over Edzjenj Chan (eveneens Ts XII) en R vd Meulen in een Litaus sprookje ‘Van de koning, die uit stelen ging’ (Ts XXXII) De grote sprookjeskenner G Polivka wees verder op een Karel ende Elegastsprookje in Ončukow's bekende Russische bundel Sěwernya skazki (Sprookjes uit het Noorden) Ik zelf heb met Polivka's hulp nog enige Slavische ‘Karel en Elegast’sprookjes in Duitse vertaling in handen weten te krijgen, die ik aan het slot van dit opstel in 'tkort Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 82 behandelen zal Allereerst wilde ik echter een analyse van het ‘Karel ende Elegast’epos geven en een poging doen om vast te stellen, in hoever daarin sprookjesbestanddelen aanwezig zijn Het kleine epos ‘Karel ende Elegast’ geldt algemeen voor een van de pronkstukken van onze Middelnederlandse letterkunde; het is een goed verteld verhaal met scherpgetekende hoofdpersonen, dat onze aandacht van het begin tot het einde geboeid houdt Duidelijk zien wij Karel de Grote voor ons, de koninklijke inbreker, die maar node het bevel van de engel om te gaan stelen heeft opgevolgd; verder Elegast, de verbannen hertog, die struikrover moest worden om te kunnen leven, maar die toch zijn ridderlijke tradities bewaard heeft; en ten slotte Eggeric, de ruwe vazal, die zijn zwager Karel naar het leven staat en zijn vrouw mishandelt, als deze het waagt haar broer te verdedigen Er zit sfeer in dit werk; zowel het slot Ingelheim, waar een ieder slaapt als Karel er op uittrekt, als het nachtelijk woud in de maneschijn, waar de zwarte ridder dwars tussen de bomen door gereden komt, prenten zich bij ons in Alles wordt in eenvoudige, directe woorden verhaald; soms met een humoristisch trekje in de schildering van Karel, die als dief wel erg onhandig is Wij menen dan ook, dat Van Mierlo in zijn Geschiedenis van de literatuur der Nederlanden I,112 vlg met recht zegt, dat andere volken ons dit meesterwerkje ‘Karel ende Elegast’ moeten benijden Of hij echter gelijk heeft met zijn bewering, dat het oa daarom zo voortreffelijk is, omdat het zulk een ‘organische eenheid van motieven’ vertoont, zodat het als 'tware ‘tot een epos gegroeid is’, lijkt mij een andere kwestie, die ik in de loop van mijn uiteenzettingen nog nader in 'toog hoop te vatten Mej M Ramondt begint haar studie ‘Karel en Elegast oorspronkelijk?’ (Utrecht 1917) met de woorden, dat de bekende sage van Karel de Grote, die op goddelijk bevel in een duistere nacht met een dief van beroep ging stelen, toch wel een zonderling verhaal is Karel zelf vindt het ook een vreemde geschiedenis Wat node soude mij sijn te stelen? vraagt hij; ic ben so rike (56 vlg; uitgave Kloeke) Dlant is algader mijn /tot Colene op ten Rijn /ende tot Romen voort (65/7) Bovendien wil de koning van rovers en dieven niets weten: Ic was ghewone voer alle dinck /dieve te hatene, daer icse wiste (204/5) Maar toch Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 83 geeft hij aan het door de engel overgebrachte bevel gehoor, want deze heeft gezegd: En steeldi in deser nacht niet, /so is uevel ghesciet: /ghi sulter omme sterven / ende uwes levens derven (25/8) Eerst veel later in het verhaal, nadat AdelbrechtKarel en Elegast gezellen zijn geworden, komt de koning tot het inzicht, wat de diepere bedoeling van het wonderlijk bevel tot stelen was Elegast heeft het gesprek van Eggeric met zijn vrouw afgeluisterd en brengt het nieuws: Mijn heer sel sterven morgen vroe Eggeric heeft sinen doot gesworen (973/5) Dan begrijpt de koning, dat God hem gebood te gaan stelen om voor verraad gewaarschuwd te worden Hi danckes oetmoedelike /Gode van hemelrike (979/80) Hier zien wij duidelijk, hoezeer de Karolingische wereld de achtergrond van het epos vormt Karel heerst vanuit zijn burcht Ingelheim met zijn gevolg van koningsgetrouwe pairs Onder deze zijn er, zoals Elegast, die de toorn van hun heer hebben opgewekt, in ongenade zijn gevallen met verlies van hun bezittingen en nu als outlaw hun leven rekken in het Ardenner woud Sommigen echter, zoals Eggeric, zijn afgunstig op Karels macht en bezit en staan hem naar het leven Maar de koning staat onder Gods bijzondere bescherming; door de oproep van de engel om te gaan stelen krijgt hij gelegenheid van het gevaar kennis te nemen en het te bezweren Ik geloof, in overeenstemming met de gangbare opvatting, dat wij hiermee tot de kern van de ‘Karel ende Elegast’, zoals die voor ons ligt, zijn doorgedrongen; het epos wil ons tonen, dat God zijn beschuttende hand over Karel uitstrekt, als een verraderlijke vazal hem naar het leven staat Ik zou nu de ‘Karel ende Elegast’ van dit ‘Karolingisch’ standpunt uit willen doorgaan om te zien, of de handeling van het epos aan de eisen van goede samenhang en van eenheid van opzet en uitvoering voldoet Het begin, de waarschuwing, dat Karel moet gaan stelen of sterven, past natuurlijk geheel in de opzet van het werk; alleen duikt hierbij de gedachte op, of het niet eenvoudiger zou zijn geweest, wanneer de engel een waarschuwing aan Eggeric had doen toekomen met het bevel, van zijn boos voornemen af te zien Even vragen wij ons af, of in het Mnl werk misschien een oorspronkelijk nietvroom verhaal Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 84 in een vroom keurs is gestoken; maar wij laten die gedachte weer varen, omdat wij immers tot het inzicht gekomen waren, dat vroomheid en koningstrouw in het Karel ende Elegastepos in het centrum staan De woorden van de engel luiden: vaert stelen ende wert dief het sal unamaels wesen lief (95; 97); het schijnt, dat onder dit stelen het optreden als struikrover moet worden verstaan Karel trekt er dan ook in volle wapenrusting, alleen met bedekt schild, op uit Evenzo horen wij uit de mond van de koning, dat Elegast doet, wat eens struikrovers is: hij berooft bisschoppen en kanunniken, abten en monniken, dekens en papen (geestelijken) van hun muilezels en paarden, van kleren, zilver en facelment (vaatwerk; 251/60) Van inbreken wordt niet gesproken In overeenstemming daarmee is de ontmoeting van Karel met de ruiter, die in geheel zwarte wapenrusting op een zwart paard haast onhoorbaar een bijzonder pad dwars door het woud gaat als een, die riden wil verholen (277) De koning denkt, als hij hem ziet, eerst aan de duivel In vroeger jaren, toen zulke opvattingen meer in zwang waren dan tegenwoordig, hebben ook de literairhistorici in Elegast een mythisch wezen gezien; mede op grond van een paar regels in de Middelduitse ‘Karl und Elegast’, waar het op de desbetreffende plaats heet (278 vlg): Den mā he dorch dy wolken sach Gar wunneclichen dringen Ook Mej Ramondt denkt hierbij (tap blz 114) nog aan een hemelgezant Het lijkt mij echter wel zeker, dat in Vs 278 oorspronkelijk te lezen is: Den mân Niet alleen verlangt de samenhang van het epos dat, omdat de zwarte ridder anders onzichtbaar gebleven was en een zwaardgevecht onmogelijk; maar ook past wunnecliche (279) wel voor de maan, maar niet voor de ‘unheimliche’ verschijning in het woud De Mnl Karel ende Elegast spreekt trouwens ook over de maneschijn (740) De zwarte ruiter is dan ook geen alf en geen hemelgezant, maar een zeer aardse struikrover, die een begerig oog Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 85 slaat op Karels paard en wapenrusting 1)Het komt nu tussen de koning en de zwarte ruiter, die de ander voor een verspieder houdt, tot een fel gevecht, zodat Karel al denkt, dat hij zijn leven verliezen zal; maar dan breekt het zwaard van de rover bij een zware slag op de helm van zijn tegenstander en hij staat weerloos Karel wil niet iemand vellen, die zich niet meer verdedigen kan en is bereid hem te laten gaan, als hij zijn naam noemt, waaraan echter eerst bij de derde vraag voldaan wordt een voorbeeld van motiefherhaling, die we in ons epos meer aantreffen Het blijkt Elegast te zijn; Karel noemt zich Adelbrecht (‘de door adel schitterende’) en zegt, dat hij ook struikrover is; zij spreken af, die nacht als gezellen samen te werken Het is duidelijk, dat dit gevecht dient om te tonen, dat Karel en Elegast beiden dappere strijders zijn en dat de koning als een waar ridder zijn tegenstander met grootmoedigheid behandelt; maar in de gang van het hele verhaal is de nachtelijke strijd toch slechts een vertragend intermezzo Karel toch moèt Elegast treffen en diens gezel worden om zijn leven te redden; dat eist de handeling van het epos Aan zijn wens, om in het woud de verbannen hertog te ontmoeten (270 vlg) is voldaan; maar bijna was de koning het slachtoffer van het zwaard van de zwarte ruiter geworden Ik houd dan ook de zware strijd met Elegast voor een uitbreiding van de oorspronkelijke stof, voor een ridderlijk motief; wij bedriegen ons wel niet, als wij vermoeden, dat deze zwaardkamp op rekening van de dichter geschreven moet worden, die het verhaal de uitvoerige epische vorm gaf Het breken van Elegast's wapen op een kritiek moment is daarbij wel weer een teken, dat God de koning beschermt; de verridderlijking is dus met de vrome houding verbonden Een soortgelijke ridderlijkevrome houding ligt aan een scene ten grondslag, die wij aan het eind van het epos aantreffen Eggeric en zijn gezellen zijn als verraders herkend, 1) De fout inde Md Karl und Elegast moet echter aloud zijn, want den mā heeft daar werkelijk betrekking op de ruiter; misschien zijn er een paar regels weggevallen mā inde ‘Karl und Elegast’ (uitgave Quint; Bonn 1927) kan man en mān betekenen; vgl Vs 345/6: soeben vn soebēczig miner māne /Legē mit my indēm tāne Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 86 doordat men na hun binnenrijden in Ingelheim blanke wapenrustingen en scherpe messen onder hun kleren gevonden heeft (1119/20) Na het afluisteren van Eggeric's gesprek met zijn vrouw moest deze ontdekking eigenlijk voldoende zijn; maar neen, Eggeric loochent alle verraderlijke bedoelingen en nu moet een tweegevecht, dat als een godsoordeel opgezet is, de beslissing brengen Het aflopen van de handeling wordt weer vertraagd en nu komt Elegast's leven in gevaar; het is echter Gods wil, dat alles zowel voor Karel als voor Elegast een goed einde heeft en Eggeric valt Wij zullen verderop nog meer sporen van verridderlijking ontdekken; ook de naam Adelbrecht, die de koning zich zelf geeft, hoort daartoe Misschien mogen wij op grond van dit alles vermoeden, dat een ridderlijkvroom man, bijv een geestelijke aan een ridderlijk hof, de dichter van het epos Karel ende Elegast geweest is De beide gezellen Adelbrecht/Karel en Elegast overleggen dan, waar zij samen zullen gaan inbreken Adelbrecht heeft zich voor een nog erger dief dan Elegast uitgegeven; hij beweert, dat hij ook de armen en de kerken en kloosters van alles berooft, wat hij gebruiken kan Nu stelt hij voor, op de schatkamer van de koning een aanslag te doen; deze bezit immers zoveel, dat hij het niet eens merken zal, als hij wat verliest en bovendien noemt Karel de koninklijke schat qualic ghewonnen (589) Maar Elegast wijst dit voorstel verontwaardigd van de hand met de woorden: Dat moet mi God verbieden /sien leven niet, diet mi rieden, dat ic den coninc dade scade (619 vlgg) Al heeft Karel hem zijn land afgenomen en hem bi quaden rade verdreven, Elegast zal altijd de standvastige vriend van zijn vorst blijven Het ligt voor de hand, dat wij hier weer in de ridderlijke sfeer zijn; door zijn weigering laat Elegast zien, dat hij zijn koningsgetrouwe tradities bewaard heeft Hij toont zelfs een hoofse zelfbeheersing, als hij Adelbrecht's voorstel niet verder kwalijk neemt Zeer merkwaardig is nu, dat dezelfde Elegast, die er niets van weten wil om de koning te bestelen, later in het verhaal andere klanken laat horen Na het afluisteren van Eggeric's samenzwering durft hij niet naar de koning te gaan om deze op de hoogte te brengen van het gevaar voor zijn leven Die coninc is te mi so gram /om dat ic hem eens nam /van sinen scatten sulc en Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 87 scaerden /dat cume gedroech twee paerden (1031 vlgg) Welke lezing moeten we nu geloven? Is Elegast een nobele struikrover, zo koningsgezind, dat hij Karel trouw blijft, die hem slecht behandeld heeft om cleyne sake (219), of is hij werkelijk een beroepsdief, die ook niet schroomt, zich aan het bezit van zijn vorst te vergrijpen? Ik zwijg nog even met het trekken van een conclusie en ga verder in het epos Wij zien, dat na het gevecht met Karel allerlei trekken van Elegast genoemd worden, die niet bij de nobele struikrover passen Elegast stelt nu namelijk een inbraak bij Karels zwager Eggeric voor en het blijkt, dat hij voor dit werk bijzonder goed is toegerust Hij is met een breekijzer bewapend om de muur te doorboren (720); hij heeft een kruid, dat hem in staat stelt, de waarschuwende opmerkingen der dieren te verstaan; hij bezit andere bovennatuurlijke krachten om sloten en grendels te openen en kan door een toverspreuk, een bede, de bewoners van het huis, waar hij inbreekt, doen inslapen Dit zijn attributen, die bij een ‘meesterdief’ passen, die echter met een dapper hertog, die als struikrover moet leven, omdat hij verbannen is, maar die zijn vorst trouw blijft, absoluut niet te verenigen zijn In het verhaal, zoals wij het tot dusver leerden kennen, was Karel's medelijden met de balling onmiskenbaar; Karel zelf schrikt terug voor een leven als struikrover, als een, die niet en heeft (111) Met een Elegast echter, voor wie geen deuren of grendels bestaan, die geen tegenstand bij een inbraak heeft te vrezen en die door wat hanen craeyen en honden bilen (769) voor gevaar gewaarschuwd wordt, hoeft niemand medelijden te hebben; hij is in staat met geringe moeite de schade weer goed te maken, die hij door de verbanning van 'skonings hof geleden heeft en kan in weelde en overvloed leven Ik geloof dan ook, dat ik wel concluderen mag, dat van het ogenblik af, waarop Karel en Elegast gezellen werden, de eigenlijke Karelsage op de achtergrond geschoven is In de plaats daarvan treedt een verhaal van een buitengewoon handige dief naar voren, waarin Elegast de hoofdpersoon is De ernstige klank, die tot dusver in het epos geheerst heeft, wordt door een luchtiger toon vervangen; om een modern beeld te gebruiken: wij schakelen van de Karelsage naar een grappige dievengeschiedenis over Ik volg het verhaal verder op de voet Elegast geeft als motief voor Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 88 een inbraak bij Eggeric van Eggermonde op, dat deze al velen verraden heeft; ende ooc mede sinen heere /soudi nemen lijf ende eere /mocht na sinen wille gaen (657 vlgg) Nergens in het epos komt verder een toespeling op vroegere verraderlijke daden van Eggeric voor; de aanklachten zijn dan ook wel alleen een ‘Vorwegnahme’ van wat later over Eggeric aan het licht komt De neiging tot grappige schildering duikt voor de eerste maal op, als Karel bij de inbraak mee wil doen, maar geen breekijzer bezit; hij beweert, dat hij het verloren heeft (735) In plaats daarvan breekt hij het kouter van een ploeg, die hij op het veld ziet staan 2)Natuurlijk is een kouter weinig geschikt om een muur te doorbreken en Elegast lacht hem er dan ook om uit (724) De inbrekers komen nu voor Eggermonde (Aigremont bij Luik), de burcht, die de scoonste was ende die beste, /die yewaert stoet opten Rijn (696/7) Elegast stelt voor een gat in de muur te maken, daer wi moghen crupen dore (716) In korte tijd is de burchtmuur door Elegast doorbroken; haast te snel voor ons begrip Wie weet, hoe zwaar die Middeleeuwse burchten gebouwd en beveiligd waren, kan zich niet voorstellen, hoe met een breekijzer zo maar even een opening gebroken kan worden, die een man doorlaat Ik geloof dan ook, dat niet van een eigenlijke inbraak in de burcht, maar van een binnendringen in de schatkamer van Eggeric gesproken moet worden; in Vs 843 schijnt dit nog aan het licht te treden, als het heet, dat Elegast ghinc ten scatte, daer hi lach Met Elegast's behendigheid gaat verder alles vlot; hij gebruikt zijn toverwoorden om allen in den sale te doen inslapen en opent met toverkunst alle sloten, waarna Elegast haelde ende brochte /also vele als hem goet dochte (845 f) Hiermee is de in weinige regels beschreven inbraak eigenlijk volkomen afgelopen Karel, die buiten op de paarden gepast heeft en het geroofde in ontvangst neemt, wil dan met de tienhonderd pond meteen wegrijden; maar Elegast is het daarmee niet eens Hij wil uit de slaapkamer van de burcht 2) Dat hiermee de ‘ploegvrede’ gebroken wordt, de onaantastbaarheid van de op het veld staande ploeg (vgl Ds Wtb sv Pflugrecht ),wordt inde Karel ende Elegast niet gereleveerd Waarschijnlijk heeft de dichter niet tot de boerenstand behoord Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 89 nog Eggerics zadel gaan stelen, het schoonste zadel, dat men ooit zag, versierd met honderd belletjes van rood goud, die klinken bij het rijden Het wil mij nu schijnen, dat de zadelroof een tweede inbraak betreft Al is het zadel dan een kostbaar bezit, er is toch geen reden om het op een veiliger plaats te bewaren dan het goud of zilver: dus in de schatkamer Elegast moet nu echter in de slaapkamer van Eggeric doordringen; in de Mndl tekst horen wij niets over de onderlinge situatie van beide De moeilijkheid bij de tweede diefstal ligt niet in het doorboren van de muur, maar in het gevaar, dat Eggeric dadelijk gealarmeerd wordt, als de belletjes van het zadel rinkelen Nu is de diefstal van een kostbaar bezit uit een slaapkamer een van de grote kunststukken in het sprookje van de Meesterdief Dit type komt in de Kinder und Hausmärchen van de Brüder Grimm als Nr 192 voor; de Anmerkungen daarbij van Bolte en Polivka geven een voorstelling van de variërende vormen er van en van zijn verspreiding Bij Grimm moet het eigen paard van de graaf uit de goed bewaakte stal gestolen worden met het laken uit het bed van de graaf en de gravin en de trouwring van de gravin; in andere varianten ook wel met haar hemd Slaagt de meesterdief hierin niet, dan wordt hij opgehangen Alles lukt; de dief komt verkleed als oude vrouw en bedwelmt de bewakende soldaten door wijn met een slaapmiddel Een van hen is op het paard gaan zitten; hij wordt met zadel en al naar de zoldering gehesen Om het beddelaken en de trouwring in handen te krijgen, haalt de dief een lijk van de galg; de graaf schiet, als de doodskop voor het venster verschijnt Wanneer hij dan zijn vermeend slachtoffer wil gaan begraven, dringt de meesterdief in de slaapkamer binnen en krijgt van de gravin het beddelaken om de dode in te hullen en de trouwring om deze mee te geven in het graf In een ten dele verwant sprookje Der Teufel mit den drei goldenen Haaren (Grimm 29) dringt de held in de slaapkamer van de duivel door; diens vrouw heeft medelijden met de jonge man en verstopt hem onder het echtelijk bed Als de duivel ingeslapen is, rukt zijn vrouw hem achtereenvolgens de drie gouden haren uit, die zij voor haar beschermeling onder het bed neerwerpt Aan de duivel, die boos wordt en haar met een oorvijg bedreigt, vertelt zij, dat zij zo onrustig gedroomd Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 90 heeft over een opgedroogde bron enz en krijgt van de duivel antwoorden, die de verstopte juist nodig heeft te weten De situatie met de indringer onder het bed lijkt al zeer op die in de Karel ende Elegast Nog nader staat de betreffende passus in een met Grimm Nr 29 verwant Siciliaans sprookje van Caruseddu (Laura Gonzenbach, Sizilianische Märchen Nr 83) Hier moet weer eerst het paard van de menseneter gestolen worden; het dier kan spreken en waarschuwt al hinnikend: ‘Caruseddu is hier en wil mij stelen’ De eigenaar vindt de indringer niet, die zich heel klein gemaakt heeft en slaat het paard; de derde keer gaat het dier dan gewillig met Caruseddu mee Daarna verlangt de koning, dat Caruseddu de deken met de gouden belletjes steelt, die de menseneter op zijn bed heeft liggen De inbreker sluipt het huis binnen, verbergt zich onder het bed en begint aan de deken te trekken De menseneter bromt op zijn vrouw, omdat hij meent, dat zij het doet Caruseddu trekt opnieuw en als hij eindelijk de deken met kleine rukjes onder het bed gekregen heeft en er mee ontsnapt, valt de demon op zijn vrouw aan, die hem niet rustig laat slapen en geeft haar een afranseling Alles samengenomen geloof ik, dat de roof van het zadel met de gouden belletjes benevens de bijbehorende slaapkamerscene en de afluistering van het gesprek der echtgenoten door de dief onder het bed zeker uit een sprookje van de Meesterdief stamt; alleen dat een zadel gestolen moet worden en geen deken zal weer een verridderlijkte vorm van het motief zijn Het zadel verraadt zich in de Karel ende Elegast al als ‘Fremdkörper’, doordat het geen organisch deel van het verhaal is; na de diefstal duikt het in het epos niet meer op Het is trouwens onbegrijpelijk, wat een bij voorkeur zo stil mogelijk zijns weegs gaande struikrover in het donkere bos met dit pronkzadel zou moeten beginnen Met de zadelroof is dus een nieuwe dievenhistorie ingevoegd; de diefstal van een paard, die er in het sprookje mee verbonden is, duikt merkwaardig genoeg in de Middelduitse Karl und Elegast en in de IJslandse variant, de Karlamagnussaga, op, die hierin dus wel op een oorspronkelijker standpunt staan dan het Mndl epos Ook daarin, dat in de Middelduitse tekst het bloed van Eckerichs vrouw in haar sluier opgevangen wordt, lijkt mij een oorspronkelijke Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 91 trek bewaard te zijn Een bebloede sluier kan als een teken gelden, dat een vrouw mishandeld is; het bloed echter, dat Elegast in zijn ridderhandschoen onder het bed opvangt, bewijst voor de buiten wachtende Karel eigenlijk niet veel Blijkbaar heeft in het epos ook hier weer verridderlijking plaats gevonden Dat in het epos geen paard gestolen wordt, zal in de eerste plaats daarmee samenhangen, dat Elegast al bereden is; verder daarmee, dat de dichter het bezwaar heeft gevoeld van het wegvoeren van het dier door het gat in de muur In de Middeld redactie, die de roof van het paard wel kent, heet het, dat Olbrecht de muuropening zo vergroot, dat hij bijna de hele burcht van Eckerich afgebroken had Nog een motief, dat uit het sprookje van de Meesterdief stamt, is de lachwekkende onhandigheid van Karel als dief In verschillende varianten sluit de meesterdief zich aanvankelijk als leerling bij een groep dieven aan: zo oa by Cosquin, Contes populaires de Lorraine Nr 70 ‘Le franc voleur’ Hij moet daar van een voornaam reiziger ‘La bourse ou la vie’ verlangen, maar brengt alleen de lege beurs, omdat hem over de inhoud niets gezegd was In een Duitse variant moet hij ‘den letzten Heller’ van passanten roven; hij brengt alleen ‘Heller’ (halve centen) In het Mnl epos dienen de onhandigheden, zoals het kouter als breekijzer en het zich uit de mond laten wegstelen van het cruut, dat de taal der dieren doet verstaan, tegelijk wel om te tonen, dat Karel toch geen echte dief was Verontruste gemoederen werden zo gekalmeerd Wij denken aan de plaats in Boendale's Lekenspieghel III, 15, 133: Men leest dat Kaerle voer stelen /Ic segt u, al sonder helen, Dat Kaerl noit en stal Tenslotte wil ik er nog op wijzen, dat de bovennatuurlijke vermogens van Elegast, die grendels en sloten kan doen openspringen en door een bede de bewoners van een huis in slaap brengt, eigenlijk niet organisch in ons verhaal schijnen te passen en wel goeddeels latere toevoegsels zullen zijn De meesterdief heeft succes door zijn listen, door zijn vindingrijkheid; alle spanning verdwijnt, wanneer hij zijn tegenstanders naar believen kan doen inslapen Als Elegast in de Middeld redactie de belletjes van het gestolen zadel omwikkelt en er tussen de Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 92 bewakers door mee ontkomt, houd ik dat voor oorspronkelijker dan als het heet, dat hij met zijn buit uit Eggerics burcht verdwijnt, terwijl daar alles op zijn bede in diepe slaap verzonken is Mej Ramondt meent wellicht met recht, dat Elegasts toverkunsten uit het Franse chanson de geste Maugis of uit een verwante tekst stammen (tap blz 100) Ook de scene met het cruut, dat Elegast de taal der dieren doet verstaan, valt op Hij verneemt daardoor vóór de inbraak, dat de koning in de nabijheid is; het is echter een blind motief, want het duurt in het epos nog lang, voordat Elegast weet, wie zijn gezel is Ook blijkt niets van Elegast's vrees voor de koning wegens vroeger begane diefstal Wij kunnen daarom wel zeggen, dat het gebruik van het cruut tegen de economie van het epos in gaat; misschien deed het oorspronkelijk andere dienst In veel Meesterdiefsprookjes is de inbreker in het bezit van het springkruid, dat alle sloten opent; vgl bijv Zaunert, Deutsche Märchen seit Grimm blz 177 ‘Die Springwurzel’ In het Siciliaanse sprookje van Caruseddu hebben wij gevonden, dat het paard, dat gestolen moet worden, zelf zijn meester waarschuwt Nu in de Karel ende Elegast het paard verdwenen is, is mogelijk de waarschuwing met het cruut verbonden Wij zeiden reeds, dat vrijwel alles, wat met de zadelroof samenhangt, aan een Meesterdiefsprookje ontleend is Vrijwel alles, want twee punten bleven nog onopgehelderd: het binnendringen door de muur en het gesprek van Eggeric met zijn vrouw, dat diens verraderlijke bedoelingen tegenover de koning onthult In ‘Der Teufel mit den drei goldenen Haaren’ vonden wij wel de onrust van de slapende reus en de mishandeling van de vrouw, maar het gesprek van beiden heeft slechts betrekking op goede raad, die de duivel geven kan over een opgedroogde bron en dgl Het doorbreken van een burchtmuur komt in de varianten van het Meesterdiefsprookje nergens voor Ik geloof, dat wij ter verklaring hiervan de eerste inbraak nog wat nader in het oog moeten vatten Wanneer de zadelroof als een secundaire ontlening uit een Meesterdiefsprookje moet gelden, is de eigenlijke inbraak van het Karel ende Elegastepos het binnendringen in de schatkamer van Eggeric en de roof van tienhonderd pond edel metaal Het is enigszins opval Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 93 lend, dat een vazal van de koning zulk een welgevulde schatkamer heeft; in de regel is een zo groot bezit alleen bij de landsheer aan te treffen (vgl Vs 613) Wij herinneren ons verder, dat Elegast volgens zijn eigen woorden al eens bij Karel gestolen heeft; hij nam toen zoveel van diens schat, dat twee paarden het nauwelijks konden dragen (1031) Wij denken er ook aan, dat AdelbrechtKarel, dadelijk als Elegast en hij gezellen zijn geworden, voorstelt bij hem zelf in te breken En dan doemt het vermoeden bij ons op, dat de inbraak oorspronkelijk wel degelijk in de koninklijke schatkamer plaats vond en dat eerst het Karel ende Elegastepos met zijn ridderlijke en koningsgetrouwe inhoud de diefstal naar Eggeric's burcht verplaatst heeft Een kleine bevestiging van deze hypothese schijnt te zijn, dat de burcht, waar ingebroken wordt in Vs 696/7 de scoonste ende die beste /die yewaert stoet opten Rijn heet; een omschrijving, die wel voor Ingelheim, maar niet voor Eggermonde (Aigremont bij Luik) past Bij deze opvatting inbraak in de schatkamer van de vorst ligt het vermoeden voor de hand, dat het oudEgyptische dievensprookje van Rhampsinitos, dat al door Herodotus vermeld wordt en nog steeds voortleeft (BoltePolivka 3, 395 vlgg) aan de inbraak in het Karel ende Elegastepos ten grondslag ligt Ik geef er kort de hoofdinhoud van De bouwmeester van de schatkamer van de Pharao heeft een paar stenen los ingezet; op zijn sterfbed deelt hij dit aan zijn zonen mee, die van die wetenschap een vrijmoedig gebruik maken Op de duur worden de diefstallen ontdekt: de Pharao bemoeit zich zelf met het onderzoek en vraagt een bekende dief om zijn hulp Deze geeft de raad een vuurtje in de schatkamer aan te leggen en de wegtrekkende rook brengt spoedig de losse stenen aan het licht Onder de opening wordt dan een ton met teer geplaatst; bij de eerstvolgende poging tot inbraak verzinkt de ene zoon er tot aan de kin in Op zijn verzoek houwt zijn broer hem het hoofd af en het lijk wordt niet herkend Tentoonstelling er van helpt niet; de andere dief steelt het onthoofde lichaam, na de bewakers bedwelmd te hebben Dan belooft de dochter van de Pharao haar liefde aan degeen, die haar zijn slimste en meest goddeloze daad vertelt De dief gaat er op in, maar haar poging om Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 94 hem vast te houden mislukt Daarna verklaart de Pharao zich overwonnen en geeft hij zijn dochter aan de dief tot vrouw Aan dit Rhampsinitossprookje heeft, naar wij zouden willen aannemen, het Karel ende Elegastverhaal allereerst de inbraak door de muur ontleend; de Middelduitse Karl und Elegast spreekt er merkwaardig genoeg nog van, dat de uitgebroken stenen van Eggeric's burcht weer ingezet worden (835) en laat Elegast zelfs zeggen, dat hij zo goed de weg naar de schatkamer weet, omdat zijn geslacht het slot gebouwd heeft (580) Ook doet het Egyptische sprookje het motief aan de hand, dat een vorst met een dief contact zoekt en met hem samenwerkt Tenslotte krijgt de inbreker na een nachtelijk gesprek, waarbij hij ontkomt, hier de dochter, daar de zuster van de vorst tot vrouw en wordt hij door zijn heer weer in genade aangenomen Mijn uiteenzettingen samenvattend, kom ik tot het resultaat, dat de stof van het Karel ende Elegastepos, dat een zo klare en overzichtelijke indruk maakt, een lange voorgeschiedenis heeft en op een vrij ingewikkelde motievencombinatie berust Ik stel mij voor, dat het epos op de volgende wijze zijn tegenwoordige vorm gekregen heeft Het Rhampsinitossprookje is er in vereenvoudigde vorm de kern van Van twee inbrekende broers horen wij niet meer; daardoor ontbreekt ook de onthoofding van de gevangen inbreker De Middelduitse Karl und Elegast weet nog, dat de inbreker met de bouwmeester van de schatkamer verwant is en dat hij daardoor zo goed de weg naar de schatten kent Het sprookje levert ook de figuur van de helpende koningsgetrouwe dief Deze stof is nu in de Middeleeuwen in een geheel andere omlijsting geplaatst; in een tijd, die niet meer het primitieve respect voor de slimme dief op de voorgrond wil brengen, is het verhaal tot een van trouw en ontrouw tegenover de koning omgewerkt, waarbij Karel de Grote het middelpunt geworden is De ridderlijke dichter van de zo ontstaande Karelsage wordt door het vrome geloof gedragen, dat God zijn beschermende hand over de koning uitstrekt en hem de gelegenheid biedt, om aan het gevaar, dat van een ontrouwe vazal dreigt, te ontkomen Een engel Gods roept Karel op om te gaan stelen; eerst bij de derde herhaling begeeft hij zich in volle wapenrusting maar Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 95 met bedekt schild op weg 3)De helper van de koning wordt in dit vroomKarolingisch verband nu tot een verbannen en van zijn goederen beroofd vazal, die van roof moet leven en zich met een twaalftal soortgenoten in het Ardenner woud ophoudt; na een ridderlijke tweekamp worden de koning en hij gezellen Een inbraak in de koninklijke schatkamer kwetste de loyale gevoelens van de dichter; deze daad wordt nu nog wel door de vorst zelf voorgesteld, maar uit loyaliteit door de banneling, die zijn ridderlijke tradities bewaard heeft, met nadruk afgewezen De koninklijke schatkamer wordt tot een schatkamer van Eggeric, een vazal van slechte reputatie; van die schat kan gestolen worden sonder sonde (652) Het in de burcht afgeluisterd gesprek krijgt nu betrekking op de boze plannen van de vazal Om deze Karelsage voldoende ‘epische Breite’ te geven, misschien ook om de schatten van Eggeric duidelijker voor ogen te stellen, wordt bij de bewerking van het Karel ende Elegastepos de diefstal van het pronkzadel met de gouden belletjes uit de slaapkamer van de vazal ingevoerd, oorspronkelijk verbonden met de roof van een paard uit een welbewaakte stal Beide motieven stammen uit het sprookje van de Meesterdief, maar hebben een ridderlijke vorm Het zadel past goed bij het paard, de beddedeken vervalt; daarnaast wordt nu ook een zwaard de buit van de inbreker Onder het bed verborgen liggend, vangt de dief het bloed, dat aan de neus en de mond van Eggeric's vrouw ontstroomt, in zijn ridderhandschoen op Tot het Meesterdiefsprookje behoort de schildering van Elegast's aanvankelijke onhandigheid; deze is op Karel overgedragen (diefstal van het kouter) en toont nu, dat Karel geen echte dief is Elegast heeft een cruut, dat hem de taal der dieren doet verstaan; zo krijgt hij een waarschuwing door wat hanen crayen en honden bilen (769), dat de koning in de nabijheid is Dit blind motief is misschien een omvorming van de waarschuwing, die het paard in het Meesterdiefsprookje geeft, dat de dief hem nadert (Of het kraaien van hanen en het blaffen van honden oorspronkelijk op het aanbreken van de dag wijst? De Md Karl und Elegast weet er van, dat Karel door een gebed de nacht verlengt) Dat Karel het cruut 3) Op soortgelijke wijze trekt Haroen alRasjid er inde ‘Duizendeneennacht’ vermomd op uit Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 96 ook in de mond mag steken en dat Elegast het daaruit steelt, toont, dat de dichter plezier heeft in het schilderen van Elegast's behendigheid en van de onbedrevenheid van de koning Door het zeggen van een bede weet Elegast dan Eggeric en zijn vrouw te doen inslapen en hij ontkomt met zijn buit; de bede vervangt de bedwelming van de bewakers in de stal, die het Meesterdiefsprookje kent Als dief geldt in de Franse overlevering Basin; in de Nederlandse, Duitse en NoordEuropese redacties is het Elegast, in wie wij volgens Th Frings (Anz fd Altertum XL, 144 f) vermoedelijk een populaire figuur uit de Rijnstreek moeten zien Bij de grote verspreiding van de Karel ende Elegaststof in Frankrijk (in toespelingen), in de Nederlanden, in Duitsland en in de Scandinavische landen lijkt het wel waarschijnlijk, dat de originele dichter van het Karel ende Elegastepos in Frankrijk te zoeken is; veel literaire stoffen zijn in de Middeleeuwen van Frankrijk uit over West en NoordEuropa verbreid Ook bepaalde namen in de Middelduitse Karl und Elegast (Blassflores, Turpin) wijzen naar Frankrijk In het Karolingisch stamland tussen de Maas en de Rijn is de sage gelocaliseerd Ik wilde nu de zogenaamde Karel en Elegastsprookjes nog kort behandelen; zogenaamde, omdat noch Karel noch Elegast er in genoemd wordt Een paar er van zijn al bekend; in de eerste plaats het Mongoolse sprookje van Edzjenj Chan (H Kern, Ts XII, 196) Edzjenj Chan staat volgens de wichelaars de dood te wachten, als hij er niet op uit trekt om te stelen; hij gaat en treft een dief *Edzjenj zegt, dat hij onhandig is De dief steelt een schaap bij de kok Dzjandzjin; Edzjenj luistert ondertussen een gesprek van de kok en diens vrouw af en ziet de voor hem bestemde fles vergif klaarstaan; Dzjandzjin's zoon is tot zijn opvolger bestemd Zo wordt de samenzwering ontdekt De Chan en de dief ruilen hun mutsen als herkenningsteken De kok moet zijn eigen vergif drinken en sterft De overeenstemming van dit sprookje met het Mnl epos is groot; ik wijs daarbij nog eens speciaal op een detail (door mij met een *aangeduid) als de onhandigheid van de Chan De ridderlijke sfeer is verdwenen De mutsenruil kan er op wijzen, dat de Chan verkleed was De namen zijn geheel afwijkend Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 97 Ook Nr 2, het Litause sprookje van de koning, die stelen ging (vd Meulen, Ts XXXII, 89) staat niet veraf De wenselijkheid, dat de koning gaat stelen, is uit de sterren gelezen De ontmoeting met een dief volgt; op het voorstel van de vermomde koning, om bij hemzelf in te breken, geeft deze hem, wegens zijn gebrek aan loyaliteit, een stevige oorvijg Samen breken zij dan in bij een ouderman, die een vergiftigingsplan blijkt te beramen *De koning staat zijn aandeel in de buit af De dief wordt ouderman In Nr 3(Ončukow, Sěwernya Skazki Nr 17; St Petersburg 1908) dienen het Rhampsinitosverhaal en een deel van het Meesterdiefsprookje als inleiding Een oom en een neef breken in het keizerlijk paleis in De oom verliest er het leven bij; de neef neemt zijn hoofd mee Pogingen tot ontdekking van de weduwe zijn vergeefs; ook een poging om de dief te ontdekken door goud uit te strooien Als straf voor zijn hulp bij het zoeken wordt een geestelijke door de dief in een zak meegenomen onder de voorspiegeling, dat hij regelrecht naar de hemel gaat Dan gaat de tsaar in een narrenpak stelen en wordt door de dief geslagen, als hij de schatkamer als doel voorstelt Een samenzwering der bojaren wordt afgeluisterd; de voor de tsaar bestemde gifbeker brengt hunzelf de dood Aan de Russische verteller is de samenhang van het Karel ende Elegastverhaal met het Rhampsinitossprookje, die wij aannemen, blijkbaar niet opgevallen; evenmin de tegenstrijdigheid tussen de afwijzing van een inbraak in de schatkamer en de poging tot diefstal in het keizerlijk paleis Nu volgen mijn eigen varianten Nr 4 Mitteilungen der SchewtschenkoGesellschaft der Wissenschaften in Lemberg 1897, Bd XVI (Legenden des ChitarerKodex aus dem Anfang des XVIII Jhts S 4) Kleinrussisch De tsaar krijgt van een wijze en dan nog eens in de droom de raad te gaan stelen om zijn leven te redden De ontmoeting met een *ervaren dief volgt, benevens de oorvijg Dan breken zij in bij een maarschalk, *een slechte kerel, die ook de tsaar niet vreest De maarschalk en zijn vrouw worden beluisterd bij hun gesprek over het vergiftigen van hun vorst Tsaar en dief ruilen hun hoofddeksels De maarschalk moet het gif zelf uitdrinken; zijn vrouw wordt door wilde paarden uiteengereten De dief wordt maarschalk Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 98 Nr 5 Ethnographische Sammlung der SchwetschenkoGesellschaft in Lemberg Bd XXX, S 144 Kleinrussisch uit ZuidHongarije; verzameld door W Hnabink Een tsaar krijgt in dromen *driemaal een waarschuwing, dat hij moet gaan stelen en trekt er in lompen op uit Hij ontmoet een dronkaard, die een samenzwering van rijksgroten ontdekt De dronkaard wil de tsaar alles gaan meedelen *De volgende dag is het landdag; *de tsaar trekt tsarenkleren aan en verzamelt een leger De verraders moeten zelf het gif drinken Nr 6 Tschubinskij, Materialien und Forschungen Bd IIS 592 (St Petersburg 1878) Kleinrussisch, Gouv Podolien Een tsaar wil weten, hoe zijn soldaten stelen Hij treft een soldaat; de inbraak bij de tsaar wijst deze af Een samenzwering van een generaal met hoge functionarissen wordt afgeluisterd; deze moeten zelf de vergiftigde thee drinken De soldaat wordt generaal Nr 7 Zitie islowo Lemberg 1895, IV Bd S 142 Kleinrussisch, OstGalizien Ook in dit sprookje wordt een tsaar *driemaal in de droom tot stelen opgeroepen *Hij gehoorzaamt ongaarne en gaat verkleed op weg Op de tocht met de dief komt hij aan het helder verlichte huis van een generaal De dief klimt op de rug van de tsaar, maar er wordt Duits gesproken en de tsaar moet gaan luisteren *De generaal wil tsaar worden Een uitnodiging voor een bal wordt beraamd, waar de keizer vergiftigde thee zal krijgen De samenzweerders moeten zelf het gif drinken De varianten 8tot en met 11, afgedrukt in Ziwaja Starina Bd XIII (Grossrussisch) stammen uit het archief van de politie in Moskou en zijn omstreeks 1750 uit de mond van arrestanten opgetekend, die wegens majesteitsschennis waren aangeklaagd, omdat zij verteld hadden, dat tsaar Peter Iging stelen Zij verdedigden zich er mee, dat dit onder het volk algemeen als sprookje in omloop was In Nr 8gaat tsaar Peter met een dief op stelen uit; de samenzwering van een bojaar wordt ontdekt Peter Ilaat de bojaar echter zelf zijn vergif drinken In Nr 9krijgt Peter (in boerenkleren) van de dief Barma een oor Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 99 vijg, als hij voorstelt, in het keizerlijk paleis in te breken Bij een bojaar stelen zij dan geld; *de tsaar behoudt niets voor zich zelf Ruil van de mutsen volgt De dief komt aan het hof, omdat de oorvijg zijn loyaliteit getoond heeft In Nr 10 treft Peter, 's nachts in Moskou rondzwervend, een dief; *hij zegt, dat hij zelf ook een dief is De tsaar krijgt slagen met de wandelstok, als hij in het keizerlijk paleis wil gaan stelen Een gesprek van een senator met zijn vrouw wordt afgeluisterd *De dief neemt het gestolen goed en wil met de tsaar delen Als de tsaar door de straten rijdt zal hij, als herkenningsteken, niet neerknielen In Nr 11 heet het, dat tsaar Peter I*een beroemde dief wil leren kennen; incognito gaat hij met hem op diefstal uit Bij een heer stelen zij kleren en ondergoed en verdelen de buit Zij luisteren een gesprek van hem met zijn vrouw af over vergiftiging van de tsaar De inbrekers ruilen hun hoeden De dief wordt de volgende dag als vreemde gezant voorgesteld en zegt, dat in zijn land de gastheer en zijn vrouw het eerst drinken De dood der verraders volgt Als verlengstuk heeft dit sprookje het (tot het Meesterdiefsprookje behorend) verhaal van de aartsbisschop, die door de dief in een zak naar de hemel gebracht zal worden Nr 12, een Witrussisch sprookje uit het gouvernement Smolensk (Dobrovolsky, Smolenskische ethnographische Sammlung, SanktPetersburg 1891 dl XX blz 387) verhaalt eveneens van Peter I,die er 's nachts verkleed op uit trekt, om het leven in Moskou te leren kennen Hij treft een dief en krijgt een oorvijg voor zijn voorstel, om in het paleis te gaan stelen Bij een generaal luisteren zij een plan tot vergiftiging van de tsaar af Mutsenruil; normale afloop De dief verlangt als beloning alleen, dat de tsaar niet hard zal zijn tegen dieven Nr 13 is een Litaus sprookje uit Volkserzählungen aus Zmydi ITeil, uitgegeven door Dowojna Sylwestrowicz (Warschau 1894, S 416) Een boer weet, wanneer het goede zaaitijd is; hij weet ook, dat hij de aanstaande Kerstmis niet zal overleven Hij zegt aan een geestelijke, dat diens dood met Pasen *zal volgen, indien hij tenminste niet gaat stelen De boer sterft werkelijk; de geestelijke gaat dan verkleed op diefstal uit Hij treft een dief; zij breken in de pastorie Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 100 in, stelen daar het geld en delen dit Zo krijgt de priester tenminste de helft van zijn bezit terug en redt hij zijn leven Nr 14, een Litaus sprookje uit hetzelfde werk als Nr 12 (II Teil S 470) heeft een soortgelijke inleiding; alleen is het hier een bisschop, die gaat stelen Hij klimt door het venster zijn eigen huis binnen en reikt de dief het geld aan Zelf luistert hij het gesprek van zijn verraderlijke bedienden af, die hem met vergiftigde thee willen doden De verraders komen door het gif om het leven De bisschop is de dief dankbaar, omdat hij door de deelneming aan diens inbraakplan zijn leven gered heeft Hier is, evenals in Nr 12, doordat de verraders onder het eigen personeel schuilen, de inbraak in het eigen huis weer ontstaan, die wij boven als oorspronkelijke vorm aangenomen hebben In Nr 15, een Boheems sprookje (uit V Tille, Erzählungen, gesammelt in der Walachei, Prag 1902 Nr 8) is het Keizer Joseph II, die verkleed rondtrekt om zijn onderdanen te leren kennen Hij treft een soldaat, die het er goed van neemt; deze neemt de keizer mee naar de koopman, bij wie hij gewoonlijk steelt Van diefstal in het keizerlijk paleis wil de soldaat eerst niet horen, maar hij laat zich toch overhalen om in de schatkamer binnen te dringen Als de keizer een ducaat wegneemt, krijgt hij van hem een oorvijg Dan ontdekt de soldaat op weg naar huis de samenzwerende rijksgroten, die de keizer vergiftigde spijzen willen voorzetten Normaal verloop: de kok moet zelf van de spijzen eten, de anderen worden opgesloten Nr 16, een Pools sprookje uit Wista, XI Jahrgang Märchen aus Poniewicz (S 2645) verhaalt, hoe een man aan een geestelijke meedeelt, dat zijn moeder over twee weken zal sterven; hijzelf na een jaar, tenzij hij gaat stelen De moeder sterft; de geestelijke trekt er verkleed op uit en treft rovers, die er over spreken, dat zij de priester zelf willen beroven en doden Hij biedt zich als helper aan, *omdat hij de in en uitgangen van het huis goed kent; daarna *roept hij de boeren samen en vertelt hun de plannen van de rovers Dan neemt hij deel aan de inbraak in zijn eigen huis, sluit de dieven op en geeft ze aan de boeren over Zo redt hij zijn leven en krijgt nog een gouden medalje voor zijn stoutmoedigheid In Nr 17, een Pools sprookje uit het gebied van Krakau (Kolberg, Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 101 Das Volk Bd VII; S 120) is de dief een soldaat, die *kruiden heeft leren kennen, met de hulp waarvan hij alle sloten kan openen en gemakkelijk kan stelen De koning is gestorven; de nog niet gekroonde jonge prins gaat als soldaat verkleed rond om zijn onderdanen te leren kennen Hij ontmoet de soldaat met de kruiden; deze vertelt, dat hij in het koninklijk paleis een gesprek van de hovelingen heeft afgeluisterd, die de prins bij de kroning wilden vergiftigen *De prins krijgt iets van de kruiden; bij een slotenmaker dringen zij 'snachts binnen, en treffen in een kamer een oude man met een jonge vrouw en in een andere kamer een jonge man met een oude vrouw In alle stilte brengen zij jong bij jong en oud bij oud In het paleis raadt een oude vrouw de prins aan, de kroon niet op het hoofd te plaatsen Hij geeft haar zijn ring en vindt deze later onder het beeld van de Moeder Gods: deze had hem gewaarschuwd De wijn was vergiftigd; in de kroon blijken patronen te zitten De schuldigen worden gestraft Nr 18, een ander Pools sprookje uit Przasnysz, Gouvernement Plock (Chelchowski, Powiesci S 25468) handelt over een arme boer, die van een bedelaar de raad krijgt te gaan stelen Tweemaal *lukt hem dat In de stad is men ontsteld, omdat men de dief niet in handen kan krijgen en nu gaat de koning er zelf in lompen gekleed op uit om hem te vangen Hij treft de boer en *geeft zich ook voor een dief uit Samen breken zij in bij een adellijk heer, een vorst, en horen van diens vergiftigingsplan Mutsenruil; verder het normale verloop De boer krijgt de titel vorst Dit zijn de ‘Karel en Elegast’ sprookjes, die in mijn bezit zijn Er zijn nog andere varianten bekend In een paar sagen is het ‘Der alte Fritz’, die uit stelen gaat: zo in Jahn, Volkssagen aus Pommern Nr 630 ‘Der alte Fritz und sein Soldat’; Haas, Rügensche Sagen (1891) Nr 200 ‘König Fritz’ Ook Karel XI komt als vorst voor: Bäckström, Folkböcker 3, 62 ‘Carl XI och Skober’ Maar het is misschien niet nodig de weinig afwijkende inhoud van al deze vormen mee te delen In 'talgemeen spreekt de inhoud van deze sprookjes voor zich zelf; het lijkt mij onmiskenbaar, dat zij zeer veel overeenstemming met het Mnl Karel ende Elegastepos vertonen Hier en daar heb ik door een *op een detail opmerkzaam gemaakt, dat in over Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 102 eenstemmende vorm ook in het epos voorkomt Op de vraag, of de sprookjesvorm op het epos, dan wel het epos op de sprookjes berust, moet ik antwoorden, dat mij het eerste het geval schijnt De sprookjes laten zich alle als ‘volkläufig’ geworden epos verklaren; voor de opvatting, dat de sprookjes primair waren, zou het nodig zijn aan te nemen, dat de dichter van het epos eerst alle sprookjes bestudeerd en dan daarop zijn werk opgebouwd had Soms zijn de motieven in de sprookjes wat vreemd; in Nr 3gaat de tsaar bijv in een narrenpak op diefstal uit en in Nr 1is van een samenzwering sprake, hoewel die in dat sprookje eigenlijk niet voorkomt Ik neem dus aan, dat het Karel ende Elegastverhaal in de sprookjesschat van Duitsland, Oostenrijk, Polen, Litauen Rusland is overgegaan en vandaar tot in Mongolië bekend geworden is Te verwonderen hoeft zoiets niet; de zogenaamde sprookjes zijn lang niet allemaal oeroud Velen nemen met Heusler en v Löwis of Menar aan, dat de inhoud van een Brunhildlied in de Russische sprookjesschat is overgegaan; ja er is zelfs een theorie van de Praagse folklorist Albert Wesselski, die zegt, dat alle sprookjes in oorsprong literaire kunstwerken en dus ‘gesunkenes Kulturgut’ zijn een theorie trouwens, die mij veel te ver gaat Het is nu echter een feit, dat er bij alle overeenstemming tussen het Karel ende Elegastepos en die Karel en Elegastsprookjes ook belangrijke afwijkingen bestaan Zo treffen wij in de sprookjes overal de verklede, veelal de in lompen gehulde tsaar of koning aan, terwijl Karel in het epos in volle wapenrusting, alleen met bedekt schild, uitrijdt De zadelroof ontbreekt in de sprookjes helemaal, al komen er wel andere motieven uit het Meesterdiefsprookje in voor (Nrs 3, 11) De oorvijg, die de vorst van de loyale dief krijgt, is voor de sprookjes karakteristiek; algemeen is ook, dat de vrouw van de vazal, die een aanslag wil plegen, steeds aan de zijde van haar man staat en dat er nergens een spoor opduikt, dat zij de vorst (ev haar broer) wil verdedigen Van een mishandeling van de vrouw is dan ook geen sprake In plaats van de scherpe messen, waarmee in het epos de aanslag gepleegd zou worden, willen de verraders in de sprookjes altijd vergif gebruiken Het lijkt moeilijk te beslissen, waaraan deze verschillen toe te schrijven zijn Denkbaar is, dat het verhaal ‘volkläufig’ is Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 103 geworden, voordat de verridderlijking plaats vond, die wij in het mnl epos hebben aangetroffen Zeer goed mogelijk lijkt echter ook, dat de traditie van het sprookje sterk genoeg is, om ridderlijke bestanddelen van het verhaal te doen vervangen door andere, die beter bij de sprookjesstijl passen De oorvijg zou bijv heel goed in de plaats van de afkeurende woorden gekomen kunnen zijn, die Elegast na Adelbrecht's voorstel tot inbraak bij de koning laat horen Te bedenken is verder, dat in de sprookjes de stof zeer vereenvoudigd is; een van mijn varianten (Nr 8) is maar zes regels schrift en de meeste gaan de omvang van 25 à30 regels niet te boven Bij die vereenvoudiging zou de zadelroof, die toch al enigszins een overtollige indruk maakt, weggevallen kunnen zijn Eenmaal duikt merkwaardigerwijze het cruut op, en wel als ‘springkruid’ voor sloten De naam Elegast verschijnt nergens; eenmaal wordt in een Moskouse variant de dief ‘Barma’ genoemd Eenmaal duikt ook de landdag op, die de volgende dag plaats zal vinden; eenmaal is er sprake van de nog ongekroonde koning, die zijn volk wil leren kennen, een trek, die in de Franse epische overlevering voorkomt Eenmaal duikt ook nog op, dat de dood van de bedreigde op een Christelijke feestdag (Pasen) zal plaats vinden Eenmaal wordt er ook van gesproken, dat de tsaar zijn soldaten verzamelt; een andermaal, dat een geestelijke de boeren tegen de verraders oproept Al deze motieven, die ook in de epische vorm optraden maken voor mij de opvatting het waarschijnlijkst, dat het epos (misschien in een latere vorm als volksboek of als vastenavondspel als bijv het Lübecker Fastnachtspiel van 1450; vgl Lübben, Jb fnd Sprachf 6, 20) de grondslag voor de sprookjes is geweest Alles tezamen genomen hoop ik, dat het mij gelukt is, de ontwikkeling van de Karel ende Elegaststof op ook voor anderen aannemelijke wijze te schilderen Indien mijn uiteenzettingen juist zijn, hebben wij hierin een sprookje, dat in de riddertijd tot een Karelsage omgewerkt en met andere sprookjesmotieven uitgebreid werd In latere tijd is het epos in zijn hoofdtrekken weer in de sprookjesschat van verschillende landen opgenomen, nadat een deel der motieven aan de sprookjesstijl aangepast waren Den Haag HWJ KROES Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 104 Da nobis Aan het slot van mijn artikel over de Nobiskroeg 1)sprak ik als mijn vermoeden uit, dat het gebruik van het latijnse pronomen personale nobis als zelfstandig naamwoord gezien moest worden als isolering, substantivering en personifiëring van nobis in het Onze Vader: ‘Panem nostrum supersubstantialem da nobis hodie’, ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ Ik baseerde deze mening op vs 351 van Het Leenhof der Ghilden van Jan van den Berghe: (Die) dicwils den vetten Da nobis versoecken 2); ik meende daaruit te mogen concluderen, dat Da nobis een gangbare bedelterm is geweest van de vaganten Inmiddels heb ik nog enkele andere plaatsen gevonden met Da nobis, die wellicht kunnen dienen ons inzicht te verhelderen In de Rethoricale Wercken van Anthonis de Roovere luidt het slot van het laatste gedicht, dat op diens naam staat (N 1ro): Tsint dat /Da Nobis /creech scientie Tsint dat /Placebo: was Aduocaet Tsint dat /Volo: ghaf Sententie Tsint dat Pilatus was Apostaet Tsint wast al quaet /sack ende saedt Hetzelfde lezen we op het 2e schutblad van het zog ‘AnnaBijnshandschrift’ A(Kon Bibl, Brussel no 19547) 3): Sint dat da nobis creech scientie, Sint dat placebo was advocaet, Sint dat volo gaf de sententie, Sint wast al quaet, sack ende saet! Zoals men ziet ontbreekt hier r4, waardoor we een kwatrijn krijgen, dat in alle opzichten voldoet aan de eisen van een priamel Wel 1) Volkskunde 1948, bl 11 ev 2) C Kruyskamp, Dichten en Spelen van Jan van den Berghe ('sGravenhage 1950) bl 18 3) Uitg inLeuv B 4,bl 363 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 105 iswaar worden ook dié spreukvormige gedichtjes, waarin vier overeenkomstige begrippen ‘onder één noemer’ zijn verenigd, door sommigen priamel genoemd, maar het verdient aanbeveling daarvoor de term ‘quaterniones’ te gebruiken en priamel te reserveren voor het drietal door de ‘noemer’ gelijkgekwalificeerde zaken 4) Alle goede dingen bestaan in drieën en welke verkeerde dingen er ook gewoonlijk zoals in ons geval aan de kaak worden gesteld, genologisch gesproken mag men de drie in Hs A goed noemen, omdat ze op precies hetzelfde niveau liggen Da Nobis, Placebo en Volo behoren bijeen, ze vormen een triumviraat, waar Pilatus niet bij past Het zijn alle drie typischlaatmiddeleeuwse allegorieën, ze representeren resp de Hebzucht, de Vleierij en de Willekeur Niet alleen als allegorieën, maar ook als zeer reële begrippen passen ze uitnemend in de tijd Want dáárover is het immers, dat de moralisten in koor hun klaagzang aanheffen En iedere historicus weet, dat deze ondeugden met name in de rechtspraktijk toentertijd ten hemel schreiden Da Nobis, Placebo en Volo zijn alle drie in de sfeer van de Archipoeta geparodiëerde bijbelwoorden, die door veelvuldig gebruik in de liturgie algemene bekendheid hadden verworven Van Placebo was dit reeds lang bekend Het woord is ontleend aan Ps 116 (115), 9: ‘Placebo Domino in regione vivorum’, als antiphoon bij lijkdiensten gezongen Dit placebo werd via de vertaling: ‘Ik zal U trachten te behagen, het U naar de zin te maken’ eerst gebruikt in de verbinding ‘Placebo zingen of spelen’ voor vleien en vervolgens geïsoleerd tot vleierij, waarna het tevens kon dienen ter aanduiding van een persoon, tw het type van de vleier 5) Maar ook naar de bijbelse oorsprong van Volo behoeven we niet lang te zoeken Ieder herinnert zich, hoe vaak dit woord daar voorkomt èn in de Psalmen èn in de Evangeliën (in de mond van Christus) en de brieven van Paulus Welnu, deze bijbelboeken leveren immers de hoofdschotel van alle liturgische teksten Wel is het cultuurhisto 4) Vg Uhl, Die deutsche Priamel (1897), K Euling, Das Priamel bis Hans Rosenplüt (Germanist Abhandl 25), C Kruyskamp, De Refreinenbundel van Jan van Doesborch I(Leiden 1940) bl LX ev 5) Vg ‘Een placebo ben ick ende alsoo gesint Dat ick de huyck alom hangh naeden wint’ aang inWNT XII, 2158 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 106 risch interessant op te merken, dat Jacob de Hondt in zijn Album de oorsprong ziet, althans verband legt met de bekende uitspraak van Juvenalis: ‘Sic (lees Hoc) volo, sic jubeo, sit pro ratione voluntas’ (6, 223) In het macaronische, nog geheel aan de speelssatirische vagantenpoëzie herinnerende gedicht, waarin ook alweer ons drietal gezamenlijk optreedt 6): Sintdat Da nobis quam int lant Suis cum numeribus, Ende Placebo hadde d'Overhant In omnibus operibus, Et sic volo wort jugement In omni officio, Doe wert die weerelt al ghescent Justo de judicio heeft de dichter déze regels toegevoegd: Dits versproken in een verseken, zoo iclas: ‘Sic volo, sic jubeo, sit pro ratione voluntas’ Invloed van het Humanisme bij deze overigens volbloed middeleeuwer? Zoals gezegd hoort ook hier het drietal bijeen Feitelijk is dat ook het geval in een ander stukje in dezelfde autograaf, luidende als volgt: Sintdat Da nobis creech sciencie Et Sic volo gaf sentencie Ende Placebo hadde regiment, Ende Et timebunt gentes waren jugement, Ende, sint dat Judas was mercator pessimus Et Pilatus judex nequissimus, Sint en was in erderijcke pays noch vrè 7) Het is duidelijk, dat De Hondt de eerste drie regels heeft ontleend aan het reeds bestaande en wellicht algemeen bekende priamel en dat hij op dit thema nog een aantal regels heeft voortgeborduurd De spreuk is er niet beter op geworden Et timebunt gentes (een reminiscentie aan Deut 28, 10, Jer 33, 9of Ps 64 (63), 10) is een persoonlijke aardigheid van de dichter, maar zinloos en overbodig, omdat zijn misdaad dezelfde is als van Sic volo Even overbodig zijn Judas en 6) Uitg dN de Pauw, Middelned Ged en fragm 2(Gent 1914) bl 343 7) Ald bl 340 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 107 Pilatus, want Judas' hebzucht is al in Da Nobis en Pilatus' karakterloosheid in Placebo begrepen Bovendien verbreken ze de homogeniteit, want ofschoon ook zij typen waren in de 15e eeuw representanten van een bepaalde stand of ondeugd het zijn geen allegorieën Wel geeft het te denken, dat we nu èn in de Rethoricale Wercken èn bij Jacob de Hondt Pilatus zien toetreden tot ons edele drietal Men zou daaruit tot invloed willen besluiten van De Roovere op de pastoor van Axel 8)Maar daartegen bestaan bezwaren Ten eerste is het niet zeker, dat het gedicht in de Reth W werkelijk van De Roovere is Eduard de Dene heeft in deze bundel verscheiden dichtproeven van anderen als het werk van zijn stadgenoot laten doorgaan, zodat zijn woord geen volstrekt gezag meer verdient Een afdoend criterium van elders heb ik in dit geval niet gevonden De opvatting, dat De Roovere het bekende priamel heeft uitgebreid tot dit wonderlijk gewrocht, dat we nòch refrein nòch ballade mogen noemen, is zeer aanvaardbaar, al lijkt het misschien te knap voor de Brugse rederijker Nemen we aan, dat hij de dichter is, dan zal hij met het priamel, dat hem om zijn satirische inhoud zeer sympathiek moest zijn, hebben willen eindigen en de Pilatusregel ter wille van het rijmschema hebben toegevoegd Anderzijds is de figuur van Pilatus als type van de onbetrouwbare rechter zo algemeen in de late middeleeuwen 9),dat er helemaal geen fantazie voor nodig is om een zelfstandige, onderling onafhankelijke invoering door De Roovere en De Hondt aan te nemen Met Judas als type van de immorele koopman, die de Axelaar er nog bijgeeft, is dat heel wat anders Vonden we die ook in de Reth W, dan stond de ontlening wel vast Want als zodanig kende ik Judas nog niet Hij was in de ridderlijke sfeer de verrader, de Ganeloen, in de geestelijke de geïncarneerde Avaritia en beide voorstellingen bleven, zoveel ik weet, in later eeuwen van kracht Dat er daarnaast nog een ‘burger 8) Dus niet op grond van het priamel als zodanig, zoals Willems doet inMed VA 1920, bl 973 ev 9) Zie mijn art over De rol van de vrouw inhet drama der Verlossing, bijdrage tot het Bourgondische Passiebeeld inKerk en Eredienst 1951, bl 66 ev Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 108 lijke’ conceptie is ontstaan, tw die van de gewetenloze koopman, wist ik niet Maar misschien is het slechts een persoonlijke vondst van De Hondt Tenslotte Da Nobis Ik zie nu in, dat we voor het geschetste proces niet uitsluitend behoeven uit te gaan en te steunen op het Onze Vader Da Nobis komt om de haverklap voor in de liturgische formuliergebeden Die vormen het uitgangspunt voor de ontwikkeling, die blijkens ons priamel heeft geleid tot volledige personificatie De eerste phase was die der isolering, zoals in het Tafelspel van Prochiaen, Coster, Wever, waar de laatste tot de eerste zegt: Tis al gelt dat ghy soect, meer dan den geest, En op uhooghe feestdagen wint ghy aldermeest, Want op de loffelijcke Feest, Kersdach voorwaer, Dan doet ghy drie missen, dats openbaer, En tis ál: Da nobis, Da nobis (wilt ons geven) 10) De tweede stap werd gedaan met de substantivering, als hoedanig zou kunnen gelden de plaats in het Leenhof der Ghilden : (Die) dicwils den vetten Da nobis versoecken Ik versta die plaats nu echter anders dan drie jaar geleden Ik geloof, dat versoecken hier ‘bezoeken’ betekent in de zin van pelgrimeren, ‘beewegen’ 11) en dat Da nobis een spotheilige is als Sinte Niemant, Lorts, Mager, Hebniet enz Dan zou Da Nobis het nog verder hebben geschopt dan zijn collega's, die het nimmer tot zulk een ‘volks’canonisatie hebben gebracht Maar hij heeft er misschien ook meer recht op, want zijn verering is onder het mensdom algemener dan die van Willekeur en Vleierij Vreemd blijft alleen het adjectief ‘vetten’ Avaritia pleegt immers juist in tegengestelde zin te worden voorgesteld Maar wellicht dacht de dichter zich de ondeugd reeds in historische gedaante, geïncorporeerd ahw in een bepaalde persoon of groep en dan denk ik aan de koopman 12),in de 16e eeuw dank zij het verzaken aan elke moraal ‘vet’ geworden 10) R 1456 ev, uitg LM van Dis, Reformatorische Rederijkersspelen enz bl 1901 11) Mnl W 82496, 2499 12) Zoals op de miniatuur bij Mâle III, fig 182 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 109 Het verband in het Leenhof eist voor Da nobis (indien hij daar inderdaad als spotheilige zou fungeren) de betekenis ‘hebzucht’, in het priamel daarentegen schijnt het op ‘rapalje’ te wijzen, althans in eigenlijke, oorspronkelijke zin 13)Ik kan tenminste de regel Sintdat Da Nobis creech scientie niet anders vertalen dan door ‘Sinds Da Nobis kennis, ontwikkeling, beschaving kreeg, eventueel: vooruit of naar voren kwam’ 14)Het verband tussen rapalje en hebzucht behoeft overigens niet te bevreemden Hetzelfde constateren we bij Rapiamus, dat ook beide betekenissen in zich verenigt 15)Deze ondeugd treft trouwens de oppervlakkige waarnemer het meest ingeval niet tot iet wil komen Leiden JJ MAK 13) Volledigheidshalve herinner iknog aan een mogelijke derde betekenis op grond van Jan de Brune's Jok en Ernst 1,85 (ao1644), waar verteld wordt, dat enige ‘laffe kroeghvliegen’ als hun kannen uit zijn, de waard toeroepen: ‘date nobis de oleo vestro, quia lampades nostrae extinguuntur’ Misschien mogen we hieruit een oude drinkterm destilleren, die wederom niets anders isdan een parodie, ditmaal ontleend aan de parabel van de vijf wijze en vijf dwaze maagden, oorspronkelijk wel mede inde sfeer van de archipoeta ontstaan 14) Wellicht schuilt erechter in‘scientie krijgen’ een oude mij onbekende rechtsterm; wij blijven immers inhet priamel, zelfs inde uitbreiding van De Roovere, geheel inde juridische sfeer 15) Zie WNT iv Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 110 Dirc Potter Nieuwe gegevens voor 's dichters biografie Onder de kenners der litteratuurhistorie, met name de schrijvers van de handboeken, is het vooral J te Winkel geweest, die de biographische gegevens over Dirc Potter overzichtelijk heeft bijeengezet Hij ontleende zijn mededelingen voornamelijk aan de naspeuringen, verricht door LPhC van den Bergh, voor een deel gepubliceerd door Leendertz 1) Nieuwe gegevens zijn sinds 1854 nauwelijks aan het licht gebracht Aanleiding tot een hernieuwd onderzoek vond onlangs iemand tijdens de voorbereiding van een dissertatie over een 15deeeuwse Mellibeus inproza zoals hem bleek geschreven door Dirc Potter van der Loo uit Den Haag 2)De clerk van het grafelijk hof, bekend om zijn dichtwerk Der Minnen Loep, schreef op latere leeftijd, om zijn eersteling weer goed te maken, een tractaat Blome der Doechden De tekst van dit prozawerk is ons overgeleverd in een handschrift, het enig bestaande, liggende in de bibliotheek der PP Franciscanen te Rekem (Reckheim) in Belgisch Limburg, en is in 1904 uitgegeven door Fr P Steph Schoutens Het was in deze provisorische uitgave, dat in 1918 W Spitzen in de beginletters der capita het bekende akrostichon ontdekte, luidend Diric Potter vander Loo vten Hage heeft mi gemaect Gods Terecht zagen sommigen oa LC Michels in de toevoeging der laatste vier letters een aanwijzing, dat aan het tractaat een aantal hoofdstukken ontbrak, want het vermoeden lag voor de hand dat het woord Gods 1) JteWinkel, Ontwikkelingsgang der Nederl Letterk, Haarlem 1922 Dl IIp119135 LPhC vd Bergh, Nieuwe berigten over Dirc Potter en zijn geslacht (Nederlandsch Athenaeum I (1853), p149 vv) Der Minnen Loep door Dirc Potter, uitg P Leendertz Wz Inleiding Leiden 1847 2) Mellibeus, een geschrift van Dirc Potter Inleiding en tekstuitgave Diss Nijmegen 1950 Hierin een lijst van archivalia en werken, voor 'sdichters biographie geraadpleegd Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 111 moest worden aangevuld tot een slotspreuk God si gheloeft of iets dergelijks 3) De kwestie ware minder gecompliceerd geweest, als Schoutens niet de fout had begaan, de Blome dD uit te geven los van de andere tekst die er in het hs op volgt, namelijk de Mellibeus De beginletters der hoofdstukken namelijk van dit geschrift, gevoegd achter het akrostichon van de Blome, levert dit resultaat: Diric Potter vander Loo vten Hage heeft mi gemaect God si es gheloeft endi ghebenedijit van als, Amen Uit deze lettercombinatie valt af te leiden, dat de Mellibeus het derde werk is van Dirc Potter Vroeg of laat is een heruitgave ook van Potters eerste twee werken wetenschappelijke eis Leendertz' editie van de MLp, berustend op het beste der 2 hss (privé gecollationneerd door LC Michels), wordt gaandeweg onvindbaar Van Hv Alfen, die in 1905 in Ts een artikel gewijd heeft aan de Blome, mogen wij misschien een nieuwe publicatie tegemoet zien Nu de geschriften van de Haagse clerk wederom onderwerp zijn van studie, leek ons een hernieuwde speurtocht naar 's dichters levensloop, door Van den Bergh destijds uit de archieven globaal gereconstrueerd, niet overbodig Ziehier de resultaten van ons onderzoek: 4) Van het voorgeslacht der Potters is ons niets bekend De familienaam, ontleend aan het pottersvak, is algemeen verbreid (geweest) en kwam in verscheidene schrijfwijzen voor Wij hebben dan ook geen enkel bewijs, dat de koopvaarders Potter, die wij in de Bronnen tot de geschiedenis van de handel met Engeland, Schotland en Ierland en in de stukken van De tol van Iersekeroord 5)bij herhaling tegen 3) W Spitzen, Dirc Potter als schrijver van de Blome der Doechden (TTL, VI, p19) LC Michels, Bij het akrostichon inReinaert I(Ts XLVI (1927), p286) 4) De hier volgende gegevens staan inhet bovengenoemde proefschrift zonder documentatie kort geresumeerd bijeen 5) RGP, dl65 (Dr HJ Smit), reg nrs 574 §8;576 §105; 724 A§17; 724 B1§21; 724 B 2§11; 726; 736 §32 en §88; 740; 775 Verder nog gegevens op de blzz 302, 534, 536, 615 en 1078 RGP, kl serie 29 (Dr WS Unger), p166 en 335 Men zie ook een aantekening inDr Friedländer, Ostfries Urkundenbuch I,Emden 1878, S 137, nr 161 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 112 komen (Dirc, Jacob, Hein, Jan, Willem), aan de dichter verwant zijn 6) Zekerheid bezitten wij wel over Dircs vader, GERRIT POTTER Diens werkzaamheid aan de kanselarij van Albrecht van Beieren zal aanvankelijk van weinig gewicht zijn geweest Weliswaar ondertekent hij, na voor het eerst in 1361 in een rekening te zijn vermeld, reeds in 1363 een oorkonde van de graaf 7),maar in 1366 ontvangen ‘Willem en Gheraerd den Pottere, mijns heren clerken, drie motoenen, te hovesscheden ghegheven, overmids dat zi screven brieve ter stede (Middelburg), die mit mijns heren zeghele bezeghelt waren’ 8)De term ‘te hovesscheden ghegheven’ wordt in de grafelijke rekeningen doorgaans gebruikt voor de beloning van ondergeschikte diensten Het aantal ondertekeningen van grafelijke oorkonden wordt gaandeweg legio Zij zijn een bewijs van Gerrits groeiende positie Achtereenvolgens tekent hij een acte van pardon van hertog Albrecht van Beieren voor de heer Van Culemborg in 1364 en een schuldbekentenis van de heer vd Leck en Breda aan hertog Willem van Beieren, daterend van 1356 en in 1364 gevidimeerd 9)En verder nog talrijke andere charters tussen 13 Mei 1363 en 5Mei 1379 10)Hij volgt zijn heer, als deze op reis is, want in 1365 bevindt hij zich te Zierikzee en te Middelburg, in 1366 te Haarlem, in 1368 te Kamerijk en weer te Haarlem, in 1370 te Middelburg en Kanout (= Quesnoy, Henegouwen), in 1371 te Den Briel, in 1373 weer in Henegouwen en in 1379 te Middelburg 11) Het verwondert ons dan ook niet, dat Albrecht hem in 1368 voor bewezen diensten het veer van Reymerswaal in leen geeft en de elle 6) De uitdrukking ‘Het isaannemelijk teachten, dat de Potters behoorden tot een geslacht van koopvaarders’ op p5van ons proefschrift isvooralsnog teprematuur 7) Jhr Thv Riemsdijk, De tresorie en de kanselarij vd graven vHoll 'sHage, 1908, p123 Fv Mieris, Groot Charterboek IIIp147 8) Burgem rek vMiddelburg, RGP 61 (Dr WS Unger), dl IIp111 en 169 Een motoen is een gouden munt met een afbeelding van het Lam Gods 9) Archief der heren en graven van Culemborg door Mr AP van Schilfgaarde Eerste stuk, Nijmegen 1949 Charters Inv no 13 en 17 10) vMieris III166, 171, 172, 174, 178, 183, 199, 206, 208, 217, 219, 221, 233, 237, 248, 255, 261, 265, 278, 347, 350, 429 11) vMieris III174, 178, 199, 233, 237, 248, 255, 265, 278, 350 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 113 maten te Ierseke 12) en in 1378 vijf en een half morgen één hont lands in het Westambacht van Den Haag, als recht leen te vererven op zijn zoon W OUTER 13) Dit laatste bericht is ook hierom van enig belang, omdat wij hier kennismaken met een broer van de dichter Wouter Gheryt Potters soen was in 1390 ‘mire vrouwen tortysdrager (= toortsdrager) van oestervant’ en was dus in dienst van de gemalin van Albrechts zoon Willem VI, graaf van Oostervant, dus van de moeder van Jacoba van Beieren Hij werd in dat jaar van Den Haag naar Krabbendijke gestuurd ‘om 4 tellende perde tot mire vrouwen behoof’ 14)Deze Wouter Potter moet in 1400 overleden zijn, want de 29ste Juli van hetzelfde jaar werd zijn broer Dirc, de dichter dus, met het genoemde land in het Westambacht te Den Haag beleend, toen Wouter gestorven was 15) 's Dichters vader Gerrit schijnt behalve het secretariaat ook nog een ander ambt bekleed te hebben In 1384 of 1385 krijgt hij met anderen oa met heer Willem van Brederode, baljuw van Amstelland, opdracht ‘om een warride (= waerheit = gerechtelijke uitspraak) te sitten van Jacob Florys soens doet’ 16)De laatstgenoemde was in leven schout van Edam En op 30 October 1381 bevestigt hij met zijn eigen zegel in groene was de verkoop van 5morgen lands, uitgaande van Willem Willems zoon van den Berghe aan Dirc Voppenzoon, deken van de hofkapel 17)Uit deze berichten zouden wij willen afleiden, dat hij baljuw geweest is De mening van Jonckbloet, dat Gerrit Potter in de lagere adelstand opgenomen was (hij noemt hem schildknaap) 18) wordt door geen 12) Memorialen Leenkamer 50, f137 ro(ARA, 'sHage) Het bedoelde bericht istengevolge van verbleking en doorhalingen moeilijk leesbaar 13) Reg XVIIII f18 vo(Riemsdijk aw p123 +voetnoot 6) 14) Tres Rek Willem Garbrants 24 Juni 139025 Nov 1390, Bodeloenen 11e blad ro (Rekenkamer ARA, 'sHage) 15) Riemsdijk, p199, voetnoot 7 16) Jhr Mr Thv Riemsdijk en Dr JPh de Monté ver Loren, De rechtspraak van den graaf van Holland, Utrecht 1932 (= OVR 3II,124), Dl IIp15, nr 178 17) Jhr Mr A Martens vSevenhoven, Archief vh kapittel vSt Maria op het hof te 'sGravenhage, 'sHage 1914, p56, reg 70 18) Geschiedenis der Middennederl dichtk, dl III, A'dam 1854, p454 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 114 enkel bewijs gestaafd Vermoedelijk putte hij dit gegeven uit Van Leeuwens Batavia Illustrata, waar Gerrit Potter genoemd wordt onder de edelen die gemoeid waren in de arkelse oorlog 19) De veronderstelling, die hij vervolgens vastknoopt aan een andere notitie in Batavia Illustrata, volgens welke Gerrit Potter nog geleefd zou hebben in 1417, ‘daar men hier kwalijk aan zijn kleinzoon ('s dichters zoon, Gerrit) kan denken, die toen nog zeer jong moet geweest zijn’ 20),behoort weer tot die soort van grappigheden, die eigen schijnen te zijn aan de beoefening van de genealogie Wij achten het uitgesloten, omdat Wouter Potter, die immers de 5morgen lands in het westelijk ambacht van Den Haag van zijn vader Gerrit erfde, in 1400 gestorven is In het algemeen erft men van iemand die dood is Gerrit Potter moet dus in of vóór 1400 overleden zijn Zijn laatste bericht dateert van 15 Mei 1385 Het jaar 1385, waaruit ons het laatste bericht rest van de vader, is tevens het eerste waarin gesproken wordt over de zoon Op 12 November 1385 wordt DIERIC GHERYT POTTERSZOON beloond voor het op francijn schrijven van een duplicaat der tresoriersrekening van dat jaar 21)Dit bericht bevestigt ten eerste, dat hij de zoon is van Gerrit Potter en beantwoordt ten tweede de vraag, wat aanvankelijk zijn functie geweest is aan het grafelijk (hertogelijk) hof: jonge klerk van de tresorie Van de vaste Raden, de tresorier en de klerken werd gezegd, dat zij behoorden tot 's graven ‘herberg’, dwz zij waren bij de graaf in de kost Bevond de graaf zich met zijn hofhouding elders, bij voorbeeld in Henegouwen, dan ontvingen de achtergeblevenen ‘pandgeld’, waarmee zij hun kost betalen konden De klerken werden dan gezegd in de kost te zijn bij de tresorier Talloze malen trokken Raden en klerken, Dirck Potter incluis, erop uit, om een of andere dagvaart te houden 22)De dichter deelde dan 19) lc, p747 20) Jonckbl ibidem Van Leeuwen aw p1203 21) Tres rek 1385/6, cleyn foureyn Zie Riemsdijk aw (Tres )p199, 7 22) Een dagvaart iseen vergadering, waarop een ofander geschil geregeld wordt Vaak ishet een geschil, waarin de belangen van de graaf betrokken zijn, vaak ook werd de arbitrage van de raad ingeroepen door partijen, die het onderling niet konden ééns worden: zij ‘bleven’ dan aan de raad, dwz zij onderwierpen zich aan zijn beslissing Deden zij dit niet, dan viel er met 'sraads sancties niet tespotten Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 115 in de geinde zegel, schrijf en boetegelden, die de Raad declareerde De hoogstgeplaatste ambtenaren van de graaf genoten bijzondere voorrechten Sommigen hadden een eigen woning in Den Haag, zoals Dirc Potter, van wie wij aangetekend vinden, dat hij in 1402 zijn woning, die blijkens de leenbrief van 31 Jan 1406 aan de Plaats was gelegen, tot grafelijk leen maakte 23)Allen, die vast aan het hof verbonden waren, dus ook de Raden en de klerken, kregen hun kleding van de graaf, die deze eens per jaar verstrekte 24)Bezoldiging werd doorgaans betaald in de vorm van schenkingen, grote of kleine Ondergeschikte dienaren, zoals Dirc nog was in 1385, kregen dan een beloning ‘ter hovesscheden gegeven’ Alleen hogergeplaatsten genoten vaste inkomsten, die hun, als zij geestelijken waren, gewerden uit beneficiën en prebenden 25):en als zij leken waren, uit landgoederen en pacht Enkele malen werd jaar of daggeld verstrekt Hoe Dirc Potters diensten gehonoreerd werden, zullen wij nog zien Bedieningen aan het hof brachten in het algemeen eer en voordeel Sinds 1354 waren er aan het hof vijf soorten klerken: namelijk van den register, van den ghelde, van den zaken, van der coken of van den cost en van den bloede Die van den register verzorgden het archief, die van den ghelde hielpen de tresorier, die van den zaken behoorden tot de kanselarij, schreven brieven en administreerden het algemeen bestuur; die van den cost hielden boek van de ‘herberg’, in dit geval van de hofhouding; die van den bloede administreerden de strafprocessen 23) Riemsdijk aw, p199 24) Edelen hadden hun eigen kleuren, zegt Van Riemsdijk, maar de uniforme hofkleur was ‘graauw’ di bleekblauw, schrijft PCG Guyot ineen lezenswaardig artikel Rood, wit en blauw, de landsheerlijke kleuren van Holland onder de graven uit het huis van Beijeren (Bijdr v Vad Gesch en Oudheidk Nijhoff Dl X, voortgezet inde Nieuwe Reeks dier Bijdragen Dl I) 25) Over Dirc van Delft hebben wij geen nieuwe gegevens aangetroffen Hij was in1399 door Albrecht benoemd tot hofprediker en bleef tot 1404 aan het hof verbonden Dirc Potter moet hem dus zeker hebben gekend LMFr Daniëls OP, Meester Dirc van Delft, diss Utrecht 1932, maakt op p27 van Dirc Potter slechts terloops gewag Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 116 Hoewel het voorkwam, dat één klerk ressorteerde onder twee of meer van bovengenoemde afdelingen, geeft de bovenstaande onderscheiding toch enigszins een idee van het grote aantal schrijvers of scriveinen waarover de graaf beschikte Daarnaast maakte men een duidelijk onderscheid tussen hogere en lagere klerken De eersten heetten ‘overste of meesterklerken’, de tweeden werden met ‘jonge klerken’ aangeduid De oudste door Dirc Potter gesigneerde oorkonde dateert van 9Jan 1403 26)Hij moet dus toen al meesterklerk geweest zijn Wanneer hij dit geworden is, is ons niet bekend Blijkbaar was hij op 24 April 1401 nog werkzaam in de tresorie, want op die dag werd hij als klerk van de tresorier wegens bewezen diensten beloond met de zwanen in Waterland en de pacht van de Zeevang 27) Alle diensten aan het hof beschikten over knechten en boden Men sprak van boden (te voet) en messagiers (boden te paard) Een grafelijke rekening van 14051406 noemt ons een zekere ‘Meestgen’ als knecht van Dirc Potter 28)En later wordt ons als zodanig herhaaldelijk ‘Heinrec Smit’ vermeld Zulke knechten deden allerlei boodschappen maar werden ook wel gebruikt voor schrijfwerk 29) Onze dichter begon dus als rekenplichtig klerk in de tresorie Als zodanig trad hij zelden op naar buiten Dit zal wel de reden zijn, waarom wij over zijn werkzaamheden tussen 1385 en 1400 zo zuinig zijn ingelicht 30) Zijn ondergeschikt klerkenbestaan heeft misschien voortgeduurd tot 26) A Kluit, Historie der Hollandsche Staatsregeling, A'dam 1805 27) Riemsdijk, p199 28) Jonckbloet aw, p453 De uitgang tgen isdiminutief Cf Piertgen, Heintgen Mees = Bertelmees =Bartholomeus (zie noot 67) 29) Ineen tres rek wordt ons bericht, dat Dirc Potter aan Heynric Smit een zekere beloning uitbetaalde ‘van dat hij gescreven hadde VII grote vydimussen (= bekrachtigingsbrieven), Keyserliken brieven ende IIIinstrumenten (= acten), die op die vidimussen dienden ende van tween grote rollen van allen haircomen (= handvesten), gesciet tusschen mijner genedicher vrouwe (= Jacoba vBeieren) ende mijn heere van ludick (= Jan vBeieren, elect van Luik)’ Tres rek Hub vCulemborg 1418 (Rijksarchief Arnhem), Cleyn foureyn 15e bladzij no 5 (Inv Schilfgaarde nr 67) 30) Zijn naam komt niet voor inde tresoriersrekeningen van 24 Juni 1390 tot 1Nov 1395 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 117 1398, want in dat jaar betaalde hij bodeloon en vertrok hij 12 December met een geloofsbrief naar Henegouwen 31) Dan komt opeens een vreemd bericht Op 30 November 1400 doet Aelbrecht, graaf van Holland en Zeeland, cond allen luden, dat er ongevalle ende doodslaghe gevallen sijn inden Haghe voir onser poorten, dair handadig ende voirvluchtig aen ende omme waren Pieter Potter, Dirc Potter, Jan Potter ende Dirc Potter bastaert 32) Jan en Pieter Potter worden in het verdere verloop van hetzelfde document broers genoemd van Dirc De feiten, door de documenten 33) meegedeeld, zijn als volgt: Op 20 Augustus 1400 doet Aelbrecht, graaf etc cond allen luden, ‘dat wij quytgeschouden ende vergeven hebben mit desen brieve Willem Gheryts zoen, Gillys Filipszoen, Dirc Potter, Pieter Potter, Jan Potter, Dirc Potter die bastairt ende Heyn Jonge’ met hun helpers alle misdaden die zij tegen de graaflijke heerlijkheid begaan hebben inzake het handgemeen met en de doodslag van meester Pieter, Colijn de Ridder en hun helpers ‘Wij vergeven hun, en schenken hun het recht op lijf en goed terug, omdat ze verklaard hebben, te zullen blijven aan den graaf, en bereid zijn, het zoengeld, dat wij zullen vaststellen, te betalen’ Zo luidt in het kort de inhoud En op 30 November 1400 volgt 's graven openbare mededeling, dat de Raad geprobeerd heeft, beide partijen met elkander te verzoenen; dat dit niet gelukt is: en dat derhalve de Raad zelf de beslissing in handen neemt Hij verklaart, dat het zoengeld bedraagt zeshonderd Hollandse schilden, waarvan de graaf een derde deel ontvangt en de rest naar billijkheid onder de maghen der verslagenen moet worden verdeeld De verwondingen, die Dirc Potter tijdens het handgemeen opgelopen heeft, verklaart de graaf voor dood: daarvoor hoeft niemand enige vergoeding te betalen Maar Dirc Potter en zijn helpers moeten 31) Tresrek 1398/9 Bodeloen Riemsdijk aw p199 Inde tresrek van 10 Oct 1399/1400 wordt Dirc Potter niet vermeld, waarschijnlijk omdat hij toen voortvluchtig was (zie hierboven het verdere verloop van onze berichten) 32) Riemsdijkver Loren aw Dl IIIp98 33) Liber VI, f394 en IIIMemoriale BM f101, ARA, 'sHage Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 118 duizend zielemissen laten lezen voor de twee vermoorden, kloosterwinning doen 34) tussen Maas en Zijpe zoals de gewoonte is en hiervan het schriftelijk bewijs overhandigen Met tweehonderd man moeten zij de voetval doen in de kerk te Den Haag ten overstaan van degenen, die wij zullen aanwijzen Tenslotte zullen ‘de handdadigen selfvijftiende’ tot troost voor de zielen der vermoorden met hun eigen lijf op bedevaart gaan naar OL Vrouw van Ridzamadoen 35) en hiervan het schriftelijk bewijs overhandigen’ Dit is in het kort 's graven zoen Mocht een van de maghen der verslagenen zich hieraan niet willen onderwerpen, dan moet hij dit binnen 8dagen aan de Raad meedelen Anders wordt hij verbannen met verlies van recht op lijf en goed Tot zover de documenten Een nadere verklaring wordt ons niet gegeven Thv Riemsdijk, die de stukken verzameld heeft en JPh de Monté ver Loren die ze heeft herzien, geven geen commentaar Wel publiceren zij nog in hetzelfde werk een bericht, waaruit blijkt, dat Dirc Potter en zijn helpers op 4April 1401 de eerste termijn van het zoengeld betaald hebben: één derde deel, bestemd voor de graaf De vraag is, of er in het Algemeen Rijksarchief nog wel stukken te vinden zullen zijn, die op deze zaak betrekking hebben 36)Ons rest derhalve niets anders dan te trachten langs een zijweg de waarheid te benaderen Het meeste houvast geven ons de namen der betrokkenen Daar is dan allereerst de partij van Dirc Potter met als een der voornaamsten PIETER POTTER ,die vanaf 1400 tot omstreeks 1420 tegelijk met zijn broer Dirc aan het grafelijk hof werkzaam isgeweest Het kan niet anders, of beiden hebben nauw met elkander samengewerkt: Dirc als meesterklerk in tresorie en kanselarij en Pieter als klerk van het 34) Cloesterwinninghe doen =ingeval van een doodslag door een uitkering aan de kloosters in een bepaalde landstreek de verslagene inkopen inhun broederschap 35) Ridzamadoen: wschl =Roc Amadour, een bekende Franse bedevaartplaats 36) Een onderzoek inde grafelijke rekeningen, door ons ingesteld, leverde geen resultaat De baljuwrekeningen van Den Haag over deze periode ontbreken, die van Delfland eveneens: die van Rijnland verschaften geen gegevens Een onderzoek inde memorialen van de Leenkamer, hier en daar als steekproef verricht (want een systematische contrôle is onbegonnen werk) bleek vruchteloos Op een laat ogenblik maakten wij, dank zij Riemsdijks Tresorie kennis met de inventaris op de memorialen van de Leenkamer, samengesteld door Peter van Gapinge en grotendeels geschreven door de hand van 'sdichters broer Pieter Potter Het voordeel van deze inventaris uit ±1420 is, dat zij een index geeft met persoonsnamen Voor Dirc Potters periode iszij onmisbaar: de getypte moderne inventaris geeft de leek weinig ofgeen houvast Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 119 register Het eerst wordt Pieter ons vermeld in 1400 als inkoper van wijn voor de graaf Omdat hij bovendien vaak de gastheer was van buitenlandse gezanten 37), moet hij bezitter geweest zijn van een herberg en wel, naar wij veronderstellen, in het centrum van Den Haag vlak bij het grafelijk hof op de Plaets in een perceel op de hoek 38)Op het laatst der 14de eeuw wordt inderdaad een herberg De Paauw genoemd op de hoek van de Plaets en de Hoogstraat Wanneer edellieden daar logeerden, werd hun wapenschild aan de voorkant aangebracht ten teken hunner aanwezigheid Het zal er wel eens vrolijk toegegaan zijn, want Pieter Potter, hofleverancier en wijnkenner, kon de zon in het water zien schijnen, zoals wij willen afleiden uit het driestrofig Hoogduitse drinkliedje, door hem overgeschreven, dat we zo maar temidden van archivistische notities aantreffen in Gapinge's Inventaris: Wir willent vreulich singen ho und vreuwen uns dez wijnez trang 37) Tresrek, 10 Oct 139910 Oct 1400, f40 ro,58 vo,59 vo,en 6o vo(ARA 'sHage) Eveneens uit ARA de tres rek 23 Aug 141428 Juli 1415, Groot foureyn, f43, waar hij de gastheer blijkt tezijn van ‘'s konings bottelgier en raad van Engeland mit sinen gesinde’ Andermaal ontvangt hij ‘'s konings rade ende sendeboden van Engeland’ (Archief Heren vCulemborg teArnhem Inv 67 Groet foureyn 2de bladzij) 38) De topographie isnog een hypothese Het staat vast, dat Pieter Potter woonachtig was in Den Haag Ook staat vast, dat Dirc Potter een woonhuis gehad heeft op de Plaets In1461 betaalt een zekere Pieter Potter erfhuur aan de graaf voor ‘dat hoeckhuys aen die Plaetse’ (Pabon, Hofboeken blz 249) De huizen der beide broers zullen niet dezelfde geweest zijn Dat de gebroeders Potter vlak bij elkaar gewoond hebben inde nabijheid van het grafelijk hof, isheel aannemelijk Ook de latere Potters schijnen vlak bij elkaar gewoond tehebben blijkens een oorkonde van 19 Febr 1437, waarbij de Schepenen van Den Haag verklaren, dat Mr Jacob Potter, priester, erkent schuldig tezijn een zekere rente, gaande uit zijn drie kamers op de hoek bij Pieter van Gapinge ‘tusschen Gerryt Potter ende Dirc Potter’ (Dr J Sernee ea, De archieven van kloosters en andere stichtingen inDelfland p404, nr 40) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 120 he maicht vil mannich hertse vro scheynck yn und la dyn truren stang 39) Op 25 Februari 1408 wordt hij benoemd tot baljuw van Den Haag ‘duerende tot mijns heeren off Dirc Potters wederseggen’, waaruit wij de conclusie mogen trekken, dat hij niet buiten zijn broer Dirc om benoemd is, die blijkbaar commissie had voor het ambt van baljuw Op 25 Augustus 1412 wordt hij wederom als zodanig benoemd ‘in der maniere als die bevelinge die Diirc Potter sijn broeder dair of heeft inhoudt’ 40) In 1421 werd hij onder Jan van Beieren van het register naar de tresorie overgeplaatst: vooraf moest hij zijn opvolger, heer Peter van Gapinge, in de archiefzaken inwerken 41) Een JAN POTTER ontmoeten wij in 1401 als koopvaarder op Engeland Hij is afkomstig uit Schiedam 42) en misschien identiek met Jan Potter, die samen met Heyn Potter en anderen in 1425 terecht staat voor een ander ‘vechtelyc’, dat plaats gehad heeft te Rotterdam en dat straks nog even ter sprake komt Kortom, wij weten van Dircs broer Jan betrekkelijk weinig Volgens LPhC vd Bergh was hij een bastaard: hertog Jan van Beieren vergunde in 1422 Dirc, hem bij gemis van nakomelingen te beërven 43) Over de andere medeplichtigen van Dirc Potter kunnen wij kort zijn Of DIRCK POTTER DIE BASTAIRT een (half)broer van Dirc geweest is, hebben wij niet met zekerheid kunnen achterhalen De berichten hieromtrent zijn niet duidelijk Hij heeft zeker iets met het grafelijk hof te maken gehad, want zijn naam komt voor in een 39) Dat het door Pieter Potters hand geschreven istijdens zijn werk als clerc van het register, is afteleiden uit de gegevens, meegedeeld door vRiemsdijk (Aldaar p675 onder bvergelijken met p638, waar de hand JAwordt toegewezen aan P Potter) 40) Leenkamer nr 324 B Beveelboek IV, fXvoen f34 vo(Vgl ook Leendertz' Inleiding pXI en XII) 41) Riemsdijk aw p289 42) Smit aw reg 775 (= RGP, dl 65) 43) vd Bergh aw, p149 Zonder opgave van bron De oorkonde staat niet inMieris en ook niet inhet Supplement Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 121 tresoriersrekening (tezamen met die van Dirc Snoey, die door Van Riemsdijk weer genoemd wordt als clerk van de clerk van het register en als jonge clerk van Willem VI 44) De anderen, W ILLEM GHERYTSZOEN ,GILLIS PHILIPSZOEN ,HEYN DE JONGE en GHERYT CLAESZOEN ,dragen namen, die ofwel in Gapinge's inventaris ofwel door Van Riemsdijk meermalen genoemd worden in relatie met het grafelijk hof van Holland De felle hartstocht waarmee in de 15de eeuw de vetes van edelen en hovelingen zijn uitgevochten, kunnen wij dikwijls slechts zijdelings uit de zakelijke berichten afleiden De gevolgen der uitspattingen komen in feitelijke gegevens aan de oppervlakte, de innerlijke roerselen blijven ons vaak verborgen Het handgemeen tussen Dirc Potter cs en de hovelingen 45) Meester Pieter, Colijn en Gheryt die Ridder, Jat Bat en de overigen is ongetwijfeld ingegeven geweest door een diepe haat Twee verloren hun leven en minstens drie werden gewond Meester Pieters knecht, Gabriel, krijgt voor de opgelopen verwondingen ‘tien Hollandsche scilde’ toegewezen en zijn honcwijve, die ‘oic zeer gequest wort’, vijftien Hollandsche scilde’ 46)Dirc Potter mag zijn wonden op niemand verhalen In plaats daarvan worden hij en zijn helpers op een verschrikkelijke wijze gestraft Heeft de graaf, na ontvangst van het hem toekomende deel der boete, de rest van de straf misschien verzacht? Weliswaar golden voor degenen in Den Haag die op grafelijk terrein woonden in strafzaken 44) Tres Rek 10 Oct 139910 Oct 1400 f58 roRekenkamer Inventaris 51a, ARA, 'sHage Een nakomeling van deze bastaard, althans een naamgenoot wordt ons nog vermeld voor het jaar 1491 invd Bergh p150 Dirk Snoey komt bij Van Riemsdijk voor op de blzz 227 en 228 45) Inderdaad kunnen wij aantonen, dat zij verbonden waren aan het grafelijk hof; Gheryt die Ridder en Jan Bat behoorden zelfs tot de hofclerus Dat meester Pieter aan de graaf belangrijke diensten bewezen heeft, blijkt uit een open brief van Albrecht van 16 Juli 1395, waarin tevens de naam van Gheryt die Ridder genoemd wordt (ARA, Leenkamer 52 f177 vo)Over Gheryt die Ridder en Jan Bat, clerici, zie vRiemsdijk, respectievelijk p325, 411 en 418 46) Zie Albrechts brief van 30 Nov 1400 (Riemsdijkver Loren, dl IIIp124) Honcwijf, wschl = bijzit Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 122 bepaalde privileges 47),maar het landsheerlijk bestuur had teveel belang bij rust en orde dan dat het bij doodslag een dienaar zou ontzien Een misdrijf, in het openbaar gepleegd, eiste openbaar herstel De plegers van de moord op Aleid van Poelgeest en van de doodslag van haar beschermer Willem Cuser werden nog jaren nadien met onverbiddelijke strengheid vervolgd Weliswaar betrof dit een vriendin van de graaf, maar wij betwijfelen, of het in andere gevallen anders geweest is De openbare mening, geschokt in haar gevoel voor rechtvaardigheid, eiste restitutie met alle uiterlijk bewijs dat hiervoor in zo'n katholieke samenleving vereist was: bedevaart, cloosterwinninghe en een voetval in de kerk met honderden tegelijk Wij maken als twintigste eeuwers een duidelijk onderscheid tussen moord en doodslag Ook de middeleeuwers kenden dit verschil Wie een moord begaan had sluw en met overleg: ‘gelegder lage’ was een lafaard en onderging daarvoor de schandelijkste straf In Den Haag werd zo iemand opgehangen aan de galg in de duinen òf (in het centrum van de stad, op de Plaets) verbrand, onthoofd of gevierendeeld vlak voor het grote crucifix dat daar stond opgesteld 48) Maar een doodslag als gevolg van een ‘eerlijk’ handgemeen was geen moord: het was strafbaar maar niet per se oneervol 49)In de grafelijke stukken treffen we bij herhaling berichten aan van zulk een ‘vechtelyc’ Vetes onder de edelen waren aan de orde van de dag De twisten tussen de Hoeken en Kabeljauwen smeulden onder de oppervlakte, als zij niet plotseling tot uitbarsting kwamen Wie zich aan dergelijke ‘brueken’ schuldig gemaakt had, kon toch later weer tot een eervol ambt geroepen worden, zoals bijvoorbeeld Foyken Foykensz, tresorier van de graaf van 14081410, die op 28 Mei 1393, medeschuldig aan de doodslag van Willem Cuser, verbannen was 50)Het hoeft ons dan ook helemaal niet te verwonderen, dat reeds in 47) Meded vd Vereen tbeoef dgesch van 'sHage, dl I,'sHage 1863, p231 48) Ibidem p256 Vergelijk Dirc Bouts' Pijniging van de H Hippolytus (Brugge, St Salvatorskerk) 49) Aldus inhet kort een toelichting, ons door prof de Monté ver Loren verstrekt 50) Riemsdijk p210, voetnoot 4 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 123 1402 Dirc Potter weer door de graaf begunstigd wordt en hij en zijn broer Pieter enkele jaren later beloond worden met het ambt van baljuw Als aan de opgelegde straf voldaan is, is de ‘bruek’ vergeven; sterker nog: de graaf ‘vergeeft’ bij open brief reeds op het ogenblik, dat de schuldigen verklaard hebben te zullen ‘blijven’ aan zijn vonnis Zulks geschiedt bijvoorbeeld ook door bemiddeling van Jacob Potters zoon na een ‘vechtelyc’ tussen Heyn Potter, Jan Potter en hun helpers enerzijds en ‘des heren knechten van Lieladam’ anderzijds op 6November 1425, die ‘een geschil mit malcanderen gehadt hebben, sodat sij malcanderen gequetst ende gewont hadden’ 51) Tijdens de vele twisten en oproeren in Holland gedurende de vijftiende eeuw hebben de Potters zich niet onbetuigd gelaten In 1481 wordt nog een Dirck Potter uyten Haghe, een kleinzoon van de dichter, voor zijn deelname aan een Hoeks oproer te Leiden onthoofd 52)En typerend voor de latere bekering van onze schrijver is, dat zijn gebundeld prozawerk, Blome der Doechden en Mellibeus, een rechtstreekse veroordeling betekent van die mentaliteit, die geschillen oplost door geweld Dircs carrière In geen geval heeft 's graven vonnis van November 1400 Dirc Potters carrière doen mislukken Integendeel, juist vanaf dit jaar stijgt zijn aanzien Op 24 April 1401 beloont Albrecht hem wegens bewezen diensten met de zwanen in Waterland en de pacht van de zeevang 53)Hij is dan nog werkzaam als clerc in de tresorie Op 19 November 1402 wordt hem ‘om dienst willen die (hij) tot vele tijden gedaen heeft ende noch doen sal’ door de graaf het eigendom gegund van ‘hofstede ende erven als hij liggende heeft in Noordeinde van Den Haghe op tie beke’ 54) Op 9Januari 1403 ondertekent hij een oorkonde een bewijs, dat 51) Riemsdijkver Loren, dl IIIp170171 52) JOrlers, Beschrijvinge der Stadt Leyden, 2e dr Leyden 1641 p420 vv 53) Riemsdijk, p199 54) vMieris, Supplement 3e stuk (ARA) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 124 hij intussen tot het ambt van meesterklerk is opgeklommen 55) De 28ste April 1405 beloven zekere personen ‘an Dyrc Potters hant tot mijns heeren behoif weder in den Hage te comen’ 56)Hij had toen dus een rechterlijke functie en was waarschijnlijk ‘scriver van den bloede’, zoals hij in ‘Der Minnen Loep’ bekent geweest te zijn 57)In ieder geval droeg hij deze titel op 31 Januari 1406 58) Tegelijkertijd echter bleef hij aan tresorie en kanselarij verbonden, want achtereenvolgens ondertekende hij recessen, rekeningen en grafelijke brieven in de jaren 1405, 1406, 1407, 1408, 1409, 1410, 1413, 1415 tot 1420 toe 59) Op 29 Augustus 1408 werd hij benoemd tot baljuw in Den Haag, hetgeen hij volgens zijn in het recesboek vermelde rekeningen bleef tot 4September 1416 60) In die tussentijd nam zijn broer Pieter dit ambt tweemaal voor hem waar Ook anderen hebben hem in die periode vervangen oa Huge heer Gerairtszoon 61)Blijkbaar kon Dirc Potter dit ambt naar eigen goeddunken aan derden vergeven Als baljuw beschikte hij tevens over het benoemingsrecht van schout, scepenen, kerkmeesters, heylige gheestmeesters (dit waren de heren van de armenzorg), boden en andere diensten De scepenen koos hij op St Catharinendag uit de welgeboren mannen en huislieden van Den Haag: zeven in getal voor de tijd van één jaar Zijn wedde betaalde de graaf hem uit het schot, voor de inning waarvan de baljuw mede verantwoordelijk was De baljuw van Den Haag was de officier crimineel van de graaf: alle misdrijven, die niet direct onder 's graven jurisdictie vielen, werden door hem berecht 55) Kluit aw p278 56) Riemsdijkver Loren, dl Ip127, nr 100 57) MLP I7780 58) Register III, Leenkamer f17 vo(ARA) 59) Tresrek JHeerman en Will Eggart, 16 Dec 14042 Mrt 1405 Tresrek Willem Eggart, 23 Aug 1413'14, f125 Tresrek Willem Eggart, 23 Aug 141428 Juli 1415, f82 Zie ook Riemsdijk p225 De rekening van 1406 isvan 19 April 14041405, afgehoord 15 Jan 1406 (Zie Dr K Heeringa, De rekeningen uit de Holl rekenkamer naar de Zeeuwsche overgebracht, 'sHage 1913, p56 nr 145) Inhet algemeen geschiedde het afhoren der rekeningen door de tresorier bij voorkeur inhet bijzijn van Dirc Potter 60) Riemsdijk p225 61) De Riemer, Beschrijving van 'sGravenhage, dl III, p19 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 125 Hij sprak recht met de schepenen en strafte door middel van boeten Ook de boeten, door de graaf opgelegd, werden door hem geïnd Zijn verantwoordelijke positie, ook in financieel opzicht, heeft vaak tot ergerlijke misstanden geleid Vaak waren baljuwen uitzuigers, die zich ten koste van het gemene volk verrijkten Als hoofd van het gemeentelijk bestuur maakte hij in overleg met schout en schepenen de keuren, die ipso facto de sanctie hadden van de graaf Hij gijzelde degenen, die nalatig waren in de betaling der belastingen en had een eigen dingstoel 62) Het heeft geen zin, hier alle reizen op te sommen, die Dirc Potter in de loop der jaren voor de graaf gemaakt heeft Zij zijn legio Van belang echter is de datering van Potters reis naar Rome Zij werd door Leendertz en aanvankelijk ook door Jonckbloet gesteld omstreeks 1409 totdat Jonckbloet een aantekening vond in de tresoriersrekening van Willem Eggart van 23 Aug 1411/12, waarin voor omstreeks 31 Januari 1412 melding gemaakt wordt van loon aan een bode, ‘die van Romen quam mit alrerhande Dirc Potters brieue’ De komst van deze bode is zelf niet gedateerd maar het bericht van zijn beloning staat tussen andere gedateerde berichten in en moet op ongeveer de 31ste Januari (1412) betrekking hebben Vandaar dat men naderhand Potters Romereis terecht gedateerd heeft in de jaren 1411 en 1412 63) 62) Med Haag Ip232235, 253, 297 Ook: NJ Pabon, Bijdragen over het godsdienstig(enz) leven inDen Haag tot het einde der 16de eeuw ‘Die Haghe’ (jaarboek) 1936, p68 en 74 63) De mededeling bij Te Winkel, dat Potter zich, vooraleer naar Rome tereizen, op 4Mei 1411 (nog) teUtrecht bevond, berust op een foutief citaat bij Leendertz, waar Eggarts tresoriersrekening van 23 Aug 1412 gedateerd staat op 1411 (Rekenkamer, no 90, f55, ARA )De conclusie, hieruit volgend, luidt, dat Potter op 4Mei 1412 reeds terug was uit Rome Met deze correctie vervalt meteen Te Winkels vermoeden, dat de dichter pas inJuni (1412) zou zijn gerepatrieerd Wanneer vertrok hij? InMLp deelt hij mee, dat hij langer dan een jaar wegbleef Hij moet derhalve vóór 4Mei 1411 zijn vaderland hebben verlaten, vermoedelijk inFebruari, want tussen de 22ste en de 26ste dezer maand laat hij aan Willem Teruel in Brugge boodschappen, dat de betaling van een som gelds wordt uitgesteld tot 14 dagen na 'sdichters terugkomst ‘want hiinmiins liefs heren saken utgesent was’ (Tresrek 26 Febr 14101411 Rekenk nr 88) Kennelijk slaat dit op zijn Romereis Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 126 Bezien wij nu in dit verband de bekende passage in Der Minnen Loep: ‘Ic, man ende scriver van den bloede, Die wile ichadde die yseren roede Ende rechter was in svorsten lant Wart icint hoghe rijck ghesant, Om eenre ghewerff in stilre list, Daer dackerman niet off en wist Ic bleef daer langher dan een jaer’ 64) Men heeft nooit de aandacht gevestigd op het woord man in de eerste regel, dat hier temidden van andere titels toch wel niet zijn gewone betekenis zal hebben gehad Veeleer valt hier te denken aan het begrip ‘leenman’: de middeleeuwers gebruikten het ook voor de ‘mannen’ van de rechtspraak Dat waren namelijk doorgaans welgeborenen Dat Potter leenman was hebben ge reeds gezien: dat hem die titel ook uitdrukkelijk toegekend werd, blijkt uit een oorkonde van 1407, waar hij ‘leenman’ genoemd wordt van Willem VI van Beieren 65)Als ‘scriver van den bloede’ had hij, zoals we gezien hebben, een rechterlijke functie: ‘rechter in 's vorsten lant’ was hij als baljuw van Den Haag: als zodanig droeg hij de ijzeren roede, teken zijner waardigheid Onder het hoghe ryck verstond men het Heilig Roomse Rijk Terecht heeft men hieruit geconcludeerd, dat hij op zijn Romereis door Duitsland getrokken is, waarschijnlijk om keizer Sigismund te ontmoeten, die in die dagen bezig was met de voorbereidingen van het Concilie van Constanz, dat een einde moest maken aan het Westerse Schisma Al onze nasporingen ten spijt hebben wij niet kunnen achterhalen met welke geheime missie Dirc Potter op reis is geweest Misschien heeft de zending oa gediend tot verkrijging van bijzondere gunsten voor de kapel van 'sgraven hof, want Paus Gregorius verhief in 1411 deze hofkapel tot collegiale kerk 66)Mogelijk ook moest Potter 64) MLp I7784 65) vMieris, IV p48a 66) Inv OudArchief Zeeland, door JPv Visvliet, Middelburg 1878, dlIIp150 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 127 trachten, keizer Sigismund en de Paus van Rome te interesseren voor de opvolging van Willems dochter Jacoba van Beieren Dat de graaf tijdens zijn leven getracht heeft keizer Sigismund voor de opvolging van zijn dochter in Holland, Zeeland en Henegouwen te winnen, is een algemeen bekend feit Ongetwijfeld vond Dirc Potter in het Haagse Hof een milieu, waarin hij aan zijn dichterlijke neigingen volop de vrije loop geven kon, want de graaf stimuleerde de beoefening van wetenschap en schone kunsten Toen de dichter als clerc aan het hof begon, trof hij daar bij herhaling Willem van Hildegaersberch, de geliefde sprookspreker, naar wie hij vaak geboeid zal hebben geluisterd Wij hebben geen enkele aanwijzing over het contact tussen deze twee pioniers der Hollandse letterkunde, maar omdat Hildegaersberch vanaf 1383 tot 1408 geregeld sprak ‘aan 's heeren tafel’, en Dirc Potter blijkens zijn MLp hield van ‘poëten ende historien zanck’, ligt de conclusie voor de hand 67) Kleineert Dirc Potter in MLp 68) zijn eigen ontwikkeling, ook in de Blome spreekt hij opvallend bescheiden over zijn eigen kennis: zelfs schrijft hij in dit werk over de ‘cancelrie, daer ic die mijnste in was 69)Inderdaad moet hij zich tussen de gegradueerden aan het hof de mindere gevoeld hebben en hoog hebben opgezien tegen mannen als meester Dirc van Delf, die een beroemdheid was in zijn tijd, maar toch mogen wij zijn ontwikkeling niet te laag aanslaan Niet voor niets was hij baljuw in Den Haag en stuurde de graaf hem met gewichtige opdrachten naar het buitenland Een gedegen kennis van bestuurlijke en rechtskundige aangelegenheden is hem zonder twijfel eigen geweest Temidden van de oude, onontwikkelde adel sloeg deze opkomende hoveling zeker geen slecht figuur Uit de verschillende archiefstukken blijkt telkens, dat Dirc Potter beschouwd werd als te behoren tot 67) Ook andere sprooksprekers en ghesellen van den spele kwamen op het grafelijk hof Een grafelijke rekening van 1413'14 maakt melding van een Bertelmees van Watersloot met de zanger Heyn van Cales en een jaar later treedt een Pieter Mariensoen met voordrachten voor de graaf op Tweemaal vinden wij melding gemaakt van een adellijke dichteres, jonkvrouwe Alide van Houchusen, aan wie de graaf twaalf zilveren schalen schonk ‘als siommeliep cokerelle’ (Med Haag blz 316) 68) I,3544 69) Dat Bouch der Bloemen uitg door Fr P Steph Schoutens, Hoogstraten 1904, p9 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 128 's graven vertrouwde raad Voor zijn diensten wordt hij op 2Februari 1413 beloond met ‘70 gouden vrancken 's jaers of hoirre wairde’, te betrekken uit de tollen van Geervliet en Iersekeroord 70) Misschien was hij al eerder bijvoorbeeld als beloning voor zijn Romereis in de adelstand verheven, want op 1Mei 1413 schrijft de graaf een brief aan koning Hendrik V van Engeland, waarin hij meedeelt, dat de klachten zijner onderdanen hem bewogen hebben om zijn secretarius, Theodericus Potter, armiger, naar de koning te zenden: de graaf verzoekt beleefd, de genoemde gezant gehoor te willen verlenen en het gepleegde onrecht te willen herstellen 71) Dit bericht kondigt een nieuwe reis aan, die tot nu toe door Potters biographen niet is vermeld: kort na de genoemde datum vertrekt hij naar Engeland De deputatie waarvan hij de leiding heeft, verkrijgt audiëntie bij 's konings Privy Council: ‘The envoys from Holland having been heard, they were directed to reduce their business to writing’ 72)Potter voldoet aan de opdracht, want vóór de 27ste Juli bericht hij de koning zijn bezwaren Hij deelt hem oa mee, dat een zekere Johannes Bruyn bij de Zeeuwse kust het met Hamburgs bier bevrachte schip van Wolfert van Medemblik gekaapt heeft en verkocht te Winckelsea Potter vraagt schadevergoeding, ‘specialiter quia dictus Wolfardus est affinis et servitor mulieris mee’ 73) Wie die Wolfardus van Medemblik, verwant aan Dirc Potters vrouw, geweest is, blijkt uit Close Roll 1Henry V, membr 18 (Westminster 27 Juli 1413), waar Henry Vaan de mayor en de bailiffs van Winchelsea beveelt om aan Wolfridus Jonessone van Holland het schip Marieknyght en de lading van Hamburgs bier terug te geven 74) Het meest sprekende bewijs, dat Dirc Potter inderdaad in Engeland 70) Leenkamer nr 309 Memoriale BA Cas R14091417, f130 vo(ARA ) 71) Gedrukt met onjuiste datering bij Scott en Gilliodts vSeveren, Le cotton manuscrit Galba B I,p212 Zie ook Smit aw, reg nr 906 (p 559) Het woord armiger betekent ‘edele van lagere rang’ (Du Cange) Dirc Potter zelf noemt zich inzijn ‘Blome’ man van wapen 72) 10th July, 1Hen V, 1413 Nicolas, Proceedings and ordinances ofthe Privy Council, pVII Op p132 staat de diplomatieke tekst: ‘Item touchant les messages de Holland Ils sont este oiez etferront aucuns lour matires estre mys en escrit’ 73) Scot aw p213 Ook Smit aw, regest nr 909 (p 560) 74) Scott p213, voetnoot 2 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 129 geweest is, wordt ons geleverd door een bericht uit het Londense Public Record Office van 26 Juli 1413, waarbij koning Hendrik Vaan de ontvangers van de custom te Londen mededeelt, dat Christiaen Jacobszoen uit Holland voor een aantal tonnen bier, die hij naar Londen voerde, 25 M ontving, doch dat hij voor deze 25 M geen goederen kon inkopen, daar hij het genoemde bedrag leende aan Diederyc Potter, secretaris en gezant van graaf Willem VI, die er levensmiddelen en andere benodigdheden voor kocht (binnen het koninkrijk: ‘within the realm’) De koning verzoekt, Christiaen Jacobszoen in deze niet verder lastig te vallen en hem toe te staan naar Holland terug te keren, zonder dat hij goederen exporteert 75) De conclusie uit deze berichten is, dat Dirc Potter door de graaf naar Engeland gestuurd is om te onderhandelen over kaperijen van Hollandse schepen Nu is ons ook een mededeling duidelijk uit een tresoriersrekening van (Sept) 1413, waarin ons verteld wordt, dat de steden Zierikzee, Middelburg, Haarlem, Leiden, Delft, Amsterdam, Rotterdam, Schiedam en Gouda uitgenodigd worden om een deputatie te sturen naar Den Haag ‘om aldair te hoiren Dirc Potters antwoirde, die hij brochte van den coning van Yngelant’ 76) Op 20 Februari 1415 vertrekt na de nodige voorbereidingen Lourens van Overvest, Dirc Potters naaste medewerker in de kanselarij, naar Constanz om daar in contact te treden met Paus en keizer 77) Potters naam wordt hierbij niet vermeld, maar wel treffen we hem aan in een oorkonde van keizer Sigismund, gegeven te Constanz op 27 Maart 1415, waarin aan Dietrich Potter en Lorenz van Overvest ‘sekretären des Herzogen Wilhelm von Baiern’ toestemming verleend wordt, ‘tien öffentliche Notare’ te benoemen 78)Op zichzelf zouden 75) Public Record Office, Londen, Close Roll 1Henry V, membr 22 ons meegedeeld door de secretaris, Charles S Drew 76) Tresrek 1413/14, f100 Medegedeeld door TS Jansma, Raad en Rekenkamer inHolland en Zeeland tijdens hertog Philips vBourg, diss Utr 1932, p50, voetnoot 77) Tresrek 23 Aug 141423 Juli 1415, Gr foureyn, f43 voen 72 ro(ARA) 78) Altmann, Die Urkunden, reg nr 1531 ‘Notarii’ zijn ambtenaren vh gerecht Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 130 we aan dit bericht niet zo veel waarde hechten, als het niet vergezeld ging van een andere oorkonde, door keizer Sigismund op dezelfde dag, Woensdag vóór Pasen, uitgevaardigd, waarin hij Lorenz van Overvest opneemt in de adelstand: en nog een derde, waarin hij diens twee onechte zonen wettig verklaart 79) Welnu, gelijktijdig, namelijk op 25 en 27 Maart 1415, wordt ook Dirc Potter door de graaf officieel in de adelstand verheven en begiftigd met de hofstad ter Loo in het ambacht Voorburg Sindsdien noemt hij zich Dirc Potter van der Loo 80) Uit de gelijktijdigheid dezer berichten en uit het feit, dat Dirc Potter reeds twee jaar vroeger door Willen VI ‘armiger’ genoemd is neigen wij tot de conclusie, dat de opneming in de adelstand van Dirc Potter op 25 Maart 1415 door keizer Sigismund te Constanz plechtig is bevestigd 81)Potters persoonlijke aanwezigheid te Constanz was hiervoor niet vereist maar wordt door de bovenstaande berichten ook niet uitgesloten De prijzende woorden, die Sigismunds oorkonde aan de dienstvaardigheid van Diederich Potter en Lorenz van Overvest besteedt, behoeven niet uitsluitend een kwestie te zijn van kanselarijstijl Zij kunnen de hypothese versterken, dat Dirc Potter de keizer ontmoet heeft in 1412 tijdens zijn Romereis of in 1413 te Constanz in gezelschap van Van Overvest In ieder geval is hij naar Sigismund gezonden te Calais in 1416 82) De hofstad Ter Loo bevindt zich nog steeds in de nabijheid van Den Haag aan de Bezuidenhoutseweg recht tegenover het Huis ten 79) Ibidem nr 1530 en 1532 De nobileringsoorkonde en die over de 10 notarii bevatten geen nadere aanwijzingen over Dirc Potter (Aldus schrijft ons het Hof und Staatarchiv teWenen) 80) Van Mieris, IV, p323 81) Cf MA Rhede van der Kloot inDe Wapenheraut, 9e jg ('sHage 1905) p250: ‘Potter, jonker Dierc, zoon van Gheryt Potter en van Elisabeth van der Does, ridder des HR Rijks, Heer van de Loo, door Sigisund, Roomsch koning, tot den Adelstand verheven 1415, baljuw 1408/9 Wapen: inzilver een rood schildhoofd, beladen met drie gouden torens van twee verdiepingen’ Over de familie Potter vd Loo zie Jvd Maas inDordr Courant van 13 Oct 1923, verder LPhC vd Bergh lc en JB Rietstap: Armorial General, Gouda 1887, II,p 475 82) Zie Te Winkel tap Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 131 Bosch Het gebouw, dat volgens Simon van Leeuwen in de 17de eeuw fraai gerestaureerd is, verkeert in een verregaande staat van verval; het heet ‘Klein Loo’, zeker ter onderscheiding van het grote landgoed aan de overzij Vroeger moet daar bos geweest zijn, nu is het een open vlakte 83)Na zijn dood ging Ter Loo over op zijn zoon Gerrit Potter van der Loo, en van hem wederom op 's dichters kleinzoon Dirck Potter van der Loo, die het in 1468 met andere bezittingen aan familieleden verkocht In 1482 was het in handen van Jan Potter de Oude 84)Later is het naar andere families overgegaan 85) Vrouw en kinderen Dirc Potter was, naar men aanneemt, gehuwd met Elisabeth van der Does De van der Doesen waren aan het grafelijk hof heel bekend 86)Men treft hun naam bij herhaling in grafelijke stukken ‘Elisabeth was waarschijnlijk de oudste dochter van Hendrik van der Does, die in 1426 stierf’, zegt Jonckbloet 87) zonder hierbij zijn bron te vermelden Hij acht het niet bewezen, dat Dirc Potter haar echtgenoot geweest is Degene, die haar naam het eerst genoemd heeft als de vrouw van Dirc Potter, is LPhC vd Bergh en wel op grond van een oorkonde, waarbij haar uit de hofstad Ter Loo 40 pond 's jaars wordt toegewezen 88)Sindsdien hebben Kalff, Te Winkel, Busken Huet en anderen haar zonder bezwaar als Dircs echtgenote aanvaard, hoewel Jonckbloet gelijk heeft met zijn bewering, dat het bewijs niet is geleverd Misschien wil hij de mogelijkheid suggereren, dat zij de vrouw is, over wie de dichter spreekt in de aanhef van Der Minnen Loep : ‘Daer om so wil [ic] daer van dichten: Want mine ghenoechten moet icstichten In allen ghenoechliken dinghen, 83) Potters woonhuis lag midden inDen Haag nl ‘aen de Plaets’ Wschl was het, gelijk de meeste huizen inde 15de eeuw, van hout met een rieten dak 84) vd Bergh tap 85) Simon vLeeuwen, Costumen p27 86) Jonkvrouwen van der Does behoorden tot de genodigden op een feest, gegeven door Aelbrecht vBeieren ter ere van Aleid van Poelgeest (Med Haag p330) 87) Jonckbloet, Dichtkunst p454, voetnoot 2 88) vMieris IV, p465, vd Bergh p149 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 132 Die goede wiven vroechden aen bringhen, Op dat die minnentlike schone, Die aller vrouwen isene croene Tytkortinghe daer bij ghecrighe: Daer ichuden meer aff zwighe, Want vesper isover langhe gheluut God gheve haer dusentwerff saluut, Die my den moet te hoghen plach Doet was misse tijt aenden dach 89) Busken Huet concludeert uit een andere versregel in hetzelfde dichtwerk, dat Dirc Potter een stuurse vrouw had: zij lacht zelden 90)Dat hij een jeugdliefde gehad heeft, bekent hij in de verzen 86110 van het tweede ‘boek’, waar hij vertelt, hoe hij na een kortstondige tijd van geluk door het meisje in de steek gelaten werd De hoop, dat hij nog eenmaal echt beminnen zal, heeft hij reeds prijsgegeven 91) Wij hebben intussen over Lysbeth van der Does geen andere gegevens meer gevonden en beschouwen de zonder bron verstrekte mededeling van MA van Rhede van der Kloot, dat zij Dirck Potters moeder was, vooralsnog als waardeloos 92) Gerrit Potter, Dircs vader, had minstens één onechte zoon, Jan 93) en misschien nog een tweede: Dirc Potter die bastairt, indien de laatstgenoemde althans niet de onwettige zoon geweest is van een van Gerrits verwanten De dichter had twee wettige zonen, Gerrit en Jacob Beiden noemden zich Potter van der Loo 94)Zij hebben naast elkander een zeer belangrijke rol gespeeld aan 's graven hof 89) MLp I,6577 90) Huet, Lv Rembrand I5e dr Haarlem 1920, p207 91) MLp II,24512468; I,108110 92) Zie noot 81 93) vd Bergh tap 94) vd Bergh zegt, dat Dirc één zoon had, Gerrit, en misschien nog een tweede, Jacob Het woord ‘misschien’ moet hem inde pen gegeven zijn, omdat hem het sterfjaar van deze Jacob Potter van der Loo niet bekend geweest isen de toevoeging ‘van der Loo’ inzijn ogen mogelijk het gevolg was van de aankoop van het landgoed uit de handen van de rechtstreekse erfgenamen Maar het landgoed Ter Loo ispas in1468 van Dircs kindskinderen inhanden van andere (aanverwante) Potters overgegaan en Jacob Potter van der Loo was op 25 Januari 1453 aloverleden (Nw Ned Biogr Wdnb II1126 Leiden 1912) Hij moet zijn dubbele naam dus rechtstreeks van zijn vader (Dirc) geërfd hebben Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 133 Gerrit erfde, zoals we reeds gezien hebben, na zijns vaders dood op 13 Augustus 1428 de hofstad Ter Loo Hij was, in tegenstelling tot zijn vader, academisch gevormd, want hij voerde de titel van doctor in de rechten, misschien van Parijs 95) Zijn vrouw Kerstyne Jansdochter van der Meye kwam voort uit aanzienlijke stand 96) Jacoba van Beieren gaf hem ‘vijftiendehalve morgen veens bezuden onsen houte in den Hage’ in erfpacht, met de restrictie erbij, dat hij daar geen turf mocht laten delven 97) Gerrit Potter van der Loo is de bekende vertaler van de kroniek van Froissart JW Muller vermoedt, dat de aanleiding tot deze vertaling een verzoek geweest is van een der Blois' Jonkheer Jan van Blois was Raad van het hof in Den Haag Zijn geslacht wordt door Froissart geprezen De stijl dezer vertaling (in proza) is middelmatig en houdt zich streng aan de gegeven tekst 98) Gerrit Potter van der Loo bezat in 1439 een huis genaamd In Die Roosse op de Plaets te 'sGravenhage 99):dit moet wel hetzelfde huis zijn, dat eertijds 's dichters eigendom was Het stond met de achterkant aan de Beeck van het grafelijk hof In 1440 bezat hij elders 4percelen land 100) In hetzelfde jaar zegelt hij (als baljuw) de verkoop van een stuk grond 101) Behalve Ter Loo moet hij ook 's dichters bezittingen geërfd hebben in Hubrechtsambacht en Snedelwyck bij Gouda 102) Gerrit Potter van der Loo had vier zonen, namelijk Dirc, Gerrit, Jan de Oude en Jan de Jonge: zij komen als broers voor in een hofdecreet van 1468 103) Van 1440 tot 1444 dateren de uitgebreide aantekeningen, gemaakt door de uitvoerders van het testament van Jacoba van Beieren Gerrit Potter van der Loo wordt onder hen twintigmaal genoemd en onderneemt heel wat reizen 104) 95) Cf vd Bergh 96) De van der Meyes komen voor oa als Raden aan het grafelijk hof 97) vMieris IV, p997 Het recht van turfdelven behielden de graven aan zich 98) JW Muller inTs VIII (1888) p264296; IX (1890) p20 99) Sernee ea, aw p53 (nr 40) 100) Ibidem p50 (nr 3), p404 (nr 43); p57 (nr 12) 101) Ibidem p238 (nr 106) 102) JW Muller tap 103) Cf vd Bergh 104) Cod Dipl Neerl, Hist Gen Utr, 2e serie 1e afd, Utr 1852, p169, 173, 187, 189, 196, 204, 205, 212, 213, 221, 231, 240241, 255, 257261 en 264 Blijkens het opschrift dezer rekening en een bericht op blz 231 was Gerrit Potter baljuw Op blz 221 wordt van hem gezegd, dat hij ‘tot veel tijden gereyst hadde van der testamentoren wegen inBrabant, inArthois, in Vlaenderen ende dairomtrent an mijnen genadigen heer van Bourgongien off an sinen kanselier’ Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 134 Volgens JW Muller was hij in 1440 baljuw van 's Gravenzande en van 1438 tot 1454 tevens raad in den hove van Holland 105) ,in welke hoedanigheid hij volgens Jansma in 1445 bezoldigd werd met 400 schilden 106) Op 16 Juli 1444 reist hij op last van de heer van Lalaing met Floris van Kijfhoeck, beiden ‘raden mijns genadichs Heeren’ naar Zierikzee, oa om met de Zeeuwse stenden te spreken over de vergoeding der reiskosten van een dagvaart, gehouden in Engeland en van een, nog te houden in Calais 107) In gezelschap van Dirc van Zwieten voerde hij onderhandelingen met de Pruisische steden in Bremen 108) ,aan welke onderhandelingen ook zeer actief is deelgenomen door 's dichters tweede zoon, Mr JACOB VAN DER LOO ,priester 109) Deze Jacob was in 1423 ingeschreven te Keulen in het academisch album en in 1425 aan de hogeschool te Parijs In 1426 was hij licentiaat in het kanonieke recht, in 1427 substituutprocurator van de Germaanse natie aan de Parijse universiteit Later werd hij decretorum doctor Alszodanig werd hij opgenomen in de Raad van de graaf van Holland, waarin hij tevens secretaris was In 1445 werd hij begiftigd met een prebende in het domkapittel te Utrecht en op 3October 1448 in het kapittel zelf toegelaten 110) 105) tap 106) Jansma aw p95, 100, 102, 143 en 173 107) Smit, p830, regest nr 1292 108) De geschillen met Pruisische steden over scheeps en handelskwesties beslaan omvangrijke documenten Gerrit en Mr Jacob Potter hebben zich inde besprekingen druk geweerd Cf RGP 36 (= Poelman, Bronnen Oostzeehandel )I,1e en 2e stuk Nummers: 1600, 1630, 1705, 1754, 1758, 1795, 1822, 1827, 1838, 1840, 1841, 1845, 1850 enz (Zie het register) 109) Dat hij priester was, blijkt uit Sernee p404, nr 40 Mr Jacob Potter, priester, erkent daar aan de priesters van de memorie inde kerk teDen Haag een rente schuldig tezijn, gaande uit zijn drie kamers op de hoek bij heer Pieter van Gapinge tussen Gerrit Potter en Dirc Potter 110) Nieuw Nederl Biogr Wdnb II,1126 (Leiden 1912) Zie voor zijn sterfjaar onze noot 94 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 135 Besluit Dirc Potters verheffing tot de lagere adelstand in Maart 1415, een bekroning van zijn trouwe diensten, bond hem voor de toekomst des te sterker aan de belangen van de Hollandse staatkunde De titel van ‘cnape’, hem blijkens een oorkonde toegekend 111) ,stelde hem op één lijn met 'sgraven kamerling en grootzegelbewaarder Helmich van Doirnick, Jan Heerman, beheerder van de tresorie en lid van de raad en Philips die Blote, secretaris van Willem VI Verschillende belangrijke zendingen werden hem ook nu opgedragen Op 26 April 1415 bevond hij zich in Zeeland en op 14 November 1416 werd hij gezonden naar de graaf, die zich, misschien nog op terugreis uit Engeland, in Henegouwen ophield 112) Willem VI heeft zich in Mei 1416 naar Engeland begeven om te spreken met de Koning (Henry V) en met keizer Sigismund, die daar Willems komst heeft afgewacht De bedoeling van deze reis was geen andere dan dat de graaf nog voor zijn dood de opvolging van zijn dochter Jacoba van Beieren wilde verzekeren De besprekingen liepen op niets uit Vanaf die tijd dateert de toenadering tussen de elect van Luik Jan van Beieren en keizer Sigismund een toenadering, die tenslotte uitlopen zal in een verdrag, waarbij de elect zijn bisdom aan keizer Sigismund teruggeeft en deze hem het recht verleent van opvolging in Holland, Zeeland en Henegouwen Wij weten niet, of Dirc Potter zijn heer op deze reis naar Engeland gevolgd is Wel werd hij kort daarop met een zending naar Henegouwen en Calais belast, die naar wij mogen aannemen, met 's graven reis naar Engeland verband hield Want de dichter begaf zich naar Calais met brieven van de graaf en van ‘mijn lieve here die dolfijn’, die gericht waren aan keizer Sigismund en de bisschop van Reims 113) Als hij op terugreis uit Calais reeds in Brugge gearriveerd is, krijgt hij een boodschap van graaf en dauphin om naar Calais tot keizer Sigismund en de koning van Engeland terug te keren ‘met brieve 111) vMieris IV, p333 b 112) Tresrek 26 Juli 14164 Juli 1417, f42 (Henegouwen) Voor zijn reis naar Zeeland zie men Tresrek 23 Aug 141423 Juli 1415, f76 ro(ARA) 113) ‘Mijn lieve here die dolfijn’ was de gemaal van Jacoba vBeieren, Jan van Touraine, dauphin van Frankrijk, in1415 met haar gehuwd Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 136 roerende van alrehande gestande ende van die van Dordrecht’ 114) Twee gebeurtenissen ontnamen kort daarop in 1417 aan de jonge Jacoba haar beide beschermers Op 5April overleed haar gemaal Jan van Touraine en op 31 Mei stond zij aan het sterfbed van haar vader Hachelijker dan ooit was nu haar positie Om haar heen een leger van vijanden: de Kabeljauwen, vooral de steden Dordrecht, Brielle en Rotterdam Buiten de grenzen de verbannen Arkels In Gelre de hertog In Duitsland de keizer In Luik haar oom: voogd en beschermer naar de schijn, in werkelijkheid haar vervolger En op de achtergrond van deze buitenlandse politiek de machtige, raadselachtige Philips van Bourgondië: heer over zijn eigen hertogdom: heer over Vlaanderen, omdat hij de kleinzoon was van de dochter van Lodewijk van Male: heer over Brabant, omdat hertogin Johanna het hem had vermaakt Vriend? Vijand? In ieder geval bloedverwant, want hij was een zoon van Jacoba's tante Met al deze figuren heeft Dirc Potter te maken gehad: hij was de vertrouweling van Willem VI en zijn dochter Jacoba van Beieren: hij stond in dienst van haar oom, de gewezen bisschop van Luik; hij voerde het secretariaat onder haar tweede echtgenoot Jan van Brabant en diende op het eind van zijn leven Philips de Goede van Bourgondië Hiermee is het staatkundig leven van Dirc Potter in wezen voltekend Want al staan ons voor de rest zijner jaren tot zijn sterfdag in April 1428 nog talrijke gegevens ter beschikking, zij brengen in de aard zijner functie aan het grafelijk hof nauwelijks enige wijziging De vraag, hoe deze hoveling er toe kwam, zovele heren te dienen, is historisch gezien geen probleem Hij was secretaris aan het Haagse Hof en bleef dit tot aan zijn laatste ademtocht Dat de geschiedenis hem telkens een andere heer bezorgde is een feit, waaraan hij niets kon veranderen Romantiek in die zin, dat hij bijvoorbeeld neiging zou kunnen gevoeld hebben, zijn leven voor goed aan de dienst van Jacoba van Beieren te verbinden moet men bij deze nuchtere Hollander niet zoeken Hij nam de staatkundige feiten zoals zij kwamen Niet onjuridisch Want hij diende de heer, die wettig aan het bestuur kwam Als dit Jacoba was, dan Jacoba, die hij volgde óók in de ogen 114) Deze gegevens reeds bij Leendertz Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 137 blikken des gevaars: want als zij in 1418 en 1419 persoonlijk met haar leger ten strijde trekt tegen haar oom Jan van Beieren, dan is Dirc Potter bij haar 115) Pas als haar echtgenoot de graafschappen aan Jan van Beieren verkoopt, erkent hij deze als zijn nieuwe heer Na de vergiftiging van Jan van Beieren diende hij Jan van Brabant, wiens opvolging bij verdrag was vastgelegd En al zal hij met vele steden het ruwaardschap van Philips van Bourgondië aanvankelijk wantrouwend hebben begroet, zijn nuchtere kijk op financiële zaken heeft hem spoedig met de nieuwe heer verzoend Op 24 Juli 1425 ondertekende hij voor Jan van Brabant de oorkonde, waarin de bestuursvoogdij over Holland, Zeeland en Henegouwen werd opgedragen aan de Bourgondische hertog 116) Van deze ontving hij diverse beloningen en een vaste wedde 117) Hij diende de staat, geen persoon In zijn Der Minnen Loep was hij de veertig al gepasseerd, te oud om nog in romantiek te geloven: ‘Vesper is over lange gheluut’ De zedelijke neerslag van 'swerelds wisselvalligheden heeft hij neergelegd in zijn Blome der Doechden :ook al is dit werk niet origineel, in sommige passages beluisteren wij een toon, die van de schrijver lijkt en uiting geeft aan een morele teleurstelling een gevoel, dat, naar men zegt, eigen is aan het herfsttij der middeleeuwen Zijn Mellibeus is een pleidooi tegen het oplossen van geschillen door middel van geweld Arnhem B OVERMAAT 115) Eerste tresrek Hub vCulemborg, Groet foureyn 14e bladz; laatste bladz Vervolgens: Rekeningen vHub vCulemborg en van zijn oudste zoon Gerrit ‘Extrate van dat heer Hubrecht tresorier van Hollant was Anno achttien’, op de omslag gesigneerd als no 9,10e blz De vermelding van Dirc Potter wordt herhaald inde copieën En tenslotte: ‘Rekening van Hubrecht van Culemborg van de onkosten voor fourage en proviand teGorinchem en Woudrichem voor hertog Jan van Brabant, 728 Januari 1419’ Hierin een bericht, dat Dirc Potter met een boodschap gezonden werd van Gorinchem naar Gouda (Groet foureyn 1e bl) De bovengenoemde rekeningen liggen inhet Archief der Heren van Culemborg inhet Rijksarchief voor Gelderland teArnhem (Inv Schilfgaarde nrs 67, 68, 70) 116) Thv Riemsdijk, De opdracht vh ruwaardschap p73 117) Riemsdijk (Tresorie )p324327 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 138 Revius' ‘verlossinghe van de veluwe’ In Februari 1624 stelden de buitengewoon strenge vorst en de onachtzaamheid der boeren bij Dieren, die ondanks opdracht van overheidswege verzuimden het ijs te breken, de Spanjaarden onder den Graaf van den Bergh in de gelegenheid de IJsel over te steken en een raid te ondernemen op de Veluwe In de buurt van Ede ontstond echter, doordat men het een of ander trompetsignaal meende te horen, verwarring onder zijn troepen Zij namen overhaast de vlucht onder het wegwerpen van uitrustingsstukken en zelfs van wapens Hoewel de Graaf van den Bergh hen verderop tot staan wist te brengen, zagen zij zich toch gedwongen hun terugtocht voort te zetten, omdat kort daarop de dooi inviel 1) Naar aanleiding hiervan schreef Revius zijn Verlossinghe der veluwe anno 1624 2) T'verblinde Nederlant had schier de waterGoden De eere van haer heyl en vasticheyt geboden: Den Spaengiaert lachter om en houter me sijn spot, Die boven haer de Vorst nu maket tot een God 5 De vorst, de felle vorst, die Neerlant heeft benomen In eenen ogenblick de meyren en de stromen Neptunus leyt van cou soo cleumerich en stijf Dat wagenen gelaen hem rijden over 'tlijf De Nymphen voelen tsaem haer aderen verstenen 10 En inden diepen gront bewortelen haar tenen De Isel, Maes, en Wael, en den gesloten Rijn Nu moeten als een brug' voor den verderver sijn: So vinnich als de cou haer leden dede smerten So vinnich was den brant die porde hare herten 15 De Velu in het bloet te leggen en in d'as Maer God, bewijsende dat hy noch meester was, 1) Het uitvoerig verhaal hiervan vindt men inde hierna tenoemen pamfletten en contemporaine geschiedwerken 2) OverYsselsche Sangen en Dichten, ed Smit, II,1935, 28 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 139 Liet horen sijn trompet en dee den aftocht spelen: Den Spangiaert meende dat hem 'tmes stond op der kelen, Rees op verbaesdelijck en gaf hem op de vlucht 20 Den sneeu die creech de loop, het ys de watersucht, En toonde datse sijn geluckich die hier bouwen Op water noch op ys, maer God alleen betrouwen Toevallig vond ik een Latijns gedicht over deze zelfde gebeurtenis, dat met het bovenstaande te veel overeenkomst vertoont om er niet in nauw verband mee te staan Deze Zegezang luidt aldus: Epinicion //In Consternationem ac regressum èVelaviâ Hispani, // Qui Duce //Henrico Bergensium //Comite, Isalam gelu concretum, haud procul Drusianâ fossâ, cum millenis aliquot equitum peditumque turmis transgressus, post unius alteriusque in urbem Arenacensem tormenti explosionem villasque perpaucas in Edae pago incensas, audito ex inopinato tubae cujusdam sono, flumen desubito repetijt: Ac mox, remittente nonnihil, coelo, in alteram ripam, cum universo, qui ad manus erat, belli apparatu, re infectâ concessit CIɔIɔCXXXIV Febr XIII Abstulerat Batavis undasque &flumina coelum, Quod saevum Boreo mittit ab axe gelu: Hoc nullum est numen, sed numine fortius omnis, Quo gens prisca olim concelebravit aquas: 5 Hoc terras undasque aequali pondere nectit, Hoc glacies Latio est, hoc glaciale iugum; Naiades hoc placidis in fontibus irretitae, Sistitur &tumidis Ennosigaeus aquis Illo confisus pridem nec destitit hostis 10 Ire iter infesto per vada stricta gradu Mosa, Isala &Rhenus, Vahalis, munimina nostra, Unus cum terrâ campus &area erant: Omnia iam ferro &flammis devota patebant, Qui rigor in coelis, ardor in hoste fuit; 15 Staret &in tenues Velavia versa favillas, Ni respexisset summus ab arce parens: Ille tubam emisit, glaciemque nivesque resolvens Perfudit subito corda superba metu O ter felices, hoc qui victore triumphant, 20 Atque illi, vigilant qui vigilante Deo! Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 140 Men vindt dit gedicht afgedrukt onder het verhaal van deze gebeurtenis in het contemporaine geschiedwerk van den Amsterdamsen dokter Nicolaes àWassenaer, Historisch Verhael, Dl VI, zj, fol 109 voen 110 roHet staat op naam van Joh Isac Pontanus, polyhistor en hoogleraar in de physica en mathesis te Harderwijk 3)Dit deel moet verschenen zijn in 1624/1625, want het vorige is gedateerd 1624 en het volgende 1625 Het gedicht is derhalve vrij kort na de gebeurtenis geschreven Later werd het herdrukt in IIsaci Pontani //Poematum //Libri VI // Amstelod //Apud IIanszonium //Anno 1634, p 163 Maar hier mist het de uitvoerige ondertitel Dit doet mij vermoeden, dat het eerst als planouitgave is verschenen, hoewel ik daaromtrent geen mededeling heb kunnen vinden Het zou dan een van de vele geschriften zijn, die over deze toen zo grote indruk makende inval zijn verschenen 4) De vraag rijst, welk van beide bovenstaande gedichten het eerst is geschreven en welk de tamelijk vrije vertaling daarvan is Pontanus' verzenbundel geeft daarop enig uitsluitsel Met vele dichters en geleerden stond hij in contact Tussen hem, Revius, Hofferus en anderen was er een geregelde correspondentie gaande Revius droeg aan Pontanus zijn Matroosjes Clachte op 5)en zes Latijnse gedichten in Pon 3) Wassenaer en Pontanus waren bevriend blijkens het hierna genoemde Latijnse dichtbundeltje van Pontanus, p87 4) Zie Knuttel's Cat Pamfl Nr 3532 (een stichtelijkhistorisch relaas van de Zutphense predikant Baudartius, waarvan het historische deel nagenoeg woordelijk isovergenomen indiens Memoriën, II,1625, Boek 16), Nr 3533, Nr 3534, Nr 3535, dat ook voorkomt intwee Geuzenliedboeken van 1624, resp teAmsterdam en teDordrecht verschenen (zie KuiperLeendertz, Het Geuzenliedboek, Nr 222, waar de samenstellers echter de meer volledige versie van het pamflet niet blijken tekennen) Voorts KuiperLeendertz, aw, Nr 221, Gouda Quint, Grondslagen voor de Bibliografie van Gelderland, III, 1942, 30, Nr 85, welke planodruk thans isgereproduceerd inhet zo juist verschenen werk van Mr AP van Schilfgaarde, Het Huis Bergh, 1950, Afb 94 (dit VastelaventsLiet steekt door zijn levendigheid en goede versificatie ver uit boven het gerijmel der overige gelegenheidspoëten), alwaar ook een andere planodruk over deze gebeurtenis isafgebeeld (Afb 92) en een Duitse uitgave daarvan (Afb 93) Al deze pamfletten en planodrukken verschenen in1624 5) OverYss Sen D,II,73 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 141 tanus' bundel zijn gericht aan den Deventer predikant 6)Zij leefden met elkanders persoonlijke lotgevallen mee, zoals blijkt uit één dezer gedichten (oc, 160), geschreven naar aanleiding van de instorting van Revius' huis, waarbij wel hij zelf en zijn vrouw behouden bleven, maar een dochter het leven verloor 7)Zelfs vindt men in Pontanus' Poemata een betrekkelijk onbekend Latijns gedicht van Revius afgedrukt 8),één van een cyclus van vier gedichten ter gelegenheid van het huwelijk van de Harderwijkse burgemeester Ernest Brinkius met Gellia van Keppel; het eerste is een Nederlands sonnet van Anna Roemers Visscher, de beide andere zijn Latijnse gedichten van Pontanus en Scriverius Pontanus nu had aan Hofferus zijn Epinicion gestuurd en deze had hem daarop als antwoord een Latijns gedicht met hetzelfde onderwerp gezonden: Epigramma A Hofferi in Panicum terrorem hostis, tubae solum modo strepitu prope Arnhemum fugati an 1624, respondens ei, quod positum p163 (ie Epinicion, K) 9)Daarachter staat een epigram afgedrukt: Ad eundem Hofferum cum ei versus Revii mitterem, dat begint: ‘Quos author ad me missit, en mitto tibi //Hoffere, versus’ De gang van zaken valt derhalve gemakkelijk te reconstrueren: behalve aan Wassenaer en Hofferus had hij zijn Epinicion ook aan Revius gestuurd Deze antwoordde met een vrije vertaling in het Nederlands, welke Pontanus op zijn beurt naar Hofferus zond Natuurlijk is het ook denkbaar, dat Revius zijn Verlossinghe naar Pontanus stuurde en deze zijn Latijnse vertaling daarvan naar Hofferus zond, terwijl hij dan later, na van dezen een antwoordgedicht te hebben ontvangen, aan Hofferus ook nog Revius' gedicht deed toekomen Hoewel men in die tijd niet steeds duidelijk voor de herkomst 6) Oc, 111, 119, 160, 161, 178, 290 Zie ook Hofferus' Latijns epigram op Piet Hein's vermeestering van de zilvervloot en Revius' bewerking daarvan inhet Grieks, Frans en Nederlands (Ov S en D, II,71 vlg) Hierop slaat Pontanus' epigram Ad VR Jacobvm Revivm (Poemata, 178) 7) Zie ook Posthumus Meyes, Jacobus Revius, 1895, 86, noot 3 8) Pontanus, oc, 52 Niet bij Smit, aw, noch vermeld inzijn De Dichter Revius, 1928 Vgl Posthumus Meyes, aw ,38, noot 2 9) Pontanus, oc, 185 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 142 van zijn werk uitkwam en Pontanus zich niet had ontzien in zijn geschiedwerk over Gelderland de manuscripten van Meursius te laten afdrukken zonder dit (behalve in één geval) te vermelden 10),moet de laatst aangegeven gang van zaken toch wel hoogst onwaarschijnlijk worden geacht Trouwens, ook vergelijking van de teksten maakt de prioriteit van Pontanus' gedicht waarschijnlijk Dit is in zijn dictie tamelijk algemeen gehouden (verg bv zijn ‘gens prisca’ met Revius' ‘'Tverblinde Nederlant’), veel vlakker en minder plastisch Bij een vertaling van de Nederlandse tekst in het Latijn zou de dichter toch niet verschillende concrete aanduidingen hebben weggelaten Duidelijk is het in ieder geval, dat Revius' gedicht met zijn ironische toon, toch uitgaande van een bezielde overtuiging, en met zijn geestige woordspelingen poëtisch het gemakkelijk wint van dat van zijn vriend Ik wijs nog op Revius' burleske toepassing van mythologische figuren, door Pontanus in de gangbare, overdrachtelijke zin gebezigd, en op het neutrale ‘glaciemque nivesque resolvens’, waarvoor Revius de geslaagde woordspeling vindt, zo passend in het satirisch geheel: ‘Den sneeu die creech de loop, het ys de watersucht’ Deze concretisering en actualisering blijkt ook in het bizonder in vers 12, waar de ‘brug’ toch wel herinnert aan Pontanus ‘glaciale iugum’ (vs 6) Maar Revius geeft hierin tevens een directe reactie op een uiting van de Spaanse propaganda, zoals hij dat bv ook deed in Opt Veroveren van Todos os Santos 11),dat begint: De Spaensgesinde seyt: (bedeckende sijn toren) Wy hebben aende Baey soo vele niet verloren In deze en de daarop volgende verzen kan men gevoegelijk een ironische reactie zien op een pamflet van Spaanse zijde, dat de verliezen van de vloot in de Allerheiligenbaai trachtte te verkleinen 12) In het pamflet nu van Revius' Zutfense collega, Ds Baudartius, die 10) N Ned Biogr Wb, I,kol 1417 vlgg 11) Ov S en D, II,32 12) Verg Knuttel, Cat Pamfl, Nr 3544 Voor het vestigen van mijn aandacht op dit pamflet, reeds vele jaren geleden, ben ikProf Dr JWille verplicht Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 143 ook de gebeurtenissen van nabij had meegemaakt 13),lezen wij, dat een ‘mispriester’ 14) van den Graaf van den Bergh te Hengelo, misschien in een sermoen, had beweerd: ‘Godt betoondt ende doet met dit vveder ende harden Vorst blijcken, dat hy met ons is, hy heeft ons de brugghe gheleydt (curs van mij, K) nu salmen de Ketters, de Geuzen, de Calvinisten, de Lutheranen &c vvtroeden, het is nu met haer gedaen’ 15) Hiertegen meende de strijdvaardige Deventer dominee in het geweer te moeten komen (vs 12) Men kan in zijn gedicht, met deze klaarblijkelijk polemische toespeling, dan ook een element van contrapropaganda niet miskennen Het keerpunt in Revius' gedicht en tegelijk ook de kern, de as, waarom het naar bouw en idee draait (daar voor zijn gevoel de strijd der Nederlanders immers Gods strijd was), vormen de verzen 16 en 17 (ook bij Pontanus vers 16 en 17) Smit wijst ter verklaring op een passage uit Aitzema van ruim veertig jaar later 16)Hoewel deze mij aanvankelijk heel aannemelijk leek, vraag ik mij toch af, of zij in de geest van Revius is De genoemde pamfletten, planodrukken en geschiedwerken bestuderend, merkt men, dat er twee motieven voor de plotselinge vlucht worden opgegeven Sommige auteurs spreken over het (alleen maar) horen van een trompetsignaal, van een plotselinge, onverklaarbare verwarring, waarin zij ‘de hant des Heeren’ (Baudartius) zien En het ligt bij zo in het Oude Testament doorknede Calvinisten als Revius en Baudartius voor de hand te veronderstellen, dat zij hierbij dachten aan bijbelse verhalen over bevrijding door een onverklaarbare vlucht van den vijand ten gevolge van het ingrijpen van een hogere macht 17)Anderen echter, waaronder Wassenaer en de 13) InZutfen werden gedurende die bange tijd inacht dagen twaalf preekdiensten gehouden, waarin de oudtestamentische strijd en boetepsalmen veelvuldig werden gezongen, zoals Baudartius' pamflet ons verhaalt 14) De hatelijke toespeling isduidelijk 15) Baudartius, Memorien, II,1625, Boek 16, p2Inzijn pamflet (1624) gelijkluidend 16) Saken van Staet en Oorlog, 1669, I,p270 17) Vgl 2Kon 7:7vgl Vergelijking van vaderlandse gebeurtenissen met overeenkomstige oudtestamentische situaties was trouwens indie tijd schering en inslag, zoals ook uit de bovengenoemde pamfletten blijkt Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 144 onbekende schrijver van het gedichtinplano, dat op het kasteel Bergh berust, verhalen, ‘datter een Trompetter op Harsloo het liedeken Wilhelmus van Nassouwen by gheval stack’, waardoor de Spanjaarden, menend dat er prinselijke troepen kwamen opdagen, ijlings de benen namen 18) Een irrationele en een rationele verklaring dus, waarvan de tegenstelling ook in die tijd werd gevoeld Want Baudartius schrijft uitdrukkelijk, alsof hij speciaal onderzoek daarnaar had gedaan, dat er ‘doch geen van onse Crychsvolck ontrent gheweest en is /niemandt weet oock dat daer yemant woont of is /die een trompette of trommel heeft’ 19) Welke van deze beide interpretaties de juiste is, wil ik in het midden laten Voor Revius en Baudartius, die toch het dichtst bij het vuur zaten, bestond hieromtrent in ieder geval geen twijfel En na bestudering van de stukken heeft men wel de indruk, dat de schichtigheid der Spaanse soldaten, die in een moordende koude achter de vijandelijke linies opereerden en zich voortdurend door de garnizoenen van Arnhem en de IJselsteden bedreigd voelden, meer de oorzaak van hun plotselinge vlucht is geweest, dan een trompetter, die het Wilhelmus blies, maar die toch sterk de indruk maakt als een, overigens treffende, 18) Nicolaes àWassenaer, aw, fol 107 voen VastelaventsLiet, (Van Schilfgaarde, aw, afb 94) strofe 14: Daer en dorst ghy uniet houwen Maer verschricten als een Haes Voor 'tgespeel en voor 'tgeblaes / Van Wilhelmus van Nassouvven; Doen udit ter ooren quam / Was het hecken vanden dam Pontanus heeft achter zijn Epinicion nog een, door Revius niet vertaald kwartrijn afgedrukt, waarbij men de ‘tuba Nassaviana’ nog figuurlijk zou kunnen opvatten: Cur clangore tubae cessit conterritus hostis? Haec tuba non simplex, Nassaviana fuit Scilicet haud aliter Gedeonis buccina quondam Causa clanxit midianita fugae 19) Baudartius, Memorien, II,Boek 16, p4Joh van der Sande, Nederlandtsche Historie, 1650, 104, heeft, blijkens zijn woordkeus, zowel Wassenaer als Baudartius gelezen, maar inzake de trompetter de eerste gevolgd Aitzema, aw, vertelt het verhaal inbijna gelijkluidende bewoordingen als Van der Sande Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 145 motivische verfraaiing en verrijking achteraf aan het verhaal te zijn toegevoegd Te bewijzen is dit echter op grond van de gegevens óók niet Ten slotte wil ik er nog aan herinneren, hoe de dichter Staring, kenner van de Gelderse geschiedenis, juist door deze controverse er toe kwam deze stof te gebruiken voor een kort verhaal: Het Wilhelmus te Ede 20)Mede omdat Staring's verhalend proza, overigens gering in omvang, weinig bekend is (zelfs Te Winkel vermeldt het niet), vestig ik er de aandacht op Hij kan er niet in berusten de bevrijding van de Veluwe te zien toegeschreven aan zi ‘bovennatuurlijke middelen’ Deze waren niet nodig, meent hij, want ‘Het Opperbestuur der wereld behoefde dezelve niet om dit doel te bereiken; maar de menschen waren hiermede niet tevreden! De Trompetter van Harseloo was weldra (!K) bij het volk (als oudtijds de Nimf Echo der Mythologie) ontligchaamd en tot niets meer dan een klank vervluchtigd; ’ 21)Daartegen meende hij zich te moeten verzetten Of hij hierbij ook aan Revius heeft gedacht, blijkt niet Hij noemt slechts Van ReydVan den Sande en Baudartius (in deze nietchronologische volgorde!) Zo heeft hij, ter bestrijding van Baudartius, een aardig verhaal geschreven, waarbij hij een gedemobiliseerde jongeman nabij Ede trompetsignalen laat geven aan zijn meisje om een afspraak te maken voor een rendezvous Dusdoende wordt deze argeloos de held van de dag en is de tegenstand van den vader van het meisje overwonnen, zodat ze kunnen trouwen Het is merkwaardig om te zien, dat de romantische rationalist Staring, die de ‘irrationele’ versie van het verhaal op redelijkheidsgronden verwerpt, juist door een romantische fictie ‘aantoont’, dat er niets bovennatuurlijks in deze gebeurtenis was Kenmerkend voor zijn geestesgesteldheid is zijn nabeschouwing, die ons tamelijk wel als een slag in de lucht aandoet: 20) Almanak voor het Schoone en Goede, 1834, 159 t/m 173 Herdrukt inzijn Kleine Verhalen, Arnhem, 1837, 94 vlgg en inNeerl Bib, 1867, 345 vlgg 21) Deze voorstelling van zaken isniet geheel juist De trompetter vindt men, juist omgekeerd, ook bij de latere geschiedschrijvers, waar ‘de hant des Heeren’ niet ofnauwelijks wordt genoemd Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 146 ‘De zucht voor het wonderbare verschafte dit sprookje (nl de “irrationele” versie, K) overal ingang en de Staatkunde der vrijdenkers van die dagen zag misschien geene reden, waarom zij, bij de eenvoudigen, het geloof verzwakken zoude, dat het opkomend Gemeenebest Onzigtbare Magten tot bontgenooten had’ Het schijnt, dat deze stekelige opmerking bij het publiek enige critiek, althans weinig waardering heeft gevonden Staring heeft deze passage tenminste in zijn verzamelde Kleine Verhalen maar weggelaten De conclusies uit het bovenstaande onderzoek samenvattend, merk ik op, dat Revius' Verlossinghe van de Veluwe een vrije en in dichterlijke waarde ver boven het origineel uitstekende vertaling is van een Latijns gedicht van Pontanus, dat Revius met zijn historische gedichten soms rechtstreeks deelnam aan de vrijheidsstrijd en duidelijk contrapropagandistische bedoelingen had en dat ook uit dit onderzoek blijkt, hoe nodig een nadere en systematische bestudering is van onze 17de eeuwse neolatijnse poëzie en het verband daarvan met de Nederlandse Amsterdam, Najaar 1950 G KAMPHUIS Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 147 Boekbeoordelingen DTh Enklaar ,De Dodendans, een cultuurhistorische studie LJ Veen's Uitgeversmaatschappij NV Amsterdam, 1950 Geb ƒ890 Ieder die kennis had genomen van wat Enklaar de laatste jaren al had losgelaten over de dodendans (de artikelen in Roeping, de Miscellanea J Gessler, de 6e druk van de Winkler Prins) moet met groot verlangen hebben uitgezien naar de verschijning van het boek, dat thans voor ons ligt Het telt 162 bladzijden, is fraai geïllustreerd met 16 afbeeldingen op kunstdrukpapier, met bijzondere zorg gekozen en in de ware zin van het woord illustratief, en gebonden in een keurige linnen band Schrijver en uitgever verdienen voor het uiterlijk alvast niets dan lof En nu de inhoud ‘In der Beschränkung zeigt sich der Meister!’ Dat is het eerste, wat ik van dit boek wilde zeggen Het onderwerp is immers een mer àboire, maar Enklaar heeft die zee aardig leeggedronken Zijn ‘onvolledigheid’ is al te bescheiden, de belezenheid, waarvan zijn boek onopzettelijk getuigt, is zonder overdrijving verbazingwekkend En toch geeft hij slechts de noodzakelijkste verwijzingen: geleerddoen, verbluffen is het laatste waaraan Enklaar denkt Men mene dan ook niet, dat de schr alles heeft gegeven, wat hij van de dodendans wist Neen, wij krijgen hier alleen, wat hij nuttig en nodig achtte voor het door hem gestelde doel Scherp is dit omlijnd en nimmer verliest hij het uit het oog, wanneer hij zich als een Theseus met de overigens door hem zelf gesponnen draad van Ariadne een weg baant door het labyrint Enklaar had zich tot taak gesteld de cultuurhistorische factoren bloot te leggen, die het verschijnsel van de dodendans hebben bewerkt Wij moeten nu nog weten, wat hij verstaat onder dodendans en onder cultuurhistorische factoren Welnu, de dodendans is ‘een zinnebeeldige voorstelling van de macht van de dood over het menselijk geslacht, waarbij een aantal personen, die alle standen, elke leeftijd en beide geslachten vertegenwoordigen, een reidans vormen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 148 met figuren, die de dood verbeelden’ en cultuurhistorische factoren zijn denkbeelden, geestesstromingen, maatschappelijke toestanden en gebeurtenissen Uit de vraagstelling blijkt, dat het de schrijver met deze studie niet alleen, zelfs niet in de eerste plaats te doen was om de geschiedenis van de overgeleverde dodendansen Wat hij daarover te zeggen had, heeft hij bewaard voor het laatste hoofdstuk De zeven, die er aan voorafgaan, zijn alle gewijd aan de cultuurhistorische factoren, die de dodendans hebben bewerkt, resp de contemptus mundi, de voorstelling van de dood, het contact van doden en levenden, de dialoog en de reidans, de litteraire ontwikkeling, de personifiëring van de dood en tenslotte de zuiverhistorische factoren, tw de rampen van Zwarte Dood en Honderdjarige Oorlog In de contemptus mundi ziet Enklaar de eigenlijke achtergrond van de dodendans Ze is een bewijs van de geringe waardering van het aardse Ik weet niet, of het wel zo eenvoudig is Het komt mij voor, dat de contemptus mundi eerder als bewijs geldt van de spanning tussen het aardse en het hemelse, misschien het oudste spoor van de laatmiddeleeuwse spiritualiseringstendens, die de existentie in haar totaliteit niet meer verstond en nu onderscheidde en scheidde tussen hemels en aards, ziel en lichaam, geest en stof Daarbij werd alle waarde althans in theorie aan het geestelijke en eeuwige toegekend en het aardse en stoffelijke, dat overigens fel werd begeerd juist door deze scheiding, gedevalueerd Ondanks de bezwaren van Schnürer zou ik niet gaarne elk verband ontkennen tussen het opkomen van de contemptus mundi en het jaar 1000 In deze zelfde tijd toch staat het gehele religieuze en culturele leven in het teken van de apocalyptiek (men denke slechts aan de Oordeelsvoorstellingen in de kunst en aan de eschatologische literatuur) Wij moeten de contemptus mundi dan ook liever niet ontstaan denken onder oosterse invloed, maar als gevolg van de postkarolingische overspanning van de Rex en Iudexvoorstelling van Christus en het daaropgevolgde teloorgaan van de Goddelijkwereldlijke totaliteits en eenheidsconceptie Mijn bezwaar tegen de overzichtelijke en zeer volledige historische schets van de contemptus mundigedachte geldt verder vooral het gemis aan onderscheiding in de achtergronden en dus ook in de zin der wereldverzaking in de Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 149 Romaanse, Gothische, Bourgondische en Humanistische periode Het is immers heel wat anders, of de zielenood (Romaniek), de imitatioChristi (Gothiek), de vanitasobsessie (Herfsttij) of het persoonlijk aards geluk (Petrarca, Erasmus) tot wereldverzaking leiden Wanneer Enklaar dan in de contemptus de ‘grondstemming van de dodendans’ ziet, ga ik niet meer met hem accoord Ik acht het verband van de wereldverzaking (die trouwens zelf op zo verschillende gronden rust) en de dodendans niet zo evident, althans niet zo dwingend, als hij De oorsprong van de dodendans zoek ik eerder in de sociale satire van de gelijkheid van alle standen voor de dood Het is niet toevallig, dat we dit motief het eerst aantreffen bij Helinandus van Froidmont Zijn Vers de la Mort past uitstekend in het kader van de sociale satire, die de 1213e eeuwse spiritualisten oa ook leidde tot de conceptie van de geestelijke adeldom In dit licht wordt het begrijpelijk, dat de bloei van de Vado morigedichten vroeger valt dan van die op het Ubi suntthema Het laatste past meer bij de Bourgondische vanitas, terwijl de vado morigedichten juist die meedogenloze gelijkheid der standen prediken of zeg maar alle standsverschil sub specie mortis uitwissen, wat kenmerkend is voor het Gothische spiritualisme Vast staat in elk geval, dat de oudste dodendanstekst uit Vado mori is gesproten Is mijn zienswijze juist en de dodendans oorspronkelijk een sociale satire, dan is hij later onder invloed van Ubi sunt, kortom van de Bourgondische vanitas, uitdrukking geworden, ja hèt zinnebeeld van de vergangelijkheid Vandaar dan ook naast het standsverschil dat mede teruggaat op de zgn ‘standrevue’, het 12eeeuwse hekeldicht, waarin de verschillende maatschappelijke standen een lesje krijgen de invoering van het leeftijdsverschil der personen, waardoor de onafwendbaarheid en de grilligheid van de dood sterker werden geaccentueerd Na deze achter en ondergrond van de dodendans gaan we over tot de eigenlijke ingrediënten, de dood en de dans Wat de dood aangaat, de voorstelling van de dode is ouder dan die van de gepersonifiëerde Dood Al is er voor de personificatie een lijn te trekken van Helinandus over de Ackermann aus Böhmen tot Elckerlijc, in de dodendans is de dode, die de levende als zijn toekomstbeeld komt halen, Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 150 de oorspronkelijke voorstelling, zij het ook dat die weldra gecontamineerd wordt door de Dood als Personificatie De oorspronkelijke doodsfiguur, de dode dus, is via de legende van de drie levenden en de drie doden in de dodendans terechtgekomen Voor de oorsprong van deze legende aanvaardt Enklaar de resultaten van Künstle's studie, die ons naar de Arabische praeMohammedaanse wereld voert De spreuk: ‘Wat wij waren, zijt gij; wat wij zijn, zult gij worden!’, in de 2e helft van de 11e eeuw voor het eerst in het westen gesignaleerd, is zeer waarschijnlijk van oosterse herkomst (hij is reeds in 580 bij de arabische dichter Adi gevonden) Enklaar toont aan, dat de spreuk niet via Spanje (zoals Künstle wilde), maar via Italië naar WestEuropa is gekomen Met de spreuk houdt de legende van de drie levenden en de drie doden verband, maar het hoe is nog niet geheel duidelijk Is de legende kant en klaar aan het oosten ontleend, of alleen de spreuk en is de legende in het westen zelfstandig gegroeid? In elk geval is het drietal oorspronkelijk westers Voor de verdere ontwikkeling van de legende is het weer interessant te letten op de verschillende tijdgeest, die zich in de opeenvolgende redacties openbaart Felle satire domineert in de oudste Franse versies, inz in de 3e, terwijl de laatste, de 5e, beheerst wordt door de doodsobsessie en de loonnaarwerkentheologie Tot het verbreidingsgebied van de legende, door Enklaar nauwkeurig in kaart gebracht, behoort ook Nederland, dat vertegenwoordigd is met één litteraire bewerking (uitg dJF Willems in Belg Mus 2, bl 239 ev) en drie monumentale (de fresco's in de kerken van ZaltBommel, Zutfen en Muiden) Uit deze legende is het motief van de dode, die de levende zijn voorland toont, in de dodendans overgegaan De latere dodendansen, althans de Spaanse Danza general de la Muerte en de daarvan volgens Enklaar afhankelijke Duitse LübischRevalse tekst, hebben evenwel een gepersonifiëerde Dood De verklaring van dit verschijnsel vereist mi nog een afzonderlijk, diepergaand onderzoek Het komt mij voor, dat Rehm in zijn Todesgedanke de zaak al te simplistisch voorstelt, als hij de dode de oudere en de personificatie de jongere voorstelling noemt We vinden de personificatie immers reeds bij Helinandus Ik geloof eerder, dat de personificatie van geleerde (klassiekChristelijke) oor Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 151 sprong is en de dode van volkse (primitiefreligieuze, ic heidensGermaanse) De dode is in primitieve religies eigenlijk niet dood, maar levend, zij het op andere wijze dan de levenden De cultus is er op uit hen als levend te erkennen (vg KTh Preuss Tod und Unsterblichkeit im Glauben der Naturvölker, 1930) en die tendens herkent men nog in tal van middeleeuwse gebruiken, oa in het zg ‘dodenrecht’, waarin de dode optreedt als rechtspersoon (vg H Scherer Die Klage gegen den toten Mann in Deutschrechtliche Beiträge 4(1909'10) S 47 ff) en dan natuurlijk vooral ook in de zg spokerij der doden, hun inz nachtelijke actie soms ten gunste maar meestal ten nadele van de levenden (vg M Bartels Was können die Toten? in Zeitschr d Ver fVolksk 10 (1900) S 117 ff) In de dodendans wordt de Dood voorgesteld door een gevild (en ten dele ook ontvleesd) lijk of door een geraamte De eerste voorstelling is volgens Enklaar de oudste Ik wil het graag geloven, maar het aangevoerde bewijsmateriaal is wel heel summier Ook hier gevoelt men behoefte aan een afzonderlijk onderzoek in aansluiting aan R Helm Skelett und Todesdarstellungen bis zum Auftreten der Totentänze (Strassburg 1928) Zeer uitvoerig staat Enklaar dan nog stil bij de attributen van de Dood in de dodendans, de muziekinstrumenten en de wapens De eerste zouden een aanwijzing kunnen bevatten voor de verlokking van de Dood, een motief dat in de middeleeuwen nog nauwelijks merkbaar is en door Enklaar dan ook niet wordt aangeroerd, maar dat in de Nieuwe Tijd een belangrijke rol gaat spelen Sprekende over het verband van dood en Oordeel haalt Enklaar Helinandus aan, maar deze citeert hier Hebr 9, 27 en dit oordeel is niet het laatste, het Iudicium extremum, maar naar middeleeuwse opvatting het persoonlijk oordeel onmiddellijk na de dood Het contact tussen de doden en de levenden, de dialoog, kan tegelijk met de doodsvoorstelling uit de legende van de drie doden en de drie levenden in de dodendans zijn overgegaan Misschien heeft hierop ook het sinds de 12e eeuw geliefde strijdgedicht of disputatie van Dood en Leven, Mens en Dood, Lichaam en Ziel, invloed geoefend Maar in de dodendans wordt niet zoals in legende en disputatie uitsluitend gesproken, er wordt gedanst Waar ligt de oorsprong van dit motief? Volgens Fehse in het geloof, dat de doden 's nachts plegen te dansen en Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 152 de levenden daarin zoeken te betrekken, volgens Stammler in de voorstelling van Christus als Leider van een maagdenrei De laatste opvatting werd reeds door Vanderheyden bestreden (Christus leidt niet dansend uit het leven weg) en nu ook door Enklaar verworpen Hetzelfde doet Manasse in The dance motive of the latin dance of death (in Medievalia et Humanistica 4(1946) p 83 seq) na afweging van alle argumenten, die A Oppel in Das Hohelied Salomonis und die deutsche religiöse Liebeslyrik (Berlin und Leipzig 1911) had bijeengebracht om het verband tussen Christus en de Dood te verdedigen Zelf wil Manasse uitgaan van de carole, de ‘duivelse dans’; maar dat is oud nieuws, want de caraula was juist de verboden heidense dans in kerken en op kerkhoven Zelf zou ik niet apriori elke samenhang van de hemeldans met de autochthoonheidense en dan dus ook met de dodendans willen loochenen Helaas bezitten wij hoe dankbaar ook voor de studiën van Van der Leeuw (In den hemel is eenen dans en zijn Dans en Beschaving in Exuli Amico Huizinga historico amici non historici etc bl 124 ev), Gougaud (La danse dans les églises in RHE 15 (1914) en Oesterley (The sacred Dance, Cambridge 1923) nog niet het grote samenvattende werk over de sacrale dans, dat ons ook en vooral over de middeleeuwse toestanden volledig inlicht Voorshands kunnen wij, voor wat het onderwerp van de dodendans aangaat, er slechts toe neigen de vraag of het dansmotief inderdaad teruggaat op de dans der doden, mèt Enklaar bevestigend te beantwoorden Weliswaar heeft die dans, inz op kerkhoven, een vegetatiefmagische strekking en ontbreekt dit element te enen male in de dodendans, maar dit behoeft samenhang geenszins uit te sluiten; het ligt voor de hand aan te nemen, dat die aanstotelijkheidense bedoeling in de Christelijke cultuurvorm van de dodendans van meet af aan is uitgeschakeld Bij Enklaar's interessante voorbeelden van kerkhofdans zou ik nog willen toevoegen de mededeling bij Etienne de Bourbon, †1261 (vg Coulton Life in the Middle Ages, p 89), al is het niet helemaal duidelijk, of de vermomden hier doden representeren, maar dat zal wel En dan vooral de dans van de in een lijkhemd gehulden (dus doden) om de Dood (vg Grupp Kulturgeschichte des Mittelalters 6, S 41), een interessante variant, al is de plaats van handeling niet bepaald een kerkhof Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 153 Tenslotte nog een suggestie Wil men het Christendom per se enige invloed gunnen op het dansmotief der doden, dan zou men via Manasse's verwijzing naar de knekelhuisvoorstellingen kunnen denken aan de verrijzende en dansende doden, die wij reeds aantreffen op Karolingische Opstandingen De reidans is ook het voornaamste vormelement van het sermon mimé sur la mort volgens Enklaar de onmiddellijke bron van onze litteraire en geschilderde dodendans ,waarover Enklaar reeds een zeer instructief artikel had geschreven in de Miscellanea Gessler (dl 1, bl 466 ev), en waarop hij thans terugkomt Enklaar heeft in deze dans een aantal gegevens verenigd aangaande vertoningen, waarin de dood of het plotselinge sterven de kern vormt Die van Seelmann (bl 74) zou ik beslist uit de reeks willen verwijderen, omdat deze dans kennelijk niets anders bedoelt te zijn dan een initiatieritus; de ‘dode’ staat hier immers weer op, we hebben dus te doen met het mysterie der levensvernieuwing, magisch bewerkt door een schijndood en herleving of wel zoals elders ook wel voorkomt door genezing Deze vertoning was trouwens ook geen sermon mimé, geen illustratie van een voorafgaande preek Daarentegen kan Enklaar's afwijzing van Du Cange's opvatting van de vertoning te Besançon van 1453 als dodendans mij niet volkomen overtuigen Ten eerste is het mij niet duidelijk, waarom de opvoering van de lotgevallen der Maccabeeën in de vorm van een reidans zou zijn geschied En dan vraag ik mij ook af, of de naam Maccabeeën toch niet ‘doden’ kan hebben betekend Wij komen hierop zo aanstonds naar aanleiding van de uitdrukking ‘Machabeusdans’ in 15deeeuwse rederijkersteksten nog terug Afgezien van deze betwiste vertoningen hebben we naast enkele mededelingen als enig bewaard gebleven drama (al is ook dit niet volgroeid) Le mort de la Pomme, door Enklaar uitvoerig geanalyseerd en waarvan hij het niet onmogelijk acht, dat het in 1449 voor het Bourgondische hof te Brugge is opgevoerd Een volwaardig dodendansdrama is ons uit de middeleeuwen niet overgeleverd Of het ooit bestaan heeft is twijfelachtig De Vlaamse vertoningen te Nieuwpoort (1413, 1430) en Veurne van de drie levenden en de drie doden behoeven geen echte drama's te zijn geweest, het kunnen ook dansen zijn geweest met sprekende Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 154 personages Alleen Lope de Vega's Las Cortes de la Muerte zou een dodendansdrama kunnen heten In dit verband bespreekt Enklaar het beroemde ‘Je fis de Macabree la dance’ in Jehan le Fèvre's Respit de la Mort van 1376 Wackernagel en Seelmann vertaalden: ‘Ik stierf bijna’ Inderdaad komt in onze rederijkersliteratuur de uitdrukking Machabeus dans voor in de betekenis ‘sterven’ of ‘de dood’ 1)Toch meent Enklaar deze vertaling te moeten verwerpen: men zou dan, zegt hij, vóór 1376 al een zekere populariteit van de dodendansbeeldspraak moeten aannemen wat ik geen onoverkomelijk bezwaar acht en bovendien is de vertaling nog gewrongen Enklaar ziet nu in ‘de Macabree la dance’ een litterair werk Na zeer conscientieus allerlei mogelijkheden te hebben afgewogen aangaande de vorm van dit werk, stelt hij als eigen opvatting voor, dat hier een toneelspelachtige dans is bedoeld, geen pantomine meer, maar ook nog geen drama ‘De verduidelijking van een voorafgaande preek, “le sermon mimé sur la mort”, is uitgegroeid tot een vertoning, een dans, waarbij het gesproken woord gebruikt werd, de danse macabre Die veranderde weer in een vaste voorstelling, in beeldhouwwerk of schildering, van wat voordien voorbijgaand gemimeerd werd Zo is de ontwikkeling geweest te La ChaiseDieu, zo was het zeker overal elders, te Parijs, Kermaria, Bazel of Lübeck In plaats van naar de vluchtige vertoning kon de predikant dan ter illustratie van zijn moralisatie verwijzen naar de blijvende verbeelding Soms werd die nog verduidelijkt door poëtische bijschriften, die als rechtstreekse nakomelingen van de libretti voor de gemimeerde vertoningen mogelijk ouder zijn dan de voorstellingen in de beeldende kunst, waarvan de gedichten zich later geheel losmaken’ Uit het sermon mimé ziet Enklaar dus twee verschillende vormen zich ontwikkelen: 1 de dodendans, 2 het drama; elk van deze beide gaat zijn eigen weg, het drama is nog niet voltooid, wanneer de middeleeuwen ten einde zijn Zo is dus het ontstaan van de dodendans verklaard Enklaar had nu 1) Onder de aangehaalde plaatsen (bl 83) bevindt zich ook een ‘aan Anthonis de Roovere toegeschreven refrein’ (uitg dCP Serrure inVad Mus 4,127) Door wie isdit refrein aan De Roovere toegeschreven? Niét door Serrure! Met ‘het gedicht’ (Vad Mus 4,116) bedoelt Serrure het refrein op de stok tEs allijdende sonder de mijnne Gods (uitg ald bl 121 ev) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 155 gevoeglijk over kunnen gaan tot de bespreking van de dodendansen zelf, indien hij het niet nodig had gevonden eerst nog te zoeken naar concrete oorzaken voor het opkomen van het verschijnsel juist in de tweede helft van de 14de eeuw Eerst rekent hij af met enkele zi onhoudbare meningen dienaangaande Wanneer Enklaar dan op zijn beurt zoekt naar schokkende gebeurtenissen, die de doodsvrees versterkt moeten hebben en die meent gevonden te hebben in de Zwarte Dood en de Honderdjarige Oorlog, dan ga ik accoord met dat ‘versterken’ en weiger ik in die gebeurtenissen oorzaken te zien De enige ware oorzaak is mi de vanitasobsessie, die zelf weer is bepaald door de sterke aardsgerichtheid der late middeleeuwen in opperste spanning, in conflict met het Gothische spiritualisme Ware het anders, dan zou de atoombom ook wel dodendansen kunnen gaan voortbrengen Maar neen, de geestelijke scheppingen zijn nooit restloos uit politieke, economische, maatschappelijke of wat voor concrete aanleidingen ook te verklaren Natuurlijk is er samenhang, alles hangt voor wie dieper schouwt met elkaar samen Maar ik aanvaard geen causaliteit Doodsvrees wordt niet gewekt door rampen als oorlog en pest zonder meer Wij hebben in de laatste oorlog het tegendeel ervaren; de onverschilligheid voor de dood is thans groter dan ooit Het is trouwens vrij zinloos naar zulke speciale oorzaken te zoeken De rampen en verschrikkingen waren in de vroege middeleeuwen waarachtig niet geringer dan in de latere En toch ontstond de dodendans alleen toen We kunnen de zaken beter omkeren: juist door de doodsobsessie maakten die rampen zulk een verschrikkelijk diepe indruk De oorzaak van de obsessie zelf ligt dieper verborgen Men kan op allerlei omstandigheden wijzen, een der voornaamste is wellicht de hulpeloosheid van de zich beveiligende, zich ‘verzekerende’ burgerstedeling tegenover de dood, gevolg van het conflict tussen zijn (praktisch) materialisme en (theoretisch) idealisme Maar met alles bij elkaar komen we er nog niet, de laatste en diepste oorzaak ontgaat ons, behoort tot het Leven, dat voor ons een mysterie moet blijven In dit verband spreekt Enklaar ook over de herkomst van het woord macabre, in de vroegst aangetroffen vorm macabré Hij verwerpt het veronderstelde verband met Maccabeus en schijnt veel te voelen voor Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 156 arab maqābir Franse troepen zouden dit woord in Spanje tussen 1366 en 1376 van de Moren hebben leren kennen; in Frankrijk zou het terstond verkeerd zijn opgevat Het spijt mij, dat Enklaar mij niet heeft kunnen overtuigen Als wij bij de feiten blijven, moeten we zeggen, dat met Macabree in de oudste vindplaatsen een persoon is bedoeld En dan liggen de Macabree la dance en de Machabeus dans der Zuidnederlandse rederijkers wel zeer dicht bij elkaar Die rederijkers waren trouwens geheel naar het Frans georiënteerd, hun Machabeusdans móet teruggaan op dance de Machab (r)ee De enige moeilijkheid zit in de rTaalkundigen weten hier misschien raad op Tot zolang mag ik niet tot identiteit besluiten Volkomen vast staat in elk geval de latere gelijkstelling 2)Ook het ontbreken van een aanknopingspunt in de Boeken der Maccabaeën is geen afdoend argument Dit aanknopingspunt moet immers niet gezocht worden in deze bijbelboeken zelf, maar in de middeleeuwse Maccabaeënlegenden, zoals Gautier de Belleperche's Judas Machabee, de Roman d'Oberon, Seghelijn van Jerusalem Er zullen er zeker veel meer zijn Zolang we geen monografie bezitten die overigens dringend nodig is! over Judas Maccabaeus in de middeleeuwse literatuur, kunnen we ons over het al of niet voorkomen van macabre motieven in de Maccabaeënlegende geen oordeel vormen Het scherpzinnig afwegen van alle argumenten van zijn voorgangers door het gehele boek bemerkbaar, maakt ook de lectuur van het slothoofdstuk gewijd aan de geschiedenis van de oudste dodendansen tot een waar genoegen Enklaar wordt gelukkig niet gedreven door een zucht naar originaliteit àtout prix, hij aanvaardt dankbaar de reeds verkregen resultaten, indien ze op goede gronden, met name op de feiten steunen, maar zo nodig aarzelt hij ook niet volstrekt eigen wegen te gaan Zo gaat Enklaar niet meer met Stammler mee, wanneer deze Bretagne voor het stamland en de monumentale dodendansen voor de oudste houdt Zelf gaat hij uit van de dodendans op het kerkhof ‘des Innocents’ te Parijs van 1425 Alle gegevens heeft hij zorgvuldig ver 2) Indit verband mag iker misschien even aan herinneren, dat inhet argot van de medische studenten teParijs de benaming mac(h?) abé(e?) voor ‘dode’ of‘lijk’ nog altijd inkoers is Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 157 zameld, die kunnen bijdragen ons een voorstelling te vormen van deze verloren dodendans Vervolgens bepaalt Enklaar de route, waarlangs de invloed van Frankrijk via Zuidduitsland (Bazel) zich naar Noordduitsland (via Lübeck) heeft uitgestrekt Voor de vele duistere punten, die er toch nog overblijven in de ontwikkelingsgang van de dodendans, is Enklaar volstrekt niet blind Zolang er echter geen nieuwe documenten gevonden worden, is het niet mogelijk het historische proces volledig op te helderen Ik hoop in de voorgaande bladzijden een indruk te hebben gegeven van de rijke inhoud van Enklaar's jongste publicatie Het ideaal van de oude historiografie, dat elke bladzijde iets wetenswaardigs moet bevatten, is ver overtroffen Hier en daar blijft er nog een mogelijkheid voor een gesprek, maar in de hoofdlijnen heeft de schrijver door zijn overtuigend betoog de discussie wel voorgoed gesloten Het boek betekent tevens een eerherstel voor ons land, dat in de dodendansstudie hopeloos achterop was geraakt 3) Leiden JJ MAK Album aangeboden aan Prof Dr L Grootaers, hoogleraar aan de katholieke universiteit te Leuven bij zijn vijf en zestigste verjaring 1950 Er zijn nog altijd linguisten misschien neemt hun aantal zelfs toe die aan de studie der woord en dialectgeografie betrekkelijk weinig waarde hechten Zij zien er geen bijdrage in van principiële strekking voor ons theoretisch of taalphilosophisch inzicht; deze tak van wetenschap is volgens hen een ancilla historiae, waarvan de resultaten altijd bevestiging behoeven van nietlinguistische wetenschappen en gegevens Deze houding hangt samen met, is een uitvloeisel van de sterke beklemtoning van de synchronistische, structurele linguistiek 3) Inzijn inleiding beklaagt Enklaar zich er over, dat zovele buitenlandse publicaties in Nederlandse bibliotheken niet aanwezig zijn (Kurtz en Stammler echter wel; van Stammler iser zelfs de tweede druk van 1948 met ‘volledig’ bijgewerkte bibliografie) De klacht ismij uit het hart gegrepen Misschien kan een centrale commissie van advies voor aankoop ten behoeve van onze bibliotheken hier uitkomst brengen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 158 Ook hier de nawerking van F de Saussure; men leest in de Cours op p 41: ‘tout ce qui se rapporte àl'extension géographique des langues et au fractionnement dialectal relève de la linguistique externe; le phénomène géographique ne touche pas àl'organisme intérieur de l'idiome’ In zijn bijdrage tot deze bundel ‘Dialectologie en Taalgeschiedenis’ zegt Heeroma op p 202: ‘Er is bijna geen taalhistoricus meer die niet tevens in meerdere of mindere mate dialectoloog geworden is’ Geheel tevreden is H echter ook niet, blijkens zijn vraag: ‘Zou het mogelijk zijn een enquêtemethode te ontwerpen, waarbij niet enkel losse woorden en zinnen worden afgevraagd, maar de omvorming van de taalstructuur onder invloed van een expansie op het ogenblik zelf wordt vastgesteld?’ Zo gesteld is aan dit verlangen als ik de bedoeling goed begrijp onmogelijk te voldoen Ten eerste is het begrip ‘expansie’ niet noodwendig van zoveel belang dat het in een programmatische eis zou moeten figureren Gesteld echter dat er ergens een expansie plaats vindt, hoe zou het denkbaar zijn om deze in het heden te betrappen, en nog wel als omvormende factor van een hele taalstructuur? Wijzigingen in deze structuur zullen in eerste instantie voortvloeien uit de inherente labiliteit van het evenwicht zelf Komt er inwerking van buiten af bij, des te beter wellicht voor de toekomstige wijziging Het woord ‘taalstructuur’ in H's vraag vergt dan ook niet een verfijning van bestaande dialectgeografische methoden, maar een principieel anders gericht onderzoek Het albumGrootaers geeft in een zeventiental gevarieerde bijdragen een algemeenoriënterende inleiding en overzicht van methoden en resultaten der dialectologie De eerste drie vormen een passende bioen bibliografische introductie De eervolle plaats die de jubilaris van 1950 op dit terrein en in de Zuidnederlandse Dialectcentrale bekleedt wordt hierin wel zeer duidelijk Het gebrek aan middelen waarmee hij vaak te kampen had (p 43) is meer dan vergoed door de toewijding van zijn leerlingen De belangstelling voor de levende taal heeft verfrissend gewerkt op verschillend terrein Voor de etymoloog bv is volgens Van Haeringen het indogermaanse vergelijkingsmateriaal wel uitgeput, en maar zelden Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 159 heeft men sedert 1910 bv de aangename gewaarwording van een overtuigende combinatie tegen te komen (p 109) Het zwaartepunt voor de etymoloog worde dus verlegd naar de ‘beschrijving van de formele en semantische geschiedenis in de latere tijd’ Hierbij zal het formele, vooral het hypothetischformele, in de schaduw staan van het semantische De semantiek heeft trouwens zijn terrein reeds lang verlegd naar de historisch controleerbare perioden De etymoloog moet echter volgens vH niet vooral retrospectief te werk gaan, maar van het verleden op het heden aanwerken (p 110) Van Loey wijst daarentegen ook op de methode om vroegere taaltoestanden te reconstrueren aan de hand van de tegenwoordige geographische verspreiding van verschijnselen (p 67), waarbij hij met instemming het voorbeeld door Van Wijk gesteld noemt Deze methode kan natuurlijk eerst met vrucht worden gehanteerd nadat men zich de kennis van historische grammatica heeft verworven Er zijn wel voorbeelden van taalgeographisch onderzoek waarin zich een gebrek aan deze kennis wreekt De onomastiek als hulpwetenschap van de historische taalkunde wordt behandeld in de bijdrage van K Roelandts In deze materie is behoedzaamheid geboden Mansion waarschuwde reeds in duidelijke taal Indien de dialectstudie naar waarde wordt geschat, zegt R, zullen (zulke) vergissingen ons niet overkomen De voorbeelden die hij hier behandelt zijn niet zeer duidelijk of overtuigend Het is mi zeer de vraag of in Tobback ə>a?In composita toch zijn, ondanks de gecodificeerde vormen, de onbeklemde delen ten zeerste aan verval onderhevig; de gesproken taal zal zijn gang zijn gegaan, evenals nu, terwijl de geschreven vormen er hoog boven verheven bleven Evenmin lijkt mij de ae in Govaert te danken aan secundaire betoning, maar eerder aan het erkennen in de schrijftaal van een uit əontstane a, waarbij invloed van andere namen met een oud a(e)rt in het spel kan zijn geweest De parallel met de pronomina mij en hij naast me Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 160 en ie lijkt mij niet houdbaar R zegt dat de ĭvan rĭk in Hendrik niet verdoft is, en dat dit te danken zou zijn aan de populariteit door de eeuwen heen van deze naam Indien in sommige dialecten de ĭwerkelijk gesproken wordt, zal dat toch veelal spellingpronunciation zijn, maar dikwijls is er stellig alleen een ə De syntaxis is door de dialectoloog stiefmoederlijk bedeeld; zo zelfs dat Van Es het beschamend noemt dat de syntacticus vrijwel met lege handen moet komen Van Es stelt terecht de eis dat, zoals alle taalonderzoek, het dialectonderzoek syntactisch moet worden opgezet Immers: eerst dan zal het wisselend karakter der klanken en hun variaties behoorlijk aan het licht komen En eerst dan ook zullen klanken en woorden als structurele elementen der taal naar hun waarde kunnen worden beoordeeld Geschiedt zo'n beschrijving met de moderne hulpmiddelen, dan zullen de gevonden latituden van klank en woordgebruik en natuurlijk ook van de syntactische vormen de vibratie van het hele taalsysteem aanwijzen En eerst daarmee zijn de belangrijkste gegevens verworven voor een inzicht in de mogelijke interne wijzigingen Het vrij rijke materiaal waarmee schr zijn opstel illustreert overtuigt de lezer van de noodzaak van deze studierichting Wel hebben vele gevallen vooral stilistische waarde en zijn verder reikende conclusies daar nog niet uit te trekken De typologie der streektalen zal evenwel op den duur eerst door de syntacticus kunnen worden getekend Een dergelijke typologie, over een groter gebied beschreven, zal oudere taalgemeenschappen kunnen blootleggen In de Vox Romanica 5(1940), p 174 zegt Adolf Ribi: aangezien de denkvoorstellingen en gewoonten welke in de inwendige taalvorm hun uitdrukking vinden, niet altijd met de taal en dialectgrenzen samenvallen, zou men zich een taalgeografie der benoemingsmotieven en beelden denken kunnen De bestaande woordkaarten bevatten reeds materiaal dat dienstbaar kan zijn in deze richting, maar de bewerkers ervan zijn niet van dit speciale gezichtpunt uitgegaan Deze feestbundel als geheel kan dienen als een nuttige wegwijzer, mede door de literatuuropgaven, al zijn die uit de aard der zaak niet volledig AC BOUMAN Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 161 De oorspronkelijkheid van de Karel ende Elegast Zowel door Prof Kloeke's uitgave van de incunabel A en zijn artikel De Compositie van de Karel ende Elegast en het incognito van de zwarte Ridder (Ts 66, p 161) als door de twee voordrachten van Prof Kroes resp aan de Universiteit te Utrecht en te Leiden in de Mij v Nederl Letterk gehouden (verschenen Ts 69, p 81 ev) is de aandacht weer op de Karel ende Elegast gevestigd De eerstgenoemde hoogleraar liet het licht vallen op compositie en stijl van het gedicht, de laatstgenoemde op de in de samenhang horende sprookjes en het probleem der al of niet oorspronkelijkheid van de Mnl roman Omtrent het woord oorspronkelijk is enige oriëntatie niet overbodig, want het woord bestaat wel in de Middeleeuwen, maar de betekenis ervan komt niet overeen met de tegenwoordige Verdam verklaart orsprongelijc als: 1) aan de grond ontspringende, uit de grond opwellende; 2) waaruit iets zijn oorsprong neemt Volgens de voorbeelden werd het woord symbolisch gebruikt: een oorspronckelicke fonteyne der lieften; overmits oorspron(c)like volheit alre scoonheit In streng litteraire zin werd het niet gebruikt, wat gezien de litterairhistorische feiten, nauwelijks verwondering kan wekken De Middeleeuwen kenden immers niet de appreciatie van het ‘niet vertaald’, en evenmin het begrip ‘eigen vinding’ Bestaande thema's waren gemeengoed, iedere dichter kon zeggen: ‘Je prends mon bien, où je le trouve!’ Er werd vertaald, maar er waren ‘des accommodements avec l'original’ Er werd gedicht maar in variaties op een thema Maar eens moet de eerste keer geweest zijn, eens moet er iemand vorm gegeven hebben aan het thema Bij de Elegast is de kwestie eenvoudig te stellen, omdat er niet als bij de grotere epen een vervlechting van thema's is waar te nemen: er is maar één thema, nl Hoe een Koning uit stelen ging Dit thema Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 162 kennen we in tweeërlei vorm: als volksverhaal 1)en als roman, hetzij van Basin, hetzij van Elegast Ten opzichte van het Mnl gedicht zijn er twee vragen aan de orde: is de Elegast uit het Frans vertaald? en, hoe is de verhouding van volksvertelling tot roman? Dat er een Franse roman bestaan heeft van Koning en Dief ic Basin is wel aan te nemen, want zo uitvoerige toespelingen als waarover we beschikken 2)zijn résumés, hetzij van een zelfstandig gedicht, hetzij van een afgerond geheel binnen het kader van een groter epos Bovendien is ons bewaard de Karlamagnús saga , die meestal getrouw Franse romans weergeeft Gesteld dat de Mnl dichter de Basin als voorbeeld gehad had, dan zou hij heel zelfstandig te werk gegaan zijn in het algemeen 3)en het meest door de centrale figuur van de ‘larron épique’ te veranderen in een Germaanse volksfiguur Prof Kloeke noemt Elegast een outlaw, Prof Kroes geeft de bosbewoner er de naam Meesterdief bij Wat een outlaw is, heeft men nog onlangs kunnen zien bij de vertoning van Shakespeare's Naar het U lijkt ,waar het woudleven, dat sedert de dagen van Robin Hood iets maar niet veel veranderd was, zich voor de toeschouwer afspeelt Alleen is bij Shakespeare geen behendige dief met wonderbaarlijke eigenschappen te vinden Voor deze Meesterdief kan ik volstaan met te verwijzen naar mijn reeds genoemde boek, alleen met de bijvoeging, dat de eigenschappen van Elegast nog primitiever zijn dan ik ze toen al vond Het kennen van de dierentaal bv heeft zijn wortels in een totemistische grond Elegast te plaatsen in Basin' sromangebied betekent herschepping, maar houdt niet in, dat het Frans niet primair en niet het onmiddellijk voorbeeld van de Mnl roman geweest is In dit geval zou het volksverhaal een neerslag zijn van de roman Wat hier voor pleit, is, dat Hoe een Koning uit stelen ging niet internationaal is, zoals het sprookje van de Meesterdief (di de avonturen van een dief niet in verbinding met een koning), het in overweldigende mate blijkt te zijn 4)Er zijn 1) Marie Ramondt, Karel ende Elegast oorspronkelijk? Utrecht 1917, p28 2) Id, p114 3) Id, p128 4) Bolte uPolivka, III, nr 192 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 163 volgens Stith Thompson meer dan 700 varianten van gevonden De schrijver van The Folktale merkt verder op: ‘In atale familiar to the literature of northern Europe since the Renaissance and known orally in Germany, the Baltic states and Hungary (Type 951 A, The King and the Robber) the King is in alliance with the robber He joins him in disguise to rifle abank The robber, however, will not permit him to take more than six shillings, pointing out, that the king has so many thieves In another purely Baltic tale The Bank Robbery (Type 951 B) robbers help the king by accidentally discovering aconspiracy against him as they climb up to enter the bank 5)Of er zulke late uitlopers, of van de Elegast, of van Hoe een Koning uit stelen ging, geweest zijn, als deze varianten kennelijk waren, doet tot de verhouding van roman en volksverhaal niets af; evenmin of er 500 of 700 varianten van het Meesterdief sprookje bestaan We zullen ons moeten houden aan de zuivere versies van Hoe een koning uit stelen ging: de Mongoolse, de Litause, de Russische De laatste, die Onçukov in zijn sprookjesbundel opnam 6),heeft als inleiding de Rhampsinitos, het in oorsprong Egyptisch verhaal van de dieven in de schatkamer van de koning; denken we die weg, dan blijft er een ongeschonden versie over Ook de Mongoolse en de Litause varianten zijn opvallend gaaf, de laatste ook tegenover de door Prof Kroes nu toegevoegde (p 99) Deze spelen in een christelijk boerenmilieu Ze zijn opgetekend in dezelfde tijd als de reeds bekende variant (1894, 1895) In de 19e eeuw bestonden er dus een heidense en een christelijke versie naast elkaar Van christelijke opvatting terug tot heidense zou een eigenaardig proces zijn Mochten alle drie de sprookjes neerslag zijn van het epos, dan is eveneens de stap terug moeilijk te verklaren, omdat Hoe een Koning uit stelen ging een logisch sluitend heidendom bevat, geen rudimenten Wel een principieel verschil maakt, wat Prof Kroes in het geding brengt: dat ook het sprookje van Der Teufel mit den drei goldenen 5) The Folktale, NewYork 1946, p172 6) Karel ende Elegast oorspronkelijk?, p28, 35, 38 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 164 Haaren mee in het spel is, wat blijkt uit de slaapkamerscene in de Elegast, als Eggherics vrouw hem zijn geheim afvraagt 7) De drie gouden haren, die de sprookjesheld, wil hij de prinses tot vrouw winnen, aan haar vader overhandigen moet, worden door de met de pretendent sympathiserende Frau Teufelin aan haar slapende echtgenoot ontrukt Tegelijk ontrukt zij hem zijn geheime wetenschap omtrent drie raadselachtige verschijnselen: een prinses, die niet genezen kan, een onverklaarbaar verdroogde marktfontein, een raadselachtig verdorrende boom, en de vraag van de visserveerman, waarom hij niet wordt afgelost Het valt onmiddellijk op, dat het sprookjesdrietal geschonden is Daardoor staan tegenover de drie te verkrijgen haren vier op te lossen puzzles Een goed sprookjesverteller is nooit verlegen, want de vierde keer trekt de vrouw de duivel aan de neus Deze springt woedend op en geeft haar een slag in het gezicht Nu is het verlokkend dit vierde conflict als invoegsel te beschouwen, afkomstig uit de roman, en zo de Duivel met de drie gouden haren uit te schakelen Maar van sprookjesstandpunt is er een andere mogelijkheid: het eerste motief is gesplitst in de Goldener, die de prinses voor het raam ziet, en de prinses, die niet genezen of niet lachen kan De vraag omtrent de ziekte van de prinses hoort in de inleiding Plaatsen we die daar terug, dan kan de verzakte vierde puzzle als tot het organisme behorend omhoog geschoven worden met de twee voorgaande, en vormt zo het drietal Een speling van het lot wil, dat dit sprookjesmotief nochtans uit een epos afkomstig is: de vrouw, die haar man zijn geheimen ontrukt om een ander in te lichten is terug te vinden in de Mongoolse daden van Geser Chan, een bewerking van het Tibetaanse epos van Koning Kesar 8)De trek van dit motief is dus van Oost naar West geweest, wat insluit dat we ook met een trek van Oost naar West te rekenen hebben van Hoe een Koning uit stelen ging, waarvan juist in het Mongools een zuivere versie bestaat Geser Chan en Edzjenj Chan kunnen elkaar gevonden hebben, en door de Mongolen meegevoerd 7) Bolte uPolivka, nr 29 8) Naar Wilhelm Grimm bij Bolte uPolivka, V, p212 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 165 zijn naar Europa In ieder geval is de episode uit Geser Chan onder de Europese sprookjes geraakt, verloor daar veel van de Mongoolse details en onderging een verchristelijking, al was het dan ook door de duivel Edzjenj Chan en de Litause versie staan dicht bij de Elegast, maar in beide wordt de aanslag uitgedacht door een enkeling, terwijl in het Russisch de Bojaren samenzweren Toch komt in het Mongools het woord samenzwering voor, en in het Litaus vraagt de vrouw: ‘Nu, en wie weet, hoe wij de Koning kunnen doden?’ wat op een voorafgaande spreking wijst Het aanhechtingspunt tussen Geser en Edzjenj moet de slaapkamerscène geweest zijn Daarin, en in het eposgeheel, is, zoals Prof Kroes zegt, het zadel met de klinkende schellen een ‘Fremdkörper’ Het behoort inderdaad niet in een dievensprookje, maar in een Daemonsprookje 9),ook in die zin, dat schellen in het algemeen een demonisch karakter hadden De Wilde Jacht was er mee uitgerust Het zadel hoorde niet in de schatkamer maar naast Eggheric, die aan het demonische vervallen was; het weg te nemen was demonische kracht breken Minder duidelijk is te zien het ontstaan van de tegenstrijdigheid in Elegast's uitlatingen, dat hij nooit de koning zou willen bestelen, en dat hij deze eens bestolen had Van dezelfde tegenstrijdigheid in het Russ, waar die ontstaat, doordat de Rhampsinitos klakkeloos gehecht werd aan Hoe een koning uit stelen ging, zegt Prof Kroes, dat de verteller er geen aanstoot aan nam De verteller niet, maar de dichter, die over primitieve verhalen heen bouwde in epische stijl? Als we nu zeggen, dat de alleen vermelde diefstal een later invoegsel is, dan is dat geen dooddoener Immers, we bezitten een volledige Mnl Rhampsinitos: De Dief van Brugge 10) Bovendien is het verhaal opgenomen in de Seven Vroeden, twee redenen voor één om in de ongerijmde diefstal een rudiment van het Egyptisch verhaal te zien, waar de oorspronkelijke dichter niet verantwoordelijk voor is De Karel ende Elegast is niet op een sprookje gebouwd; het sprookje 9) M Ramondt, op cit p46 10) Ald p31 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 166 doet zijn intree met Elegast, maakt hem van outlaw tot Meesterdief, een wonderbaarlijk begaafde In dit verband is belangrijk, wat Prof Kloeke schreef over compositie en stijl van de Elegast, hoe primitief en sprookjesachtig die in de grond zijn Daar is bv de herhaling en daarin het spiegelbeeld: ‘De beschrijving van Karels terugkomst 105869 vormt een spiegelbeeld van zijn vertrek (14065)’ Daar is verder de voorliefde voor het drietal Wel zal ook hier het christelijk begrip van het drievoudige meespelen oa waar de Engel roept, maar het sprookjesdrievoud is niet weg te denken Prof Kloeke wijst op de beschrijving van de zwarte Ridder met het doorklinkende woord ‘zwart’ Wanneer men dit vergelijkt met het reeds intellectueel ‘angehauchte’ woordenspel in de hoofse lyriek, dan ziet men, hoe primitief de stijl van de Elegast is wat zeker niet pleit tegen het ontstaan van de Elegast uit een volksverhaal Bij deze stand van zaken komt het begrip ‘volksvertelling’ in het gedrang Edzjenj Chan werd verteld door een geestelijke uit de Mongoolse stam der Darchaten in 1879 De Litt versie werd 1895 opgetekend uit de mond van Adomas Berteszka te Ozkabaliai Ook Onçukov verzamelde uit het volk Daar leefden niet alleen de sprookjes, maar ook het volksepos, de bylinen De mondelinge overlevering is dus geen waarborg voor enige opvatting, welke ook, omtrent volksvertelling, epos en hun onderlinge verhouding De criteria zijn: rhythme, voorstellingswijze, toon en vorm Vergelijken we sprookje en byline met elkaar, dan is een verschil, dat de byline recitativisch wordt gezongen door boeren en boerinnen, die overigens net zo leefden als hun dorpsgenoten Het recitatief omvat niet meer dan vijf noten Niet ieder lied heeft zijn eigen rhythme, maar veeleer iedere spreker Deze heeft tot zijn beschikking twee, hoogstens drie rhythmen, zelfs de boerin, die 62 bylinen kende beschikte niet over meer wijzen 11)Eenzelfde toestand is er in Tibet geconstateerd naar aanleiding van de Kesarsage: ‘Aus dem Epos stammen die mit der Prosa wechselnden Verse, die der Tibetische Erzähler singt’ 12)Bij de Mongolen is 11) Nv Wijk, Het Russies Volksepos (Gids, 1909, III), p191, 192 12) Bolte uPolivka, V, p201, noot Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 167 het naar alle waarschijnlijkheid niet anders geweest Dit zijn situaties, waarbij het sprookje gemakkelijk uit het epos kan overnemen Van het verschil in voorstellingswijze en toon kunnen we ons, dank zij Dr vd Meulen, een voorstelling maken Hij vertaalde uit het Litaus met fijn begrip voor de sprookjesverteller, diens vlugge, vrolijke, aanschouwelijke verteltrant De vertaler wijst op de vele herhalingen van het ww ‘zeggen’, op het dooreenlopen van de verleden en de tegenwoordige tijden der ww en op het sprookjesslot: ‘Wat was er een bal, wat was er een vreugd, zelfs ook ik ben er bij geweest!’ 13) Stelt men nu hiernaast het Volchlied 14),dan hoort en ziet men het verschil: ‘Toen zij (de prinses Marfa Vseslavjevna) de slangenzoon, Volch Vseslavjevic, ter wereld bracht, schudde de vochtige moederaarde en kwam de blauwe zee in beweging: de vissen zochten een schuilplaats in de diepte, de vogels verhieven zich hoog in de lucht, de wilde dieren vluchtten in de bossen’ Hier hoort men een machtige toon tegenover de lichte van Wat was er een bal, wat was er een vreugd! Wat de vorm betreft is de vertelling anecdotisch kort en de byline omvat vele versregels Uit deze feiten mag geconcludeerd worden, dat Edzjenj Chan de slaapkamerepisode overnam uit Geser Chan; dat Edzjenj Chan een tak is van de talloze dievenhistories uit het Oosten; dat het als kort verhaal werd meegevoerd naar het Westen Een van de mijlpalen op de weg naar het Westen zien we bv in de Pommerse variant 15)De koning die gaat stelen met een soldaat is ‘der alte Fritz’ Dat we hier niet dadelijk mogen besluiten tot een reductie van de Elegast met vervanging van Karel door der alte Fritz in de loop der jaren, bewijst het motief der vergiftiging, dat uit de Oostelijke volksvertellingen moet gekomen zijn Een menging is hier zeker niet uitgesloten, maar er is een hoofdmotief getroffen, wat eerder wijst op een andere grondslag di op Hoe een Koning uit stelen ging Hoe een Koning uit stelen ging is tot roman geworden, tot twee romans: de Basin en 13) Ts, 1913, p89 14) CC Uhlenbeck, Ts, 1893, p198 15) Volksmärchen aus Pommern uRügen, Norden/Leipzig, 1891, nr 29 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 168 de Elegast De localisering tussen Maas en Rijn kan ontstaan zijn onder invloed van het daar liggend kasteel Basan van de Sicambrenkoning Basanus en van vele andere Sicambrische en Frankische koningen na hem Zo althans vertellen late en met alle goden van Latium opgesierde kronieken Toch is in deze ‘Geschichtsklitterung’ iets zichtbaar van een ondergrond, en een burcht Basan zal er in elk geval wel geweest zijn Niet met zekerheid vast te stellen is, dat de dichter van de Elegast nooit de Basin gekend heeft Maar al heeft hij dat, dan nog heeft hij ‘wat uit de grond opwelt’ gezien: een simpele volksvertelling als kernthema, en inplaats van de ‘larron épique’, een al verstarde figuur van het epos, zag hij die uit de volksgrond opgegroeide figuur Elegast, de ‘vreemde gast’ en meesterdief Zo werd zijn roman ‘orsprongelijc’, quandmême! Utrecht MARIE RAMONDT Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 169 Fragmenten der Nederlandse vertaling van Le chevalier délibéré door Pieter W illemsz Bijna twintig jaar geleden heb ik in dit tijdschrift 1)een opstel gewijd aan de toen nog onbekende vertaling van het Franse gedicht door de Haarlemse rederijker Pieter Willemsz Het unieke fragment ervan, in die dagen aanwezig in de Bibliothèque de la Ville te Douai, is verloren gegaan bij het bombardement van de stad in Augustus 1944 Dat droevige bericht vermeldt G Degroote in zijn uitgave van de meer bekende andere vertaling, Jan Pertcheval's Den Camp vander doot 2) Het zou natuurlijk niet buitengesloten zijn, dat er nog eens een volledig exemplaar dezer editie uit een onbekende verzameling te voorschijn kwam Maar de kans is groot, dat de beschrijving, die ik van de Leidse druk door Jan Seversz (c 1508?) in onze Nederlandsche Bibliographie heb gegeven 3),benevens de verspreide strophen, in bovengenoemd opstel geciteerd, er ten eeuwigen dage de droevige overblijfselen van zullen blijven Nu bezit ik echter nog een viertal foto's, die sinds de vernietiging van het origineel aanmerkelijk in waarde zijn gestegen Ze bevatten, samen met proloog en colophon, 26 strophen en slechts een 5tal daarvan zijn in mijn opstel te vinden Reden, waarom het mij niet ondienstig voorkomt, deze hier te publiceren Geenszins om hun litteraire betekenis, maar uitsluitend als onbekende tekst uit het rederijkerstijdperk De publicatie zal verder aan wie hier roeping toe voelt de gelegenheid bieden te vergelijken, hoe de Brusselaar Jan Steenmaer alias Pertcheval en de Haarlemmer Pieter Willemsz het gedicht van Olivier de la Marche vertaald hebben Gilbert Degroote geeft veel lof aan Pertcheval's vertaling en zegt 1) Zie dl LI(1932), 178196 2) AntwAmst 1948, Inleiding, pXXXVIII 3) NijhoffKronenberg 3358 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 170 oa: ‘Zijn omzetting heeft door haar sappige taal niet zelden een volleren klank dan Olivier's schriftuur zelf: vele regels deinen breeder uit dan de ietwat droger en gebondener versvorm van de la Marche,’ 4)enz Mij daarentegen heeft het getroffen, hoe ver de beide Nederlandse vertalers in hun bewerkingen door omslachtigheid en toevoeging van vele stoplappen zijn gebleven beneden de krachtige taal en de pregnante vorm van het origineel Maar misschien leg ik een hogere maatstaf aan dan men het recht heeft bij een eind 15e eeuwse vertaling te doen De Schiedamse druk met Pertcheval's vertaling (27 Juni 1503) gaat vooraf aan de Leidse met die van Pieter Willemsz (c 1508?) Toch is het nog de vraag, welke van beide vertalingen het eerst is gemaakt Volgens zijn eigen beweren in de voorlaatste strophe zou Pieter Willemsz het werk in 1492 voltooid hebben, terwijl Pertcheval daar het jaartal 1493 noemt Gelijk ik in mijn vorig opstel heb aangetoond, moeten evenwel enkele toevoegingen van Pieter Willemsz van later datum zijn 5) Terwijl de twee vertalingen ondertussen hemelsbreed verschillen, hebben ze één gedeelte woordelijk gemeen, de proloog in proza Het is een typisch staaltje van Nederlandse moraliseerlust, dat in de mij bekende Franse edities ontbreekt Ik vermoed, dat Pertcheval, of misschien nog eerder zijn Schiedamse drukker, priester Otgier Pietersz Nachtegael 6),de proloog heeft opgesteld en Pieter Willemsz en Jan Seversz in dezen de navolgers zijn Voor de elf strophen van eigen vinding, die de Haarlemmer in zijn vertaling heeft gelast, verwijs ik naar mijn genoemd opstel 7)Met de zesentwintig strophen, hier thans gepubliceerd, vormen ze het schamele overschot van een vertaling, die ik op 353 strophen schat Het is tenminste een kleine troost, dat het verloren exemplaar te 4) Inzijn herdruk, Inleiding, pXXXI 5) Zie dit tijdschrift LI 191 6) Zijn drukken vormen het onderwerp van een recente, voortreffelijke studie door LA Sheppard, The Vita Lidwinae printed atSchiedam, 1498 inhet GutenbergJahrbuch 1950 (Mainz), 172176 7) Indit tijdschrift LI 183 vv Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 171 Douai uit een verminkt fragment bestond, reeds vroeger beroofd van al zijn aardige houtsneden Slechts 15 volledige bladen van de vermoedelijk 32 oorspronkelijke had het overgehouden Weinig boeken zijn nu eenmaal meer aan slijtage en vernieling onderhevig geweest dan juist dergelijke Nederlandse teksten, met houtsneden versierd Kwamen ze in handen van de kinderen, dan was meestal hun ondergang nabij Zo is er ook van Pertcheval's vertaling, waarvan we nu Gilbert Degroote's kostbare herdruk bezitten, slechts één exemplaar bekend, in de Hamburgse bibliotheek bewaard Mocht er door een gelukkig toeval nog eens een tweede volledig exemplaar opduiken, dan zal men daaruit ervaren, hoe Degroote ten onrechte heeft gemeend, dat deze versie een hiaat vertoont en 6strophen van het Franse origineel ontbreken De al te vernuftige hypothesen, die hij als verklaring van de omissie opwerpt, hebben geen zin 8)De eenvoudige waarheid is, dat het Hamburgse exemplaar defect is en blad 4ontbreekt; katern a, die in een gaaf exemplaar uit 6bladen hoort te bestaan, heeft er hier maar 5 Blad a4 is niet meer aanwezig Bij onze beschrijving in de Nederlandsche Bibliographie hebben we dit reeds vermeld 9)Uit de Franse editie, eveneens te Schiedam gedrukt en vrijwel gelijk van indeling, kan men afleiden, wat dit missende blad 4moet hebben bevat Op de rectozijde de houtsnede met twee strijdende ruiters, lacteur en hutin, en onder meer de inscripties, cest la terre de plaisante mondaiue( sic )en reliques de ienuesse( sic )10) Op de versozijde de vertaling der strophen 2025 van het origineel Wat Degroote dus vers 153, enz noemt, is in werkelijkheid vers 153 +48 =201, enz en het totale aantal verzen van een volledig exemplaar bedraagt niet 2664, maar 2712 Voor een bibliograaf is de samenhang zonneklaar Wil de philoloog echter nog graag een verder bewijs hebben? Laat hij dan 8) Zie zijn herdruk, Inleiding, pXXXVII (of wel, bewuste strophen verloren gegaan uit het ms van Pertcheval, eer het bij de drukker kwam, ‘ofwel bleven deze thans ontbrekende strophen bij het afdrukken van de volledige vertaling eenvoudig achterwege’) 9) Zie NijhoffKronenberg 1308 10) Zie de afbeelding van blad a4recto inF Lippmann's herdruk van Olivier de laMarche, Le chevalier délibéré Schiedam, zj (= Campbell 1084), Illustrated Monographs issued by the Bibliographical Society, no V(London 1898), p7 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 172 ‘de tafel om te vinden de bedudenisse van sommige walsche namen’ aan het slot opslaan Daarin zal hij onder meer vinden de uitdrukkingen met hun vertalingen, Cest la terre de plaisance mondane en Reliq( ue )s de iuuenesse 11)Wie de houtsneden beziet van Degroote's facsimileuitgave, zal de beide inscripties nergens aantreffen Maar de druk had de houtsnede, waarop ze voorkomen, wel degelijk, te weten op het 4e blad, dat het Hamburgse exemplaar in de strijd heeft verloren En thans, na deze opmerkingen over Degroote's uitgave van Pertcheval's vertaling, terug tot het uitgangspunt, de vertaling van Pieter Willemsz in de uitgave van Jan Seversz Hier volgt dan het afschrift der vier foto's, die ik ervan bezit Waartussen men nog de elf strophen van bl 27? kan voegen, in mijn vorig opstel afgedrukt Tekst bl2a1 12) Hier begint dat prologus vanden boec Gehieten den Camp vander doot WAnt ghelijc die propheet Iob seit Dat leuen des menschen is als een strijt opter aerden ende de mensce niet sekere en heeft dan de doot, nyet onsekere dan de vre des doots, Daerom sellen allen sterflijke menchen dit boec, dat gehieten is den Camp vander doot, dicwijls ouer lesen ende mitter herten ouerdencken ende speculeren, want het vol is van geestelike verstandenisse, vol van scrifturen ende figuren, vol van exempelen der poeten ende na die conste vander rethorijc zeer constelic geset is, toenende de maniere van enen princelike gewapende ridder, lerende dat elc mensche mit geestelijke wapenen, dat is mit duegden enen doot camp vechten moet om te strijden tegens den tijtlijken doot, waermede elc anbeuochten wort van Atropos, die godinne des doots, welcken niemant ontgaen mach, mer den tijt wel verlengen mach mit goet regiment, mit wijslic ende dueglic te leuen, waer bij dat hi den ewigen doot sal mogen ontgaen ende inder ewicheit leuen sonder eynde Amen Men sel weten dat die bedudenisse van 11) Zie inDegroote's herdruk p66, 1e kol r6vo en p67, 1e kol r2 12) Met de signatuur Aij De zeer gebrekkige punctuatie isaangevuld en soms gewijzigd; de afkortingen zijn opgelost De spelling isonveranderd overgenomen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 173 sommige walsche namen, staende inde figueren voer elck capitel, die salmen vinden int eynde van desen boeck Hier begint den Campt( sic )vander doot +bl2a2 +ALso dat achterste des iaers was ontfaende Sgelijcx den tijt mijns leuens ghestelt was, was icalleen wt minen huyse gaende, Onuersienlic ende vant beneuen mi staende, Gepeyns, met wien icdien dach verzelt was, Vanden welke mi menich properheit vertelt was, Ende bi gueder leringe oec bracht te voren Deerste oerspronc van mijns kintsheits toebehoren Ende si, de seer grootlic mijn vriendinne was, Onderwees mi menige warachtige leere Want siverstandel, cloec van onderwinne was, Oeck seidese, die van sulken sinne was, Hem seluen vergetende, hi scuut alle eere, Oec vermindert hi die sinne, dats so veel mere, Ende seide bi gelikenis menich scoen propoest, Dies icvan haer was blidelijc getroost Oeck houd ichem voer daldermeest, geheel onterft van sinen verstande, Ende dat sijn gesontheit isseer geureest Ouermits misbrukinge van zijn natuerlijke geest So stelt hi de godlike gracie van hande, Hi maect sijn hoep te niet met scande, Daer ons wel rehtelic( sic )na mochte verlangen, Wantse elkerlic niet waerdich istontfangen Du sieste de zuete somer gepasseert, Bomen ende aertrijc sijn wten saeysoene, Vruchten, bladeren, al ist verkeert, Oeck sijn de roken des bloems gecasseert, Hagen, velden staen sonder groene Alle ding treckt naden couden doene Snee, haghel ende ijs benemt hem alle bloysele, De welke verdrogen, sonder vochtige groeysele +bl2b1 +Des gelijcs Ist mit di seluen mede, Die der werlts hanteringe eendeels besocht hebste Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 174 Ende deerste tijt van dijnre kintshede Seer roekeloes ende sonder bescheede, dicwilen te vergeefs, oec doir gebrocht hebste En de ioecht, die dy ghebrect, daerste nae ghewrocht hebste, Dus en hebdi geen hoep om vte veruroechden, Als de bomen doen, om weder te verioechden O du siele, waerdich bouen alle creaturen, Sulstu vergeten dit veruaerlike tractaet, Twelc bitter ende bitende istalder vren? Oec moetstu de wonderlike strijt besuren Den camp te vechten, tzij vroech of laet, Tegen die dijn starcker isende menich verslaet, Accident of crancheit, later 13) di niet groot hebben, Want se elcx veel meer dan duisent ghedoot hebben Van dese twe ridderen fel moerdadich Is al dat op aerden leeft seer gevreest, Want sialle menschen sijn seer bescadich, Dien sidat leuen berouen verradich, Genoemt in antropos des doots foreest, Dair siom te campen sijn houdende meest, Want hair meninge mit striden iste bederuen Ende alle dat ye leuen ontfinc doen steruen Mijn heer Accident, die seer istontsiene, Gerieft die ionc en starc sijn nacht ende dach Mer vreselicke crancheit brenct zijn messchiene, Die niet wel moghelick en iste vlyene, Ten eynde, mit een onuersienlike slach, Elcx cracht berouende es sijn beiach Ende zijn moerdelike wercken zijn so te vruchten Als dat voir hem niement soude mogen vluchten +bl2b2 +Weetstu niet na alle saken gelegen Wat ouerdaet, den heraudt, di ouerlanc bewesen heeft, 13) Indertijd heb ikhier gelezen ‘latet’ (zie dit tijdschrift LI 195) Hoewel de afdruk niet heel duidelijk is, geloof iktoch eerder dat er‘later’ staat De betekenis van later (of latet )diniet groot hebben zal wel zijn ‘beeld jeer maar niets over in; roem er maar niet op’ Zie over deze gebrekkig vertaalde strophe verder dit tijdschrift LI 195 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 175 Die di de capittelen des camps heeft ouergedregen? Du weetste wel wat alle dese dingen wegen, Want hyse di dicwils ouer gelesen heeft Ende Accident de di besprongen mits desen heeft, Angetast sijn emprinse 14),den camp an genomen, Van dat vdeerste hemde ant lijf was gecomen Wat laetstu di duncken in deser manyeren? Bistu starcker dan sampson ye van persone was, Of meer tontsien dan hercules bestyeren, Of wijser veel dan Salomons regieren, Of scoenre dan absolon, die bouen alle scoen was, Of subtijlre dan dyomedes int bethonen was? Ende dese en hebben die slaghen, oftuus bevroetste, Net weder gestaen, daerstu tegen campen moetste De langer du leefste, mi wel versint, De meer den tijt dijns campens isnakende Du geuoelste als nv, du en biste geen kint, Hoe dijn messe int hecht te loeteren begint Ende dat siecte geluyt met clocken es makende In de stede der trompetten, die di ontwakende Vermaen doen om te wapeninge te keren Ende di tegen de dootlijke camp te verweren Als mi gepeyns dus hadde onderwesen Op tgene, dat mi nootlic was te weten, Was ichair danckende, als van desen, Seggende: na dattet zijn moet, vrouwe gepresen, Sal icmijn vermoegen doen, sonder vte vergeten Ende bin aldus op mijn pairt van oerloge geseten Met vollen wapene, minen wech verhalende Als een Ridder, die achter lande reet dwalende +bl 18?a1 15) +Dus wees simi veel sepulturen rijckelic, Diemen al wel mocht bekinnen gehele Wantse van nuwer (stoue 16) waren blijkelic, 14) emprinse Overgenomen uit het origineel, dat hier heeft: Car tuas touchie alemprise 15) Met de signatuur Dij 16) Stoue isvermoedelijk de juiste lezing Het slot van het woord isechter nauwelijks telezen, omdat over de 4e letter met inkt twee f's zijn geschreven, en boven de eeen streepje is geplaatst Zo iserdus ‘stoffen’ van gemaakt Het origineel heeft: Qui furent de noefue matiere Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 176 Van vreemden faetsoene oec ongelijckelic An de wapenen ende ander figueren vele Ende ande scriften daer ican mercte meestdele, Dat de doden, die icdaer hebbe beseeft, Meest bi minen tijden hadden geleeft Daer waren epitaphien sonder getale, Daer icom de kennisse seer na pogede, Maer daer wil icof swigen op desen male Want hier dede mi arresteren principale Versche memorie, dies icmi verhogede, Dese vrouwe hoech gepresen, die mi daer togede Van lichaem tot lichaem ginc mi openbaren Veel alle, die bi mijn leuen gestoruen waren Aldus so trat icvoer inde smede, Dair antropos meester of was, soet scheen Daer sach icden heer van sint iorijs ter stede, Die crancheit bijder kelen recht als de wrede Hadde tonder gedaen, gebroken ontween Hi was vanden meesten gehouden een Onder alle, dair hi of was gecomen, Mer cortelic gestoruen ende tlijf genomen Ic warp mijn ogen op een keiser te hant, Des machtigen conincx soen van bemen verheuen, Sigismundus geheten 17),een groot prince vailiant, Stout, coen ende een bescermer int lant Des roemschen rijcx in sinen leuen Mair crancheit, de niement ten eynde wil begeuen, Heeft hem verwonnen, geslagen dier gelike Ondancx keyser ende conincrijke +bl 18?a2 +De graue van ligni icmede daer sach Van luxenburch geheten, cloec, onuermidende, Een de vroemste daermen of maect gewach 17) Zie voor de historische personen, hier en inde vier volgende strophen genoemd, de aantekeningen van G Degroote bij Jan Pertcheval's vertaling op blz 79, 2e kol Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 177 Die wenich was mickende op accidens slach Ende oec altijt tegens hem was strijdende Maer crancheit, die sijnre waernam lidende Int parc des doots doer wraec was wachtende, Heeft hem verslegen als weinich achtende Daer lach oec een poirtgalois eerdadich, Een sconincx soen ende hertoech van coembren, vol eren, In duechden gepresen, goedertieren, genadich, Oetmoedich, wijs van seeden, gestadich, Vermaerder en lach daer van domineren Mer int middel recht van sijn regeren Accident, hem dootlic benydende slijf, Heeft hem gedoot ende genomen tlijf Onuersienlic wert icsiende metter vaert, Hoe onder een blaeuwe sarcke was geleit Lodewijc van beul, seer verde vermaert, Wel waerdich, prijselic, ia alder eren waert, Wyen accident, doende van wapen een feit, Bi ongevalle ende quader auonturen besceyt Mede heeft doen steruen niet tegenstaende Int scoenste sijns leuens tijt aengaende Twe paeusen mochtmen onder een tombe mercken Als felix ende eugenius bi zijnre siden, Die een twedracht maecten der heiliger kercken Omt paeusscap beide doende veel wercken Daer elcx zijn moge toe dede ten tijden, Dies de kercke veel iammers mits dyen most liden mer crancheit, die leuerdese teghen haren wille Der aerden, dies tende nam van haren gescille +bl32?b1 +Als icverstandenis geworden was quijte, Mijn goede raetsman vol doechden gepresen, Vant icmi beswaert tot mijnder profijte, Ouerwegende ten besten tot mijnder appetijte Tguet, dat mi hier was beiegent van desen Haestelic bin icdoen op geresen Om in scrifte te stellen, seer betroert, De waerheit van dat mi was geboert Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 178 Van welker materien tegenwoerdich bescreuen Ic gemaect hebbe dat tractaetken slicht, Het welke icsende presenteer wil geuen 18) Hem allen, die in goeder meninge leuen Niet dattet seer constelic isgedicht, Mer alleen wt herteliker liefden gesticht, Vdeylende mit rechter gonsten wat Van mijnder tresoryen ende clene scat Inde maertse mijnder gedachten clene, Int lant genoemt sich voerdi 19), Is begonnen dese questie reene God geue datse werde volbracht altene Tot profijt eens ygelicx ende oec van mi de name des boecx, als icbeuinde vrij, Om daer bi te kennen den tijtel guet Is geheten den ridder wel gemuet +bl32?b2 +Ter liefden een(s?) hertelic vrients begeert Heb icmi dit dus te dichten onderwonnen Tis wten fransoys getranslateert, Doer mi dus slechtelic gecopuleert; Ic had bat gemaect, had icgeconnen Al ist werc dus simpelic doer mi begonnen, Nemet doch danckelic, diet lessen of horen, Want wi en zijn niet alle euen constich geboren Duisent vierhondert xcij dats warachtich 20), Volende dese materie, die gi hier siet, Bi mi pieter willemsz te haerlem wonachtich; God wese der sielen claes van Ruyuen 21) gedachtich, 18) icsende presenteer wil geuen Eigenaardige vorm; blijkbaar teverklaren als: icsende ende present wil geven Vgl het oorspronkelijke: Lequel ienuoie etlepresente 19) Int lant genoemt sich voerdi Betekent vermoedelijk: Inhet land, dat zich vóór dezen genoemd heeft 20) Zie over de datering op 1492 mijn opmerkingen indit tijdschrift LI 191 21) Over de Haarlemse schout Claes van Ruyven, inMei 1492 vermoord, zie ald 190 Daaraan kan toegevoegd worden, dat het wapen der Van Ruyvens voorkomt op twee houtsneden, door de drukker Bellaert teHaarlem gebruikt Zie JW Holtrop, Monuments typographiques des PaysBas au quinzième siècle (La Haye 1868), p38 en Pl 35 (51) b3en d2en B Kruitwagen inGutenberg Festschrift 1925 (Mainz), S 364 Het iseen nader bewijs, dat het geslacht, en dan vermoedelijk deze Claes van Ruyven, een rol speelde inde ontwikkelde kringen van Haarlem Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 179 die deerlic zijn leuen hier cort na liet, Want om sinen wille isdesen arbeit geschiet; Ic bidde god dat hi doer den onnoselen doot Sijn siele logere in abrahams schoot Tis dicwils gesciet noch dagelicx wel duet, Als menich mensch doot ister gods genade, Se beclaechd men: och, twas so edelen bloet, Doechdsaem, goedertieren, milde en guet, Tis seker nader werlt te spreken grote scade Mer dese lamentacie comt altoos te spade, Want de wijl dat hi leefde en vantmen geen vreder Ende na zijn doot: och here god, hadden wien weder Hier voleynt die Camp vander doot ende isgheprent tot Leyden bi mi Ian seuersz Lof god van al 'sGravenhage, Sept 1951 ME KRONENBERG Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 180 Verbastering De verfijning van ons tegenwoordig taalwetenschappelijk onderzoek is in hoofdzaak te danken aan de studie van levende talen en dialecten Bij de concentratie op het sprankelende taal leven heeft men zich misschien niet altijd voldoende rekenschap gegeven van de logische complementen ervan: ziekte en dood Gilliéron heeft met de studie daarvan een veelbelovend begin gemaakt, maar het denkbeeld dat leven, ziekte en dood in de taal onafscheidelijk zijn verbonden kan door veel dialectologen niet worden verwerkt zonder opstandigheid Ik citeer hier de recente 1)studie over het dialect van Hindelopen door B de Boer: ‘Het dialect van Hindeloopen bevindt zich op 'togenblik helaas op de weg naar de volslagen ondergang Het verkeer nam toe, de pers, en vooral de radio hebben een vernietigende invloed op het dialect Huwelijken helpen mee om de taal te verbasteren Velen spreken een soort verhollandst of verfriest hindelopers 2),maw de juiste uitspraak is aan 'tverdwijnen’ (13) De diagnose ‘ziek, doodziek’ heeft de lezer ondertussen al kunnen stellen, maar daarbij zou hij geneigd kunnen zijn, te vergeten dat de personenzelf, die met deze ziekte heten te worstelen, zich hieronder niet ongelukkiger voelen dan de bewoners van zoveel andere gewesten met versnelde taalkundige ‘ontwikkeling’ Immers wat men als ‘ver 1) Verschenen als diss der Vrije Universiteit in1950 Het recente karakter van de uitlating was voor mij een reden om nòg eens voor het aambeeld tegaan staan, waarop iknu alsinds een kwarteeuw pleeg tehameren Ikheb echter volstrekt niet de indruk, dat het werk van De Boer op lager peil zou staan dan zoveel andere dialectgrammatica's Een woord van waardering en aanmoediging voor de wijze waarop deze Romanist zich van zijn Germanistische taak heeft gekweten mag hier niet ontbreken Het gaat hier echter niet om een persoon maar om één bepaalde, algemeen verbreide, zeer hardnekkige opvatting Een opvatting van romantische origine, die een beletsel vormt voor de objectiviteit onzer taalwaarnemingen, 2) Dat een dergelijk ‘meng’dialect geen wetenschappelijke belangstelling waard is, wordt hier (en elders) als vanzelfsprekend aangenomen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 181 bastering’ pleegt aan te duiden valt ook onder het hoofdstuk ‘ontwikkeling’ (zij het ook een ontwikkeling in een door de schrijver niet geapprecieerde richting) Het zou waarlijk gewenst zijn aan de dialectologische verhandelingen voortaan een apart hoofdstuk toe te voegen met de titel: ‘Und neues Leben blüht aus den Ruinen’ Terecht zegt De Vooys reeds in NTg 8(1914), 66: ‘Maar beide beschouwingsvormen [de dialectologische en de schrijftalige] worden eenzijdig, wanneer daardoor het bestuderen van die overgangsvormen beneden de aandacht van de taalwetenschap geacht wordt’ De Boer heeft op verdienstelijke wijze de laatste brokstukken uit het Hindeloper dialect bijeengezameld en geborgen, zoals ook de laatste Hindeloper klederdrachten in het Museum geborgen zijn Dat de taalkundige ‘westen’wind niet geheel onschuldig is aan het brokkenmaken constateert schr op een wijze die aan duidelijkheid niet te wensen laat Toch verzekert hij aan het slot van zijn boek (blz 185): ‘de invloed van het hollands op het dialect is van zeer weinig betekenis geweest’ Van tweeën één: de logica is hier zoek, ofwel schr bevestigt hier nog eens, maar met andere woorden, zijn overtuiging dat de verschijnselen die hij als assortiment uit het ‘echt Hindelooper dialect ’registreert, inderdaad zuiver op de graat en nietHollands zijn Maar anderzijds geeft schr ons toch te kennen, dat er uit de taal ,die men in werkelijkheid hoort ,ook andere assortimenten zijn samen te lezen Als men volgens blz 27 ‘geen stap kan doen of men zit midden tussen de holl en fri leenwoorden’ [men zal er de klanken wel bij mogen voegen], dan is dat een bewijs, dat de ‘taal’alsgeheel niet (meer) overeenkomt met het ideale ‘zuivere’ beeld dat De B ontwerpt Voor de oudere taal van drie generaties geleden en verder terug wil hij blijkbaar een stilstand postuleren Tegenover het panta rhei dat wij overal elders waarnemen zou men dan dus tot ±1800 een Hindeloper saevis tranquillus in undis moeten plaatsen Daarbij wordt echter over het hoofd gezien, dat de Hindelopers na de 16 de eeuw steeds sterk op Holland georiënteerd zijn geweest en dat een aanzienlijk percentage der bevolking dus tweetalig is geweest De veronderstelling dat de Holl invloed op de taal vroeger nihil zou zijn geweest is mi in strijd met alle waarnemingen op waarlijk levende Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 182 dialecten Op zijn hoogst zal men kunnen beweren, dat de invloed moeilijk aantoonbaar is3)Maar dat kan voortspruiten uit het feit, dat onze kennis omtrent de gesproken taal van vroeger nog uiterst gebrekkig is Reeds meermalen heb ik gewezen op de gevaren ener methode van onderzoek waarbij in de boekjes hoofdzakelijk wordt opgenomen al wat door ‘orde’ en ‘systeem’ wordt gekenmerkt, terwijl als waardeloos wordt ter zijde gelaten datgene wat associaties wekt aan ‘wanorde’ en ‘chaos’ Hoe kan men de formatieve krachten van een systeem ooit peilen, wanneer men de deformatieve tendenties als nietsbetekenend of zelfs ongewenst, buiten beschouwing laat? In elk taalsysteem, men moge het nu ‘plaatselijk dialect’, ‘AB’, ‘schrijftaal’ of ‘fonologische structuur’ noemen, zijn bindende èn destructieve factoren werkzaam Hoe licht kan ook een al te kwistig gebruik van metaforen leiden tot miskenning of tendentieuze vervorming van de feiten Het komt mij dan ook voor, dat men de termen: ‘verval’, ‘ontaarding’, ‘verbastering’ 3) Op bl 43 constateert schr voor het Hindeloper dialect (in tegenstelling met het Fries) ‘een sterke neiging tot het gebruik van monophtongen’, die hij voor origineel houdt Dit berust ten dele op het feit, dat De B de oorzaak van het acoustisch effect zoekt inde volgende consonant Waar Van der Kooy bv jialdschrijft, geeft De B ditzelfde woord met ɛLt weer [Lintegenstelling met de lvan faal ‘viel’] Op blz 53 geeft De B toe, dat de Llantithese volgens het hi taalbewustzijn ‘eigenlijk niet ’aanwezig is Hij meent echter ineen oude almanak een bevestiging van zijn opvatting tevinden: ‘De schrijver van de Zeemansalmanak voor 1679 begreep dit terdege, toen hij de woorden waarin pal vocaal gevolgd door Lals volgt neerschreef: eolk eolven jiold kiold heolt heolpt heolden Inaldeze woorden heeft ogeen andere waarde dan het bepalen van de qualiteit van L’Ikvestig schr's aandacht op het Onzevader ‘Frisice Hindelopensi dialecto’ [in: Oratio Dominica etc Editore Joanne Chamberlaynio, Amstelaedami 1715, blz 69] waarin men spellingen vindt als woalle ‘wil’, schiolden ‘schulden’, schioldners ‘schuldenaren’ Inhet 19 blz verder afgedrukte Molkwerumse Onzevader vindt men schjolden en schjoldners Alles wijst erdus op dat de dift van de vocaal oud is Dit strookt echter niet met De B's postulaat van een oude neiging tot monoftongen Wel met een ervaring die men op vele plaatsen kan opdoen nl dat dialectsprekers, zodra ze tweetalig worden, een neiging vertonen om hun (in de koinê niet aanwezige) stijgende diftongen te‘beschaven’ We hebben hier een van de vele gevallen waar men vreemde invloed niet bewijzen kan algeeft het (bijna) genivelleerde eindresultaat ons mi het recht om de mogelijkheid daarvan althans teoverwegen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 183 enz eigenlijk in hoofdzaak gebruikt om te kennen te geven, dat men de waargenomen gang van zaken betreurt of ongewenst acht Tegenover dit goed recht van de taalminnaar zal de objectieve waarnemer steeds weer een audi et alteram partem moeten stellen, ook in de letterlijke betekenis van dit woord Men moet dergelijke dingen kunnen zeggen zonder daarmede de schijn op zich te laden van een bevooroordeeld sympathiseren met de winnende partij Ook mij bekruipt een gevoel van weemoed als ik zie hoe de nivelleringsschaaf over zo menig lief plekje mijner jeugd is gegaan en als ik hoor hoe de dialecten die mij als kind zo welluidend in de oren klonken, aan rijkdom van kleur hebben ingeboet Een houding van opstandigheid en een neiging om dit alles, voor een ogenblik, niet te willen zien en daarvoor liever het verleden op te roepen, zij moge menselijk en psychologisch verklaarbaar zijn, wetenschappelijk gesproken is zij onverdedigbaar Wie het bestaan van ‘verbasterde’ dialecten loochent en hun zelfs het bestaansrecht wil ontzeggen 4),houdt geen rekening met het feit dat zij even normale uitvloeisels van de taalontwikkeling zijn als leven, ‘ziekte’ en dood Leiden, Sept 1951 G KLOEKE 4) Dat heeft men eeuwenlang gedaan met de ‘zuivere’ dialecten Menig rationalist zijn ze een doorn inhet oog geweest en vóór enkele romantici er zich over ontfermden, waren zij toch eigenlijk ‘lucht’ Niettemin leefden ze deeeuwendoor voort zij het ook niet zó ‘zuiver’ als menig romanticus dacht Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 184 De gm eu in het Nederlands (III) In Ts 65, 7heb ik de vraag behandeld hoe de oorspronkelijke Ingweoonse representatie van de gm eu is geweest en ik ben daarbij tot de conclusie gekomen dat deze niet heeft verschild van de Oudfriese: gm eu heeft zich gesplitst in ia en iu (later, toen de tweeklanken stijgend werden, ja en ju)al naar er in de volgende syllabe oorspronkelijk a, odan wel i,ustond Door verschillende relictvormen uit de Ingweoonse dialecten buiten Friesland is deze representatie nog aan te tonen Ik heb in het aangehaalde artikel genoemd: joe of jou ;jaar ‘uier’; joop ‘haagappel’; sjouw ‘voorwerp dat als sein dient’; sjorren ;eigennamen als Tjark, Tjabbo, Jabbrant, Jammer; tjad, tjats ‘vief, gezond’, en wellicht ook tsjoed, tjoud ‘verkeerd’; krioelen, kroelen ;en met zeer veel reserve tjoeke ‘kuiken’ Sedertdien heb ik enkele aanvullingen en verbeteringen op dit lijstje verzameld, die hier mogen volgen 1 Het pronomen joe moet, om de redenen die ik in Ts 68, 95 uiteen heb gezet, ontstaan zijn uit jô, dat in het Fries ten dele nog bewaard is Op het ogenblik dat de Nederlanden benoorden de grote rivieren gefrankiseerd werden, waren de Ingweoonse korte vocalen in open syllabe waarschijnlijk al regelmatig gerekt en aan die rekking had ook het tweede element van de tweeklank eu deelgenomen De ôvan jô kon onder dezelfde omstandigheden tot oe worden als de gm ô, die in het Ingweoons onveranderd bewaard was gebleven, en deze oe kon weer gediftongeerd worden tot ou op de wijze uiteengezet in Ts 64, 126 De Oostnederlandse vormen oe en ow kunnen onmogelijk als een regelmatige ontwikkeling van gm eu verklaard worden, daarentegen wel uit Ingweoons jô met afgevallen jVoor het Gelderse en OverijselsDrentse gebied met jloze vormen blijft mijn voorstelling van zaken in Ts 56, 250 dus in ieder geval van kracht En ik ben er bij nader inzien niet zo zeker van of ik die voorstelling voor Oostvlaanderen en Brabant in Ts 65, 9wel terecht herroepen heb Een trits oeuou komt geheel overeen met tritsen als stoeienstuwenstouwen, groeigrugrouw, kloenkluwenklouwen, die ik in Ts 64, 127 besproken heb Als we in Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 185 de laatstgenoemde gevallen van ômoeten uitgaan, zou dit eigenlijk voor oeuou ook redelijk zijn De enige reden waarom ik mijn vroegere voorstelling in Ts 65 herroepen heb, is dat ik toen een ontwikkeling van gm eu tot jô in het Brabants, dat immers Frankisch was, onmogelijk achtte Ik ben echter sedertdien de voorFrankische taallaag in de zuidelijke Nederlanden weer meer serieus gaan nemen (zie Album Grootaers 194) en zou dus nu liever de mogelijkheid openlaten dat in de oudste Zuidnederlandse taallaag toch een iô uit gm eu heeft kunnen bestaan en dat de jloze vormen ook in het zuiden een product van de frankisering kunnen zijn 2 De vorm sjouw heb ik onjuist verklaard door hem af te leiden uit een grondvorm die overeenkomt met de stam van het werkwoord zien Ik geloof nu dat Van Haeringen het bij het rechte eind heeft gehad, toen hij in zijn Supplement op FranckVan Wijk sjouw met schuw verbond Ik heb destijds naar een andere verklaring gezocht, omdat een ontwikkeling van gm sk tot sj in de Nederlandse kustdialekten mij vreemd leek Men kan sjouw echter heel goed uit *skeu afleiden, wanneer men aanneemt dat in Ingweoons *skjô of *skjoe de consonantgroep skj vereenvoudigd is tot sj Hetzelfde kan men waarnemen in Fries sjitte ,‘schieten’, uit Oudfries skjâta De vereenvoudiging is al voltrokken in de 16de eeuw, want bij Gysbert Japiks vindt men sjiette De oudste voorbeelden van sjouw (ook gespeld sjou, schouw, schiouw, siouw, tsiouw, siuw, chiuw )zijn uit het midden van de 17de eeuw De Frankische klankontwikkeling moest schuw (dat weer gediftongeerd kon worden tot schouw ) of schieuw opleveren, en in beide vormen komt het woord inderdaad voor, in zuidelijke en oostelijke dialecten, met de betekenis ‘vogelverschrikker’ of ‘waarschuwingssein’ Ook op deze wijze geëtymologiseerd blijft sjouw echter een voorbeeld van een indirect Ingweoons jôrelict Het vond dus in mijn vorig artikel, ofschoon verkeerd verklaard, toch terecht een plaats 3 Een nieuw voorbeeld van een Ingweoons jârelict is Wierings sjane, ‘grenssloot’, met Gronings tja en Oostfries tjade behorende bij Oudfries tiâ, ‘grens’ In het Tessels is dit woord min of meer gefrankiseerd tot seen, in het Terschellings tot sien Ik heb deze woorden elders uitvoeriger besproken en kan hier dus volstaan met ze te noemen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 186 4 Overweging verdient het woord kolsem Dat dit samenhangt met kiel kan nauwelijks betwijfeld worden, maar op welke wijze het ongewone vocalisme verklaard moet worden is niet duidelijk Het woord komt in min of meer aangepaste vormen in alle Germaanse talen voor, maar verreweg het vroegst in het Hollands (zie MnlW en WNT ),en de veronderstelling is dus redelijk dat het in de Nederlandse kuststreken zijn carrière als zeemanswoord begonnen is en door de andere talen aan het Ingweoonse Nederlands, ontleend is Germaans *keul zou dan in het Ingweoons *kjôl hebben opgeleverd en hieruit zou weer, met vereenvoudiging van de consonantgroep kj tot k, kool of kol zijn ontstaan 5 Een onzekerder geval lijkt mij raboorden, dat bij Hollandse schrijvers van de 17de en 18de eeuw voorkomt als een bijvorm van rietboord, ‘lisdodde’ of ‘rietspier’ Het is kennelijk een Hollands volkswoord geweest en in principe is het dus niet onmogelijk dat we hier met een Ingweoons relict te maken hebben (verg Oudfries hriad )Ook hier zou dan vereenvoudiging van de anlautende consonantengroep hebben plaatsgevonden, of althans syncopering van iin de groep riâ (verg kroelen naast krioelen )Maar raboorden kan ook best zijn ontstaan te danken hebben aan een jongere vervorming, met willekeurige substitutie van ie door aals gevolg van verzwakking van de vocaalkleur in onbetoonde syllabe 6 Bij het Zeeuwse tjoeke heb ik indertijd een vraagteken gezet, omdat bij een woord als dit gemakkelijk vervormingen in de gevoelssfeer optreden, die het etymologiseren met behulp van klankwetten tot een hachelijke zaak maken Volgens een opgave van het Dialectenbureau van de KAvW te Amsterdam die ik sedertdien ontvangen heb, komt tjoek als roepnaam van de kip voor op alle Zeeuwse eilanden en ook op GoereeOverflakkee en VoornePutten Op zichzelf behoeft dit verbreidingsgebied niet te pleiten tegen een verklaring als Ingweoons relict, maar in verband met het totale kaartbeeld wordt een dergelijke verklaring toch wel weinig waarschijnlijk Het hele noordwesten van het Nederlandse taalgebied van Maas tot Lauwers kent volgens bovengenoemde opgave kiep of een daarmee nauw verwante vorm als roepnaam, terwijl het zuiden en oosten (Zeeland, Brabant, Limburg, Ach Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 187 terhoek, het grootste deel van Overijsel, oostelijk Drente en Groningen) vormen kent die met een tbeginnen (het zuiden in 'talgemeen tiet, het oosten in 't algemeen tuut, maar de Zeeuwse eilanden tjoek, ZeeuwsVlaanderen tiek, het oosten van de Achterhoek en Twente tiek en het noorden van Groningen tuuk ) Als men dit kaartbeeld dialectgeografisch zou willen verklaren (maar ik betwijfel of dit wel kan, omdat de klank van deze woorden te sterk affectief geladen is), dan zou men kiep Ingweoons moeten noemen en de woorden die met t beginnen Frankisch Het beste lijkt het mij daarom tjoeke definitief te schrappen van de lijst der Ingweoonse relictvormen 7 Moet tjoeke vervallen, tjucht kan er waarschijnlijk bijkomen Ik heb dit laatste woord in Ts 65, 14 al wel genoemd, maar de ju erin verklaard als een brekingsproduct van i,in verband met de Noordhollandse vormen tich en ticht Het is echter even goed mogelijk om de ials een product van ju te verklaren Ik wijs op Fries jiffer, Gronings jivver, met ontwikkeling van utot ina jNaast tjucht is dus tjicht denkbaar en dit laatste kan weer gemakkelijk vereenvoudigd worden tot ticht In een andere betekenis (‘trekking, drift van het water’; zie WNT iv ticht IIen Schönfeld, Hist Gramm 49) kan ticht trouwens niet anders worden verklaard dan als een afleiding van de stam van gm *teuχan en moet men wel ‘ontronding’, op welke wijze dan ook, aannemen Er is dus geen aanleiding om ticht en tjucht, ‘teelt, kweek’, op zo'n totaal andere manier te etymologiseren 8 Ik heb op blz 12 van mijn vorig artikel Noordhollands tjad en Fries tsjoed, Gronings tjoud beide verbonden met Gotisch þiuþ, hoewel wat de betekenis betreft alleen maar het eerste erbij past Daarvoor had ik de veronderstelling nodig dat tsjoed en tjoud door afstoting van het prefix ontstaan zouden zijn uit *ontsjoed en *ontjoud, in een tijd toen on in dit woord zijn onderscheidende waarde verloren had Voor een overeenkomstige ontwikkeling verwees ik naar guur, door afstoting van het prefix ontstaan uit onguur Als andere voorbeelden zijn wellicht nog te noemen tuig, dat hetzelfde betekent als ontuig, en Duits getüm naast ungetüm, geziefer naast ungeziefer De constructie blijft niettemin gewaagd, zolang het bestaan van Ingweoons *untjôd niet is aangetoond Djakarta, April 1951 K HEEROMA Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 188 Het blank heelal van Albert Verwey en zijn polaire bouw Er zijn dichters die niet slechts bij hun leven maar nog vele jaren daarna tot de omstreden figuren blijven behoren Ook dan wanneer in de meeste gevallen de hartstochten der partijschap tot rust plegen te komen, woedt de strijd om hun betekenis, zij 'tin andere vorm, met onverminderde felheid voort; zodat het zou kunnen schijnen alsof er omtrent hen geen communis opinio kon ontstaan Zulk een dichter is ongetwijfeld Albert Verwey Het zal nog wel jaren, misschien generaties lang duren voor de heftige schommelingen van het kritisch oordeel over zijn poëzie tot bedaren komen, en tot zolang is elke poging om een persoonlijk oordeel als definitief voor te stellen een aanmatiging Niet aan oordeelvellingen is er behoefte, maar aan studies waarin lezers die zich met toewijding en onbevooroordeeld in zijn poëzie hebben verdiept het daardoor verworven inzicht aan anderen meedelen Wie het inzicht helpt verhelderen, laat het oordeel gerust aan lateren over Dichters worden meestal het eerst door een geestverwant dichter begrepen, en Verwey vormt hierop geen uitzondering De dichter PN van Eyck heeft meer dan eens 1)in een gedegen tijdschriftartikel het wezen en de idee van Verwey's poëzie gepeild en uiteengezet op een wijze, die in dat bestek nauwelijks te evenaren is Voor wie lezen kan, is daarin omtrent idee en bouw van dit dichtwerk in beginsel alles gezegd Wij missen echter een werk van langere adem, waarin op grote schaal een bevredigend beeld van het werk in zijn geheel wordt ontworpen 2)Maar het is de vraag of dit bij de tegenwoordige stand 1) Zie vooral De Gids 88 (1924), I,blz 102128; Idee en Wil, tafelrede over Albert Verwey, uitg bij AAM Stols 1940; De Stem, XVII (1937), blz 704724 2) Eerst na de voltooiing van deze studie was ikinde gelegenheid IP de Vooys' Bij het lezen van Albert Verwey's gedichten teleren kennen en waarderen De schrijver verklaart echter (blz 169) dat hij niet beoogde ‘de gehele Verwey tebeschrijven en tekenmerken’ Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 189 van ons inzicht in Verwey's dichtwerk wel te schrijven is Wie zonder voorstudies van anderen zich ineens zet tot het ontwerpen van een in détails uitgewerkt totaal beeld, vermeet zich iets wat vermoedelijk pas aan de grootsten van latere geslachten gelukken zal Vandaar dat zulke pogingen, hoe verdienstelijk ook, telkens in één of meer belangrijke opzichten hebben gefaald Alle onderzoekers hebben terecht ingezien dat idee en vorm bij Verwey onverbrekelijk verbonden zijn, en dat geen inzicht waarde kan hebben, dat ons niet van beide rekenschap geeft Bij het kiezen van een uitgangspunt voor hun onderzoek moesten zij echter een keus doen en het werk naderen hetzij van de ideële, of van de formele kant Dr JJ Gielen 3)deed het eerste, en wist door van Spinoza uit te gaan veel van Verwey's denkbeelden te verhelderen Ook omtrent het metrisch karakter van de reeksen en bundels bevat zijn boek waardevolle gegevens, maar toch is hij er niet in geslaagd de ‘innere Form’ van het werk als geheel aan te tonen Vestdijk 4)sloeg een andere weg in Hij nam een aantal reeksen onder de loupe en ging met volhardende speurzin aan het werk om door meedogenloze ontleding van de afzonderlijke gedichten, gevolgd door methodische vergelijking en contrastering, tot een ‘exacte’ interpretatie op te klimmen Maar het bezwaar van zijn scherpzinnige, soms al te vernuftige methode is dat hij nog afgezien van een afwijzend vóóroordeel dat de petitio principii niet altijd wist te vermijden uitsluitend van het gedicht uitging, en de uitingen van de criticus Verwey zozeer wantrouwde, dat hij verzuimde de dichter, behalve zelfstandig, ook onder leiding van de denker Verwey te lezen Toch is dit mi de enige weg waarlangs wij zowel onkritische verheerlijking als hypercritische argwaan kunnen vermijden Het is de verdienste van IP de Vooys 5),hiermee reeds vroeg een begin te hebben gemaakt CA Zaalberg isonlangs met zijn artikel over Het lachende Raadsel 6)op die weg voortgegaan Deze studie beoogt het 3) De dichter Verwey (CA Mees, Santpoort 1946) 4) Albert Verwey en de Idee (AAM Stols, Rijswijk 1939) 5) InDe Kroniek, 15 en 22 April 1905; De Beweging October 1908, blz 113 en Maart 1912, blz 95 Later herdrukt als Inhet midden van Verwey's dichterschap (CA Mees, Santpoort 1944) 6) NTg XLII (1949), blz 174187 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 190 zelfde doel Uitgaande van een door jarenlang lezen verworven vertrouwdheid met het werk van Verwey heb ik getracht mij deze intuïtieve kennis aan één bundel bewust te maken, en daardoor naar ik hoop iets nader te komen tot een bewust inzicht in het dichtwerk als organisch geheel Wie de idee van Verwey wil naderen, kan evenmin ongestraft Van Eyck voorbijgaan, als de speurder naar zijn structuur Vestdijk ongelezen mag laten Wie Van Eyck heeft begrepen, weet voorgoed dat deze poëzie in haar diepste wezen een beleven is van de verhouding tussen dichter en Verborgene, op oneindig verschillende wijzen ervaren Van Vestdijk's resultaten blijft mi de vruchtbaarste conclusie deze, dat men zich van de gecompliceerde verhouding tussen de componenten van een reeks alleen op betrouwbare wijze rekenschap kan geven door middel van de intern antithetische methode, want ‘ieder gedicht is de resultante van twee contrasterende of tegenstrijdige bestanddelen of krachten’ 7)Hij poneert dit weliswaar als methode ter ontleding van samenhangende reeksen gedichten in het algemeen, maar bewijst daarna met overvloedige voorbeelden dat deze stelling op de reeksen van Verwey bij uitstek van toepassing is Deze beide uitspraken nu belichten respectievelijk het ideële en het formele aspect van de door Verwey herhaaldelijk uitgesproken waarheid, dat hij Zelf en Wereld beleefde als eindeloos wisselende en toch zich eeuwig gelijkblijvende tegenstrijdigheid onverenigbaar voor het denken, en toch telkens weer door de verbeelding ervaren als eenheid Heel het opstel Dichterschap en werkelijkheid 8), geschreven in 1909, toen Het Blank Heelal zijn voltooiing naderde, is een helder logische uitwerking van dit door ondervinding verworven besef ‘Dat zij tegenstrijdig zijn, dat zij het moeten zijn, begrijpt hij wel, maar ook dat zij bijeen hooren, dat de eene zonder de andere niet denkbaar is Niet denkbaar tevens een denken dat deze tegenstrijdigheid niet in zich heeft Gelooft hij aan een Eenheid? Ja, want telkens ziet hij dat zijn eigen leven deze tweeheid als eenheid voelt, als eenheid schept, en indien, evenals dat geschapene, zijn leven zelf de vergankelijkheid in 7) Vestdijk, op cit blz 148 8) Proza IV, blz 219228 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 191 zich draagt, hij zou het toch geen leven noemen als het niet tenminste deel had aan een bestaan dat het leven voor wezen heeft Achter zijn leven dus, maar waar het zijne op onbegrijpelijke wijs mee samenvalt ondenkbaar, en toch bestaande meer dan al wat kan gedacht worden erkent hij een Leven, eenheid van al het geschapene’ 9) Zelf en Leven zijn dus wel tegenstellingen, maar in wezen aspecten van één mysterie ziedaar de oorsprong van Verwey's dichten en denken Maar wat is dit besef anders dan wat Goethe, die het zo sterk in zichzelf beleefde, het beginsel der polariteit genoemd heeft? Zie zijn korte schets over de polariteit 10):‘Was in die Erscheinung tritt, muss sich trennen, um nur zu erscheinen Das Getrennte sucht sich wieder, und es kann sich wieder finden und vereinigen: im niederm Sinne, indem es sich nur mit seinem Entgegengestellten vermischt, mit demselben zusammentritt, wobei die Erscheinung Null oder wenigstens gleichgültig wird Die Vereinigung kann aber auch im höhern Sinne geschehen, indem das Getrennte sich zuerst steigert, und durch die Verbindung der gesteigerten Seiten ein Drittes, Neues, Höheres, Unerwartetes hervorbringt’ 11) Als men deze twee passages naast elkaar legt, ziet men dat beiden de polariteit van al wat leeft bedoelen, al denkt Goethe aan de natuur 12),Verwey aan de dichter, maar de wijze waarop ze die voelen en uitdrukken is zo totaal verschillend, dat hier van rechtstreekse invloed geen sprake kan zijn Het is dan ook uitgesloten, dat de polaire structuur van Verwey's geest door de ‘opvoeding’, waarover hij in zijn Herdenkingsrede Uiting en Vorming 13) spreekt, ontstaan zou zijn al kan en zal hij zich door Goethe hiervan bewust zijn geworden 9) Ibid, blz 2223 10) Werke (Weimar 1893) IIe Abth 11 Band, S 164166 11) Zie verder EA Boucke, Goethes Weltanschauung auf historischer Grundlage, p197, 256 en passim, en LA Willoughby, Unity and Continuity inGoethe, (Oxford 1947), p27 12) Maar niet aan de natuur alleen Want indezelfde schets noteert hij als eerste voorbeeld van ‘Dualität der Erscheinung als Gegensatz’: ‘Wir und die Gegenstände’, en als vijfde en zesde: ‘Geist und Materie’, ‘Gott und die Welt’ 13) Uitgesproken 15 Maart 1932 Gedrukt inAd Interim, VI, no 6(Juli 1949), blz 179189 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 192 Integendeel, juist omdat de polariteit hem ingeboren was, is Goethe's invloed op hem zo vruchtbaar, en zo bijkans onnaspeurlijk gebleken 14)Heeft men dit eenmaal ingezien, dan voelt men voortdurend hoezeer de poëzie van Verwey, zowel het gedicht als de groep, de bundel, de trits, de belichaming is van de eenheid, die als strijdende of minnende tweeheid verschijnt Maar dan weet men ook, dat wij in het beginsel der polariteit het instrument bezitten dat ons in staat stelt om, in de geest van de dichter en dus van binnen uit, gedichten en bundels zo te ontleden, dat onze analyse ten slotte tot een, nu bewuste, synthese kan leiden 15) In schoonheid Uiteraard zijn de polaire tegenstellingen die Het Blank Heelal beheersen ook degene die den dichter het eerst bewust werden toen hij zich in het gelijktijdige opstel Dichterschap en Werkelijkheid van de aard van zijn dichten rekenschap gaf Hij vertelt ons daar, zoals we zagen, hoe de jonge dichter, eerst zich bewust geworden van de tegenstelling Zelf en Wereld, daarna ervaart dat die twee één zijn, en dus de tegenstelling niet meer als een vijandige verhouding, maar als een van mikrokosmos tot makrokosmos leert zien; en hoe hij dan, als gerijpt dichter, zich tot de werkelijkheid wendt, wetend dat hij in zichzelf een mysterieuse schat bezit, die hij aan de wereld zou willen geven, maar die zij niet kent Daarmee is de grondconceptie van de eerste reeks, In Schoonheid, gegeven Ze wordt zichtbaar in een twaalftal beelden die associatief aan elkaar verwant en dus organisch verbonden zijn Ze belichamen een 14) Voor deze kwestie verwijs iknaar mijn Goethe and Holland, inPublications ofthe English Goethe Society, XVIII (1949), pp 117148 15) Dit opstel was reeds persklaar, toen mij door Mevr M NijlandVerwey welwillend inzage werd gegeven van Verwey's destijds onuitgegeven lezing ‘Mijn dichterlijk levensbedrijf’ (1925), die sedertdien inDe Nieuwe Taalgids isverschenen Tot mijn verrassing vond ikdaar mijn opvatting gestaafd door de dichter zelf Naar aanleiding van de bundels Uit de lage landen bij de zee, Het Blank Heelal en Het Levensfeest spreekt hij daar over: ‘De ervaring, de ontdekking zei ikhaast, dat ikaltijd (cursivering van de dichter )inmijn werk een polariteit tot uiting gebracht had’ Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 193 geleidelijk zich toespitsend conflict tussen de polair tegenovergestelden, dichter en wereld, of liever: eigen wereld en werkelijkheid De eerste is het ‘blank heelal’, een ‘weke wereld’, welks wazige gestalten, vrij van de scherpe omtrekken der werkelijkheid, verschijnen in zachte glans De dichter moet in de werkelijkheid terugkeren, maar hij brengt zijn licht en stilte mee De ‘twee werelden’ zijn immers één welks geaardheid afhangt van de beschouwer (I) ‘De zeeman op zijn eiland’ herinnert hem aan zijn vriend 16) die op school naast hem zat, en nu op 'teiland Ambon begraven ligt Toen dichtte hij reeds in een eigen wereld, een gesloten tuin, een paradijs (II) Tussen tuin en wereld was toen een grens Die is er ook nu nog, maar doorzichtig Als een duiker onder glazen klok leeft de dichter in de wereld met haar wonderen en verschrikkingen, en toch veilig in eigen sfeer een andere belichting van het contrast, die ver vooruit wijst (naar De Gestalten van mijn Levenstijd, De Koning, De Wever )(III) De dichter, duiker in het onbewuste van zijn nog ongeboren werk, wordt zich bewust van een verwant contrast: zijn eenzaamheid te midden van de mensenmaatschappij, wier vreemdheid hij als vijandig begint te voelen Maar zijn ziel is als een kiemend zaad in de diepte, dat eens een groene plant zal worden, en allen verkoelen en verheugen ‘En dat is mijn wraak’ Dit nog bevreemdende woord kondigt de groeiende afweer aan (IV) In Vis de tegenstelling een strijd geworden Nog leeft de dichterdroom onderaards, maar hij werkt, ruist en borrelt als bronwater dat zich een uitweg zoekt Eens zal het opspuiten, de dorstende mensheid zal ernaar boren, zich eraan laven, zijn droomschittering indrinken, en dan zal in de strijd tussen Droom en Tijd, tussen dichter en werkelijkheid, de dichter overwinnen Maar hij, die koning, zegevierend in zijn blijdschap, weet naast zich zijn weemoed als koningin Van scheppingsvreugde is de weemoed onafscheidelijk Zij was er al toen hij droomde in zijn tuin, zij groeide met hem toen de tuin een huis, een wereld werd Nu opende zij het 16) Willem van Hell, genoemd inInMemoriam WFvH Jr, (Aarde )Zie M Uijldert, De jeugd van een dichter Uit het leven van Albert Verwey (CV Allert de Lange, Amsterdam 1948), blz 5355 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 194 luik de afzondering werd verbroken en de dichter boog zich schreiend neer voor Haar Hiermee zijn een aantal nieuwe (polaire) motieven in het volle licht gekomen: Vreugde en weemoed (zie Lente, De Terrassen van Meudon );deemoed en trots (Nachtgezang XVI, De Wijnberg ,Godenschemering (passim)) kleuren nu het beeld van de verhouding tussen Droom en Wereld Tevens is dit het eerste van die gedichten waarin de groei van de dichterdroom wordt nagegaan: De Gestalten van mijn Levenstijd, Een Nieuwe Peis, De Wijnberg (VI) De dichter blijft in zijn vensterrijk huis en overziet de landen onder stromende regen Hooft's Nederlandsche Historien 17),die hij las op regendagen, verenigen zich in zijn verbeelding met het landschap tot een grijs tafreel, verlicht door rode brandstapels, waarover ten slotte de zon van OudHolland stralend verrijst De eigen droom ontmoet die vorige droom, geschapen door ‘de Prins die in zijn zaak een volk verbeeldde’ en ‘De bent van Kunstnaars die in 'tdroombeeld deelde’ 18) waardoor OudHolland groot was Maar de dichter erkent dat de nieuwe droom van zijn Holland nog niet verrezen is (VII) In VIII spreekt de dichter, nu beeldloos en op de man af Het is een oorlogsverklaring aan de wereld, die hij haat, en die hem haat Hoe ziet hij de tegenstelling? ‘Uw kronkels zijn van brein en ingewand Het doembaar teken en gij dient die twee’ En: ‘Ik ben een zoon Van Nacht die voortbrengt en haar kroost niet kent, Van Gloed die aanblaast en niet weet waarheen’ De wereld dient het verstand en het vlees; de dichter de verbeelding Want de verbeelding als vermogen, die het wezen van de dichter is, ontstaat uit de vereniging van het onbewuste, ongevormde leven waarin elk wezen begint, en de lichte gloeiende Geest, die ‘waait met de winden’ Vandaar dat de haat van de dichter zich richt, niet tegen het ook door hem in zijn beperkte functie erkende verstand, maar tegen de wereld die dit berekenende verstand uitsluitend dient De dichter klaagt de wereld aan Hij spreekt nu niet langer als 17) De woorden: ‘en die geest van dichter greep en groef inwoorden tot een grijs geheel’, zijn een aanwijzing voor de goede verstaander 18) De Gestalten van mijn Levenstijd, IV (Oorspr Dichtwerk, I,568) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 195 enkeling maar als de verpersoonlijkte dichtkunst, de Prins van Zang Zij, de wereld had de zingende knaap willen dwingen een dweper te worden, als hij hem niet gered had, hij die alleen het leven levenswaard maakt Nu staat dus de dichter tegenover de wereld als zanger tegenover dweper, als maatvolle schepper van schoonheid tegenover onschone maatloze hartstocht Een nieuw contrast, dat vooruitwijst naar de verwante tegenstelling tussen het Apollinisch en het Dionysisch beginsel (De Gestalten van mijn Levenstijd, IV 19) (IX) Voor de derde maal verheft de dichter zich, nu in zijn volle trots, tegenover de wereld, die hij ditmaal ziet als de snoeiende tuinman, de maker van wetten, dogma's en voorschriften, als het alles bedillende en bedwingende verstand Maar hij is het groeiende leven zelf, hij leeft en zal nog leven in alle twijgen, als het tyrannieke verstand zijn tijd gehad heeft Dan zal uit dat leven een nieuwe wereld naar zijn beeld gegroeid zijn (X) Hij leeft in de volgroeide wereld van zijn kunst, een kathedraal waarin zalig orgelspel klinkt het beeld zal tweemaal in De Gestalten van mijn Levenstijd op beslissende momenten terugkeren en daar weet hij niet van de wereld, evenmin als deze weet van zijn ‘kerk’ De scheiding en de wederzijdse afwijzing van dichter en wereld schijnt volledig (XI) Maar in XII wordt een mogelijke verzoening in uitzicht gesteld Opnieuw afgedaald in het onderzeese duister van de onbewuste conceptie, vindt de dichter daar zijn edelsteen, de diep verborgen droom die de gloed van hogere zonnen, het licht waaraan de wereld haar licht ontlenen moet, bewaart Zelf arm en ellendig, brengt hij aan de wereld juwelen die iets van de gloed van die ene steen afstralen De Droom, hoewel door de wereld versmaad, geeft zich aan diezelfde wereld waarvan de dichter weet dat ze daarbuiten niet leven kan Want de Droom is eeuwig, de Wereld gaat voorbij (X) Hiermee heeft de dichter een loutering ondergaan: eerst van de wereld gescheiden, daarna in uitdagende trots eraan vijandig, is hij tenslotte, als schamele dienaar van de Droom, tot die hem versmadende wereld teruggekeerd Zo is dus dit slotgedicht van In Schoonheid de voorbereiding tot het Nachtgezang 19) Oorspr Dichtwerk, I,blz 569570 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 196 Dichters nachtgezang Deze reeks van 21 nachtliederen met een Avond en Morgen als voor en naspel, mist geheel de zelfbewustheid en strijdvaardigheid van de eerste reeks Het is een zang van overgave, vrede en aanhankelijkheid Toch ontbreekt hier evenmin de wisselwerking tussen twee polair tegengestelde krachten, maar deze zoeken en beminnen elkaar Weer kan men dit verhelderen met het slot van de reeds aangehaalde passage uit Dichterschap en Werkelijkheid :‘Achter zijn leven dus, maar waar het zijne op onbegrijpelijke wijs mee saamvalt, ondenkbaar, en toch bestaande meer dan al wat kan gedacht worden erkent hij (de dichter) een Leven, eenheid van al het geschapene’ Avond is een stemmingsgedicht De avondsfeer, de schemerige stilte van de stad en het kabbelende grachtwater brengen de dichter in een stemming waar hij zich bereidwillig aan overgeeft Maar hij weet dat dit een voorbereiding is, een ontvankelijk worden voor de gedachten, die de zang hem zal openbaren Het rijm ingezet door ‘luistert’, dat drie van de strofen verbindt, is drager van die avondvrede, van luisterende duisternis, waarin het ruisende water zich aldoor horen laat Tevens drukt het de onderlinge versmelting uit van de polair tegengestelde krachten die elkaar zoeken: het donkere water en de heldere avond, de dromen der paren en de stralende sterren Alles verdroomt in een schemering die de strijdende tegengestelden verzoent, een stille helderheid Uit die helderheid, die klaarheid rijst nu het eerste nachtlied Verlicht als eens Bunyan's Pelgrim voelt de dichter, hoe zich nu, in deze heldere sfeer, liederen uit de warreling van nog onvolgroeide en reeds voltooide zangen losmaken De boomstam, moegestreden, duikt in de diepe donkere aarde, wordt daar kool en onder zware druk diamant, een bron van licht Zo ontstaat licht uit diepte en duisternis, het licht der schoonheid kan alleen uit lijden ontstaan, wanneer dit lijden tot blijdschap gelouterd is Met deze hier voor 'teerst aangeslagen en opgeloste dissonant: leed en vreugde, het zwarte leed dat tot vreugde verhelderd, straalt in diamanten schoonheid, is een geheel andere sfeer ingegaan Dat juist dit beeld het keert weer in Een Nieuwe Peis Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 197 hier verschijnt, is veelbetekenend Aan het slot van zijn XIXe Kroniek naar aanleiding van Verwey's Verzamelde Gedichten (1889) schreef Kloos: ‘Verwey's lyrische kunst is net als een vlam geweest, die begon al spelend, en om zich sloeg en opsloeg, hooger en hooger, tot een zee van vuur, maar toen weêr ineenslonk, bleeker en bleeker, tot er niets van overbleef dan de donkere kool Als hij die nu maar lang genoeg in het donker verborgen laat liggen en rijpen tot echten diamant! Was niet Milton vijftig jaar toen hij Paradise Lost begon, na twintig jaren zwijgens?’ Het zou niet vreemd zijn, als deze krenkende woorden zich zo diep in de ziel van de dichter hadden gebrand, dat ze voorgoed een symbool van het lijden voor hem werden Evenmin, dat dit symbool, eenmaal opgeroepen, hem het beeld voor ogen bracht van de ‘Man van Smarte met de doornenkroon’ (Van de Liefde die Vriendschap heet, VIII) Doch ook Hij is symbool geworden, weliswaar voor de dichter evenzeer van persoonlijke als van religieuse betekenis, maar hier slechts beeld van het licht der schoonheid dat uit lijden straalt, dat beeld waarvan de dichter nu bij ervaring weet dat er geen heelal is ook niet dit Blank Heelal, waarin Hij niet woont (II) Maar dit beeld wil door zien beleefd, niet verstandelijk begrepen worden Daarom richt de dichter, wanhopend aan de ‘zienderogen blinden’ wie hij zijn woord misgunt, zijn lied tot de ‘zielsbeminde’ wier hart erdoor bekoord wordt (III) Zoals de visser uit de 1001 nacht werpt hij zijn net uit, niet wetend of er ‘lust of dood in leit’ Want de zang is primair, al zingende vormen zich de gedachten die de zanger verheugen of verschrikken, maar zeker verrassen zullen (IV) Van dezelfde deemoedige ontvankelijkheid spreekt het Ve lied, dat er nu de dichtertrots van vroeger tegenover stelt de overheersende stemming van In Schoonheid, die, hier teruggedrongen, zich later weer zal doen gelden Nu voelt hij zich een nederig werktuig van een hogere macht, een blad, dat licht uit te wissen ‘tekens van eens grootren droom’ in het zand schrijft VI is een innig lied van geloof, een bijna gefluisterde zang zonder zichtbare gestalten, en dus een echt nachtlied, een nocturne, waarin de gepeinzen zich in de blindheid van de duisternis vrij bewegen op het rhythme van het lied Al zingend vindt de dichter het mysterie, Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 198 dat hem verrast, want het is nog niet uitgesproken Na lijden en schoonheid openbaart zich nu de liefde Weer bewegen de gedachten zich tussen twee polen: de liefde voor vormen van leven, die het vergankelijke individuële bemint, en de liefde als kracht die, in alle wezens werkend, hun beperkte liefde te boven gaat, en toch erin woont, het eeuwige liefdesverlangen in de vergankelijke liefde zelf, dezelfde en toch meer dan dezelfde Dit mysterie bepaalt de strofevorm van het lied, dat berust op het beginsel van de bijnaherhaling De liefdesmelodie van de eerste strofe keert na een overgang in de tweede terug, met rijmen die aanvankelijk afwisselend eender en anders zijn tot in het laatste kwatrijn zelfs de rijm woorden samenvallen Daardoor verkrijgt het aardse verlangen een eerst nog gesluierde, dan heldere, vaste straling, die aan alles en allen een bovenaardse glans verleent Hier is Verwey dicht genaderd tot de volledige versmelting der beide polen in een hogere eenheid die bij Goethe ‘Steigerung’ heet ‘De Idee zonder hart aanschouwd blijft gestalteloos’ (Proza III p 15), daarom kan ze nooit geheel in een abstracte formule gevat worden; alleen door het bijna zwijgen van deze fluisterzang komt ze tot leven Maar ook blijkt hier, hoezeer Verwey juist als hij het meest zichzelf is, het dichtst tot Goethe nadert Want deze verklaarde eens 20):‘ wenn auch die Natur gegen den Menschen im Vorteil steht und ihm manches zu verheimlichen scheint, so steht er wieder gegen sie im Vorteil, dass er, wenn auch nicht durch sie durch, doch über sie hinaus denken kann Wir sind aber schon weit genug gegen sie vorgedrungen, wenn wir zu den Urphänomenen gelangen, welche wir in ihrer unerforschlichen Herrlichkeit von Angesicht zu Angesicht anschauen und uns sodann wieder rückwärts in die Welt der Erscheinungen wenden, wo das in seiner Einfalt Unbegreifliche sich in tausend und abertausend mannigfaltigen Erscheinungen bei aller Veränderlichkeit unveränderlich offenbart’ Het gevoel van wachten op de gedachten die het lied de dichter openbaren zal, is in de liederen VII tot XX een bewust besef van 20) Slot van het opstel Karl Wilhelm Rose (Werke, Berlin, Gustav Hempel, 33ster Theil, S 3778) (geschreven in1820) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 199 afhankelijkheid, sterker, van aanhankelijkheid aan een hogere macht geworden, tot wie hij zich nu in een persoonlijke verhouding gaat voelen De verwonderde beschouwing van het lied ‘Liefde is meer dan alle dingen’ doet hem het denkbeeld van meesterschap afwijzen: alleen Wie hem ‘'t levend leen van 'thart Verheergewaadde’ kon die tonen zó binden tot een harten verenende zang (VII) Een aantal van de volgende liederen zijn weer elkanders tegenpolen, aspecten van één waarheid Er is een verborgen licht, dat aan het gedicht een glans verleent (IX); maar de liederen bewegen zich ook met de zichtbare zon (X) Daartussen zweeft het onuitgesproken besef, dat veel later woorden vond in De Boodschap (Het Lachende Raadsel, p 43), waar de schim van George tot zijn vriend zegt: ‘ge zocht altijd met het natuurlijk Het geestlijk licht, en de gestalte alleen Weifelend tussen beide’ Dit wordt verbeeld in De Spiegel Er ontspint zich nu in de volgende liederen (XIIXX) een vrome overpeinzing, die herhaaldelijk zelfs de vorm van het gebed aanneemt: Van dat ikaanhef tot ikeindig Schouw ikuw licht, mijn Lief Van dat ikaanhef tot ikeindig Dit gebed richt zich tot een Wezen dat gestalteloos blijft Maar in het volgende lied (XIII) roept de melodie bij deze sterk visueel aangelegde dichter toch weer een gestalte op: Gelijk een kind gezeten Aan vaders knie Hoor ikgefluisterd weten: Zinrijke melodie En ikantwoord: Wat iser, vader? Maar zie dan wel Dat noch blauwe ader In blankend vel, Noch bruine haren Noch lichtblauw oog Mij openbaren Wie mij bewoog Toch zag 'kzo was 'teen gestalte Dicht neven mij, Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 200 En niets dan deze smalte Tot den muur, bleef vrij Hij weet wel dat er niemand was, en toch zag hij een gestalte zijn eigen vader? 21) met bruine haren en lichtblauw oog Is er dan geen verband met het vorige gedicht? Zeer zeker, maar XII en XIII zijn opnieuw elkaars tegenpolen, in dezelfde zin als IX en X: het Eeuwige Lief en de eigen vader zijn het gestalteloos en het gestaltelijk aspect van de Macht die, hoewel eeuwig, zich openbaart in de tijd Dit is het mysterie dat de dichter later verwoordde in de verzen 22): Staat gij niet achter menslijke aangezichten, Mijn lieve meester, als een nieuw gelaat Dat heenschijnt door het oude? Het is de aanhef van het gedicht Mijn Meester, waarin hij bekende: Ik kan niet anders doen dan beeld van tijden Bootsen of gij dat waart Ik kan niet anders dan udromen, Uw afglans zien op aard, En zeggen: zie, mijn meester isgekomen, Hij ismijn droom, hij heeft zich geopenbaard Maar hier, in Nachtgezang XIII heeft niet een menslijk aangezicht ‘het Wezen’ ‘droomgelijk’ opgeroepen, doch dit Wezen neemt een gedroomde gestalte aan Na deze inkeer ziet de dichter naar buiten in de nacht, en verliest zich zó in de beschouwing van de sterrenhemel, dat hij zich mee voelt drijven met de stroom van de melkweg Voor één zalig ogenblik voelt hij zich vereenzelvigd met zijn droom: het Heelal als lichaam van het AlLeven Maar de slinger der verbeelding beweegt zich terug, en de conceptie slaat om in haar tegenpool, het besef van gescheidenheid en ongelijkheid, en tevens van de onmogelijkheid het Wezen te aanschouwen: oMijn Beeld dat heldre Schaduw Lichtbron en Geboorte zijt, 21) Twijfelachtig, daar de vader zeer blond was (Mededeling van Mevr M NijlandVerwey) 22) Goden en Grenzen (Oorspronkelijk Dichtwerk, II,103) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 201 Door den melkweg, door den ether Straalt Ge Uw tegenwoordigheid En ikben een klein, een duister Wezen, duikende aan Uw hand, En vergeefs zoek ikme ontsteken Aan Uw onuitblusbren brand De terugslag is tweeledig: hij voelt zich niet meer één met de droom, doch aanschouwt hem in het besef van eigen kleinheid en hij aanschouwt hem als beeld Want het zichtbare Heelal, die lichtbron en steeds voortgaande geboorte, is ondanks zijn stralende helderheid toch slechts een afschaduwing van het onzienlijke Wezen Dit besef, dat het gedicht beeld, spiegeling van het wezen is, keert verderop in de bundel, maar daar zonder het gevoel van tekortschieten, weer (De Spiegel )Het besef van eigen kleinheid echter is de eerste aanduiding van de alle tegenstellingen omvattende polaire antithese die Godenschemering, en daarmee Het Blank Heelal besluit De laatste tekent zich reeds iets scherper af in het volgende lied, no XVI Alle mensen gevoelen beurtelings Trots die het leed niet wil, Leed dat tot deemoed stemt, tot zij, getemd door het Leven, hun gebondenheid aan de hoogste macht beseffen XVII, het pendant van XVI (‘Overal heb ik gevonden U, U en nogmaals U’ tegenover ‘Men kan langs de aarde gaan En U verliezen’) verenigt (onbewust) de stellingen van Spinoza 23): ‘Deus est res cogitans’; ‘Deus est res extensa’, tot een hogere eenheid In de woorden: ‘Gij die de aanschouwde Gedachte zijt’ ligt immers opgesloten: Alleen de als beeld geziene gedachte kan ons het Wezen openbaren Het XVIIIe lied (het dichterwoord is een zucht die een gelijkgezinde ziel een weerzucht ontlokt) vormt dan de inleiding tot het gedichtenpaar, (XIXXX) dat de klaarste straling, en het eigenlijke 23) Ethica, Pars II,Prop Ien II Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 202 slot van het Nachtgezang vormt Tevens is het de verbeelding van de in VI beeldloos gezongen belijdenis: Liefde iswat in al 'tgeziene De ene drift iswaar 'tdoor drijft, Liefde isachter al 'tmisschiene De een figuur die feilloos blijft XIX en XX verhouden zich tot elkaar als zien en schouwen, als inzicht en inspiratie In het XIXe Lied ziet de dichter om zich heen, als ziel in gemeenschap met vele zielen, en in het heldere licht van de eeuwige Zon leren die zielen eerst elkaar, en daardoor de éne AlZiel begrijpen: beeld van de paradox: a) de ingeboren eeuwige liefde doet ons elkander liefhebben; en b) onze onderlinge liefde toont ons het wezen van de eeuwige liefde Maar dan ziet hij op tot die stralende zon zelf: Men kan in 'tvele 'tEne vinden Zo wij 'tzien als ziende blinden, Blinden door één Licht geblind; Want in d'énen Schijn verwinden Stralen die we in dingen minden Zich, wen 'toog die blindheid bindt En nu is de wereld herschapen Niet langer stijgt hij van het vele op tot het Ene, maar de verblindende glans van het Ene deelt zich aan het vele mee, een glans die in de doorzingende ĭen ēklanken in en buiten het rijm het hele gedicht doorstraalt Thans, nu uit het schijnsel van het lijden en het sterrenlicht van het heelal de zon van de alomvattende liefde is opgegaan, breekt de dag aan en de cirkel sluit zich met de terugkeer tot de wereld van de ontwakende stad In Morgen, het pendant van Avond, keren de motieven van de aanvang: de sterren, het water, daar ‘duister vonkend’ hier ‘glimmend’ terug, en tevens trilt nog even het hoofdmotief na: Lief, die liefste in 'tlief gelaat kijkt: Droom van minne en mijmering Dan verstuift alles in de luide, wemelende morgen En geen woord, geen beeld, geen naam Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 203 Lente Hoe verschillend de reeksen In Schoonheid en Dichters Nachtgezang ook zijn, toch hebben ze één element gemeen, dat van de inkeer In beide wendt de dichter zich af van de zichtbare werkelijkheid, en verdiept zich, eerst in gepeinzen die zich verdichten tot beelden, daarna in liederen die hem gedachten openbaren In Lente gaat hij uit, nog niet tot de mensenwereld, maar tot de natuur, de voorjaarsschoonheid, belichaamd in de ‘reinteedre maagd’ die hem in Ibekoort en ontglipt, in IIde volheid der liefde schenkt Men heeft dit gedicht ook anders opgevat IP de Vooys verdedigde in De Beweging 24) de opvatting, dat hier twee gestalten verschijnen: in Ide ‘reinteedre maagd’, het beeld ‘van de lenteheerlijkheid die de schoonheid aan den scheppenden kunstenaar voortoovert’; in II‘het beeld van de liefhebbende vrouw’, en hij ziet in die tegenstelling de strijd tussen het streven naar schoonheid en het zoeken van de zielegenegenheid Deze opvatting vindt geen steun in de aanhef van II, die eer een voortzetting schijnt: Hoe weeft zich om 'tgeboomt dat jonge loof Nu rusten onder 'tglazen dak wij beiden Dat de vrouwefiguur in IIinderdaad dezelfde gestalte, de als bekoorlijke vrouw geziene Lente is, blijkt uit de terugblik in Zielsdrang 25) (het zevende gedicht van de reeks Late Lente in Goden en Grenzen ),die ongetwijfeld op het vroegere Lente doelt, en het als een tweeledige eenheid beschouwt Hoe heb ikvroeger niet geschreid Als ikde voorjaarsfee ontmoette Haar jonkheid en verganklijkheid Bewogen 'twoord waar ikmeê groette Maar toch rees in mijn hart de kreet: Hoè broos en teer, gij kunt niet sterven: Het iseen schijn als wij uderven: Gij zijt! is'tzeekre dat ikweet 24) In1941 herdrukt met 2andere opstellen als Inhet midden van Verwey's dichterschap Zie blz 5051 aldaar 25) Oorspronkelijk Dichtwerk, II,blz 119 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 204 Het is duidelijk dat de eerste 4verzen op Lente I,vs 48 op Lente IIbetrekking hebben, en dat de ‘voorjaarsfee’, dezelfde als de ‘reinteedre maagd in 'tijl prieel geboren’, in Ials vergankelijk, in IIals onsterfelijk wordt gezien In Lente Iis ze de lenteschoonheid, die liefde wekt en de dichter verlokt haar te volgen Maar als hij haar zoeken gaat, verdwijnt ze, en er lacht iets spottends in de luchten, de tantaliserende spot van het voorjaar, dat ons zo snel ontglipt De dichter spoedt haar na, maar hij vindt haar niet Zal ze eenmaal, na herfst en ondergang weerkeren? Of blijft hij onverzadigd achter op het herfststrand van 'tleven tot Charon hem komt halen, en voert naar 'tland waar alle geluk in zwijgen eindigt? Dan volgen de moeilijk verstaanbare verzen: Ik ging om u Ik heb uniet gevonden Ik vind utoch Om uwerd ikgezonden Ook deze worden mi verhelderd door een gedicht uit Late Lente, nl Heimwee 26) Daar lezen wij deze verzen: Aldoor verder reikte ons doelen, Nochtans hopen wij van 'teind Jeugd die dan niet meer verdwijnt Anders isons schreien niet Dan de zielsverrukte blik, Die met plotselinge schrik Als hij om zich lente ziet, Daarin de innerlijke erkent Die zich nooit heeft afgewend Van het hopen zich te vinden, Zich van de omgroei los te winden Waar de wereld voor een tijd Haar mee bond tot sterflijkheid Hier moeten wij voorzichtig zijn, want deze verzen uiten een verder voortgeschreden stadium van de sublimering van het lenteverlangen Toch is die sublimering ook in het vroegere Lente al aanwezig De vraag: ‘keert ge dan weer?’ komt voort uit de nog zo jeugdige hunkering naar 'thervinden van de jeugdlente in het leven, zij 't misschien 26) Oorspronkelijk Dichtwerk, II,blz 113 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 205 als laatste vervulling vóór het sterven Maar uit de overtuigde klank van het slotvers spreekt iets anders: het bewustzijn dat de ‘innerlijke lente’ in de dichter leeft, dat ze zijn roeping is In het later geschreven Heimwee is de vervulling van het verlangen een droombeeld geworden Hier, in Lente II, wordt ze verwezenlijkt Maar juist die verwezenlijking doet de dichter haast sterven van doodsangst voor het verwelken van de immers vergankelijke lenteschoonheid der jeugd Doch zie, haar gelaat blinkt rustig, haar licht omstraalt hem Ze wordt de schoonheid van de aarde zelf, zó schoon dat de dichter zijn ogen bedekt: haar aanblik zou hem te machtig zijn, zijn gevoel zou hem overweldigen Hij kan alleen biddend zijn liefde belijden: Gij hebt mij lief Gij zijt Gij zijt altijd Ik sterf getroost, mijn lief, mijn eeuwigheid De klank van deze verzen herinnert onweerstaanbaar aan het vers uit Cor Cordium : Wij leven en vergaan, gij zijt altijd Dezelfde extatische herhaling van de ijei klank, hier nog langer aangehouden, verklankt een even vast geloof in de eeuwigheid, nu niet van de onzienlijke ziel, maar van de vergankelijke schoonheid die de verschijningsvorm van de eeuwige is Hiermee raken wij aan de antinomie waarop de polaire tegenstelling in Lente berust, en die in Dichterschap en Werkelijkheid aldus geformuleerd is: ‘De verbeelding van het leven als eeuwig en noodzakelijk valt saam met het feit van de vergankelijkheid’ Het verband tussen beide wordt in ditzelfde opstel ‘volstrekt onzegbaar’ genoemd; een wonder, dat alleen door de verbeelding kan worden geopenbaard: Hoewel gedragen door sterfelijke lichamen, is de lenteschoonheid eeuwig, en de liefde voor die schijnbaar vergankelijke schoonheid is een eeuwige liefde De trits In Schoonheid Nachtgezang Lente is in evenwicht In het eerste staat de dichter tegenover de wereld, in het tweede tegenover de eeuwigheid, in het derde tegenover de vergankelijke lenteschoonheid Tegenover de wereld vertegenwoordigt hij het tijdeloze, tegenover de eeuwigheid het voorbijgaande In Schoonheid ver Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 206 beeldt hem als machtig schepper, het Nachtgezang als deemoedig instrument In Lente is hij beide: de schepper van een eeuwige droom, die de vergankelijke lente beklaagt, en de sterfelijke mens die haar, zijn tijdeloze geliefde, bemint Maar in het slotakkoord overwint die deemoedige liefde Zo wordt de tegenstelling tussen de beide eerste reeksen in Lente opgeheven in een beide omvattende hogere eenheid De gestalten van mijn levenstijd Tot dusver is de dichter op een afstand van wereld en tijd gebleven Tussen hem en de wereld bleef een doorzichtige grens, hij woonde in zijn ‘blank heelal’, luisterend naar zijn gedachten; slechts tot de natuur ging hij uit Maar hij wenst telkens ook tot de mensen te gaan: zowel In Schoonheid als Dichters Nachtgezang eindigden met een eerste schrede om de mensenwereld te naderen, en het gevoel van pijn, de afwerende houding te overwinnen De dichter wil uit zijn afzondering naar buiten treden 27)Maar er blijft een schrijnend besef, dat de wereld bedrieglijk is Daarom kan noch wil hij zich geheel in die wereld storten Neen, er is maar één schoonheid waarop te bouwen is: ‘'t eenge waar 'k voor leefde en 'teenge dat Van al wat schijnt op aard, mij nooit bedroog’ 28)Dat zijn de gestalten, die de in het leven ontmoete mensen in zijn geest hebben aangenomen Die heeft hij lief, met hen leeft hij in gemeenschap, en het verlangen naar gemeenschap met de mensenwereld wordt nu verwezenlijkt doordat die schonere mensengestalten, zijn zonen, van hem uitgaan tot de mensenwereld, voortaan vrij van hem Want de eens verworven deemoed blijft: de dichter is slechts een instrument door welks ‘straal van zang’ een hogere macht, een HerderKoning uit de wolk van vage gedaanten een volk van gestalten formeert 27) Verg het interview met D'Oliveira inDe Mannen van Tachtig aan het woord, blz 5960: ‘Na die periode (van Aarde tot en met De Kristaltwijg )voelde ik, dat er zoowel buiten als inmijzelf een andere wind waaide Ikkwam uit mijn afzondering tevoorschijn, ikvoelde behoefte, om de wereld om mij heen op zekere wijze samen tevatten, teuiten wat ikover de wereld dacht’ 28) Verg ErasmusHolbein Gij leeft door hem en hij door u: één lijst Omraamt ubeide: een schoonheid die niet loog Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 207 De Gestalten van mijn Levenstijd is inderdaad een zang met lange strofen, van een telkens wisselende bouw die bij ontleding in nauw verband blijkt te staan met de inhoud In verscheidene vertellende passages heerst het gepaard rijm; in de ontmoeting van de dichter met de ‘schone vrouw’ in IV rijmen de regels om de andere, zodat het gedicht, evenals die beiden, al omziende voortgaat; en de gedeelten waarin de ‘droom’ heerst, zijn geschreven in een strofe met zo hecht geschakeld rijmschema, dat een gelijkblijvende spanning tientallen verzen lang gehandhaafd wordt In veel opzichten is de poëzie van Verwey altijd een dichten over het wezen van de dichtkunst zelf Maar van dit gedicht geldt dit wel bij uitstek Blijkbaar had in dit stadium het dilemma van deze dichter, door zijn aard tot inkeer voorbestemd en tegelijk hunkerend naar gemeenschap, zozeer de overhand gekregen dat het de polaire tegenstelling van dit centrale gedicht ging vormen En de spil welke dichter en gemeenschap tegelijk scheidt en verbindt, is de zang Is die zang van één of van velen? De vraag is nauwelijks bewust geworden of zij beantwoordt zichzelf: Dit isvan elk goed vers de wondre deugd Dat het van een en toch van velen is Dat is waar, niet alleen van het volkslied (Herder's Stimmen der Völker ),maar ook van de kunstpoëzie, van: al wat vrij Zich bindt aan 'tene opdat het meerder leev', Zich geeft aan 'tene opdat het eigner zij, Zijn juubling neerbuigt in den schonen toon Men hoort de geestdrift waarmee hier in paradox na paradox een eenzame de gemeenschap vindt, door niet de velen te zoeken, maar het ene dat hun allen gemeen is Na de zang, het licht Bij het orgelspel zàg de jonge dichter zijn ziel ‘nu samenzinken, een ontloken genster, Met het groot vuur dat door de ruiten scheen: De Zon van de aarde en van alle eeuwigheên’ De wisselwerking tussen vonk en zon keert in Cirkelloop terug, een duidelijk blijk van het feit dat de eenheidondanksgescheidenheid van Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 208 mensengeest en heelalgeest door deze dichter reeds in zijn prille jeugd gevoeld is De eerste mensengestalte, die van de vader, is in deze bundel van grote betekenis Wat de dichter in hem prijst, herinnert ons aan twee motieven uit het Nachtgezang (II, VI) Hij was mijn Mens: hij had die eedle lijn Van leven die naar andren heenbeweegt Gelijk een lichtstreep En hij zag in hem ‘de schoonheid van het lijden door daagse schoonheid heen’ Twee hoofdmotieven: de schoonheid van het lijden, en de liefde tot anderen, worden hier implicite verbonden aan de gestalte van de Mens, de Man van Smarten, die de dichter meer dan eens verscheen in de gestalte van een beminde en bewonderde mens, en die in Pasen nogmaals na zijn opstanding verschijnt Daardoor is dit gedicht hecht verbonden aan Dichters Nachtgezang (I, II, XIII) Met het dichterschap, de zang, ontwaakt de Droom, en daarmee het bewustzijn dat leven en droom elkaars tegenpolen zijn Maar tegelijk beleeft de jonge dichter hun eenheid, want 'twas Een droom die 'tleven van den dromer vormt Naar zich, zodat het eensvooral zijn aard Verandert om voortaan die droom te zijn een voorbeeld van de waarheid dat aan een dichter in zijn jeugd wordt geopenbaard wat hij later met moeite herwinnen moet Het was een dichterschap, niet ter ere van de Kruisgod (veelzeggende ontkenning!), maar van de aardse schoonheid Maar terzelfdertijd begon de vriendschap met de bleke jonkman, die het lijden van het ontberende mensenhart zong Daarmee verschijnt de reeds in het Nachtgezang aanwezige polariteit tussen lijden en schoonheid, nu belichaamd in twee dichtergestalten ‘Hoe zingt uw stem onmenslijk, hoog en koud’ Zei hij, die mij den zang had doen verstaan, Mijn bleke en donkre jonkman, ‘is het niet Of ge uvoor 'tEeuwge Lijden zo maar houdt?’ 29) 29) Vergel W Kloos, Nieuwere Literatuurgeschiedenis, II,blz 134: ‘Maar dit schoone was een schoon, geheel en algescheiden van de werkelijke wereld, van mensensmart en vreugd 't Was een heerlijk feest voor oogen en ooren, maar 'thart liet het koud De tijd kwam voor den dichter, dat zijn menschelijkheid ontwaakte en bij het zien van een groot leed, door een ander geleden, uitbrak ineen bui van hartstochtelijk gebed’ (Deze verwijzing dank ikaan Mr PK King, BA) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 209 De poging om de strijd tussen beide beginselen te beslechten door de schoonheid, die zich eerst tegenover het Eeuwige Lijden in haar onmenselijke koude hoogheid handhaafde, tot troost in lijden te maken, mislukte, want de Vriend bleek ontroostbaar ‘En 'ttroostend keren stokte me in de stem’ (het slot van Demeter, de troostende terugkeer van Persephone tot haar moeder werd nooit gedicht) En aan ‘de stroom des doods’ (Persephone III) kwam het tot de onverzoenlijke tegenstelling tussen het lijden dat de dood zocht, en de wil om het Leven te dienen Het eerste dichterschap was een dichterschap van het Gevoel geweest: ‘ieder voelt iets, alles voel ik’ Anders verscheen het tweede De dichter vond de ‘schone vrouw’ die hij niet meer wilde verliezen ‘voor heel mijn aarde, nu zij heenging, blind’ Zij leerde hem vrijheid, fierheid, kracht ook wel zachtheid, maar geen wekelijk gevoel De droom week tijdelijk voor een nederige zang ‘van de aardedingen’ En, voor 't eerst leerde hij, de ‘eertijds blinde Voor 'teigne’, naast de vele vreemde volken ook 'teigen volk kennen, in zijn groot verleden, toen het droombeeld van Holland, dat de Prins en de dichters schiepen, aan zijn werkelijkheid wijding gaf De vriendschap met Stefan George gaf de dichter steun In zoveel opzichten waren ze elkaars tegengestelde: de gesloten aristocraat (‘Hij was zichzelf zozeer dat hij een ander Niet toe kon laten in zijn diepst verkeer’) en de ‘vriend’, die met al 'taardse gemeenzaam omging; en toch verenigde hen het streven om al wat in hen leefde ‘aan vorm te binden’: Ik bond al 'taardse dat mij dwars bewoog In tonen, lijnen, vormen en het zweven Van aardloos licht voor 'tingetogen oog Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 210 Wat hem ‘dwars bewoog’, wat van buiten op hem af gekomen, tegen de draad van zijn droom inging, gaf hij vorm, èn bestraalde het met 'tbovenaardse licht van zijn inkeer 30)Hier beweegt zich al onder de oppervlakte het conflict dat aan den dag treedt in de passage die aanheft met: Er isin liefde een dubble heerschappij; De ene die 'tschone beeld rein wil bewaren, De andre die wenst dat langer iknoch gij Bestaat tussen de beiden, maar één paren Hen worden doet in 'tkind, van uèn mij De strijd tussen die twee nam hier menselijke vorm aan Maar het hiermee samenhangende gedicht Sterren IV in Het Brandende Braambos 31) bewijst dat de dichter zelf in dit conflict een vorm herkende van de eeuwigdurende worsteling tussen het Apollinisch beginsel, de liefde voor het schone beeld, en de vormverbrekende begeerte, het Dionysisch verlangen om onder te gaan in het Andere: (Zie Oorspr Dichtwerk I,3245) ‘Wat rijst en vorm wenst en, den God ontvloden Die 'tduistre en 'tdringen van den most begeert, D'Apollo zoekt wiens lier als uit de doden Orfeus Euridice wekt en den reidans leert, Dat vindt me In Het Blank Heelal blijft deze polaire tegenstelling meestal verborgen, (zie echter Ares en Afrodite )al hoort men de herinnering eraan ook in De Wijnberg Pas veel later zou ze een gewichtige functie verkrijgen in het geheel op de universele polariteit gebouwde gedicht De Drievuldige Vorm (Goden en Grenzen, Oorspr Dichtwerk, II, blz 100) Evenals daar, overwint ook hier de vormdrift het vormhatend verlangen 30) Dit wijst vooruit, naar De Spiegel van Dood en Leven, speciaal naar het gedicht De Spiegel 31) Vergelijk de verzen: ‘Zij brandde niet: er was niets stillers en niets dovers Dan de kool van haar witte lichaam in dat vurig riet’ met: ‘En haar gelaat was blank gelijk een kool Ik voelde alsof om ons de vlammen sloegen’ (Oorspronkelijk Dichtwerk, I,324, en I,571) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 211 In de slotzang keert de grondtegenstelling van De Gestalten van mijn Levenstijd terug De dichter leert door het meeleven met de Boerenoorlog ‘Eenzaam is geen, al schijnt het ook een tijd’ Maar tevens hoort hij met verwondering de onvoorname, oneigene klank van de zang die uit dat gevoel van gemeenschap ontstond Op dit moment ontmoette hij een vriend die zijn verkrankten zin Zette op zichzelf en in lege eigenmin Zich afvroeg waartoe toch het leven dient Met andre mensen Is ijdele eenzelvigheid en eigenzin, zo vroeg deze, niet beter dan ‘den gemenen zang Te stemmen in het woelig volksgedrang, Den waan te dempen met een gulden reden?’ Hier wordt ons duidelijk, waarom het dilemma: eenzelvigheid of gemeenschap, de centrale plaats in dit centrale gedicht inneemt Het lot van deze vriend, ‘G(erlof) van V(loten) gestorven 20 Maart 1903’ 32) had de dichter het beeld van de fatale verdorring die elke vrijwillig eenzame bedreigt, zo diep ingebrand, dat hij het jaren lang met zich omdroeg Het beheerst de bundel Uit de Lage Landen bij de Zee De eenzelvige is ‘De Dode’ 33),wiens handen het leven niet grepen ‘In zijn eenzaamheid dort hij eer Hij zijn noodlot kan verstaan’ Het is dan ook zeker geen toeval dat Verwey in of vóór 1909 Shelley's Alastor or the Spirit of Solitude 34) vertaalde, naar aanleiding waarvan Shelley in zijn voorrede verklaarde: ‘They who keep aloof from sympathies with their kind, rejoicing neither in human joy nor mourning with human grief; these, and such as they, have their apportioned curse They languish, because none feel with them their common nature They are morally dead’ Immers, in het aan de ver 32) Oorspr Dichtwerk, I,blz 518 33) Oorspr Dichtwerk, I,blz 499 34) Deze vingerwijzing dank ikaan Dr JW Weevers teAmersfoort Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 212 taling 35) toegevoegde Naschrift lezen wij: ‘Zoals wel verteld wordt van drenkelingen dat zij, op het oogenblik van zich te voelen ondergaan, in één enkele gedachte zich van hun heele bestaan bewust worden, zoo zag hij zijn levensloop als een eenheid, en dus als meer dan die op éénig vroeger tijdstip voor den levende had kunnen zijn Hij zag zich zoals een doode zich zou zien: een volledig leven, als zoodanig hem van alle leven een zinnebeeld, en als zijn eigen leven van al zulke zinnebeelden het helderste’ Wanneer we nu bedenken, dat Verwey elders, in Mijn Verhouding tot Stefan George 36),De Gestalten van mijn Levenstijd zag als een uiting ‘van dat vermogen in één lange streep een heel leven verlicht te zien’, dan rijst de vraag of Alastor niet ook op de vorm van dit gedicht een zekere invloed kan hebben gehad Te bewijzen is dit vermoedelijk niet, maar de mogelijkheid bestaat Wat Verwey zegt omtrent de stijl van Alastor :‘Because in Alastor movement is the prime principle of imaginative expression, the poem lives by the concatenation of its parts, more than by the parts themselves’ 37) is zeker ook op zijn eigen ‘Gestalten’ van toepassing Even hartstochtelijk als die van Shelley, is zijn besliste afwijzing van de eenzelvigheid in de woorden: Ik wist dat dit de dood was De toon verheft zich nu tot een dichterlijke belijdenis in slag op slag met sublieme bondigheid geformuleerde paradoxen Leven voelde ik, iséén ding: medeleven En toch er vrij van zijn, De dichter moet met de mensheid meeleven en toch boven haar staan 38),hij moet lijden en strijden, het verwarde, wisselvallige leven in eigen geest tot schoonheid herscheppen, om zo ‘De eeuwigheid zelf te zijn in de aardse dagen’ 35) Voor 'teerst uitgegeven inDe Beweging, 1909, Dl III, blz 6385, inherziene vorm inEnglish Studies 1922 36) P 55 37) English Studies, Shelley Centenary Number (1922), p152 38) Cf InSchoonheid; De koning; De Wever Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 213 Daarmee is de tegenstelling: enkeling tegenover wereld, overgegaan tot de grondvorm die ze moet aannemen wanneer die enkeling als Dichter tegenover de Tijd komt te staan Dezelfde dichter, die in Lente tegenover de tijdeloze schoonheid der natuur zijn sterfelijkheid beleed, vertegenwoordigt hier in het dagelijks leven de eeuwigheid Pasen Pasen is van deze in leed en strijd verworven waarheid de apotheose in het beeld van Hem, die uit het hellevuur van het lijden herrezen, op aarde de hemelse vreugde van de schoonheid belichaamt Hij doet juist dit ene: ‘medeleven, en toch vrij er van zijn’, hij beleeft Een dag van de aarde, Maar zó geheven Boven het aardgedoe, Dat alle wandlaars En lange slierten Van wielen berijdende Knapen in gele Kurassen van de trompetbloem Hem schenen gezien als uit hogen hemel hij is ‘de eeuwigheid zelf in de aardse dagen’ De gedurige, nu heftige dan lichte schommelingen tussen de polen van het dichterschap zijn tot rust gekomen in één tijdeloos ogenblik van zalig zwevende vrede In den spiegel van dood en leven Na al de stromende of heftig bewogen, dynamische gedichten is dit een statische groep van beelden, stil en streng Ook de vorm is streng: twee gedichten bestaande uit drie en vier kwatrijnen gevolgd door een sonnet, en besloten door een gedicht in terzinen Het is een stil, ernstig spel waarin dood en leven, liefde en lust op wonderlijke wijze wisselen en van plaats verwisselen De Terrassen van Meudon :De levensvreugde en de naïeve zinnenliefde gaan snel voorbij: leven is sterven, alleen de dode dingen blijven ‘leven’ In weemoedige stemming ziet de dichter het onbewuste blije Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 214 spel van jonge liefde te midden van sombere dode schoonheid Hij, de levende dichter, ziet het natuurlijke leven als vergankelijk Emmausganger 39):De liefde die bewust haar volle bloei heeft gekend, wordt gestalte in het liefhebbende paar, ofschoon de ene vriend is gestorven Dat is de dood die ten leven leidt De nog voortlevende vriend beleeft de dode als levend, en beeldt beiden samen in zijn werk: zichzelf als de zijnde, zijn vriend niet als de gestorvene maar als de toekomende In Aan 'tvenster spreekt een dichter uit het verre verleden, zó, dat zijn woorden een schilderij vormen Hij ziet met één blik het stromende, stralende, voorbijgaande zinnenleven en de kale, onschone maar vaste dood De blauwe kleur van het verre landschap wordt, nu de zon rijst, lichter èn valer; nog zoeter en teerder speelt de fluit van de weemoed om de schoonheid die vliedt De tonen van deze drie gedichten blijven zweven als een onopgeloste drieklank In het eerste een schoon heden dat verleden moet worden, in het derde het verleden dat, door een dichter verbeeld, zich als heden ziet; in het tweede zijn verleden en toekomst opgeheven in een tijdeloze staat Heden, verleden en toekomst worden daar door liefhebbend schouwen als een eeuwig zijn beleefd Daar, en niet in Aan 'tVenster klinkt de grondtoon, een toon, niet van zinnenliefde en dood, noch van zinnenschoonheid en vergankelijkheid, maar van geestelijke liefde en duurzame schoonheid, liefde die schone gestalte wordt Want daar heerst noch de dood als het levenloze, noch het leven als het vergankelijke, maar dood en leven zijn er opgeheven in een hogere eenheid: een tijdeloos leven in de liefde De tyrannie van de tijd is overwonnen: de kunst heeft de liefde in een eeuwig beeld zichtbaar gemaakt De drieklank vindt zijn oplossing in het vierde gedicht De Spiegel Want dit is een wonderspiegel De weerkaatste mens zegt: Ben ik dat wel? Ik herken mezelf wel enigszins, maar ik ben er toch niet helemaal Hoe kan dat? Omdat de dichter hem ‘kaatst en uitwist’ in de glans 39) Uit Mijn verhouding tot Stefan George, blz 5253 blijkt dat dit gedicht aan George gericht was, als antwoord op zijn Maximinboek en met toespeling op Die Verkennung, (Der Siebente Ring, p101) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 215 van het licht Licht alleen is gestalteloos, de gestalten van hen die voor 's dichters spiegel komen, drukken hun beeld af in de spiegel, maar het wordt opgenomen in ‘het zweven Van aardloos licht voor 'tingetogen oog’, zoals het heet in De Gestalten van mijn Levenstijd Al wat niet tot het wezen behoort, wordt ‘uitgewist in glans’ Deze groep ademt wel een zekere vrede, maar het is de vrede van de berustende weemoed, niet van de vreugde Het gedicht is immers een zweven tussen wezen en verschijning, het bemiddelt tussen het eeuwige licht en de vergankelijke wereld, maar het kan hun tegenstrijdigheid niet opheffen in een hogere eenheid, alleen tijdelijk verzoenen in het spiegelbeeld Idyllen Zulke spiegelingen van aards leven, van mensen, planten en dingen in het zachte heldere dichterlicht zijn de twaalf Idyllen Ze zijn vrij van strijd en hartstocht, ‘stil en grijs’ Maar ze missen de strenge eenvormigheid van de vorige groep; deze serene rust sluit het losse en speelse niet uit De toon is licht, lenig en ontspannen De polaire spanningen zijn wel niet opgeheven, maar ze veroorzaken slechts lichte schommelingen om het gemeenschappelijk middelpunt Enkele Idyllen zijn spiegelbeelden van andere, verwante of bevriende mensen In Haar Leven heeft de dichter zich in het lot van een vrouw ingeleefd die door een geliefde man verlaten werd, en zonder 'tgedroomde kind alleen achterbleef Hij spreekt haar toe, vragend of dit haar leven was Trachtte ze zich met schoonheid te troosten en te verweren tegen een altijd dreigend gevaar? Loochende zij de strijd tussen verdriet en hoop in haar hart? Haar leven werd leegte, en verlangen naar gemeenzaamheid, en ze vond slechts één toevlucht: haar klavier, een rots in de dreigende zee van de weemoed De toon is ongewoon week en vrouwelijk van timbre Het Tinnen Bord, voor Floris Verster, is als een ontroerd spreken over dit schilderij, maar het spreken bleek poëzie Het is direct, opdenmanaf, sober en sierloos, maar rhythmisch zó gespannen, dat de woorden met dwingende kracht het stilleven voor ons oproepen Het gedicht Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 216 is nauw verwant aan De Spiegel: de dichter herkent in de schilder een geestverwant, die evenals hij ‘uit licht strenge gestalten schept’ De overige idyllen van de reeks zijn, misschien met uitzondering van het landschapsbeeld Op de Hil, en van het afzonderlijk staande Een nieuwe Peis, beelden met een duidelijke symbolische functie: ze belichamen aspecten van het dichterschap De gedachten van de dichter zijn een ‘warme, zachte (golf)stroom ’: Hij vaart door zilte zeeën wier onstuimig Water zijn randen sprenkelt met een schuimig Gevlaag van vlokken; speels en ijdel trachten Hèm uit zijn baan te dringen die de machten Van aarde en hemel voor zich won: Zwaarte en de zon ’ Een plastische evocatie van het denken van de dichter, dat, gericht door de elementaire krachten van natuur en geest, zich niet uit zijn koers laat dringen door storende invloeden om zich heen, maar, zich vormend uit de gistende gevoelens in het onderbewuste (strofe 2) dwars door de sferen van werk en wereld zich naar de serene rust van de tijdeloosheid beweegt Hij is De Koning, die wonend in zijn ‘hoge en klare zale’ heerst over zijn 'tzij slapende of muitende en twistende gevoelens, welke nooit zijn vredebovenstrijd mogen verstoren: De Wever van tapijten, die leeft naar de spreuken: ‘medeleven, en toch er vrij van zijn’; ‘de eeuwigheid zelf te zijn in de aardse dagen’ Want hij is ‘een hemelse beramer van aardse zorgen’ Zijn bestaan is zowel ‘eenzaam’ als ‘gemeenzaam’ met alle menselijke vreugden en smarten; maar leed en blijheid, afzondering en gemeenschap zijn in zijn tapijten verweven tot de serene rust van het ‘stil schouwen’ De Crocus, door IP de Vooys 40) zo mooi gekarakteriseerd als een beeld van ‘de geslotenheid van het dichterbestaan in doorzichtige begrenzing’, is als zodanig nauw verwant aan het beeld van de dichter als de duiker die in zijn duikerklok tegelijk de diepe zee ziet en er veilig voor is Maar in de laatste strofe: 40) Inhet midden van Verwey's dichterschap, blz 57 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 217 Zijn lied ontluikt in 'twoord Dat houdt zijn ziel omsloten Zijn zang door 'tlicht omvloten Sterft als het oor hem hoort belichaamt bovendien het weemoedig besef, dat het gedicht, hoezeer ook potentieel altijd weer levensvatbaar, slechts waarlijk leeft in de korte spanne tijds van zijn ontstaan, en wanneer het in de verbeelding van de hoorder herschapen wordt De Vlieger stijgt veilig op, gedragen door de wind en weerhouden door de lijn weer een symbool van de ook in De Golfstroom belichaamde waarheid: Want wij maken ons leven niet naar onze aandrift, Maar in bond met de machten die ons weerhouden (De Wimpel, in Het Lachende Raadsel 41)) Een Nieuwe Peis staat in deze reeks apart, maar is nauw verbonden met De Gestalten IV (Oorspr Dw I,blz 569 vs 3133) en met De Spiegel Het wordt geen beeld, het is alleen zwevend, gestalteloos licht: Het middaglicht dat stil en grijs Zeeft door een overdekte lucht Als zodanig vertegenwoordigt het, hoewel naar zijn inhoud een verhaal van de ontwikkeling van de dichter, naar zijn stemming en klank dat tijdeloos zweven tussen de tegengestelde polen, waaraan geest en materie zo gelijkelijk deel hebben, dat de vormen van de wereld vernevelen in het licht Gelijk een tijdlijke eeuwigheid Die stond en stroomde en duurde en viel, Een schaduw aan een stroom gevlijd Wie die ze werpt? wie lijfenziel? Dit is het volstrekt onuitsprekelijke mysterie dat zelfs niet in een beeld, alleen in paradoxen als deze geuit kan worden Verening Al deze Idyllen, hoe sereen ook, ademen de weemoed van het besef, 41) Oorspronkelijk Dichtwerk, II,446 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 218 slechts spiegeling, bemiddelend zweven tussen onverenigbare wezens en krachten te zijn Wat dus ondanks betrekkelijke vrede blijft is het verlangen naar vereniging Vandaar de titel van deze vóórlaatste reeks van de bundel Immers in het kunstwerk zijn schrijver en schilder (ErasmusHolbein), dichter en vriend (Verwey en George), dichter en lezers van alle tijden (Het Standbeeld )voorgoed verenigd Maar het besef van hun onloochenbare verschillen leeft ook daarin Erasmus' trekken tonen ook op Holbein's portret de door de schilder meegevoelde pijn van de verfijnde intellectueel die ‘enkel niet Een grove pijnlijke aard zocht tot (zijn) deel’ George en Verwey zullen in het gedicht ‘saamzijn langer dan een dag;’ maar dat hier op een blijvende band gedoeld werd, blijkt uit het gedicht, en wordt bevestigd door Verwey's mededeeling in Mijn Verhouding tot Stefan George 42)Daaruit weten wij ook, dat het geschreven werd toen beiden zich hoe langer hoe sterker bewust werden van hun verschillen Juist daarom wordt hier zo sterk alles naar voren gebracht wat hen verenigde De ontwikkeling van de vriendschap wordt met liefde herdacht, in 'tgrote en in 'tkleine De dichter bewondert George's grootsheid van blik en conceptie, zijn streven naar het hoogste wordt gesymboliseerd door een opvlucht ten hemel zoals men die vindt in het TeppichVorspiel no XIX 43) Die unerreichte flur scheint ihr 44) gewonnen Sie überfliegt die klüfte mit dem aar Sie schaltet mit der kleinen sterne schaar Und stürzt entgegen väterlichen sonnen en ook de donderende brekers van de zee van zijn toorn; maar toch hoort men in de verzen: De zee ruist rustig en ikweet dat machten Zon, maan, planeten die haar vlak bewegen 'tOok houden in haar bedding, dat geen stijgen Anders dan ijlen in een ander wezen 42) Blz 55 43) Der Teppich des Lebens und die Lieder von Traum und Tod, p32 (Gesamtausgabe letzter Hand, V, p30) 44) Dwz de dichterziel Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 219 Haar waatren mooglijk is, zo ook van ons De drang naar grootheid: als een fijne glans Stijge in ons leven wat als storm niet stijgt de, door ‘ons’ verhulde, kritiek op de George eigen schommelingen tussen aanvaardende zang en verwerpende toorn, die Verwey na diens dood het Zeegezang 45) ingaf: Uw zacht gezang, het kwam zo vaak Wanneer uw storm zich had gelegd Wat ikals doelloos schomlen laak Was uw geluk en mij ontzegd? En evenzeer wijzen op een hier verhulde tegenstelling de met de polariteit van deze hele bundel vervlochten woorden omtrent het daaglijks leven, ‘Dat uen mij draagt en in schoon verband Met ons alle andren’ Het gaat hier immers om de polaire verhouding tussen droom en wereld, die bij George zoveel strakker gespannen was dan bij Verwey, maar die toch ook aan In Schoonheid de toon van ‘toorn’ verleent Beiden kenden dus die toorn, maar Verwey wist zich desondanks met de wereld verbonden, terwijl George haar hartstochtelijk bestreed Dit diepgaande verschil is hier onuitgesproken, toch voelbaar aanwezig De Wijnberg is het hartstochtelijkste en schrijnendste gedicht van Het Blank Heelal Nergens is het gevoel zo wrang, de spanning tussen de allerscherpst gescheiden polen van leven en dichterschap zo ondraaglijk strak als hier De dichter van 't ‘vergaan geluk’ droeg een dorentak, de zoeker naar gemeenschap voelde zich ‘eenzaam staan Als een van god en mens verlaatne’ De gelukkige bezitter van een bloeiende tuin werd de onerkende koning van een rijk, voor wie ieder huiverde Toen ging ikheen Ik at mijn bitterheid Alleen en liep met blij gelaat en luchten schred Deemoedig, langs de beken, als een lam, Tot vóór mijn Berg Mijn tuin was open, bloeide, Ik vond genoten Zelf niet begrijpend hoe, heeft de dichter de grond van ‘zijn angst 45) No 1van de reeks ‘Liederen van laatste verstaan’ inHet lachende Raadsel (Oorspr Dichtwerk, II,478) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 220 en nood, Zijn storm en hartdoordringende gevoel’ gevonden in de hoogmoed van zijn onerkende koningsdroom, en intuïtief de deemoed van het offer gekozen Nu hij zijn trots heeft ten offer gebracht, herleeft hij, en vindt in het besef, waarlijk te leven, de eenheid met het Leven zelf De reeks vertoont een stijgende intensiteit De twee naar vereniging strevende krachten worden steeds meer omvattend: schrijver en schilder; dichter en dichter; lucht en aarde, dichter en mensheid; dichter en Leven Tegelijk vergroot en verscherpt zich de overheersende polaire tegenstelling In Erasmus staat het streven naar intellectuele helderheid tegenover de grofheid van de aarde George en Verwey delen de ‘drang naar grootheid’, die zich toornend verhief boven en tegen de kleinheid van de aarde; maar de Hollander wijst zijn exclusieve vriend op ‘het daaglijks leven, dat uen mij draagt en met ons alle andren’ Toch stijgt ook zijn eigen streven tot een drang naar blijvende gedachtenis bij het nageslacht (Het Standbeeld )en ten slotte tot de ‘onerkende koningsdroom’ van wie heerst over het eigen rijk, de dichter die zijn Beeld hief ‘zo hoog dat gij alleen Eraan kunt raken’ (Het Misdrijf )Het streven naar grootheid en hoogheid blijkt ten slotte een mateloze trots, die niet meer buigen, slechts nog breken kan Hij breekt in tranen van bitterheid, slaat om in zijn tegengestelde, de deemoed, en klinkt uit in het dankbare besef: Ik heb geleefd, ikleef en neven mij EEN die mij liefheeft, die mijn liefde heeft Deze loutering loopt parallel met die in de twee slotsonnetten van Godenschemering en bereidt die voor Godenschemering Godenschemering is niet alleen de bekroning maar ook de samenvatting van Het Blank Heelal, en wel, alreeds blijkens de titel, in mythische vorm Dit hechte bouwwerk van twaalf sonnetten berust op dezelfde polaire tegenstellingen als de voorafgaande reeksen Maar terwijl ze daar deels als verborgen spanning gevoeld, deels in beelden uit natuur en mensheid belichaamd zijn, verschijnen ze hier in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 221 schemerlicht van de voortijd als ‘goden’, als figuren die òf aan de bestaande mythen ontleend, òf weliswaar nieuw maar eveneens mythisch van aard zijn In dit mythisch karakter nu van deze twaalftallige reeks ligt een overeenkomst naar vorm en bouw met Stefan George's Der Teppich des Lebens, die waarschijnlijk niet toevallig is46) Uit Mijn Verhouding tot Stefan George weten wij, hoezeer Verwey dit als het meesterwerk van zijn bewonderde vriend beschouwde Het bestaat uit 24 gedichten, elk van 4kwatrijnen, waarvan het eerste als inleiding alleen staat, en een beeld van ‘nog ongedeeld leven’ tegenover zich heeft Daarna volgen elf tweetallen die telkens elkanders tegenhanger zijn In Dichters in Europa Iformuleerde Verwey deze visie als volgt: ‘Ik kan ualleen de weg wijzen van de “Urlandschaft”, die het nog ongedeelde leven in zich uitbeeldt, tusschendoor de opvolgende verbeeldingparen, elk van die paren een tegenstelling, tegenstelling naar meer zijden dan ik met afgetrokken termen beperken wil, eeuwige tegenstellingen, en tusschen wier volgorde van paar op paar toch ook weer een ontwikkeling schuilt; alle uit de sfeer van het Leven, totdat met de tegenoverelkaarplaatsing van Holbein en Jean Paul de sfeer van de Kunst blijkt ingegaan, die in verschillende standbeelden van verschillende zijden begrepen wordt en haar veelvoudig symbool in de “Sluier” krijgt’ 47) Zien wij nu naar de half zo lange sonnettenreeks Godenschemering, dan blijkt bij aandachtige beschouwing een verrassende overeenkomst in structuur Aan het inleidende gedicht Der Teppich beantwoordt De Meester, dat, als beeldloze toespraak van een lichaamloze stem tot de dichter, apart staat van de mythische beelden, welke alle in de eerste persoon gesteld zijn Op Der Teppich volgt de Urlandschaft, ‘het nog ongedeelde leven’, het enige gedicht dat geen pendant tegenover zich heeft Men zou al daardoor op het denkbeeld kunnen komen om aan het naar volgorde eraan beantwoordende Cirkelloop een overeenkomstige functie toe te kennen, aangezien de ‘vonk’ zeker 46) Met dit gewichtig voorbehoud, dat de beelden inDer Teppich niet mythologisch doch kultuurhistorisch van oorsprong zijn 47) Proza, VII, 75 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 222 beschouwd kan worden als het kleinste element waaruit het heelalleven is opgebouwd Dit zou gewaagd schijnen als deze onderstelling niet bevestigd werd door de volgende passage uit Dichterschap en Werkelijkheid 48): ‘Dit wonder (nl van de on persoonlijkheid van ons wezen) is het dat hem zichzelf als het middelpunt van het heelal, en tegelijk als een stofje temidden van sterrenstelsels denken doet: een eeuwigheid saamgekrompen tot een wiskunstig punt, zulk een punt uitgebreid tot de ommering van een eeuwigheid Die onpersoonlijkheid het leven vóór het leven, en dat toch van het kleinste levenzelf het wezen is verbeeldt de dichter 49),en daarin ligt zijn waarde voor de werkelijkheid’ Bij het schrijven hiervan moet de dichter wel zijn onlangs ontstaan gedicht Cirkelloop in gedachten hebben gehad, en wij hebben mi het recht hieruit af te leiden, dat hijzelf die vonk temidden van sterrenstelsels als ‘het leven vóór het leven’ beschouwde Maar dan volgt daaruit ook, dat hij zich op zijn minst van de overeenkomst tussen dit gedicht en George's Urlandschaft, wat betreft hun plaats en hun functie in de reeks, bewust moet zijn geweest Wij kunnen dus de reeks zien als bestaande uit een voorspel, gevolgd door een alleenstaand beeld (‘het nog ongedeelde leven’) en daarna een vijftal polair tegengestelde beeldparen Van dit schema is hier uitgegaan Deze geleding is echter zeker niet de enige welke te onderscheiden valt Men kan ook De Meester combineren met het slotgedicht Het Misdrijf, daar deze beide beeldloos zijn en beide de verhouding tot de Meester tot thema hebben Dan krijgt men een andere reeks van 5beeldparen, waartussen eveneens polaire contrasten bestaan En deze indeling is in overeenstemming met de typographische indeling van de eerste druk van Het Blank Heelal Al is hier dus van de eerste uitgegaan, de tweede heeft zeker evenveel recht van bestaan Dat beide mogelijk zijn, bewijst nog eens ten overvloede welk een netwerk van polaire betrekkingen dit twaalftal sonnetten verbindt Wij zagen, dat al de mythologische sonnetten uitingen zijn van een Ik, de dichter, die zich als mythische figuur ziet en verbeeldt Maar 48) Proza, IV, blz 227 49) Cursivering van mij Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 223 aangezien de meeste hiervan tevens stadia in de historische ontwikkeling van het leven vertegenwoordigen, vereenzelvigt de dichter zich dus telkens met zo'n ontwikkelingsfaze Biologisch uitgedrukt: de ontwikkeling van het individu beginnende met de nog ongedeelde cel herhaalt de genetische ontwikkeling Het komt mij voor dat de dichter zich hiervan eveneens bewust is geweest, en dat hij ook dáárom, in de onmiddellijk voorafgaande alinea van Dichterschap en Werkelijkheid schreef: ‘Dit wonder van de onpersoonlijkheid is het immers dat de eenling zich verwant doet voelen aan zijn voorzaten, aan al de geslachten van voorafgegane menschen’ Maar de nadruk ligt hier op ‘de eenling’, want de historie der mensheid wordt niet uitgebeeld door middel van de ervaringswereld van de dichter, maar zij levert beelden die zijn persoonlijke ontwikkeling belichamen Of liever want ook dit is nog te historisch gedacht :in de persoonlijkheid van de dichter leeft het meer primitieve, ja zelfs het ‘ongedeelde leven’, met meerdere of mindere bewustheid nog altijd voort Mutatis mutandis kan men hierop toepassen wat Stefan George in de voorrede tot zijn 3 reeksen gedichten in de vorm van beelden uit de kultuurhistorie getiteld Die Buecher der Hirten und Preisgedichte, der Sagen und Saenge und der Haengenden Gaerten schreef: ‘Es steht wohl an vorauszuschicken dass in diesen drie werken nirgends das bild eines geistlichen oder entwicklungsabschnittes 50) entworfen werden soll: sie enthalten die spiegelungen einer seele die vorübergehend in andere zeiten und örtlichkeiten geflohen ist und von unsren drie grossen bildungswelten ist hier nicht mehr enthalten als in einigen von uns noch eben lebt ’50) De Meester, het voorspel, is een overpeinzing die streng de onkenbaarheid van het verborgen Leven handhaaft Een lichaamloze stem van wie? van waar? spreekt tot de dichter en leert hem dat alle ervaringen tot het Alleven behoren en toch als persoonlijk ervaren worden Elke stem die in hem spreekt, is van de dichter zelf, ook deze dus, maar hij hoort die en denkt zijn gedachten alsof ze van zijn Meester kwamen 51)De Meester vraagt niet meer naar hem dan naar een 50) Cursivering van mij 50) Cursivering van mij 51) Dit isinovereenstemming met Goethe's opvatting: ‘Wenn die gesunde Natur des Menschen als ein ganzes wirkt, wenn er sich inder Welt als ineinem grossen, schönen, würdigen und werten Ganzen fühlt, wenn das harmonische Behagen ihm ein reines, freies Entzücken gewährt, dann würde das Weltall, wenn es sich selbst empfinden könnte, als an sein Ziel gelangt, aufjauchzen und den Gipfel des eigenen Werdens und Wesens bewundern’ (Werke, Berlin, G Hempel 28, 198) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 224 ander men wordt herinnerd aan Spinoza's uitspraak: Qui Deum amat, conari non potest, ut Deus ipsum contra amet’ (Ethica V, Prop XIX) En toch de eeuwige paradox Uw liefde iszijne ook daar ge'm zelf mee mint, dat is de rechtstreekse weerslag op Spinoza's Propositio XXXVI: ‘Mentis Amor intellectualis erga Deum est ipse Dei Amor, quo Deus se ipsum amat hoc est, Mentis erga Deum Amor intellectualis pars est infiniti amoris, quo Deus se ipsum amat’ In de grond is ook dit gedicht ten slotte mythisch Want het Levensmysterie wordt elders in Het Blank Heelal nooit als persoonlijk gedacht, al wordt het wel toegesproken (in Dichters Nachtgezang )Alleen in de ‘schemering’, waarin de aspecten van het leven zich als ‘goden’ voordoen, kan dus de Meester als opperste ‘god’ niet verschijnen, maar althans gedacht worden Nu volgen dan, in de vorm van merendeels mythologische beelden, de gedachten die de dichter, als waren ze de stem van de meester, in zich hoort Cirkelloop is het heelal, gezien vanuit een vonk, een nietige lichtbron, die toch evenals elk hemellichaam ‘beeld van het heel’ is (atoom gelijkvormig aan zonnestelsel) en als zodanig een volmaakt beeld van het ‘nog ongedeelde leven’ (de kleinste lichtkern) in het heelal, dat aan alle organisch leven voorafgaat Maar deze ‘vonk’ wijst terug naar de ‘genster’ in De Gestalten van mijn Levenstijd, die ‘saamzonk’ met ‘het groot vuur dat door de ruiten scheen, De Zon van de aarde en van alle eeuwigheên’ Die ‘ontblonken genster’ was de ontwakende dichterziel, die blijkens die passage ook nu nog in hem leeft Nòg kan zijn ziel, die ‘kern van leven’, die slechts ‘ongemeten poos’ om de Eeuwige Zon mag wentelen, onbewust schouwend in zalig evenwicht, wensen dat die tijdeloze vrede eeuwig mocht duren, dat hij eeuwig mocht wentelen in dat oneindig heelal, dat toch is ‘een diamant in 't holle van een hand’ een kleinood voor de geest die het aan Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 225 schouwen, en dus omvatten kan Deze sublieme regel bevat dezelfde paradox als de hierboven aangehaalde passage uit Dichterschap en Werkelijkheid, een gedachte die in de latere poëzie herhaaldelijk weerkeert 52) In Cirkelloop was de ‘ik’ gelukkig in de evenwichtstoestand der aanschouwing De Richting verbeeldt het verlangen, het rechtlijnig streven naar de gelukzalige vereniging, de ‘unio mystica’ met de Beminde, die hier een gestalte heeft Als een duiker, als een vogel die door nevelen de zonnige stilte zoekt, ijlt hij, gelovend zonder te zien, pijlsnel door de wijkende schemering in de armen van de lichtende gestalte Dit sonnet vertegenwoordigt de geestelijke liefde in haar primitieve vorm Daartegenover belichaamt een andere vogel, Noachs Duif, na het ijlend zoeken van de verening, de zalige rust van de bevrediging Maar hij moet terug naar de ark en herneemt blij het ‘godverlaten’ aardse bestaan Uit de tijdeloze droom der verening keert hij terug in de ‘schendige’ wereld, en voelt zich daar zelfs niet misplaatst Een krasse omkering van In Schoonheid ! In De Adelaar en Prometheus, een scherp plastische beelding van de bekende mythe, spreekt de ‘godenvogel’ en uit zijn verwondering over de ontembaarheid van Prometheus Vestdijk heeft in Albert Verwey en de Idee (blz 186) in de beide protagonisten, den adelaar, zowel als het slachtoffer, personificaties van den ‘zoon’ gezien 53) Ook mij schijnt het toe, dat hier de dichterpersoonlijkheid is gesplitst in twee componenten De adelaar, di de dichter in zijn gedroomde rol van machtig, werelden overziend en omvattend schepper, ziet neer op Prometheus, zijn menselijke persoonlijkheid, de slaaf van de Dichterschepper, die aan de rots van zijn reuzentaak geketend 54),ondanks 52) Zie bv De Beoordelaar en de Dichter, inGoden en Grenzen (Oorspronkelijk Dichtwerk, II, 134) 53) Hoewel iker prijs op stel hier teverklaren, dat ikaan Vestdijks scherpzinnige ontleding van Godenschemering verscheidene vruchtbare denkbeelden tedanken heb, ismijn uitgangspunt echter zo verschillend, dat het mij beter lijkt polemiek zoveel mogelijk tevermijden 54) Verg de uiting van galgenhumor ineen brief van 1904 aan Stefan George: ‘Ik zit aan de rots van het nederlandsche geestesleven geketend waar de pengieren me de lever pikken’ (Mijn Verhouding tot Stefan George, blz 52), en Fragment 3van Nalezing I(Oorspr Dichtwerk, II, 704): ‘Aan uw rots geketend Mensheid! de Aadlaar aan mijn lever vretend’ Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 226 leed en vernedering zich telkens weer in mensentrots verheft Onverbiddelijk vreet de godenvogel, want na tijdelijke verzadiging hongert de scheppende geest telkens weer naar het schone maal dat zijn menselijk zelf hem ten koste van eigen levenskracht bereidt Maar verwonderd ziet hij hoe die door trots gevoede kracht sneller aangroeit dan zijn goddelijke honger Het pendant hiervan, De Engel, een gedicht, dat voor mij raadselachtig blijft, en dat mij, evenals Vestdijk, het enige zwakke van het twaalftal toeschijnt, zou men eveneens als een splitsing van de persoonlijkheid kunnen beschouwen; de dichter, die, zich vereenzelvigend met een drager van het heilige, zijn eigen trots beschaamt Na het paganistische dus het Christelijke beeld: de beschaming van de mensentrots door het heilige vertegenwoordigt een later stadium in de ontwikkeling van de verhouding tussen mens en god, dat de dichter eveneens in zich heeft De Tijd en de Sint Pietersberg en De Maat vormen het volgende sonnettenpaar De religieuse verhouding tussen individu en wereld wordt nu opgevolgd door de filosofische Materialisme en geestelijk monisme staan hier tegenover elkaar In het eerste sonnet vereenzelvigt de dichter zich met de Tijd als vernieler van leven, die alle wezens meesleurt en ze tenslotte doet verdampen tot wolken of verstenen in de afgrond Alle vormen van leven vergaan in het vormeloze, het is de eindeloze, zinneloze kringloop der stof, volstrekt zonder uitzicht De tijd heerst, en doodt De Maat staat als beeldloos gedicht afzonderlijk De dichter spreekt tot het Leven dat is in alle vormen, levende wezens zowel als dingen, zelfs ook in het vormenloze, dat als mogelijkheid alle vormen in zich bevat Het gedurig herhaalde ‘gij zijt’ is als een incantatie, die culmineert in het besef van een mateloze volheid die de dichter niet is, maar met zijn verbeelding kan omvatten Weer, evenals in Cirkelloop ,de beleving van ‘het wonder der onpersoonlijkheid’ Maar nu bewust Het terugschrikken voor de laatste consequentie van de stoute gedachte Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 227 is een eerste aanduiding van het schuldbesef, welks doorbreken in de twee laatste sonnetten de ontknoping van dit drama brengt Ares en Afrodite staat tegenover Sint Joris en de Draak als het zelfverlies en zich hervinden van de genietende geest in en na de erotische extase, tegenover de overwinning van de strijdende geest Ares is de mens overmeesterd door zijn als schoon geziene passie; Sint Joris de mens die de in een gedrocht belichaamde passie aanvalt en doodt In zijn extaze ziet de god Afrodite als een verre oneindig schone gestalte onder zich drijven (dit ‘drijven’ word vastgehouden door de doorzingende ij en eiklanken) Maar hij valt ‘gelijk een plank’, met een als levenloze plof, en de tijd herneemt zijn loop; hij schaamt zich, en voelt weer zijn individualiteit (de zelfontleding neemt toe) De val uit de eenheidsextaze wordt verbonden aan de ‘klank’ van het metalen net, waarmee het gedicht begint en eindigt, de klank die voor de god voorgoed verbonden is met het besef van de kortstondigheid van elk erotisch zelfverlies In wat men met een wiskundige metafoor het coördinatenstelsel van polaire tegenstellingen zou kunnen noemen, waarmee Het Blank Heelal grafisch voorgesteld zou kunnen worden, belichaamt dit sonnet het zelfverlies in de hartstocht, het Dionysisch element van de liefde dat ‘wenst dat langer ik noch gij Bestaat tussen de beiden, maar één paren’ Daar, in de Gestalten van mijn Levenstijd wordt het overwonnen door het Apollinische, de liefde ‘die 'tschone beeld rein wil bewaren’; hier overwint de vormverbrekende hartstocht Sint Joris en de Draak vormt hier de pendant, voor zover het de verhouding tot het demonische betreft Hij is de heilige die in volkomen bewust zelfbezit een demonisch aardmonster bestrijdt en doodt Verbazend is hier de aanschouwelijkheid waarmee de dodelijke stoot is uitgebeeld Vestdijk 55) wees terecht op de beeldende kracht van de reeks oklanken, en op het telkens herhaalde ‘zien’, maar vond de voorstelling in de terzinen, die van het drakenbloed dat als een stroom door de weiden en langs de volkrijke steden naar zee kronkelt, indien 55) op cit, blz 119122 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 228 symbolisch bedoeld, raadselachtig Hij schrijft 56):‘Hoofdzaak in dit sonnet is, dat het heiligste voornemen, eenmaal uitgevoerd, in zijn gevolgen onmiddellijk deel gaat uitmaken van de zondige onvolmaakte wereld’ Deze opvatting, die uit het gedicht zelf niet te bewijzen is Vestdijk zegt elders 57) terecht ‘dat in het gedicht explicite niets staat van wat men eraan zou kunnen vastknopen’ vindt een verrassende steun in een persoonlijke ervaring van de dichter, die mi waarschijnlijk aanleiding gaf tot het ontstaan van de conceptie Allereerst valt het op, dat dit het enige van de beeldsonnetten is waarin de dichter zich niet met één der polen vereenzelvigt, doch toeschouwer is Bedenkt men dan verder, dat hij met de uitdrukking ‘mijn koning’ steeds en uitsluitend zijn vriend Stefan George aanduidde (zie Mijn Koning, het negende gedicht van de ‘Liederen van Laatste Verstaan’ en Zang in Dagen en Daden :‘Gij zijt de Koning die enkel uzelven zingt’), dan rijst het vermoeden dat Sint Joris hier inderdaad George is Dit wordt nog zeer versterkt als men in Mijn Verhouding tot Stefan George 58) leest: ‘Hij schreef tijdens mijn verblijf nog een gedicht dat hij bij de Wolfkehls met groote kracht en pathos voorlas, namelijk Der Kampf, de strijd van de lichtgeest met het aardmonster’ Nu is er in de aanhef van dit gedicht 59) inderdaad een aanduiding van een schoon landschap in de verzen: Trunken von sonne und blut Stürm ich aus felsigem haus, Laur ich in duftender flur Auf den schönlockigen gott en het monster sterft in zijn eigen bloed: Trunken von sonne und blut Sink ich in ruhmlosen tod Zelfs het vers ‘en beide uw ogen waren sproeiend vuur’ kan geinspireerd zijn op de klacht van het monster, dat de god het licht als wapen hanteert: ‘Weh mir, wie trifft Aus seinem auge mich licht! 56) op cit, blz 190 57) op cit, blz 75 58) Blz 42 59) Zie Der Siebente Ring, blz 36 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 229 Nu is er in Der Kampf geen sprake van een rivier of van steden Maar George haatte de wereld, vooral de stad en haar moderne techniek, die volgens hem ten dode opgeschreven was 60)Wanneer dus deze Sint Joris het moet aanzien hoe uit het drakenbloed een stad en scheepvaart dienende rivier ontstaat, dan staat dat voor hem gelijk met een bespotting, een ironie van het lot, dat uit het bloed van het monster een nieuw verderf doet ontstaan Hier, evenals in Ares en Afrodite, herneemt de tijd zijn loop, en de triomf van de enkeling blijkt niets aan de wereld veranderd te hebben Het Spiegelbeeld is een raadselachtig, en een angstwekkend gedicht Want het is een angstige gewaarwording in zijn volle lengte voor een spiegel te staan, en zijn beeld dan weer in een andere spiegel weerkaatst te zien (Weer treft ons de herhaling van dit ‘zien’) Deze gewaarwording is hier zo griezelig gesuggereerd, dat het gedicht reeds om zijn aanschouwelijkheid een meesterstuk is Maar het slot van het sextet toont duidelijk dat het beklemmende van dit voordespiegelstaan daarin gelegen is, dat de dichter staat vóór de hem door zijn Meester gegeven spiegel der scheppende verbeelding, en het beeld dat hij daarin ziet, zijn dichtwerk Het Blank Heelal, is hij zelf! Dat is op zich zelf al angstig Maar nu ziet hij dat spiegelbeeld opnieuw weerkaatst in een ander glas: zijn eigen ‘Spiegel van Dood en Leven’, en herdenkt zijn woorden: ‘en wie gij zaagt was waarlijk wel uzelf’ En waarin bestond het wonderbaarlijke van dat glas? ‘Het toont u'twezen, wiste 'twezenloze’ Vandaar zijn aarzelend gefluisterd ‘misschien’ Is dat grootse Beeld dan misschien het beeld van mijn wezenlijke Zelf? Dat is de stille vraag, die hij niet durft uitspreken Maar er is geen ontkomen aan: wie gedichten verstaat, zal het zien Dit glas, dat ‘uit licht strenge gestalten delft’ behoort niet aan hem, maar aan de Meester die ‘'t levend leen Van 'thart verheergewaadde aan mij’ 61),en hij, zijn kind, heeft met dat gevaarlijke glas gespeeld De laatste ontmaskering van de dichter is nu een feit Voor deze 60) Zie bv Die tote Stadt (Der Siebente Ring, blz 30), door Verwey vertaald en inzijn bundel Poëzie inEuropa (blz 2930) opgenomen 61) Dichters Nachtgezang VII Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 230 alles onthullende spiegel lossen alle tegenstellingen zich op in deze ene: dichtergeestHeelalgeest De dichter weet dat alleen zijn geest, zijn spiegel, hem in staat stelt het onkenbare te weerspiegelen, dat hij zijn Meester alleen kennen kan voor zover hij Hem in zichzelf kent Hij is zichzelf, maar doordat alleen zijn verbeelding vermag het HeelalLeven te beleven, is hij in zijn begenadigde scheppende momenten dat Leven zelf Vandaar zijn trots Maar die trots is zondig, is lastering van het heilige In dat besef verdiept zich zijn tegenpool, de deemoed, tot schuldbesef Dit schuldbesef spreekt uit het slotsonnet, Het Misdrijf, tevens de afsluiting van Het Blank Heelal in zijn geheel Hij bidt nu tot de Meester: ‘Als ikmisdreef, dan deed ikhet door u’ Ik gruw van mijzelf, van mijn trotse zelfverheffing zelfs mijn verzwegen ‘misschien?’ is al zelfverheffing Maar ik zal vóór ustaan, met open ogen, zonder vluchten, als toen ik in Uw Spiegel mijzelf zag Ik zal wel angstig zijn, maar niet vluchten Mijn Beeld, mijn Blank Heelal is zo hoog verheven, dat geen mens er meer aan raken kan Alleen gij Straf mij, met de vreselijkste straf: de verbrijzeling van mijn werk, mijn Beeld, als ge straffen wilt of duld dat ik het U, mijn Meester, voltooid, dus verspeeld, tot spel geschapen en toch gaaf, teruggeef Niet mijn, maar Uw wil geschiede Ik kniel in het stof, als Uw slaaf En dan de zucht van absoluut vertrouwen: Gij zult het nooit, nooit in het stof vertreên Met deze polaire betrekkingen tussen de in geleidelijke ontwikkeling voortschrijdende gedichtparen is het netwerk der onderlinge correspondenties tussen de twaalf sonnetten van dit hechte bouwwerk nog geenszins uitgeput Zo staan Noachs Duif en Ares en Afrodite tegenover elkaar als val uit de geestelijke extase en val uit de erotische extase; De Richting en Ares en Afrodite als unio mystica en unio carnalis; Cirkelloop en Het Spiegelbeeld als onbewust evenwicht en bewuste zelfontleding; Cirkelloop en De Tijd en de Sint Pietersberg als de materie in zwevende beweging in het licht en in vaste dood in de duisternis (het polaire contrast van Aan het Venster );De Adelaar en Prometheus en Het Spiegelbeeld als mythologische zelfontleding tegenover filosofische zelfontleding De Meester, De Maat en Het Misdrijf Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 231 horen bijeen als beeldloze confrontatie met het onverbeeldbare, maar contrasteren als numineuse huivering, vervulling en berouw Het Blank Heelal is een opeenvolging van reeksen, waarvan elk een groep polaire tegenstellingen van verwante aard belichaamt, en die elkander in een gespannen, beweeglijk evenwicht houden Hun polaire contrasten vertonen een ontwikkeling doordat ze zich bewegen naar één centrale tegenstelling die ze alle omvat In Schoonheid verbeeldt de strijd tussen dichter en mensenwereld, ten slotte verzacht doordat de dichter zijn droom aan de wereld wil brengen Dichters Nachtgezang bezingt de onderlinge liefde van dichter en HeelalLeven, waaraan alle wezens deel hebben; Lente de onderlinge liefde van de dichter en de vergankelijke Lenteschoonheid, die de eeuwige geliefde van een sterveling blijkt Dan komt het centrale gedicht De Gestalten van mijn Levenstijd, waarin het verlangen naar gemeenschap met mensen in de poëzie de uiting vindt die de scheiding kan opheffen De aan dichter en mensheid gelijkelijk behorende zang schept mensengestalten die een eigen leven leiden en toch dragers zijn van de velerlei aspecten der persoonlijkheid van hun dichter Eenzaamheid en gemeenschap versmelten tot het besef dat de dichter in de tijd de eeuwigheid belichaamt Dit vindt zijn apotheose in Pasen :lijden en vreugde gelouterd tot de vrede van een zalige Mens, die met hemelse blik de aarde verheerlijkt ziet Hiermee heeft het eerste deel van Het Blank Heelal zijn afsluiting gevonden Zowel bij dichter als lezer kan er een poos van zwijgend peinzen op zijn gevolgd In den Spiegel van Dood en Leven heeft de grijze sfeer van zulk peinzend zwijgen; tevens is het een noodzakelijk vervolg op De Gestalten van mijn Levenstijd Die gestalten waren immers de scheppingen waardoor de eenzame dichter in gemeenschap met de wereld kwam, en hij zag de eenzelvigheid als de dood, de gemeenschap als het leven Nu worden hier leven en dood tegenover elkaar gesteld en opgeheven in de tijdeloze liefde, belichaamd in wezenlijke gestalten weerkaatst in de lichtglans van de spiegel der poëzie Er volgen dan twaalf 62) Idyllen, even zovele vredige spiegelingen van aards leven in hemels licht 62) Het getal twaalf heeft indeze bundel betekenis InSchoonheid bestaat uit 12 delen; Lente uit 6strofen van 12 verzen; er zijn 12 Idyllen, en Godenschemering bestaat uit 12 sonnetten Daarom ishet des teopvallender, dat Dichters Nachtgezang met het 23e lied voltooid is, en het toch zo evenwichtig gebouwde Inden Spiegel van Dood en Leven 4gedichten telt In tegenstelling met George wijkt Verwey dus van het getalschema af, zodra de innerlijke vorm dit eist Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 232 Maar een spiegeling is nog altijd een confrontatie, en het gedicht kan meer zijn, kan zijn versmelting van de twee tot een Vandaar de reeks Verening ,die meer en meer smartelijk blijkt naarmate het besef doorbreekt dat ook de verening in één beeld de pijnlijke tegenstellingen niet helen kan In het aanvankelijk zo wrange De Wijnberg wordt een berustende aanvaarding bereikt, maar er blijft één laatste, alomvattende tweeheid: die van mens en Leven, wel verzoend maar niet opgeheven In Godenschemering wordt de strijd tussen al de polair tegengestelde krachten hernieuwd, maar het worden mythische gestalten in een drama dat zich afspeelt in een onmetelijk heelal Met de toenemende bewustheid van de zelfontleding verscherpen zich de conflicten De sonnetten IX, X en XI belichamen de felste bewustwordingen van de onverbiddelijke gescheidenheid der tegenpolen: verbreking van de menselijke verening na de erotische extase; vernietiging van de religieuse overwinning na de triomf van de heilige; bewustwording der gescheidenheid van dichter en HeelalLeven tengevolge van het inzicht dat alle kunst slechts spiegeling, slechts beeld van het onverbeeldbare is Is dan alle streven naar verening tot falen gedoemd? Is de breuk onheelbaar? De dichter, beseffend dat in het leven noch strijd, noch liefde de blijvende verening brengt, buigt zich voor de verborgen ziel van het HeelalLeven, en zijn laatste, wreedste spanning, die tussen trots en deemoed, breekt in een hulpeloze belijdenis van schuld Dan ontvangt hij als genade en eindelijke vrede het vertrouwen in de oneindige goedheid van de Meester: Ik hief mijn Beeld zo hoog dat gij alleen Eraan kunt raken Brijzel, 'tisuw recht Of duld dat ik, uw kind, het recht en slecht Uovergeef, hoewel verspeeld, toch gaaf Ik buk het hoofd: ikben uw knecht, uw slaaf Gij zult het nooit, nooit in het stof vertreên Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 233 Deze studie beoogt niet meer dan zo scherp mogelijk de lijnen te trekken die een aandachtig lezer van Het Blank Heelal kunnen wijzen op zijn organische bouw Het spreekt vanzelf dat het gedicht oneindig rijker en voller is dan dit schema zou doen vermoeden Strakheid van lijn is nu eenmaal niet te bereiken zonder die zekere schraalheid die bij het verstandelijk formuleren van een dichterlijke idee onvermijdelijk is Maar als mijn betoog bij anderen het beeld van dit dichtwerk kan verhelderen, zal ik tevreden zijn Londen, Juli 1950 THEODOOR W EEVERS Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 234 Boekbeoordelingen De historie van Broeder Russche, uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Dr Luc Debaene Voor de Seven Sinjoren uitgegeven door de W ereldbibliotheek NV onder auspiciën van de Stichting ‘Onze oude letteren’, 1950 8o,XXIV ,32 blz met 1afb Door deze keurige uitgave komt een van de minder bekende volksboeken weer in handen van de belangstellenden De tekst is weergegeven naar de oudste bekende druk van de Nederlandse bewerking, verschenen in Antwerpen bij Adriaen van Berghen zj, door NijhoffKronenberg omstr 1520 gedateerd, die bewaard wordt in de Kon Bibl te Brussel Van een latere herdruk, Antwerpen, Jan van Ghelen de Jonge 1596, in het bezit van de Univ Bibl te Göttingen, zijn de varianten vermeld; deze zijn van weinig betekenis; enkele malen is de naam Maria en de vermelding van biecht en mis verwijderd, een gebruikelijke bewerking ten dienste van de verkoop ook in de hervormde streken Er zijn oudere Hoogduitse en Nederduitse uitgaven bewaard en er bestaan ook Deense, Zweedse en Engelse bewerkingen Rob Priebsch gaf in zijn uitgave, Bruder Rausch, FacsimileAusgabe des ältesten niederdeutschen Druckes (Zwickau 1919) reeds de bibliografie en een uitvoerig onderzoek naar de bronnen; alleen de boven genoemde oudste Nederlandse druk was hem nog niet bekend De Nederduitse versie, bestaande uit 420 verzen, blijkt het voorbeeld te zijn geweest van de Nederlandse bewerking Deze geeft het verhaal in proza met ingelaste berijmde gedeelten In dit proza vindt men soms letterlijk de bewoordingen van de Nederduitse verzen terug De Nederlandse verzen zijn toegevoegde rederijkerspoëzie Wat de inhoud betreft zijn gemakkelijk drie delen te herkennen, waarvan alleen het eerste en derde met het Nederduitse voorbeeld overeen komen Het tweede stuk is een afzonderlijke anecdote die alleen bij de Nederlandse bewerking daartussen is geplaatst Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 235 Het eerste deel is de eigenlijke historie van Broeder Russche ‘die een cock was in een cloester’ en die een duivel in mensengedaante bleek te zijn De geesten van de hel vaardigden een van hun duivelse dienaars af, om in zeker klooster, waar men zich al aan een weelderig leven te buiten ging, de abt en de monniken verder te verderven Broeder Russche kwijt zich goed van zijn taak; hij brengt lichtzinnige vrouwen in het klooster en zorgt dat de vastenregels worden verwaarloosd, nadat hij eerst de vorige kok uit de weg heeft geruimd Intussen haalt hij ook enige Uilenspiegelgrappen uit, die de monniken last en schade bezorgen Maar tenslotte wordt hij ontmaskerd door een boer, die 's nachts in het veld een bijeenkomst van opperduivels afluistert, waarop ook Broeder Russche verschijnt om verslag uit te brengen van zijn bedrijven Als de abt dit verneemt komt hij tot inkeer en grijpt in Hij bezweert Russche in de gedaante van een zwart paard buiten de poort te gaan staan en daarna dwingt hij hem te vertrekken en geen mens meer kwaad te doen Als hij dan beschaamd terugkeert bij zijn helse meesters, wordt hij om zijn nalatigheid tot stokslagen veroordeeld en weggejaagd Aan deze op zich zelf volledige geschiedenis is dan als besluit nog een ander verhaal van een duiveluitdrijving toegevoegd Een Engelse koningsdochter isbezeten door een boze geest en als men het deze benauwd maakt noemt hij zijn naam en verklaart alleen te zullen wijken voor de abt in Sassenland aan wie hij gehoorzaamheid heeft beloofd De koning laat die abt halen en deze beveelt Russche dan nog enkele krachttoeren te volbrengen en verbant hem naar een vervallen slot, waar hij nu verder tot de oordeelsdag moet blijven Een dergelijke historie wordt verteld in de legende van Bisschop Zeno; als duivelverhaal is het weinig boeiend Daar tussen in heeft het Nederlandse volksboek dan nog als tweede toevoeging een verhaal van geheel ander karakter, waarvan Priebsch de oorsprong of althans een zeer gelijkende parellel in de Italiaanse novellenliteratuur meent te vinden De hoofdpersoon is nu geen duivelse verleider, maar een soort plaaggeest met wel enigszins bovennatuurlijke gaven Hij werkt als knecht bij een boer, en doet zijn taak zo wonderlijk fors en snel af, dat hij tot drie keer toe al 's middags Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 236 thuis komt, waar hij dan telkens de prochiaen van den dorpe in zijn têteatête met de boerin stoort en deze bovendien door een bijzonder juiste ingeving elke keer uit zijn verschillende schuilplaatsen te voorschijn haalt Hij laat zich tenslotte door de pape een losgeld van honderd gulden betalen, geeft zijn meester de helft daarvan als schadevergoeding en vertrekt tot groot verdriet van de boer Dit verhaal is uitvoerig en smakelijk verteld De bewerker heeft deze inlas verantwoord door in de inleiding tot dit tweede gedeelte erop te wijzen dat Russche zich nu onledig hield met streken, die niet tegen zijn belofte aan de abt indruisten; hij wilde de pape wat verwarren zonder hem ernstig te schaden En aan het slot wordt een berijmde moraal gegeven met de verzuchting dat Russche er nu niet meer is om de onzedelijkheid te bestrijden en de vrouwen in het goede spoor te houden, want Russche zit nu tot de ooordeelsdag gebannen in een afgelegen slot en ieder doet maar wat hij wil Dat leidt dan meteen over naar de derde historie met het avontuur van de Engelse koningsdochter Aan deze ingevoegde novelle en aan het leggen van dit verband met het voorgaande en het volgende is inderdaad enige zorg besteed Zolang er geen andere schakel wordt gevonden zou de verdienste hiervan aan de Nederlandse bewerker toekomen Ook in ander opzicht geeft de vorm waarin dit volksboek is gegoten aanleiding tot een literaire waardering Door de ingevoegde typische rederijkersverzen 1)is hier een genre ontstaan dat wel bepaaldelijk een Anwerps cultuurproduct zal zijn Dr Debaene heeft zich in vroegere studies met deze volksboeken in rederijkersopschik bezig gehouden en in het bijzonder op de overeenkomst gewezen tussen de verzen in Russche en twee andere dergelijke boekjes (Rederijkers en prozaromans in De Gulden Passer 1949, 1) Enkele aanwijzingen brachten hem tot de onderstelling dat de bewerking van De Historie van Floris ende Blanceflour van de hand van Anna Bijns zou kunnen zijn En wellicht zou dan dezelfde dichteres nog meer werk van deze aard, mogelijk ook Russche, geleverd kunnen hebben De gedachte lijkt misschien aantrekkelijk om de latere vurige ketterhaatster en schoolmeesteres in haar jeugd te zien ijveren voor de ver 1) Vgl Boekenoogen, Verspr geschriften (1949) blz 239 ev Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 237 spreiding van goede volkslectuur, maar een dergelijke samenwerking van een levend auteur met een uitgever zal voor die jaren toch wel een anachronisme zijn De drukker werkte voor het profijt van zijn handel en behalve in opdrachten en actualiteiten vond hij die in massaproducten voor de school en voor de markt Dichterstijdgenoten zochten nog geen roem door de drukpers, en de rederijkers van reputatie in onze streken vonden hun waardering in hun eigen kringen Zij werkten wel in het openbaar voor de kunst en voor de gemeenschap, maar niet voor de markt Wat in druk verschijnt is gewoonlijk van auteurs die al lang overleden zijn of het zijn losse anonyme gedichten die de drukkers in handen waren gevallen En deze sprongen met het toch wel heel precieuse rederijkerswerk tamelijk slordig om, ook al waren zij zelf veelal medebroeders van rhetorica Inderdaad behoren juist de refereynen van Anna Bijns tot de alleroudste voorbeelden van gedrukte verzen uit de eigen tijd, maar deze hadden dan ook wel een bijzonder karakter als strijdzangen tegen de vermaledijde Lutherse secte, wat wel heel nadrukkelijk op de titel is vermeld Het lijkt mij voorshands waarschijnlijker dat de drukkers van volksboeken op eigen avontuur hun teksten bij elkaar zamelden en drukten of nadrukten wat zij zonder teveel moeite of kosten konden bemachtigen Dat zij daarbij met meer of minder geluk en smaak moderniseerden, stukken en brokken uit voorhanden rederijkerswerk invoegden en daar ook wel zelf nog iets in gangbare trant bij aanvulden, verhoogde ongetwijfeld de aantrekkelijkheid en populariteit voor de verkoop Zo kwamen zij aan de tamelijk stereotype toneelprologen, monologen, dialogen en fragmenten van refereynen of wat daar op leek Het genre volksboeken met ingelegd rederijkerswerk is zeker een typisch product van drukkersactiviteit in de eerste decenniën van de 16e eeuw Tot de betere kennis van dit merkwaardige verschijnsel heeft Dr Debaene een zeer belangrijke bijdrage geleverd Juist het overnemen ook weer van dezelfde rijmgedeelten in verschillende van deze volksboeken getuigt zeker van de zorgeloze en goedkope manier waarop de drukkers zich van hun teksten voorzagen Overigens zijn de in hun soort vrij kunsteloze verzen in Russche, de moralisaties, het korte amoreuse gesprek met het schoon vrouwken en de twee duivelscenetjes zeker niet onaardig F KOSSMANN Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 238 Ingekomen boeken GIJSEN ,MARNIX ,De Literatuur in ZuidNederland sedert 1830 Vierde herziene en vermeerderde druk NV StandaardBoekhandel, Amsterdam, 1951 8o 164 blz Prijs geb ƒ5,90 STOETT ,FA, Nederlandse Spreekwoorden en Gezegden verklaard en vergeleken met die in het Frans, Duits en Engels Zevende druk geheel opnieuw bewerkt door Dr C KRUYSKAMP NVWJ Thieme & Cie Zutphen MCMLI 8oVI330 blz Prijs geb ƒ7,90 Woordeboek van die Afrikaanse Taal, onder redaksie van PC SCHOONEES ea Deel IAC Die Staatsdrukker, Pretoria 1950 8oXIV661 blz GYSSELING ,MAURITS ,Toponymie van Oudenburg (Nomina Geographica Flandrica, Monographieën IV) M Nijhoff 'sGravenhage, 1950 8o280 blz Prijs ing ƒ13, KORLÉN ,GUSTAV ,Norddeutsche Stadtrechte II Das mittelniederdeutsche Stadtrecht von Lübeck nach seinen ältesten Formen (Lunder germanistische Forschungen 23) Lund, CWK Gleerup Kopenhagen, E Munksgaard 1951 8o242 blz Prijs geb kr 25, HORRENT ,JULES ,La Chanson de Roland dans les littératures française et espagnole au moyen âge 1951 8o541 blz Prijs ing fr 1100, (Bibliothèque de la Faculté de Philosophie et Lettres de l'Université de Liège Fasc CXX) Société d'édition ‘Les Belles Lettres’, Paris HORRENT ,JULES ,Roncesvalles Étude sur le fragment de cantar de gesta conservé àl'Archivo de Navarra (Pampelune) 1951 8o261 blz Prijs ing fr 500, (Bibliothèque de la Faculté de Philosophie et Lettres de l'Université de Liège Fasc CXXII) Société d'édition ‘Les Belles Lettres’, Paris TRICHT ,HW VAN ,PC Hooft Van Loghum Slaterus, Arnhem MDCCCCLI 8oXX280 blz Prijs geb ƒ8,90 KLOEKE ,GG, Gezag en Norm bij het Gebruik van Verzorgd Nederlands Amsterdam JM Meulenhoff 1951 8oVIII59 blz Prijs ing ƒ2,90 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 239 KRUISINGA ,E, Het Nederlands van nu Tweede druk herzien en uitgebreid door H Godthelp Wereldbibliotheek Amsterdam1951Antwerpen 8o199 blz Prijs ing ƒ4,75 Vier excellente Kluchten Uitgegeven door Dr JJ MAK Antwerpen De Nederlandsche Boekhandel 1950 (Klassieke Galerij, nr 46) 8oXL104 blz Prijs ing fr 30, Beatrijs Uitgegeven door Dr ROB ROEMANS Tweede druk MCMLI Wereldbibliotheek NV AmsterdamAntwerpen 8oXLII38 blz Prijs gecart ƒ 2,25 Mayke Jakkelis Mei ynlieding en oantekeningen fan WL BRANDSMA Utjowerij Fa AJ OsingaBoalsert1951 8o63 blz (MagnusRige, Nr 5) LOGGEM ,MANUEL VAN ,Inleiding tot het Toneel (Pallas Reeks 2) Uitgeverij Born NVAssen 1951 8o177 blz Prijs geb ƒ3,90 Beatrijs Eerste integrale reproductie van het handschrift, naast de tekst in typographie, onder de leiding van Dr Jur AL Verhofstede IIe aanzienlijk vermeerderde druk Uitgeverij ‘De Vlijt’ NV Antwerpen (Voor Nederland: NV Standaard Boekhandel Amsterdam) zj 8o62 blz +reproductie van het handschrift Prijs geb ƒ6,50 Marikẽ van nieumeghen Reproductie van de postincunabel van W Vorsterman, berustend op de Beierse Staatsbibliotheek te Munchen, opnieuw uitgegeven volgens het ontwerp van Dr AL Verhofstede; tekst met aantekeningen door Prof Dr J van Mierlo SJ; inleidende bijdragen door Prof Dr J van Mierlo, Dr Luc Debaene en Dr AL Verhofstede Uitgeverij ‘De Vlijt’ NV Antwerpen (Voor Nederland: NV Standaard Boekhandel Amsterdam) 1950 8o134 blz Prijs geb ƒ9,50 Esmoreit Eerste integrale reproductie van het handschrift naast de tekst in typographie, voorafgegaan door een bondige inwijding en uitvoerige analytische bibliographie en gevolgd door ophelderende aantekeningen bij de oorspronkelijke tekst Uitgave, bezorgd door Al de Mayer en Dr Rob Roemans Uitgeverij ‘De Vlijt’ NV Antwerpen (Voor Nederland: NV Standaard Boekhandel Amsterdam) zj 8o94 blz +reproductie van het handschrift en uitgave van de tekst Prijs geb ƒ7,90 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 240 Virgilius Facsimile van de oudste druk van het Vlaamse volksboek ingeleid door Dr Jan Gessler met kanttekeningen bij de illustratie van de Nederlandse uitgaven door Fr van den Wijngaert 1950 Uitgeverij ‘De Vlijt’ Antwerpen (Voor Nederland: NV Standaard Boekhandel Amsterdam) 8o80 blz + facsimile Prijs ing ƒ8,90 DIJCK ,J VAN ,De andere Gezelle (Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding, Jaarg XLIV, Nr 6, Verhandeling 413) NV Standaard Boekhandel Amsterdam 1950 8o48 blz Prijs ing ƒ1,75 LINDEMANS ,Mr LEO ,Proeve van een objectieve Talentelling in het Brusselse (Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding, Jaarg XLV, Nr 1, Verhandeling 414) NV Standaard Boekhandel Amsterdam 1951 8o92 blz Prijs ing ƒ 1,75 Het Epos van den Prins Een keuze uit Hooft's Nederlandse Historien van 1642 verzameld en toegelicht door Dr A Zijderveld met inleiding en historische aantekeningen van J de Rek LM Meulenhoff Amsterdam 1951 8o128 blz Prijs ing ƒ2,40, geb ƒ2,90 SELMS ,A VAN ,ArabiesAfrikaanse Studies I'n Tweetalige (Arabiese en Afrikaanse) Kategismus (Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afd Letterkunde Nieuwe reeks, Deel 14, No 1) NV NoordHollandsche Uitgevers Maatschappij Amsterdam 1951 8o120 blz Prijs ing ƒ3,50 MAN ,Dr AG DE ,In grammaticis Veritas! De noodzakelijke vernieuwing van het onderwijs in Latijn JB WoltersGroningen, Djakarta 1951 8o136 blz Prijs ing ƒ3,90 DIEVOET ,GUIDO VAN ,Jehan Boutillier en de Somme Rural (Universiteit te Leuven Publicaties op het gebied der geschiedenis en der philologie 3e reeks, 41e deel) Leuvense Universitaire Uitgaven Leuven 1951 8o296 blz Prijs ing fr 120, HEERIKHUIZEN ,FW VAN ,Gestalte der Tijden De wereldletterkunde in hoofdtrekken Dl IVan de vroegste tijden tot ongeveer 1825 AW Sijthoff's Uitgevermaatschappij NV Leiden 1951 8o311 blz Prijs geb ƒ17,50 DEBAENE ,LUC ,De Nederlandse Volksboeken Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse prozaromans, gedrukt tussen 1475 en 1540 Uitgeverij De Vlijt NV Antwerpen 1951 8o358 blz Prijs ing ƒ28,50, geb ƒ32,50 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 241 In memoriam Jacoba Hermina van Lessen (Groningen 28 Oct 1897Leiden 19 Dec 1951) Op de dag dat de vorige aflevering van dit tijdschrift verscheen is Jacoba Hermina van Lessen ons door de dood ontvallen; de dag voor Kerstmis is ze in haar geboortestad begraven Zij is het eerste en tot nu toe het enige vrouwelijke lid der redactie geweest Na door de maandvergadering van Januari 1936, op voordracht van de Commissie, in de vacature Jan de Vries (November 1935) voorlopig te zijn benoemd, werd ze door de jaarvergadering van 17 Juni 1936 definitief tot lid der Commissie voor Taal en Letterkunde verkozen Enkele jaren later, tw bij de dood van A Beets (24 Dec 1937), en wel te beginnen met de 3de aflevering van jaargang 57 [1938], werd ze belast met het secretariaat, dat ze op haar beurt vanaf jaargang 63 [1944] overdroeg aan GI Lieftinck Gedurende zestien jaar (Januari 1936Dec 1951) heeft Mej Van Lessen dus deel uitgemaakt van de redactie, terwijl ze bovendien gedurende ongeveer een derde van die tijd nog heeft gezorgd voor het gereedmaken van de afleveringen van het Tijdschrift, en de correspondentie met de medewerkers heeft gevoerd De verdiensten van ons overleden medelid als geleerde zullen elders in het licht worden gesteld Afgezien van haar dissertatie, Samengestelde Naamwoorden in het Nederlandsch [1928], en haar aandeel aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal, is haar wetenschappelijk werk grotendeels in dit tijdschrift verschenen In 1925, direct na haar studietijd te Groningen, debuteerde ze met een artikel het was haar omgewerkte doctorale scriptie over de etymologie van uitmergelen Sinds de 49ste jaargang [1930] zijn er, behalve in de laatste jaren, weinig delen van dit tijdschrift verschenen, waarin niet een of meer bijdragen van haar hand waren opgenomen Haar laatste voordracht, gehouden in de commissievergadering van 20 September Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 242 1950, over Wrevel, wreef, wressem, zal in de volgende jaargang verschijnen Haar medewerking aan het Tijdschrift wordt gekenmerkt door een zekere, voor een deel met haar beroep samenhangende eenzijdigheid, die echter tevens haar grote kracht was Het zijn immers zo goed als uitsluitend studies over woorden, hun geschiedenis, hun etymologie Gaandeweg kwam ze echter tot een ruimere opzet, toen ze een aantal woorden in een zekere samenhang ging behandelen In dit verband dienen vooral te worden vermeld vijf uitvoerige bijdragen over ‘Klanknabootsing als taalvormend Element’, waarin ze, op grond van haar studie der woordgeschiedenis en etymologie, haar opvattingen neerlegde over een onderwerp dat haar steeds is blijven boeien: de ‘praehistorie’, het ‘jenseits’ der woordvorming Het is te betreuren, dat een al te vroege dood heeft verhinderd, dat deze artikelen tot een synthese in boekvorm zouden uitgroeien In de laatste jaren van haar leven was Mej Van Lessen door een meedogenloze kwaal aangetast Tweemaal is ze gedurende vrij lange tijd voor verpleging in het ziekenhuis opgenomen We hebben haar toen moeten missen, niet alleen op de vergaderingen, doch ook als praeadviseur der ingekomen bijdragen, een taak waarvan ze zich steeds met zoveel toewijding heeft gekweten Na lange afwezigheid kwam ze op 19 September 1951, schijnbaar hersteld, weer op onze commissievergadering We hadden toen de hoop dat ze gaandeweg weer kon deelnemen aan de werkzaamheden Tot ons leedwezen heeft dit niet mogen zijn Het was de laatste vergadering die ze bijwoonde Reeds was ze door de dood getekend In onze gedachten en in onze herinnering zal ze als een kundig en actief medelid, als een hartelijke collega voortleven DEREDACTIE Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 243 Vondel's derde boek der bespiegelingen en bellarminus Door de studies over Vondel's Heerlyckheit der Kercke, Altaergeheimenissen, Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst en de Lucifer is voldoende komen vast te staan dat Vondel herhaaldelijk putte uit de werken der Paters Jesuieten Kon voor de Lucifer moeilijk een bepaalde auteur worden aangewezen, omdat er slechts enkele hoofdgedachten aan ten grondslag liggen, die bij alle schrijvers uit de school van Suarez worden aangetroffen en kon er voor de twee eerste boeken der Bespiegelingen tot nog toe slechts in de richting van Lessius worden gewezen, in zijn Heerlyckheit der Kercke volgde hij het Epitome van de Jesuiet Bisciola, en bij het schrijven van zijn Altaergeheimenissen liet hij zich leiden door de Disputationes van Bellarminus Onlangs werd ik getroffen door de overeenkomst van Vondel's derde boek der Bespiegelingen en het werkje van R Bellarminus: De ascensione mentis in Deum Bij nadere vergelijking bleek al spoedig dat dit geschrift van Bellarminus aan Vondel's derde boek ten grondslag ligt In 1645 bezaten de P Jesuieten nergens te Amsterdam een boekerij, en het zal bij de andere Missionarissen wel niet anders geweest zijn, maar een twintig jaar later waren de toestanden der Missionarissen te Amsterdam heel wat veranderd en bij het portret van de Minderbroeder Jan Boelensz, door H Quellinus getekend (c 1664) en door Vondel van een onderschrift voorzien, valt een groot aantal geschriften op van theologische auteurs, waaraan enig vertoon mogelijk niet geheel vreemd is, maar waarbij de fantasie van de kunstenaar toch niet alles uit de lucht heeft gegrepen 1)We mogen dan ook aannemen dat het boekje van Bellarminus rond 1660 op een boekerij der Jesuieten te Amsterdam aanwezig was, te meer daar het algemeen was verspreid, en al zou het daar ontbroken hebben, de Jesuieten hebben hem in die tijd minstens evenzeer daarnaar kunnen verwijzen als in de veertiger jaren naar Bellarminus' Disputationes 1) Franciscaansch Leven 1933 (16) 266275 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 244 Bellarminus schrijft in de Inleiding van het werkje: ‘Aangespoord door het voorbeeld van de H Bonaventura, die in gelijke afzondering zijn Itinerarium mentis in Deum schreef, heb ik getracht uit de beschouwing der schepselen een ladder te bouwen, waarlangs men gemakkelijk tot God kan opstijgen Ik heb die in vijftien trappen verdeeld, naar model van de vijftien trappen, waarlangs men opging naar de tempel van Salomon, en van de vijftien psalmen, die men de trappsalmen noemt’ 2)Vondel's bedoeling nu met het boek der Bespiegelingen was: in de schepselen Gods wijsheid, zijn ordening, instandhouding, bestuur, kortom Gods Voorzienigheid aan te tonen; daarom kon hij alle elementen van de schepselen die Bellarminus getroffen hadden, voor zíjn doel gebruiken Het boekje van Bellarminus verscheen in 1615 in zeven edities: in Frankrijk, Duitsland, Italië en de Nederlanden Tot 1637 beleefde het werkje achttien verschillende uitgaven, terwijl het ook in diezelfde tijd in een Spaanse, Italiaanse, én Nederlandse vertaling het licht zag De editie van 1662 (het jaar waarin de Bespiegelingen verschenen) te Keulen was de negentiende en laatste druk van de 17e eeuw Welke van de achttien vroegere uitgaven Vondel gebruikt heeft, is wel niet uit te maken, en dat isvoor Vondel's afhankelijkheid van dit werkje ook van geen betekenis, daar de drukken van Lyon in 1615, van Keulen in 1618 en 1624 door de auteur zelf herzien zo geringe veranderingen bevatten, dat ze zelfs in een woordelijke vertaling verloren gaan Wellicht gebruikte hij een van de uitgaven van 1615 of 1618, van de drukkerij PlantijnMoretus te Antwerpen Misschien heeft Vondel de Nederlandse vertaling van de Jesuiet Nicolaas van Buren (Burenus) gekend: Opclimminghe des Gheests tot Godt door de Leeder der Creatueren T'Hantwerpen, Bij Guilliam Lesteens, 1617 Vergelijking evenwel van Vondel's vertalingen met die van Van Buren wijst uit dat Vondel ze niet voor zijn Bespiegelingen gebruikt heeft: zijn woordkeus is doorlopend anders 2) Sancti Bonaventurae exemplo admonitus, qui insimili recessu scripsit itinerarium mentis in Deum, tentavi scalam ex creaturarum consideratione conficere, per quam utcumque ad Deum possit ascendi; eam vero quindecim gradibus distinxi ad similitudinem quindecim graduum, quibus ascendebatur ad templum Salomonis, etquindecim Psalmorum, qui graduales dicuntur Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 245 Vondel heeft De Ascensione mentis in Deum van Bellarminus op dezelfde wijze benut als diens Disputationes voor zijn Altaergeheimenissen De opbouw van Bespiegelingen III heeft hij geheel ontleend aan Bellarminus, grote gedeelten heeft hij vertaald, andere vrij weergegeven; hij heeft er uit andere schrijvers bijgevoegd, wat hem voor zijn doel geschikt leek of waar zijn bizondere belangstelling naar uitging Bellarminus baseerde zijn boekje op de openbaring, Vondel ging uit van de rede; Bellarminus schreef tot stichting van de christenen, Vondel betoogde tegen ongodisten, verloochenaars der Godheid of goddelijke Voorzienigheid Bellarminus' werk is theologischascetisch, Vondel's boek natuurfilosofisch Bellarminus beroept zich voortdurend op de Schriftuur, Vondel stond op zuiver rationele grondslag Vandaar dat de morele, ascetische en symbolische toepassingen van Bellarminus voor Vondel's doel geen waarde hadden Hij laat die dan ook zo goed als altijd weg De parallel van de werken van beide schrijvers moge de afhankelijkheid van Vondel voor de opbouw aantonen Vondel 3) Bellarminus Scalae ascensionis in Deum Gradus primus: Ex consideratione hominis I Godts voorzienigheit blijckt in den mensche, de kleene weerelt (vs 9198): Homo compendium totius mundi c 1 Deus hominem procreavit c 2 Corporis materia c 3 in het wezen der ziele (vs 199232): Forma hominis substantialis est anima: imago Dei c 4 Finis hominis non alius est quam ipse idem Deus c 5 Deus praemium servientis hominis esse vult c 6 in de groote weerelt (vs 233240): Gradus secundus Ex consideratione majoris mundi II 3) Het cursieve isontleend aan de Kantteekeningen, wat tussen aanhalingstekens staat is ontleend aan de verstekst, het overige geeft de gedachten van Vondel weer Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 246 In de grootheit der aerde (vs 241268): Magnitudo c 1 in d'ontelbaerheit der dingen (vs 269292): Multitudo c 2 in de verscheidenheit (vs 293338): Varietas c 3 in de kracht en het vermogen der schepselen (vs 339378): Efficacitas c 4 in de schoonheit der schepselen (vs 379418): Pulchritudo c 5 In de schoonheit der vrouwe (vs 419460) Homines nihil magis quam sua ipsorum venustas speciesque delectat Gradus tertius Ex consideratione orbis terrae III in de hooftstoffen (vs 461492): Mundi corporalis partes principales c 1 in d' aerde (vs 493530): Terra est: ‘vastigheit der aerde’ (v 507516), fundamentum, ‘voester’ (vs 517518), nutrix; ‘levert stoffen uit’ (vs 519522) producit lapides et metalla et aurum atque argentum Sunt symbola Conditoris: Fundamentum, Firma petra, c 2 Verus nutritius; c 3 in het gesteente (vs 541560): Continet lapides c 4 in den erts (vs 561586): Producit aurum, argentum in het water (vs 679699): Gradus quartus Ex consideratione aquarum, ac praecipue fontium IV ‘het water kan zuiveren en wassen’ (vs 681682), Aqua lavat et abstergit maculas, c 1 ‘bluscht den brant des viers’ (vs 683684), exstinguit ignem, Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 ‘lescht den dorst’ (vs 687), refrigerat et temperat ardorem sitis, ‘helpt te zamenkneden’ (vs 6856), conjungit res multas ac diversas in unum; stijgt op naar de maan, vanwaar het neerzijgt (vs 692693) quam profunde descendit, tam alte ascendit Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 247 (De vijf eigenschappen van het water worden in c 15 op God toegepast) ‘Het springt ter bronaêr uit, totdat het stroomen baere’ (vs 688691), Fons aquae id habet proprii, ut ab eo nascuntur flumina c 6 Teelt vruchten (vs 694695) Fons vitae c 7 Fons sapientiae verbum Dei c 8 in de lucht (vs 703778): Gradus quintus Ex consideratione aëris V ‘de lucht adem geeft’ (vs 707708) Respiratione deservit; c 1 ‘dient de tonge, en oogen, en alle ooren’ (vs 709712) oculorum, aurium et linguae usui necessarius est; zonder lucht ‘kan geen zich roeren’ (vs 713716) necessarius est ad motum de levenden ‘moeten zonder lucht en aêmtocht sterven’ (vs 717724) Eget corpus continua respiratione, ut vitam conservet ‘de dunte van de lucht’ (vs 725778) Subtilitas aëris c 2 Ipse aër suavitatem et benignitatem Conditoris sui representat c 3 Si Conditor tam suavis, an non deberes et tu proximos benigne tolerare c 4 in het vier (vs 811828): Gradus sextus Ex consideratione ignis (in c 16 op God toegepast) VI in het gestarnte, en den loop der starren (vs 829952): Gradus septimus Ex consideratione coeli, id est, solis, lunae et stellarum VII ‘wat grootheit, schoonheit, macht!’ (vs 837952) Sol est tabernaculum Dei Pulchritudo solis c 1 ‘wat gaet zo snel door lucht of zwerck!’ (vs 889920) Velocitas solis c 2 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 ‘de starren verleenen groey, en leven’ (vs 921927) Efficacitas luminis et caloris c 3 ‘de bruit’ (vs 869876) Luna c 45 ‘Dans van vaste en losse starren’ (vs 853868) Stellae c 6 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 248 in de ziele buiten het lichaem (di de ziel niet Gradus octavus Ex consideratione animae rationalis VIII beschouwd als corporis forma) (vs 9531092): ‘De ziel is geest, geen lijf’ (vs 953963) Est spiritus, c 1 ‘Draeght de kroon van Godts onsterflijckheit’ (vs 964969) immortalis, c 2 in d'onsterflijckheit der ziele (vs 9991178): ‘Wat is de ziele al lichts van kennisse beschoren’ (vs 970984) lumine intelligentiae praedita; c 35 in den vryen wille (vs 985989): donata est libero voluntatis arbitrio, c 6 quod facit hominem virtutum capacem c 7 ‘Zy beheerscht het gansche lijf, is heel in ieder lidt’ (vs 990994) Anima tota in toto et tota in singulis partibus est c 8 Habet imaginem Trinitatis c 9 Het wezen van de ziel kan niet gezien worden (vs 10011002) Anima, quamvis non videatur ac vix in corpore esse intelligatur, tamen c 10 Godts voorzienigheit blijckt in het geestendom, by ons Gradus nonus Ex consideratione Angelorum IX het engelsdom genoemt (vs 11791192) ‘wezen en natuur’ (vs 11831187) Natura c 1 Intelligentia et scientia c 2 Potentia et imperium supra corpora c 3 Deus attribuit locum in coelo c 4 Dignitas, secundum gratiam c 5 uit het ampt van 't geestendom: (vs 12911328) Officia c 6 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 Gradus decimus Ex consideratione Essentiae Dei X Gradus undecimus Ex consideratione Potentiae Dei XI Gradus duodecimus Ex consideratione Sapientiae theoreticae Dei XII Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 249 Gradus decimus tertius Ex consideratione Sapientiae practicae Dei XIII Gradus decimus quartus Ex consideratione Misericordiae Dei XIV Gradus decimus quintus Ex consideratione Justitiae Dei XV In de navolging der compositie gaat Vondel zover, dat hij dezelfde overgangen als Bellarminus heeft van het een op het ander punt, voor zover de opzet van de dichter dat toeliet Slechts een paar voorbeelden: Bell II, 3: ‘Maar ofschoon de veelheid der geschapen dingen wonderbaar is, en overtuigt van de veelvuldige volmaaktheid van de ene God, is toch de verscheidenheid der dingen veel wonderbaarder, die in de veelheid wordt gezien en heel gemakkelijk tot de kennis van God voert; want het is niet moeilijk, met een zegel veel volkomen gelijke beelden weer te geven, noch met dezelfde lettertypen ontelbare letters te drukken; maar de vormen op haast oneindige wijze te variëren, zoals God in de schepping der dingen heeft gedaan, dat werk is geheel goddelijk en allerbewonderenswaardigst’ 4) Hoe kan d' ontelbaerheit der dingen ons verstommen, Als Godts volkomenheên in alle wezens brommen, En 'tendeloos getal, verscheiden uitgespreit, Ons in de kennis voert van d' eenige enckelheit! Noch wonderlijcker blijckt de Godtheit in 'tschakeeren Zoo veeler schepselen want druckt een' zegelring Alleen een eenigh beelt en wapen in een ding, En kan een druckvorm slechts een zelve boeckstaef drucken; Wie twijfelt dan dat Godt, in endelooze stucken, Door 'tscheppen zijne maght en miltheit heeft getoont? (vs 293307) 4) Sed quamquam admirabilis sit multitudo rerum creatarum, etmultiplicem unius Dei perfectionem arguat multo tamen admirabilior est varietas rerum, quae inilla multiplicatione cernitur, etfacilius ad Dei cognitionem ducit; non enim difficile est, uno sigillo multas figuras omnino similes exprimere: nec iisdem typis innumerabiles literas excudere, sed variare formas infinitis prope modus, quod Deus fecit increatione rerum, hoc plane divinum est opus, et admiratione dignissimum Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 250 Bell IV, 1: ‘De tweede plaats onder de elementen der wereld houdt het water’ 5) Nu volght het water d'aerde (vs 679) Bell VIII, 1: ‘Tot nu toe hebben we alle lichamelijke dingen nagegaan’ 6) Ick schey van 'tlichaemdom (vs 953) Bell IX, 1: zie onder Blijkt uit een en ander dat Vondel de bouw van zijn boek aan Bellarminus heeft ontleend, meteen is daaruit duidelijk dat verschillende gedeelten van Bellarminus bij hem niet voorkomen De laatste zes graden bespreekt hij in het geheel niet, daar die niet meer de schepselen beschouwen en daardoor buiten zijn opzet vielen Andere gedeelten liet hij zonder meer weg, of verving die door andere Behalve dat hij meestal de ascetische beschouwingen en morele toepassingen van Bellarminus voorbijging als niet passend in het kader van zijn boek, zijn er verschillende andere plaatsen in Bellarminus die we vergeefs bij Vondel zoeken De schepping van de mens door God (I, 2) is bij Vondel niet te vinden In vs 99113 geeft hij in plaats van de herkomst (I, 3) de doelmatigheid van het lichaam in: d'ontledinghe des lichaems Bellarminus bespreekt èn de val van de man door de schoonheid van de vrouw èn die van de vrouw door de schoonheid van de man (II, 5) Vondel beperkt zich tot het eerste (vs 419460) Aleer Bellarminus de elementen aarde, water, lucht en vuur in vier opeenvolgende trappen (IIIVI) gaat behandelen, geeft hij een beschouwing over de verhouding van de vier elementen in de makrokosmos Vondel vervangt dat door de verhouding der elementen in de mikrokosmos, wat hem blijkbaar meer interesseerde, wellicht onder invloed van de opkomende biologische wetenschap (vs 461492) Na de beschouwing der aarde als fundamentum, nutrix en productrix (III, 1) die Vondel volgt (vs 507522), past Bellarminus die symbolisch toe op God (III, 14) Vondel heeft dat vervangen door de heelsaemheit en artseney der dingen (vs 531540): van gesteente 5) Secundum locum inter elementa mundi tenet aqua 6) Pertransivimus hucusque res omnes corporales Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 251 (vs 54160), erts (vs 561586), bloemen, lover, kruiden en dieren (vs 587620), het leeraeren der schepselen (vs 621652), de voorzorge en bewaernisse der schepselen (vs 653678) De symbolische (V, 3) en ascetische (V, 4) toepassing van de lucht vervangt Vondel door het luchtendom (vs 779810) Bij de beschouwing van het gesternte bespreekt Bellarminus achtereenvolgens zon (VII, 13), maan (VII, 45) en sterren (VII, 6) Vondel verbreekt die orde (vs 829927) Bij de sterren vergelijkt Bellarminus naar de mode van zijn tijd de loop der sterren bij een dans: ‘En omdat de sterren in onderlinge verhouding altijd in een kring wentelend niet moede worden, schijnen zij als eerbare en in de dans ervaren maagden aan de hemel allerlieflijkste reidansen uit te voeren’ 7)Vondel maakt naar zijn geliefde voorstelling de zon tot middelpunt, waaromheen de maan danst als de bruid en de sterren als bruiloftsgasten, een voorstelling die hij reeds in zijn Heerlijckheit van Salomon (vs 845986) ontleende aan Du Bartas, en twee jaar na Bespiegelingen in de Adam in Ballingschap toepast op Adam, Eva en de wachtengelen (vs 833928) De lust aan deze verbeelding verleidde hem tot verbreking van de meer ordelijke gedachtengang van Bellarminus (vs 853868) De ongeregelde zucht der mensen naar bezit, macht en eer bespreekt Bellarminus in VII, 3 Vondel schuift die naar voren na de sterrendans (vs 8808) Ook bij de bespreking der ziel en haar eigenschappen verbreekt Vondel de orde enigszins, zoals blijkt uit bovenstaande parallel bij VIII, 2 Hij gewaagt tweemaal van de onsterfelijkheid der ziel: vóór de bespreking van verstand en vrije wil, evenals Bellarminus doet (vs 964969), en nog eens daarna (vs 9991178) In het eerste geval doet hij niets meer dan Bellarminus: uit de onstoffelijkheid besluiten tot de onsterfelijkheid; in het tweede geval verdedigt hij uitdrukkelijk de onsterfelijkheid der ziel tegen de ongodisten, op de plaats (VIII, 10) waar Bellarminus maar enkele regels wijdt aan de bezieling van het lichaam Vondel volgde zijn voorbeeld niet slaafs in de opbouw, ofschoon 7) Et quoniam stellae servata proportione semper inorbem se convertendo non fatigantur, videntur instar virginum honestarum etsaltandi peritarum incoelo semper choreas jucundissimas agere Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 252 het geraamte daarvan duidelijk dat van de compositie van Bellarminus is, ook in de uitwerking wijkt hij, behalve voor de teksten die niet bij zijn opzet pasten, nu en dan van zijn voorbeeld af Evenwel zijn hele passages niet anders dan vertalingen uit Bellarminus Wat Vondel geeft over de wereld is grotendeels een overzetting van II, het meeste is verder gevolgd naar III (aarde), V(lucht), VII (gesternten), VIII (ziel) We laten hier enkele teksten van beide auteurs volgen, die doen zien hoe de dichter de tekst van Bellarminus omschept in verzen ‘Vergeleken bij de omvang van de hoge hemel, wordt de aarde door de astronomen een punt genoemd Want wij zien dat de stralen van de zon zo de sterren van het uitspansel, langs de aarde die daar tussen ligt, bereiken, alsof er de aarde in het geheel niet was En als elke ster aan het firmament groter is dan heel de aardbol, zoals het algemeen gevoelen der geleerden is, en die sterren wegens de haast oneindige afstand toch heel klein schijnen, wie kan dan in zijn gedachte de grootte van de hemel vatten, waar zoveel duizenden sterren stralen Als dan over het oppervlak en de diepte der aarde Ecclesiasticus heeft gezegd: “De breedte der aarde en de diepte van de afgrond, wie heeft ze gemeten?” wat zou hij dan zeggen, vraag ik, over het buitenste oppervlak van de hemel en over de diepte van de hele wereld vanaf het hoogste van de hemel tot aan de onderwereld? Dit lichamelijk gevaarte van de wereld is zo groot, dat geen verstand, geen gedachte ze kan echterhalen Welaan dan, mijn ziel, vraag uzelf af, als de wereld zo groot is, hoe groot is dan Hij, die de wereld heeft gemaakt’ (II, 1)8) 8) Et quanta quaeso est moles terrae, siad coeli supremi ambitum comparetur? Instar puncti dicitur ab astrologis, nec immerito Videmus enim solares radios per interpositam terram ita pertingere ad stellas firmamenti oppositas, ac siterra nihil omnino esset Et sistella quaelibet firmamenti major est toto orbe terrarum, utsapientum communis opinio est, ettamen nobis ob infinitam prope distantiam stellae illae minutissimae videntur: quis cogitando assequi poterit amplitudinem coeli, ubi tot millia stellarum lucent? Ergo side superficie etprofunditate terrae Ecclesiasticus dixit: Latitudinem terrae etprofundum abyssi quis dimensus est ?quid quaeso de superficie exteriore coeli etde profundo mundi totius asummo coelo usque ad inferos diceret? Omnino tanta est moles corporalis mundi hujus, utnulla mens, nulla cogitatio eam assequi possit Age nunc, anima mea, interrogo te, sitantus est mundus, quantus est qui fecit mundum? Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 253 En noch is'taertsch gevaert, by 'themelsch te gelijcken, Een enckel punt in 'toogh, verlieft op starrekijcken: Want wanneer d'aerdtkloot recht de starren staet in 'tlicht, Dan snijt die kloot geen punt uit 'shemels aengezicht Is elcke star zoo groot als d' aerdtkloot in haer rijzen, Of grooter, naer 'tbesluit van alle starrewijzen, En schijnenze evenwel, hoe wijdt zy staen van een, Dus klein op ons gezicht; wie kan van hier beneên Met zijn gedachtenis het hemelsch ront bepaelen, Daer zoo veel duizenden van diamanten praelen Aen dien doorluchten ring, gepast als aen de hant Van Godts onmeetbaerheit, die oost en west bespant? Is d'aerdtkloot nu zo groot, gelijck de meesters sluiten, Hoe groot isdan 'tgewelf der hemelen van buiten! Nu peilt de hooghte van den hemel, zoo gy kunt, Tot 'saerdtrijx navel toe, of 'safgronts middelpunt: Heeft deze grootheit noch haer eindt en zekre paelen, Wie kan d'oneindigheit van Godt dan achterhaelen? En wat isdit heelal, indien men Godt beschou, In grootheit meerder dan een druppel morgendou! (vs 249268) ‘Wie zal vervolgens de veelheid tellen der geschapen dingen, door de ene Maker van hemel en aarde geschapen De zandkorrels der zee en de regendruppels, wie heeft ze geteld’ (II, 2)9) Men daege Euklides hier, den vorst der rekeningen, Om ons d' ontelbaerheit van alle schepselingen Te tellen, drup voor drup, gestort van 'shemels kruin, En al het stuivend zant, gewaeit langs zee en duin (vs 269272) ‘Maar deze kleine dingen terzijde latend, hoeveel metalen van goud en zilver, van koper en lood, en kostbare stenen en edelgesteenten en parels’ (Ibid) 10) 9) Jam vero multitudinem rerum creatarum ab uno Deo conditore coeli etterrae quis enumerabit? arenas maris etpluviae guttas, inquit Ecclesiasticus, quis dinumeravit ? 10) Sed omissis rebus istis minutissimis: quot sunt intra terram etmaria metalla auri etargenti, aeris etplumbi etlapides pretiosi, ac gemmae etmargaritae? Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 254 Maer dit voorbygerent, de kostelijcke waerde Van allerley metael, gesteente en schat, in d'aerde Begraven, en ontdeckt, terwijl den gierigaert Zijn moeders ingewant en boezem nimmer spaert, Wort nimmer volwaerdeert (vs 273277) ‘Hoeveel geslachten, soorten en afzonderlijke dingen op aarde van kruiden, vruchten, planten’ (Ibid) 11) Wat teelen Godts landouwen Al kruiden, planten, ooft en vruchten, onder 'tbouwen Des slaefschen ackermans, die klay en klonte breeckt, Daer 'tkouder is, of daer de zon van hitte steeckt! (vs 277280) ‘Hoeveel geslachten, soorten en exemplaren van vissen! Wie zal ze tellen?’ (Ibid) 12) Wat teelen zee en lant al visschen, vogels, dieren, Die by hun element, of aerde, of waeter tieren, Of zweven in de lucht (vs 281283) Zo volgt Vondel bijna heel de tweede trap van Bellarminus zin voor zin, nu eens wat woordelijker, dan wat vrijer, meestal met toevoeging van een eigen noot en altijd in eigen dichterlijke zwier van vs 249460 Op dezelfde manier heeft Vondel in de vss 493522 het begin van III, 1vertaald, dat handelt over het element aarde, in de vss 703776 V, 12, over de lucht, in de vss 889904 VII, 2, over de snelheid van de zon We geven nog enkele fragmenten van Bellarminus: over de ziel, met daarbij de vertaling van Vondel ‘De ziel van de mens is geest, geen lichaam, noch uit stof gevormd God is geest Maar ofschoon èn God geest is èn de ziel van de mens geest is, is God toch ongeschapen geest en schepper, de ziel een geschapen geest Hoe kan de ziel zich verheugen, dat ze als zelfstandigheid geestelijk is, en daardoor hoger dan 11) Quot supra terram genera etspecies etindividua herbarum, fructicum, plantarum? 12) Quot inmari genera, species, individua piscium? quis enumeret? Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 255 hemel en sterren door de adeldom van haar natuur’ (VIII, 1)13) De ziel isgeest, geen lijf, uit aerdtsche stof gebootst, En Godt islichaemloos, en geest, doch allergrootst, Een ongeschapen geest: zoo zweeft de ziel met reden Noch hooger dan de zon, daer zellefstandigheden Van geesten legeren, en naderen Godts troon (vs 959963) ‘Vervolgens omdat de ziel van de mens eenvoudig is, is ze ook onsterfelijk Hoe kan zij zich op dit punt verheffen boven de zielen der stomme dieren, die met het lichaam vergaan De menselijke ziel was eens niet, en is alleen door Gods wil tot het zijn gekomen, en door dezelfde wil van God zou zij teruggebracht kunnen worden tot het niet, ofschoon zij in zich geen beginsel van verderf heeft’ 14) (VIII, 2) De ziel isonverknocht, en draeght hierom de kroon Van Godts onsterflijckheit, een' titel, in dit leven, Den onvernuftigen en stommen noit gegeven, Die met hun lijf vergaen; terwijl de ziel, in staet Van duuren, door Godts hant gehanthaeft, niet vergaet, En danckt den eeuwigen, uit wien zy wiert geboren (vs 964969) ‘Ten derde is de menselijke ziel begaafd met het licht van het verstand; want ze kent niet slechts de dingen die voor de zintuigen van het lichaam toegankelijk zijn, maar ze oordeelt ook over de zelfstandigheid, en niet slechts over de afzonderlijke dingen, maar ook over de algemene en al redenerend stijgt ze boven de hemelen uit, doorvorst uit de oorzaken de gevolgen en uit de gevolgen 13) Anima vero humana proprie spiritus est, non corpus, neque ex materia producitur Deus spiritus est Sed quamquam etDeus spiritus est etanima spiritus est: tamen Deus est spiritus increatus etcreator, anima spiritus creatus Quantum laetari potest anima, quod sit ingenere substantiae spiritualis, ac per hoc coelo etsideribus altior nobilitate naturae 14) Deinde anima humana, quia spiritus simplex est, immortalis etiam est Sed inhac requoque quantum gloriari potest supra animas brutorum animantium, quae cum corpore intereunt Anima enim humana aliquando non fuit etsolius Dei voluntate ad esse pervenit; etejusdem voluntate Dei posset ad nihilum redigi, quamvis inse corruptionis principium non habeat Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 256 gaat ze terug naar de oorzaken; ten slotte bereikt ze God zelf’ (VIII, 3)15) Wat isde ziele al lichts van kennisse beschoren, Die door de zinnen vat al wat zich openbaert Van buiten, en in zich vergadert en bewaert Een' onwaerdeerbren schat van alle weetenschappen, Tot datze Godt genaeckt, langs zijn geschape trappen, Door redenkavelen van d'oirzaeck tot het werck, Van 'twerck tot d' oirzaeck toe (vs 970976) ‘De ziel is begaafd met het licht der kennis; maar God is het licht en de kennis God kent door een enkele en eenvoudige blik tegelijk alles volmaakt God ziet altijd al de toekomende dingen niet minder helder, dan de verledene en tegenwoordige De ziel behoeft veel dingen om het verstand te kunnen gebruiken: een voorwerp, een gedaante, een verbeelding, ea’ (Ibid) 16) De Godtheit kent het al, en redenkavelt niet Wat tegenwoordigh is, wat was, wat noch zal worden, De Godtheit ziet het al, een ieder op zijne orden: De ziel behoeft den bril, terwijlze in 'tlichaem quijnt, En haer een nieuwe star, dan hier dan daer, verschijnt (vs 980984) Op verschillende plaatsen volgt Vondel zijn voorbeeld vrijer; hij vat kort samen of breidt uit en vult aan met eigen voorbeelden, hetzij uit eigen waarneming, hetzij uit andere schrijvers Voorbeelden daarvan zijn vss 3447 (II, 4), 379418 (II, 5), 752753 (V, 2), 819828 (VI, 1), 829836 (VII, 1), 837852 (VII, 2), 853869 (VII, 6zie boven) 15) Tertio anima humana lumine intelligentiae praedita est cognoscit enim non solum quae sensibus corporis patent; sed etiam de substantia judicat etde rebus non solum singulis, sed etiam universis, etdiscurrendo transcendit coelos, ex causis scrutatur effecta etex effectis recurrit ad causas Denique Deum ipsum attingit 16) Anima lumine intelligendi praedita est, sed Deus est lux etintelligentia Deus intuitu uno ac simplici simul omnia perfecte cognoscit Deus omnia futura non minus perspicue quam praeterita etpraesentia semper intuetur Anima multis indiget, utintelligentiae munus exerceat objecto, specie, phantasmate etaliis Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 257 Een paar malen is Vondel door Bellarminus op sleeptouw genomen en veroorlooft hij zich morele uitweidingen, die buiten het plan van zijn boek vallen Met de misleiding door de vrouw (II, 5) trof Bellarminus Vondel in het hart De drie bijbelse voorbeelden van David, Salomon en Samson had hij ten spiegel gesteld voor zijn tijd in drastische verbeeldingen Vondel zag over het hoofd dat deze uitweiding van de asceet niet paste in zijn rationeel betoog over Gods Voorzienigheid, en hij liet zich gaan bij deze tragiek van het leven die hij zo diep aanvoelde (vs 419460) Elders schrijft Bellarminus: als de zon de schepselen zozeer verblijdt, wat zal de ongeschapen Zon dan voor de mens zijn En hoe droevig zal het dan zijn, voegt hij er aan toe, wanneer de mens in eeuwige duisternis van de stralen dier ongeschapen Zon zal beroofd zijn (VII, 1) Vondel vervangt deze opmerking van Bellarminus door een andere die hij bij Bellarminus VII, 3had gelezen, dat ‘zovelen die als wijs willen beschouwd worden, in het opstapelen van rijkdommen, in het zoeken van zinnelijke genietingen, in het verwerven van eer, geen maat kennen, alsof deze goederen het einddoel van het menselijk hart zouden zijn’ 17)De dichter van de baat en staatzucht gaf deze opmerkingen niet graag prijs (vs 880889) Vergelijking van de bewerking van Vondel met zijn origineel werkt niet alleen verhelderend op de compositie van Vondel, maar ook op de tekst Een aantal commentaren in de WB worden dan ook door de tekst van Bellarminus verduidelijkt en verbeterd Bij de vss 251252: wanneer d'aerdtkloot recht de starren staet in 'tlicht, Dan snijt die kloot geen punt uit 'shemels aengezicht, geeft de WB de volgende verklaring: ‘Wsch bedoelt Vondel, dat de aardbol in vergelijking met de sterren nauwelijks een stip (punt )van de hemeloppervlakte beslaat’ Wie deze verzen vergelijkt met de tekst van Bellarminus op blz 252, zal onmiddellijk zien dat deze verklaring niet helemaal juist is; de aarde is niet een stip in vergelijking met de sterren, maar in het heelal 17) Unde igitur fit, uttam multi qui sapientes videri volunt, incoacervandis divitiis, inquaerendis voluptatibus carnis etinadipiscendis honorum gradibus nullum modum inveniant, quasi haec bona finis sint cordis humani Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 258 Voor de vss 707714: Terwijl de lucht de long der dieren adem geeft, Bewaertze en onderhoudtze in 'tleven al wat leeft: Terwijlze dient de tonge, en oogen, en alle ooren, Kan ieder spreecken, zien, en klanck en stemmen hooren, En zonder haeren dienst, die deze leden stut, Waer ieder stom, en blint, en doof, en gansch onnut 'tEn zy de levenden hier lucht en adem scheppen, Kan geen der levenden zich roeren noch verreppen zou volgens de WB Vondel zich, maar met enig voorbehoud, hebben aangesloten bij Vossius ‘Vossius behandelt in De Theol Gentili, Lib III ook de elementen, maar in de volgorde: aarde, vuur, water, lucht Vondel houdt aan de gewone orde: aarde, water, lucht, vuur En nadat hij over aarde en water zijn eigen denkbeelden heeft geuit, knoopt hij in deze vss over de lucht weer ineens bij Vossius aan: “Aër requirebatur tum ad loquendum, tum ad audiendum Nam opus erat aëra, quem sonum recepit, transvehere ad aures Quaere (lees: quare) absque aëre foremus quasi surdi et muti” Lib II, cap LXXXIII (ed 1668, blz 363)’ Behalve dat Vondel de orde der elementen naar Bellarminus volgde, en dat hij niet zijn eigen denkbeelden gaf over aarde en water, maar de denkbeelden van Bellarminus, sloot hij zich niet aan bij Vossius, maar bij Bellarminus, die in V, 1 dezelfde gedachte aldus formuleert: ‘Ze (de lucht) is voor het gebruik der ogen, oren en tong zozeer noodzakelijk, dat als ze toevallig zou worden onttrokken, wij allen onmiddellijk, ofschoon al het overige aanwezig zou zijn, blind en doof en stom zouden worden’ 18)De woordelijke overeenkomst met Bellarminus springt in het oog De tekst van Bellarminus weerspreekt de verklaring van de vss 717720: Zy (de levenden) kunnen spijs en dranck een wijl in kommer derven, Maer moeten zonder lucht en aêmtoght, daetlijck sterven: 18) Deinde oculorum, aurium etlinguae usui usque adeo necessarius est, utsiisforte subtrahatur, etiamsi caetera adsint omnia, continuo caeci, surdi ac muti omnes efficiamur Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 259 Want ingeboren gloet eischt koelte, oock wint, en lucht, Die 'tbloet ontvonckt, eer 'tvier den geest geeft met een' zucht De zin der twee laatste verzen is wel niet, zoals de WB met een beroep op Vossius verklaart: ‘Vondel bedoelt, dat de lichaamswarmte door de ademhaling moet worden onderhouden, wijl anders dat inwendige vuur uitgaat’, maar juist andersom, dat de inwendige gloed die het bloed verwarmt moet afgekoeld, getemperd worden, daar anders het inwendige vuur het zou begeven Dat wordt duidelijk door de tekst van Bellarminus (V, 1), die Vondel verwerkte: ‘Het lichaam heeft behoefte aan voortdurende ademhaling, omdat de natuurlijke warmte (ingeboren gloet), waardoor het hart gloeit (die 'tbloet ontvonckt), door de werking van de long, die de koude lucht (koelte, oock wint en lucht) aanvoert en de warme afvoert, zo getemperd wordt, dat ze het leven onderhoudt, zonder welke ademhaling het niet bewaard kan worden (eer 'tvier, di de levenswarmte, den geest geeft met een' zucht)’ 19) In de volgende verzen over de lucht is geen enkele regel aan Vossius ontleend, maar alle zijn ze naar Bellarminus Noch wonderlijcker is't, dat dit verdunde wezen, Een lichaem in der daet, terstont, gelijck genezen, Te zamenrunt, hoe fel het iemant klieft en deelt 'tGescheurde lichaem wort op staenden voet geheelt Geen web van spinnekop of Kaemerijckse draeden Na'et scheuren wort hernaeit, men ziet de scheur, en naden (vs 733738) De WB tekent bij vs 737 aan: ‘ook dit is van Vossius: “Fila aranearum, ut facile rumpas, sic difficulter rumpas, sed scissus (aër) etiam facile unitur”, lc bl 363’ Vergelijk daarmee echter Bellarminus (V, 2): ‘Wat onze bewondering nog groter maakt is, dat ofschoon de lucht een heel fijn en dun lichaam is, toch wanneer ze gekliefd wordt, met het grootste gemak zich weer samenvoegt, alsof ze nooit gekliefd was geweest Een verbroken spinnedraad evenwel of een heel dunne gescheurde sluier kan geen kunstenaar zo herstellen, dat de vroe 19) Eget corpus continua respiratione, quoniam calor naturalis, quo cor exaestuat, ministerio pulmonis aërem frigidum attrahentis etcalidum ejicientis ita temperatur, utvitam conservet, sine qua respiratione conservari non potest Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 260 gere scheur niet te merken is’ 20)Zinsdeel voor zinsdeel is van Bellarminus Het idee van zoveel zichtbare verscheidenheden in één lucht (vs 741748) heeft Vondel niet, zoals de WB zegt, van Vossius, ‘die het duidelijker op het gehoor betrekt’, maar alweer van Bellarminus (V, 2): ‘Voeg daar nog aan toe, wat alle bewondering ten zeerste verdient, en alleen Gods wijsheid eigen is, dat door eenzelfde gedeelte van de lucht onvermengd en tegelijk ontelbare soorten kleuren heengaan Wie 's nachts bij het schijnen der maan op een open en hoge plaats de sterren aan de hemel, en de velden op aarde vol bloemen, en tegelijk de huizen, bomen, dieren, en veel andere dergelijke dingen aanschouwt, kan niet ontkennen, dat in die lucht die hem omgeeft tegelijk de gedaanten van al die dingen vervat zijn en onvermengd vervat zijn’ 21) Oock kan de glori van Godts wijsheit nimmer sterven, Daer 'tzelve luchtpunt grijpt en maelt ontelbre verven, Op eenen oogenblick, als 'snachts, by helder weêr, En klaeren maeneschijn, verschijnen, tot Godts eer, De starren aen de lucht, om laegh de landeryen, Vol vruchten, vol geboomte, en vee aen alle zijen, In eene zelve lucht, die voor onze oogen hangt, En daer de spiegel van 'tgezicht dien schijn ontvangt (vs 741748) De WB noteert bij vs 11791190: ‘Na zijn uitvoerige beschouwing van de menschelijke ziel houdt Vondel zich maar kort met de Engelen bezig; in vs 12911316 komt hij echter op het geestendom terug’ Inderdaad heeft het de schijn dat Vondel na vs 11791190 op een ander onderwerp: Gods Voorzienigheid, overgaat, en daarna 20) Sed admirationem auget, quod cum sit aër subtilissimum ettenuissimum corpus, tamen cum scinditur, summa facilitate iterum conjungitur etcontinuatur, ac siscissum nunquam fuisset Certe disruptam telam aranearum vel scissum subtilissimum velum nullus artifex ita resarcire potest, utprior scissura non appareat 21) Adde, quod est omni admiratione dignissimum, etsolius Dei sapientiae proprium quod per eandem partem aëris impermixte etsimul transeunt innumerabiles colorum species Qui sub noctem lucente luna, inloco aperto etedito positus, stellas incoelo etcampos interris, floribus plenos, etsimul domos, arbores, animantia etalia idgenus multa conspiciat, negare non poterit rerum illarum omnium species inaëre illo sibi propinquo simul contineri etimpermixtas contineri Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 261 terugkeert op de engelen (12911316) Ik geloof dat de gedachtengang van heel deze passage (vs 11791316) te verduidelijken is uit de wijze waarop Vondel Bellarminus volgde Daar heel de verhandeling van Bellarminus theologisch is, kon Vondel daar niets mee aanvangen Maar hij sluit zich toch zoveel mogelijk bij hem aan, en vermeldt wat de heidense wijsgeren leerden over de natuur en de dienst der engelen Bellarminus behandelde die onderwerpen in IX, 1en 6 De thema's van Bellarminus in IX, 25 heeft Vondel vervangen door een inleiding op de dienst der engelen En wel op deze manier, zoals hij het zelf uitdrukt, dat God alles bestuurt ‘zonder middel, zelf, of oock door middelen’ (vs 12681269) Tot die medewerkers nu behoren, zelfs volgens d' aloude school, de engelen Deze inleiding mag wel wat ver zijn opgehaald, er blijkt toch uit dat de compositie logisch in elkaar zit Was Bellarminus' geschrift de hoofdbron voor de structuur en tal van onderdelen, het was niet de enige bron Menigmaal heeft Vondel bij anderen geborgd, vooral bij Vossius: De Theologia Gentili, hetzij door gedachten aan hem te ontlenen, die bij Bellarminus niet voorkomen (vs 105786; 12911316) hetzij door enkele elementen in de tekst van Bellarminus in te schuiven, als ‘'t geslacht der reuzen’ (vs 360), dat de mensen ‘kunnen spijs en dranck een wijl in kommer derven’ (vs 717), dat hitte en koude nodig zijn voor ‘aenteelte en opvoedingen’ (vs 723724), de liefelijke geluiden van water, bomen, vogels en muziek (vs 753758) Dat zijn tekst bovendien nog gecontamineerd is met reminiscenties aan Vergilius en Ovidius, het kan bij Vondel bezwaarlijk anders Ik wijs slechts op vs 276 (Zie boven blz 254), dat herinnert aan Metamorphosen I138: ‘Men is gegaan naar de ingewanden der aarde’; en op vs 280 (ibid), dat een herinnering meedraagt aan de bewoners van de koude en de warme gebieden, zoals die voorkomen in Aeneis VII 225227: ‘eenieder hetzij hij afgescheiden (van het continent) woont in het uiterste land in het midden van de oceaan, hetzij hij verweg is in de zone van de ongenadige zon’ Zijn eigenlijke bron voor vorm en inhoud is echter Bellarminus' De ascensione mentis in Deum Het is wonderbaar hoe Vondel een meestal zakelijke prozatekst naar de juiste gedachten en vaak in dezelfde woorden almaardoor kon omvormen tot statige, dikwijls bewogen alexandrijnen, terwijl hij tege Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 262 lijkertijd zijn belezenheid in andere schrijvers deed gelden Bellarminus heeft veel poëtische gedeelten, evenwel meestal in die gedeelten van zijn werk die voor Vondel's doel niet geschikt waren Maar voor de dichter, die vervuld was van Gods alomtegenwoordigheid in zijn schepping, werden ook de zakelijke gedachten van Bellarminus gemakkelijk poëzie De ideeën van Bellarminus troffen zijn gemoed en grepen zijn fantasie aan Wanneer de lectuur hem de wind onder de vleugels joeg, liet hij zich drijven op eigen vaart en wiekslag Vandaar dat Vondel bij al zijn afhankelijkheid toch zijn souvereine zelfstandigheid bewaart De nuchtere schema's van Bellarminus die hij zin voor zin, soms woord voor woord volgde, krijgen vaart in zijn breedgolvende alexandrijnen Intussen schijnt Vondel zich toch meermalen belemmerd te hebben gevoeld, wanneer hij cerebrale theoremen van zijn model vertolkte Zijn vertalingen van de Aeneis en Metamorphosen kunnen het niet halen bij de verzen van de Gijsbrecht en Joannes de Boetgezant, waar hij zich op de gedachten en verbeeldingen van Vergilius en Ovidius vrij kon laten gaan In de Bespiegelingen is het niet anders De uitweidingen en vrije paraphrasen als in de sterrendans, de verleiding van vrouwelijke schoonheid, baat en staatzucht, natuurpanorama's en geluidsimpressies, die hun aanleiding vonden in Bellarminus' min of meer zakelijke, en altijd sobere beschrijvingen, overtreffen die gedeelten waar hij meer aan zijn voorbeeld vasthoudt Vondel heeft met zijn Bespiegelingen III de lijn doorgetrokken die door Augustinus was aangezet De kerkvader van Hippo had de wereld beschouwd buiten de mens, in de mens en boven de mens, en de schepselen gezien als zovele sporten van de ladder, die naar God voert Bonaventura bouwde die gedachten systematisch geordend uit Bellarminus liet zich voor een nieuwe constructie door Bonaventura leiden, en Vondel wederom door Bellarminus Voor zijn Boetgezant gaat hij via Vergilius terug op Homerus, voor Bespiegelingen III over Bellarminus en Bonaventura op Augustinus Heeft hij in zijn Boetgezant de heidense dichter gekerstend, in het derde boek van zijn Bespiegelingen heeft hij zich met de gedachten der christelijke denkers te weer gesteld tegen het opkomend rationalisme Voorschoten P MAXIMILIANUS OFM Cap Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 263 Naar aanleiding van grunjer (II) In Ts 63, 87 heeft Heinsius een beschouwing gewijd aan het woord grunjer, dat eenmaal, in een gedicht van Van Focquenbroch, is aangetroffen en dat waarschijnlijk ‘Groninger’ heeft betekend Ik ben in Ts 64, 44 op dit woord teruggekomen, niet zozeer om het woord zelf als wel om de mogelijkheid van de klankovergang nd > nj aan te tonen, die Heinsius in zijn artikel ten onrechte had verworpen Dat ik er nu nogmaals op terugkom heeft twee redenen Ten eerste omdat ik de vorige maal in mijn ijver te ver ben gegaan door te trachten, met Beets, de overgang nd >nj ook in grunjer aannemelijk te maken Mijn, overigens aarzelend voorgedragen, veronderstelling ten aanzien van dit woord acht ik bij nader inzien gezocht en onhoudbaar, en wel om soortgelijke redenen als ik zelf had aangevoerd tegen Heinsius' ‘verbetering’ van grunjer tot grun'ger :ook het door mij veronderstelde granjer klinkt immers niet goed in Van Focqenbroch's vers De dichter kan op poëtische gronden eigenlijk geen andere vorm dan het overgeleverde grunjer hebben geschreven en er is redelijkerwijs geen woord grunder te construeren waaruit dit grunjer, met overgang van nd tot nj, zou kunnen zijn ontstaan Maar hoe is grunjer dan wel te verklaren, wanneer Heinsius' verklaring van ‘een enigszins verknoeide vorm van het groningse adj grönneger’ dichterlijk onaannemelijk blijft? Heinsius brengt ook de mogelijkheid van een klankovergang ng >nj ter sprake, maar verwerpt die al evenzeer als die van nd >nj En ziehier de andere, en voornaamste, reden waarom ik ten tweeden male naar aanleiding van een zo weinig belangrijk woord als grunjer ga schrijven: ik ben tot de conclusie gekomen dat ook de overgang ng >nj door Heinsius ten onrechte is verworpen, en het vastleggen van dit omstreden palatalisatieverschijnsel lijkt mij belangrijk genoeg om er een paar bladzijden aan te wijden In het Fries is de klankovergang ng >nj al lang vastgesteld Sytstra en Hof vermelden in hun Nieuwe Friesche Spraakkunst op blz 61 de Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 264 volgende voorbeelden: branje uit branninge, penje uit penninge, formoanje uit formoanninge, wenje uit wenninge, lynje uit lininge, raenje uit randinge De afleiding van het laatste voorbeeld is een beetje vreemd Fries raenjen of ranjen, steeds in het meervoud opgegeven, betekent ‘listen’ en moet dus haast wel overeenstemmen met Nederlands ranken (Ook rank ‘stengel, uitloper’ luidt in het Fries range en rank ‘mager’ komt er als rang voor) Sytstra en Hof formuleren de klankovergang anders dan ik heb gedaan, nl: ‘de uitgang ing (e)verliep soms na een ntot je’Het voorbeeld raenjen darje of derge >derje aannemen Darie komt al in de 14de eeuw voor (zie Mnl W ) Het complement van een ‘natuurlijke’ ontwikkeling van ng tot nj is een ‘cultuurlijke’ contraontwikkeling van nj tot ng Deze laatste is eveneens in het Hollands aan te tonen Het duidelijkste voorbeeld is wellicht karsteng, de Hollandse bijvorm van kastanje, die aangetroffen wordt sinds het begin van de 17de eeuw (Spieghel en Bredero) In die tijd moet in Holland dus een onzekerheid hebben geheerst over het rechte gebruik van nj en ng, gegroeid uit het bewustzijn dat men in een aantal woorden ten onrechte de ng als nj uitsprak Het tweede voorbeeld wordt geleverd door Hollands angelier, van het einde der 16de tot het begin der 19de eeuw aangetroffen als bijvorm van anjelier 1) Zie ook Schönfeld, Veldnamen 55 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 266 (Kiliaan vermeldt als ‘Holl’ angheliere en Roemer Visscher sluit alle misverstand uit door de spelling angulieren )In het Vlaams is alleen anjelier aan te tonen (zie Pauwels, Bloemnamen )en aangezien het Hollands het Romaanse woord toch wel via het Vlaams ontleend zal hebben, moet de ng in angelier blijkbaar niet door de variant in de taal van oorsprong maar door Hollandse hypercorrectheid verklaard worden Als derde voorbeeld van averechts herstel van nj tot ng kunnen de drie plaatsnamen Kokkengen, Portengen en Spengen gelden Deze dorpen uit het Utrechtse laagveengebied vlak bij de Zuidhollandse grens getuigen van de fantasie en de humor bij de naamgeving in de ontginningsperiode: Portengen en Spengen zijn genoemd naar Britannië en Spanje (zoals het naburige Polanen naar Polen) en Kokkengen is zelfs genoemd naar Kokanje, het luilekkerland Merkwaardig is dat ook in deze namen, evenals bij karsteng, bij de ‘vercultuurlijking’ van nj tot ng de voorafgaande, uiteraard palatale, a‘geordend’ is tot e Het volgende voorbeeld dat ik in dit verband wil noemen, is twijfelachtiger, maar mi toch stellig het overwegen waard In het mnl komen naast elkaar met gelijke betekenis voor crenghe en cronge, de laatste vorm ook in de spelling cronghe Crenghe is zeer bepaaldelijk een Hollandse vorm en wordt ook door Kiliaan als zodanig gesignaleerd, cronge is algemeen mnl maar de voorbeelden in het Mnl W zijn wel overwegend Vlaams Over de herkomst van cronge bestaat geen twijfel: het is ontleend aan fr carogne Daarentegen meent FranckVan Wijk dat crenghe ‘bezwaarlijk iets met mnl cronghe “kreng” (zie karonje )te maken (kan) hebben’ Dit lijkt mij wel erg kras De woorden crenghe en cronge betekenen immers hetzelfde en vullen elkaar in geografisch opzicht aan Het verdient dus aanbeveling, zou men zeggen, crenghe als een locale variant van cronge te verklaren Dit is niet zo moeilijk, wanneer men naast cronge een bijvorm crange (kranje )mag aannemen De verdere ontwikkeling tot Hollands crenghe verloopt dan op dezelfde wijze als die van karstanje tot karsteng en van Kokkanjen tot Kokkengen Aanvaardt men crenghe als een voorbeeld van het averechts herstel van nj tot ng in het Hollands, dan kan men het verschijnsel, aan de hand van de citaten in het Mnl W in ieder geval in het tweede kwart van de 15de eeuw dateren Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 267 Ik keer terug tot mijn punt van uitgang, Van Focquenbroch's grunjer Heinsius' fout is geweest dat hij hier een Groningse vorm in heeft willen zien in plaats van een Hollandse In het Gronings schijnt de ontwikkeling van ng tot nj inderdaad niet voor te komen, wel daarentegen in het Fries en Hollands Waarschijnlijk zal Grunje in het 17deeeuwse Amsterdam de populaire, vlotte naam voor Groningen geweest zijn, geheel passend in de mond van een dichter als Van Focquenbroch Djakarta, Maart 1951 K HEEROMA Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 268 De poëta minor: Joan Vermeulen Jacob Zeeus roemt in een zijner Mengeldichten een vriend en mededichter, omdat hij Volgt de trotsche Zwaen van Keulen Op zijn pennen door de lucht 1) De bedoelde nastrever van Vondel was Joan Vermeulen, een poëta minor uit de eerste helft der achttiende eeuw van wie vrijwel niets in de handboeken is te vinden Slechts de alleswetende Te Winkel noemt hem, en wel tweemaal Eerst komt hij aan de orde naar aanleiding van Arnold Houbraken's tafrelen uit Paulus' leven en diens pogingen het bijpassende gedicht, waarmee hij zelf begonnen was, verbeterd en voltooid te krijgen Houbraken vroeg het (in 1709) aan zijn leerling Zeeus, deze weer aan zijn vriend Joan Vermeulen en, daar ook Vermeulen niet wilde of niet in de gelegenheid was (hij vertrok in 1711 naar 'tbuitenland) deed tenslotte een derde Dordrechtenaar het, Jan van Hoogstraten De ruzie die daaruit voortkwam laat ik hier rusten (men vg Te Winkel V, 213 en de daar opgegeven literatuur) Op de tweede plaats waar Te Winkel Vermeulen noemt (V, 217), vermeldt hij hem slechts als vriend van Hoogvliet, toen deze in Dordrecht was komen wonen Over werk van Vermeulen spreekt zelfs Te Winkel nergens; hij had het nochtans (maar dan ook daar alleen) kunnen doen in de bladzijden, die hij wijdt aan het Panpoëticon Batavum (V, 58 vlg) De geschiedenis van deze merkwaardige verzameling moge ik met een paar vlugge streken ophalen De schilder Arnoud of Arend van Halen († 1732 te A'dam) had een collectie bijeengebracht van in grijze tint geschilderde, kleine portretten van Nederlandse dichters, 145 ×125 cm van oppervlakte In 1719 had hij al tweehonderd portretten bijeen Hij bewaarde ze in een ladenkast op vier poten, versierd met een door hem gemaakt beeld 1) De Zeeusche Klio aen haere Dortsche Zanggenooten, inGedichten, uitg 1721 blz 288 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 269 van Apollo op de gebogen kap en van beelden der muzen Melpomene en Thalia, op voetstukken staande aan de zijwanden Op de kroonlijst was te lezen: Panpoëticon Batavum, op de deuren: Kabinet der voornaamste Nederlandsche Dichteren Een beschrijving van het geheel gaf Lamb Bidloo in zijn rijmwerk Panpoëticon Batavum, Kabinet, waarin de Afbeeldingen van Voornaame Nederlandsche Dichteren, Verzameld en Konstig Geschilderdt door Arnoud van Halen uitgegeven te A'dam in 1720 2)Na de dood van Van Halen kocht de gefortuneerde Amsterdammer Michiel de Roode het kabinet, verving twee en twintig portretten door betere en liet er vele nieuwe bij maken 3),zodat het getal tot driehonderd vier en twintig steeg Tevens legde De Roode een album aan met korte lofdichten op de afgebeelde dichters (en, nanatuurlijk, op hem zelf) Toen De Roode gestorven was, bevond het kabinet zich korte tijd in 'tbezit van diens boedelredderaar, Arnoud de Jongh en werd daarna bezit van het Leidse genootschap ‘Kunst wordt door arbeid verkregen’, dat het liet opstellen in zijn vergaderzaal in een gebouw aan de Langebrug De verzameling werd nog aanmerkelijk uitgebreid; bovendien ging het genootschap over tot een uitgave in beperkte oplage (± 200 exemplaren; de intekenaars zijn in het boek vermeld) van De Roode's album met lofdichten De verzameling zelf heeft verder een avontuurlijke en rampspoedige geschiedenis gehad Ze kwam, na de ontbinding van het Leidse genootschap in 1800, onder de hamer (echter pas in 1818) of is reeds eerder door dat genootschap verkocht (zoals een aantekening in het exemplaar der lofdichten, dat aan Thijm behoord heeft, meedeelt; vgl Heeren in Bijbl vT en L III, blz 20) Bij de ramp van Leiden, 12 Jan 1807 was ze al lelijk toegetakeld, de portretten werden beschadigd en verstrooid Op de veiling van 1818 werd het geheel, 350 portretten, ver 2) Détails naar het boekje van Bidloo en het nog tenoemen album met lofdichten kan men vinden inenige, inhoofdzaak gelijke artikelen van Jacq JM Heeren, nl Het Panpoëticon Batavum, OudHolland 1919, blz 230 vlg en met gelijke titel inBijblad voor Taal en Letteren, III, 1915, blz 15 vlg; vlg ook N Ned Biogr Wdb IV, kol 1381 3) De meeste door Quinkhard, verder door Aart Schouman, Dionys van Nymegen, Hieronymus van der Mey, Hendrik Pothoven en N Verkolje Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 270 kocht voor ƒ605; later bij een auctie van Antonia Kluytenaar geb Raidt, in 1849, bracht de verzameling ƒ750 op Een niet onaanzienlijke rest, 77 portretten, waaronder ±50 van Av Halen, bevindt zich thans in het Rijksmuseum; 74 doken nl in 1880 te Venetië op en werden door onze regering gekocht Onder de makers der lofdichten in De Roode's album bevindt zich nu ook Joan Vermeulen en wel met niet minder dan 57 stuks Men vindt ze op blz 169200 van de bundel, waarvan de volledige titel luidt: Arnoud van Halen's Pan Poëticon Batavum verheerlijkt door Lofdichten en Bijschriften; grootendeels getrokken uit het Stamboek van Michiel de Roode; en nu eerst in 'tlicht gebragt door het Genootschap, onder de Spreuk: Kunst wordt door arbeid verkregen, te Leyden, voor het Genootschap, MDCCLXXIII Onder de honderden ‘voornaame dichteren’ die zijn afgebeeld en bezongen, bevindt zich Joan Vermeulen zelf ook; de 3bijschriften bij dat conterfeitsel zijn van zijn eigen hand Als alle anderen droeg hij natuurlijk eerst lofdichten op De Roode bij; verder ‘verheerlijkte’ hij: Vondel, Antonides van der Goes, Jacob Zeeus, Arnold Hoogvliet, Balthazar Huydecoper, Sybrand Feitama, Jan de Marre, Frans Greenwood, Petrus Francius, Johan van Broekhuizen, Arnold Moonen, Johannes Vollenhove, Johannes van Braam en Geraerd Brandt De meesten van hen worden in meer dan één vijftottienregelig gedicht bewierookt; Vondel, Feitama en Moonen krijgen er ieder vijf, Ger Brandt en Hoogvliet zelfs ieder zes Als ik mij niet vergis waren deze 57 lofdichten tot heden de enige ‘poezij’ die van Vermeulen bekend was Als poëzie belangrijk is het allerminst Trouwens het hier beoefende genre gaf zelf overvloedig aanleiding tot velerlei rhetoriek, tot stereotype epitheta en beelden Hoe velen hebben in de bijschriften voor deze portretten een Apelles aan 'tschilderen gezien van een Apollo! De rij der wierookzwaaiers is indrukwekkend lang Bekende figuren uit het muzenland van het begin der 18de eeuw laten zich niet onbetuigd: Feitama is aanwezig met 20, Hoogvliet met 9, Jan de Marre met 12, Lucas Pater met 13, Pieter de la Ruë met 6, Dirk Smits met 8gedichten; Huydecoper, Frans Greenwood en Kornelis Boon van Engelant doen het zuinig met één exemplaar Onder de poëtae minores treft men er verscheidene aan, die vooral een Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 271 genre beoefenen, dat aan het lofdicht verwant is, zoals het hofdicht: Claas Bruin, die immers ‘de zeegepraalende Vecht’, Philip Zweerts, die Scheibeek en Willem van der Pot, die zijn eigen buiten Endeldijk bezong Verder beoefenaars van het vaderlandslievend gelegenheidsgedicht als Jetske Reinou van der Malen, Joh Jac Mauricius, Herm van der Burg, vertalers van Frans toneel als Pieter Boddaert, Jac Voordaagh, Govert Klinkhamer, verder Lambert van den Broeck (Paludanus), de berijmer van een Miltonvertaling, leden van het Rotterdamse ‘Natura et Arte’ als (naast Willem van der Pot) Frans de Haes en Adriaen van der Vliet Maar er is nog een hele reeks van voor ons obscure grootheden 4);tot de laatste categorie is men geneigd ook Joan Vermeulen te rekenen, maar het valt dan op, dat terwijl de andere genoemden meest één, een enkele twee of drie lofdichten bijdroegen, de ons vrijwel even onbekende Vermeulen pronkt met 57 stuks, en daarmee alle medewerkers de loef afsteekt Alleen ten opzichte van de coryphaeën der rij, als Feitama, Hoogvliet en Smits geeft zulk een getallenvergelijking een onjuiste indruk, want terwijl de versjes van Vermeulen op één uitzondering na (het tweede op De Roode, 4blz lang) hoogstens één bladzijde beslaan, opent Huydecoper de bundel met een loflied op het Panpoëticon van 20 bladzijden, vereert Hoogvliet de collectie en haar verzamelaars een poeem van 7kantjes en besteedt Smits aan de inwijding van zijn eigen beeltenis er 8 De getallenvergelijking ten opzichte van de mindere goden wekt echter de veronderstelling, dat Vermeulen in de ogen zijner tijdgenoten toch niet zo tot de achterban behoorde als het ons voorkomt op grond van het zeer weinige, dat wij van 's mans leven en werk kennen Ik begon dit opstel met de aanhaling van lovende versregels van Vermeulens jeugdvriend Zeeus Men leest bij hem verder: Laat zijn jeugd uit eerbied zwichten Voor den manken ouderdom Op den zwier van zijn gedichten Staat de grijze wijsheid stom 4) Iknoem slechts Mej Joha, Marga Radaeus, en de heren Bart Bazuyn, Izaäk Boonen, Joh Pieter Broeckhoff, Dirk Claes Lutkeman, Jacq van Musschert, Adriaen van Ommering, Ludov Philipp Serrurier Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 272 en toen de vriend in 1711 naar Arguin in Afrika zou vertrekken, vermaande Zeeus hem zich als dichter wel te bedenken, immers: Arguin heeft Pindus nooit gekend 5) Hoe verliep het leven van die Afrikareiziger? Mag men in de lof van Zeeus meer zien dan de gebruikelijke onderlinge ophemeling? Tot heden was daarover alleen iets op te maken uit de tijdschriften in De Roode's album Een gelukkige omstandigheid stelt mij in staat aan het beeld van mens en dichter wat meer relief te geven Een mijner studenten, mejuffr JL Esbach, toonde mij een in perkament gebonden, omvangrijk handschrift, dat zij gekregen had van de familie Kannemans te Dordrecht, die met die van Vermeulen (hij zelf had blijkbaar geen kinderen) vermaagschapt is De heer W Kannemans toonde haar, toen onze nieuwsgierigheid gebleken was, een verzameling oude papieren, waaruit zich gegevens lieten afleiden over Vermeulens leven en waarin zich bovendien een tweede verzenhandschrift bevond en een waarschijnlijk voor kleine kring gedrukt lang gelegenheidsgedicht Op grond van deze gegevens, die mej Esbach mij ter beschikking stelde, kan ik in de eerste plaats de schaarse biografische gegevens enigszins aanvullen, die men in Witsen Gysbeek (V, 455/56) en in het artikel van Heeren aantreft en, wat belangrijker is, een indruk geven van zijn poëzie Joan Vermeulen werd 24 Aug 1674 te Dordrecht gedoopt als zoon van Adriaen Vermeulen Hij heeft blijkbaar zijn jeugd in Dordrecht doorgebracht en is er blijven wonen tot zijn vertrek naar 'tbuitenland; door een brief van Zeeus kennen wij precies zijn adres op 22 Sept 1707, nl Vriesestraat, tegenover de Lutherse Kerk nevens het Oudemannenhuis Hij zal er opgeleid zijn voor de handel Althans later blijkt hij koopman te zijn; onder de papieren bevindt zich de copie van een instructie voor kapitein James Duck van het schip London Fregatt, dat uitvoer van Texel; de kapitein had zich, wanneer men in het Kanaal gekomen was, te wenden tot de koopman Joan Vermeulen, mede aan 5) Uitvoeriger vindt men die gedichten geciteerd bij Heeren, Bijbl vT en L, 1915, blz 28 en 29; zie verder: Zeeus, Overgebleve Gedichten 1726, blz 203 en 205 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 273 boord, die verzegelde instructies bij zich droeg voor de verdere reis Helaas is alleen de tekst der instructie gecopieerd zonder datering en ondertekening De reis naar Arguin in Afrika (1711) zal zeker ook handelsdoeleinden hebben gediend Hoe lang Vermeulen wegbleef is niet zeker; in ieder geval bevond hij zich in 1720 en 1721 te Dordrecht, misschien reeds in 1713 In een brief van 17 Maart 1728 blijkt hij ook te Dordt te zijn, terwijl dan als zijn betrekking wordt opgegeven ‘commies op 't Binnenlands Convoy te Rotterdam’ Later verhuisde hij naar Breda; daar woonde hij in 1730, 1735 en 1739 en stierf er ±1750 Volgens de datering van een zijner gedichten vertoefde hij in 1729 te 's Gravenhage Dat hij meer dan eens zeereizen maakte, laat zich afleiden uit twee klinkdichten van Zeeus, het eerste aan Vermeulen zelf gericht, als antwoord op diens klinkdicht gewijd aan ‘mijn Zeeusche Klio’ en een tweede, dat een antwoord bevat op een klinkdicht van de boekhandelaar A Willis, dat weer geschreven was naar aanleiding van een van Vermeulen Uit het eerste sonnet leert men opnieuw Zeeus' bewondering voor zijn vriend kennen als voor een soort Orpheus Het ‘praelgewaed’ dat Vermeulen zijn Klio verleend had, deed, schrijft hij, heur halskarkant wapperen op de maat, Ze danste niet, maar scheen gelijk een schim te zweven Is 'twonder? vloertapyt en muurbehangsels leeven Als uw Calliope haer Cyter hooren laat 6) En het sonnet aan Willis vangt aan met het volgend kwatrijn: Ontziet zich Willis niet langs 'tpekelveldt te waren En zich te waegen op de reukelooze zee; Daer hij Vermeulen ziet voor wint en ty gevaeren Die met de zorgen lacht van de ongeruste reê! 7) Arnold Willis, die vooral dank zij Potgieters ‘Foliobijbel’ voortleeft als de schriele uitgever van Poot, was begonnen als matroos; hij vond in Zeeus' ogen blijkbaar zijn evenknie als zeeman in Vermeulen In zijn jonge jaren blijkbaar zeer bevriend met de Zevenberger Zeeus, die te Dordrecht leerling van Houbraken was en later in zijn geboorteplaats notaris werd, verkeerde Vermeulen in zijn woonplaats met ver 6) Zeeus' Gedichten, 1721, blz 252 7) ibidem, blz 253 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 274 scheidene andere kunstliefhebbers; in De Zeeuwsche Klio aan haere Dortsche Zanggenooten worden tezamen met Vermeulen en Willis toegezongen Gerard de Haan en Johan de Wijs In de eerste plaats mogen echter als Vermeulens vrienden genoemd worden de Van Hoogstratens Frans van Hoogstraten was te Dordrecht boekhandelaar († 1696); zijn beide zoons David en Jan, de eerste van 1683 tot zijn benoeming als praeceptor aan de Latijnse school te Amsterdam geneesheer te Dordrecht, de tweede boekverkoper aldaar, waren respectievelijk 16 en 12 jaar ouder dan onze Joan De beruchte poëtenoorlog, waaraan Zeeus en de Van Hoogstratens een zo levendig aandeel namen, barstte los (1713) toen Vermeulen naar Afrika was vertrokken Arnold Hoogvliet was 1687 te Vlaardingen geboren en dus 13 jaar jonger dan Vermeulen; hij kwam ±1700 als kantoorbeambte naar Dordrecht, waar hij in aanraking kwam niet alleen met de een jaar jongere Jacob Targier, de spoedig blindgeworden dichter, maar ook met Vermeulen Er was daar te Dordrecht dus een gehele kring van muzenzonen, die meestal ook in de practijk des levens stonden Men kan er nog aan toevoegen Tieleman van Bracht de Jonge, in Vermeulens jeugd Arnold Houbraken (geb te Dordt in 1660, later naar Amsterdam vertrokken) en Frans Greenwood (geb 1680), die een tijd lang werkzaam was bij de belastingen te Dordrecht Greenwood toont nog een andere combinatie dan die van ambtenaar en dichter, nl (gelijk Houbraken) die van dichter en schilder (hij was speciaal beroemd als glasschrijver) En ook op deze wijze paste hij bij Vermeulen In het aangehaalde lofdicht van Zeeus wordt deze ook als plastisch kunstenaar geroemd: Handelt hij de kunstpenseelen Al de beelden zien hem aan, En hij doet hun aders speelen Ai Vermeulen, laat Uraên Tracht dan vrij uw vuur te blussen Want misleit door zulk bedrog Zoudt ge uw eigen maeksels kussen Jacq Heeren moest wel schrijven, dat wij niet kunnen beoordelen in hoeverre ‘deze brommende lofzang’ waarheid bevat, daar van Vermeulens teken of schilderkunst niets bekend was Het grote, nu voor Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 275 den dag gekomen handschrift bevat echter een 35 tal met de pen getekende emblemata, die ons van Vermeulens bekwaamheid overtuigen Ik kom tot het thans mij bekend geworden werk Eerst iets over het kleine verzenhandschrift Dit bevat 41 lofdichten, waaronder ditmaal een aantal sonnetten Verschillende zijn gewijd aan dichters die V ook in het Panpoëticon toezong en vormen varianten van de daar afgedrukte stukjes Maar er zijn ook vele op de beeltenis van anderen, ook van nietdichters, bijv ‘Op de vijf eerste Zeehelden die den Aerdkloot hebben omgezeilt’ Enkele stukjes zijn blijkbaar niet geheel voltooid; er staan, speciaal in 'trijm, soms twee woorden boven elkaar, ter keuze; bij sommige regels is nog niet gekozen tussen 2varianten Van de reeds in het album van De Roode vertegenwoordigde dichters is hier Hoogvliet nog eens bedacht met een sonnet, Ger Brandt met één en Feitama met 3gedichtjes Voor 'teerst verschijnen hier lofdichten op Hooft (5 stuks), David van Hoogstraten (3), Rotgans (3), Dirk Smits (3), Poot (4) en Frans de Haes (3) Dan zijn er twee sonnetten op de beeltenis van Bernard Nieuwentydt, schrijver van Het regt gebruik der Wereldbeschouwingen (1716), waarin V zich mèt Nieuwentijdt antiSpinozist toont, 3zesregelige gedichtjes op Kornelis van Bij(n)kershoek, voorzitter van de Hooge Raad en 2, eveneens zesregelige op Jacob Kortebrant, geprezen om zijn menigvuldige geleerdheid: ‘Wis en Stelkunst, van de Dichtkunst opgeleidt’ De vijf verheerlijkte zeehelden zijn: Ferdinand Magellaan, Frans Draeke, Thomas Kandisch, Olivier van Noort en Joris van Spilbergen De dichterportretten zullen door V voor het Panpoëticon bestemd zijn; er wordt daarop ook gezinspeeld Het is echter begrijpelijk, dat de samensteller van het album het 57tal niet wenste uit te breiden; misschien heeft V ook een eigen keur ingezonden De lofdichten op Nieuwentijdt, Bynkershoek en de zeehelden behoren echter niet bij een verzameling dichterportretten Blijkbaar beoefende V dit epigrammatisch genre voor eigen pleizier en het verwondert niet dat de koopmanzeevaarder ook de pioniers van de grote vaart verkoos De literaire waarde van al deze stukjes is gering Doch als men zijn bijschriften in dit album met die der anderen vergelijkt, moet men erkennen, dat ze niet minder zijn dan die van geclasseerde dichters Lof houdt dit Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 276 overigens nauwelijks in: bij hem als bij Smits, Lucas Pater of Hoogvliet is het een aaneenrijgen van cliché's Wat al stralen, schichten en zonen van Febus, om van ‘Febus' Kerck’ (het Panpoëticon) maar te zwijgen! Wat al zwanen, fenixen, kunstlichten, dichtvernuften aan ‘'t kunst en scheeprijk IJ’! Veel eer was er met dit gepatenteerde genre werkelijk niet te behalen noch oorspronkelijkheid te tonen Heeren gaf destijds in zijn artikel over Vermeulen een niet onverdienstelijk voorbeeld van diens kunst met een epigram op Vondel Laat ikditmaal uit het nietgepubliceerde handschrift U Rotgans mogen voorstellen: Dit's 'tbeeld van Rotgans, die in Neêrduitsch heldendicht, Vorst Willems Leven zong, den Mars der Batavieren; Die zoo veel heldendaên heeft voor Euroop' verricht, En door drie kroonen vlogt zijn trotsche krijgslaurieren tIs d'eedle Vechtzwaan, die, door poëzij vermaart, Zich heeft vereeuwigt, als vorst Willem door zijn zwaart In deze epigrammen treft soms een zekere naiefheid Zo maakt onze Vermeulen, waar hij oorspronkelijke vondsten heeft, soms woordspelingen, die als bonmot in een tafelspeech niet onaardig zouden klinken, maar in hun serieusheid toch wel komisch zijn Daar is zijn jongere vriend, de Rotterdammer Frans de Haes, achterkleinzoon van Ger Brandt, tijdens het ontstaan dezer epigrammen pas 30 jaar (zijn befaamd geworden Het verheerlijkte Portugal is eerst van 1758, na Vermeulens dood), van wien onze lofredenaar speciaal een ‘Verloren Zoon’ bewonderde Zie nu aan wat voor ‘blâan’ hij deze ‘vlugge Haes’ laat knagen en hoe vervaarlijk hij hem laat springen: Dus maalt de schilderkunst, door gloed van edle verwen Een zwier van Dichtkunst, in 'tgelaat van Frans de Haes; Die vroeg op Lauwerblâan verlieft, aan Rotte en Maas, Door zijn Verloren Zoon zich heeft behoed voor sterven Vaar voort, ovlugge Haes, spring over dal en duin, Langs 'theerlijk kunstspoor, met een' sprong, op Pindus kruin En in een variant, springt deze Haes nog anders: Vaar voort, ovlugge Haes! spring zoo lang in verstant Tot gij gelijk staat met uw overgrootvaêr Brandt Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 277 Een uitvoerig gelegenheidsgedicht, maar dat de enge perken van dat genre te buiten gaat, liet Vermeulen in 1735 drukken te Gorinchem bij Nicolaas Goetzee, boekdrukker op den langendijk Het zal wel niet in de handel gebracht zijn, maar waarschijnlijk in een beperkt aantal exemplaren voor de bezongene, diens vrienden en die van de dichter, zijn vervaardigd Het exemplaar dat ik onder ogen kreeg is in de familie van de dichter steeds vererfd en nu in 'tbezit van de heer Kannemans Het is de WelkomGroet voor den Heere Pieter de Bruyn, Naa zijne Reizen, Huwelijk, en Wederkomst in het Vaderlandt, blijkbaar uitgesproken op een feestmaaltijd, zoals de heildronk aan het slot aanwijst Het gedicht is op zwaar papier gedrukt (255 × 195 cm) en draagt (gedrukt) de ondertekening JV; de Vis echter in bruingeworden inkt aangevuld tot Vermeulen Met dezelfde hand zijn in de tekst hier en daar kleine correcties aangebracht Daar het hier getekende letters betreft, aansluitend bij het druktype, en de handschriften in cursief lopend schrift zijn gesteld, is een vergelijking met deze niet goed mogelijk, al maakt het de indruk, dat we ook hier met dezelfde verzorgde hand te doen hebben Op de eerste blz staat trouwens cursief in margine ‘insnijding’ met precies dezelfde lettervormen die we in het grote ingebonden handschrift ontmoeten; ook de roodbruine tint van de verbleekte inkt stemt overeen Ik neem dan ook aan, dat Vermeulen zelf de aantekeningen maakte, en zijn naam in de ondertekening vervolledigde Deze ‘WelkomGroet’ omvat niet minder dan 864 verzen; de dichter volgt namelijk zijn vriend de Bruyn op zijn tochten vanaf diens vertrek van Breda, even voor de 13de Mei 1730 tot op de thuiskomst, nu van het echtpaar de Bruyn, 12 Juli 1735 Pieter de Bruyn, die volgens passages op blz 8en 9, reeds tweemaal een tocht gemaakt had naar het hoge Noorden, begaf zich ditmaal naar Batavia ‘in dienst der Maatschappij’, maar maakte van Batavia reis op reis, naar Java's oostkust, naar Indostan en Bengalen Voor de vijfde maal in Ougly beland, vindt hij daar zijn bruid in de pleeg en erfdochter van ‘Bengalens Opperhooft’, die dit meisje Berooft van Ouders, voor zijn eigen kind ontfong En meê gevoerd had in de heete Morgenlanden Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 278 Het relaas van al die tochten en gebeurtenissen is levendig verteld vooral omdat de dichter zich herhaaldelijk in de verbeelding verplaatst op De Bruyn's schip en het naderen van kust na kust of het doormaken van stormweer als zijn eigen ervaringen verhaalt Hij kan dat te beter, omdat hijzelf de zee en in ieder geval de Afrikaanse kust (de reis naar Arguin) kent; de gedétailleerde, levendige beschrijving doet veronderstellen, dat hij althans ook de Tafelbaai en Batavia met eigen ogen zag Ongetwijfeld vertoont de techniek van de dichter zwakheden; in de paarsgewijs, om beurten staand en slepend rijmende regels is dat rijm weinig verrassend en keren dezelfde rijmklanken nog al eens terug De rijmcombinatie reê zee komt niet minder dan 33 maal voor, meestal ter afsluiting van een alinea, zodat het haast opzettelijk lijkt, iets als een oude rederijkersstoc; in de gevallen waar reê of zee niet een zo afsluitend vers afronden, is echter ook steeds dezelfde combinatie gekozen Er zijn ook nogal wat clichébeelden: telkens komen bijv weer andere kusten of havens de reizigers ‘begroeten’, wanneer ze naderen over ‘'t grondeloze’, of 't ‘Indiaansche zout’ Er is ook menigmaal overtollig opvulsel (‘spoedig, zonder draalen’), waardoor het verhaal dan breedsprakig wordt en spankracht mist Als voorbeeld deze regels (blz II): 'tging alles voor den windt Wat gij bedoelde, en zelfs al wat uw hand begint; 'tGeluk blijft uop zij, en laat uniet verlegen, De Hemel kroonde alle uw bedrijven met zijn zegen In zulke passages is het aansturen op de rijmklank duidelijk de voornaamste drijfkracht in een al te gemakkelijke versificatie Dat het verhaal toch niet verveelt, kan men ten dele danken aan de hartelijkenthousiaste toon van de toastende dichter, doch daartoe werken zeker ook mee verscheidene gelukkigraak geschilderde taferelen, aardige beelden en muzikale taal In de hier volgende samenvatting geef ik daarvan enige voorbeelden Van Rammekens was men vertrokken 13 Mei 1730; de reis vordert door windslapte aanvankelijk traag (‘wijl de winden /In slaap gevallen, zig onagtzaam lieten binden /In hun spelonken’); nadat men water en frisse vruchten ingenomen heeft op 't eiland Sint Jago, Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 279 gaat het blijkbaar in enen door naar Kaap de Goede Hoop, waar men op 23 October arriveert Hier verkwikt een korte rusttijd; dan gaat het weer voort naar ‘'t weitsch Batavia’, dat 4Maart 1731, dus na bijna 10 maanden, wordt bereikt Soms zwoegde 'tschip in stormen, Dan weêr bij 'tlieflijk licht der Zon, die opgetooit Haar goude glanssen op het glas der baeren strooit, En 'sZeemanshart verkwikt, en schijnt de Kiel te streelen; Terwijl een zagte wind komt in de Zeilen speelen, Die 'tvlotte Zeekasteel nu luchtig door den stroom Van 'tvloeibaar Kristallijn met eenen lossen toom Doet henen stuiven met zijn uitgespreide wieken Deze lange, gelukkig volbrachte tocht is voor Vermeulen aanleiding zijn vriend te herinneren aan die beide zo geheel andere reizen, vroeger naar 'thoge Noorden gemaakt, ‘daar ge op 'tonverzienst vol schrik /Den IJsbeer stond ten doel, en yder oogenblik /Waart in gevaar van door het ijs bezet te raken’ En een brede passage weidt uit over Gods zorgende voorzienigheid, waarop de Bruyn evenals hij vertrouwt, zodat ze nooit vervaard behoeven te zijn Aardig is de beschrijving van het vertier op de rede van Batavia: Let eens wat zeilen, wat gewoel, wat scheeps gewemel 'tGezicht doen scheemren, en met Vlaggen d'open Hemel Bewolken, als een vlucht van meeuwen, die, omhoog Gerezen, 'tZonnegoud verbergen voor ons oog! Daar glippenze naar 'tWeste en hier naar 'tOoste, en weder Terug; zoo snel gelijk een swaluw op zijn veder Die 'taas vervolgt, of in zijn vlucht gevangen heeft De onderscheiden reizen, van Batavia uit ondernomen, die ik al heb aangestipt, worden uitvoerig beschreven Als Vermeulen vermeldt hoe zijn vriend voor de tweede maal de Ganges opvoer, maakt hij een toespeling op het in dat land hem voorbestemde huwelijk, waarvan deze nog niets bevroedt, maar voegt er nog deze toespeling bij: Onwetend datge udaar in d' eersten post zoud zien Geplaetst, om wat uw kunst hanteerde te gebiên Straks komt hij er op terug Aan zijn einddoel in 'tGangesdal, Ougly, aangekomen, wordt de Bruyn er weldra door ‘'t Opperhooft’ Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 280 als vriend aan zijn tafel genodigd En ‘hij maakte U 'tOpperhooft der Meesters, van uw Kunst’ 8)Vermeulen geeft in een noot de preciese datum 24 October 1733 De beschrijving van de vaart langs de oostkust van India en stroomopwaarts de Ganges is met zoveel kleurige, bijzondere détails geschreven, dat het mij verwonderen zou, als Vermeulen ook daar niet zelf geweest was; anders heeft hij reisverhalen van anderen met vrucht gebruikt Lees slechts: 'tGangeswater, dat uopvoert met den vloet Voor bij den Jillifar, daar gij weêrzijts ontmoet Veel ruichte en wildernis vol Slangen; laege Bosschen Vol wilde Buffels, sterke en wreê Renocerossen, En felle Tijgers Gij stopt telkens hier 'tgetij Nu voert de vloet ulangs Zoutpannen rij aan rij Dan komt de Kalkula uit Arakan afstroomen En stort zijn stroomkruik in den Ganges, welkers zoomen Hier enger worden Niet zonder een naïeviteit, die lichtelijk komisch aandoet, vertelt V hoe de liefde nu haar scepter gaat zwaaien in de Bruyns leven Immers: ‘Zij neemt de doot te hulp, om beter doel te raken’ Bengalens opperhooft, dwz het hoofd van de factorij der Compagnie te Ougly, sterft nl ‘door arbeid afgeslooft’, na al zijn goederen aan zijn pleegdochter te hebben vermaakt U raadt het al: de eenzame maagd is weldra Mevrouw de Bruyn, 28 Dec 1733 trouwen zij Dat Vermeulen het aanbreken van die dag looft, spreekt van zelf; hij doet het met de geijkte aanroeping van Aurora, maar ook met een eigen schone kleurigheid: Gij blonde Auroor, die, met Saffieren en Robijnen, En gloeiend goud gesiert, de oranje daghgordijnen Al blozende openschuift, en glansrijk opgehult Al d'Oosterwaerelt met uw straalend goud vergult: Gij braght die blijde dagh Vermeulen ijlt hier ‘op vlugge vleugelen van mijn verrukten geest’ naar Bengalen en spreekt op het feest zijn zegewens uit, de gewone, goedgemeende rhetoriek Aardiger is de schildering van de Ganges, die met zijn Najaden meefeest en ondertussen zijn stroomkaros reeds gereed maakt voor de aftocht van het paar 8) De Bruyn was nl, zoals uit enige passages blijkt, zeer bedreven inheel en artsenijkunde Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 281 Het laatste gedeelte van het gedicht beschrijft de terugreis naar Holland en de thuiskomst te Breda Tot de levendigst en snelst vertelde gedeelten van het gedicht behoort het relaas van de vaart der vloot, waartoe de Bruyn's schip behoort, van Batavia weg, langs Sumatra, welks bergen als een morgendauw versmelten in 't hemelblauw, Mauritius voorbij, totdat het Westen bezet schijnt met vale wolken of bergen, maar in werkelijkheid de Tafelberg opdoemt Vermeulen geeft het verhaal met bijzondere levendigheid, doordat hij, als was hij zelf aan boord, de matroos voor de uitkijk met korte, driftige zinnetjes omhoog jaagt om van de steng uit te zien, of waarlijk land in zicht is Door schepen van Ceylon komend groeit de vloot aan de Kaap tot 24 kielen aan; 'tis als ‘een dryvent Bosch, op 'tvlak der Zee gebout’ Men passeert de hete evenaar; bij de Azoren steekt een korte vliegende storm op, die de schepen een tijd lang verstrooit Dank den hemel, die rukte uit de kaken van de dood! Vermeulen kan niet nalaten hier de matrozen even te bepreken; het klinkt in zijn rhetoriek wel wat grotesk: Onbandige matroos, die dus de Zee moet bouwen: Verdrink uw boosheit in een Zilte traanenbron Van waar berouw Met een grote omweg gaat het op 'tvaderland aan: achter Schotland om, langs de eilanden ‘daar Fero word ontdekt’, bij Hitland vindt men kruisers en galjoots op de wacht liggen en krijgt van hen nieuwe voorraden, men ontmoet de haringvloot, en ziet dan eindelijk blij de duinen van Texel blinken; 6Juli 1735 loopt de vloot ‘de keel van Texel behouden in’ Over Medemblik en Buiksloot reist het echtpaar de Bruyn weldra door naar Amsterdam en keert vandaar 12 Juli 1735, vijf jaar en twee maanden na de afreis in Breda terug Niet alleen vader en moeder, verwanten en vrienden begroeten hen daar, maar ook ‘de grijze Merk met zijne biezepruik’ en de ‘Aanajaden, tuk op blijde waterspelen’ Maar het laatste woord is aan de dichtervriend, die voor het verdere aardse leven de zegen des hemels afbidt, Tot gij van 'sWaerelts zorge en ijdelheên ontslagen, Op Englenwieken word ten Hemel in gedragen; Om daar in 'teeuwigh licht de Hoogste Majesteit verblijd te loven in een zalige Eeuwigheit! Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 282 De bundels van onze 17de en 18de eeuwse dichters staan vol gelegenheidsgedichten Er zijn er vele onder de gedrukte en bekende die minder verdienen gelezen te worden dan deze onbekende ‘WelkomGroet’, èn omdat de stof interessant is er steekt immers een klein epos in van onze Oostvaart èn omdat het gedicht bij al zijn zwakheden waardeerbare epische en lyrische kwaliteiten heeft Het grote, in perkament gebonden en fraai geschreven handschrift omvat niet minder dan 364 bladzijden (24 ×18 cm) Verreweg het grootste deel vormt De wyze Leydsman ten Hemel, Verzien met het Merg der Oudvaderen, en Beroemde Philosophen, Beschreven door den eerwaerdigen Heere Joannis Bona, Naar de Nederduitsche Vertaalingen, in Vaerzen uitgebreidt, door Joan AzVermeulen MDCCXLII In 35 hoofdstukken werd hier in versvorm weergegeven het geschrift van kardinaal Giovanni Bona (16091674) 9),getiteld Manuductio ad coelum, medullam continens Ss Patrum et veterum philosophorum De aard van de inhoud blijkt voldoende uit de titel Het gedicht is geschreven in paarsgewijs rijmende alexandrijnen; elk der hoofdstukken wordt afgesloten door een 16regelig gedichtje in iambische viervoeters, ‘Zielzucht’ betiteld, waarin de lezer tot toepassing van het behandelde wordt aangemaand; 35 zinnebeelden, met de pen getekend en van een versonderscrift voorzien, zijn over 'tgeheel verdeeld, echter niet zo, dat ieder hoofdstuk één zinnebeeld heeft; het eerste, Zonde, staat pas boven het derde hoofdstuk, het vierde heeft er echter twee enz Voor het titelblad bevindt zich een de gehele rechterbladzijde vullende allegorische titelprent, op de linkerbladzijde in een gedicht van 30 alexandrijnen verklaard; op het titelblad, dat eveneens van een emblema is voorzien, volgt eerst de ‘Opdraght aan mijne Waerde Neven en Lieve Nichten’, een gedicht van viereneenhalve blz, door de dichter ondertekend en gedateerd: Breda, in december 1743 Daaronder een kort ‘Bericht’ waarin van een voorrede wordt afgezien, ten eerste omdat ‘dit werk, om verscheide gewichtige redenen, nimmer zal gedrukt 9) Zie over Bona de Dictionaire de Théologie catholique en de Diction d'Archéologie chrétienne etde Liturgie Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 283 worden’, ten tweede omdat de Opdraght en de mede vertaalde voorrede van Bona het onnodig maken Op blz 11 en 12 volgt deze voorrede van Bona, blz 13 bevat ‘Het Leven des Schrijvers, getrokken uit AG Luiscius, WB’, blz 14 en 15 geven een bladwijzer der zinnebeelden De Opdraght stelt ons eerst de 69jarige dichter zelf voor ogen en zijn drijfveren: 'kHeb meest, om ledigheit te schuwen, al mijn leven Geteikent, of gewroght, gelezen of geschreven; Mijn Geest was altijdt tot de werkzaamheit gezint 'kHeb weer op nieus met Lust de Poëzij bemint, En tot vermaak en nut, als warsch van ijdelheden, Dit geestlijk stuk berijmt, vol prijsbre Christenzeden Nadrukkelijk wordt in deze opdracht aan neven en nichten, het verbod uitgevaardigd ooit dit boek te drukken, jammer genoeg zonder motivering: Ik heb dit Boek voltooit: 'twordt nooit in 'tlicht gebracht: Dit's mijnen wil Bidt dat gij d'inhoudt wel betracht; Opdat gij blinken moogt; gelijk een witte leli, In dezen aerdschen Hof, naar 'tHeiligh Evangeli, Door deugd en heiligheit, tot Stichting, t'uwer eer, Naar Christus' voorbeelt, ons gekruisten Opperheer Met ernst prijst hij de lezing van zijn werk aan om de stof ‘niet om verheven taal of Dichtkunst’; hij heeft bewust eenvoudig en voor eenvoudigen geschreven Maar hij voegt toch toe: schoon mijn drift, door een genadestraal, Zich somwijl heeft verstout, daar zij mijn geest bestierde, En als de Stof het leed, den teugel ruimer vierde Opmerkelijk is ook enige verantwoording van de inhoud Hij heeft, zegt hij, met voordacht veel laten staan wat met de waarheid streed en veel overgeslagen wat hem te laag dacht Men bedenke hierbij, dat Vermeulen naar alle waarschijnlijkheid protestant was en hier een ethischreligieus tractaat van een kardinaal bewerkt Bij het kort te voren gegeven verbod van publicatie, doet zijn verweer tegen eventuele kritiek in dezen, vreemd aan: Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 284 En of ikmij hierin al grof vergrepen hadt, Ik zal niet schreeuwen, zoo de Laster mij bekladt En hierom steken mogt Ook over zijn zinnebeelden spreekt hij De aangesproken lezer mag zien: hoe geestig en vernuftig ijder beeld (Door mijne teikenkonst vertoont) de zinnen streelt Door vindingen, die 'tbrein door 'tdiep geheim verrukken, waarmee haar d'jtaaljaan heeft weten uit te drukken Bij het woord Italjaan staat een crux, die naar een voetnoot verwijst: Caesar Ripa Dit wil dus zeggen, dat de zinnebeelden getekend zijn naar de aanwijzingen, die Caesar Ripa in zijn, in het Italiaans geschreven werk Iconologia gaf Dit werk was door Dirk Pietersz Pers in het Nederlands vertaald; later maakte het, naast een aantal andere auteurs over hetzelfde onderwerp, een hoofdbron uit van Het groot natuur en zedekundigh Werelttoneel van meer dan 1200 aeloude Egiptische, Grieksche en Romeinsche Zinnebeelden of Beeldenspraek’, bijeengebracht door ‘een ervaren tael en outheitkundigen (di Rutgerus Ouwens) en door Hub Cornz Poot tot goed Nederlands bewerkt en van gedichtjes bij verscheidene emblemata voorzien Het eerste en tweede deel daarvan verscheen echter in 1743, het derde in 1750 (te Delft bij Reinier Boitet); Vermeulen voltooide zijn Leydsman in Dec 1743 en kan bij het schrijven van zijn Opdraght de beide eerste delen van dit Werelttoneel dus gekend hebben Maar de bewerking van de zeer omvangrijke tekst en het tekenen der zeer verzorgde 35 zinnebeelden moet geruime tijd, misschien wel jaren in beslag genomen hebben, zodat hij zijn aanwijzingen uit Ripa wel door Pers zal hebben verkregen Toch valt een grote mate van overeenstemming op ook in de vormuitwerking tussen verscheidene plaatjes van V en die in het Woordenboek Ik noem Liefde (blz 129, P III, 607); Begeerlijkheid (blz 138, P I,93); Hoop (blz 159, P II, 28, 32); Wanhoop (blz 163, P II, 626) enz Bij een bereisd man als Vermeulen was, is het trouwens niet zonder meer uitgesloten dat hij ook Italiaans lezen kon en de oorspronkelijke Iconologia heeft geraadpleegd Op de zeer grote betekenis van deze Iconologia ter verklaring niet alleen van onze emblemata Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 285 literatuur, maar ook van de zinnebeelden onzer schilders en beeldhouwers heeft A Zijderveld gewezen in zijn baanbrekende artikelen in OudHolland 1949 10)Vooral onze emblematavervaardigers die werkten na het verschijnen van de vertaling der Iconologia door Dirk Pieterz Pers, volgen Ripa's voorschriften (hij geeft voor één onderwerp soms 3à4mogelijkheden van uitbeelding), waardoor dikwijls reeds overeenstemming van symbolen opvalt bij een originele vormgeving Toch lag hier ook de kans voor de hand een bijzonder gelukkig geachte figuur precies na te tekenen In hoeverre was Vermeulen origineel? Om dat met zekerheid uit te maken zou men zijn pentekeningen met die van vele anderen moeten vergelijken Ik deed het met de figuren in Ripa's Iconologia zelf en in de na Pers' bewerking gepubliceerde bundels van Ds P Zaunslifer (Tafereel van overdeftige Zinnebeelden, A'dam 1722), ingeleid met een gedicht van de aan Vermeulen bekende David van Hoogstraten, van M Brouerius van Nidek (Zedenrijke Zinnebeelden der Tonge, 1716) van Zeeus (de Zinnebeelden opgenomen in zijn Gedichten )en van het door Rutgerus Ouwens naar Ripa en anderen bewerkte (en door Poot ten dele voor de taal beschaafde) Woordenboek De bewerking van Pers door Corn Danckerts (± 1694) komt met zijn schetsmatige figuurtjes (12 op één blz) hier niet in aanmerking; de verkorte Franse bewerking van Ripa door J(ean) B(audoin), Amsterdam, 1698, heb ik niet vergeleken De plaatjes bij RipaPers geven wel dikwijls gelijke symbolen (behalve waar Vermeulen een voorschrift volgt, dat niet door Ripa werd geillustreerd), maar waren zeker in de vormuitwerking geen voorbeeld; die van Zaunslifer wijken eveneens van Vermeulens tekeningen sterk af; ze zijn veel grover en bovendien alle in een rechthoek gevat, terwijl Vermeulen steeds de cirkelvorm koos Die van Brouerius van Nidek zijn gevat in een vierkant lijstje als een schilderijtje en het zijn ook inderdaad kleine schilderijtjes, waar het eigenlijke emblema in een heel landschapje is opgesteld Vermeulen geeft eveneens dikwijls een landschapdécor, overigens met meer gevoel voor maat en compositie en ongetwijfeld kundiger; een andere verwantschap tussen beiden is er niet, en die 10) OudHolland LXIV, afl III/IV, blz 113129 en afl V/VI, blz 184193 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 286 verwantschap berust op tijdsmode Het lag voor de hand, dat Vermeulen speciaal de plaatjes bij de zinnebeelden van zijn jeugdvriend Zeeus goed kende En inderdaad komen er een aantal in de Leidsman ten Hemel voor, die een zó opvallende gelijkenis vertonen met de door F Bleiswijck voor Zeeus vervaardigde, dat men van natekenen moet spreken Het sterkst is dat het geval met Vermeulens eerste emblema ‘Zonde’, (blz 18), een naakte vrouwefiguur voorstellend, in wildgewrongen houding, met waaiende haren, saamgekrampte handen, met de voeten een wetstafel vertredend en aangevallen door een slang, terwijl men op de rechterzijde van de achtergrond een wegvluchtend paard ziet De gelijkenis met Zeeus' Zonde is frappant, slechts zijn een paar struikjes verplaatst en kronkelt zich de slang bij V enigszins afwijkend, waardoor hij blijkbaar de mogelijkheid zocht aan de wulpse vrouwefiguur een kuisheidsbedekking te geven De vrouwefiguur zelf (evenals het paard enz) is zonder enige twijfel gecopieerd (zie illustraties 1en 2) Een typisch bewijs van de horigheid aan Ripa levert hier nog het onderschrift, waarin men aan 'tslot leest: ‘Een worm doorknaagt heur hart onzichtbaar’ In werkelijkheid is van die worm op de plaatjes van Bleiswijck (bij Zeeus) en van Vermeulen niets te zien; in de ‘Iconologia’ wordt evenwel gesproken van ‘un verme, che penetrando illato manco, gli ro da ilcuore’; (bij Pers: en een worm omslingert, die de slinckerzijde door geboort hebbende, nu alreede aen 'therte knaeght) en de afbeelding toont eveneens een naakte (mans)figuur met een slang om het middel, terwijl we op hartshoogte als het ware door een luikje naar binnen kijken en de worm aan 'twerk zien! Dat was echter onze 18de eeuwse tekenaars, die met hun landschapsachtergrond op een zeker naturalisme uit zijn, blijkbaar te naïef (zie illustratie 3) Grote overeenstemming bestaat ook tussen de voorstelling van ‘Getrouheit’ in beide boeken (bij V blz 251): een vrouwefiguur met een sleutel in de hand staat er geleund tegen een zuil, waarop een scheepsroer en bij Zeeus bovendien een miniatuur rond gebouwtje: aan haar voeten ligt een huishond Bleyswyck heeft aan de figuur niet, zoals Vermeulen deed, een landschapsachtergrond gegeven, maar de figuur van de vrouw met haar ingewikkelde gewaadsplooien en die van de hond en zuil zijn gelijkend als op een fotocopie Merkwaardig Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 *5 Fig 1 Vermeulen: Zonde Fig 2 ‘Zonde’ in ‘Gedichten’ van Zeeus Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 *6 Fig 4 Eenzaamheit Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 287 is dat Ripa van de zuil met toebehoren niet spreekt en ze op zijn plaatje niet vertoont, zodat Vermeulen deze aankleding blijkbaar van Bleyswyck overnam (minus het miniatuurgebouwtje) Ook de vrouwefiguur van ‘Mildadigheit’ (Verm blz 266) in beide boeken heeft dezelfde frappante gelijkenis, behalve dat de rechterarm bij Bleyswyck gestrekt is en een rozenkrans vasthoudt, bij Vermeulen langs het lichaam neerhangt Fig 3 ‘Peccato’ nC Ripa (Pers) en een schaal omvat, waaruit vruchten, kronen en een collier met kruis rollen; een hoger percentage gelijkenis dan deze Mildadigheit toont tenslotte nog ‘Dankbaarheit’ (blz 242) Dat zijn nog maar vier van de 35 zinnebeelden; van de overige 31 vond ik, althans bij Zeeus, geen parallel, die verder gaat dan een volgen door beiden van Ripa's aanwijzingen De mogelijkheid bestaat echter zeker dat Vermeulen ook aan anderen plaatjes ontleende Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 288 De voorschriften van Ripa zijn, zoals gezegd, met grote nauwkeurigheid opgevolgd, maar Vermeulen geeft zich moeite het geheel wat op te maken door er een achtergrond, meest een landschap aan toe te voegen Ik neem als voorbeeld De IJdele Glorie (blz 93) De kentekenen die Ripa opgeeft en die opvallend genoeg zijn, vindt men alle: een vrouw met ijdel gelaat, op 'thoofd twee horens, waartussen een bosje hooi, aan de oren inplaats van oorringen bloedzuigers, in de rechterhand een trompet, in de linker een draad, waaraan een omhoogvliegende hommel is bevestigd In Poots Woordenboek staat deze figuur met al haar symbolen in een verder geheel leeggelaten cirkel; Vermeulen vult de cirkel op met een in bruine tint gehouden voorlandschap, waarin een rond gebouw staat en een in grijze tint gegeven achterlandschap met de vage silhouet van burchten en toren Ander voorbeeld: Eenzaamheit; kenmerken volgens Ripa: een vrouw in 'twit met een mus in haar hoofddoek; in de rechterarm een haas, in de linkerarm een boek; ze staat, zegt Ripa, op een afgescheiden, eenzame plaats Vermeulen begaat de vrijheid rechter en linkerarm van symbool te laten wisselen, maar hij maakt veel werk van de eenzame, besloten plaats: een bosweg met oude bomen, die zich weerzijds krommen, fraai harmoniërend met de ronde lijn van de omsluitende cirkel en de eenzame vrouwefiguur geheimzinnig omgevend (zie illustratie 4) Vermeulen geeft ook wel eens een variant De Matigheit (blz 101) is een schone vrouw met een lang toom in de handen, staande vóór een olifant De vrouw is met laurieren bekranst, wat Ripa niet vraagt, daarentegen behoort ze volgens hem de toom in de ene hand te dragen, maar in de andere het onrust van een uurwerk De Volmaaktheit wordt naar de traditie voorgesteld als een vrouw wier borsten bloot gelaten zijn, die omringd is door een soort stalen hoepel met een nagebootste dierenriem en in de linkerhand een passer houdt waarmee ze een nagenoeg voltooide cirkel trekt Vermeulen tekent juist zo de vrouw met de dierenriemband, maar geeft haar in de rechterhand een passer en een uithangend vel papier of perkament, waarop een volledige cirkel is getrokken, in wiens middelpunt de letter omega staat Maar genoeg van deze plaatjes; ik merkte al op, dat ze dikwijls door een fijne lijn en vooral door de vlakverdeling (steeds Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 289 is het vlak cirkelvormig) uitmunten; verscheidene dierfiguren (olifant, haas enz) zijn goed getroffen De, meest 8regelige, bijschriften bij de plaatjes beschrijven het afgebeelde en geven aan de hand van Ripa een bondige verklaring der symboliek Een vraag, die zich vanzelf stelde, is: welke vertaling van Bona is door V ‘in vaerzen uitgebreid’? Een vergelijking van zijn vaerzen met dat proza moet ons immers een inzicht geven in zijn werkwijze en zijn eventuele originaliteit Mij kwamen twee prozavertalingen van de Manuductio onder de ogen, nl 1oWeghWyser na den Hemel, behelsende het Mergh en Pit der H Oudtvaderen, en der Heidense Oude Wijsen, 'tsamen gestelt, door de E: Heer Johannes Bona nu nieulycx uit het Latijn overgeset en met vaersen (op yder Hooftstuck slaande) vermeerdert, gedrukt bij Arnold Bon te Delft in 1674, zonder opgave van de vertaler (het kan Arn Bon zelf zijn) En 2oDe Leidsman ten Hemel, Verzien van het Merg der Heilige Vaderen, en oude Philosophen Gemaekt door den eerwaardigen Heere Johannes Bona Nieuwelijks vertaelt, en met vaerzen op yder Hooftstuk vermeerdert door FvH, uitgegeven door Francois van Hoogstraeten te R'dam, 1670 Bij vergelijking ziet men snel, dat Vermeulen de vertaling van Fr van Hoogstraten (want vertaler en uitgever zijn hier zeker één) volgde Het doorslaand bewijs daartoe leveren de ‘vaerzen’ van FvH, die bij Vermeulen vrijwel letterlijk terugkeren onder de naam die ze al bij vH droegen: Zielzuchten Slechts een enkele regel heeft V, waarschijnlijk terwille van het metrum, wat gladgestreken In de andere vertaling staan die Zielzuchten, sterk afwijkend, bijeen achter in 'tboekje Een ander bewijst levert een aanhaling van twee versregels in de Voorreden van Joh Bona zelf De schrijver haalt het woord aan van een wijze, welk citaat in de Delftse vertaling luidt: Dat ick de wetsteen slacht, die 'tyzer wel kan scherpen Al issy selver bot, en noyt scherp wort door 'tscherpen FvH geeft eerst de Latijnse tekst en vertaalt dan: Ik slacht den slijpsteen, die, al ishij onbedreven In 'tsnijden, evenwel het ijzer snê kan geven Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 290 En bij Vermeulen leest men: 'kBen als den slijpsteen, die, al ishij onbedreven In 'tsnijden, evenwel het ijzer snê kan geven Ook de opschriften der hoofdstukken komen bij FvH en Vermeulen in hoge mate overeen Deze Frans van Hoogstraten (16321696) was boekhandelaar te Rotterdam en te Dordrecht, vervaardigde weinig betekenende zegezangen en stichtelijke liederen (in Dullaerts bundel vindt men een gedicht, dat zijn ‘Voorhof der Ziele’, een emblematisch werk, R'dam 1668 inleidde), maar vooral vertalingen De bekendste zijn die van Erasmus' Laus Stultitiae, van Boëthius' De Consolatione Philosophiae en van Thomas Morus' Utopia Daarnaast, alle drie met lofdichten van Dullaert, Het Leven en Bedrijf van Don Emanuel, een vertaling van Orosius De rebus Emmanuelis regis Lusitaniae, Col Agripp 1574; Leven en Bedrijf van Barlaäm en Josaphat (naar Joh Damascenus), R'dam 1672, en een boekje, dat aan onze ‘Leidsman’ verwant is De versmading der wereldsche IJdelheden (naar de Franciskaner Didakus Stella), R'dam 1651 Dat juist deze Van Hoogstraten, wiens familie Vermeulen te Dordrecht kende, Bona's geschrift vertaald had, is zeker een goede reden geweest om zijn aandacht op het boekje te vestigen Vermeulen spreekt terecht van zijn eigen bewerking als van een die ‘in vaerzen uitgebreidt’ is Om een indruk te geven stel ik naast elkaar de eerste zinnen van het eerste hoofdstuk bij Van Hoogstraten en diezelfde aanvang bij Vermeulen Mijn voornemen, waerde Lezer, is ude hand te geven om uten Hemel te leiden; ik wil zeggen, tot een goed, waer van het genot volmaektelyk uwe begeerten vernoegen kan Dit is het oogmerk en einde, waer na toe het harte van alle menschen door eene natuurlijke neiging gedreven wort Een ygelijk wil zalig zijn Gij alle, die, door lust tot dezen tocht bevangen, Met uwen aandacht blijft in mijn bespiegling hangen, Bereidt utot de reis; komt, gordt uaan met moed: Ik zal uleiden tot het Hoogste en eenig Goed; Tot Godt, de Bron van Heil, de zaligheit der menschen, Behalven wiens genot, niets anders iste wenschen: Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 291 Hij ishet doel, het eind, waar yders hart naar haakt, Natuurlijk tracht, en door begeerte brandt en blaakt: Een sterke neiging ons zoo eigen als het Leven; Want elk wil zalig zijn, en naar den Hemel streven Deze beginpassage geeft een indruk van het algemeen karakter dezer verzen Ze zijn rustigeenvoudig en zuiver, het proza op de voet volgend maar lyrisch verlevendigend, niet verrassend, maar anderszins vrij van de clichébombast der lofdichten Er is heel wat minder werk in deze jaren geschreven en door de druk bewaard gebleven Een enkele maal wordt de dichterlijke paraphrase inderdaad tot echte poëzie FvH vertaalt in de 5de afdeling van het 13de hoofdstuk: ‘De natuur heeft alle dingen als met een keten van liefde aan een gebonden Deze keten trekt en voegt te zamen de sterren aen den Hemel, de vogelen in de lucht, de ossen in de weiden, de lammeren op de bergen, en de wilde dieren in de bosschaedjen’ Dit inspireerde Vermeulen tot: De alkweekende natuur, vol wondre minnevonden, Heeft al de dingen door de liefde aanéén gebonden, Als met een keten van geklonken diamant Dees Liefdeketen trekt, en voegt in d'opperstant Des Hemels, door de min, de goude starrenreien Te samen; in de lucht de vooglen; in de weien De driften paerden, en al 'tgroote rundervee; De kudde lammeren op de bergen; in de zee De snelle visschen; in de bosschen vlugge hinden En wilde dieren; zelfs de stroomen, en de winden; En wat er groeit en leeft, in water, aerde en lucht, Ja, alles in 'tHeelal, bint hij door Liefde en zucht (blz 135) Het grote gebonden handschrift bevat nog andere stukken dan de bewerking van Bona Achterin schreef Vermeulen drie grote gedichten, van enigszins jongere datum, nl ‘Verrukking of den Hemel’, gedateerd Breda 1732, ‘Op de Eeuwigheit’, Breda 17⅙ 31 en ‘Godts Voorzienigheit en Albestier’, waar onder men leest ‘In 's Hage 17 8/30 29’ Alle drie zijn met de volle naam van de dichter ondertekend zonder dat er enige aanduiding is van een origineel, waarvan ze bewerking zouden zijn Ik meen dan ook te mogen aannemen, dat deze drie gedichten Vermeulens eigen werk zijn De ‘Verrukking’ bestaat uit Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 292 226 paarsgewijs rijmende alexandrijnen; ‘Op de Eeuwigheit’ telt 132 verzen, elk van 5iamben met wisselend rijm en ‘Godts Voorzienigheit’ 242 verzen, om beurten een volledige en een halve alexandrijn, op elkander rijmend In 'tbijzonder om deze gedichten verdient Vermeulens naam uit de vergetelheid te worden opgehaald; zij maken het ons ook begrijpelijk, dat Vermeulens vrienden hem als dichter op prijs stelden en dat een Zeeus in hem een nastrever zag van Vondel Ik wil geenszins beweren, dat dit nu poëzie van de eerste orde is: De taal is dikwijls de dichterlijkgeijkte, de beelden zijn zelden verrassend, voor een goed deel door de bijbeltaal geïnspireerd en keren herhaaldelijk terug, de rijmen zijn ook hier voor de hand liggend en herhalen zich veelvuldig Maar er is in alle drie, hoewel het meest in het eerstgenoemde, een innerlijke gedrevenheid, een zielsverrukking, die aan het vers iets geeft van de stem van de vates Er vaart een bewogen, brede ademtocht door, die zich mededeelt aan het rhythme en beslag legt op de lezer En soms is er waarlijk muzikale en beeldende schoonheid, die met het eigen oor is geproefd en met eigen oog is geschouwd Dat eerste gedicht vertelt, lyrischbeschrijvend, van een hemelvisioen En al heeft deze hemel, waarin de dichter zich verzaligd ziet verplaatst en waaruit hij met smartelijk heimwee aan het einde scheiden moet, vele kentekenen en symbolen aan de bijbeltaal en een gepatenteerde vrome zeggingswijze ontleend, er is een waarachtig besef van heiligheid en verhevenheid, er is iets van cosmische grootsheid en vooral: het is beleefd met een overtuigende echte vroomheid Moge ik dit artikel beeindigen door van dit eerste gedicht een tweetal citaten te geven Eerst de aanhef: Zie ik? of droom iknoch? of ben ikwakker? hoe! Zijn d'oogen open, of ismijn gezicht noch toe? Hoe ben ikdus bedwelmt? Wat 'sdit? Wat voele ikheden? Wat voerd mijn geest, dus ongevoelig, van beneden Geduurig hooger op? Hoe! ismijn ziel beroert? Hoe! ben ikdus verrukt? och! 'kword mijzelf ontvoert In dees verrukking! owat Hemelsche gezichten Beschouwt mijn geest! Ik zie de Bronaer aller Lichten, En wordt op vleugels van bespiegling van deze aerd' Vol vreugd staâg opgevoert, en vlieg zoo snel van vaart Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 293 Door alle perssing, als op Cherubijne schachten Gelijk een bliksempijl, ten Hemel in gedachten! Daar ikGods majesteit, in 'tongenaakbaar licht, Ver boven Zon en Maan, in 'tzaligh aangezicht Beschouwe! ikzie alree den aerdkloot met mijne oogen Gelijk een enkle stip verdwijnen! 'kzie de boogen, En Starrenkreitzen, met haar Lichten, Zon en Maan Allengs verkleinen, en haar glanssen ondergaan! Waar ben ik? in wat oord? ôwelke tintelingen Van vreugd gevoeld mijn ziel! wat lucht komt mij omzingen Hoe lieflijk riekt het hier! wat is'thier stil en zoet! ôAangenamen oord, hoe streelt ge mijn gemoedt! Wat aame ikhier een lucht van nooit gesmaakte geuren! Hoe wordt mijn oog gestreelt met onuitspreekbre kleuren Gedommelt ondereen! Gelijk een regenboogh Van bloemen zich vertoont, aan een naukeurigh oog, Wanneer de lieve Lente in eeuwig vruchtbre streken Op eenen stond daar al 'tgebloemte heeft uit doen breken En tot slot nog een tweede citaat: Hier ishet paradijs! De zaalge Lustwaranden Hier voele ikmijne ziel van enkle liefde branden; Nu weete ikwaar ikben; dit 'sKanaän Hier bloeit De Boom des Levens, daar de zaligheit aan groeit: Dit 'smelk, en honighland Hier kan men 'thart ophalen Hier weegt de naght en dagh, in twee gelijke schalen Zich nimmer Hier 'sgeen naght Hier kent men zelfs geen tijdt Noch jaarsaisoenen Hier heerscht laster, haat noch nijdt; Noch wroeging, zorg noch vrees, noch hoop; die menigmalen Zoo zwaar valt als de vrees; de dood, de ziekte en kwalen, De tweedracht, wanlust, rouw, en wat de zielsrust stoort, Is voor altoos geweert uit dit gelukkig oord Maar 'tCherubijnendom, in blijdschap niet te teugelen, En d' Englen klappen hier hun hagelwitte vleugelen; Wijl 'tzaligh Geestendom, in 'tsneeuwit praalgewaad, Staâg juichende, in triomf, met hen ten reie gaat P MINDERAA Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 294 Beschaafdentaal Bij het bespreken van het probleem der beschaafdentaal lopen we telkens de kans in gevaarlijke zones te geraken, die ons het rechte wetenschappelijke pad kunnen doen verliezen Kruisinga noemt (in zijn Taal en Maatschappij )de beschaafdentaal ronduit de taal ener ‘klasse’ en ook al knoopt hij daar toevallig geen verdere schimpscheuten aan vast 1),we hebben toch voldoende herinnering aan andere composita met klasse (klassementaliteit, klassemoraal, klassejustitie) om ervan doordrongen te geraken, dat wij ons hier kennelijk in de buurt van schrikdraad bevinden 2)Immers de kwesties, die samenhangen met ‘klasse’ en ‘stand’ zijn bij ons volk altijd zeer delicaat geweest, hetzij in de ouderwetse vorm van al wat met gewone préséance en soortgelijke dingen samenhangt, hetzij in de meer gecompliceerde vorm van bewuste reactiedaartegenin Vooral in het laatste geval zij de taal 1) Zoals later bv inNTg, XXX (1936), 15 2) Tegen mijn verwachting inzijn eigenlijkprincipiële bezwaren (openbare en particuliere) tegen mijn taxatie van het aantal beschaafden (in de zin van het WNT )op 3% uitgebleven Ikben de kritiek op mijn ‘Gezag en Norm’ temeer erkentelijk, daar het hier gaat om een van die tere punten waarvan de zakelijke formulering veel hoofdbrekens kost De Vooys spreekt weliswaar van een ‘pessimistisch’ percentage (Ts, LXIX, blz 316), maar wat de uitspraak aangaat schijnt ook hij wat minder rekkelijk dan ten aanzien van ‘woordvoorraad, woordvorming en syntaxis’ (uit het betoog dat daarop volgt blijkt echter dat De V hier meer het oog heeft op de ‘Gemeinsprache’ (zie beneden blz 301) dan op de strikte beschaafdentaal) Van Haeringen wijst op beschaafde winkelmeisjes en verpleegsters met vooropleiding (hoe groot ishet percentage daarvan, berekend op het geheel der Nederlandse bevolking?), maar voor vH is‘het beschaafde Nederlands, streng fonetisch opgevat zoals Kloeke doet, nog minder “algemeen” dan voor hem’ Hieruit meen iktemogen opmaken, dat de waarde van de uitspraak, voor het doel dat mij voor ogen stond, ook door vH hoog wordt aangeslagen (immers hoe fijner wij kunnen selecteren, hoe groter de kans dat wij de kringen van het eigenlijke ‘gezag’ benaderen) Men zal overigens begrijpen dat ikaan het getal 3geen absolute waarde toeken, maar dat ikhet vooral beschouwd wil zien als een aanduiding dat beschaafdentaal ingeen geval als ‘algemeen’ (massaal) verschijnsel kan worden beschouwd (hetzelfde dus wat Overdiep wilde aanduiden met zijn 1%) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 295 waarnemer op zijn hoede: niet zelden blijkt de taalhabitus van (naar eigen opinie) zeer ‘klassebewuste’ Nederlanders te zijn ontleend aan een andere klasse dan waarvan zij zich ‘bewust’ zijn Men heeft de opmerking gemaakt, dat ik in mijn boekje over ‘Gezag en Norm’ bij de behandeling van het probleem der beschaafdentaal nogal sterk (te sterk) de nadruk heb gelegd op de uitspraak 3)Het is inderdaad mijn overtuiging dat de uitspraak zich goed leent tot het vinden van een eerste houvast voor classificatie, al wil ik gaarne toegeven dat hier een systematisch onderzoek van woordgebruik en syntaxis op zal moeten volgen 4)Ik had trouwens minder de aspiratie het door mij aangesneden probleem op te lossen, dan wel te wijzen op enige hinderlijke struikelblokken van (schijnbaar) terminologische aard, die het vrije uitzicht in hoge mate belemmeren Wat trouwens de typerende waarde van de uitspraak betreft: het is een bekend feit, dat ook toneelspelers zich gaarne van uitspraaknuances bedienen om het milieu van de dramatis personae aan te duiden Dit geeft mij als vanzelf aanleiding tot bespreking van een bizondere ‘klasse’uitspraak die in Holland min of meer als ‘dialect’ leeft en waarvan nochtans in de handboeken geen notitie wordt genomen Ik vestig hier allereerst de aandacht op de waardevolle opmerkingen die Van Haeringen heeft gemaakt naar aanleiding van het fenomeen der ‘gedistingeerdheid in taal’, maar meen dat deze geleerde het accent te zeer laat vallen op het incidentele en het van de (gevestigde?) ‘norm’ afwijkende Persoonlijk ben ik veeleer geneigd hier een oorspronkelijk sterk besloten gedistingeerde taalgemeenschap met geheel eigen ‘norm’ als uitgangspunt aan te nemen Vraag een bekwaam voordrachtkunstenaar van Hollandse origine om de uitspraak van een deftige aristocraat na te bootsen en ge zult dadelijk de fonemen van dit ‘dialect’ bij hem kunnen horen Een collega van mij, die zich voor 3) Bij hen, die aan de absolute autonomie van het AB geloven, isdit verwijt enigszins zonderling Immers volgens hun opvatting wordt de taal enkel langs orale weg doorgegeven 4) Voor de methode vergelijke men het, beneden nog nader tebespreken, boek van Charles Carpenter Fries, American English Grammar Hij baseert zich op schriftelijk materiaal maar bij gebrek aan beter en als ‘compromise’ (Fries, 27) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 296 dit fenomeen interesseerde, karakteriseerde het niet onaardig als ‘villa’uitspraak Van andere zijde pleegt deze spraak wel als ‘Haegs’ te worden aangeduid, maar deze naam is in zoverre onnauwkeurig (althans voor de tegenwoordige tijd) dat men haar evenzeer beluistert bij gedistingeerde Haarlemmers, Dordtenaren, Arnhemmers, Utrechters, Amsterdammers en Rotterdammers, ook al zijn ze niet in Den Haag opgevoed Wanneer ik constateer dat men deze uitspraak voornamelijk kan waarnemen bij het stedelijke (Hollandse) patriciaat dan ben ik mij bewust dat ik reeds door het kiezen van deze ouderwetse en ‘verouderde’ naam in netelige ‘stands’problemen verzeild dreig te raken Toch lijdt het mi geen twijfel, dat toneelspelers, die bv gezanten, rechters, deftige officieren, douairières en dgl moeten uitbeelden, zich onwillekeurig gaan bedienen van deze uitspraak, die dan (vooral in de klucht) enigszins pleegt te worden gechargeerd Ziehier enige kenmerken ervan: De aa wordt nogal ae achtig 5)uitgesproken De ee en oo zijn zeer gesloten De ei, ou en ui zijn eveneens gesloten en worden naar het schijnt door sommigen in bepaalde positie enigszins gerekt De óen òzijn samengevallen tot één (open) ò De korte i klinkt naar è, de korte ènaar ä, de korte unaar ö In verband met de uvulaire uitspraak van de r(dit kan nooit missen) ontwikkelt zich de oo voor rmeestal tot eu ; eenzelfde soort ‘umlaut’ constateert men veelal bij oer >uur (ongeveer) en or > ör Kortom het vocalisme schijnt wel te voldoen aan de eisen die men redelijkerwijs aan een gesloten fonologisch systeem kan stellen Er is te meer reden om van een apart ‘dialect’ te spreken, daar het zich niet zelden nog door tal van (voorlopig) imponderabele eigenaardigheden (spreekmelodie, timbre enz) onderscheidt Het is voor degene die het niet van huis uit gebruikt moeilijk na te bootsen zonder in overdrijving te vervallen Over 'talgemeen kan men zeggen dat het weinig past bij de aard van ‘de provincie’ 6)Nooit trof ik bv Friezen of Groningers die het zich hadden 5) De toneeltraditie vergt hier nog steeds ae, zoals die bij oude patriciërs ook nog wel valt te beluisteren Maar het schijnt mij toe, dat hierin bij de jongere generatie verandering isgekomen De ae uitspraak iszó veel geridiculiseerd dat ze blijkbaar langzamerhand isweggehoond 6) Deze incompatabilité geldt inmindere mate voor de IJselsteden daar de uvulaire rhier zeer gebruikelijk is Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 297 aangewend Ook de Vlamingen voelen weinig of geen affiniteit met deze uitspraak 7) Nu is het mi niet juist om uit dit ‘dialect’ enige verschijnselen uit te pikken en die als individuele ‘geaffecteerdheden’ te brandmerken Dan zou men nog eerder van een bepaalde klankleer van het ‘geaffecteerde’ Hollands kunnen spreken, maar ik vrees dat deze opvatting sterk onder invloed zou staan van de overdreven voorstelling die toneelspelers en leken ons van de uitspraak geven, wanneer zij deze gedistingeerde taal trachten na te bootsen In de milieus, waar deze taal werkelijk leeft, wordt zij echter volstrekt niet als geaffecteerd gevoeld Haal ik mij de personen uit mijn kennissenkring voor de geest, die aldus spreken, dan zou ik er trouwens dadelijk verscheidene kunnen noemen, wier persoonlijkheid en karakter op zichzelf reeds alle gedachten aan affectatie uitsluiten Hoe is deze taal ontstaan en wanneer is zij gevormd? Het (betrekkelijk) gesloten fonologisch systeem en een zeker exclusivisme van de milieus die er zich van bedienen wijzen erop, dat wij hier hebben te maken met een organisch gegroeide, intercommunaalgeworden taal, niet met een conglomeraat, dat het gevolg zou zijn van een reeks toevallige nukken in de spreekmode Ik zou de mogelijkheid willen opperen, dat de wortelen dezer taal in het regentenHollands zijn te zoeken 8) Dat deze taal beschaafd genoemd moet worden is buiten kijf, maar 7) Inverband met mijn vermoeden van Franse beïnvloeding (zie noot 8)dient men tebedenken, dat men van de Vlamingen veeleer kan zeggen, dat ze Frans met Nederlandse mond spreken dan omgekeerd 8) En hoe isdat dan weer ontstaan? Ikvestig er de aandacht op, dat deze potentiële nazaat van de ‘regententaal’ zich oa kenmerkt door eigenaardigheden, die aan Franse articulatie herinneren Anders uitgedrukt: de mondstand van de stedelijke Hollander die aldus spreekt, leent zich beter dan bv die van de gemiddelde ‘provinciaal’ tot het aanleren van Frans Met de mogelijkheid van indirecte Franse invloed mag men temeer rekening houden, daar vele families waarin deze uitspraak gecultiveerd wordt (zij prefereren nogal eens de Franse uitspraak ‘famille’) ‘tweetalig’ waren indie zin, dat aan de ‘Franse gouvernante’ en de ‘Franse kostschool’ vanouds een voorname rol inde opvoeding werd toebedeeld [Achteraf zie ikdat Van Haeringen de term regentenHollands ook aleens gebezigd heeft, maar inveel ruimere zin: ‘Zo zou ons Nederlands regentenHollands kunnen heten’ (NTg, XXX (1936), 308)] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 298 het percentage beschaafden dat zich ervan bedient is gering 9)De positie van deze ‘gedistingeerde’ taal (voor zover men van een eenheid mag spreken) heeft naar het schijnt punten van overeenkomst met die van het ‘Oxford accent’ van Engelse gentlemen 10) of met die van bepaalde spreekgewoonten die kenmerkend waren voor de Duitse officiersstand van vóór de eerste wereldoorlog 11)Ook in die zin dat zij zich bij uitstek leent tot persiflage De ‘geaffekteerd’ sprekende rechter tegenover de Amsterdamse ‘man uit het volk’, het taalkundig contrast tussen de douairière en de werkvrouw of van de aristocratische beroepsofficier tegenover de eenvoudige boerenzoon: ziedaar nog altijd dankbare stof voor tal van kluchten en komische hoorspelen Als mijn karakterisering van deze speciale milieutaal als ‘regententaal’ in wezen juist mocht zijn, vraagt men zich af, waarom deze vorm van Nederlands geen aanspraak (meer) mag maken op de naam van ‘standaard’Nederlands Kan de geweldige suprematieverschuiving na de Franse revolutie hiervan de oorzaak zijn? Na de 18de eeuw komen naast de (stedelijk georiënteerde) Hollandse regenten grote bevolkingsgroepen aan bod, die zich oa ook recruteren uit de bevolking van het platteland en van ‘de provincie’ Bovendien neemt het volksonderwijs een grote vlucht en juist bij dit onderwijs aan het volk zijn de regenten zo goed als niet actief betrokken geweest In dit licht bezien lijkt het mogelijk, dat de regententaal na 1800 min of meer als ‘relict’ moet worden beschouwd, waarbij de orale bemiddeling van vader op zoon inderdaad de voornaamste rol heeft gespeeld Een AB dus in de ideale vorm zoals Salverda de Grave 12) zich voorstelde Het is echter zeer wel denkbaar dat de àndere beschaafdentaal die zich naast dit oude 9) Ikschat bv het percentage onder de Leidse universiteitsdocenten op zijn allerhoogst op 10% Hieruit zou zijn afteleiden, dat het aantal Nederlanders dat aldus spreekt op het ogenblik ligt beneden de 0,5% 10) Men denke ten onzent aan de oude kostscholen en pensionaten ‘voor jongelieden van goeden huize’ (zoals de term vanouds luidde) 11) Alle beroepsofficieren werden uitsluitend opgeleid inexclusieve internaten 12) Als ikmij wel herinner was de taalhabitus van S de G duidelijk ‘Haags’ De gegevens, die mej Wind ons inzijn levensbericht (Jb Lett, 194749, blz 1309) heeft verstrekt, wijzen op sterke contacten, zowel van vaders als moederszijde, met de oude regentenmilieus Met meer recht dan vele anderen kon S de G aannemen dat hij zijn taalhabitus langs zuiver orale weg had verkregen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 299 relict heeft ontwikkeld (en die door aanmerkelijk meer personen wordt gesproken), enige trekken vertoont die associaties wekken aan een nouveau riche De oude aristocraat meent, als vanzelf, te weten ‘hoe het hoort’, de nieuwe opkomeling moet er naar informeren, krijgt er ‘les’ in Dat de schoolse invloed speciaal hier dus goede kansen moest krijgen behoeft geen betoog 13) Ziedaar enige opmerkingen van sterk speculatief karakter, die nog nader aan de feiten getoetst zullen moeten worden, maar die ik nodig oordeelde om te doen uitkomen met welke taalkundige en sociologische complicaties men zoal rekening dient te houden wanneer men de bronnen van taal‘gezag’ wil opsporen Het aantal onbekende factoren is voorlopig nog te groot om tot een werkelijke ‘theorie’ te kunnen geraken Van bizonder belang zou het zijn, te weten of de ‘regenten’taalalsgeheel zich nog uitbreidt dan wel, of er sprake is van een geleidelijk ombuigen naar het ‘andere’ Beschaafd en omgekeerd 14)Om dit in bizonderheden na te gaan moeten we beschikken over stemportretten van verschillende generaties uit éénzelfde familie Mijn voorlopige indruk is, dat beide vormen van Beschaafd kalmweg naast elkaar leven zonder elkaar veel te beïnvloeden Maar ik moet erbij opmerken dat mij uit eigen ervaring géén gevallen bekend zijn, dat sprekers in hun jeugd van het ‘regenten’Hollands zijn overgeschakeld naar het ‘andere’ Beschaafd 15)Wel doet zich het omgekeerde voor, maar dan komt 13) Op de oude regententaal heeft het onderwijs blijkbaar minder vat gehad Uit de mond van aristocraten aan wier beschaafdheid niet de minste twijfel kan bestaan tekende ikwoordvormen op als: goeiekoop, peerd, verboje, hij mot, kleremaker, menister Ikvoeg er vHaeringens waarnemingen aan toe: ‘Een Nederlands edelman durft inhoog gezelschap zonder aarzelen een woord als strakkies gebruiken, de onbetwiste aristocraat isverwonderlijk gemakkelijk met werkwoordsvormen als we magge en ze magge Men verzekert mij zelfs dat de adel gevoeglijk leggen voor liggen gebruikt’ Sommige van deze verschijnselen kunnen als ‘relicten’ (uit de 18de eeuw) worden beschouwd, maar de sprekers van de àndere beschaafde taal zien deze eigenaardigheden niet meer voor vol aan 14) Het komt mij voor dat het àndere Beschaafd sterker genuanceerd is, alwas het alleen maar omdat heel (beschaafd) Nederland (en ‘Indisch’beïnvloed Nederland!) hier ‘een woordje’ meespreekt, terwijl de ‘regenten’uitspraak inhoofdzaak toch wel tot stedelijkHollandse milieus beperkt is 15) Toevallig zijn mij enkele gevallen bekend van (mannelijke) personen bij wie men op grond van afkomst en milieu ‘regenten’Hollands zou verwachten, maar die er een uitspraak op na houden, die men gerust als ‘plat’ kan bestempelen Men zal hier rekening moeten houden met het feit, dat de sympathieën der mannelijke jeugd niet altijd bij voorkeur uitgaan naar de salon en dat de vriendenkring bij jongens een veel bonter samenstelling heeft dan dat bij meisjes het geval pleegt tezijn Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 300 doorgaans iets voor den dag, dat gelijkenis vertoont met de boven besproken caricatuur die toneelspelers van het ‘Haegs’ geven en dat men zonder bezwaar ‘geaffecteerd Hollands’ kan noemen De twee besproken varianten van ‘Beschaafd’ zitten elkaar blijkbaar dus niet erg in de weg Veeleer schijnt er op het ogenblik sprake te zijn van een ‘getrennt marschieren, vereint schlagen’ In het volgende betoog zal dan ook geen opzettelijk verschil meer gemaakt worden tussen beide vormen van Beschaafdentaal Wel echter zal deze tweeeenheid duidelijk afgebakend dienen te blijven tegenover dat wat ik eens, half in scherts, AO heb genoemd Ik behoef wel niet uitdrukkelijk te verzekeren dat hierbij niet de gedachte aan een eenheidsAO heeft voorgezeten Veeleer sluit ik mij geheel aan bij de duidelijke onderscheiding, die Fries in zijn American English Grammar maakt tussen het ‘Standard English’ aan de ene kant tegenover de lagere spreekhabitus van het ‘Common English’ en de laagste trap: het ‘Vulgar English’ Ik vestig hier met nadruk de aandacht op dit interessante werk van Fries Op zoek naar de ‘gezaghebbende’ standaard (waarvan volgens hem de ‘socially acceptable’ de dragers zijn) koos hij als grondslag van zijn statistisch onderzoek een omvangrijk schriftelijk materiaal Het trof mij, dat deze Amerikaan, hoewel hij werkt volgens heel andere methode (de uitspraak komt in zijn betoog nauwelijks aan bod) en zijn boek betrekking heeft op taaltoestanden die van de onze ongetwijfeld aanmerkelijk verschillen, niettemin een selectie toepast, die opvallend overeenkomt met de mijne Zo horen volgens hem tot de ‘socially acceptable’: degenen die ‘graduates’ zijn ‘of one of our reputable colleges after having had at least three years of college life’ en verder ‘college professors, physicians, lawyers, judges, clergymen, commissioned officers of the United States Army above the rank of lieutenant, and, from cities of more than 25,000 inhabitants, the superintendents of schools and the editors of newspapers’ (Fries, 30) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 301 Wat de (specifiek Hollandse) ABformule vooral mist, is de mate van selectiviteit, die nu eenmaal eigen is aan het begrip ‘beschaafdzijn’ in de zin van het WNT Begrijp ik het goed, dan stelt De Vooys het AB niet alleen gelijk met koinè (Royen) èn standaardtaal (Van Haeringen) maar ook met het ‘naast en boven de streektalen erkende verkeersmiddel voor de gehele volksgemeenschap’ dat de Duitsers als Gemeinsprache 16) aanduiden (zie Ts, LXIX, 314) De gevoelens van de individuele spreker tegenover het massale taalverschijnsel der ‘Gemeinsprache’ worden echter niet beheerst door een ‘gezags’bewustzijn, op zijn hoogst door de overtuiging van een zekere traditionele verbondenheid Van ‘gezag’ dient men reeds hierom niet te spreken, daar de beschaafden (hoewel óók traditioneel met de gemeenschap verbonden) zich herhaaldelijk en principieel blijken verzet te hebben (en nog te verzetten) tegen taalverschijnselen die ‘algemeen’ verbreid zijn Ook de nietbeschaafden richten zich trouwens niet zo zeer naar de ‘algemeenheid’ (zij staan immers slechts met een fractie daarvan in intensief verkeer) als wel naar hen, die in hun kring ‘toonaangevend’ zijn Hoe men de zaak ook wendt of keert: ‘gezag’ kan slechts uitgaan van een geselecteerde minderheid Wil men de kern van het gezag benaderen, dan moet men ervan doordrongen zijn, dat men dient te beginnen met het opzijschuiven van een zéér dikke laag ‘tarra’ Uit een en ander volgt, dat AB (opgevat als ‘Gemeinsprache’) niet alleen in geldigheidsomvang, maar ook principieel, verschilt van de ‘beschaafdentaal’ van Kruisinga Beschaafdentaal heeft uitsluitend betrekking op de taal die door beschaafden (dwz in ons geval 300000 Nederlanders) wordt gesproken De zeer elastische ‘Gemeinsprache’ daarentegen is het verkeersmiddel van millioenen Men houde daarbij in het oog dat het AO (als men common +vulgar even aldus wil samenvatten) onze volle wetenschappelijke belangstelling verdient Het is immers in hoge mate belangwekkend om na te speuren welke de 16) Men houde wel inhet oog dat dit een zeer veel ruimer begrip isdan bv de (eclectisch vastgestelde )Bühnensprache die men inhet dagelijks leven zelden ofnooit kan beluisteren Tussen beide begrippen inligt dunkt me de ‘hochdeutsche Umgangssprache’ zoals P Kretschmer die opvat, nl als ‘die im täglichen Leben gesprochene Sprache der gebildeten Kreise’, ook aangeduid als ‘die Gemeinsprache der Gebildeten ’ Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 302 oorzaken zijn van de negativistische houding, die de beschaafde in verschillende gevallen pleegt aan te nemen, tegenover dat wat ‘common’ en ‘vulgar’ is Niet overal is die houding gelijk In het Duitse taalgebied bv speelt de antithese beschaafd/onbeschaafd (van taal) een geringere rol 17) dan in Engeland (waar de toestand meer verwantschap met de onze vertoont) Terwijl ten onzent ‘de provincie’ een zekere rekkelijkheid aan den dag legt, pleegt de beschaafde Hollander een uitermate gevoelig (sommigen zullen zeggen overgevoelig) oor te bezitten voor taalnuanceringen die onder de schreef zijn Charivarius was niet de enige, die het vermogen bezat om zijn gewestgenoten, op grond van hun uitspraak, volgens rang en stand te classificeren De vraag of deze gevoeligheid een uitvloeisel is van loffelijke nationale eigenschappen (maw of zij ‘wenselijk’ is of niet) blijve hier weer onbesproken De theorie van het Algemeen Beschaafd is, naar we zagen, veelal uitgegaan van het bijkans als axioma aanvaarde beginsel, dat de ontwikkeling van de beschaafde spreektaal steeds autonoom is geweest, geheel los van de schrijftaal Nu meer en meer blijkt dat dit beginsel niet in allen dele strookt met de feiten, zal de theorie dus moeten worden herzien Daarbij is niet te vermijden dat veelgekoesterde voorstellingen worden geabandonneerd Wie in mijn betoog over Gezag en Norm een ondertoon van negativisme en zelfs van ‘min of meer antithetisch doorgedreven scepticisme’ 18) meent te kunnen constateren, bedenke dat het ontluisteren van een door velen geapprecieerd kunstwerk een zeer hachelijke taak is, die vóór alles een principieelkoele houding vereist Men verdenke echter de chirurg die het mes in het vlees zet niet van aangeboren koelhartigheid Ik heb er reeds op gewezen hoe uiterst moeilijk het is, om het standpunt van de taalwaarnemer duidelijk te scheiden van dat van de taalpaedagoog Uitvoerbaar zou het zijn, wanneer de taalpaedagoog zich 17) ‘Ungebildet’ spreekt hij die tegen de grammatica zondigt (bv de naamvallen verkeerd aanwendt) dwz die verraadt dat hij een onvoldoende ‘Schulbildung’ heeft gehad Maar ten aanzien van de uitspraak toont men meestal een grote tolerantie en spreekt van ‘landschaftliche Verschiedenheiten’ 18) NTg, XLIV (1951), 320 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 303 bij zijn taallessen kon beperken tot het bijbrengen van wetenschappelijk taalinzicht, maw als hij bij zijn onderwijs min of meer gepopulariseerde overzichten van collegestof gaf Dat wordt ook wel eens gedaan door geestdriftige jonge leraren, maar op den duur leren zij beseffen, dat zij de gewone schoolse training niet kunnen missen Ook ik vermag niet in te zien, hoe taal‘onderwijs’ (dus ook dat in de moedertaal) ooit tot zijn recht zou kunnen komen zonder dat de leraar het rode potlood systematisch hanteert of (bij mondelinge voordracht) zijn leerlingen ‘verbetert’ Maar ieder weet, dat bij de beoordeling van ‘fouten’ in de moedertaal de maatstaven veel sterker uiteenlopen dan bij die voor andere vakken Dit hangt samen met de subjectieve inzichten der docenten omtrent het ‘taalleven’ en meer in 'tbizonder met hun opvattingen omtrent de sociologische functie van de ‘beste’ taal Wat is menselijker dan dat de docent de tendenties die hij meent te hebben opgemerkt, ‘bevordert’ en dat hij de taal‘ontwikkeling’ een handje helpt? Laten wij bekennen dat wij allen op zijn tijd aldus handelen en laten wij er zelfs verontschuldigend aan toevoegen, dat de door dik en dun gehandhaafde objectieve houding ten opzichte van de taal iets geforceerds en onnatuurlijks heeft De taalgebruikers, en juist degenen die op ‘verzorging’ van hun taal prijs stellen, wensen immers ‘houvast’ Zij die in zaken van taalgebruik nogal eens als ‘deskundigen’ worden geraadpleegd constateren bij leken trouwens vaak een grote bereidheid om de ‘deskundige’ op een voetstuk te plaatsen Gaat het anderen als mij dan zal de gretige opvijzeling van een gegeven advies tot een Roma locuta, causa finita hen echter wel eens benauwd hebben Immers dat advies is niet zelden gebaseerd op een compilatie van inzichten omtrent de goede smaak, die de taalkenner in eigen kring heeft menen waar te nemen en waaromtrent duizend anderen dus met evenveel ‘deskundigheid’ kunnen oordelen Bij andere onderwijsvakken speelt de antithese tussen ‘waarnemen’ en ‘ingrijpen’ een veel geringere rol Zo kan bv de diersocioloog het leven der bijen in al zijn interessante details beschrijven zonder dat hij zich daarbij met de nutteloze vraag hoeft bezig te houden, of misschien de arbeid tussen de luie darren en de nijvere werkbijen doel Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 304 matiger verdeeld zou kunnen worden Pogingen om de biologie tòch in de ethiek te betrekken zijn onlangs door Koningsberger met stelligheid van de hand gewezen 19) Zo veroordeelt hij de ‘Statement of Race’ van de Unesco 20) ‘waarin op wetenschappelijke, merendeels biologische gronden verklaard wordt, dat rasdiscriminatie ongegrond is’ ‘het gehele geval zou even bedenkelijk zijn, indien de conclusie omgekeerd zou hebben geluid en rasdiscriminatie op wetenschappelijke gronden wèl gemotiveerd ware verklaard’ ‘[De Unesco is] teruggevallen op de absolute wetenschapsbeschouwing van de vorige eeuw, want alleen wanneer de wetenschap over het gehele gebied van het Zijn de absolute waarheid en wijsheid in pacht had, zou zij mogen en kunnen optreden als “censor morum”’ Duidelijk geeft Koningsberger te kennen dat het beeld dat de wetenschap ons van de werkelijkheid geeft niet anders dan amoreel kan zijn ‘De’ wetenschap! Dus ook de taalwetenschap? De taaldocent die dit toegeeft, zal dan echter te dieper overtuigd zijn van de gespletenheid van zijn taak Immers hij is, krachtens zijn ambt, niet alléén toeschouwer, maar ook (als hij ten minste niet een vreemde taal, maar werkelijk zijn moedertaal onderwijst) actief medespeler bij het taalgebeuren Er mogen ogenblikken zijn, dat hij zich min of meer als objectief arbiter ‘au dessus de la mêlée’ voelt, het nageslacht zal hem zèlf als lid van de mêlée beschouwen en hem vonnissen, zoals onze tijdgenoten alle vroegere schoolmeestersgeneraties wegens hun ‘onzuiver’ inzicht hebben gevonnist Medespeler is en blijft hij dus en zijn actieve rol schijnt zelfs dubbel belangrijk omdat hij, op zich zelf meestal reeds behorende tot de ‘gezag’hebbende laag der ‘beschaafden’, bovendien nog door deze bovenlaag tot mandataris in zake de verzorging der moedertaal is uitverkoren Maar waar ligt nu het zwaartepunt van zijn ‘gezag’? Is op hem min of meer de regel van toepassing: ‘er glaubt zu schieben und 19) VJ Koningsberger, Biologie en Samenleving, in: Prov Utr Gen, Verslag van het verhandelde inde sectievergaderingen van de algemene vergadering gehouden de 24ste Mei 1951 20) De statement issindsdien ingetrokken omdat de motivering niet wetenschappelijk verantwoord was Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 305 er wird geschoben’? Zo ja, vanwaar komt dan de kracht die hèm drijft? Ontleent hij die uitsluitend aan zijn gezag als contemporain ‘beschaafde’ of is hij (mede) afhankelijk van ‘de boeken’? De gewoonte om de, in wezen uiteenliggende, standpunten van taalwaarnemer en taalpaedagoog tòch te vereenzelvigen kan zozeer tot tweede natuur worden, dat men voor objectieve waarheid gaat houden, wat in werkelijkheid aesthetische, paedagogische of zelfs nationalistischgetinte wensdromen zijn Nu wil ik geenszins de betekenis van algemeengekoesterde wensdromen voor de tendenties in de taalontwikkeling wegcijferen (integendeel, ook zij zijn in zekere zin ‘realiteit’), maar wel lijkt het me gewenst om de feitelijke invloed ervan in zijn juiste proporties te zien Dit nu kan niet uitsluitend geschieden door bespiegeling en door gevoelsoverwegingen maar door voortdurende confrontatie met de reële taalfeiten Een van de zwakke plekken van de ABtheorie is wel haar onderschatting van de betekenis der stilistische nuances voor ons taalkundig inzicht Ik moet hier de nadruk leggen op het woord ‘betekenis’ omdat mij van een algemene neiging tot verwaarlozing der nuanceszelf niet is gebleken Veeleer kan men in dit opzicht een grote liberaliteit constateren, die de elasticiteit van het begrip AB zelfs vergroot Nu moge het massale karakter van het AB een zekere bekoring hebben (met genoegen zal men, afziende van de weinige nog levende dialecten, constateren: één volk, één taal), wetenschappelijk is er weinig mee aan te vangen Taalpaedagogisch bereikt men ermee dat elke Nederlander erdoor wordt gestijfd in zijn mening, dat hij bij zijn spreken ‘de’ norm hanteert Van het standpunt van de taalgebruiker (behorende tot de ‘spraakmakende gemeente’) is dit standpunt trouwens rationeel Immers het is over 'talgemeen niet waarschijnlijk, dat iemand met normale en fysieke en psychische functies welbewust en permanent zou volharden in een taalgebruik dat zou liggen beneden de normen van beschaving die in zijn milieu plegen te worden gesteld Men zou kunnen zeggen: ieder spreekt die taal die hij gegeven de situatie en omstandigheden als de beste beschouwt en die hij (laten we zeggen: aan zijn kinderen) als norm kan aanbevelen (of zelfs voorschrijven, als ten minste de kinderen zijn ‘gezag’ aanvaarden) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 306 Ook de overgrote meerderheid van onze taaldocenten staat op dit standpunt Een ervan schreef mij: ‘Eerlijk gezegd neem ik bij m'n synchronische beschrijvingen altijd m'n eigen taalsysteem als uitgangspunt, en voor het gemak noem ik dat dan ABN Zodoende wordt dat begrip, voor die gelegenheid althans, scherp omlijnd’ Ik ben mijn correspondent dankbaar voor zijn eerlijke mededeling, want de onhoudbaarheid van het ABbegrip kon nauwelijks beter onder woorden worden gebracht Ik ben trouwens, na jarenlange ervaring, tot de overtuiging gekomen dat verreweg de meeste taaldocenten er over denken als hij Stilzwijgend wordt dus het individuele in de plaats geschoven van het massale Dat voor het individuele andere wetten gelden en andere methoden van onderzoek vereist worden dan voor het massale, en dat men hier dus taalwetenschappelijk (en trouwens ook paedagogisch) vastloopt, behoeft niet uitvoerig te worden betoogd Het aantal normen van Nederlands dat men op deze wijze kan waarnemen, is op zijn minst even talrijk als het aantal locale en sociale taalkringen dwz véél te groot om daaruit ‘de’ (voor het gehele Nederlandse taalgebied geldige) ‘norm’ volgens objectieve maatstaf te kunnen construeren Voortredenerende op mijn statistisch gefundeerd betoog in Gezag en Norm zou men wellicht zelfs kunnen zeggen dat 97% der taalgebruikers ten onrechte in de mening verkeren, dat hun spreken aan de (algemene) ‘norm’ beantwoordt Maar die redenering isin zoverre onjuist, dat een aanzienlijk percentage van hen die zich van een bizondere vorm van de koinè bedienen, ofschoon zij overtuigd zijn volgens ‘een norm’ te spreken, volstrekt niet de pretentie hebben van algemeenNederlandse geldigheid van hun taalgebruik Men houde hierbij steeds in het oog, dat het bewuste streven naar ‘vaststelling’ (of ‘vastlegging’) van één standaardtaal ontsproten is aan het reflecterend brein van taalgeleerden De wetenschappelijk gevormde taalpaedagoog weet sinds lang, dat de dialecten, soms snel soms langzaam, verdwijnen en plaats maken voor een algemeenbegrijpelijkNederlands maw dat er op taalkundig gebied een nivelleringsproces gaande is In deze taalnivellering is, als in alle nivellering, iets dat tegen de borst stuit en we kunnen dus de droefenis (en eventueel de verzetshouding) van menig dialectminnaar Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 307 volkomen begrijpen Maar niettemin: dit verlies moet worden geboekt Doch de grootNederlands georiënteerde taalpaedagoog ziet vooruit en komt tot de conclusie dat tegenover de provinciale verliezen, wanneer men de zaak van centralistisch standpunt beschouwt, ook winst valt te constateren Met de toenemende verbreiding der beschaving is, zo meent hij, ook in zuiver geografisch opzicht, een steeds verder doordringen van de beschaafde cultuurtaal waar te nemen: het ideaal, één volk één taal, schijnt nabij Inderdaad zo zou het zijn, wanneer de taalontwikkeling langs rationele banen verliep, maar de werkelijkheid is anders Reeds in 1934 (NTg, XXVIII, 68 vv) heb ik erop gewezen, dat rondom onze hoofdstad taaleigenaardigheden (in verrassend snel tempo) veld winnen, die ook de meest rekkelijke ABvoorstander onmogelijk voor ‘beschaafd’ kan verslijten Latere waarnemingen hebben mij in de overtuiging bevestigd, dat dit proces zich niet beperkt tot enkele toevallige taalverschijnselen, maar dat hier een geografisch voortschrijdende penetratie gaande is van een taal, die men wel voorlopig kan aanduiden als Hollands AO Alles wijst erop dat we hier te doen hebben met een ontwikkeling van zeer massaal karakter, die zich over een breed geografisch front voltrekt Volledigheidshalve zij opgemerkt, dat er naast deze ontwikkeling op zuiver geografisch niveau ook tendenties te constateren zijn, die tegen de ‘stroom’ ingaan, maar men vindt deze voornamelijk in kringen, die hun meeste beschaafdsprekende relaties elders hebben en die zich in taalkundig opzicht niet autochthoon gebonden voelen Voorstanders van efficiency en ‘geleide economie’ zullen zich verbazen over de ‘verkeerdgerichte’ tendenties bij de autochthone bevolking Immers wanneer bv de bewoners van Laren, Blaricum, Huizen, Marken nu toch eenmaal hun dialecten prijsgeven waarom stappen zij dan maar niet dadelijk over op de beschaafdentaal? Tegenover de onweersprekelijke feiten is dit een ijdele vraag De bewoners handelen naar hun opvattingen van taalgebruik en niet naar die van de (veel verstandiger) taalpaedagogen Zo wordt dus de ‘standaard’vorm inderdaad door de eenvoudigen versmaad Het lijkt wel, of deze autochthonen (nog) niet rijp zijn, althans zich niet rijp voelen, voor de be Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 308 schaafdentaal Men behoeft zich daarover niet al te zeer te verbazen Behoudens weinige uitzonderingen (die mi de regel bevestigen) kan men aannemen dat ‘beschaafde taal’ ten nauwste samenhangt met de algemene habitus van de beschaafde (en dus ook met zijn opleiding) Het in één tempo ‘zich optrekken’ schijnt niet mogelijk te zijn In het bovenstaande is aan de subjectieve rechten en gevoelens der taalgebruikers niet getornd Integendeel, ik heb er volle begrip voor, al was het alleen maar uit wetenschappelijk zelfbehoud Immers wat heeft de wetenschappelijke waarneming voor zin, wanneer men retouches aanbrengt of de werkelijkheid fatsoeneert naar het beeld dat men (om practische of idealistische redenen) wenselijk acht Men kan de gemiddelde taalgebruiker in sommige opzichten onverstandig, kortzichtig, onpractisch, ‘onnatuurlijk’ of eigenwijs noemen, maar men mag zijn ogen niet sluiten voor het feit dat bij de taalontwikkeling ook negativistische krachten (in paedagogische ogen althans) werkzaam zijn Ziet men deze over het hoofd, dan zouden we onszelf immers beroven van de mogelijkheid om ooit het uiterst gecompliceerde samenstel van krachten te leren kennen, dat de taalontwikkeling beheerst Door het massale ABbegrip wordt mi een verdoezeling van feiten en tendenties in de hand gewerkt Het zou mij trouwens weinig passen het bezwaar der vaagheid van dit begrip breed uit te meten, omdat de door mij voorlopig verkozen term ‘Verzorgd Nederlands’, hoewel stellig veel minder omvattend dan AB, nu ook niet bepaald uitmunt door exactheid Niet tegen de vaagheid als zodanig richt zich dus mijn hoofdbezwaar maar tegen het feit, dat de term AB desondanks vlot en vaardig wordt gehanteerd als een volkomen zuiver, ongecompliceerd begrip, dat niet voor meerderlei uitleg vatbaar zou zijn 21)Moeilijk definieerbare begrippen als ‘Schoonheid’ en ‘Deugd’ zal men toch ook niet afkorten als S en D? Maar als inderdaad mijn mening juist is dat ‘onder ABvlag heel wat schrijftaalmateriaal meezeilt’ (G en N blz 25), dan zal men ook moeten toegeven dat AB een begrip is met dubbele bodem en dat het gevaar voor misleidend en tendentieus gebruik niet denkbeeldig is 21) Boven werd reeds aangeduid dat ‘men’ veelal geneigd is, zijn eigen taal met ‘het’ AB te vereenzelvigen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 309 Toen men neiging vertoonde tot het opleggen van het fregat ‘schrijftaal’ als zijnde verouderd en wrak, werd in de vorige eeuw een nieuw zeilschip als vehikel aangeprezen, dat de letters ABN, BN, BS of kortweg B in zijn ‘standaard’ voerde In allen gevalle moest het worden gerekend tot de Bklasse, daarover waren alle geleerden het wel eens Ook over tal van deugden (oa gemakkelijke bestuurbaarheid en practische bruikbaarheid) denken allen vrijwel gelijk Daarentegen is er nog geen communis opinio omtrent lading en constructie Over de (mi veelsoortige) lading heb ik reeds uitgeweid Rest dus slechts nog een enkel woord over de constructie (die trouwens in onverbrekelijk verband staat met de lading) Wordt dit beweeglijke scheepje van de Bklasse, dat met zoveel gemak in alle wateren kan laveren bij volle wind, bij halve wind en zelfs bij windstilte wordt dit kittige vaartuig werkelijk uitsluitend door ‘natuurlijke’ kracht voortbewogen? Er zijn mi redenen te over om dit te betwijfelen Een dergelijke manoeuvreervaardigheid voor een gewoon zeils chip gaat boven alle begrip 22)Dit scheepswonder kan mi alleen verklaard worden, wanneer men aanneemt, dat er ergens in het onderschip een (hulp)motor verborgen zit Nu kan men de ‘motorische’ kracht van de ‘schrijftaal’ groot of gering achten, het gaat toch niet aan, haar eenvoudig weg te cijferen Sommige taalpaedagogen vragen zich echter af, of motorische aandrijving voor een zeilschip wel gewenst is Deze vraag is er niet een van wetenschappelijke orde en gaat eigenlijk uit van de (onbewezen) praemissen 1odat het ‘natuurlijke’ (zeilschip)karakter van het AB vanzelfsprekend is en 2odat een beschaafdentaal zich ook zonder de motorische kracht der schriftelijke overlevering wel aan de top zou kunnen handhaven Draaft men verder door op dit paedagogische stokpaardje dan zal men ten slotte bemerken, dat men zich meer en meer heeft verwijderd van de reële wereld De beschaafde taalgebruiker blijkt nu eenmaal niet geneigd, zich door de schrijftaalboeman te laten 22) Door Kruisinga isreeds in1909 met nadruk betoogd ‘dat er verschil bestaat inde wijze van bestaan en ontwikkeling van een beschaafdentaal en van een dialekt ’ Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 310 intimideren 23) tot een retraîte naar de ‘ongerepte’ natuur Zo is en blijft de taal der beschaafden dus van tweeslachtige herkomst: een mengsel van ‘natuur’ en ‘cultuur’ De scherpe indeling in ‘natuurlijke’ taal enerzijds (di taal die uitsluitend door bemiddeling van het gehoor tot ons is gekomen) en ‘onnatuurlijke’ aan de andere kant (di taal, die wij (mede) door het medium van het schrift of op schoolse wijze hebben geleerd) draagt echter het kenmerk van willekeur, zolang wij niet precies weten welk materiaal van schoolse of boekerige herkomst is Wanneer bv Hooft in zijn Historiën schrijft: ‘hij bleef twee uren lang leggen ’,dan zal men (mede op grond van de kennis der taal van andere 17deeeuwers) geen ogenblik aarzelen om dit ‘natuurlijke’ taal te noemen De beschaafden van onze tijd zeggen: hij bleef liggen Om deze ‘correctie’ in de gewone taal der beschaafde Hollanders tot stand te brengen is een niet aflatende schoolse strijd van eeuwen nodig geweest Maar desondanks heeft de beschaafdevanthans geen ogenblik meer het gevoel dat zijn uitspraak liggen ‘onnatuurlijk’ is Wie de drijvende krachten van het taalleven wil leren kennen dient zich aanvankelijk met een zekere onaandoenlijkheid te pantseren tegenover antithesen als mooi/lelijk, zuiver/verbasterd, natuurlijk/geaffecteerd, nuttig/onpractisch, logisch/ongerijmd, systematisch/inconsequent, regelmatig/chaotisch, gewaardeerd/ongewenst Hij loopt anders gevaar zich te laten influenceren door allerlei associaties, die zijn blik vertroebelen Wel zal de taalwaarnemer er goed aan doen zich van alle associatieve gevoelens der taalgebruikers ter dege rekenschap te geven, maar de volledige interpretatie dezer gevoelens is slechts mogelijk in breed historisch (en geografisch) verband Herhaaldelijk blijkt immers, 23) Taaldocenten plachten zich vanouds aan voorbarige bangmakerij tebezondigen en ze gaan er nog steeds mee voort Men leze de aardige opmerking van R Derolez inTs vLev Tal, XIV, blz 5,noot 4:‘Er ligt echter een hemelsbreed verschil tussen deze werkwijze [van Fries] die begint met een algemeen beschaafd grammaticaal en sociaal op tesporen en tebepalen, en de bij ons bv altegangbare methode, die erin bestaat zonder voldoende wetenschappelijke fundering met “Zuidnederlands” en allerlei “ismen” als met rode doeken tezwaaien’ Het was de heer Derolez, die mij op het boek van Fries opmerkzaam heeft gemaakt Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 311 dat de ene ‘mooi’ vindt wat de ander ten enen male verwerpt, dat sommigen ‘onnatuurlijk’ achten, wat anderen als de gewoonste zaak van de wereld beschouwen, dat ‘lelijke’, ‘verbasterde’ talen door gehele volkeren worden aanvaard, dat ‘onpractische’ (en ‘onlogische’) systemen algemeen worden gevolgd, dat dezelfde klanken tegelijk ‘mooi’ en ‘lelijk’ kunnen zijn al naar de betekenis der woorden die zij helpen aanduiden, dat allerlei ‘overgangstalen’ die men tot dusverre de aandacht niet waardig keurde een verrassend licht werpen op de taalontwikkeling; kortom: dat taaluitingen moeten worden gesavoureerd naar situatie, plaats en tijd Bij deze staat van zaken is de enigmogelijke wetenschappelijke houding die van ‘interesseloses Wohlgefallen’ ten aanzien van àlle taalverschijnselen en wel: zonder aanzien van milieu en tijd Ik kan mij voorstellen, dat de beschaafdsprekenden zich door een dergelijke liberale houding tegenover àlle taaluitingen enigszins gefroisseerd zullen voelen Komt bij een zo alzijdig verdeelde begrijpende belangstelling de betekenis der beschaafdentaal wel voldoende tot haar recht? Men kan gerust zijn: juist tegen de volledige achtergrond van het taalgebeuren zal de beschaafdentaal beter kunnen uitkomen en zal men pas de volle kracht van haar ‘gezag’ kunnen meten In een aantal gevallen kon reeds worden aangetoond dat ‘gezag’ ten behoeve van de massale ‘Gemeinsprache’ (alias AB) pleegt te worden geaccapareerd dat in werkelijkheid toekomt aan de selectieve beschaafdentaal, die zich mede onder schrijftaalinvloed heeft gevormd Om betekenis en functie van beschaafdentaal en geschreven taal bij benadering te kunnen schetsen heb ik mij herhaaldelijk van beeldspraak moeten bedienen: ‘Als ondanks dit alles sommigen zich verantwoord achten om op de scholen te propageren dat de leerling zich altijd naar het autonoom gewaande AB moet richten, dan dient de paedagoog zich toch wel even af te vragen of er aan deze leefregel wellicht iets hapert Om het gestel van een twintigsteeeuws cultuurmens goed te doen functionneren zijn behalve voedzame calorieën nu eenmaal ook vitaminen nodig Kan het zijn, dat men, al decreterende, bezig is aan onze leerlingen bij hun spraakoefeningen enkele noodzakelijke vitaminen bewust te onthouden die, blijkens een ervaring van Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 312 eeuwen in de meest uiteenlopende landen, voor het organisme der cultuurtaal essentieel zijn gebleken? De pursang “spreek”taal in de mond der beschaafden is dunkt me evenzeer een abstractie als “de” “schrijf”taal’ (Gezag en Norm, 26) Wanneer ik nu zoëven de beschaafde taal ‘gemotoriseerd’ noemde (en wel door de schrijftaal) dan komt dat in wezen op hetzelfde neer; door de vergelijking met vitaminen en met motoren meende ik de stimulerende werking der algemene schrijftaal nog het best te kunnen aanduiden Tot dusver is de Vlamingen van Hollandse zijde meestal voorgehouden, dat wij in Holland als voertuig onzer gedachten een zeiljacht (van de Bklasse) ter beschikking hebben waarmee wij, taalkundig gesproken, àlles aankunnen Ziet hoe zuiver van lijn, hoe rank, hoe snel, hoe beweeglijk! En wat het mooiste is, het wordt door zuiver ‘natuurlijke’ kracht voortbewogen Niemand weet wanneer en in welk tempo het is gebouwd en van de bouwstoffen is de herkomst lang niet altijd bekend Genoeg: het ìs er Men heeft dit wonder in de 19de eeuw ontdekt, als het ware zo uit de hemel neergedaald En met bewondering slaat de Vlaming gade hoe schoon men met dit Hollandse ‘zeil’jacht manoeuvreert in alle wateren Wanneer ik nu, als wijlen Nurks, een blijde vlootschouw kom bederven met de opmerking dat er ergens in het favoriete jacht een motor verborgen zit en dat het met die ‘natuurlijke’ kracht maar zozo is gesteld dan ben ik mij bewust dat ik daarmee een veel gekoesterde illusie op pijnlijke wijze verstoor Maar mocht bv Van Haeringen gelijk hebben met zijn vermoeden dat de belangstellende Vlaamse leek door mijn boekje ‘meer ontmoedigd dan gesterkt zal worden in zijn streven naar een beschaafde omgangstaal in België’, dan hoop ik nochtans dat de teleurstelling over het door mij min of meer vergruizelde beeld slechts van tijdelijke aard zal zijn De waarheid kan tijdelijk teleurstellen, maar zal zij op den duur ontmoedigen? Integendeel! Zodra bij de Vlamingen het besef is doorgedrongen dat de legende (inderdaad) van het AB eigenlijk is te beschouwen als een opplakselmade Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 313 inHolland 24),zal hun desillusie mi plaatsmaken voor het verheffende en stimulerende gevoel, dat zij hun taal met hart en ziel kunnen verzorgen op dezelfde wijze en met dezelfde middelen als men dat in het noorden altijd gedaan heeft Wanneer zij zich daarbij (evenals in het noorden) aanpassen aan ‘'s landts gelegenheidt’, dan zal de verzorgde taal in hun vaderland niet meer als corpus alienum worden gevoeld maar als welgefundeerde, reële en organische bekroning van hun taalpyramide Leiden, Kerstmis 1951 G KLOEKE 24) Ikheb getracht een letterlijke vertaling van ‘Algemeen Beschaafd’ inhet Frans, Engels en Duits tevinden, maar het ismij niet gelukt De verbinding général (commun, universel )+poli (cultivé )isuitgesloten (Grootaers vertaalt ‘beschaafde taal’ kortweg met langue littéraire )In het Engels staat common diametraal tegenover cultivated InDuitsland isiemand allgemeingebildet, wanneer hij een brede algemene ontwikkeling bezit Maar als aanduiding van de beschaafde taalhabitus zou men ‘gebildet’ en ‘allgemein’ als onoverkomelijke antithese voelen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 314 Boekbeoordelingen Prof Dr GG Kloeke, Gezag en Norm bij het gebruik van verzorgd Nederlands (Amsterdam JM Meulenhoff 1951) De problemen die Kloeke in deze studie behandelt, hebben sinds lang mijn levendige belangstelling Eenvoudig zijn ze niet: ze hebben tot vrij wat meningsverschil en misverstand aanleiding gegeven, sedert de simplistische tweedeling in gezaghebbende ‘schrijftaal’ en minder belangrijke ‘spreektaal’ moest wijken voor veel ingewikkelder onderscheidingen ‘Taalkunde is een wonderlijk en veelomvattend vak, waarin begrippen en categorieën meer vervloeien dan in andere wetenschappen’ schreef Kloeke terecht in zijn Voorrede (blz V) Dat is duidelijk geworden, sedert men is gaan beseffen, dat de taal een rijk geschakeerde menselijke samenleving weerspiegelt De moeilijkheid om tot scherp omlijnde begrippen, tot onmiddellijk overtuigende benaming te komen, hangt daarmede ten nauwste samen De studie van Kloeke is eigenlijk een uitwerking van de rede, waarmee hij in 1937 de Jaarvergadering van de Maatschappij opende Hij ontwikkelde toen nadrukkelijk zijn bezwaren tegen de term Algemeen Beschaafd, en de daarmee verbonden zi minder juiste begrippen en paedagogische beginselen: taal op zich zelf kan niet ‘beschaafd’ zijn, en deze taalsoort is verre van ‘algemeen’ 1)Dit bezwaar voelt hij nog steeds; hij zoekt dus naar een beter passende term ‘Hollands’, dat wel naar de oorsprong wijst, past niet meer bij de hedendaagse toestand Meer voelt hij voor Kruisinga's emendatie beschaafdentaal Terloops wordt nog het door Gerlach Royen bevoorrechte koinè genoemd, verder gemeenlandse taal, standaardtaal, door Van Haeringen gekozen (in overeenstemming met StandardEnglish ),maar ten slotte valt de keuze op Verzorgd Nederlands, dat als plaatsvervangende term voor Algemeen Beschaafd Nederlands geen gunstige kans heeft Het 1) Daarentegen isaangevoerd dat ‘beschaafd’ een indirekt gebruikt adjektief kan zijn, terwijl ‘algemeen’ kan betekenen: algemeen als norm erkend, of: naast en boven de streektalen verkeersmiddel voor de gehele volksgemeenschap (vgl de door Kloeke niet genoemde Duitse term Gemeinsprache ) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 315 begrip is er onvoldoende door omschreven, want de algemeenbeschaafde omgangstaal, het standaardNederlands kan meer of minder verzorgd zijn Een intellektueel zal in zijn gezin, onder vrienden zijn taal minder verzorgen dan bij een voordracht of in een vergadering Trouwens, Kloeke gebruikt herhaaldelijk in zijn studie zelf weer de term ‘beschaafdentaal’ 2) Hoofdzaak van Kloeke's betoog, waardoor een polemische draad blijft lopen, is echter niet de verwerping van een term, maar het ‘te velde trekken tegen de leer van het absolute primaat van de gesproken taal’ (blz 52) of, zoals hij het te voren (blz 15) uitdrukt: ‘het dogma van het primaat van de klank’ 3)Tegen de aanhangers van een zo extreme leer, die alle invloed van de geschreven taal wil uitschakelen, staat Kloeke sterk als hij ‘het volle licht doet vallen op al wat strijdig is met hun theorie’ (blz 18) Daarbij staat hij niet alleen Hij noemt zelfs medestanders en vermeldt oa deze passage uit mijn artikel van 1914: ‘Een belangrijk en niet te verwaarlozen punt, juist bij het meer vormelike spreken, is de invloed van de geschreven taal, of liever van de schrijfwijze, het schriftelike voorbeeld’ (blz 13), waarop ik nog liet volgen: ‘Ook dit dient voor onze taal onbevooroordeeld onderzocht te worden’ 4)De verdienste, dit onderzoek aanbevolen en ter hand genomen te hebben, komt naast Van Haeringen en Hellinga ook aan Kloeke toe, die reeds menige bijdrage geleverd heeft ‘om de geschiedenis der gesproken beschaafdentaal te reconstrueren’ (blz 19) Daarvan getuigt ook dit laatste geschrift, dat ook in andere opzichten aanspraak mag maken op waardering Met instemming lazen wij zijn waarschuwing tegen eenzijdige synchronistische taalbeschouwing, die ‘kan leiden tot vervlakking van ons taalkundig inzicht’ (blz 4) Wij kiezen de zijde van Kloeke, als hij het oneens is met Van Haeringen, die Jespersen's definitie aanvaardt: ‘goed dwz beschaafd Nederlands spreekt hij, aan wie men niet horen kan, uit welk gewest hij afkomstig is’ (blz 8) Die eis mag mi alleen aan voordracht of toneeltaal gesteld 2) Zie blz 19, 25, 50 3) Als hij daarbij met name Salverda de Grave en Hesseling noemt, dan betwijfel ikofdeze geleerden niet dichter bij zijn standpunt staan dan hij meent 4) Verz Taalk Opstellen I,116 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 316 worden Daarentegen hebben wij tegen Kloeke's beroep op de statistiek hetzelfde bezwaar dat Van Haeringen onlangs in zijn beoordeling opperde 5)Men trekt de grens te eng, als men aanneemt dat alle Nederlanders die slechts lager onderwijs genoten hebben, buiten de kring van de beschaafdsprekenden gesloten blijven In dat geval zou ‘het aantal “beschaafden” 3% nauwelijks te boven gaan’ (blz 28) De dagelijkse waarneming kan leren dat tal van personen, vooral vrouwelijke die door hun werkkring in geregelde aanraking komen met beschaafdsprekenden, door nabootsing en aanpassing van een taalgebruik dat als voorbeeldig beschouwd wordt, het in toepassing van verzorgde taal ver kunnen brengen Rekening moet ook gehouden worden met het passief bezit van voorbeeldiggesproken Nederlands Een arbeider spreekt op een vergadering, met een patroon meer ‘verzorgd’ dan onder kameraden; een bediende weet meestal hoe hij een klant moet toespreken, al is dat niet zijn gebruikelijke ‘onverzorgde’ uitspraak Maar ook al zou Kloeke's pessimistisch percentage, bij eventuele toetsing aan de werkelijkheid, aanzienlijk verhoogd kunnen worden, dan moeten wij het, om billijk te zijn, beschouwen in het licht van zijn betoog, dat meer de nadruk legt op de norm dan op het gezag, dat bijna uitsluitend de ‘uitspraak’ behandelt, al worden woordvoorraad, woordvorming en syntaxis terloops genoemd Dat hij het grote belang van een bovengewestelijke eenheidstaal als waarborg voor nationale eenheid ten volle erkent, spreekt vanzelf: men behoeft daarvoor blz 6maar op te slaan Dat algemene Nederlands ‘spreekt hij, die de woordenschat van een normaal Nederlands schoolwoordenboek over 't geheel als de zijne herkent en zich er actief van bedient in het dagelijks verkeer met zijn landgenoten’ Mijns inziens is de eerste en gewichtigste stap tot taaleenheid de aanpassing van de woordvoorraad, gevolgd door de eenheid van grammatisch systeem Deze beide factoren waarborgen een grote mate van verstaanbaarheid, die volkomen wordt, wanneer ook de uitspraak zozeer aangepast is, dat van één fonologisch stelsel, zij het met lichte schakeringen, gesproken kan worden’ 6)Als 5) NTg XLIX, 316) 6) Aanhaling uit mijn artikel van 1938 Over het begrip ‘Algemeen Beschaafd ’(Verz Taalk Opst III, 180) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 317 Kloeke er duidelijker op gewezen had, dat eenheid van verzorgde uitspraak de bekroning is bij de wording van nationale taaleenheid, dan zou ook mogelijk misverstaan van zijn betoog in ZuidNederland, waarop Van Haeringen in zijn recensie terecht gewezen heeft, voorkomen zijn Zijn verdienste blijft echter, dat hij belangrijke problemen, op grond van degelijke studie, opnieuw aan de orde gesteld heeft Utrecht CGN DE VOOYS Mayke Jakkelis, mei ynlieding en oantekeningen fan W L Brandsma (= nr 5van de MagnusRige) Boalsert 1951 Behalve drie stukjes over Mayke Jakkelis (het eerste gedateerd op 1778, de andere twee op 1779) bevat dit boekje als bijlagen nog drie Friese gedichten uit diezelfde tijd De letterkundige waarde is niet zo heel groot, al kan de uitgever het verhaal van MJ met recht als ‘ien fan de aerdichste út de 18de ieu’ bestempelen Voor de algemene kennis van die tijd zijn deze stukjes belangwekkend en de uitgever heeft zich bovendien moeite gegeven om door zorgvuldige ‘oantekeningen’ het tijdbeeld nog wat te acheveren en de taal te verklaren Als auteur van MJ staat de predikant Feike van der Ploeg te boek, maar Brandsma is van dit auteurschap niet zo zeker (blz 12) Vermoedelijk niet ten onrechte Bij de lectuur trokken de volgende woorden van Mayke mijn aandacht: ‘Dit sil ik allegjerre oon ien Schoalmáster fortelle /der hem het Boersk forstiet /lit dy het schrieuwe’ (blz 26) Het ligt dus voor de hand om aan te nemen, dat dit alles door een schoolmeester is neergeschreven en niet door een dominee Op blz 32 wordt dit nog eens bevestigd door de mededeling: ‘Dit is ney 'tHânschruft fin dy Master, det het oor scheun het, rjeugtfuddig drukt’ Voor een inzicht in de taalgeschiedenis zijn deze teksten van niet te onderschatten waarde In mijn uitgave van een gedicht van Eelke Meinderts, dat juist uit dezelfde tijd stamt en zelfs op dezelfde gebeurtenis (het bezoek van Willem V in 1777) betrekking heeft (zie Ts LXI 170201) heb ik er reeds op gewezen, dat uit deze naieve 18deeeuwse Friese gedichten vaak een veel kleuriger en meer natuur Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 318 getrouwe taal te voorschijn komt, dan uit de 19deeeuwse met hun algemene tendentie tot normaliseren en hyperverfriesing Evenals bij Meinderts vindt men in MJ spellingen als doebelstoer, boesse, zoepe, toezen, hoes, Moele, Moessen naast uis Jan, Zuiker, Juinjes (Juni), Juiljes (Juli), uit (de ui uit te spreken als ü)Eenmaal gebruikt Mayke in de beleefdheidsaanspraak nog het verouderende y(Binne ynen Domeni?), maar daarnaast ook Je (Het mat Je nou ha) en het moderne jou (al woene jou toussen ha, Tel jou 'tjield mar) Vroeger heb ik reeds trachten aan te tonen, dat deze jou vorm (die men in de zuiver Friese literatuur van vóór 1750 tevergeefs zal zoeken) als vertaling van het Hollandse U in de 18de eeuw via het Stadsfries in het Boerenfries is doorgedrongen Inderdaad zegt de Stadsfriessprekende omroeper: met de Vinder moet jou het maken, de ‘Burger’: jou mutte an de andre kant loope, de ‘Vreemdeling of Kleinsteeder’: Ik weet het net zoo min als jou /Vrouwtje Interessant is Mayke's possessief jens (jens Hoed en Proek), hetzelfde beleefde poss dat ook Meinderts (naast jins )gebruikt Het is de genitief van ien ‘een’ en werd blijkbaar als uiterst beleefd pron beschouwd Tot dusver vond ik het slechts aangewend tegenover God en de Prins, hier wordt een dominee aangesproken Dit pron moet (althans in de betekenis van ‘uw’) een ephemeer bestaan hebben gehad, ongeveer te vergelijken met dat van uwe (e)s(de verbinding jens Proek is haast als omen te beschouwen) Dat de schrijver zich redelijke moeite gegeven heeft om de juiste uitspraak weer te geven, moge blijken uit schrijfwijzen als oos (anders), wudde, bud (baard), fladden (flarden), poate (poort), greut, grutte, joer (duur), fut enz Uit teksten als deze valt meer te halen voor de historische grammatica van het Fries dan uit tientallen andere waarin schrijver (of uitgever) zich aangepast hebben aan een gerenommeerd systeem ('t zij àlaGysbert Japicx of ‘modern’) Wellicht zal juister inzicht leiden tot een definitieve bevrijding van het dogma, dat de taalontwikkeling in Friesland zich in ‘splendid isolation’ van alle andere gewesten heeft voltrokken Het is daarom te hopen, dat men op deze wijze voort zal gaan met het algemeen toegankelijk maken van diplomatisch uitgegeven Friese Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 319 teksten, meer in het bizonder uit het tijdvak 16001800 Wanneer dat, evenals hier, gebeurt zònder enige spellingnormalisering en met een goede commentaar, dan zal de taalwetenschap (en niet alleen de Friese) daarmee ten zeerste zijn gebaat Leiden, September 1951 G KLOEKE HW van Tricht, PC Hooft, Arnhem 1951 8o Het is mij een genoegen in dit tijdschrift de aandacht te vestigen op het werk van Dr HW van Tricht over PC Hooft, waarvan het eerste gedeelte, als antwoord op de prijsvraag 1948: Het Leven van PC Hooft tot aan het einde van zijn huwelijk met Christina van Erp, met de gouden medaille van Teyler's Tweede Genootschap werd bekroond Deze uitgave is door de schrijver vermeerderd met hetgeen nog over Hoofts later leven te zeggen viel Het heeft mij altijd verwonderd dat, terwijl aan Vondel zoveel aandacht is geschonken, zowel door de uitgave van zijn werken als door levensbeschrijvingen, ná Gerard Brandt die over Hooft èn Vondel een nog steeds zeer leesbare verhandeling schreef, alleen Busken Huet en Van Tricht belangstelling voor Hooft bleken te hebben, aan wie ik zelf altijd de voorkeur boven Vondel gaf, zowel om zijn artisticiteit als om zijn levensbeschouwing Bij Vondel overheerst steeds de secundaire functie, het ethische, bij Hooft de primaire functie, de schoonheid, en daarop komt het in de kunst toch aan Achtereenvolgens schetst schrijver Hoofts verhouding tot Cornelis Plemp, Bredero, Vondel, Reael, Roemer Visscher, Huygens, Mostaert, Joost Baek en Tesselschade De inleiding, de eerste 20 bladzijden, zijn voor de gewone lezer, dwz de nietphilologisch geschoolde, nog al moeilijk Van Tricht geeft in vogelvlucht de ontwikkeling van de Nederlandse Renaissance van Germanen en Romeinen in Vlaanderen, Brabant en Henegouwen met Brussel als middelpunt tot het aan de periferie gelegen Hollandse Waterland, waarbij aandacht geschonken wordt aan de betekenis der regulieren, de 16de eeuwse Franse uitstraling en zelfs het Calvinisme en geconstateerd wordt, dat Hoofts Italiaanse reis van zijn 18de tot Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 320 zijn 20ste levensjaar (15981601) de doorslaggevende factor is Hoofts Reisheuchenis en Zendbrief aan de Kamer In Liefde Bloeiende, blz 12/13, hadden dan ook wel wat uitvoeriger bespreking en ontleding verdiend Zij behoren tot de gewichtigste documenten voor de kennis van Hoofts persoonlijkheid De voltooiing van dit werk, dat getuigt van diepgaand onderzoek, is een gelukwens waard AA VAN RIJNBACH Ingekomen boeken Album Dr Louise Kaiser N Samson NV Alphen aan den Rijn 1951 8o97 blz (niet in de handel; prijs ing ƒ10,, te bestellen bij GL Meinsma, p/a Jodenbreestraat 72, AmsterdamC) CELEN ,VITAL ,Het Nederlands te Duinkerke door de Eeuwen heen Uitgeverij Sanderus, Oudenaarde Vlaamse Toeristenbond, Antwerpen zj 8o86 blz Prijs gekart fr 55, KEYSER ,S, Dr, Het Tessels Inleiding, Vocabulaire en Teksten Leiden EJ Brill 1951 8o250 blz Prijs geb ƒ14,75 RONDOM FORUM Een tijdsbeeld in documenten uit het werk van J Slauerhoff, H Marsman, E du Perron, Menno ter Braak, S Vestdijk (Meulenhoff's bibliotheek van Nederlandse schrijvers no37), samengesteld door WLME van Leeuwen M Meulenhoff Amsterdam 1951 8o152 blz Prijs ing ƒ3, geb ƒ3,50 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 1 In memoriam Arie Zijderveld (HendrikIdoAmbacht, 11November 1875Amsterdam, 4April 1952) Wederom is aan de kring der Redactie een harer trouwste medewerkers ontvallen Al maakte Dr Zijderveld na het afsluiten van de 64e jaargang in 1946 geen deel meer uit van de Commissie voor Taalen Letterkunde, als gewaardeerde gast bezocht hij de redactievergaderingen aanvankelijk nog vrij geregeld, later minder Hij had te kennen gegeven voortaan vrij te willen zijn Na een welbesteed leven van plichten had hij behoefte aan een rustige levensavond die hij nog nuttig hoopte te besteden voor eigen studie Zoals in alles was hij ook in zijn afscheid harmonisch, niet abrupt, maar met steeds grotere tussenpozen terugkomende, wende hij zijn vrienden als het ware aan zijn afwezigheid Nog in de kracht van zijn kunnen verliet hij hun midden als actief lid Dat bewees hij door in 1945 nog zijn degelijke studie Cesare Ripa's Iconologia in ons land tijdens een Redactievergadering ten doop te houden Dat deze bijdrage niet in het Tijdschrift geplaatst werd, vond zijn oorzaak in de stof zelve De vele illustraties die het opstel vereiste, maakten het geschikter voor een kunsthistorisch tijdschrift als Oud Holland, waar het dan ook geplaatst is in de jaargang van 1949 In het Tijdschrift zelf vindt men overigens in de laatste jaargangen nog meer dan eens zijn van grote kennis en critische zin getuigende boekbesprekingen Als een krachtige grijzaard is hij uit het leven gescheiden, zonder ziekbed, na een kleine inzinking rustig ingeslapen Hij heeft een dood gevonden, zoals men die voor hem, de evenwichtige, gelukkige mens gewenst had, in harmonie met heel zijn leven Dr Zijderveld, die door zijn late universitaire studie hij kwam uit het Lager Onderwijs eerst op rijpe leeftijd is gaan publiceren, debuteerde in het Tijdschrift in Jrg 43 (1924) met een litterairphilosophisch opstel over de betekenis van Gemoed bij de schrijvers Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 2 van vóór de Romantiek en in hoofdzaak is dit debuut wel een richtingaanwijzer geweest voor het gebied van zijn werkzaamheid in de geschiedenis der letteren De geestesgeschiedenis van Nederland in de 16e en 17e eeuw, met name die van de van het humanisme doordrenkte protestanten of moeten wij zeggen met de bijbel grootgebrachte humanisten? vond in hem een harer beste beoefenaars Zijn opstellen over Spiegels Hertspieghel en over Hooft's Granida ,die in het Tijdschrift verschenen zijn in de jaren 1925 en '28, behoren nog steeds tot het beste, wat over deze werken verschenen is en het lag in de rede dat men hem in 1932, toen er een plaats vrij kwam door het bedanken van Dr R van der Meulen, aanbood zitting te nemen in de Commissie voor Taal en Letterkunde der Maatschappij In de ruim 15 jaar dat Dr Zijderveld, afgezien van de gebruikelijke periodieke onderbrekingen, deel heeft gehad aan het werk van de Redactie, heeft deze ruimschoots mogen profiteren van zijn rijke gaven en helder critisch inzicht Ook in deze jaren werden belangrijke studies van zijn hand in het Tijdschrift gepubliceerd, waarvan die over De poëzie der Tachtigers in het licht van het symbolisme ,zijn polemieken tegen Molkenboer's inleidingen in de grote Vondeleditie, waarvan ook hij een der redactieleden was (Heeft Vondel Spinoza bestreden ?(1937), Vondel in zijn Bespiegelingen (1938)) en tenslotte die over Coornhert's bekering (Coornherts ABC (1944)) wel de belangrijkste zijn Met weemoed herdenkt de Redactie het heengaan van haar trouwe vriend en medewerker DEREDACTIE Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 3 Teruggevonden fragmenten van een ‘Roman van Iechemas’ (?) De Universiteitsbibliotheek te Leiden is onlangs in het bezit gekomen van een aantal handschriftfragmenten, oorspronkelijk berustende in het Rijksarchief in NoordBrabant, maar door de vriendelijke bereidwilligheid van de rijksarchivaris Mej EH Korvezee aan haar afgestaan Daaronder bevinden zich twee bladen perkament *)die tezamen het omslag hebben gevormd van een der bewaard gebleven protocollen, lopende over de jaren 1546 tot 1557 1),van Matthias filius Walteri Heys, destijds notaris te Geertruidenberg, door Dr GI Lieftinck als volgt beschreven: ‘4 fragmenten, samen deel uitmakende van 2dubbelbladen perkament van c 1350(?) Het ene is vrijwel gaaf overgeleverd, het andere is geschonden tot nadeel van de tekst De oorspronkelijke maten der bladen van het hs zullen 238 ×c 160 zijn geweest Bladspiegel 175 ×135, afgeschreven in 2kolommen van 31 rr Geen signaturen of reclamen SCHRIFT Fraaie littera textualis in voortreffelijke inkt Beginletters, slechts zelden capitalen, in aparte kolom Afwisselend diep groenblauwe en rode hoofdletters (2 rr hoog), die niet bijzonder fraai van factuur zijn Geen rubrieken De beginletters zijn onregelmatig gerubriceerd: ff 1ra,1va,2rab , 3rb,4vb niet; ff 1vb,2ra (1e deel), 3vb,4rb met een vluchtige rode lijn door de letters en ff 3va en 4ra met een blauwe lijn rechts langs de letters gerubriceerd De toestand van de tekst is als volgt: F 1is gaaf F 2: de kolommen recto aen verso bzijn gaaf; de kolommen recto ben verso azijn doorgesneden, doch het toeval heeft de weggesneden helft dier kolommen bewaard, een reep van c 34 mm breedte en oorspronkelijke hoogte (F 2bis) Alleen de bovenste 2à3rr zijn in het midden geschonden F 3: sterk besnoeid, met geringe schade aan de tekst (f 3va,begin der laatste regels) *) Inmiddels genummerd BPL 255237 1) 'sHertogenbosch, Rijksarchief, R Geertruidenberg 54 en 55 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 4 F 4: bovenkant en buitenmarges zeer beschadigd Door de snipper f 4bis is de bovenste regel van f4rabewaard gebleven en r2aan te vullen, zo ook van f4vbDe andere bovenhoek van het blad is reddeloos verloren en van de buitenkolommen f4rb,4va is nog ¾ over, resp leesbaar’ Het handschrift, waarvan de teruggevonden bladen deel hebben uitgemaakt, is in het bezit geweest, heeft althans ter beschikking gestaan van Mr Matthijs Woutersz Heys Reeds op 22jarige leeftijd hij is in 1524 geboren fungeerde deze priester als notaris van het kapittel van Geertruidenberg Als kanunnik van dit kapittel werd hij op 20 Januari 1549 door het Hof van Holland als notaris geadmitteerd 2)Van 1552 tot 1555 was hij pastoor van Geertruidenberg 3)‘Daar onder de kanunniken een scholarch wordt vermeld’, schrijft mij Mej Korvezee, ‘lijkt het mij niet onwaarschijnlijk, dat notaris Heys in de kapittelschool vervaardigde afschriften van romans als omslagen voor zijn protocollen gebruikte Ik vrees echter, dat slechts deze afschriften daardoor ontkwamen aan de vernieling door de in 1573 te Geertruidenberg beeldenstormende soldaten’ Haar vrees is helaas bewaarheid Nòch de Nassause domeinarchieven nòch de archieven van de abdij Thorn bleken bij navraag nog handschriften of gedeelten van handschriften met middelnederlandse litteraire teksten te bevatten 4) Dit is des te spijtiger, daar wij er nu wellicht nooit meer in zullen slagen de roman, die wij uit het viertal fragmenten leren kennen, volledig te identificeren Zoveel is slechts zeker, dat wij te doen hebben met een bewerking van de Eustachiuslegende 5)Het tamelijk uit 2) Verslagen omtrent 'sRijks Oude Archieven 1910, bl 130 3) Ikdank deze levensbijzonderheden van Heys aan de vriendelijke inlichtingen van Dr PC Boeren, Mej EH Korvezee en de heer A van der Poest Clement, die bovendien het eerst mijn aandacht op de fragmenten heeft gevestigd 4) Gaarne betuig ikhier mijn hartelijke dank aan de heren Hardenberg en Panhuysen, rijksarchivarissen resp aan het Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief inLimburg voor hun informaties 5) Vg H Delehaye La légende de saint Eustache inBulletin de l'Academie Royale de Belgique, Classe des lettres etdes sciences morales etpolitiques, 1919 (Bruxelles 1920) p175 suiv, H Petersen Les origines de lalégende de saint Eustache inNeuphilologische Mitteilungen 26 (1925), S 65 ff, R Kapp Heiligen und Heiligenlegenden etc I(Halle/Saale 1934) S 322 (met rijke literatuuropgaven) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 5 gebreide variantenapparaat van Philip Ogden 6)wees duidelijk in de richting van de Guillaume d'Angleterre van Chrestien de Troyes en aanvankelijk meende ik dan ook in onze fragmenten een verdietsing van deze roman te mogen herkennen Bij nader toezien bleek het middelnederlands echter tenminste één variant te bevatten, die afwijkt van de Guillaume d'Angleterre en trouwens van alle mij bekende bewerkingen van de Eustachiuslegende Worden hier de twee kinderen bij Chrestien de Troyes is dit één kind geworden afzonderlijk door wilde dieren geroofd en vrijwel onmiddellijk daarna bevrijd, de Nederlandse dichter laat de beide kinderen tezamen door een wolf en een wolvin wegvoeren en vervolgens geruime tijd door deze dieren verzorgen Verder bestrijken onze fragmenten helaas vrijwel nooit díe episoden, waaraan Ogden zijn determinatieven heeft ontleend Het eerste fragment bevat het slot van de proloog (r 142) en het begin van de eigenlijke roman (r 43124) De proloog, waaraan slechts weinig schijnt te ontbreken, is opgebouwd uit de bekende motieven en biedt dus naar de inhoud geen gegevens ter karakterisering van het werk Dit wordt anders, zodra de dichter in r43 met zijn verhaal begint Dan voert hij al spoedig Judas Macchabaeus ten tonele als de pionier van de ridderschap In r78 ev verwart hij hem met Konstantijn of kent hij hem doodleuk eenzelfde belevenis toe Het tweede fragment begint kort na de aankomst van onze held met zijn gezin bij zijn schoonvader ‘een prince rike/vanden lande van iericho’ De hemel verbiedt hem zijn aanvankelijk voornemen uit te voeren om stiekum (?) alleen terug te keren en zijn land te verpanden Elk paard, dat hij bestijgt, breekt onmiddellijk de nek en wat hij beetpakt, vergaat onder zijn handen Dan moet hij wel officieel afscheid gaan nemen, waardoor zijn vrouw gelegenheid krijgt haar wens kenbaar te maken om lief en leed met hem te delen De kinderen, die nog maar zeven jaar zijn, beseffen gelukkig niets van de ellende, die hun wacht De familie trekt van land tot land, terend op het goed, dat de vrouw van haar vader had meegekregen Wanneer dit op is en ze ten einde raad zijn, komen ze in een bos aan een driesprong Ze slaan 6) Acomparative study ofthe poem Guillaume d'Angleterre etc (Baltimore 1900) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 6 rechts af, dalen een berg af en staan voor de zee Er vaart een schip dicht bij de kust en de schipper heeft hen al opgemerkt Het derde fragment verhaalt de roof van de kinderen door een wolvenpaar, dat hen als weleer Romulus en Remus goed verzorgt Intussen dwaalt onze held nu alleen rond blijkens het slot van dit gedeelte (r 120 ev) heeft hij zijn vrouw aan de schipper verkocht trachtend door het bedelen van brood in leven te blijven Gewoonlijk wordt hij daarbij afgesnauwd en het lukt hem dan ook nauwelijks in een week tijds zoveel op te doen, als hij voor één maaltijd nodig heeft Het vierde fragment, waarvan helaas heel wat tekst verloren is gegaan, verplaatst ons in de episode van het gedwongen(?) huwelijk van de heldin met de heer van het land, waar zij door de schipper is gebracht De hertog is ernstig ziek en zij betreurt het, dat ze hem geen zoon heeft geschonken, die als rechtmatige erfgenaam zou kunnen optreden Nu zal ze bij 's hertogen eventueel overlijden door de machtige leenmannen worden verdreven of gedwongen worden opnieuw te huwen De hertog laat daarop zijn mannen ontbieden en hen zweren, dat ze haar trouw zullen blijven, indien het ergste mocht gebeuren Ze doen dit en kort daarop sterft hij In r28 horen we, dat de held van onze roman Iechemas heet Jammer genoeg heb ik die naam nergens teruggevonden Langlois in zijn Table des noms propres etc vermeldt hem niet en ook Prof Gustave Cohen's nasporingen te mijnen believe bleven vruchteloos 7) Voor plaats en tijd van ontstaan leveren onze fragmenten slechts vage gegevens De roman zal vérmoedelijk door een Vlaming in de 2e helft van de 13e eeuw zijn gedicht Mocht de merkwaardige vermelding van Ons heren wraken in de proloog (r 17) betrekking hebben op het uit Maerlant's Merlijn bekende dichtwerk Van ons Heren Wrake van een ‘pape in Vlanderlant’, dan zou 1260 de terminus ante quem zijn 8)De dichter zou dan in de proloog hebben aangekondigd, dat hij in aansluiting op de lotgevallen van Iechemas de verwoesting van Jeruzalem zal verhalen Vreemd is dit niet, want ook de roman 7) Je remercie vivement leprof Gustave Cohen de Paris, qui abien voulu rechercher pour moi lasource française eventuelle de notre roman 8) Ts 1881, bl 342 ev Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 7 speelt in het H Land, althans ten dele Iechemas' schoonvader is immers ‘een prince rike vanden lande van Iericho’ Nadere aanwijzingen bevatten de fragmenten helaas niet Bijzonder opvallend is dunkt mij alleen de neiging van de schrijver tot moralisatie en hekeling (vg 1, r 4851; 2, r4253), zoals ons dat bijvoorbeeld ook treft in Levene ons heren, waarmee onze roman trouwens meer gemeen heeft, afgezien van de formeelstilistische kenmerken oa de liefde voor realistische toneeltjes (vg 3, r7085) Taal en rijmen geven geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen Vermelding verdienen alleen de van elders(?) via afschrijvers(?) binnengedrongen ievormen van het handschrift (tw hier =Heer: 1, r38, 71, scien :1, r63, ienich :1, r70, wegeschieden :2, r93, lielijc :3, r115 en omgekeerd eet =iet: 4, r14, tenzij het voorafgaande eer voor deze vorm aansprakelijk gesteld moet worden) en misschien de voorliefde voor de gesyncopeerde vormen van het geinverteerde imperf plur (hadsi :2, r60, ghingsi :2, r84, enz) Eenmaal trof ik de vrij ongewone vorm hin (dat plur van het pron pers) aan: 2, r3 De rijmen zijn over het algemeen zuiver Tweemaal werd het schema aabb verbroken door aaaa: 1, r6366; 3, r8790 Tenslotte wijs ik nog op de rijmen done :coene (1, r64), do :iericho (2, r3), genooch : ploech (3, r76), werc :starc (3, r79), verderf :starf (3, r85), bede :dade (4, r107), leet :gheet (2, r28) Wij laten nu de tekst van de fragmenten volgen, diplomatisch naar het hs; slechts de afkortingen zijn opgelost in cursieve druk Eigen toevoegingen zijn tussen teksthaken geplaatst Eerste fragment +Fol 1ra +mi(?) ene nghepense hoe icmoghe jet ghemaken dat mi doghe te dezen voerseiden pointe nwaert nu willic dichten onghespaert 5 ene auentue en de leggen voren van den riddre uutuercoren dat icint latijn vant bescreuen en de es van ouden tiden bleuen 9) die reden verstaet en de doget mint 10 je zegghe vdat hi daer in vint 9) Hs: bliuen met bovengeschreven e Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 8 ridderscap ende oec trouwe die hi vant an ene vrouwe en de auenture suaer en de goede rijcheit en de oec armoede 15 en de na bliscap rouwe groot en de na onwille verwinne nnoot en de oec ons he renwraken dit dinken mi welscone zaken des hebic nu hier dit begonne n 20 wil mi god der eren ionnen daer elc man mach exemple bi nemen wie dat hi si Nu biddic gode doer sine goede en de ons er vrou wen doer haer omoede 25 dat simi gheue helpe en de raet te wolbringene deze daet so dat ons allen moete vromen en de te groten baten comen en de daer an doeghet moete leren 30 sijn sivrou wen ofte he ren da er deze boec zal sijn gelezen +1rb +oec en moeter nemm er wezen bede quaet clap en de nijt dat sine gheen verwijt 35 mi hier doen in enige nstonde n daer sibi comen in sonde n dat beuele icalle tene ngad er gode onzen hier den zoeten vad er dat hi dat voerwachte nmoete 40 en de maria die maget zoete dat he m dit moet zijn beq ua me nu beghinc icen goets name Bi oude ntiden hier te voren eer god me nschlic wertgebore n 45 van sire moed er der maget marien en de wilde onse wet da er mede vernien hadde hi gezet die oude wet 10) an den ghene ndiese bet hilden alse icversta daer an 50 danse menich kerstijn man nv hout oec moechdi merken 10) De regel springt inter vermijding van een genaaide scheur Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 *1 Leiden, UBBPL 255237 Fragment ridderroman (Eustachiuslegende) F 1ven blad 1 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 9 dat so god oec woude sterken die gene die he m getrouwe waren wa nthi he m zeluen woude openbaren 55 dicke wile te menigher stede te troesten en de te helpen mede die ghene die he m hilden trouwe brochte hi gerne vte allen rouwe die den sine noec iet mesdaden 60 waest indoene waest inraden die torme nte hi met plaghen daert die sine met ogen zagen +1va +dat scien dauid en desalomone die beyde waren van hoge ndone 65 Jonathas en de absalone die vromich waren en de coene onse heer was hem altoes bi waer sivochten so dat si den zege hadden inelke stede 70 ma er als haer ienich iet mesdede wrac onse hier dat openbaer dat mens worden mochte gewaer des gelijcs so was hereiudas die machabeus geheten was 75 hi was deerste die ontfinc ridd ersname en de hinc scilt om hals dat qua m bi dien god hadde hem laten sien een goudine cruce insine ndrome 11) 80 en de geboet hem als icgome en de seide hem als iccan bekinne n In desen zo soutu verwinnen daer om dede hi een cruce draghen voer alt heer alse dat zaghen 85 sine viande worde nsiondaen welc tijt hi vechten zoude gaen dede hiicruce dragen voren daer na dede hi als ghi moget horen elken man een cruce draghen 90 dat ne scerme nzoude van slagen daer hi dat cruce voer hem hilt daer nv of come nes die scilt 11) me van drome bovengeschreven ter vermijding van de scheur Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 10 Daer na docht he m wel gedaen +1vb +dat hi met vogelen leerde vaen 95 and er vogele in rieuieren doe begonste hi oec fisieren hoeme nmet honden iagen zoude bede in busschen en de in woude daer na leerde hi die liede vechten 100 en de elken man hem verrechte n metten scilde en de metten spere en de mette nzw erde hem ter were sette nmanlic iegen andren en de leerde die liede ald us wandren 105 en de instride hebben ioie hier of qua men eerste tornoye daer na makede hi ene dinc die hem talre doeget verginc eer hi verstarf wetic wale 110 want hi stichte eerste hospitale en de huse daer me ninne gaf 12) almosne icweet daer af hospitale comen sijn dit dede al die ridd er fijn 115 des verdiende hi indit leuen dat al die liede he m noch gheuen prijs en de ere en de zeggen mede dat hi was die alre eerste ndede dat ridd erscap eerste up quam 120 en de tornoy als icvernam dit dede hi als dor dere ons he ren en de hi hilt met grote neren jegen die heydine menige nstrijt die des droeghen groten nijt Tweede fragment +2ra +want hij was iprince rike vanden lande van iericho en de siseiden hin beiden do haer auenture van ende toerde 5 alsme nhier te voren hoerde en de hi antwoerde houeschlike 12) Tussen inne en gaf inhet hs: wach (verbeterd tot gach )geëxpungeerd Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 11 danckets gode van hemelrike van allen dat es sijn geuoech kind er hier es goets genoech 10 icsalt vgh erne deelne mede hout uwen pays en de uwen vrede Die vrowe bleef met hore nvad er entie kinder beide gad er en de hi voer wech te sine nlande 15 om te setten datte pande maer wat paerde hi bescreet brac den hals al ghereet waer an hi sloech sine hant ghinc te niete altehant 20 do hi dat zach hi hadts rouwe do keerde hi wed er toter vrou we om orlof an haer te nemen hine can langer niet getemen daer te sine ind er armoede 25 als hi qua m ter vrou wen goede en de hi orlof waende ontfaen woude siemm er met he m gaen en de dogen met he m lief en de leet ald us simet he m hene gheet 30 uten lande in vremd er stede en de leedde nhaer kind er mede +2rb +die ionc war [en] en de lettel wisten dat siso grote r[ijch]eit misten sine wisten go[et] noch quaet 35 en de sine hadden ghene nraet van viiiaren waren si out van dagen of daer bi kind er die so ionc sie waren van zeuen iof viii iaren 40 wisten wilen lettel quaets en de hadden an hem lettel raets al wilsi nv con nen vele alsi nv come ntene nspele sibringen so oude vite nvoert 13) 45 dat me nsluttel heuet ghehoert men machse cume verscalken iet men hoert dicken en de siet 13) Tussen so en oude inhet hs een geëxpungeerde l Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 12 ene nkinde trecken treken die ouden lieden dic ghebreken 50 willen ionge kind er vechten die maghe wille ndat berechte n en de mak er omme grote clage dus arghet die werelt alle dage alwaren des ridders kind er groot 55 van horen daghen die grote noot die hem naecten ontsagen siniet en de haddens int herte groot verdriet sidaden alse kinder pleghen bede in straten en de inweghen 14) 60 hadsi bliscap sond er rouwe des weende dicke die goede vrou we entie ridd er alsi dat zaghen +2va +die van vrienden [ende v]an maghen elendich sere w[orde]n waren 65 wat wond er est da[t] simesbaren en de driue nalso groten rouwe daer mochtme nsien grote trouwe die sidroech te haren here simochte sijn bleuen ingroter ere 70 te haers vad er huus alhaer leue n maer sine woude niet begheue n haren man doer enige noot sidoechde menigen hongh er groot doer haren man en de menich verdriet 75 sine wouden emm er begheue nniet Dus ghingen siso lange stonde dat haerlijc and[er] nietne conde getroesten noch gheuen raet wat sibest doen nadat he m staet 80 sihadden verteert altenen gader dat sibrochte nvan hare vad er en de haer beste cled er die sidroech dat was seer haer ongeuoech dus ghingsi van lande te lande 85 so sere vruchte nsidie scande van hare nvrienden dat sihe m maecte n emmer voert so dat sinaecten ene nwoude up ene ntiden daer sidoer zouden liden 14) inlater met een invoegteken bovengeschreven Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 13 90 alsi binden woude quame n do verzaghen sien de vername n inden woude tere steden da er lagen drie weghescieden +2vb +doene wisten siwelken gaen 95 jof welc te gangen bestaen doch sidroeghen siou er een datter vrou wen best do sceen dat sighingen ter recht er hant daer hoeptsi te vinden enich lant 100 daer he m gelucke mochte gescien doe quame nsighegaen mettien beneden an ene nberghes voet do dochte he m beiden wezen goet dat sire up ginge ndor sien dor horen 105 sihoepten hem zoude come nte voren dat sivonden enige stede daer sirusten en de oec mede daer simochten bidden broot sihadde nden honger groot 110 der kind er hongher dede he m toren meer dan haer selues te uoren do siten berge benede nqua men daer versagen si[ende vernamen] die zee benede nan den voet 115 doe docht siin haren moet dat siter zee doe ned er clo mmen menige nwech lanc en de cro mmen so lange dat sineder quame n daer versaechsi en de vernamen 120 do siquame nupten zande datter seilde voerden lande een scip dat van verren quam als die scipma ndat vernam en de hi der liede wart geware Derde fragment +3ra +sach hi come nene wolwinne en de ene nwolf die met sinne die kind er droegen hare straten done wiste hi hoe ghelate n 5 hi riep dicke ha ha ha Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 14 en de liep den woluen na laet hier die kind er beide gad er en de scoert mi icbin hoer vad er en de laet mi steruen mette nkinden 10 sine woudens he m niet ond erwinde n en de liepen wech hare straten sodat siden ridder laten allene bliuen inden woude en de liepen te hole also houde 15 alsi te haren hole quamen die kinder sidoe beide name n en de deedse liggen bi haren kinde n nu hoert wes sihem ond erwinden siwaren der kinder also blide 20 dat sisaten bi hare side en de speeld er mede vriendelike dat woude god van hemelrike hier moechdi horen wond er groot die wolui nne haelde hem broot 25 alsi mochte en de leyd hem bi en de alsi vernam so dat si drinken wouden ghenc silegge n bi hem dat wond er es te zeggen en de lietse zughe nhare ma mme 30 somwilen van ene niongen lamme most sieten doer den noot +3rb +want selden mocht sihebben broot simosten leuen bi zulker spisen als sihadden in zulker wisen 35 alse wolue inden woude plegen maer sine moste nin geenre wegen gangen dor die wolvinne sitoechde hem so grote mi nne dat ick et qua like dar gezeggen 40 jof oec in ghescrifte leggen maer dat vindic voren int latijn die wil horen hi mocht horen scone tale god die vermocht dat wale 45 en was hem niet zwaer dus bleue ndie kind er daer wone ninden wilden danne dat sivan wiue noch va nma nne Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 15 hadden helpe noch and er troest 50 lange tijt eer siverloest worden als ghi zult verstaen maer hier moet eerste voren gaen ene reden van haren vad er en de vand er moeder beyde gad er 55 sijnversceden harde verre des sidicke waren erre Alse die vad er hadde verloren sine kind er hadde hijs toren done wiste hi wat bestaen 60 doch pensede hi soude gaen ouer inenige goede stede en de hem generen metter bede +3va +Iemene zoude sijns ontferme n als men zaghen sine kermen 65 broot te bidden was sijn gedochte dus ghinc hi aldat hi mochte waer hi quam ofte sat ofte carmede ofte bat men gaf hem lettel ofte niet 70 dene seide siet hier siet dese cockijn es so groot wie zoude he m geue nbroot gaet wint et met allen scanden wildijt niet winne nmette nhande n 75 eert en de treck et ene ploech trouwen ghi sijt groot genooch vbroot te winne nwaerdi vrome ghi siet selden welle come spade bate en de lettel werc 80 gaet cockijn ghi sijt so starc Ic zoude eer vechte nom mijn broot en de slaen liede toter doot eer icdus liepe achter lande gaet ribaut god geue uscande 85 sprac die and er groot verderf dat hi van rouwen niene starf dat was wond er alte groot hi wenschede dicke om den doot harde selden at hi broot 90 dus was hi in groter noot wa ntme ndede hem grote scande Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 16 [d] us was hi daer inden lande [i]n weet hoe lange hire was +3vb +van scaemte nvloech hi als ick et las 95 verre in een and er mans lantstede hadde hi indene gehad onurede hi hads ind er and er15) also vele het ghinc met he m al ute nspele cume conste hi bind er weke biiagen 100 broots so uele in zeuen dagen als hi wel ghegete nhadde tene nmale hi wart bleec en de oec vale en de magher en de keytijf en de leedde een harde droeue lijf 105 van dage te dage ielancso mee des was sire herte nharde wee hi most emm er also gedogen hine wiste hoet gebetre nmogen dus bleef hi daer so hi lancste mochte 110 ma er alst hem daer verdochte en de hi den honger hadde so groot ghinc hi ou er al omme broot bidde ndus in elke stede daer me nhem vele scanden dede 115 hi wart so lielijc en de so vuul dat me nrecht hiet grote guul groot verderf en de cost verloren dus was hi indesen toren lange tijt en de lange wile 120 nu eist tijt alsond er ghile dat ickere ter scoenre vrou wen die wech voer in grote nrouwen mette nscipman diese cochte dies hem harde werde bedochte Vierde fragment +4ra +sprac die vrou we lieue here des icmi ontsach van v vruchtic dat mi sal come nnu te groten vernoye en de te miswe nde 5 dat icniet bleue ninnemet kinde daer ulant hereup mochte eruen 15) der van and er bovengeschreven Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 17 gheuallet heredat ghi moet sterue n dat mi god moete verbieden so salic van uwen lieden 10 haestelike verdreuen sijn dat sijn alle die sorge mijn so ben ici ellendich wijf oec vructic alsond er blijf dat icmoet an mine ndanc 15 neme nman eer eet lanc bi mire wet bi mire trouwe n sprac die ou er scone vrou we sone trouwic ma nontst eruedi mi bi mine nwille en de bi di 20 ontsie icmi daer af wel sere stont an mi inenigen kere troudic man bi minen wille dus sprac simaer alstille pensde sidat wareyt ware 25 icsoude wel node openbare hebben geseit wat simeende metten woerde sisere weende en de pensde doe om iechemas dic haer ma nwarachtich was 30 mocht sine hebben sine begeerde elnegene bouen der erde +4rb + 35 do waeren datter auonture do sprac hi al openba[re] mi nne ghine doen (?) icsalt vvele wel 40 moetic vleue nenige do (?) sodat ghijs sond er sone (?) icsal ulaten in mine [rike] en de doen vzweren vaste[like] mine nbaroene nalsme n 45 daer die macht meest a[ne leghet] (?) dat sivbliuen voert g[hetrouwe] dat lone ugod sprac die [vrouwe] dat ghi mijns dus wege do sende hi wt vp ne Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 18 50 lettren en dè boden beide en de gheboot dat elc se[ide] den genote nvanden lan[de] dat site houe haesteli[ke] quame nhaer hier wa 55 hi woude bi hare alre d sijn lant besetten en de sone dorfter nieme non Si voere nte houe mettien alst haer here he m 60 iczegghe udat daer qu[amen] menich ridder van grote[n name] menich prince menich g[raue] (?) +4va + 65 stonde n ontwo nde n quame ntoten here chden sine siecheit sere 70 en volkome sijn en de wesen he m toe met dezen en de lieue vrient vele hebdi mi dient vilen te meniger stont 75 [Bedi] willic vmaken cont [d]at ghi onboden sijt op deser tijt [danc]ber alre houeschede [g]hi mi geuet ene bede 80 [In sal] hier niet lange wezen e ne mmermeer genezen deden ene bede hier worden alle scier vrouwe wi doent gerne 85 ldaet des niet tonb erne wi doot gereet ede he m den eet ghetrouwelike houden doen en de doen zouden 90 zoude bidden daer ne mmermeer daer naer en daden noch soude nspreke n Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 19 me nte vinde nenige treken +4vb +daer bi verachtert mochte sijn 95 dat nu sal sijn die bede mijn siseiden alle vte ene nmonde sidadent gerne in elke stonde en de zworent alle vaste te houde n dat elk erlic bi sine nscouden 100 nemm ermeer daer na nebrake heren nu zegic vdie zake hieres mijn wijf vw er alre vrou we die mi van herten es getrouwe icwil dat sivrou we bliue 105 steruic nv na mine nliue en de ghi haer sijt onderdaen alsi dit hadden verstaen dat dat was dattie here bede seide elke dat hijt gerne dade 110 met houesche nwoerde nmet zoter tale en de seiden siwaers wardich wale te houden te haren fine meerre heerscap dan die sine Dus es die vrou we ontfange ndaer 115 in corten tide naldaer naer sterftie hertoge het moste sijn nu hoert van dede die vrou we fijn sidede sine wtuaert dae rter stede nader wet en de na daer 16) zede 120 dat me nin den lande plach dat noyt ma nnochtan en sach brengen oec in derde man met so groter werde siwas so wetende en de so vroet Leiden JJ MAK 16) Lees der Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 20 Nog eens ‘Karel ende Elegast’ In mijn artikel over Karel ende Elegast (Ts LXIX, 1951, 81 vv) 1)heb ik op blz 88 een paar opmerkingen gemaakt over het ploegkouter, dat Karel bij de inbraak in Eggeric's slot gebruiken wil Ik noemde een kouter weinig geschikt om een muur te doorbreken en vond het begrijpelijk, dat de koning er dan ook door Elegast om uitgelachen werd; bovendien werd meende ik door het meenemen er van de ‘ploegvrede’ gebroken en was de auteur dus wel niet iemand, die tot de boerenstand behoorde Toch is het plan van Karel niet zo gek, als het er op het eerste gezicht uitziet Een opmerking van Prof LC Michels (Nijmegen) bracht mij er toe, het boek van Dr Wilhelm Gierlichs ‘De geschiedenis der Bokkerijders in het voormalig land van 's Hertogenrode’ (Roermond, JJ Romeyn 1939) eens door te zien, waarin de beruchte inbraken van die bende tussen 1734 en 1774 en de processen daarover behandeld worden Het bleek mij spoedig, dat ploegkouters daar verschillende malen als inbrekerswerktuigen genoemd staan Zo bijv op blz 22: Willem Qu bracht met een ploegkouter, dat hij op het veld weggenomen had, een gat in de muur aan, kroop er door, opende de huisdeur en liet de andere kameraden binnen Natuurlijk is hier aan de muur van een eenvoudig boerenhuis te denken, die wel voornamelijk uit leem of uit veldstenen en leem opgetrokken was Het belachelijke aan Karel's plan is dus alleen, dat hij een kouter voor de zware muur van een slot denkt te gebruikeen Inbrekers zullen zich te allen tijde wel weinig van de ploegvrede aangetrokken hebben Mijn opmerking daarover snijdt dus ook geen hout Veeleer wijst het wegnemen van het kouter op kennis van toestanden op het platte land Den Haag HWJ KROES 1) Ikmaak gebruik van de gelegenheid om nog twee verbeteringen indat artikel aan tebrengen Niet Eggeric's maar Elegast's wapen breekt (blz 85); voor ‘witte’ wapenrustingen op blz 86 lees ‘blanke’ Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 21 Jan van den Dale's ‘De wre vander doot’ en het boek Job In zijn uitgave van de werken van de Zuidnederlandse rederijker Jan van den Dale 1) wijst Gilbert Degroote er op, dat de dichter bij het schrijven van ‘De Wre vander doot’ geïnspireerd of tenminste beinvloed is door de Schriftuur 2)Deze opmerking is ongetwijfeld juist Degroote vergist zich evenwel, wanneer hij voor deze invloed van de Schriftuur die hij bovendien, naar het schijnt, meer onbewust dan bewust aanwezig acht uitsluitend verwijst naar de psalmen Invloed van de psalmen is zeker aanwezig Maar meer dan enig ander boek van de Schriftuur heeft het boek Job de dichter geïnspireerd bij een gedeelte van ‘De Wre vander doot’, nl strofe 6875 (vers 9381049) En dit niet vaag of onbewust Integendeel De dichter heeft de gewijde tekst voor zich gehad en heeft getracht, met de vrijheid die hem toekwam en met de beperkingen die de strofenbouw hem oplegde, een vertaling te leveren van bepaalde gedeelten van genoemd boek Van bepaalde gedeelten, die hij niet zelf naar believen had gekozen, maar die al gekozen waren en die hij zó en in deze volgorde klaar vond De strofen immers, waar het om gaat, beantwoorden, de een meer de ander minder, aan de lessen uit het boek Job, zoals deze voorkomen in het Officium Defunctorum van het Romeins Brevier, en wel zo, dat elke strofe overeenkomt met een les Wel worden de lessen niet volledig vertaald Soms laat de dichter iets weg, soms voegt hij iets toe Maar bij het begin van elke strofe grijpt hij telkens weer terug naar de letterlijke tekst van het Dodenofficie Ook de volgorde van de strofen in de ‘Wre’ is die van de lessen in het brevier Het is echter opmerkelijk, dat Van den Dale slechts acht 1) Jan Van den Dale, Gekende werken met inleiding, bronnenstudie, aanteekeningen en glossarium door Dr Gilbert Degroote, Antwerpen, 1944 (uitgave van de Vereeniging der Antwerpsche Bibliophielen, tweede reeks, nr 2) 2) Blz 48 en 111 noot bij v972 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 22 van de negen lessen heeft vertaald De derde les ontbreekt in de ‘Wre’ Hoe is dit te verklaren? Het is niet aan te nemen, dat zijn dichterlijk vermogen hier is te kort geschoten Immers, de ‘vrij krachtige bewogenheid’, die Degroote in strofe 69 meende te bespeuren, is wellicht niet zozeer te danken aan Van den Dale's poëtisch talent als wel aan de ontroering, die uitgaat van de gewijde tekst en ook in deze bewerking niet geheel is verloren gegaan Bewerkte de dichter een tekst van het Dodenofficie, waarin slechts acht lessen uit het boek Job waren opgenomen? Dergelijke teksten bestonden ongetwijfeld Zo bevat de door Geert Groote vervaardigde vertaling van het Dodenofficie, de zogenaamde ‘langhe vighelie’, die een ruime verspreiding vond, ook slechts acht lessen uit Job De negende les is hier genomen uit de eerste brief aan de Corinthiërs (5, 1928) 3)Maar Groote's Dodenvigilie heeft wel de in onze tekst ontbrekende pericope uit Job, en mist de door Van den Dale wel vertaalde pericope, die in het tegenwoordige Dodenofficie de negende les vormt Bestond er dan een tekst, waarin de tegenwoordige derde les niet voorkwam? Heeft het stellen van deze vraag wel enig nut? Want, hoe men de hiaat, om het zo maar te noemen, ook wil verklaren, de tekst van de bewuste derde les is onze dichter niet onbekend geweest Dit kunnen we opmaken uit de eerste verzen van strofe 88, v 12181219: Vhanden heere hebben mi ghemaect seer wel Hoe soudi mi verworpen /haestelijck snel die een vertaling zijn van de eerste regels van lectio 3(Job, 10, 8): Manus tuae fecerunt me, et plasmaverunt me totum in circuitu: et sic repente praecipitas me? Het zou dus zeer goed mogelijk zijn, dat Van den Dale wel degelijk een tekst van het Dodenofficie heeft bewerkt, waarvan alle negen lessen uit het boek Job waren genomen, maar dat hij om ons niet bekende redenen een er van heeft weggelaten om ze later toch weer te pas te brengen We kunnen nu eenmaal niet over de schouder van een zestiendeeeuwse dichter kijken, om te zien hoe hij bij de samenstelling van zijn gedichten te werk ging 3) Cfr N van Wijk, Het Getijdenboek van Geert Grote, Leiden, 1940, blz 186 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 23 Uit het voorgaande blijkt al voldoende, dat Van den Dale een brevier of getijdenboek heeft gebruikt voor zijn bewerking en voor de betreffende pericopen niet een bijbel heeft nageslagen Zijn tekst biedt hiervoor nog enkele andere aanwijzingen V 938: ‘heere’ (Domine) staat niet in de Vulgaattekst; is een toevoeging van het brevier V 957 bevat misschien tevens een reminiscentie aan de antifoon bij de 5e psalm van de Vespers van het Dodenofficie: Opera manuum tuarum, Domine, ne despicias V 958959: is een vrije bewerking van het onmiddellijk aan de 2e les voorafgaande responsorium: Credo quod redemptor meus vivit, et in novissimo die de terra surrecturus sum Deze tekst, die ook voorkomt in de 8e les, is ontleend aan Job, 19, 25, maar ipv Credo heeft de Vulgaattekst Scio V 1033 wordt deze tekst nauwkeuriger vertaald, maar zonder Scio of Credo V 962 is een vertaling van de 4e antifoon van de Lauden bij het Canticum Ezechiae (Is 38, 1020): A porta inferi erue, Domine, animam meam Vgl ook vers en responsorie na de psalmen van de eerste nocturn: Aporta inferi Erue, Domine, animas eorum V 973 ‘Machtich prince’ is misschien een vertaling van ‘Deus’, dat voorkomt in het responsorie bij de 4e les Dit responsorie is ontleend aan Job 7, 7, waar ‘Deus’ niet voorkomt V 10441045 beantwoorden aan het responsorie bij de 9e les Wij geven nu de tekst uit ‘De Wre vander doot’ met daar naast de daaraan beantwoordende delen uit de lessen van het Dodenofficie Eventuele opmerkingen worden in de noten gegeven Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 24 De W re, 938951 Ghespaert mijns heere ter noot doch iet Minen tijt es cort mijn daghen niet 940 Wat es een mensche dien ghi grootheyt iont Oft waerom steldi vhertte comt en besiet Daer aue/ dien ghi proeft doer verdriet En visiteert onversien/ in zeer vroeghe stont Ick hebbe ghesondicht wat sel ick vdoen orcont 945 O bewaerder des menschen/ om uwen lof Waerom hebdi mi ghestelt heel onghesont Contrarie v/ en hoe sal vden mont Louen/ ick ga slapen int ghestof Al roepti mi vroech/ heere/ onbereet en grof 950 Om volghen/ ick en mach/ oft en sal stille staen Het minste moet na des meesten wille gaen De W re, 952965 Tverdriet mijn siele van minen leuene Tes tijt/ ick moet pinen te begheuene Ick sal spreken in bitterheyt mijnder sielen 955 En segghen god met grooten beuene En wilt mi doch niet oerdeelen in sneuene Dwerck uwer handen wilt niet vernielen Ick ghelooue dat ick verresen sal cnielen Voer vleuende verlosser ten oerdeele bloot 960 Daert vol van minen vianden sal krielen En logeert mi doch niet met hem die vielen Vander poerten der hellen verlost mi ter noot Noyt niemant die uwen handen ontvloot Oft worde verlost ghi en hadter ghebodt 965 Die teghen sijn ouerhoot wilt steken es sodt V 957959 en V 962: Cfr Inleiding De W re, 966979 Antwoert mi heere wat ick hebbe mesdaden Minen tijt es cort/ om wel beraden En wilt doch vaensicht van mi niet keeren Noch en wilt mi als vviant niet versmaden 970 Oft baren vmacht met onghenaden Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 25 Lectio 1(Job, 7, 1621) 16 Parce mihi, Domine; nihil enim sunt dies mei 17 Quid est homo, quia magnificas eum? aut quid apponis erga eum cor tuum? 18 Visitas eum diluculo et subito probas illum; 20 Peccavi, quid faciam tibi ocustos hominum? quare posuisti me contrarium tibi, 21 ecce, nunc in pulvere dormiam: et simane me quaesieris non subsistam Lectio 2(Job, 10, 17) 1 Taedet animam meam vitae meae, dimittam adversum me eloquium meum, loquar in amaritudine animae meae 2 Dicam Deo: Noli me condemnare; 3 et opprimas me opus manuum tuarum, 7 cum sit nemo qui de manu tua possit eruere Lectio 4(Job, 13, 2228) 22 Responde mihi: 23 Quantas habeo iniquitates et peccata, 24 Cur faciem tuam abscondis, et arbitraris me inimicum tuum? 25 Contra folium, quod vento rapitur, Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 26 Teghen een arm blayken/ dat de wint doet keeren Oft een drooghe stoppele/ wilt niet verzeeren Machtich prince/ wilt memorie draghen Dat mijn leuen maer wint es/ heere der heeren 975 Ende en wilt mijn leet nv niet vermeeren Met den sonden van minen kinschen daghen Als een cleet ongheacht/ dat de motten cnaghen Moet ick sonder appel/ haest met der spoet sijn Dat wesen mach/ mach werden/ maer dat sijn moet/ moet sijn V 966: Is ‘mesdaden’ part praet van mesdoen (Degroote, Glossarium) of gen plur van mesdaet, afhankelijk van ‘wat’? Dit laatste lijkt ons op grond van de Latijnse tekst meer waarschijnlijk V 968: Om de samenhang met de tekst uit Job denken we niet zoals Degroote op de eerste plaats aan ps 26, 9: Ne avertas faciem tuam ame, ofschoon deze tekst, voorkomende in de psalm, die onmiddellijk aan de 4e les voorafgaat, wel invloed kan hebben gehad V 972: zeker geen echo van: arundinem quassatam non confringes (Degr tp) V 973974: Uit resp bij de 4e les: Memento mei, Deus, quia ventus est vita mea De W re, 980993 980 Een mensche gheboren vander vrouwen Onlanck leuende/ vervult met rouwen Wast als een arm bloemken/ en vergheet En als een scaduwe/ elck maecht bescouwen Nemmermeer in eenen staet ghehouwen 985 In onsuuer saet ontfaen/ hoe dat mesteet Wie mach van onreyn saet/ suuer maken ghereet Dan ghi heere die set elcx termijn Die niemant en mach ouergaen/ tsi lief oft leet Wee mi arm mensche/ waer salick/ en weet 990 Mi berghen ten wtersten voer vaenschijn Mijn siele es gheturbeert wilt doch mi sijn Een bescermer/ voer de verdoemde fossen Want inde helle en es gheen verlossen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 27 ostendis potentiam tuam, et stipulam siccam persequeris: 26 et consumere me vis peccatis adolescentiae meae 28 qui quasi putredo consumendus sum, et quasi vestimentum, quod comeditur atinea Lectio 5(Job, 14, 16) 1 Homo natus de muliere, brevi vivens tempore, repletur multis miseriis 2 Qui quasi flos egreditur et conteritur, et fugit velut umbra, et numquam in eodem statu permanet 4 Quis potest facere mundum de immundo conceptum semine? Nonne tu qui solus es? 5constituisti terminos ejus, qui praeteriri non poterunt Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 28 V 989992: Resp bij 5e les: Hei mihiQuid faciam, miser? ubi fugiamMiserere mei, dum veneris in novissimo die (vermengd met resp bij 3e les: ubi me abscondam avultu irae tuae?) Anima mea turbata est valde, sed tu, Domine, succurre ei V 993: Resp bij 7e les: Quia in inferno nulla est redemptio De W re, 9941007 Wie sal mi gheuen auont oft merghen 995 Dat ghi mi inde helle beschermt selt berghen Tot dat ghi uwen toren hebt laten sincken Al ben ick int stuck niet om vererghen Wilt mi heere/ na vontfermen verghen Eenen tijt wanneer ghi mijns selt ghedincken 1000 Ick weet dat ick doot/ weer leuende sal blincken Och waerom en heb ick dan niet ghewacht in tijts In mijn iuecht/ dit sop/ dat ick moet drincken O heere ghi roept mi/ en ick en mach vwincken Niet ontgaen/ maer antwoerden/ met lutter iolijts 1005 Spaert mijnder sonden/ sonder veel verwijts Voer mijn sonden groot/ stelt vbitter lien Niemant so droeue hi en mocht wel verblien De W re, 10081021 Minen gheest die duynt 4)/tijt/ wre gaet af En niet en verwachtick sekers/ dan tgraf 1010 Mijn daghen ghecort/ sijn ouerleden Mijn ghedachten ghebroken/ verstroyt als caf Tperst mi al therte/ dat mi vruecht oyt gaf Den schoonen dach/ verkeert in duysterheden Ancxt cruyst mi/ hope beloeft veel zeden 1015 Na duyster het licht/ noyt selck bestormen 4) Degroote heeft tevergeefs naar dit woord gezocht inMnl Wdb en WNT ;inOudemans vond hij de betekenis ‘inslapen, sluimeren’, die hij bruikbaar acht voor deze plaats De Latijnse tekst van het ‘Officium Defunctorum’ Spiritus meus attenuabitur en de vertaling hiervan inHet Getijdenboek van Geert Groote (ed N van Wijk) ‘Mijn gheist sal werden ghedunnet’ iseen aanwijzing dat we hier met een letterlijke vertaling van attenuari tedoen hebben Het is denkbaar dat Jan van den Dale het getijdenboek van Groote gekend en gebruikt heeft, al heeft het dan niet gediend als directe bron voor De Wre vander doot (Noot van CC de Bruin ) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 29 Lectio 6(Job, 14, 1316) 13 Quis mihi tribuat, ut in inferno protegas me et abscondas me, donec pertranseat furor tuus, et constituas mihi tempus, in quo recorderis mei? 14 Putasne mortuus homo rursum vivat? Cunctis diebus, quibus nunc milito, exspecto donec veniat immutatio mea 15 Vocabis me, et ego respondebo tibi: 16 sed parce peccatis meis Lectio 7(Job, 17, 13; 1115) 1 Spiritus meus attenuabitur, dies mei breviabuntur, et solum mihi superest sepulcrum 11 Dies mei transierunt, cogitationes meae dissipatae sunt, torquentes cor meum 12 Noctem verterunt in diem, et rursum post tenebras spero lucem Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 30 Mijn bedde moetick stellen gaen beneden Int doncker/ ter vuylheyt/ en segghen ter steden Ghi sijt mijn vaer/ en moer/ en suster den wormen Och waer es nv mijn beyen/ broosch van vormen 1020 Waer sihope/ waer simorgen/ waer eere waer prijs Hi es sodt die temmert op een broosch ijs De W re, 10221035 Mijn vleesch half verteert wt vreesen achermen So hanct den velle/ ane flau int verwermen Den mont/ en de lippen/ om baren gheween 1025 Ghelaten bi de tanden/ owilt ontfermen Bisonder mijn vrienden/ aenhoort mijn kermen Hier sijnde int persequeren alleneen Och wie sal mi gheuen dat groot en cleen Mijn woerden ghescreuen worden/ slicht van ghisen 1030 Met ijser/ oft loot/ na mijn verscheen Oft met stale ghegrauen inden steen Want ick moet wech de wormen spisen Maer mijn verlosser leeft/ dien ick na mijn verrisen Sal sien met dit selue vel ghecleet 1035 Tversaemt wel met vruechden/ dat droeflijck scheet De W re, 10361049 Och god/ waerom hebdi mi gheleyt arm dracht Wten lichaem mijns moers/ waerom en wasic versmacht Op dat mi nie oghe/ en ha moghen vaten Oft als niet gheweest/ ten graue ghebracht 1040 Want de lutterheyt mijns tijts/ onversien ghewacht Wort so cort gheint met cleynder maten, O heere wilt mi wat claghen laten Eer ick ga/ och doch minen swaren druck En als selen berueren alle staten, 1045 Hemel/ eerde/ sijt mi dan in baten Voer de ombre des doots/ het vreeselijck stuck De eerde der duysterheyt/ daer hope noch gheluck En es/ maer daer eewighen gruwel woont Tes quaet met quayen loone tsine gheloont Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 31 13 in tenebris stravi lectulum meum 14 Putredini dixi: Pater meus es, mater mea et soror mea vermibus 15 Ubi est ergo nunc praestolatio mea, et patientiam meam quis considerat? Lectio 8(Job, 19, 2027) 20 Pelli meae, consumptis carnibus, adhaesit os meum, et derelicta sunt tantummodo labia circa dentes meos 21 Miseremini mei, miseremini mei, saltem vos, amici mei, 22 Quare persequimini me 23 Quis mihi tribuat ut scribantur sermones mei? quis mihi det ut exarentur in libro, 24 stylo ferreo et plumbi lamina, vel celte sculpantur in silice? 25 Scio enim quod redemptor meus vivit, et in novissimo die de terra surrecturus sum; 25 et rurusum circumdabor pelle mea, et in carne mea videbo Deum meum 27 Quem visurus sum ego ipse Lectio 9(Job, 10, 1822) 18 Quare de vulva eduxisti me? qui utinam consumptus essem ne oculus me videret! 19 Fuissem quasi non essem, de utero translatus ad tumulum 20 Numquid non paucitas dierum meorum finietur brevi? Dimitte ergo me, ut plangam paululum dolorem meum, 21 Antequam vadam, 22 ad terram miseriae et tenebrarum ubi umbra mortis et nullus ordo sed sempiternus horror inhabitat Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 32 V 10441045: Uit resp bij 9e les: Quando caeli movendi sunt et terra (Cfr Joël, 3, 16) In de volgende strofe maakt de dichter dan via het responsorie bij de 9e les en enkele psalmteksten een geleidelijke overgang naar het vervolg van zijn gedicht 1050 Och ick vreese al beuende arm scaep verloren Heere teghen uwen toecomenden toren Als mi vscerp ondersueck sal nopen Och heere ghedinct dan/ hoe ick ben gheboren En ontfaen van mijnder moeder hier voren 1055 Sonder mijn schult/ in schult/ ter werelt ghecropen En willet werck/ van uwen handen gheslopen Niet versmaen/ heere doer ignorancie Maer aenmerct/ met ontfermeghen ooghen open Wie ick ben die in vmoet hopen 1060 En wat dat es mijn broosche substancie Ghi en hebt niet te vergheefs dabondancie Ghesticht heere/ vanden kindren der menschen Sulck waer wel anders mocht hijt hem wenschen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 33 Resp Tremens factus sum ego et timeo, dum discussio venerit atque ventura ira Ps 137, 8Opera manuum tuarum ne despicias Ps 88, 48 Memorare quae mea substantia: numquid enim vane constituisti omnes filios hominum? Nijmegen P JULIUS ,OFM Cap Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 34 Filologische opmerkingen over Multatuli's blijspelfragmenten 1) Zoals men weet, heeft Dekker tussen 1872 en '76 getracht een comedie te schrijven die aan de hoogste eisen zou voldoen Men weet tevens dat deze poging niet gelukt is Van het ongetwijfeld vele dat Dekker op papier gezet heeft, zijn slechts 24 kladbladen bewaard gebleven, die zich thans in het MultatuliMuseum te Amsterdam bevinden 2)Nadat in 1891 een van Dekkers beste vrienden, de Rotterdamse toneelspeler en schouwburgdirecteur Jacob Marinus Haspels, deze fragmenten had doen opvoeren, verscheen een door Dekkers weduwe Mimi 3)verzorgd uitgaafje Hiervan bevindt zich een exemplaar met correcties van de hand der uitgeefster in het MultatuliMuseum, terwijl mij voorts nog een enkel exemplaar daarvan bekend is (wij zullen deze uitgave Anoemen) 4)Vlak daarna, dus nog in hetzelfde jaar 1891, verscheen een verbeterde ‘eerste’ druk, die nog hier en daar in de boekhandel aangetroffen wordt (B) 5)Een kleine twintig jaar later, in 1908, gaf Mimi opnieuw, en wederom buiten de reeks der verzamelde werken om, een uitgave van Aleid in het licht, ditmaal voorzien van een inleiding (C) 6)Hiervan verscheen dan, na verdere acht jaren in 1916 een herdruk, aangeduid, als 7de, 8ste en 9de 1) Dit artikel iseen stuk voorbereidend werk voor de uitgave van de blijspelfragmenten van Multatuli, die onder de naam Aleid bekend zijn geworden; deze fragmenten zullen worden opgenomen indeel 7van het volledig werk dat uitgegeven wordt door GA van Oorschot te Amsterdam, en verzorgd door Stuiveling, bijgestaan door Batten, Ett, De Leeuwe en Spigt Zeven delen Werken, vijf àzes delen Brieven en Documenten Deel It/m IV zijn thans (April 1952) verschenen Deel Vister perse 2) Vgl HHJ de Leeuwe, Multatuli, het drama en het toneel, diss Amsterdam 1949, vooral hst VI, VII en de bijlage: Diplomatische weergave van Multatulis blijspelfragmenten 3) MFC Douwes DekkerHamminck Schepel (18401930) 4) Aleid, Twee fragmenten uit een onafgewerkt blijspel van Multatuli, Amsterdam, 1891, W Versluys 5) Als voren 6) Nederlandsche Bibliotheek onder leiding van LSimons Uitgegeven door de Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur Amsterdam Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 35 duizendtal (D) 7)Wanneer men deze edities onderling èn met het handschrift vergelijkt, dan blijkt dat A, C en D meestal overeenstemmen en dat B het dichtst bij het origineel staat Enkele voorbeelden mogen dit illustreren Dat is wel mogelyk B en handschrift: Dat is wel mooglyk ACD: Wordt dan dol! B en hs: Word dan dol! ACD: moordgekerm B en hs: moord, gekerm ACD: Aleid valt op 'n stoel neer als ademloos B en hs: Aleid valt als ademloos op 'n stoel neer ACD: Het is niet onaannemelijk, dat Mimi bij het verzorgen van C en D van Ais uitgegaan zonder nog eens het manuscript te raadplegen Hoewel een nader onderzoek naar het verband tussen de drukken achterwege kan blijven het manuscript staat immers ter beschikking en de schrijver zelf heeft aan de drukken part noch deel gehad komt het ons toch om principiële redenen dienstig voor, althans de drukken en het handschrift op sommige punten met elkaar te vergelijken Over het algemeen moet men helaas zeggen, dat de editrix het handschrift niet goed gelezen heeft Dit begint reeds bij de namen der personen Graaf de Keltenaar schrijft zijn naam met aa en niet met ae, Lise heet Lise met een sen niet met een z Aleid wordt (op bl 51) 8)krachtig toegesproken met Aleide (niet Aleid), waarvoor zij zich revancheert met Bob (niet Rob: bl 52) Op bl 10 staat: Je vroeg me; niet: je vraagt me; op bl 24: Meid, wat ben je wild! niet: Aleid, wat ben je wild! Multatuli spelt: Iezegrim, niet Isigrim (ACD) of Isegrim (B, bl 50) Er zou terecht op bl 12 moeten staan: 'n stuk papier vertonende, niet: overgevende Het is de kiesheid waarop zich Frits beroept (bl 80), niet de kuisheid De voor Multatuli zo gewichtige accenttekens zijn vrijwel alle over het hoofd gezien, de juiste volgorde van woorden of regels is niet in acht genomen Vrouw Slummer is: die goeie lieve hoogbejaarde engel, en niet: die lieve goeie (bl 79) Een dialoogfragment luidt strikt in het metrum: 7) Als voren 8) Bladzijden geciteerd volgens C Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 36 Robert: Zeer goed Wat meer nog? Aleid: Een Lucretia! En niet: Zeer goed En wat nog meer? Een Lucretia! (bl 56/57) ACD lezen Temia's oordeel over Frits aldus (bl 20): Hy iseen plaag, Hy is'n plaag, 'n stokebrand! Mèt het handschrift leest B beter: Ik zeg je: 'n draak 'n Stokebrand! Ik zeg je: 'n draak De juiste rangschikking der verzen op bl 31 is als volgt: Aleid: Ik heb het waar gevoel niet, Teempielief! Temia: Ja, ja, dat heb je wel! Je bent niet dom! Aleid: Ik heb geen offerzucht! Temia: Jawel, jawel, Dat heb je wel! Toe, spreek Hoe weet je dat Er hier of daar een hart voor myn hart klopt? In ACD staan deze regels niet op de plaats die hun toekomt: Temia: Ja, ja, dat heb je wel! Je bent niet dom! Dat heb je wel Toe spreek! Aleid: Ik heb geen offerzucht Temia: Jawel, jawel Hoe weet je dat een hart voor myn hart klopt? B, kennelijk bezorgd over het juiste aantal versvoeten, heeft de woorden: Dat heb je wel, geschrapt Een blik in het handschrift had beter resultaat gehad Al met al zijn dit vergissingen Bedenkelijker wordt het, wanneer er woorden of uitdrukkingen van eigen maaksel de oorspronkelijke verdringen In het hs staat: De K maakt 'n gebaar van ontevreden Het is begrijpelijk dat een uitgever dit aanvult als ontevredenheid, maar niet als misnoegen (bl 43) Het manuscript dat op enkele bladzijden beschadigd is, laat nog het lezen toe der woorden: de vrede, de alge ACD verwringen die tot: de vrede, de Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 menschelykheid Toen B de tekst corrigeerde, was er klaarblijkelijk nog te lezen: De vrede, de algemeene vrede Het is aan te nemen dat dit de juiste tekst is (bl 29) Reeds uit deze verzameling voorbeelden zal het duidelijk geworden zijn dat een nieuwe editie van Multatulis blijspelfragmenten nodig en Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 37 gewenst is Onze filologische taak klemt echter te meer, waar het enkele plaatsen betreft die door de schrijver zelf niet in een definitieve vorm zijn gegoten Naar eigen goeddunken is door de uitgeefster indertijd een regel samengesteld, die ons thans echter niet meer bevredigt Wij hebben een andere oplossing beproefd door mede gebruik te maken van hetgeen Multatuli doorgehaald heeft, maw door alle gegevens van het manuscript te benutten De eerste plaats die wij willen beschouwen luidt vereenvoudigd in het hs als volgt 9): Nicht Temia, ikweet wel, 'tishaar schuld niet Ze isziek, maar toch ook zy verveelt ons allen [Het mensch isziek, geloof me zeker maar toch, ook zy] [Verveelt ons allen] [Zy isvervelend met haar] Vreeverbond [en dieren] En met haar dieren en korrespondentie ACD geven deze regels als volgt (bl 46): Ze isziek, maar toch, ook zy verveelt ons allen Met haar dieren en korrespondentie Door het weglaten van ‘En’ is de laatste regel trocheïsch geworden Bmaakt ervan: Ze isziek, maar toch, ook zy verveelt ons allen En met haar dieren en korrespondentie Dit is wel volgens het hs, maar de regel sluit niet goed aan door het onverwachte ‘En’ (tenzij men ‘En en’ zou dienen op te vatten als ‘zowel als ook’) In onze nieuwe versie willen wij gebruik maken van enkele door Multatuli overwogen mogelijkheden en stellen dus voor: Geloof me, het mens isziek maar toch, ook zy Verveelt ons allen met haar Vreeverbond En met haar dieren en korrespondentie De tweede plaats die bij de reconstructie nadere overweging verdient, ziet er in het hs als volgt uit: 9) Wat tussen []staat, isinhet hs doorgehaald Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 38 De K En zy, Ze berst in tranen uit! Je was te ruw [Robert] [Ik was wat ruw] De K O zeker, maar zoo gauw te schreien! Dat Was vroeger toch haar zwak niet, dunkt me Robert 'tKomt alles van nicht Temia! ABCD maken hiervan (bl 45): Graaf de Keltenaer: En zy, Ze berst in tranen uit! Je was te ruw Robert: O zeker, maar zoo gauw te schreien! Dat Was vroeger toch haar zwak niet, dunkt me 'tKomt alles van nicht Temia! Wij zouden thans daarvoor in de plaats willen geven: Graaf: En zy, Ze berst in tranen uit! Robert: Ik was wat ruw Graaf: O zeker, maar zo gauw te schreien! Dat Was vroeger toch haar zwak niet, dunkt me Robert: 'tKomt alles van nicht Temia! Het hs is onbevredigend De uitgeefster heeft de plaats hardhandig aangepakt door Robert regels te laten spreken die de Graaf toebedeeld waren en die ook geheel in diens mond passen; hij verwondert er zich immers over dat Elise schreit Dat Robert ‘te ruw’ was, heeft de Graaf al eerder gezegd, herhaling door hèm lijkt dus overbodig en het herstellen van Roberts woorden ‘Ik was wat ruw’ is niet ongerechtvaardigd, wanneer we in aanmerking nemen dat hij vlak tevoren verklaard heeft: ‘'tspyt me’ (bl 44) Al heeft het er de schijn van dat wij hier het woord van de schrijver enig geweld hebben aangedaan door een halve regel te schrappen en een doorgehaalde te herstellen, toch menen wij dat er op deze wijze een aanvaardbare tekst is ontstaan, aanvaardbaarder in elk geval dan de vorige Maar het blijft een moeilijk te ontwarren puzzle Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 Het mag als bekend worden verondersteld dat Multatuli's blijspelfragmenten van huis uit geen titel dragen Daar hij niet tot publicatie ervan wenste over te gaan, was het noterenachteraf van een definitieve titel voor hem overbodig werk De aankondiging van de eerste opvoe Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 39 ring te Rotterdam op 17 Februari 1891 vermeldt dan ook eenvoudig: ‘Twee fragmenten uit een onafgewerkt blijspel van Multatuli’ Eerst bij de tweede vertoning verschijnt de naam Aleid als titel in de advertentie misschien op voorstel van de toneelrecensent en letterkundige L Simons Mzn 10)Wij beschikken tegenwoordig echter over meer gegevens dan Multatuli's tijdgenoten, dank zij de publicatie van een uitgebreid aantal brieven Op Zaterdag 6October 1872 schreef Dekker uit Wiesbaden aan zijn uitgever GL Funke te Amsterdem: ‘Ik wurm over 'n blijspel, moet je weten, maar geloof niet dat ik 'tkan (ernstig gemeend!) 'tKomt me moeilijker voor dan een serieus stuk De titel zou zijn: Deugdjes!’ 11) Hier hebben wij dus het opschrift waarmee deze brokstukken in het vervolg zouden moeten worden aangeduid De vlag dekt de lading Multatuli hekelt in dit schijnbare parergon inderdaad handelingen en eigenschappen die door de conventie als deugden worden geprezen, doch het niettemin niet zijn Het zijn de kleine zusters die de grote oneer aandoen De nieuw ontdekte titel sluit overigens aan bij de wijze waarop de auteur de naam van zijn voltóóide toneelspel vond Zonder veel bezwaar had dit immers ook wel ‘Koningin Louise’ kunnen heten In beide gevallen werd een programmatisch begrip als titel gekozen Of het evenwel zal gelukken de gebruikelijke aanduiding te vervangen, staat te bezien: oude titels hebben burgerrecht Utrecht HHJ DE LEEUWE 10) Later stichter van de Wereldbibliotheek Hij was een van de eersten die de blijspelfragmenten na Dekkers dood onder ogen kreeg en schreef op 10 December 1890 aan Mimi: ‘Is er aleen titel gevonden? Wat zou Udenken van: Aleida !’(MultatuliMuseum) 11) Briefwisseling tussen Multatuli en GL Funke, uitgegeven door Dr GL Funke, AmsterdamAntwerpen 1947, bl 79/80 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 40 Laan en verwanten De gewone betekenis van het Nederlandse woord laan is tegenwoordig ‘weg die aan beide zijden met bomen is beplant’, maar deze betekenis is stellig niet de oorspronkelijke Dichter bij de oorsprong is men bij de samenstelling oprijlaan, ‘weg die van de hoofdweg naar een kasteel of buitenplaats leidt’ Evenzo heeft men dikwijls een kerkelaan in dorpen waar de kerk een eind van de hoofdweg afligt In de gewestelijke taal kan ook een toepad dat een boerderij met een hoofdweg verbindt een laan heten De uitdrukking iemand de laan uitsturen bewaart wellicht nog de herinnering aan deze lanen die toegang gaven tot boerderijen en buitenplaatsen Iemand die zijn ontslag kreeg, werd inderdaad de laan uitgestuurd en aan de dijk (= hoofdweg) gezet In het Gronings is laan meer speciaal ‘het pad langs elke heerd land, waar de boer langs kan met paard en wagen’ (Ter Laan) Hier zit weer een nieuwe nuance in Terwijl oprijlaan, kerkelaan en de laan die naar een boerderij voert zijn samen te vatten als ‘zijweg (dikwijls met bomen aan de kant) die op een bepaald punt eindigt of een bepaald punt met de hoofdweg verbindt’, is de Groningse laan meer een perceelscheidende landweg Stallaert vermeldt uit een oude Westvlaamse bron nog een woord laan met de betekenis ‘rij bomen langs een stuk land’ Hier heeft men dus eveneens een perceelscheiding, wel met bomen, maar zonder weg Van hier naar het Afrikaanse laning ‘rij bomen, heining’ 1)is nauwelijks meer een stap De perceelscheiding vinden we ook in het Westvlaamse laan ‘kleine gracht tussen twee stukken land’ (Schuermans) 2)De sloot is in het kustgebied bij uitstek het middel om percelen te scheiden en wij mogen dus aannemen dat hierom eveneens in NoordHolland vele sloten laan zijn genoemd (Of 1) Volgens het Verkl Afr Wdb islaning een ‘digte rybome, opening tussen twee rye bome’ 2) Voor Westvlaanderen worden ook als bet vermeld ‘grazige dreef, lange en smalle weide; ondiepe gracht oflange smalle laagte dwars door de bilken ofweiden’ (Pollet en Helsen, Toponymie van Varsenare 82) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 41 moet men soms denken aan ‘zijsloot’ of ‘verbindingssloot’?) Bij de toepassing ‘dijkje op een kwelder aangelegd’ zal wel het begrip ‘zijweg van de zeedijk’ domineren De uitsluitend door Van Dale vermelde betekenis ‘uitgestrektheid water waarin men de zalm en elftnetten laat afdrijven’ staat apart Men kan hierbij wellicht denken aan een grondbetekenis ‘afgepaald gedeelte’ Ook de betekenis ‘perceelscheiding’ kan zich ontwikkeld hebben uit die van ‘perceel, vak’ Het Engelse woord lane is etymologisch stellig identiek met Nederlands laan De gewone betekenis in het Engels is ‘smalle weg tussen de velden, zijweg’ Lane wordt ook wel gebruikt om een smalle doorgang te water aan te duiden, maar dit maakt geen zeer oorspronkelijke indruk en is waarschijnlijk een oneigenlijke toepassing van ‘smalle weg te land’ Het element van de scheiding der percelen is in het Engelse woord òf nooit aanwezig geweest òf op de achtergrond geraakt De ‘landname’ heeft zich daar ook op een andere wijze voltrokken dan in de lage landen bij de zee In ieder geval zal men wel mogen besluiten, dat de betekenis ‘zijweg’, met welke bijinhoud dan ook eventueel geladen, reeds Ingweoons is In Nederland is laan (waarnaast in nietapocoperende gebieden ook lane )beperkt tot de bovenmoerdijkse taal met het Zeeuws en Westvlaams, dus het Ingweoonse relictgebied in zijn grootste uitbreiding Buiten Nederlands, Fries en Engels is laan, ‘zijweg’, onbekend Is niet alleen de betekenis ‘zijweg’ maar ook het woord laan zelf een Ingweoonse vernieuwing? Het Oudnoors kent een woord lǫn ,‘huizenrij’, het Zweeds lana of låno, ‘ruimte voor een stal’ Dit zou ervoor kunnen pleiten dat de grondvorm van laan al Oergermaans is geweest en de betekenis ‘zijweg’ een jongere specialisatie in een deel van de Westgermaanse dialecten Ik moet echter bekennen dat ik de verhouding tussen ‘perceelscheiding’ of ‘perceel, vak’, die men eventueel als oudere betekenissen in het Ingweoonse taalgebied zou kunnen onderscheiden, en ‘huizenrij’ of ‘ruimte voor een stal’, die op Noordgermaans gebied de voortzettingen zouden moeten zijn van de Oergermaanse grondbetekenis, niet duidelijk voor mij zie De etymologie wordt hier wel zeer speculatief Veel meer houvast geeft ons het tweede woord laan dat de Neder Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 42 landse woordenboeken vermelden en dat zou betekenen ‘los gedeelte van de bevloering van een botter, een bedstee’ (zo bij Van Dale) Dit tweede laan heeft een bijvorm laning naast zich met dezelfde betekenissen (Van Dale geeft op ‘losse vloer in een schuit’ en ‘onderlaag in een bedstede’) Zowel laan als laning worden vrijwel alleen in het meervoud gebruikt en de door Van Dale opgegeven betekenissen hebben, zonder dat het er bij wordt gezegd, betrekking op dit meervoud Laan of laning in het enkelvoud moet een benaming zijn geweest voor een onderdeel waaruit een los vloertje of een onderlaag in een bedstee is samengesteld De dialectwoordenboeken bevestigen dit, zij het dat ze niet volkomen eenstemmig zijn over de precieze betekenis van de enkele laning Molema stelt de loanings gelijk met de tielens en omschrijft ze als ‘planken ener bedstede waarop het bed rust, onderleggers’ Bij Ter Laan liggen de tielns echter op de loanns en zijn de laatste speciaal ‘dwarsbalkjes onder de planken van de bedstee’ Boekenoogen en Karsten kennen in de bedstee alleen lanings of lanissen, waarvan de betekenis dan natuurlijk is ‘losse planken waarop het beddegoed of het stro ligt’ Het komt mij voor dat Ter Laan de meest oorspronkelijke toestand beschrijft en dat de lanings dus de dwarsliggende steunbalkjes zijn geweest en de tielings de planken die in de lengte daarop gelegd werden Wanneer men de planken later dwars gaat leggen, ligt het voor de hand dat de dwarsbalkjes verdwijnen en dat de planken de benaming van de dwarsbalkjes overnemen Ik vermoed dat dit in NoordHolland gebeurd is Ook het losse vloertje in het schip heeft oorspronkelijk waarschijnlijk wel uit twee lagen bestaan, een bovenlaag van in de lengte gelegde plankjes en een onderlaag van dwarse balkjes of planken Verdam geeft iv laninge het volgende citaat uit de Hollandse Rek d Gr 1, 412: ‘12 planken totter laninghe ende totter deylinghe (van mijns heren baerdze)’ Over de betekenis zegt hij: ‘Vermoedelijk is het woord verwant met lane in den zin van leuning en bet het woord borstwering of kampanje’ Dit klinkt wel zeer onwaarschijnlijk Als deylinge ‘bevloering, planken vloer’ heeft betekend (aldus Verdam; ik zou liever zeggen: ‘de gezamenlijke planken van de vloer’), dan zal laninge wel de benaming zijn geweest voor ‘de gezamenlijke dwars Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 43 houten onder de planken’ De deylinge en laninge van ‘mijns heren baerdze’ corresponderen dan met de tielns en loanns van Ter Laan's bedstee, structureel en etymologisch Het Friesch Woordenboek geeft iv ladingshouten de volgende omschrijving: ‘bodemplanken van vooren achteronder van een schip; niet van 't ruim, dat is de bûkdelling ’Hier treden laning (ladingshout )en deling (delling )3)dus weer samen op, maar niet in één constructie: elk heeft zich gespecialiseerd op een bepaald deel van het scheepsruim De andere dialectwoordenboeken geven alleen lanings (Urk, Wieringen, Zaanland) of lanen (Marken, Katwijk, Westvlaamse kust, Scheldestreek), die beurtelings in het vooronder (Meertens, Daan) en ‘achter in de vissersschuit’ (Boekenoogen) worden gelocaliseerd en een enkele maal ook, evenals in het Fries, ‘in den vooronder en achteronder van het schip’ (Joos) De hele constructie van planken en onderleggers is in de moderne dialecten dus samengevat in één benaming, waarschijnlijk doordat zij inderdaad een zeer hecht verbonden eenheid vormden Dit is dus anders dan bij de bedstee, waar de nieuwe eenheidsbenaming vermoedelijk een veranderde, vereenvoudigde constructie dekt Overigens is er oorspronkelijk wellicht een directe samenhang geweest tussen de constructie van de onderlaag van de bedstee en die van de scheepsvloer, in zoverre de eerste een navolging was van de tweede Schuermans geeft als voorbeeld bij lanen (= ‘houten vloer in de woning eens schippers aan boord’) het volgende zinnetje: ‘Hij ligt met zijn bed op de lanen’ waaruit men kan opmaken dat deze wijze van ligging toch bij de schippers op de Schelde geenszins ongewoon, en wellicht oorspronkelijk de algemeen gebruikelijke was Wanneer men gewend was aan boord zijn bed op een dergelijke houtconstructie te leggen, kan men dat vervolgens ook in zijn huis aan de wal hebben gedaan Groningen en NoordHolland waren zeevarende streken, waar de combinatie zeemanboer zeer gewoon was Ik vestig tenslotte nog de aandacht op de samenstelling laanruim, die het WNT iv lading vermeldt met de betekenisomschrijving ‘elk der beide ruimten onder het dek waarin de haring valt bij 'tuitschudden van 'tnet nadat dit over de geestrol is gehaald’ Bron 3) Delling iswellicht een mengvorm van deling en den (ning )Ook buikdenning komt voor (zie WNT ) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 44 vermelding ontbreekt, maar men mag wel oude Katwijkse herkomst aannemen, daar Overdiep voor het moderne Katwijk een vorm laeruim met gelijke betekenis opgeeft De redactie van het WNT heeft zich kennelijk vergist door in laan een samentrekking van lading te zien, maar de vergissing lag inderdaad wel zeer voor de hand gezien het feit dat in het Katwijkse dialect zelf het woord later eveneens is ‘aangepast’ tot laeruim (verg ook de Friese ladingshouten ) Behalve in bedsteden en schepen is er nog een derde toepassing van lanen geweest en wel aan bruggetjes Verdam geeft iv lane uit de Rv Harderw 54 het volgende citaat: ‘Nyemant en sal netten off eenigherhande dinck hangen op die stakette ende lane van den brugge’ en vat lane hierin op als ‘leuning’ Dit lijkt mij bepaald onjuist De constructie van een brug is in wezen dezelfde als die van een onderlaag van een bedstede: in de lengterichting gelegde planken rusten op dwarsbalken In het Gronings heet een brug dan ook nog steeds til, wat oorspronkelijk de benaming moet zijn geweest van zo'n in de lengterichting gelegde brugplank (verg de tielings van de bedstee) De dwarsbalken waarop de planken van de brug rustten zullen dus oorspronkelijk ook lanen hebben geheten en deze lanen vindt men nog in de geciteerde plaats De stakette die daar worden genoemd zijn dan de palen waar de lanen op hun beurt weer op rustten De constructie van stakette en lane onder de brug werd door de Harderwijkse vissers blijkbaar gebruikt om er hun netten te drogen te hangen en dat zal hinderlijk zijn geweest voor de doorvaart De delen (= tillen, tielings )van de brug vindt men genoemd in een keur van Oostzaan uit 1636, die in het WNT iv leen IIgeciteerd wordt: ‘Alsoo onderwijlen dickmael bevonden wert eenige vervallen en reddeloose plaetsen inde Breggen, Soo is't, dat soo wanneer daer eenigh parck soo van leenen ende deelen, ofte onderleggers is komen te vervallen, tot onbequame wegh, den Eygenaer (dat sal moeten herstellen)’ Deze plaats gaat kennelijk over het wegdek van de bruggen, over de planken en onderleggers Helemaal duidelijk is de verhouding tussen de begrippen ‘leenen’, ‘deelen’ en ‘onderleggers’ overigens niet Wanneer deelen een andere naam voor onderleggers is, moet men aannemen, dat de plankeninlengterichting dienden als een onderlaag voor dwarsliggende planken Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 45 Wanneer deelen iets anders is dan onderleggers, zijn er drie mogelijkheden: 1 leenen zijn dwarsplanken, liggende op deelen =lengteplanken, die weer steunen op onderleggers =steunbalken; 2 leenen =deelen =lengteplanken en de onderleggers zijn de steunbalken; 3 leenen =onderleggers en de deelen zijn de lengteplanken die daarop liggen In het laatste geval zouden de leenen en de deelen aan de brug zich op dezelfde wijze verhouden als de loanns en tielns aan de bedstee en de laninge en deylinge aan het grafelijke schip Of inderdaad deze opvatting van de plaats in de Oostzaanse keur de juiste is, wil ik in het midden laten, omdat er allerlei verschuivingen in de betekenissen der woorden kunnen zijn opgetreden Wel meen ik dat men leenen hier niet, met het WNT, moet opvatten als ‘leuningen’, maar dat leen etymologisch identiek is met laan Men mag bij de etymologie van laan en laning nl wel zeker uitgaan van een grondbetekenis ‘steun’ Ofschoon Verdam de Middelnederlandse citaten waarin hij deze woorden aantrof mi verkeerd heeft geinterpreteerd, acht ik zijn gedachte om ze in verband te brengen met de woordgroep waartoe leuning behoort, alleszins aannemelijk Het gebied waarin laan en laning in gebruik zijn of geweest zijn, omvat Groningen, Friesland, Holland, Urk, de Veluwe, Westvlaanderen en verder wordt laan als schipperswoord opgegeven voor de streek aan de benedenloop van de Schelde (Land van Waas, KleinBrabant, Antwerpen) Dit geeft alle aanleiding om laan als een ingweonisme op te vatten (vergelijk het verbreidingsgebied van het voornaamwoord jou, joe, waartoe ook Westvlaanderen, de Veluwe en Urk behoren) In de Scheldestreek zijn wel meer ingweonismen gesignaleerd, die daar door schippers geïmporteerd kunnen zijn Als laan een Ingweoonse vorm is, kan de aa de voortzetting zijn van gm ai Vat men laan op als ontstaan uit gm *hlain ,dan zou het volkomen beantwoorden aan Oudengels hlæ̂n Schuermans vermeldt voor ZuidNederland uitdrukkelijk dat leen ook met een ‘scherplange ee ’wordt uitgesproken, wat wijst op een grondvorm *hlain Dit leen betekent over 'talgemeen ‘leuning’, een betekenis die laan, voorzover ik zie, nooit heeft gehad Toen het Ingweoonse gebied gefrankiseerd werd, werd laan, dat ‘steun, steunbalk, onderlegger’ betekende, dus niet door leen vervangen, maar Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 46 kon zich als zelfstandig woord in de oude vorm handhaven Leen op de hierboven vermelde plaats in de keur van Oostzaan beschouw ik als een late, incidentele ‘frankisering’ in kanselarijtaal, dwz het als dialectisch gevoelde laan werd formeel aangepast aan het uit de schrijftaal bekende leen ‘leuning’, maar behield zijn betekenis ‘plank’ of ‘onderlegger’ De ‘gefrankiseerde’ vorm blijft hier dus door zijn betekenis nog een ingweonisme Het suffix in laning lijkt mij enkel ornamentaal Bij benamingen voor planken of houtconstructies treft men herhaaldelijk een bijvorm met suffix ing aan zonder enig betekenisverschil Ik noem hier Gronings batting naast bat ‘brug’ (het WNT vermeldt badding ‘plaat van Noors dennenhout’ en batting ‘een soort van balken’), glint ‘latwerk’ naast glinting, schut naast schutting, til naast tilling Het uitgangspunt van deze vormingen moet natuurlijk wel een afleiding met ing van een werkwoord zijn geweest, maar in gevallen als de genoemde is het werkwoordelijk element geheel op de achtergrond geraakt of nooit aanwezig geweest In het algemeen zijn laan ‘zijweg’ en laan ‘steun’ wel duidelijk uit elkaar te houden, maar bij oneigenlijke toepassingen kan soms twijfel rijzen Zo vindt men in het WNT bij het eerste artikel laan (= zijweg) de volgende vragende aanmerking: ‘Behoort hierbij de zaansche uitdr hij heeft nog wel een laantje voor: hij heeft nog wel geld achter de hand, hij heeft nog wel een “achterdeurtje”? Hieruit zou dan misschien 't gebruik van laan voor bedrijfskapitaal voortgekomen kunnen zijn’ Boekenoogen zelf, de kenner van het Zaanse dialect bij uitstek, had voor dit laan ‘bedrijfskapitaal’ een andere verklaring gegeven Hij vatte laan nl op als de Ingweoonse vorm van loon en nam voor dit woord in het Noordhollands een bijzondere betekenisontwikkeling aan Behalve dat de veronderstelde betekenisontwikkeling nogal gewrongen is, zou men als bezwaar tegen Boekenoogens verklaring nog kunnen aanvoeren, dat laan een ‘de woord’ is en loon in de regel een ‘het woord’ Maar ik betwijfel helemaal de juistheid van Boekenoogens betekenisomschrijving In de bovengenoemde uitdrukking betekent laantje immers kennelijk ‘sommetje geld waarop iemand steunen kan’ en deze betekenis voel ik ook in het voorbeeld dat Boeken Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 47 oogen geeft: ‘In 'tvoorjaar gaat 'et garnalenvrouwtje bij al der klanten rond en ieder geeft 'er wat; zoo krijgt ze 'en laantje, waarvoor ze der eerste inslag doet’ Het begrip ‘bedrijfskapitaal’ is dunkt mij, veel te technisch, te ‘kapitalistisch’ voor deze dorpssfeer Er zit een vrij sterk gevoelselement in het woord laantje en ik vraag mij dan ook af of men hier niet moet denken aan het beeld van een vloertje of bodempje, waarop men kan staan of steunen Men kan ook denken aan een steunbalk waar een brug of bedstee op rust, en hij heeft nog wel een laantje zou dan betekenen ‘hij heeft nog wel een steuntje, zijn bed of brug zakt niet zo dadelijk in elkaar’ Nog moeilijker is het te beoordelen waar men laan in de betekenis ‘dwarsbalk waarop de kap van een hooiberg rust’ moet onderbrengen Van Dale beschouwt dit blijkbaar als een bijzondere toepassing van de betekenis ‘steunbalk’ Het WNT spreekt zich niet duidelijk uit, want het behandelt het woord in deze betekenis in een afzonderlijk artikel lan, waarin wel wordt verwezen naar Verdam iv lane, maar niet naar het eigen artikel laan II Verdam springt met die lanen van een hooiberg trouwens heel wonderlijk om In het citaat iv lane uit Fruin, Bijdr 9, 22: ‘Houtzagers, die de lanen sneden tot den berge’, vat hij lanen als ‘leuningen’ op, maar bij het citaat iv laen uit Rek d Gr 2, 556: ‘6 barchroeden en 6laen’ geeft hij de commentaar dat ‘laen waarschijnlijk mv van la (lae ),geapocopeerde (sic )vorm van lade, in de bet kist, koffer’ is Over de juiste betekenis van deze Middelnederlandse laen en lanen behoeft men niet te twijfelen, want die is stellig dezelfde als die van lan in het nieuwere Nederlands Het WNT kent dit lan alleen uit Berkhey, dus uit het Zuidhollands van ±1800, maar daarnaast kan men wijzen op Gunnink, die lan een eeuw later voor het Kampereiland vermeldt Ook laan, mv lanen, komt nog heden ten dage voor Van Dale vermeldt deze vorm, maar meer houvast heeft men aan de opgave van Van Doorn, Miland 25: ‘5 of 6lanen (dikke, dwarsliggende balken) vormen het 5 of 6hoekig onderstel van het beweegbare rieten dak of de kap van een hooiberg’ Een grote moeilijkheid is hoe men de Middelnederlandse en modernZuidhollandse lanen formeel moet verbinden met de lannen van Berkhey en Gunnink Ik weet daar geen redenering toe Het WNT wil in lan ‘een bijvorm Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 48 met in samenstelling verdoften klinker’ zien, wat weinig overtuigend klinkt, aangezien al Berkhey's gelegenheidssamenstellingen niet kunnen maskeren dat het woord in de dagelijkse boerenpraktijk in negen van de tien gevallen als simplex gebruikt zal zijn Groter moeilijkheid nog baart evenwel de verhouding tussen lan ‘dwarsbalk onder de kop van de hooiberg’ en lan ‘blok afgestoken hooi’, dat eveneens door Gunnink wordt vermeld met een daarbij aansluitend werkwoord lannen ‘hooi in blokken afsteken’ Ik zie geen kans deze moelijkheden op te lossen en kan enkel op een paar mogelijkheden wijzen Als lan een oude bijvorm van laan is, kan dit laan kwalijk identiek zijn met laan ‘steun’, maar eventueel wel met laan ‘zijweg’ verbonden worden, aangezien dit een Oudgermaanse korte aheeft Probeert men echter de betekenis van lan met die van laan ‘zijweg’ te harmoniseren, dan kan dit alleen via ‘afgepaald gedeelte, perceel, vak’ De lan =balk zou dan eigenlijk de afstand tussen twee roeden zijn, geconcretiseerd in een stuk hout van die lengte Lan =blok hooi levert natuurlijk geen moeilijkheden op, want dat is een vak, een afgegrensd stuk Maar die hele betekenis ‘perceel, vak’ van laan blijft een hypothese De mogelijkheid moet openblijven dat lan een heel ander woord is dan laan en dat het gebruik van laan in de zin van lan berust op een volksetymologische aanpassing (verbindingsbalk =steunbalk, dus lan =laan )Als lan een heel ander woord is dan laan, moet het dan misschien verbonden worden met Duits lanne ?Maar ook hier is de verhouding der betekenissen verre van helder Als positief resultaat van mijn onderzoek beschouw ik wel de vaststelling dat er twee ingweonismen laan zijn geweest die etymologisch niets met elkaar te maken hadden en die ook in een verschillende sfeer lagen: het ene in de sfeer van het land, van de ontginners, het andere in de sfeer van het water, van de vissers en de schippers Djakarta, September 1951 K HEEROMA Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 49 Knoei In NoordHolland komt knoei voor als benaming voor ‘een zeer klein schuitje voor één persoon’ De omschrijving is van Karsten, die trouwens, voor zover ik weet, ook de enige lexicograaf is die het woord ooit heeft opgetekend Hij doet geen poging het te etymologiseren, maar beschouwt het blijkbaar wel als het uitgangspunt van de uitdrukking in de knoei zitten Het laatste lijkt weinig waarschijnlijk, omdat deze uitdrukking ook ver buiten NoordHolland bekend is (oa in de Betuwe, zie het WNT ) en voor het taalgevoel de knoei waarin men kan komen te zitten ten nauwste verbonden is met de knoei die men kan krijgen Het WNT heeft dan ook terecht in de knoei zitten bij knoei =de stam van knoeien behandeld en knoei ‘schuitje’ verbannen naar een ‘aanmerking’ bij dat artikel In die ‘aanmerking’ wordt wel een poging tot etymologiseren gedaan, in deze vorm: ‘Het blijkt niet of het westfriesche knoei voor een zeer klein schuitje voor één persoon hetzelfde woord is; zoo ja, dan moet het aanvankelijk een minachtende benaming zijn geweest’ Dit klinkt weinig overtuigend, want het is niet duidelijk hoe knoei ooit een minachtende aanduiding van een schuitje kan worden De juiste afleiding van het woord kan men vinden, zodra men het artikel kano in het WNT gaat raadplegen Uit de vorm knoo (Daghreg Batavia 1673) blijkt duidelijk dat dit woord in het 17deeeuwse Nederlands, evenals nog steeds in het Engels, werd uitgesproken met het accent op de tweede syllabe en dat de vocaal van de onbetoonde eerste syllabe gesyncopeerd kon worden Daarnaast vindt men uit geschriften van Hollandse zeevaarders uit het eerste kwart van de 17de eeuw herhaaldelijk de vorm canoy opgetekend Uit canoy kon heel gemakkelijk knooi ontstaan en daaruit weer knoei Ook het werkwoord knoeien moet uit een ouder knooien zijn ontstaan, zoals (uit )roeien uit rooien Een andere mogelijkheid is de ontwikkeling van kanoe >knoe tot knoei, met achtergevoegde j, bijvoorbeeld uit een meervoud knoeien nj in het Nederlands? Toen destijds in Ts 64, 44 volg [1946] Heeroma's artikel ‘Naar aanleiding van Grunjer ’verscheen, is het mijn bedoeling geweest enige commentaar op de door schr aldaar verdedigde overgang nd >nj te leveren; door omstandigheden echter is het bij de bedoeling gebleven Waar Heeroma in Ts 69, 263 volg [1952] echter opnieuw aandacht vraagt voor het woord grunjer, dat als hapax bij Van Focquenbroch voorkomt, is dit voor mij de aanleiding geweest, om het artikel van Heinsius in Ts 63, 87 volg [1944] en dat van Heeroma in Ts 64, 44 volg [1946] opnieuw te gaan lezen, en mijn aantekeningen van 1946 voor den dag te halen Zoals Heinsius heeft aangetoond, is A Beets de eerste geweest die in het WNT V, 1176 [1895] de overgang nd >nj heeft aangenomen Deze klankovergang meent Beets te kunnen aantonen in drie woorden, tw bander >banjer, ander >anjer en *grunder >grunjer Heinsius heeft in zijn in 1944 verschenen artikel de door Beets in de genoemde voorbeelden gepostuleerde klankovergang in twijfel getrokken In 1946 echter heeft Heeroma het opgenomen voor de door Heinsius bestreden klankontwikkeling nd >nj De verlegenheidsetymologie van Beets *grunder >grunjer en de ontwikkeling ander >anjer (?) neemt hij daarbij wijselijk niet voor zijn rekening De overgang bander >banjer echter, die hij met het WNT formuleert als een overgang banderheer >banjerheer >banjer, handhaaft hij niet alleen, doch meent dezelfde klankontwikkeling bovendien nog te kunnen aantonen in plunje dat uit plunde, en granje dat uit grande zou zijn ontstaan Panje, dat Heeroma in 1946 zelf al twijfelachtig noemde, kan beter buiten beschouwing blijven, evenals de al direct zeer fantastisch aandoende constructie *granjer (een conjectuur voor Focquenbroch's Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 52 grunjer )bij granter, een constructie trouwens die Heeroma vijf jaar later dan ook ‘gezocht en onhoudbaar’ noemt Op grond van Koljer(t), voor de gelegenheid verklaard als een voor de hand liggende vervorming van kolder, meent Heeroma het recht te hebben zijn ‘klankwet’ ruimer te formuleren, en wel zo, dat ‘niet alleen na nmaar ook na l de dspontaan gepalataliseerd (blijkt) te kunnen worden’ 1)Mi zal men voorzichtig doen om deze uitbreiding van Heeroma's ‘klankwet’ voorlopig met reserve te bejegenen, niet alleen omdat een klankwet die op zo weinig voorbeelden steunt, op de naam van ‘wet’ geen aanspraak kan maken, doch ook omdat de ljverbinding in koljer (II) zich met Heeroma in WNT VII, 5128 [1939] heel wat ongedwongener laat verklaren uit fr collier dan uit kolder Per slot van rekening blijkt het aantal pijlers dat Heeroma's klankovergang nd >nj moet schragen niet groter te zijn dan drie, een aantal dat dus precies even klein (voor een klankwet wel angstwekkend klein) is als dat van de wel bijzonder dubieuze voorbeelden die Beets in 1895 in stelling bracht De vraag of Heeroma's voorbeelden waardevoller zijn dan die van Beets zou ik niet zonder meer durven te beamen Over plunje en granje durf ik me zonder een persoonlijk kritisch onderzoek geen oordeel aan te meten Het voorbeeld dat Kluyver, Beets en Heeroma intussen gemeenschappelijk beheren, tw banderheer >banjerheer lijkt me in elk geval, na de uiteenzetting van Kruyskamp in Ts 64, 51 volg [1946], niettegenstaande Heeroma's commentaar op blz 4546, noot 3, weinig bewijskracht te bezitten Natuurlijk is Heeroma's interpretatie van Trip's baanderheertje als ‘grote meneer, opschepper’, dus identiek met banjer, de juiste en die van Heinsius al te gewrongen Alleen zie ik in Trip's baanderheer ‘banjer, opschepper’ slechts een deftige 18deeeuwse en dus niet eens een ‘geleerde’ etymologiserende schrijfwijze van banjerheer, waarbij het gevoel dat een gesproken jin vele woorden aan een geschreven d beantwoordt (kwaje :kwade )de 1) Ts 64, 47 [1946] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 53 schrijver Trip, en na hem Kluyver ea, parten heeft gespeeld Heeroma's conclusie (Ts 64, 46, noot [1946]): ‘banjerheer betekent hetzelfde als banderheer en wordt in dezelfde tijd, in dezelfde sfeer en in dezelfde syntactische verbinding gebruikt Het is dan wel zeer gekunsteld om ze etymologisch te scheiden’ lijkt me een stoute bewering Dat ze ongefundeerd is wordt direct duidelijk wanneer men de moeite neemt zich te verdiepen in de etymologie van baanderheer Men ziet dan namelijk vrij gauw, dat Kluyver's artikel Baanderheer ,in het WNT II, 815 [1895], zeker niet behoort tot de beste van de vele voortreffelijke woordenboeksartikelen die deze geleerde op zijn actief heeft Van de door Heinsius er tegen ingebrachte bezwaren (Ts 63, 87 [1944]) zal men, dunkt me, dat van de geheel verschillende sferen waartoe baanderheer en banjerheer behoren, zeker niet mogen bagatelliseren, en ook niet verklaren op de manier van Heeroma De etymologie van baanderheer is echter niet in een paar regels af te doen; ik wil trouwens niet vooruitlopen op een aparte studie die ik aan de woorden baanderheer en banjer(heer) wil wijden Indien Heeroma voor de klankovergang nd >nj op zichzelf in het krijt wilde treden, dan had hij zich beter kunnen steunen op materiaal uit de oostelijke (Brabantse en Limburgse) Zuidnederlandse dialecten, waar Grootaers trouwens in H Top Dial 21, 302 [1947] reeds op gewezen heeft 2),in plaats van op een angstwekkend klein aantal, voorlopig nog twijfelachtige NoordNederlandse voorbeelden Blijft mi de door Beets en Heeroma in enkele NoordNederlandse woorden geponeerde klankovergang nd >nj nog problematisch, anders is het gesteld met de tegenovergestelde ontwikkeling nj of gemouilleerde n[ɲ] tot nd, indien niet in de algemene taal, dan toch in sommige dialecten In het ZuidOostvlaams is deze overgang in woorden als kastoonde ‘kastanje’, Spoonde ‘Spanje’ en liende ‘fr ligne’ be 2) Veronderstelt ook de westelijke (HollandsZeeuwsWestvlaamse) velarisering (ŋ) het gemouilleerde tussenstadium dat door Frings, Deutsche Dialektgeographie 5,§195 [1913]; Schrijnen, Isoglossen van Ramisch 46 [1920]; Grootaers en Grauls, Hasseltsch Dialect §215 [1930] voor de BrabantsLimburgsRijnlandse velarisering wordt aangenomen? Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 54 kend 3)Deze overgang is echter in het (westelijk) ZuidOostvlaams geenszins wat Heeroma zou noemen een ‘contraontwikkeling’ van de door hem voorgestane ontwikkeling nd >nj F DE TOLLENAERE 3) Zie ITeirlinck, Klank en Vormleer vh ZuidOostvlaandersch Dialect 85 a[1924] Ook de gemouilleerde l(ḷj)heeft zich inhet ZuidOostvlaams (evenals inhet Gents trouwens), met epenthesis van dinde gemouilleerde verbinding (ldj),naderhand gevolgd door verlies van de mouillering, ontwikkeld tot ld(bv infamielde, vanielde, grielde (fr grille), scho ulde ‘schalie’) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 55 Boekbeoordelingen Virgilius Facsimile van de oudste druk van het Vlaamse Volksboek, ingeleid door Jan Gessler ,met aantekeningen bij de illustratie van de Nederlandse uitgaven door Pr van den W ijngaert Antwerpen, Uitgeverij ‘De Vlijt’, 1950 8o(16 blz) Deze goedverzorgde uitgave van het Volksboek van Vergilius vormt een welkome en waardevolle vermeerdering der literatuur over de Nederlandse Volksboeken Sedert Boekenoogen's Verzameling Volksboeken door de Maatsch d Nederl Letterkunde voor haar Bibliotheek ter uitbreiding van haar verzameling Volksboeken werd aangekocht, kan deze een der belangrijkste op dit gebied genoemd worden Achtereenvolgens bevat bovengenoemde uitgave een bibliographisch overzicht, voorts vier hoofdstukken over de Middeleeuwse Virgilius en de boeken aan hem gewijd, nl IVirgilius in de Middeleeuwen: dichter, meester en leidsman, profeet en tovenaar; II De Volksboeken van Virgilius: De Franse Volksboeken Het Vlaamse Volksboek (16de19de eeuw) Het Engelse Volksboek III Beknopt overzicht van het oudste Volksboek IV Kanttekeningen bij de illustraties van de Vlaamse en Hollandse uitgaven, door Fr van den Wijngaert, waarna de facsimile afdruk van de Londense tekst van het Brits Museum volgt (1525) Het werk van D Comparetti, Virgilo nel medio evo Livorna 1872 en 1896, waarvan een Duitse en een Engelse vertaling het meest aanbeveling verdienen (resp ed van 1875 en 1908) benevens een Amerikaanse (1929), is nog steeds het standaardwerk over dit onderwerp Op blz 13 van bovengenoemd werk wordt de wens uitgesproken naar een volledige lijst der Nederlandse Volksboeken; hiermede stemmen wij gaarne in Een bepaald onvergefelijke fout vinden wij het echter, dat de drukken van 1720 en van c 1810 van Virgilius uit de Verz Boekenoogen, die men vermeld vindt in mijn Catalogus der Verz Boekenoogen, Leiden 1932, niet genoemd zijn AA VAN RIJNBACH Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 56 Jan Pertcheval's den Camp vander Doot, met inleiding, aantekeningen en glossarium uitg door Dr Gilbert Degroote en een toelichting bij de houtsneden door AJJ Delen (De Seven Sinjoren, Antwerpen Stichting ‘Onze Oude Letteren’, Amsterdam, MCMXXXXVIII) Huizinga's Herfsttij der Middeleeuwen, dat aanvankelijk bestemd was te heten ‘De eeuw van Bourgondië’ en dan ook voornamelijk de Bourgondische samenleving als een eenheid wilde tekenen, heeft in ons land niet die onmiddellijke opleving der belangstelling voor de FransBourgondische letteren gaande gemaakt, die men op grond van het enorme succes van dit boek had mogen verwachten Hoe is dit te verklaren? Meende men na G Doutrepont's La littérature française àla cour des ducs de Bourgogne (Paris, 1909) geen nieuwe bronnen meer te kunnen aanboren? En had Huizinga voor zijn Herfsttij de bekende schrijvers al volledig uitgehoord, zodat men mocht aannemen geen cultuurhistorisch belangrijk nieuws meer bij hen te zullen vinden? Of was het door Huizinga getekende cultuurbeeld van de stervende middeleeuwen zo weinig aantrekkelijk, dat men na deze eerste grondige kennismaking er gelijk genoeg van had? Niettemin kwam Champion na zijn tweedelige monografie over François Villon, waarvan Huizinga nog kennis had kunnen nemen, met de Histoire poétique du quinzième siècle in 1923 de litteraire gegevens nog belangrijk aanvullen en Cartellieri met zijn Am Hofe der Herzoge von Burgund (1926) het cultuurbeeld verdiepen, wat dan nu onlangs nog is verscherpt door Jeanne Marix' Histoire de la musique et des musiciens de la cour de Bourgogne sous Philippe le Bon (Strasbourg 1939, lees 1946) Maar onze landgenoten werden door deze werken niet wakker geschud De ware belangstelling voor de Bourgondische letteren en, naar ik meen, voor de BourgondischNederlandse beschaving in het algemeen, bleef sluimeren tot de jaren dertig Onze tijd staat eigenlijk eerst recht in het teken van de herleefde belangstelling voor het Herfsttij der Middeleeuwen Voor ons land denk ik aan de studie van de letterkundige werkzaamheid der Moderne Devotie, van het stichtelijk en Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 57 moraliserend proza in het algemeen, van de volksboeken, van de lyrische en dramatische productie der Rederijkers, en dan ook in verband daarmee van de BourgondischNederlandse literatuur Onder de jongeren, wier belangstelling inzonderheid naar deze literatuur uitgaat, is Dr Degroote een actieve figuur Zijn proefschrift gewijd aan de Brusselse rederijker Jan van den Dale, gaf er al dadelijk het bewijs van Sindsdien publiceerde hij nog een gedicht van een andere Brusselse rederijker, Jan Smeken, namelijk diens beschrijving van een Guldenvliesfeest, een typisch Bourgondisch rijmwerk, en schreef hij een studie over het gedicht Van drie blinden dansen, een vertaling van Pierre Michault's La Danse aux Aveugles 1)Daarmee was hij reeds in de sfeer gekomen van de FransBourgondische letteren En deze sfeer heeft hem blijkbaar zo bekoord, dat hij het heeft gewaagd wellicht als pendant of in navolging van Paul de Keyser's uitgave van Colijn Caillieu's vertaling van Amé de Montgesoie's Pas de la Mort de reproductie van Jan Pertcheval's verdietsing van Olivier de la Marche's Le chevalier délibéré in de Schiedamse postincunabel van 1503 voor ‘De Seven Sinjoren’ en ‘Onze Oude Letteren’ van een inleiding en ophelderende aantekeningen te voorzien Zoals indertijd mogelijk ook Caillieu zelf Jan Pertcheval heeft geïnspireerd of gestimuleerd tot zijn vertaling, indien tenminste Olivier de la Marche zijn werk niet zelf in handschrift aan Jan Pertcheval ter lezing heeft gegeven Beide werken, Le Pas de la Mort en Le Chevalier Délibéré, lijken trouwens veel op elkaar In beide wordt het sterven voorgesteld als een steekspel tegen de Dood Het lag daarom voor de hand, dat Dr Degroote de twee moralisaties met elkaar ging vergelijken In zijn Inleiding deelt hij ons het resultaat daarvan mee en geeft hij als zijn eindindruk, dat Le Pas de la Mort wellicht aan Olivier de la Marche het ontwerp van zijn poëem heeft gesuggereerd, dat hij dan op een hem eigen en uitvoerige manier heeft ontwikkeld Verdergaande ver 1) InDen Gulden Passer van 1942, bl 261 ev Dr WJ Schuyt, die in1946 promoveerde op een vertaling van Michault's Doctrinal du temps présent, wijdt ook een aantal bladzijden aan dit gedicht, zonder evenwel Degroote's artikel tekennen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 58 gelijkt Degroote dan nog Le chevalier délibéré met Pierre Michault's La Danse aux Aveugles, gebouwd op het dansmotief (tw de geluks, de liefde en de dodendans, met het accent op de laatste) dat dáárom niet ouder behoeft te zijn dan Le Pas de la Mort, evenals Le Chevalier délibéré gebouwd op het thema van de pas d'armes! en acht hij het waarschijnlijk, dat Olivier de la Marche ook La Danse gekend heeft Strikt genomen had Dr Degroote het vergelijkend motievenonderzoek als we dit grote woord hier mogen gebruiken, want schrijvers schets bepaalt zich daarvoor te uitsluitend tot de grote lijnen hierbij kunnen laten Maar hij heeft het wenselijk geacht nog verder te gaan en een aantal werken, die invloed kunnen hebben uitgeoefend of ondergaan, mede in het onderzoek te betrekken 2)Voor de Nederlandse auteurs had hij daarbij enige steun in JF Vanderheyden's Het thema en de uitbeelding van den Dood ;voor de Franse had hij zijn voordeel kunnen doen met ISiciliano's François Villon et les thèmes poétiques du Moyen Age (Paris 1934) Want indien Degroote's doel een vergelijkend motievenonderzoek is geweest en men zou dit wel denken, want waarom zou hij er anders werken bijgehaald hebben, die alleen een verwant thema behandelen zonder enig ander verband dan zou hij met vrucht een veel groter aantal werken in het onderzoek hebben kunnen betrekken Het lijkt mij een aantrekkelijke taak het thema van de dood, of desnoods alleen de ars moriendi van de late middeleeuwen, te vergelijken met die van het opkomende Humanisme en zo tot beter begrip van elk van beide te komen In Le Chevalier Délibéré, dat Huizinga blijkbaar niet kende, hebben we dan een typische ridderlijke ‘sterfconste’ en daarom alleen reeds moet elke cultuurhistoricus deze uitgave welkom heten Voor de tijdgenoot bezat het bovendien nog een bijzondere actualiteit, omdat de bedoeling van het gedicht eigenlijk was een indrukwekkend Bourgondisch in memoriam der Bourgondische hertogen, een elegie op de tragedie van deze dynastie De belangstelling der Neerlandici voor de dichter van Le Chevalier délibéré, Olivier de la Marche, is in ons land, zoveel ik weet, het eerst 2) Voor de afhankelijkheid van Houwaert's Den vreeselijcken Camp der Doot van Pertcheval moge ikverwijzen naar mijn artikel inde N Tg van 1951, bl 284 ev Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 59 gewekt door een opstel van J Vanderheyden in de 51ste jaargang van dit tijdschrift en op de vertaler, Jan Steemaer alias Pertcheval, is pas voor goed de aandacht gevestigd door Prof De Keyser in de 53ste jaargang van hetzelfde tijdschrift en door Willem van Eeghem in zijn Rhetores Bruxellenses Thans heeft Degroote op beiden het volle licht doen vallen Of zij dit verdienden? Men kan het nauwelijks geloven, maar Le Chevalier Délibéré is een werk, dat in de 16de eeuw zeer veel gelezen werd Daarvan getuigen de 17 handschriften en de 19 verschillende uitgaven tussen de jaren 1488 en 1591 Behalve een Engelse en twee Spaanse bewerkingen, hebben er tenminste twee Nederlandse vertalingen bestaan Van de tweede, ca 1508 bij Jan Seversz te Leiden gedrukt, bleef slechts een fragment van 15 bladen bewaard, dwz tot 11 Augustus 1944, want toen ging het in de GemeenteBibliotheek te Douai bij een bombardement verloren Van de vertaler, Pieter Willemsz, is vrijwel niets bekend Zoals men kan zien aan de 26 strofen door Dr ME Kronenberg in Ts 69, [1951], 169 volg gepubliceerd, wijkt zijn vertaling sterk af van die van Pertcheval, die in 1493 werd voltooid, doch eerst in 1503 te Schiedam is gedrukt De geleerde bibliografe heeft tevens bewezen, dat Steemaer's overzetting wel degelijk volledig is geweest; de zaak is, dat er van het Hamburgse het enige bekende exemplaar van de postincunabel een blad verloren is gegaan, waardoor er thans zes strofen ontbreken Zijn dus onze indrukken reeds gemengd, wanneer we Degroote's uitgave van de litterairhistorische en bibliografische kant bezien, bepaald ongunstig worden ze bij een taalkundig en filologisch geïnteresseerde beschouwing Allereerst vraagt men zich met enige verbazing af, of een uitgever naar eigen verkiezing het gewenste onderzoek naar de vormeigenaardigheden, naar de taal en de vertaaltechniek achterwege mag laten Ik kan mij echter voorstellen, dat een criticus in een dergelijk geval toegevend zou kunnen zijn, wanneer hij merkt, dat de uitgever zich met des te meer ijver op het verklarende apparaat en het glossarium heeft geworpen Schijnbaar is dat hier het geval Een woordenlijst van 44 bladzijden maakt een imposante indruk Bij nader toezien blijkt hij echter zo onoordeelkundig te zijn samengesteld, dat men er nauwelijks meer een goed woord voor over kan hebben Allereerst schat Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 60 ik het aantal overbodige woorden op ¾ of meer; indien men immers niet de bedoeling heeft de volledige copia verborum te geven, is het zinloos woorden op te nemen, waarvan de betekenis niet noemenswaard afwijkt van de moderne Ook het alfabet deugt niet De c=kvindt men zonder enig systeem op twee plaatsen behandeld (onder de C en de K);een woord als sacke staat onder sake :woorden met een proclitisch lidwoord vindt men onder dit lidwoord (zo bijv doverlijt en dwye onder de D, ipv resp onder de O en de W );soms is een woord tweemaal opgenomen en dan verschillend verklaard (zie bijv Vrou en Temperance )Van werkwoorden wordt nu eens de vorm van de infinitief dan weer van het voltooid deelwoord gegeven, soms ook beide; een enkele maal krijgen we zelfs het werkwoord in vervoegde vorm (bijv vermeerden, r1074) Herhaaldelijk deugt ook de weergave in formeel opzicht niet (ik geef één kras voorbeeld uit de aantekening bij r1502: ‘Hem seluen verweerlijc sijn’ =hij verdedigde zichzelf ditmaal niet zoo goed) Kennelijke drukfouten zijn vaak als zodanig niet herkend; ik noteerde oa Fantsoen (r 1724, 2459, 2588) lees Fautsoen ;Iongelijc (r 171) lees Iongelijnc (het afkortingsstreepje boven de ij is vergeten); Ontsemeger (r 1904) lees Ontfermeger ?Sruplus (r 547) lees Scruplus (vg Mnl W op Schrupel );Ververmen (r 1311) lees Verwermen ;van Uzeren (met ʒ=z) maakt Degroote Ugeren Dan zijn er nog de hinderlijke slordigheden (Benouwen bijv staat onder Bevouwen (r 204), Vlyen onder Vleyen (r 2402) De uitgever beloofde alle woorden, die in het Mnl W ontbreken, een *te zullen geven; maar hoeveel ik er tegen ben gekomen zonder *, die niettemin bij Verdam niet te vinden waren, weet ik niet Wel heeft de uitgever trouw met die *verwezen naar zijn aantekeningen, maar dat had hij in verreweg de meeste gevallen beter kunnen nalaten, want als die aantekeningen niets meer geven dan wat er al in het glossarium staat, is zo'n verwijzing slechts hinderlijk Tenslotte om aan de klachtenlijst in zake de formele tekorten een eind te maken nog dit: de uitgever laat herhaaldelijk na een gegeven verklaring te verantwoorden; hoe weet hij bijv, dat Dnatste blad = erfgenaam, of dat instancie =bedoeling? Ook in materieel opzicht laat het Glossarium zeer veel te wensen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 61 Terwille van het verdere onderzoek lijkt het mij gewenst de voornaamste misvattingen hier alfabetisch te laten volgen 3): Accident (pass): toeval, inz ongelukkig toeval (zie Dal sonder Wederkeren 84, 145, enz, WNT, Suppl iv, bet 2); als personificatie tegenover Antique (Ouderdom) krijgt Accident de betekenis van gewelddaad; Avijsheit (r 1035): raad (nae hoort dus niet bij avijsheit, maar bij Vraecht ); Bekent ,in De meeste (r 1937): de hoogste geacht; Bekin (r 942): erkenning; Beclassen (r 765): vermorsen, verknoeien (een betekenis die afgeleid is van: bezoedelen, enz in WNT II, 15934); Belaeyen (r 195): verlangend (zie WNT op Beladen sub 9, f,β); Berijt (r 268): macht, beschikking (zie WNT iv); Besaempt (r 310) lees Befaempt ; Besoeven (r 547): helpen of onderrichten (een variant of afleiding van de bet bezorgen, verschaffen in MnlW en WNT );Degroote is blijkbaar misleid door de bet van dit werkwoord bij Jan van den Dale; Bestierheit (r 1996): macht, heerschappij (zie MnlW, waar de verwante betekenis: leiding, bestuur); Braeckmaert (r 449): ontlening uit ofr braquemart ‘epée courte et large àdeux tranchants’ (Godefroy); Brassen (r 2179): verrichten, aanrichten, uithalen (zie WNT op Brassen (II), 3), doorgaans ongunstig); Dangier (r 2036): leed, druk (zie WNT iv, bet 1); Declareren (r 692): zeggen (een generalisering of verzwakking van de bet: uitleggen in WNT iv, sub A, 3); Devoor in Sijn doen (r 2569): zijn best doen, doen wat men kan (zie WNT iv, sub 2); 3) De foutieve vertalingen van Degroote herhaal ikniet Ikneem aan, dat men zijn uitgave bij de hand heeft; ikverwijs dus alleen naar de vindplaats en geef onmiddellijk daarachter de betekenis, die mij juister toeschijnt Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 62 Doctrine (r 1165): kennis, ontwikkeling (zie LMv Dis, Reformat Rederijkerssp, Gloss iv, met verwijzing naar het spel van Brugghe r6); Eerbaerheyt (r 312), Eerbare (r 466): resp edelheid en achtenswaardige (de gangbare oudere betekenis); Ghebras (r 502): gemene, stiekeme daad (zie WNT op Brassen (II), bet 3); evenals in r1859 eig: brouwsel, maar hier gunstig, in r502 ongunstig; Gediffameert (r 1927): onteerd (zie Colijn van Rijssele Spiegel der Minnen r2379, 2789); Ghestadich (r 232): standvastig (ghestadich houwen standvastig doen zijn, tw in mijn voornemen); Gestaect in sijn (r 33): er aan toe zijn, gesteld zijn (met), eig: vastgesteld, bepaald zijn (zie MnlW 7, 1906); Gestuct (r 542): uit stukken bestaande (zie WNT op Stukken (II); Griffien (r 386): schrijfstift, ‘stilus’ (het gaat over Caesar's dood!); Hemelijck (r 1959): heimelijk, verborgen; Infect (r 916): giftig, schadelijk (zie A Bijns 147, 460); idem (r 1419): bedorven, verpest (zie A Bijns 349, 411); Influencie (r 1918): grillige, onberekenbare wil (zie WNT iv, bet 3) en verg Dal sonder wederkeren 302: ‘Nero vol quader influencie’, vertaald uit ofr ‘plain d'oultraige’); Caduyc (r 589): in slechte conditie (zie WNT op Caduc ); Lynaedge (r 509): geslacht, stam (zie Van Dis aw, Gloss op Linagie )en dan: soortgenoten; Naectelijc (r 1933): openlijk; Nacie (r 123, 1636): natuur, aanleg, aard, soort (zie A Bijns Nieuwe Ref 83, e, 15, Spiegel der Minnen 1192, Castelein Const v Reth 159); Nettelijc (r 170): op nette, keurige wijze; Ontgroten (r 478): te groot, te zwaar, te veel zijn (zie MnlW iv); Overblijf (r 224), evenals in r2351: wat overblijft; Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 63 Practijcke (r 1189): truc, knoeierij, bedriegerij (zie WNT iv, bet IV, 2); Pranghen (r 516): moeilijkheid, benauwdheid (een fig toepassing van MnlW iv, bet I,zie WNT iv, bet A, III); Presentatie (r 2460): Presentatie (tw van Maria in de tempel) ‘allet doen’ is dan: haar verder leven; Ramot (r 1695): ontlening uit ofr remout, remoute (tumult); Reste nemen op enen (r 1471): op iemand gaan rusten (ic zwak, ziek worden); Ringelen (r 872): toetakelen, kwellen, plagen (zie WNT op Ringelen (III), bet I,A, 2); Tanteleren (r 1700): ontlening uit ofr denteler (knagen); Tinden (r 41) =Tenden :aan zijn eind; Veriubileren (r 885): zich verheugen (zie Eerste Bliscap r1857, Gentse Sp (uitg Erné en Van Dis) bl 155); Verwaten (r 1293) Hoe komt de uitgever aan dit werkwoord? In de tekst staat verwantene overwon hem; Verweert (r 660): boos, ontstemd (zie MnlW op Verwert ;de uitgever heeft blijkbaar de eerste de beste betekenis van Verweert (ald) genomen; Verworgen (r 519): sterven (zie Mnl W iv, sub IIde aanhaling uit Vad Mus 2, 407 en vg A Bijns 154, Trudo 3513); Vouwe in In menigerley (r 568): in menig opzicht (zie MnlW iv Voude, bet 1) en 2) Vreemd en onbehagelijk klinken voor mijn oor woorden als ‘betekenisvol’, ‘volksgeliefde’ (adj), ‘zelfzeker’ Meer eenheid ware voorts gewenst in de wijze van citeren (nu eens schrijft Degroote ‘Cfr’, dan weer ‘Vgl’, nu eens ‘Tijdschr 1932', dan weer Tijdschr LIII’) Op bl IX, noot 2wordt aangehaald ‘Kalff, Gesch’, enz, welk deel? En waarom citeert de uitgever het Adieulied van Vrou Maria van Bourgoengien uit een bloemlezing van Marnix Gijsen? Le Chevalier Délibéré van Olivier de la Marche is niet alleen misschien zelfs niet in de eerste plaats van belang voor de tekst, maar vooral ook om de uiterst merkwaardige reeks van houtsneden, waarmede het origineel en de vertaling is verlucht Daarover wordt de Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 64 lezer zeer conscientieus ingelicht door de heer AJJ Delen, die er trouwens reeds jaren geleden in Het Boek een artikel aan had gewijd, later opgenomen in zijn Oude Vlaamsche Graphiek Deze deskundige medewerker heeft zich niet willen beperken tot een uitvoerige beschrijving van elk van deze houtsneden afzonderlijk Hij laat daaraan voorafgaan een beknopt overzicht van de geschiedenis der (Nederlandse) houtsneden, om aldus het werk van de onbekende illustrator, als opmerkelijk nieuw en fris in het gewenste licht te kunnen plaatsen Op deugdelijke gronden neemt hij stelling tegen de hypothese van Conway als zou Godevaert van Boloen, en van Schretlen als zou Jacob Cornelisz van Oostsanen de verluchter zijn geweest Zelf komt hij tot de zeer interessante localisering van onze graveur te Schiedam en meent hij hem nog de houtgravures in verscheiden incunabeltjes van omstreeks de eeuwwisseling te mogen toeschrijven Om dan te besluiten met de curieuze latere lotgevallen van de gravures van Den Camp vander Doot JJ MAK Dr Luc Debaene, De Nederlandse Volksboeken Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse Prozaromans, gedrukt tussen 1475 en 1550 Antwerpen, Uitgeverij De Vlijt NV ,1951 Over de volksboeken is ook ten onzent reeds heel wat geschreven, maar een bevredigende synthese van de zeer verspreide afzonderlijke studies en gegevens ontb ak Het boekje van Van den Bergh (1837), voor zijn tijd niet onverdienstelijk, is natuurlijk geheel verouderd, en het werk van Schotel (1873'74) bevredigt nog minder door zijn volstrekt gebrek aan methode en begrenzing De bekende studie van Boekenoogen (1905) is niet meer dan een aanloop gebleven, en de werken van Van Heurck zijn in hoofdzaak bibliografisch van opzet Dr Debaene heeft nu een poging gedaan tot een breed opgezette samenvatting, maar toch nog met zekere beperkingen, zoals uit de ondertitel blijkt ‘Het begrip “volksboeken” is te ruim om geheel in één studie te worden behandeld’, zegt hij in zijn ‘Verantwoording’, en aan het eind: ‘Deze studie is een eindpunt en een vertrekpunt Alles is over de prozaromans niet gezegd Alleszins zouden we ge Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 65 lukkig zijn in de erkenning dat ons werk een veilige basis en gids kan zijn voor allen die na ons het onderwerp willen aanvatten’ Dit laatste kan men zeker beamen Dr Debaene heeft in zijn omvangrijk werk met bewonderenswaardige vlijt alles bijeengebracht wat er over de ter sprake komende werken te vinden was, en de vele illustraties (hoofdzakelijk reproducties van titelpagina's) verhogen de waarde er van nog aanmerkelijk Toch geldt ook voor dit werk het geijkte ‘dankbaar maar niet voldaan’ Voor zover het een zorgvuldige compilatie is, kunnen we dankbaar zijn, maar tegen de indelingen en definities van de auteur hebben we wel enige bezwaren Het boek is verdeeld in twee delen, voorafgegaan door een inleiding; het eerste, met drie bijlagen, behandelt de afzonderlijke prozaromans (‘bibliographie, analyse, bronnen, eigenaardigheden’), het tweede geeft een ‘litterairhistorische studie’ over het genre De hoofdschotel, ook volgens de auteur (p 352) ‘het belangrijkste element van onze studie’ is de uitvoerige bespreking van 27 verschillende ‘prozaromans’ in Deel I,waarvan de eerste druk stellig vóór 1541 verschenen is Zij worden in alphabetische volgorde behandeld en van elk wordt gegeven een titelbeschrijving van de oudst bekende druk, vermelding van moderne tekstuitgaven 1),verdere literatuur, analyse van de inhoud, herkomst van de tekst en eigenaardigheden daarvan en een korte aanduiding van de ‘verdere drukken en lotgevallen tot 1600’ Bijlage Izegt iets over verloren gegane volksboeken, bijlage IIgeeft een korte bespreking van 25 prozaromans die waarschijnlijk na 1540 verschenen zijn, en in bijlage III worden zeer beknopt besproken ‘andere volksboeken in incunabel en postincunabelperiode’ Het laatste is, zoals de schrijver op p 240 zegt, geschied om ‘de verwijten te voorkomen dat we het een of ander populair geschrift niet bij de prozaromans hebben gerekend’ Deze formulering duidt al op de moeilijkheid waarvoor hij is komen te staan, en die hij in zijn inleiding uiteenzet, een moeilijk 1) Daar schr ook facsimileuitgaven zo veel mogelijk vermeldt, mogen wij ermisschien op wijzen dat er ook facsimile's bestaan van Floris en Blancefleur en van Reynaert, in1895 door Enschedé uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘OudHolland’ Dit zijn evenwel geen reproducties van de oudste ,maar van latere uitgaven Maar het zijn, voor zover mij bekend, de eerste fascimileuitgaven van volksboeken die inNederland verschenen zijn Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 66 heid waarop onvermijdelijk ieder stuit die zich met deze stof bezighoudt: nl die van een bevredigende definitie van het begrip volksboek, en van de afbakening van de te behandelen stof De oudere schrijvers vatten het begrip ‘volksboek’ meestal zeer ruim op en rekenden er niet alleen verhalende werkjes toe, maar ook allerlei populaire geschriften op het gebied van genees en weerkunde, almanakken, stichtelijke lectuur, schoolboeken, enz Later is men onderscheid gaan maken tussen volksboeken in ruimere en in engere zin; en wat men onder deze laatste te verstaan heeft, weet iedere beoefenaar der literatuurgeschiedenis wel ongeveer, al zou het hem niet gemakkelijk vallen een afgeronde definitie te geven Het meest bevredigend lijkt ons nog die welke Dr Debaene aanhaalt uit HeitzRitter, nl ‘die sogenannten Historienbücher, dh die volkstümlichen, meist prosaischen Bearbeitungen mittelalterlichen Romane und Novellenstoffe, die fast immer ohne Nennung des Verfassers, als Unterhaltungsliteratur verbreitet wurden’ Essentieel is oi dan nog dat zij ook geruime tijd (enige eeuwen) tot de lectuur van het volk zijn blijven behoren Dr Debaene geeft nu eerst (p 21/22) een ruim honderd titels tellende lijst van ‘werken die misschien in aanmerking zouden kunnen komen om als volksboek in engere zin aangezien te worden’ Dat hij hierbij bv ook Elckerlyck en Mariken van Nieumeghen vermeldt, lijkt ons onjuist: dit zijn oorspronkelijke, primaire litteraire werken, terwijl het kenmerkende van de volksboeken juist is dat er oudere werken in geadapteerd worden 2)Maar Dr Debaene wil zijn stof nog nauwer beperken en meent dat de term prozaroman het meest geschikt is ter aanduiding van het ‘volksboek in engste zin’ Nu is dit woord prozaroman zeker bruikbaar als aanduiding van een zeer bepaalde categorie van litteraire werken, maar de wijze waarop Dr Debaene deze term definieert en hanteert kan oi slechts strekken tot vergroting van de verwarring die er op het gebied van de volksboeken al heerst Prozaroman kan immers uit den aard der zaak niet anders betekenen dan roman, en in dit verband bepaaldelijk ridderroman, in proza; dus: 2) Hetzelfde geldt voor het opnemen van Den Camp vander Doot inbijlage III(volksboeken in ruimere zin): dit kan men ingeen geval en onder geen aspect een volksboek noemen; het behoort tot de hogere literatuur van de tijd Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 67 prozabewerking van een ridderroman; het is het aequivalent van het Franse ‘mise en prose’ of ‘dérimage’, zoals die zo voortreffelijk behandeld zijn in Doutrepont's Mises en prose des Épopées et des Romans chevaleresques (1939), een werk waarvan ook Dr Debaene veel gebruik heeft gemaakt En inderdaad zijn ook de meeste van onze echte volksboeken dergelijke prozaromans Maar deze term ook te bezigen voor de Historie vanden Pastoor te Kalenberghe, de Historie van broeder Russche, Ulenspieghel, Virgilius en de Seven Wijse Mannen van Romen, lijkt ons volstrekt misplaatst Dit zijn novellen en anecdotenverzamelingen, maar geen romans De prozaromans, samen met deze novellen en verhalen, vormen de categorie der echte volksboeken Een ander bezwaar geldt het criterium van het fictieve, waaraan Dr Debaene vasthoudt bij zijn indeling in volksboeken in engere en in ruimere zin, en waardoor hij bv de Historie vander Destrucy van Troyen, zeker een der populairste volksboeken, niet daartoe rekent, ‘omdat het ook voor een deel connecties heeft met Guido de Columna's Historien van Troyen dat naar middeleeuwse opvatting nog hoofdzakelijk als een historisch werk mag aangezien worden’ (p 310) Voor de schrijvers en zeer stellig voor de lezers van de volksboeken gold dat criterium zeker niet Integendeel, men hechtte juist veel waarde aan dat ‘historische’ Voor de lezers bestond er, wat hun geloof in de authenticiteit van het verhaalde betrof, zeker geen verschil tussen bv de Strijt van Roncevale en de verhalen over Troje en Jeruzalem Dr Debaene zelf zegt (p 337): ‘Men is zeer bekommerd de histories als waar en echt gebeurd voor te stellen’ en illustreert dit met de vele verwijzingen naar de ‘oude chronijcken’, met het vermelden van data In beginsel bespreekt schrijver alleen volksboeken die stellig niet na 1540 ontstaan zijn, en inderdaad is dit wel ongeveer het eind van de ontstaansperiode Maar het is toch jammer dat daardoor bv een werk als Valentijn en Ourson, een der meest geliefde en langst gelezen volksboeken, met een zo korte notitie afgedaan wordt De oudst bekende druk hiervan is van 1640, maar daar het vertaald is naar de Franse roman waarvan de oudst bewaarde druk in 1489 verscheen, is het Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 68 toch wel zeer waarschijnlijk dat de Nederlandse bewerking nog in de postincunabelperiode valt In het tweede gedeelte, de ‘litterairhistorische studie’ over de volksboeken, wordt veel aangeroerd en er is veel materiaal in verwerkt, maar heel veel lijn zit er niet in; het maakt een nogal rommelige indruk De schrijver ziet wel waar de problemen liggen, maar tot een overzichtelijke nadere behandeling komt hij zelden (bv wat betreft het ontstaan van het genre, na zijn zeer juiste opmerking dat we ‘moeilijk (kunnen) zeggen dat vóór 1500 het genre zich heeft losgemaakt uit het geheel van de profane literatuur’, p 306) Waar hij over de schrijvers spreekt, geeft hij toe dat we, ten aanzien van een door hem geopperd auteurschap van Anna Bijns voor enige volksboeken ‘op zeer wankel terrein’ staan Zijn voorzichtigheid voert hem ook wel eens tot formuleringen die sterk aan de ‘vérités de M de La Palisse’ doen denken; bv waar hij op p 306 zegt: ‘Aldus zijn de eerste uitgevers zelf, zo ze al niet de bewerkers zijn, naar onze mening in ieder geval als de promotors van het genre te aanzien’, of, op p 347, dat uit de aankondiging dat iets gaat volgen ‘in schonen dichte’ ‘alleszins de bedoeling der auteurs (schijnt) te blijken er hun litterair werk mede te verfraaien’ Ten aanzien van het betrekkelijk snelle verval van de volksboeken tot lectuur voor de onontwikkelden, het volk in engere zin, meent schr (p 321) dat ‘de ontwikkeling wordt bepaald door de reacties van de meer ontwikkelden en van de kerkelijke instanties’ Maar toch vooral door het ontstaan van een nieuwe literatuur met de Renaissance, een literatuur die door haar hele formatie boven het bereik van de massa kwam te liggen Anderzijds bepaalde juist het ontstaan van deze nieuwe literatuur die alleen door gecultiveerden te waarderen was, het voortbestaan van de volksboeken voor de ongeleerden, die toch behoefte aan lectuur hadden De Renaissance heeft die scheiding teweeggebracht tussen ‘literatuur’ in pregnante zin en lectuur, die nog heden bestaat Wat schr meedeelt over de omwerking van sommige prozaromans tot historieliederen (p 325), is wel erg schraal Op p 340 vg tracht hij, onder de titel ‘De atmosfeer der prozaromans’, ook de nuances aan te geven waardoor deze navertellingen van hun origineel verschillen, maar veel van wat hij van de volksboeken zegt geldt toch evenzeer Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 69 voor de oorspronkelijke romans, oa dat de ridders enerzijds worden voorgesteld als voorvechters van het geloof, maar anderzijds ‘in hun privaat leven meestal zedelijk laag staan’ en veel erotische avonturen beleven In de middeleeuwen zag men dit nu eenmaal onder een ander aspect Deze enkele bezwaren nemen niet weg dat wij voor het werk van Dr Debaene dankbaar kunnen zijn Het bevat een schat van gegevens waar elke verdere onderzoeker op dit terrein zijn voordeel mee zal kunnen doen Typografisch is het boek uitstekend verzorgd Jan '52 C KRUYSKAMP Het Tessels inleiding, vocabulaire en teksten door Dr S Keyser Bovengenoemd boek verscheen bij Brill te Leiden als tweede deel van de ‘Nieuwe Noord en ZuidNederlandse Dialectbibliotheek’, die onder leiding staat van de bekende dialectologen Grootaers en Kloeke Dit kader en de titel zouden eigenlijk een boek van ander karakter doen verwachten, dan ons hier wordt geboden Een streng wetenschappelijke uitgave is het zeker niet Ook levert het geen taalkundige beschrijving van ‘Het Tessels’ maar slechts een alphabetisch geschikte verzameling van woorden uit het dialect van ‘het oude land, de zg Dertig Gemeenschappelijke Polders, waartoe de kern van het eiland behoort’ De schrijver die, als ik mij niet vergis, gepromoveerd is in de romaanse taal en letterkunde, blijkt op het gebied dat hij hier betreedt, in taalkundigen zin geen deskundige te zijn Wel is hij Tesselaar van geboorte en heeft hij met grote liefde en aandacht voor zijn jeugdtaal, geholpen door familieleden en streekgenoten, veel en belangwekkend materiaal bijeengebracht: het woordenboek omvat ongeveer 200 grote tweekolommige bladzijden Zonder twijfel zal dit boek dan ook, zoals de schrijver hoopt ‘de taalkundigen van nut kunnen zijn’ Maar die taalkundigen zullen het tegelijkertijd betreuren dat Dr Keyser, die toch als romanist in het algemeen wel weet wat taalkunde en dialectologie betekenen, zich in de 16 jaren dat hij met deze woordverzameling bezig is geweest, niet meer vertrouwd heeft Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 70 gemaakt met den stand van het Nederlandse dialectonderzoek en de eisen die men in dat opzicht is gaan stellen, of dat hij zich bij de verwerking van zijn materiaal niet met een geschoolden dialectoloog geassocieerd heeft Dan had zijn ‘inleiding’ heel wat doeltreffender kunnen zijn of liever vervangen kunnen worden door een deskundige beschrijving van de Tesselse taal en woordvoorraad De taal van een zo afgeronde en ten dele afgesloten gemeenschap met karakteristieke takken van bedrijf, moet wel een aantrekkelijk object zijn voor een historisch en sociaal gericht onderzoek, vooral als de onderzoeker in die gemeenschap zelf geboren en getogen is De heer Keyser heeft het belang van een dergelijk onderzoek ook wel min of meer aangevoeld Dat blijkt op blz 6/7 van zijn inleiding, als hij overweegt welke rubrieken van woorden (minder juist is in dit verband zijn gebruik van den syntactischen term ‘woordgroepen’) ‘recht zouden hebben op een systematische behandeling’ om daardoor het Tessels te ‘onderscheiden van de andere Nederlandse dialecten’ De redenering die hij hierover opzet leidt echter, noodzakelijker wijze, tot een armoedig resultaat dat beslist een foutieve voorstelling van zaken geeft en dat mogelijk de oorzaak is dat hij dit onderzoek zelf niet heeft aangepakt Hij veronderstelde aanvankelijk dat slechts twee rubrieken van woorden in aanmerking kwamen, nl die betrekking hebben op de twee eeuwenoude takken van bedrijf op Tessel: schapenfokkerij en visserij Het vocabulaire van ‘bakkers, slagers, loodgieters, smeden, wagenmakers enz’ nl zouden hem geleerd hebben, ‘dat deze beroepen geen eigen 1)Tessels vocabulaire hebben’ Zelfs meent Dr Keyser daaruit te moeten concluderen dat ‘de woorden alle aan het Nederlands ontleend zijn en ten hoogste enigszins verbasterd worden’ Deze redenering gaat uit van de verouderde maar nog steeds populaire opvatting, dat de karakteristica van een dialect slechts dáár te vinden zijn, waar het zich van alle andere (Nederlandse!) dialecten onderscheidt De moderne dialectoloog echter acht een onbevooroordeelde, volledige, systematische behandeling van het woordmateriaal van een begrensde taalgemeenschap in verband met zijn sociale en economische omstandig 1) Cursivering hier en verderop van mij (vE) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 71 heden van groot belang, om die volkstaal te typeren door de gevarieerdheid van dat hele complex van woorden, onafhankelijk van de feitelijkheid of bepaalde woorden en categorieën ook in andere,, verwante gemeenschapstalen voorkomen Dat overeenkomst tussen Tesselse vakwoorden en ‘Nederlandse’ (wat is dat in zake vaktalen?) slechts bewijs zou zijn voor ‘ontlening’ of ‘verbastering’ is een eenzijdige en voorbarige conclusie die ik hier zeker niet uitvoerig hoef te bestrijden Aan de mogelijkheid van een speciale rubriek voor benamingen van planten, bloemen en vogels, waardoor Tessel zo bekend is, heeft de schrijver blijkbaar in het geheel niet gedacht, evenmin aan woorden die betrekking hebben op geografische eigenaardigheden en den eeuwen ouden strijd tussen zee en land, aan namen voor duinen en duinvormen, inhammen en kreken, zandvlakten en duinkommen Dat ook de Tesselse visserijtaal aan deze kortzichtige beschouwingswijze ten offer moest vallen, verbaast ons in het geheel niet Des te grappiger doet de naieve teleurstelling van Dr Keyser aan, als hij zegt: ‘Merkwaardig is, dat ook een toch zo echt Tesselse bezigheid als scheepvaart en visserij vrijwel een zelfde verschijnsel vertoont’ Hij grondt deze constatering op een verzekering van een familielid ‘secretaris van de vereniging Schuttevaer, Tesselaar in hart en nieren’ etc en op ‘enige steekproeven’ die deze bewering ‘bevestigden’, waarop hij concludeert: ‘Wel is er een aantal typische zeemansuitdrukkingen, maar deze rechtvaardigen toch niet om, als men het woordenmateriaal gedeeltelijk (waarom gedeeltelijk? vE) systematisch wilde rangschikken, aan de scheepvaart en de visserij een aparte afdeling te wijden’ De taalkundige dialectoloog zal echter precies het omgekeerde beweren: ook al zou het zeemansvocabulaire van een Tesselaar volmaakt gelijk zijn aan dat van andere zeeënbevarende volksgemeenschappen binnen Nederland (een op zichzelf onzinnige onderstelling!), dan nog is systematische beschrijving van deze woordrubriek nodig, niet slechts om die gelijkheid aan te tonen, maar omdat ze een zeer wezenlijk, en waarschijnlijk dominerend, bestanddeel van de hele Tesselse woordenschat uitmaakt Dr Keyser houdt voor de systematische behandeling tenslotte slechts de schapenfokkerij als ‘rechthebbende’ over Had hij dan tenminste in zijn inleiding of in Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 72 een apart hoofdstuk een beschrijving gegeven van dit taalmateriaal, zodat de buitenstaander een indruk gekregen had van het belang van dit bedrijf voor de vorming van specifieke woorden en termen en het ontstaan van uitdrukkingen wier gebruikssfeer mogelijk ook door figuurlijke toepassing verruimd is Maar deze arbeid laat de schrijver over aan den gebruiker van zijn alphabetische woordenlijst Heeft hij dan niet begrepen dat juist hij, als insider, de aangewezen man was geweest, deze ordening tot stand te brengen, zodat hij tenminste in dit opzicht een uitgangspunt gegeven had, voor vergelijking met andere volkstalen? Maar ook bij de samenstelling van de alphabetische lijst, wreekt zich de ondeskundigheid van den bewerker Gezond lijkt in eerste instantie zijn standpunt (blz 5) dat het woordenboek niet uitsluitend zgn ‘typisch Tesselse’ woorden moet bevatten, maar ‘zoveel mogelijk de gehele Tesselse taalschat, maw ook de woorden, die slechts iets van het Nederlands aequivalent verschillen (brün bruin), en zelfs die, welke volkomen gelijk zijn aan de Nederlandse (taafel tafel)’ Dit beginsel heeft hij niet alleen bij zijn boven aangehaalde beschouwing over de systematische beschrijving over boord gezet, maar ook in zijn alphabetische lijst slechts gedeeltelijk toegepast Blijkens de voorbeelden tussen haakjes laat Dr Keyser zich voornamelijk leiden door phonetische verschillen Dat ‘volkomen gelijk’heid van klankvorm nog niet gelijkheid van semantische en syntactische waarde of gebruik behoeft in te houden, schijnt hem te ontgaan Maar zeer zonderling is wat hij in dit verband meedeelt over zijn methode van woordverzameling: ‘Ten einde op dit punt tot een zo groot mogelijke volledigheid te geraken, heb ik het woordenboek van KoenenEndepols woord voor woord doorgenomen ’Lag hier het gevaar voor ‘vertaling’ alias phonetische omzetting niet voor de hand; vooral bij iemand die toch al jaren lang door zijn studie en aandeel in het Nederlandse cultuurleven en ook door zijn positie in het Middelbaar onderwijs, ontgroeid is aan zijn oorspronkelijk milieu? Heeft de taalkundige gebruiker van dit woordenboek nu wel voldoende zekerheid dat de opgenomen woorden werkelijk behoren tot de ‘taalschat’ van Tessel? Heeft de schrijver ieder opgenomen woord Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 73 ook getoetst aan het reële plaatselijke gebruik? Mogen we dan concluderen dat alle woorden die wel in Koenen voorkomen, maar niet in Keysers boek zijn vermeld, op Tessel niet gebruikt worden? Dát blijkbaar toch niet Want met onbegrijpelijke inconsequentie deelt Dr Keyser mee, dat hij ‘de meeste werkwoorden, die bestaan uit een voorzetsel (?) of bijwoord plus werkwoord niet heeft opgenomen’, eenvoudig omdat opneming van zulke composita (als overdoen, nakomen, opzetten, neerdruipen etc) hem ‘overbodig’ voorkwam en zulke woorden hem ‘trouwens niet belangrijk’ lijken, een opvatting die geen enkele taalkundige met hem delen zal Waarom dan sommige samenstellingen wel en andere niet zijn opgenomen, ontgaat de gebruiker van het boek ook geheel Na een contrôle van de samengestelde werkwoorden die wél zijn opgenomen, heb ik den indruk dat de verzamelaar hier zeer willekeurig is te werk gegaan, of dat hij weer hoofdzakelijk gelet heeft op den klankvorm van het grondwoord, niet op eigenaardigheden in de betekenis Een paar voorbeelden In den toegevoegden tekst op blz 232 komt voor de uitdrukking: ‘maar 'tkwam nagal goed af want me eitjes wazze nog heel’ Dit moet betekenen: ‘het (ongelukje) liep nogal goed af’Het werkwoord had om dit gebruik alleen reeds vermeld moeten worden, maar het staat niet in Keysers woordenboek In denzelfden tekst op blz 233 leest men: ‘Maar op lest seg ik, vort maar: jee moet er ook deur ’wat betekenen zal: ‘jij moet de tijd ook door, je moet ook wat verdienen’ Tevergeefs zoekt men echter ‘er (ook) deur moeten’, een semantisch en syntactisch interessante woordgroep, in het alphabetisch register Evenmin is vermeld het werkwoord deurstáan, hoewel de tekst op blz 243 het gebruik signaleert: ‘Dan fermagere se wel, maar toch begriep je niet, hoe die beeste dat den deurstaan kinne’ Het werkwoord ‘inblikke’ (blz 244 tekst) heeft Dr Keyser misschien te ‘modern’ gevonden, maar zijn woordenlijst bevat toch overigens meermalen jonge indringers uit de algemene cultuurtaal Wel vermeldt hij het werkwoord ‘opsette’ als specialen landbouwterm, maar niet den om andere redenen karakteristieken term (al komt die elders ook wel voor!): de Hollanders sette d'r mond 'rniet op (dwz eten of lusten geen schapevlees (in tekst op blz 244) Het werkwoord ‘opgeve’ ontbreekt bij Keyser weer geheel, Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 74 hoewel blijkens een tekst op blz 244 een merkwaardig gebruik mogelijk is als: Den (nl ‘as 'tlang drougt’) geeft 'tmeeste land op Tessel 'top mit groeie’ Niet alleen zijn door dit gebrek aan taalkundig inzicht een groot aantal samengestelde werkwoorden ‘achter de bank skove’, maar ook de meeste nominale samenstellingen ‘achteruutset’, met de taalkundig niet acceptabele verontschuldiging dat ‘de woorden waaruit ze zijn opgebouwd wel zijn opgenomen’! Maar is het Dr Keyser dan niet bekend dat ten eerste de betekenis van een samengesteld woord meermalen, en vooral bij langdurig gebruik, niet gelijk is aan de optelsom van de betekenissen der componenten; en ten tweede dat zijn woordenboek zodoende geen overzicht verschaft van aard en frequentie der woordsamenstelling, een ‘taaldaad’ die voor de taal van bepaalde volksgemeenschappen of vakkringen in die gemeenschappen zeer karakteristiek kan zijn? Dat hij hier weer niet consequent is, blijkt bv wanneer hij wel de woorden skeepevlees, skeepemellek en enkele andere samenstellingen met skeepe vermeldt, maar niet skeepevacht Wat moet nu de taalonderzoeker beginnen met dit onvolledig arsenaal, als hij systematisch alle woorden bestuderen wil die betrekking hebben op de voor Tessel zo typerende schapenteelt? Moet hij tot de bizarre conclusie komen dat op het schapeneiland Tessel geen ‘schapevacht’ bestaat? Of ligt het tegendeel zo voor de hand, dat hij het ontbrekende woord wel postuleren kan? Maar nog meer verbaast hij er zich over dat hij in den tekst op blz 244 wel leest, maar in de woordenlijst niet verantwoord vindt een technischen term als: 'tTesselse skiep is meer 'n flijsskiep ’;of in hetzelfde verband: ‘Ok 'tferskil fan flijsfurming is tusse die twij soarte nagal belangroik’ hoewel Dr Keyser beide woorden in zijn phonetische paralleltekst accepteert als ‘fleisskéép’ en ‘fleisforreming’ Niet minder verontrust den lezer het ontbreken van ‘skiepeland’ (skèèpelònd) dat kennelijk toch een gangbaar woord is bij de waardering of onderscheiding van soorten land, zoals blijkt uit: ‘Den geeft 'tmeeste land op Tessel 'top mit groeie, foarnameluk 'tskiepeland, want meestal is 'tlichste slechte land faor de skiepe’; en ook: ‘'t Skiepeland wordt altoid kael beweid’ Om nog een ander misschien Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 75 ‘karakteristiek’ samengesteld substantief te noemen, in den tekst op blz 241 trof ik: ‘Voor de Hoore kwam er 'n vrouw mit 'n armmand ’Dit compositum kent het Nedl Wdb niet Het staat in een artikeltje uit de Tesselsche Courant van 1Aug 1942, maar dit handelt over den ouden tijd De buitenstaander vraagt zich dus af, of dit inderdaad een vroeger gebruikelijk woord is geweest, of dat het tegenwoordige Tessels een dergelijke ‘spontane’ samenstelling toelaat Dr Keyser transponeert het in zijn ‘phonetische’ vertaling door ‘òrremmònd’, maar vond opneming in het arsenaal blijkbaar onnodig Evenzo laat hij ‘Zeeuwse landdame’ (lònddaome) weg als spottende ‘beenaam’ voor deze koopvrouw of boodschaploopster Op blz 237 trof ik in een tekst aan: ‘Ik denk wel van zo wat zo groot as 'n hoefiezer van 'n polderpeerd ’Gezien het voorkomen in een vergelijking moet dit een gangbaar woord op Tessel zijn, voor een bijzonder groot, fors paard, maar in de woordenlijst zoek ik het tevergeefs In het verhaal over de vele vogels (blz 235) komen woorden voor als broedtied en feugelwereld die Dr Keyser het opnemen niet waard acht, maar zelfs laat hij een typisch locaal substantief als binneflakke schieten, dat moet betekenen: vlakte binnen de duinen, door duinen omgeven Afgezien van zulke samengestelde woorden, heeft Dr Keyser, dunkt mij, ook vele andere woorden en gebruikswijzen of betekenisnuancen over het hoofd gezien Natuurlijk kan men hem niet kwalijk nemen dat zijn woordenboek niet ‘volledig’ is Volledigheid is voor een woordverzameling een onbereikbaar ideaal Maar het komt me voor dat hij het dialectmateriaal dat hem ter beschikking stond, niet voldoende heeft uitgekamd In den tekst over de ‘Skiepehouweree’ (blz 242), die slechts één volle bladzijde beslaat, heb ik behalve de reeds genoemde samenstellingen, nog de volgende woorden aangestreept, die in het geheel niet of niet in het hier gesignaleerde gebruik, vermeld staan in het Wdb: de skiepehouweree bestaet wel menseheugenis (drukfout: zonder voorzetsel? in paralleltekst idem) deerdeur : ‘daardoor’ 'tis weest dat: ‘'t is wel eens gebeurd dat’ deuze brogte meestal ien lampie: ‘ter wereld brengen, werpen’ dut soart (skiepe) is al hil hwat jare fan de baen :niet meer in trek, wordt niet meer gefokt (opvallend is de combinatie met het concrete subject) nou ken Tessel Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 76 weer roeme over 'n Tessels ras: trots zijn op, opscheppen over (let op het voorzetsel) meestal; in een zin met opvallende woordschikking: meestal in Nederland wiere Engelse fokt Tesselaers (!): voor Tesselse schapen mit feul soberder kost dat se (= schapen) feul kinne ontbere: gebrek lijden feul kere: door K vertaald met veulse in den paralleltekst ermagere (een land) kael beweide (beweide zonder meer is wel opgegeven) foarraed gras maer owee as 'tlang drougt: droog weer is (deze betekenis niet vermeld in Wdb) de Engelse rasse binne bekend dat se te fet groeie :twee merkwaardige syntactische gebruikswijzen, die in een Wdb zeker vermeldenswaard zijn: ‘bekend zijn’ plus datzin; en ‘groeien’ plus praed attrib of praed nom (vgl worden) dat (nl dat te fet groeien) sou nou niet feul hindere, dat 'rgroat gebrek is an fet: K vervangt dit vgw dat eenvoudig door ‘os’ (als), maar dat is filologisch ongerechtvaardigd) hierna was feul meer fraeg na in de leste jaare (herhaling van na is door K in den paralleltekst weggelaten!) Teminste niet fan betekenis dut is al fan 1926 of mien ik:geloof ik dut was fan te fore noait noadig: vroeger In het verhaal over eierzoeken uit de Tesselsche Courant van 10/13 April 1929 4(bldz 230) verontachtzaamde Dr Keyser: ik gaan ers 'n hoekie omloope :een eindje omlopen, wandelen 2)heu!: als uitroep voor ho heu, wachteris effies, ik hew 'n boeskip an je ('t komt aan de praepositie an )ik keek achterom en deer was 't Piet (steeds achterom, niet kortweg om, ook elders opvallend is ook het pron subj ‘t’) houw je maar niet zo stiekum (stiekum alleen is wel vermeld) dat seit iederien zowat op Tessel, kleine kiender die op strit speule en al Maar op lest docht ik (dus niet: op 'tlest): tenslotte datte der zoveul lampies en skîpe dood ginge (störreve in Wdb; alleen van mensen?) datte de kleine prusboertjes 'tkwaad zoowe hewwe om 'thoofd bove water te houwwe en al zuksewat meer want van de lampies moet 'top Tessel toch al veul komme ik hew er ok al twie dood (n lampies) maar opiens kiek ik op mien klokkie :Wdb vermeldt wel horloosie, niet klokkie ik zette er skot achter om 2) Deze uitdrukking bleek mij onlangs ineen gesprek met iemand uit ZuidAfrika ook gewoon Afrikaans tezijn Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 77 beeties tuus te weze met ien sien ik een kiewietje opgaen dan hat ik er niet zon berg ruugte op moete hewwe: gedroogde blaren, hooi, stro etc ter bescherming van de bollen in den winter maar wat ken je besteeje: betalen, hoeveel bied je? doe was ze gauw weer in der hummetje Zo zou ik door kunnen gaan met de andere teksten; maar dat zou me teveel plaatsruimte kosten Slechts wijs ik nog op enkele in het oog vallende woorden Het eigenaardig gebruik van puur als telwoord komt in K's woordenlijst onvoldoende uit doordat hij gebruikswijzen als de volgende niet citeert: d'r wasse vroeger ok nag al puur harmelinge bee de Weel op de Wilde leidde d'r ok puur Een speciaal woord als ‘kerkepiep’ verklaart K wel op blz 221, maar hij neemt het niet op in zijn Wdb; hetzelfde geldt voor den juttersterm ‘klossies’ (blokken aangespoeld hout) Het woord pietertjes ‘kwaad’ vindt men wel vermeld in den vorm pietertje, niet in de karakteristieke verbinding: ik begon doe wel een beetje pietertjes in m'n lief te worre Het woord bôlle (brood) wordt niet afzonderlijk opgegeven; men kan het tenslotte aantreffen onder boollekriek Wanneer men nu bedenkt dat de hier aangehaalde woorden en uitdrukkingen alle gehaald zijn uit de enkele bladzijden tekst die Dr Keyser bij wijze van proef toevoegt aan zijn woordenboek, dan is de onderstelling gewettigd dat zorgvuldiger analyse van het veel ruimer voor handen tekstmateriaal, dat in werkelijkheid bestaat, dit Woordenboek heel wat verrijkt zou hebben Er is nog een opmerking te maken over het materiaal waarop dit boek steunt Op blz 13 van zijn inleiding zegt de schrijver: ‘Ik heb getracht het taalstadium van omstreeks 1900 te benaderen’ Dat lijkt me gevaarlijk en ook niet geheel waar Niet geheel waar omdat het Wdb verschillende woorden bevat, die van lateren tijd moeten zijn, zoals: stoomfiets, radio, siegeret, vliegmezien en dergelijke ‘leenwoorden’; terwijl het bovendien van vele woorden moeilijk te bepalen is wanneer zij in de Tesselse volkstaal zijn binnengedrongen Een ogenblik heb ik gedacht, dat het ontbreken in het Wdb van allerlei woorden en uitdrukkingen, die wel in de teksten voorkomen, uit deze ‘benadering van de taal van ±1900’ zou verklaard moeten worden Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 78 Voor de meeste kan dat echter toch niet gelden Dat terugzetten van de klok naar 1900 is ook niet in overeenstemming met de moderne opvattingen der dialectologie Veel beter is het de stand van zaken in het controleerbare heden op te maken, en in tweede instantie voor zover mogelijk te bepalen en aan te geven welke woorden in dat huidige materiaal jong zijn, welke oud of welke bij de jongere generatie zijn uitgestorven of bezig zijn te verdwijnen Nu loopt de schrijver het gevaar dat hij zonder daarvoor zekere maatstaven te hebben archaïseert, dat hij sommige woorden in een ‘ouderwets’ gewaad steekt en andere uitsluit die in het tegenwoordig Tessels toch gangbaar zijn Ik gaf in het bovenvermelde materiaal reeds voorbeelden; om er nog één te noemen: stelselmatig vervangt Dr K in zijn transcriptie der teksten ‘vroeger ’of ‘froger ’als bijwoord van tijd door ‘eerder ’;‘heel vroeger ’door ‘'n heel tiid leede ’Maar ik vraag mij af of deze zucht tot ‘verbetering’ wel gerechtvaardigd is Is vroeger werkelijk jonge import? Is het naast elkaar voorkomen van vroeger en eerder ook in oudere perioden uitgesloten? Uit enkele vbb boven aangehaald is gebleken dat Dr K zelfs geneigd is typische syntactische verschijnselen uit de volkstaal weg te werken Waarom moet, om nog een vb te noemen, een dubbele ontkenning in: ‘er is niks niemendól op je an te merke’ vervangen worden door: ‘er is heelemaal niks op je on te merreke’? En is het zeker dat een oudhollandse term ‘miin moeders bewiis ’voor ‘moederlijk erfdeel’ als onTessels moet geschrapt worden, evenals het woord ‘erfdeel ’? (vgl blz 227 nr 4zin 12) In die vertaling van de gelijkenis van den verloren zoon is dit ene voorbeeld met vele te vermeerderen Het is waar, dat men sceptisch moet zijn tegenover een in dialect vertaalden tekst, omdat de vertaler verschillende vormen letterlijk kan overgezet hebben; maar het is toch riskant zomaar allerlei woorden, uitdrukkingen en syntactische vormen uit te bannen, ook al toetst men die aan eigen taalgevoel en dat van enkele autochthone taalgebruikers Gerechtvaardigd lijkt eerst wel Keysers critiek op de verzameling van S de Boer, die als Fries introuwde op Tessel En toch de buitenstaander aarzelt, als hij Dr K De Boer hoort beschuldigen van een vrij groot aantal Frisismen, terwijl hij later zelf het Tessels een ‘Fries dialect’ noemt Hoe herkent men Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 79 ‘Frisismen’ in een ‘Fries’ dialect? Overigens moet men natuurlijk tegenover deze kenmerking ‘Fries dialect’ uiterst gereserveerd staan Dr K zegt ten bewijze van zijn stelling alleen: ‘Op grond van een jarenlang verblijf, zowel in NoordHolland als in Friesland, meen ik, na vergelijking van allerlei syntactische en phonetische verschijnselen, te mogen concluderen, dat het Tessels een Fries dialect is Ook de aard van de autochthone bevolking, de levenswijze en de gewoonten zijn meer Fries dan Hollands ’Bedoelt Dr K dat er tussen de talen van Friesland en Noordholland een onoverbrugbare kloof bestaat? Is Hollands hetzelfde als Noordhollands ?Is men gerechtigd op grond van overeenkomsten, die verder niet worden aangeduid, te spreken van een Fries dialect ?Wat verstaat Dr K daar eigenlijk onder? Mij dunkt, hij had hier wat voorzichtiger moeten zijn Zijn inleiding en woordenboek bewijzen nu niet bepaald dat hij hier kan optreden als deskundig rechter Laat hij dan eerst eens voor den dag komen met die ‘vergelijking van allerlei syntactische en phonetische verschijnselen’ Ik wil met deze critiek het positieve werk van Dr Keyser niet afbreken Die critiek verraadt juist mijn belangstelling voor dit woordenboek Die critiek is voor den taalkundige ook nodig, omdat hij vóor het gebruik van dit boek zich rekenschap moet geven van de waarde, die de gegevens van Dr Keyser voor verder wetenschappelijk onderzoek kunnen hebben Ondanks de opgesomde tekortkomingen, bevat zijn verzameling veel boeiend en belangrijk materiaal Als men dit woordenboek doorbladert, krijgt men grote lust de gegevens anders te groeperen om een sprekender beeld van Tessels taalschat te verkrijgen Graag had men het deskundiger bewerkt gezien, ook historisch en etymologisch belicht Maar het materiaal ligt hier dan toch maar opgehoopt, vol verrassende woorden De verzameling daarvan heeft veel tijd en moeite gekost Dat Dr Keyser die er aan wilde besteden, bewijst zijn liefde voor zijn volkstaal en geeft hem recht op den dank van allen die zich voor het onderzoek der streektalen interesseren Groningen GA VAN ES Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 80 Ingekomen boeken Land van mijn Hart Brabantse Feestbundel voor Mgr Prof Dr ThJAJ Goossens op zijn zeventigste verjaardag (8 Febr 1952) aangeboden door Prof Dr LGJ Verberne en Dr A Weijnen, namens vrienden en leerlingen Tilburg H Bergmans NV 1952 8o170 blz Prijs geb ƒ790; ing ƒ640 MJ Koenen J Endepols' Verklarend Handwoordenboek der Nederlandse Taal (tevens vreemdewoordentolk) vooral ten dienste van het onderwijs, drieentwintigste druk uitgegeven door Dr HL Bezoen Groningen, Djakarta JB Wolters 1951 8o1248 blz Prijs geb ƒ9 Lyriek der Nederlanden De Gouden Eeuw Bezorgd en toegelicht door Dr Rob Antonissen (Klassieke Galerij no 39) 1950 Wereldbibliotheek NV AmsterdamAntwerpen 8o160 blz Prijs geb ƒ265 Historische Schets van de Nederlandse Letterkunde door Dr CGN de Vooys en Dr G Stuiveling met medewerking van Dr D Bax Een en twintigste druk 1951 GroningenDjakarta JB Wolters 8o372 blz Prijs geb ƒ450 Blijde Inkomst Vier VlaamsBourgondische Gedichten, uitgegeven door Dr G Degroote (Klassieke Galerij no 59) 1951 Wereldbibliotheek NV AmsterdamAntwerpen 8o20 blz Prijs gecart ƒ225 KERKHOFF ,Dr EMMY ,De Kunst der Stijlinterpretatie Een pleidooi voor functionele stilistiek Openbare les gegeven op 11 December 1951 JM Meulenhoff Amsterdam 8o21 blz Prijs ing ƒ1 Het Dumbar Handschrift Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw samengesteld door Gerhard Dumbar Deventer ea Uitgegeven door Dr HL Bezoen Deventer NV UitgMij AEE Kluwer 1952 8o56 blz Prijs ing ƒ325 VIEU KUIK ,Dr HJ, Het gebruik van Franse Woorden door Wolff en Deken Een bijdrage tot de cultuurgeschiedenis der 18e eeuw Deel IWoorden, die betrekking hebben op den mens in zijn verhouding tot den evenmens Arnhem GW van der Wiel & Co Uitgevers 8o269 blz Prijs ing ƒ590 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 81 De etymologie van wrevel ,wreef en wressem * Op blz 68 en volg van de 68ste jaargang van ons tijdschrift heeft de heer Stapelkamp de aandacht gevestigd op een interessant mnl en dialectisch nog thans bestaand woord vressem, dat de naam is voor meer dan één ziekte Hij houdt dit voor het gesubstantiveerde mnl adj vressam ‘vreeselijk’, dat met zaam is afgeleid van het grondwoord vrees Het lijkt er dus op, of men die ziekten aanduidde met een euphemisme, of althans met een vage benaming, waarschijnlijk omdat men er zoveel angst voor had, dat men ze niet hardop of zonder omwegen durfde benoemen Het waardevolle materiaal dat de schrijver bijeenbrengt geeft inderdaad aanleiding om tot zijn conclusie te komen, doch hij is zo vriendelijk geweest ook het formele bezwaar dat ik er tegen heb ingebracht, in zijn stuk te noemen: er zijn nl drie dialectische vormen, twents wressem 1),oostfries wressem 2)en westfaals vrissen 3), die wijzen op een grondvorm met wr in ‘anlaut’, en die ‘anlaut’ kennen vrees en zijn afleidingen niet De heer Stapelkamp heeft daarop getracht mijn bezwaar te ontzenuwen, door te wijzen op ndl wrevel, dat door alle etymologen voor identiek wordt gehouden met hd frevel Ik moet bekennen dat ik, toen ik opponeerde, aan dit geval niet had gedacht, ja sterker, dat ik niet wist dat onze philologen zo zonder enige argwaan aan deze identiciteit geloofden Toch is dit het geval: zowel * Over dit onderwerp heeft Mej JH van Lessen een lezing gehouden het zou haar laatste zijn inde commissievergadering van 20 September 1950 Het was haar bedoeling dat deze lezing inons tijdschrift zou verschijnen De tekst er van heeft de schrijfster praktisch geheel persklaar nagelaten De titel isechter afkomstig van ondergetekende, die tevens verantwoordelijk isvoor de correctie; een proef werd eveneens gelezen door Mevrouw Kloeke en de heren GG Kloeke en AJ Persijn F de T 1) Bezoen, Taal en Volk van Twente 86; Klank en vormleer vh dialect der gemeente Enschede 51; Wanink, TwentsAchterhoeks Wdb 207 2) Ten Doornkaat Koolman 3,575 3) Woeste 309 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 82 Vercoullie, Franck, Van Wijk en Van Haeringen als Verdam, De Vooys 4),Vd Meer, W de Vries 5)en Schönfeld, bovendien Sarauw in zijn Niederd Forschungen (1, 361) en Zwaan in zijn proefschrift Uit de Geschiedenis der Nederl Spraakkunst (pag 329) accepteren de etymologie zonder de minste aarzeling De enige bedenking die is geuit, nl door Verdam in Ts 18, 51 (noot 1), dat de overgang van vrtot wr vreemd is (hij meent wr als een hypercorrecte spelling te moeten verklaren, doordat zoveel woorden die met wr beginnen met vrwerden uitgesproken), heeft later aan kracht verloren, toen AC de Jong in zijn dissertatie HL Spiegels Hertspiegel andere voorbeelden van wr voor vrkon aanwijzen: bij De Brune moeten wreckaerd en wreten voor vrekaard en vreten, bij Schouten in zijn Voyagie, wreckheyt voor vrekheid te vinden zijn De situatie lijkt dus hachelijk voor degene die tegen zoveel eensgezindheid te velde wil trekken Ik wil het echter toch proberen, omdat ik de overtuiging heb, dat een oude misvatting kans heeft gezien drie en een halve eeuw stand te houden en dat het tijd wordt haar uit de wereld te helpen De etymologie die ons wrevel gelijkstelt met hd frevel is nl naar alle waarschijnlijkheid afkomstig van Kiliaan Immers, terwijl in Plantijns woordenboek niets anders staat te lezen dan ‘wreuel ,wederborsticheyt Despit Stomachus ’(waarnaast dan nog de afleidingen wreuelich en wreuelen respective door ‘wederborstich’ en ‘wederborstich zijn’ worden verklaard), terwijl Kiliaan het woord in zijn eerste druk van 1574 nog niet op had genomen *)geeft hij in 1599 op de fbij het artikel Freuel ,wreuel (met de toevoeging Ger Sax Fris Sicamb) een reeks van elf lat woorden ter verklaring Opmerkelijk is daarbij allereerst dat de vormen met fen w zonder enige commentaar als gelijk en gelijkwaardig worden aanvaard, verder de dialectische localisering, die niet overeenkomt met wat wij omtrent wrevel weten (het is voor ons gevoel immers geen oostelijk gekleurd woord) en eindelijk het feit dat er onder de vijf latijnse woorden die 4) InMed VA 1943, blz 746 5) InTs 44, 194 volg *) Inde tweede druk van 1588 komt het woord reeds voor, echter alleen op de W:‘Wreuel fris Stomachus, iracūdia :&Temeritas ’(F de T) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 83 het adjectief wrevel omschrijven niet een is dat ‘misnoegd, ontstemd of knorrig’ betekent, de opvatting die het bnw wrevel, enigszins archaïsch nog wel bekend naast wrevelig, toch juist heeft Van de omschrijvingen die Kiliaan inderdaad geeft, is frivolus mijns inziens niets anders dan een poging tot etymologiseren, moet vanus als een synoniem daarvan worden opgevat en geven temerarius en audax enerzijds, malus anderzijds de opvattingen weer die aan het verouderde hd adjectief frevel (gelijkbetekenend met frevelhaft )eigen zijn Voor het zelfstandig gebruikte freuel, wreuel echter geeft Kiliaan behalve de lat substantiva die parallel gaan met de juist genoemde adjectiva nog stomachus en iracundia die goed van pas komen om ons begrip van wrevel te definiëren In de afleidingen, freuelich ;freuelen en freueler ,en de samenstellende afleiding freuelmoedigh komt dat dualisme in de betekenissen in meerdere of mindere mate weer aan het licht: freuelmoedigh (dat als een synoniem wordt gegeven van freueligh )omschrijft Kiliaan met temerarius, audax (friuolus en vanus ontbreken hier) en door stomachosus, morosus, rebellis, arrogans, contentiosus en cupidus vindictae Daarvan zijn de eerste beide weer van pas als definitie voor hd freflich, de zes overige voor ons wrevelig Mutatis mutandis geldt hetzelfde van de omschrijvingen bij freuelen :enerzijds malefacere, delinquere, perturbare, anderzijds stomachari, terwijl die bij freueler in drie groepen worden gescheiden: 1omaleficus, 2ocontentiosus, perturbator en 3oVanus, temerarius, friuolus, audax Op Vreuel ten slotte verwijst de schrijver naar freuel en wreuel ,op wreuel ,wreuelen naar freuel ,freuelen ,zodat die beide lemmata zonder schade kunnen worden verwaarloosd Alleen vermeldt hij bij vreuel de lat omschrijving petulans, die nergens anders te voorschijn is gekomen, maar die hij waarschijnlijk wel als een synoniem van temerarius heeft bedoeld Hoe moet men nu dit exposé van Kiliaan beschouwen? Is het alleen zijn kennis van het Duits geweest die hem parten heeft gespeeld, en was er geen enkele aanleiding om die hd vormen en betekenissen in zijn woordenboek te vermelden? Of waren daarvan sporen in het Nederlands van toen te vinden? Dit laatste is stellig het geval Reeds Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 84 in het Mnl W komt een plaats voor van het znw vrevel, nl uit de Publ Limb 16, 200: ‘Is het saecke dat dergene verliest die men doet gestaen (doet verschijnen voor het gerecht ),so is hy op ein vrevel (hetgeen Verdam omschrijft met: ‘boetschuldig als voor een gewelddaad) dat is te weten viertich denaris tweewerve’ Ook drie andere plaatsen, tw uit De Duitsche Orde, liggen in de juridische sfeer: er is sv vrevelike nl sprake van het geval dat een broeder zich ‘op overmoedige wijze’ verzet tegen zijn superieuren, inzonderheid tegen de overste van het huis, bv ‘Of een broeder dat ghebot sijns oversten wederspreect vrevelike, dat hij niet en houde noch doen en wille’ Met de overige citaten, tw svv vrevelheit , vrevelijc en vrevelike komt men op het terrein van het godsdienstige: ze zijn uit de Limb Serm en uit een mnl paraphrase van het Hooglied In al die gevallen is sprake van overmoed, driestheid of schaamteloosheid, en overmoed tegenover God staat gelijk met zonde Het is zonder meer duidelijk dat het gebruik van vrevel en zijn derivaten op al de genoemde plaatsen onder Duitse invloed staat en met ons Nederlandse wrevel niets te maken heeft; de vorm met wr komt er trouwens ook niet onder voor 6)Berust de verwarring aanvankelijk dan alleen in het brein van Kiliaan en is ze door hem gepropageerd? Ook dat kan men niet volhouden, al is het moeilijk zijn invloed in dezen te peilen Het is duidelijk dat het Duitse woord met de daaraan eigene betekenissen in de godsdienstige sfeer is blijven voortleven, ook na de Middeleeuwen, en daarbij heeft de Bijbel ongetwijfeld grote invloed gehad Overal waar men daar het woord aantreft, heeft het echter niet de vorm met vr, zoals op de Mnl plaatsen, maar die met wr Nu zijn twee bijbelvertalingen, afgezien van de Statenbijbel, van meer belang geweest dan alle overige: de bijbel van Van Liesveldt en 6) Even scherpzinnig als opmerkelijk isde poging die Verdam doet om ons wrevel semantisch toch inverband tebrengen met de aan het Duits ontleende betekenissen van vrevel InMnl W 9,1308, sv Vrevel ,bnw, schrijft hij: ‘De beteekenis van ndl znw wrevel, “wrok” heeft zich ontwikkeld uit die van “kwaadaardig” (eig “kwaad van aard”; vgl de beide beteekenissen van “kwaad” en “boos”)’ Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 85 die van Deux Aes Dr De Bruin heeft in zijn werk De Statenbijbel en zijn voorgangers (Leiden, 1937) alle aandacht besteed aan de taal van deze overzettingen, en hij komt tot de conclusie 7)dat beide een groot aantal aan het Hd van Luther ontleende woorden aan onze taal hebben geschonken, woorden die ons voor het grootste deel nu doodgewoon voorkomen Afvallig, beroemd, burgerrecht, dankzegging, diensthuis, dierbaar, eersteling, godzalig en nog zoveel andere uit de Liesveldtbijbel, afgodisch, bestendig, bezoedelen, boetvaardig, bondgenoot, bouwvallig, dagloner, dankoffer, diefstal enz enz uit de bijbel van Deux Aes hebben voor ons niets vreemds of uitheems' meer Waarom deze woorden wèl en andere niet in onze taal zijn aanvaard, zal wel nooit worden opgelost Uit de bijbel van Deux Aes noemt De Bruin 8)bv dannoch, ghelijckwel, hader en haderen, onghestalt, tzaerlick, wterweelden (uitverkoren), veronglimpen, versmetteren en verwalter, die geen van alle op den duur geaccepteerd zijn Wel hebben sommige er van in de literatuur een korte bloei gekend: hader en haderen zijn daar interessante voorbeelden van Behalve dat Plantijn en Kiliaan ze vermelden, geeft WNT van hader bewijsplaatsen uit het Landrecht van Averissel (ao1546), uit Marnix' Geschriften (1, 159), uit Spieghels Hertspieghel (288), en, in de gecontraheerde vorm haer, uit Huygens' Korenbloemen (1, 651); van haderen eveneens een plaats uit Marnix (Geschr 1, 158) en verder het bekende voorbeeld uit Bredero's Aendachtigh Gebedt :O Heer! ick kyve niet, noch hadder niet met u9)Iets dergelijks nu moet men aannemen dat met het Hd frevel is gebeurd Trommius geeft acht plaatsen uit het Oude Testament van de Statenbijbel 10),waar het znw wrevel voorkomt en drie, óók uit het OT, van wrevelig 11)In het Nieuwe Testament van de Statenbijbel komt het niet voor Afgezien van Ps 27, 12, blijkbaar een ‘crux interpretum’, heeft Luther op al de genoemde plaatsen het 7) Zie aw blz 244 8) aw blz 243 9) Bredero 3,570 10) Gen 6,vs 11 en vs 13 1Chron 12, 17 Job 16, 17, Ps 27, 12 en 55, 10, Jes 59, 6en Mal 2,16 11) Deut 19, 16, Ps 25, 19 en 38, 11 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 86 hd subst freuel gebruikt, waar de Statenvertaling wrevel heeft en het adj freuel, waar in het Nederlands wreuelig staat Alleen vertaalt Luther Ps 25, 19 door ‘vnd hassen mich aus freuel ’,terwijl de overzetters van de Statenbijbel schrijven ‘met eenen wreveligen haat’ Men mene echter niet dat de Statenvertalers dit germanisme zonder bedenkingen hebben geaccepteerd Juist bij Ps 25 maken zij bij ‘wreveligen haat’ de aantekening ‘haet des wreuels, ofte, gewelts’, bij Ps 27, 12, de zoëven genoemde moeilijke plaats wordt ‘die wrevel uytblaest’ nader verklaard met ‘die niet en snorckt als van enckel gewelt’ Bij Jes 59, 6‘een maecksel des wreuels’ wordt in margine als alternatief gegeven ‘Of, des gewelts’, terwijl wrevel bij Mal 2, 16 wordt verklaard met ‘het gewelt aen sijne huysvrouwe begaen’ De beide plaatsen eindelijk, waar de verbinding wrevelig (e)getuyge (n)voorkomt, tw Deut 19, 16 en Ps 35, 11, worden in margine verklaard met resp ‘een getuyge des wrevels of des moetwils’ en ‘getuygen des wrevels, ofte, gewelts’ Bovendien blijkt uit de Resolutien van de beijde collegien der oversetters, tsamen vergadert Anno 1628 in Jul aengaende de Duijtsche tale 12),dat aanvankelijk onzekerheid heerste over de spelling van het woord, totdat besloten werd ‘wrevel scribendum, non wrefel ,nec vrewel ’, waarachter door de revisoren wordt opgemerkt ‘manet praefertur àquibusdam gewelt ’In bijbelse zin nu betekent geweld, naar men weet, ‘eene uiting van macht waarbij het recht van anderen opzettelijk wordt geschonden, waarbij de dader gebruik maakt van ‘het recht van den sterkste’ 13) Vergelijkt men de genoemde plaatsen vervolgens met de corresponderende uit de bijbel van Van Liesveldt van 1526 en met die van Deux Aes van 1562, dan blijkt Van Liesveldt wrevel nergens te gebruiken Afgezien van de plaats in Ps 27, 12, die Van Liesveldt blijkbaar totaal niet heeft begrepen, geeft hij het bedoelde begrip afwisselend weer door quaetheden (Gen 6, 11; 6, 13), boosheit (1 Chron 12, 17; Job 16, 17; Mal 2, 16), met onrechten hate (Ps 25, 19), ongherechticheyt 12) Aangehaald bij Zwaan, Uit de Geschiedenis der Nederl Spraakkunst 205 (ao1939) 13) WNT IV, 2037 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 87 (Ps 55, 10) en roof (Jes 59, 6), het adjectief met luegenachtich (Deut 19, 16) en met ongerecht (Ps 35, 11), terwijl Deux Aes vijfmaal wreuel heeft in overeenstemming met de Statenbijbel (Job 16, 17; Ps 25, 19; Ps 55, 10; Jes 59, 6en Mal 2, 16) en althans eenmaal (Joël 3, 19), waar de Statenbijbel gewelt gebruikt Op de beide plaatsen van wrevelig (Deut 19, 16 en Ps 35, 11) correspondeert Deux Aes met de Statenbijbel In de overige gevallen heeft deze vertaling moetwillen (Gen 6, 11), boosheyt (Gen 6, 13), onbillicheyt (1 Chron 12, 17) of onrecht (Ps 27, 12) Dat wreuel ook voor Deux Aes geen alledaags woord was, blijkt ten slotte ook daar uit de verklarende aantekeningen Overziet men nu het materiaal dat de literatuur oplevert (want een litterair woord is dit wrevel en zijn zijn afleidingen in de allereerste plaats), dan blijkt het bijbelse znw wrevel ‘gewelddadigheid’ behalve bij Kiliaan (ao1599) althans tweemaal voor te komen bij Vondel, nl eenmaal in de Maeghdebrieven 14) (WB 4, 447; ao1642) en eens in de Harpzangen 15) (WB 8, 412; ao1657), en eenmaal bij Simon Stijl, in diens Opkomst en bloei der Vereenigde Nederlanden 16) (blz 233; ao1774) Bij de eerste beide bewijsplaatsen kan men stellig directe invloed van de bijbel onderstellen; bij de laatste is dat zeer onwaarschijnlijk Wrevelig, in de zin van ‘zondig, boosaardig’, komt behalve in de genoemde bijbelplaatsen voor in Dirk Smits' gedicht in drie zangen: Israëls Baälfegorsdienst (blz 71), dat men stellig in bijbelse trant geschreven mag achten: ‘Het wrevelig geslacht blyft even stug en boos Of ik bedreiging, straf en strenge tucht verkoos, Opdat het zich bekeer', het blyft myn wetten haten’ spreekt Jahwe Maar ook het adj wrevel kon de betekenis hebben van ‘zondig, misdadig, boosaardig, vermetel’; ik heb voorbeelden uit Vondel, Hooft, Smits, Feitama, Van Merken, Boxman en zelfs nog uit Staring, waar 14) Hy pooght met lycken Te stoppen eene wel, die t'elckens op komt wellen, En perssen tegens hem en zynen wrevel aen 15) Gedenck Hoe reuckloos zaet uw' naem onteert, Inzijnen wrevel onverzadigh 16) Het was Leicester, die, door het omwroeten van den burgerstaat, het gemeenebest tot inzijn binnenste wist teberoeren, en een langdurig geheugen naliet van den wrevel der uitheemsche vrienden Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 88 die betekenis ondubbelzinnig is Van wrevelen ‘een misdaad begaan, frauderen’ (verg hd freveln )is, behalve uit Kiliaan, een bewijsplaats uit Soetebooms Zaanlandze Arcadia (blz 393), waarin gesproken wordt over een pachter, ‘willende wrevelen ’bij het nemen van de tiende korenschoof als zijn pacht Van wrevelaar ‘boosdoener’ (hd freveler, frevler )geeft Vondel twee plaatsen (ed WB 8, 549 17) en 9, 949 18));de verklarende aantekening van Dr Moller bij de tweede daarvan luidt nl, volgens mij ten onrechte: ‘wrevelige mensen, kankeraars’ Wrevelheid (hd frevelheit, frevelnheit )komt in Six' Medea (blz 30; ao1648) in het meervoud voor, in de zin van ‘gewelddadigheden’ 19),en het enkelvoud geeft Hooft met de bet ‘opstandigheid, overmoed’ Coornhert heeft een voorbeeld van wreventlijc (Wercken 2, 170 b;ao1590), dat met huid en haar uit het Duits (hd freventlich )lijkt overgenomen Het is trouwens bekend dat Coornherts taal veel germanismen bevat: op dezelfde bladzijde gebruikt hij bv hencker Van Moock vermeldt in zijn woordenboek wreveldaad (hd freveltat ),dat hij vertaalt door ‘forfait, attentat, délit’, terwijl van wrevelgeest (bij Luther frevelgeist )in de zin van ‘boze geest’ zes 17deeeuwse bewijsplaatsen aanwezig zijn: Huygens, Korenbloemen 1, 443 (ao 1622), Vondel (ed WB) 3, 319 (ao1630) en 4, 494 (ao1642), Hooft, Nederl Hist 157 en 1196 (ao1642 en ±1645) en De Decker, Rymoeffeningen 1, 19 (ao1656) Bredero (ed Binger) 1, 168 (ao1616) gebruikt wrevelhartich in de zin van ‘boosaardig’, terwijl wrevelmoed (hd frevelmut )in de zin van ‘opstandigheid, overmoed’ door Revius wordt gebezigd (OverYsselsche Sangen 21), viermaal door Bilderdijk (1, 4; 1, 366; 4, 296; 7, 175) en eens door Wiselius (Mengel en Tooneelpoëzij 5, 26; ao1819), in de zin van ‘misdadige gezindheid’ eenmaal door Bilderdijk (12, 288) Wrevelmoedig (hd frevelmütig )kan de betekenis ‘zondig’ hebben 17) De wrevlaers spannen netten Al stil men hangt de stricken op de baen, Daer ick koom gaen (uit: Harpzangen 139, 18) 18) Dus straft Nasike en heer Opimius de Gracchen, Gebroeders, wrevelaers, die 'sraets bewint belachen 19) Welk' onbescheidenheid! zowd' ikdie wrevelheden, Den inval inmijn Rijk, zo zonder goede reden, Verdragen? Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 89 (Vondel, ed WB 2, 600; ao1625 en Bilderdijk 14, 6), maar ook die van ‘overmoedig’ (Kiliaan); wrevelmoedigheid (hd frevelmütigkeit )die van ‘opstandigheid’ (Van der Palm, Redevoeringen 4, 21; er is op die plaats sprake van Jobs wrevelmoedigheid tegenover God) Bilderdijk gebruikt de uitdrukking 'twrevelvoedend hart, waarvan het adj waarschijnlijk wel met ‘zondig’ moet worden omschreven, het door Van Beresteyn gesmede wrevelwrakich (in zijn Marcus Aurelius 162 vo;ao1562) is niet bijzonder helder, maar misschien is er mee bedoeld ‘zondige wraakgevoelens koesterend’ Wrevelzin (hd frevelsinn )bij Bilderdijk (11, 398; 14, 42) kan men weergeven door ‘misdadige gezindheid’ Ook wrevelzucht ‘misdadigheid’ en wrevelzuchtig ‘misdadig’ staan op naam van deze woordkunstenaar (resp 2, 357 en 7, 363) Daarnaast echter ontmoet men wrevel in de zin van ‘nors, verstoord, misnoegd, geprikkeld’ op tal van plaatsen in de literatuur: Bredero, Hooft, Hoogvliet, Van der Palm, Bilderdijk, Van Lennep en Bogaers leveren overtuigende voorbeelden en ook bij Hexham komt het voor Deze woordenaar, die het in één adem met wrevelig noemt en het door ‘angry’ en ‘tetchy’ vertaalt, onderscheidt het, terecht, van Vrevel (Frevel ofte Wrevel ),dat hij van Kiliaan heeft overgeschreven, blijkens de vertaling ‘lascivious or wanton’, die kennelijk Kiliaans frivolus moeten weergeven Op dezelfde manier schrijft Mellema ‘lascif’ als vertaling achter Vrevel (Frevel, Wrevel )en verwijst dan naar Broodtdroncken Dat wij hier met niets dan onvruchtbare woordenboeksmaaksels te doen hebben, is dunkt mij boven alle twijfel Om nog even op wrevel ‘nors’ terug te komen: een geliefde verbinding was, blijkens de voorbeelden, het wrevel lot ‘het onvriendelijke, ongunstige lot’; Hooft gebruikt het wrevle luck voor ‘het ongeluk’ Van wrevel ‘misnoegdheid’ heb ik merkwaardigerwijze geen oude voorbeelden aangetroffen behalve in de woordenboeken van Plantijn en Kiliaan Maar de humeurige Bilderdijk heeft er een zeer ruim gebruik van gemaakt en tot op de huidige dag is het een gewoon woord gebleven Veel minder bekend is tegenwoordig wrevelen voor ‘nors, humeurig, Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 90 wrevelig zijn’ Behalve de plaatsen uit Plantijn en Kiliaan en een niet ondubbelzinnige uit Rodenburghs Casandra levert Bilderdijk ook hier weer een aantal vindplaatsen Van het verouderde wrevelheid ‘misnoegen’ is een mooi voorbeeld te vinden in Spieghels Hertspieghel 20) en twee bij Hooft (uit Henrik de Groote 21) en uit Nederl Historien 22)),van wrevelig, afgezien van vele woordenboeksbewijzen, een aardige plaats uit Vondels Warande der Dieren 23),een tekenachtige uit De Brunes Bankketwerk 24) en een uit Bilderdijk (8, 222; ao1820) Aan samenstellingen en samenstellende afleidingen zijn gevonden: wrevelaard (Vondel), wrevelaartig (Bilderdijk), wrevelbloedig (Westerman), wreveldaadt (bij Halma (ao1710) en aldaar omschreven door ‘wrevelig bedryf Action révéche ’,doch het bestaan daarvan lijkt mij twijfelachtig; het zal wel door wreveldaad ‘misdaad’ geïnspireerd zijn), wrevelgeestig (Hooft), wrevelhoofdig (Crous), wrevelkoorts (Bilderdijk), wrevelkop (Anslo), wrevelmoed (Hooft, Halma, Marin, Bilderdijk), wrevelmoedig (Van Beresteyn, Kiliaan, Halma, Marin), wrevelvol (Bilderdijk), wrevelwoord (Van Moock), wrevelwrok, wrevelziek en wrevelzin (alle drie bij Bilderdijk) Vraagt men zich af, hoe het mogelijk is dat het woord in zijn Duitse betekenissen van ‘opstandigheid’ en ‘misdadigheid’ zich zomaar in de vorm heeft aangevlijd tegen wrevel ‘misnoegdheid, norsheid’ dan moet het antwoord luiden, dat de betekenis ‘opstandig, temerarius’ de brug heeft gevormd Bij het schiften van het materiaal ben ik herhaal 20) Duer gramschap, wrevelheid, door hatenijd, door wreken Wert ghy van 'tware ghoed, van zalicheid versteken, 123 21) Binnen de Bastille Alwaar hy zich onvertzaaghdelijk, maar vol wrevelheidts, ende niet rustigh, ter doodt begeevende, het leeven liet, 151 22) Geen' kleene konst is'tden bewindshoofden, als 'tgeluk den voet dwers zet, het morren des graauws t'ontstaan: wiens wreevelheit inweederspoedt voor een' wyze heeft, haar' gal door verwyt teloozen, 399 23) Den hongherighen Wolf een Echel juyst ontmoeten, En wist niet hoe hij mocht zijn honger aen haer boeten, Vermits zij wrevligh stack haer borstels overeynd, (ed WB) 1,637 24) Men vind menschen die alles op het wrevelighste nemen, en op het schots duyden, wat haer voorkomt: die beternis van 'tminste onghelijck begheeren, 2,330 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 91 delijk plaatsen tegengekomen, waarbij ik omtrent de betekenis weifelde Als Rodenburgh schrijft (Poëtens Borst weringh 244): ‘Swijght nu doodtvyandin, die immer zo verzaeght, my morrich hebt gheplaeght: Dijn wrevelich gezint, dijn fellich teghen stryden, Niet dartelt meer in lust’, dan aarzel ik bij de interpretatie tussen ‘nors’ en ‘opstandig, overmoedig’, en evenzo kan men onzeker zijn van de betekenis bij de volgende plaats uit Hoofts Nederl Hist 314: ‘Hasselaar (plagh) te vermaanen, hoe hem sint meenighmaals moeide, dat hy Meester Quiryn, in 'tgaan ter doodt, wreevelmoedelyk afgevraaght had, oft hem wel heughde zyn pooghen om Dirk Hasselaar zynen vader om 'tleeven te helpen’ Zowel ‘korzelig’ als ‘boosaardig’ kunnen hier nl bedoeld zijn Trouwens er is nog een andere oorzaak waardoor men vaak in het duister tast bij de interpretatie: veel van de genoemde afleidingen en samenstellingen zijn puur litteraire woorden Des te merkwaardiger is het dat het taalgevoel zó zuiver zijn weg heeft gevonden dat het na een gebruik van enige eeuwen 25) het Duitse bastaardwoord heeft laten vallen en alleen het inheemse znw wrevel met de afl wrevelig heeft vastgehouden tot op de huidige dag Want al is wrevel geen woord uit de gewone spreektaal (de uitspraak met w is er om dit te bewijzen), het is toch stellig meer dan een papieren woord, en wrevelig heeft dunkt mij een nog iets ruimer gebruikssfeer Nadat ik het tot nu toe als een postulaat of althans op puur semantische gronden heb aangenomen, wil ik nu trachten formeel te bewijzen dat wrevel inderdaad van Nederlandse oorsprong is Ik meen daartoe het best te kunnen uitgaan van een paar plaatsen, waar wrevelen voorkomt in een andere betekenis dan ‘wrokken, nors zijn’ In de eerste plaats geeft Mellema in zijn editie van 1618 wrevelen als equivalent van krevelen, naar welk laatste woord hij verwijst En krevelen vertaalt hij door se démanger ‘zich krabben, jeuken’ Hexham (ao1658) 25) De jongste voorbeelden die van het adj wrevel zijn gevonden zijn uit Staring (1, 70; ao1827 en 2,180; ao1832); van de samenstellingen komen wreveldaad en woord nog bij Van Moock (ao1846) voor, terwijl Bilderdijk uit de jaren twintig nog wrevelmoed en moedig, wrevelvoedend en wrok, zin en zuchtig oplevert en vd Palm wrevelmoedigheid Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 92 heeft deze gelijkstelling van Mellema overgenomen Men moet aannemen dat deze opgaven beantwoorden aan de taal hunner dagen, want aan Kiliaan, wiens woordenboek Mellema en Hexham anders op de voet volgen, hebben zij deze kennis niet te danken Verder is er een merkwaardige plaats uit Rodenburghs Poëtens Borstweringh, nl waar hij op blz 244 schrijft: ‘Beswymelt niet uw' hert als ick gheboeydt in uw herts borne legh? Ia wrevel met gheweldt om uyt mijn kluys te wroet'len’ De beste interpretatie van dit wrevelen is, meen ik, ‘zich inspannen, zijn uiterste best doen, zich weren’ Opmerkelijk is verder hetgeen A Valentijn schrijft ter vertaling van een regel uit Ovidius' Remedia amoris 26):‘Siet gij niet, hoe stugger de stieren eerst onder 'tploegjuk wrevelstaarten ?’ (Dl 1, 233; ao1678) Letterlijk zal dit laatste ww betekenen ‘de staart in heftige beweging hebben, met de staart slaan’ en het hele begrip dient om een ‘zich verzetten’ weer te geven Meer oneigenlijk gebruikt Bilderdijk het als hij dicht: ‘Trots, den kop om hoog geheven, 't Voorhoofd door den spijt gesteven, Mort en wrevelt tegen 'tleed’ (Dl 8, 223; ao 1820) Ook hier een ‘zich verzetten’, maar alleen in de geest, en datzelfde begrip drukt hij elders uit door tegenwrevelen: ‘Deze (tw de “Dichter van natuur ”) zingt niet voor een wareld, die, tot enkel slijk verlaagd, 'tEngelaartig Hemelsche uitdooft, dat zy tegenwreevlend (dat is: tegen haar zin )draagt’ (Dl 12, 253, ao1825) Naast dit wrevelen is een adjectief wrevel denkbaar op dezelfde manier als wankel naast wankelen bestaat, en de betekenis er van moet dan zijn ‘geneigd te wrevelen, zich te verzetten’ Doch wrevel kan men zich ook op dezelfde manier naast wrijven denken als kregel naast krijgen staat 27)Men moet dan echter aannemen dat de oudste betekenis van wrijven ook is geweest ‘zich krachtig bewegen’ Het subst wrevel kan later naast wrevelen zijn gemaakt naar analogie van haat naast haten, wrok naast wrokken, hoop naast hopen enz En het bnw is ten slotte tot wrevelig verlengd, misschien ook om homonymie te vermijden; verg echter vormen als wankelig, kregelig, korzelig, poezelig 26) Vs 235: Aspicis, utprensos urant iuga prima iuvencos 27) Zie Schönfeld, Hist Gramm 4188 (§ 136, c);Kluge, Nominale Stammbildungslehre 395 (§ 192) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 93 Naast wrevelen en wrijven komt ook een vorm met gegemineerde consonant voor: wribbelen (verg evenzo kibbelen naast kijven ),waarvan De Jager in zijn Wdb der Frequentatieven enige bewijsplaatsen geeft, oa uit Bredero's Lucelle 28):‘Daar leyt yet in mijn harsen En 'twemelt door mijn bloet Dat my dees quelling doet, Ja 't wribbelt sich soo vart Tot midden in mijn hart’, waar zich wribbelen moet betekenen ‘al bewegende binnendringen, zich naar binnen wrikken’ Op de tweede plaats in Lucelle leest men ‘Ick slacht 'tgewonde hart, dat met zijn snelle voeten Zyn eygen doot verhaast, of wanneer alst met vroeten De welgetroffen pijl wil wriblen uyt zijn sy, En drucktse dieper in’ Hier moet wribbelen uit de zin hebben van ‘al wrikkende trekken uit’ Bewribbelen komt in de Klucht van den Molenaar 29) voor, waar de molenaarsvrouw (vs 171 volg) zegt: ‘Ick moet de rookuwen (van de vis )Selfs bewribbelen en schoon maken (di al wrijvende schoonwassen )en 'tbloet daer uyt duwen’ Ook het Nederd kent wribbeln voor ‘zwischen den Fingern reiben oder zerreiben’; aldus wordt het opgegeven in BremNs Wtb 5, 297, en op dezelfde bladzijde treft men ook het adj wrevel aan: ‘een wreveln Keerl’ wil zeggen ‘ein rauher, grober Kerl’ 30)Misschien mag die betekenis in verband worden gebracht met ‘grimmig’ en ‘nors’ die het Nederlands kent; dat lijkt althans aannemelijker dan de combinatie met frevelhaft die het Wtb zelf geeft Maar nog moeilijker is een andere nd opvatting van wrevel thuis te brengen Men kan daar nl zeggen: een wrevel Eten voor ‘widerliche Speise, die sich wehret’ en Dat rukt wrevel voor ‘das riecht widerlich’ Mijns inziens heeft het woord hier eenzelfde causatieve betekenis gekregen van ‘wrevel, tegenzin, walging verwekkend’ als ik een paar jaar geleden heb aangetoond voor beu :‘Een spijs wert beu in't eten’ zegt Bredero (2, 369) in zijn Angeniet, en bedoelt daarmee ‘als men altijd dezelfde spijs eet, gaat ze tegenstaan’ 28) Bredero 1,330 en 1,378 29) Bredero 1,275 30) Bij het subst tekent het Wtb aan: ‘wir sprechen diesz Wort mit einem waus: und unsere Vorfahren haben es auch so geschrieben’ Het ziet er dus naar uit dat inNederduitsland dezelfde verwarring heeft plaatsgehad als bij ons Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 94 Merkwaardig is ook nog hetgeen Mensing 31) in zijn woordenboek over wrewel en wrewelig zegt Als eerste betekenissen van het substantief vermeldt hij ‘Frevel’, ‘Übermut’, ‘Kühnheit’, ‘Trotz’, bv ‘dat is jo'n Wrewel (wenn man unglückbedeutende Vorzeichen nicht beachtet)’ Doch daarop laat hij volgen: ‘Gewöhnlich abgeschwächt zu der Bedeutung “Miszstimmung”, “üble Laune” Evenzo komt bij wrewelig na een opvatting “aufsätzig”, “widerharig”, “streitsüchtig”, “gewalttätig” een tweede “in abgeschwächter Bedeutung: “mürrisch”, “ärgerlich”, “verdrieszlich”, miszmutig”’ Mensing houdt dus, evenals de Nederlands etymologen, de woorden die ‘misnoegd’ en ‘misnoegdheid’ betekenen voor identiek met hd Frevel Kiliaan geeft een frequentativum wremelen op, in de zin van ‘motitare, palpitare’, dat op dezelfde manier naast nd wrîmen ‘wrijven’ staat (zie FranckVan Wijk) als wrevelen naast wrijven Ons wriemelen houd ik in principe voor dezelfde vorm als wremelen, maar met een andere ontwikkeling van de korte ogerm ĭ(Vergelijk tiepelen naast tepelen, kietelen naast ketelen, die soortgelijke vormenparen te zien geven) Ook gutturale ‘inlautende’ consonanten komen voor: De Jager heeft bij zijn Frequentatieven onder wrevelen al gewezen op een vorm vregelen die bij Schuermans te vinden is, en die ‘kouwelijk zijn’ betekent Deze opvatting zal misschien zijn afgeleid uit ‘rillen, bibberen, sidderen’ Daarnaast, met een opvatting die dichter bij wrevelen komt, vriegelen ‘moeilijkheden opwerpen, in een gesprek niet willen toegeven’ De stamvocaal hiervan zou misschien met de ie van wriemelen en tiepelen op één lijn mogen worden gebracht Schuermans zelf houdt de vr‘anlaut’ blijkbaar voor secundair ontstaan uit wr Dat dit juist zal zijn, blijkt uit enige vormen die Mensing 32) geeft, nl een ww wregeln in de zin van ‘nörgeln’, ‘murren’, ‘brummen’ (waarbij de samenst wregelpott ‘murrkopf’) en een adj wregeli (g)‘mürrisch’, ‘ärgerlich’, ‘unzufrieden’, ‘brummig’ Ook zal een mnl adj wrijch, mnd wrîch ‘stijf, eigenzinnig, onbuigzaam, trots’ hierbij kunnen horen, evenals met ‘ablaut’ meng wrâh ‘ver 31) SchleswigHolsteinisches Wörterbuch 5,710 volg 32) aw 5,709 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 95 keerd, halsstarrig’ Al die woorden staan in betekenis niet al te ver af van wrevelig Dat al de tot dusver genoemde vormen met wr ‘anlauten’, zal geen toeval zijn Mensing 33) zegt daarover het volgende: ‘In fast allen mit wr anlautenden Stämmen kommt die Überwindung eines Widerstandes durch Stoszen, Drehen oder Winden zum Ausdruck; es wird damit wohl ursprünglich das Geräusch nachgeahmt, das der von der Handlung betroffene Gegenstand von sich gibt Die lautmalende Kraft wird noch heute in vielen Fällen deutlich empfunden (vgl wrickeln, wringen, wrucken, wrangeln, wrasseln ),und zwar nicht blosz bei Verwendung in eigentlicher sinnlicher Bedeutung, sondern auch bei Übertragung auf das Gebiet des Gemütslebens So bezeichnen zahlreiche mit wr anlautende Adjektive Menschen, die infolge ihrer Charakteranlage andern gern Widerstand entgegensetzen, querköpfig, eigensinnig, mürrisch sind’ Deze opmerkingen zijn dunkt mij voor het Nederlands van even veel waarde als voor de SleeswijkHolsteinse dialecten, want de betekenissen ‘draaien’, ‘buigen’ en ‘winden’ verdienen ook voor het Nederlands de aandacht, zoals uit het volgende zal blijken Het mnl kent nl naast het adj wrijch een homoniem zelfstandig naamw voor ‘wreef van de voet’, waarvoor Kiliaan een vorm wrijf opgeeft Waarom men algemeen de vormen met labiaal (wrijf en wreef )bepaald voor jongere vervormingen houdt van die met gutturaal, is mij niet duidelijk Er is in het moderne Nederlands nl geen reden om wreef met wrijven in verband te brengen, zoals Van Wijk meent dat gebeurd is En de verklaring die spreekt van assimilatie van ‘auslaut’ aan ‘anlaut’ zegt iets dat onbewezen en onbewijsbaar is In een oudere periode van het Germaans of Indogermaans is het verband van wrijven met wreef en wrijf via betekenissen als ‘buigen’ en ‘draaien’ (de wreef is het gebogen deel van de voet) echter evengoed mogelijk als die van mnl wrijch met bv eng wry, dat ‘scheef’ of ‘gedraaid’ betekent Voor wrijven neemt men nl 33) aw 7,695 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 96 ook wel een begrip ‘door draaiende beweging stukmaken’ (bv in een mortier of vijzel) als oorspronkelijk aan Met een gutturale consonant aan het einde van de woordstam kan men ten slotte nog wrikken en wriggelen 34) noemen, die in betekenis zeer dicht bij wribbelen staan, en wringen waarin soms ook het begrip van draaiing aan het licht komt In de mnl Sassenspiegel komt bovendien nog wrigen voor in de zin van ‘draaien, winden’ 35) Als de hier gegeven rapprochementen deugdelijk mochten blijken (en ikzelf heb daar wel enig vertrouwen in), dan zou wrevel in zijn Nederlandse betekenissen dus in oorsprong ver afstaan van het hd adj frevel dat men sedert Kluge algemeen voor een samentrekking houdt van het ogerm praefix fra en een stam die nog te vinden is in md evel ‘vermetel’ en in ohd avalôn, afalôn ‘in ijverige arbeid bezig zijn’, on afl ‘kracht, sterkte’ en in got abrs ‘sterk’ Dat de verstrooide parallellen waarin wr in plaats van vris geschreven, door AC de Jong in zijn proefschrift over Spieghel bijeengebracht (wreckaerd, wreten en wreckheyt ),maar een povere steun zijn voor de etymologie die wrevel uit vrevel en dit uit frevel verklaart, is duidelijk voor ieder die op het verschil in importantie van beide verschijnselen let Wrek en wreten zijn niets dan hypercorrecte spellingen van vrek en vreten, zogenaamde ‘graphies inverses’, maar ze beantwoorden aan geen enkele levende realiteit in onze taal, waarin ze even onbestaanbaar zijn als *wrolijk, *wrij of *wreselijk Als *wreselijk inderdaad een onmogelijke vorm is, dan moet men het evenzeer voor onmogelijk houden dat de door de heer Stapelkamp 36) genoemde vormen Twents en Oostfries wressem, Westfaals vrissen (vis daar in oorsprong w),identiek zijn met vreessam (een in het mnl bestaand adj met de betekenis ‘vreselijk’) Immers, een overgang van wr tot vris heel gewoon en in de dagelijkse spreektaal gemakkelijk te observeren: vrijven, vringen, vreed zijn natuurlijker 34) Bij Weiland voor ‘wrikken’; inhet Gronings vriggen̥ ‘met kracht, maar met moeite heen en weer bewegen’ (Ter Laan) 35) De Jager geeft inzijn Frequentatieven 1,926 ook een ww wrygen ‘draaien’ uit de Geld Volksalmanak van 1874 36) Ts 68, 72 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 97 vormen dan die met wr Het Gronings gaat met franterg (geneigd tot mopperen) en frantern̥ (mopperen, met een nors gezicht rondlopen) zelfs nog een stap verder; deze woorden zijn nl stellig identiek met nd wranterg, zodat een overgang wr > vr>frmoet worden aangenomen De Jager (in zijn Frequentatieven )geeft trouwens ook enige voorbeelden van fribbelen naast wribbelen, die op eenzelfde overgang wijzen De omgekeerde gang is echter nog nooit aangetoond en is mi ook onbewijsbaar De vraag is dan echter, of er een andere verklaring voor wressem (en vrissen )is te vinden dan die van de heer Stapelkamp Ik wil daartoe een poging wagen Opgemerkt dient allereerst dat de naam van de ziekte maar heel zelden de volle uitgang sam vertoont, nl eenmaal in Diefenbachs Glossarium, waar vressam naast vressem wordt gegeven 37),en eens in het Neu vollkommen KräuterBuch van Tabernaemontanus, waarin Freysamkraut 38) voor Viola tricolor isaangetroffen Overal elders is de uitgang sem, sen, of zelfs sm 39) of smen Het adj vreessam echter heeft onveranderlijk sam als tweede lid Uit een en ander volgt dat het substantief wellicht niet met het suffix zaam is gevormd, en het moet zelfs voor mogelijk worden gehouden dat oorspronkelijk tussen sen m geen vocaal heeft gestaan Dit gevoegd bij een wr in ‘anlaut’ (want hieraan moet men mi bepaald vasthouden) zou leiden tot een stamvorm *wresma ,casu quo (men denke aan de vorm vresmen bij Lübben en Walther) *wresman Nu kent het Ogerm abstracta van adjectiva op man, waarvan Kluge in zijn Stammb 40) voorbeelden geeft uit het Ohd en de Skandinavische talen Het lijkt niet al te gewaagd ze dan ook aan het Nederd, bv aan het Os toe te schrijven Stel dat die sontstaan was uit ss en die uit þþ, een geminatie van þ, dan zou men misschien kunnen komen tot een stamvorm *wraiþman Daarbij zou men dan echter tevens een verkorting van êvr>fr is hierboven al eerder gesignaleerd, zodat men gerechtvaardigd is ook deze vormen voor inheems te houden Men moet dan echter aannemen, dat een woord dat thans nog alleen in het oosten een verborgen bestaan leidt, in de 17de eeuw tot in Holland, Antwerpen en Brabant bekend is geweest Leiden †JH VAN LESSEN Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 100 Fries oes ,uis Stapelkamp heeft in Ts 68, 74 (1950) de aandacht gevestigd op het merkwaardige woord ooshout, dat in ZuidHolland, Utrecht en de westelijke Veluwe gebruikt wordt als benaming voor het dwarshout waar de zelen van een trekpaard met lussen of stroppen aan vastgemaakt worden Het eerste lid oos identificeert hij terecht met Nederduits en Hoogduits öse, dat hij, met de etymologische woordenboeken, afleidt uit Germaans *aus Na geconstateerd te hebben dat het woord in het Middelnederduits ook zonder umlaut voorkwam, dus als ose, gaat hij verder: ‘In het tegenwoordige Fries treffen we 'tsubstantief, ook zonder Umlaut, zij 'tmet andere vocaal, aan als oes, uis ’Over die ‘andere vocaal’ in het Fries geeft hij verder geen opheldering Toch was dit niet overbodig geweest, want het is niet duidelijk hoe Fries oes, uis uit een Germaans *aus kan ontstaan, met of zonder umlaut We zouden regelmatig in het Oudfries *âse of *êse, en in het moderne Fries *eas of *ies verwachten Als Fries oes inderdaad een Germaans *aus representeert, moet de au eerst in een Frankisch dialect tot oo geworden zijn en moet dit *oos vervolgens in het Fries geïmporteerd zijn in een periode voor de Oudfriese ôzich tot oe had ontwikkeld Een vrij ingewikkelde constructie! Maar groter bezwaar dan de ingewikkeldheid is dat het bestaan van *oos als Frankisch woord ervoor verzekerd moet zijn Dit laatste nu lijkt mij moeilijk aannemelijk te maken Stapelkamp vermeldt Fries oes in twee betekenissen, ten eerste ‘lus, strop aan de strengen van een paardentuig’ (de betekenis die oos in ooshout ook moet hebben) en ten tweede ‘oog om een haak in te doen’ Hij vertelt er niet bij dat de laatstgenoemde betekenis ook bij overeenkomstige Groningse en Twentse woorden voorkomt Ter Laan geeft het woord dat met Fries oes correspondeert op in twee vormen, uitsluitend in het meervoud, nl ouzn en houzn De hin de tweede vorm is natuurlijk secundair en Ter Laan zal wel gelijk hebben als hij hem aan de invloed van hoakn toeschrijft, het woord waarmee ouzn steeds verbonden voorkomt Als Gronings ous een regelmatig ontwik Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 101 kelde vorm is, kan hij evenmin als Fries oes uit een Germaans *aus zijn ontstaan, wel echter uit *ôs Bezoen vermeldt in Dial Enschede 19 het woord in de vorm euzn, eveneens uitsluitend in de verbinding haakn en euzn Uit het feit dat hij het behandelt onder de gevallen van gm ômet umlaut blijkt dat men ook buiten het Fries en Gronings om tot een grondvorm *ôs kan komen Naast Fries heakken en oezen, Gronings hoakn en ouzn en Twents haakn en euzn kan men wellicht ook nog een Noordhollands haken en (n)ozen stellen, weliswaar niet in het moderne maar in het 14de eeuwse Noordhollands Verdam plaatst MnlW 4, 2550, iv nose (di ‘neus’), het volgende citaat uit Rek v Egm 26 :‘An haken ende an noosen xxiiii pont yserwercs’ (ao1388) Het ligt voor de hand hier aan ‘haken en ogen’ van groot formaat te denken De voorgevoegde nin noosen kan evenals de voorgevoegde h in Gronings houzn verklaard worden uit de geïsoleerde positie van het woord in het lexicale systeem Ondoorzichtige woorden staan aan allerlei spontane veranderingen bloot De uitspraak van de oo in noosen blijft onzeker en kan dus oe zijn geweest als in Fries oes of oo als in Zuidhollands ooshout Voor de etymologie is dit echter van geen belang Aangezien Holland, Utrecht en de westelijke Veluwe meermalen als Ingweoons relictgebied optreden (men denke bijvoorbeeld aan de pronominale vorm joe of jou )zou een representatie van Germaans ôdoor oo hier immers geenszins onverklaarbaar zijn Samenvattend kan men zeggen dat het gebied waarin de verbinding haken en ozen (oezen, ouzen, euzen )optreedt (NoordHolland, Friesland, Groningen, Twente) samen met het gebied waar ooshout voorkomt een Ingweoons relictgebied in ruimere zin vormt; dat althans in Friesland en Groningen de vormen wijzen op een Germaans *ôs ;en dat de vormen in Holland, Utrecht, de westelijke Veluwe en Twente zich niet tegen een verklaring uit een grondvorm *ôs verzetten Voor een Frankisch *oos uit een Germaanse grondvorm *aus zijn daarentegen in het Nederlandse taalgebied geen aanwijzingen te vinden Aan het Nederduitse materiaal dat Stapelkamp in het geciteerde artikel bijeen heeft gebracht ‘kan ik niets toevoegen Aangezien de Nederduitse dialecten een Ingweoons substraat bezitten, kunnen ose of öse zonder bezwaar verklaard worden als Ingweoonse relictwoorden De vorm van ose, öse verzet zich niet tegen een grondvorm *ôs Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 102 Wat het Hoogduitse öse betreft, dit is in het Oudhoogduits niet overgeleverd en treedt in het Middelhoogduits pas laat op De hypothese is dus toelaatbaar dat het woord uit het Nederduits in het Hoogduits is binnengedrongen In dit geval zou men dus uit een Ingweoonse grondvorm *ôs alle latere vormen kunnen verklaren Wanneer men inderdaad van Ingweoons *ôs mag uitgaan, zou deze vorm niet geheel geïsoleerd staan in het Germaans, maar verbonden kunnen worden met Oudijslands aes ‘gat in de rand van een schoen waardoor een riem gestoken kan worden’ (uit *ansi ) Buiten het Germaans behoren hier oa bij Litauws ąsà ‘hengsel, oor, lus’ en Latijn ansa ‘hengsel, oor, oog in de schoenzolen waardoor de riemen getrokken worden’ De betekenissen van deze woorden uit zeer uiteenlopende talen zijn merkwaardig gelijk aan elkaar en ook merkwaardig gelijk aan die van Nederlands en Fries oes, ous, uis, oos, Nederduits en Hoogduits öse Met deze betrekkingen moge het intussen zijn zoals het wil, de constructie van een Ingweoonse grondvorm *ôs, hoe dan ook verder te etymologiseren, verdient vooral met het oog op Fries oes en Gronings ous toch wel ernstige overweging Hij kan ons ook helpen de zonderlinge vorm uis te verklaren, die we tot dusver buiten bespreking hebben gelaten Een Oudfries *ôse ‘oog, lus’ moest namelijk samenvallen met een ander, wel overgeleverd, Oudfries woord ôse ‘overstekende rand van een dak’ (uit een Germaanse grondvorm uƀisu̯o, Gotisch ubizwa )Ook dit woord luidt in het moderne Fries oes en heeft naast de klankwettig ontwikkelde vorm eveneens een bijvorm uis Dit laatste uis kan zonder veel moeite verklaard worden en wel als een ontlening aan het hollands Uit de citaten die Verdam geeft iv ose kies ik enkele Hollandse: ‘Een ladder alsoo lanc datse iivoet boven der oeysen van sinen huyse gaen sal’ (Rv Brielle );‘Een ladder also lanc daer hi mede op sijns selves oysen van sinen huse climmen mach’ (Wfri Stadr )Deze voorbeelden wijzen erop dat *ove (in het woord *ovese )zich in het Hollands kon ontwikkelen tot een diftong die, als hij zich handhaafde, in de vergaarbak van het foneem ui2terecht moest komen Hoewel de vorm uis, met ui2,in het Hollands niet is overgeleverd, heeft hij er dus zeer waarschijnlijk wel bestaan Een overeenkomstige ontwikkeling Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 103 als uis vertonen haik, Zuidhollandse bijvorm van havik (het MnlW geeft voorbeelden van haik uit Bartholomeus Engelsman en van de afleiding haikier uit rekeningen van Gerart Potter) en de Zuidhollandse dialectvorm heit voor heeft (uit hevet )De palatalisering, of althans vocalisering, van intervocalische vis blijkbaar een klankontwikkeling geweest die soms in het minder verzorgde Hollands van de 14de of 15de eeuw is opgetreden, maar die zich maar bij uitzondering heeft kunnen handhaven en in geschrifte demonstreren, doordat hij in de meer verzorgde taal werd weggecorrigeerd Daardoor ontbreken in het latere Hollands zowel voorbeelden van haik als van uis In het Fries heeft uis zich wel gehandhaafd, omdat deze vorm daar niet als incorrect werd gevoeld En niet alleen dat uis zich heeft kunnen handhaven, het heeft er zelfs een betekenis bijgekregen! Toen uis als bijvorm van het inheemse oes in het Fries ontleend werd, betekende oes er zowel ‘uitstekende rand’ als ‘oog, lus’ Het lag dus voor de hand dat het nieuwe uis er, naast de betekenis ‘uitstekende rand’ die het uit zijn land van herkomst had meegebracht, ook die van ‘oog, lus’ zou aannemen Deze constructie steunt op twee premissen: ten eerste dat er inderdaad vroege (15de of 16deeeuwse) taalkundige Hollandse invloed in Friesland is geweest (zie argumenten hiervoor Ts 64, 137 en noot 15) en ten tweede dat de grondvorm van Fries oes ‘oog, lus’ vóór deze invloed is samengevallen met de grondvorm van Fries oes ‘uitstekende rand’ Het laatste kan alleen, wanneer beide ôse hebben geluid in het Oudfries En dat sluit *aus als Germaanse grondvorm voor oos, oes, ous ‘oog, lus’ uit Zo bevestigt de etymologie van uis die van oes Loont deze peuterige redenering over een zo gering detail wetenschappelijk wel de moeite? Ik meen van wel Wij komen er immers waarschijnlijk een interessant ingweonisme door op het spoor ieder ingweonisme is nog interessant in dit stadium van het onderzoek en, als de verdere aanknopingen juist mochten blijken te zijn, vinden we er bovendien een representant van een Indogermaans woord mee dat verder maar zeer schaars in de Germaanse talen vertegenwoordigd is Daar kan men wel wat etymologische heakken en oezen voor over hebben! Djakarta, October 1951 K HEEROMA Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 104 Duynen (?) In het artikel van P Julius OFM Cap over Jan van den Dale's ‘De wre vander doot’ en het boek Job in de laatste aflevering (Ts LXX, blz 21 ev) heeft Dr CC de Bruin een noot geplaatst (blz 28, n 4), die enige commentaar behoeft Het gaat over het ww duynen in Wre vander doot r1008: ‘Minen gheest die duynt /tijt /wre gaet af’ Allereerst merkt De Bruin op, dat Dr G Degroote tevergeefs naar dit ww heeft gezocht in Mnl W en WNT, maar dat hij in Oudemans de betekenis ‘inslapen, sluimeren’ vond, die hij bruikbaar acht voor deze plaats Inderdaad schrijft Degroote op blz 112 van zijn uitgave van Jan van den Dale's Werken ‘duynen inslapen sluimeren; komt niet voor in Mnl noch Ned Wdb, wel in Oudemans II, 170’ Slaat men Oudemans echter op, dan vindt men daar geen ww duynen, wel echter een ww duimen ‘sluimerig of vadsig zijn Meyer’ Degroote heeft dus duinen voor duimen gelezen Dit ww duimen is bovendien door Oudemans of Meyer onjuist verklaard Omdat duimen gewoonlijk in combinatie met sluimen (opgevat als sluimeren, dus als Sluimen (III) in plaats van Sluimen (II)) voorkomt, is er doodleuk een betekenis ‘slapen’ aan toegekend; men zie voor de juiste betekenis, tw ‘pret maken’, enz WNT op Duimen (II) Naast Degroote's ‘inslapen, sluimeren’, waarvan hij de juistheid in het midden laat, pleit Dr De Bruin voor een andere opvatting van duynen Hij wil dit ww gelijkstellen aan dunnen, dat in Het Getijdenboek van Geert Groote voorkomt als letterlijke weergave van lat attenuare ;Jan van den Dale zou dan dat getijdenboek gekend en gebruikt kunnen hebben Dit zijn twee veronderstellingen, die op zijn minst zeer gewaagd zijn en in elk geval door niets worden gesteund Voor duinen =dunnen is mij geen parallel bekend en het gebruik van Geert Groote's getijdenboek is, nu dit niet als bron heeft gediend, volstrekt onzeker Gelukkig hebben we deze hypothese ook helemaal niet nodig De waarheid blijkt ook hier, zoals zo vaak, zeer simpel te zijn Met het raadselachtige duynen is namelijk niets anders bedoeld dan dwynen (met de niet onbekende verwisseling van uen w)en met dit destijds zeer courante werkwoord is het latijnse attenuari voortreffelijk verdietst (zie Mnl W op Dwinen, WNT op Dwijnen );de variant van Wre 1008 heeft trouwens verdwynt JJ MAK Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 105 Het zedelijk en godsdienstig leven van JJ Starter IDe Menniste Vryagie als criterium Voor vele literatuurbeoefenaars is tegenwoordig Starters Menniste Vryagie een van zijn beste aanbevelingsbrieven, maar datzelfde gedicht moet in het verleden, zelfs voor mensen die zich als ruimdenkend bij uitstek beschouwden, een steen des aanstoots geweest zijn Het vermoeden is zelfs gewettigd dat het juist deze pakkende satire geweest is, waardoor Starter lange tijd gebrandmerkt is als de zedeloze auteur van het beruchte liedeboek In de veelgelezen roman Het Leven van Maurits Lijnslager heeft de Doopsgezinde A Loosjes Pz revanche genomen voor de smaad, het Menniste zusje eeuwen te voren door Starter aangedaan Niet dat hij nu juist veel ophad met de vroomheid van de zg fijnen, zoals blijkt uit zijn zedespel De Vroome en caricaturale figuren als de galmende Gereformeerde ‘wawelaar’ Ds L** en de bemoeizieke, hoogmoedige dweper Ds S**, benevens de biddende ouderling en zijn kwade wijf, die hij in de genoemde roman ten tonele voert 1)De Mennisten echter golden aan het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw als uiterst verlichte en deugdzame mensen, en het moet Loosjes gestoken hebben dat juist een Menniste meisje door Starter als een toonbeeld van huichelarij was voorgesteld Weliswaar noemt hij de Menn Vr niet, maar het lijdt geen twijfel dat hij het gerangschikt heeft onder die gezangen, welker dartelheid hij laakt Het is meer dan een merkwaardige speling van het lot dat het een Mennist was, die de reputatie van Starter in een voor dergelijke zedelijke veroordelingen gevoelige eeuw een gevoelige knauw gaf, waar Starters beroemdste gedicht twee eeuwen te voren de pijnlijkste satire van Menniste vroomheid was geweest die men zich denken kan De 1) Tweede druk (1814) IV, 23 ev; 260 ev; 164 ev Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 106 scherpe woorden waarmee Loosjes de dichter Camphuysen en het deugdzame jonge meisje Maria van Vliet in het begin van zijn roman het liedeboek van Starter laat veroordelen, zijn vernietigend voor deze Camphuysen houdt het de jonge Lijnslager voor ‘dat hij, die als Starter, door zijne gezangen de driften der jeugd, en bijzonder die der liefde, welke geene opwekking noodig heeft, de sterkste prikkels geeft, eene zeer zorgelijke zaak bij de hand neemt; ja dat hij zich tegen de maatschappij bezondigt, wanneer hij door de vonken, die hij verspreidt, de gemoederen in lichte laaije vlam zet; de hersenen der jonge lieden met dartele beelden vervult; den geest voor wezenlijke bezigheden ongeschikt en het hart voor waarlijk edele en groote indruksels minder vatbaar maakt’ En hij houdt hem die de hartstocht ‘onschuldig opwekt, reeds voor een onvoorzigtig, maar die dezelve door ongeoorloofde middelen, door betooverende schilderijen doet opbruisen, voor een gevaarlijk, zoo al niet voor een ondeugend, mensch’ 2) Dat Loosjes bij voorkeur Starter onder de vele dartele kluchten en minnedichters der 17e eeuw als zondebok uitkiest, verwondert mij niet, gegeven de, misschien onbewuste, kerkelijke geprikkeldheid die ik bij hem meen te moeten veronderstellen; dat het juist Camphuysen is die als kroongetuige tegen hem in het geding wordt gebracht, is, gelijk men weet, te danken aan het feit dat men hem heeft laten doorgaan voor de auteur van Klachte van Ian Iansen Starter als uyt het graf ghedaen, over syn dertel en ontuchtigh Liedtboeck: om te lesen en oock om te zinghen Op de wyse: Ick vryde op een tijdt een zoet Menniste Susje, met een afbeelding van een naakte man, wiens lichaam wordt uitgeknaagd door een worm Een ex van een afzonderlijke (oorspronkelijke) uitgave daarvan 3)is ingeplakt achter een ex van de 1e 2) aw l,16, 17 3) Niet vermeld inMM Kleerkooper's Bibliographie van Starter's Werken, 'sGravenhage, 1911 Ook elders vond ikdeze uitgave niet vermeld De wijsaanduiding behoeft niet serieus bedoeld tezijn Starters gedicht (men lette op de enjambementen) isbezwaarlijk incoupletten van vier regels teverdelen Brouwer inzijn Jan Jansz Starter (Assen, 1940), 63, meent dat ‘er pas later een lied van gemaakt is’, maar daarvoor isgeen bewijs Met de spottend bedoelde wijsaanduiding richt de criticus zich tegen het zi meest goddeloze gedicht van de bundel Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 107 druk van de Friesche Lusthof (1621), berustend in de Groningse Univ Bibl Hoe treffend sluit bij de lugubere gravure de eerste strophe aan: Hier leg' ick nu in 'tgraf, die met myn geyle dichten En Fieltsche Liedtjens plagh gantsch Nederlandt t'ontstichten, Hier leg' icnu in 'tgraf, der wormen spijs en spel, En wacht den jonghsten dagh, die my voor 'toordeel stel De auteur is blijkens str 11 geen Doopsgezinde: Ghy Overheyt, die 'tswaerdt ghekreghen hebt in handen, Om selfs door schrick en straf te weeren uyt uLanden Godloosheyt, schendery, onkuysheyt en al 'tquaet, Dat een verdurven ziel door slimme lust begaet, maar moet blijkens str 13 een Remonstrant zijn: Daer wordt wel menigh Boeck tyrannighlijck verboden En sulcken smet moet zijn van umet ernst ghevloden: Maer oock wordt menigh Boeck godlooselijck ghedooght, En zulcken smet ghy oock met recht wel vlieden mooght De dichter is Ds Christophorus van Langerack, naar Van Vloten 4)terecht heeft opgemaakt uit een 17e couplet, dat in bovengenoemde separate uitgave niet voorkomt, waarschijnlijk omdat de schrijver, toen hij het in of kort na 1623 (het jaar waarin de 2e druk van de Fr Lusth met de toegevoegde Menn Vr verscheen) uitgaf, liever als zodanig onbekend wenste te blijven In Apollo's Harp, bestaende in Nederduytsche Mengelrymen van byzondere stoffen by een verzamelt door NHAIM (= Geeraard Brandt), t'Amsterdam, 1658, luidt dit 17e couplet als volgt: Die dit Liedt zingt of leest, wilt na de naam niet vragen Des Dichters; ziet op 'teindt; schept gy daar in behagen, Ik, die 'tugeef, geef 'tutot stichting en vermaak, Eer ikin 'tgraf, 'twelk niet zal lijden Lange, raak De laatste regel zou er op kunnen wijzen dat de Remonstrantse predikant Van Langerack deze str in of kort voor 1658 heeft gerijmd 4) InDe Dietsche Warande VII (1866), 9194, 276 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 108 want in dat jaar ‘legde hij wegens ongesteldheid grootendeels zijn bediening te Waddingsveen neder’ 5) Dat Van Langerack openlijk voor zijn vaderschap uitkwam, is het gevolg van een hem min of meer tartende voorrede van zijn Remonstrantse geestverwant, de bekende Rotterdamse uitgever Joannes Naeranus: ‘De drukker aan den Lezer’ vóór het 4e deel van DR Kamphuyzens Stichtelyke Rymen (1658) Een vroegere uitgever van Camphuysens poëzie (1647) had nl het anonieme gedicht van Van Langerack onder de titel Starters Boeckbestraffing ten onrechte onder diens werk gerangschikt Deze al te ijverige en merkwaardigerwijze weer Doopsgezinde uitgever was Jacob Aerts Colom, in 1622 gedoopt bij de Waterlandse Doopsgezinden 6)Colom had er zelfs nog een schepje opgelegd door een eigengemaakt vierregelig bijschrift te plaatsen bij een gravure, die heel wat minder luguber is dan de bovenvermelde in de originele uitgave: Het wroegende gemoet, wat ist een wreede Beul Te spade vindt men troost, noch hulp, noch heyl, noch heul 'tVerwecke een yder dan zich selven wel te quijten In deugdes baen te gaen, noyt vrucht'loos tijdt verslijten Naeranus, die het door Colom ingevoegde strafdicht overnam, verklaart: ‘Het zevende en achtste Lied als ook 'tGrafdicht op Starter, spreken van zelfs datmenze eenen onrechten Vader toewijst, en is te verwonderen dat d'Autheur die noch leeft dit zoo geduldig aanziet, of zouw hij zig wel kittelen met die eerachting, dat jets van 'tzijne voor Kamphuyzens genomen word? is dit zijn oogwit, hy is verdoold, of vermaakt zich in 'toordeel van onbedreeve luiden, en dien Drukker, die om gewins wil 7) d'eerstemaal hem zoodanige dienst gedaan heeft’ Blijkbaar heeft de auteur kort daarna het stilzwijgen verbroken 5) Biogr Wdb vProt Godgeleerden V(1943), 545 Van Langerack †1660 6) N Ned Biogr Wdb IX (1933), 156160 7) Deze insinuatie bewijst hoe dit sensationele gedicht insloeg Volgens mij ishet motief van Colom vooral: kerkelijke geprikkeldheid; dat de bij velen geliefde Camphuysen Starter gestriemd zou hebben, was een schitterende tegenzet Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 109 Het is niet aan twijfel onderhevig dat deze twee ernstige ethische veroordelingen, de eerste in het begin van een populaire roman, de tweede in vele drukken van een der populairste geestelijke liedbundels der 17e eeuw, Starters reputatie ontzaglijk geschaad hebben Geheel onbevooroordeeld acht ik noch Colom en Loosjes noch Van Langerack De Mennisten hadden iets met Starter als satiricus te vereffenen Voor de Remonstrantse dominee zal Starter, hoezeer hij ook de geest van diens werk zal hebben afgekeurd, bijzaak geweest zijn Des Pudels Kern schuilt voor mij in str 13 Hij wil de Gereformeerde overheid er eens op attent maken, wat voor goddeloosheden ze vrijelijk laat drukken, terwijl ze de geschriften van zijn medebroeders verbiedt Zijn zedelijke verontwaardiging behoeft nog niet geveinsd te zijn, ze heeft wel een stimulans gekregen door het leed dat in de jaren 16191625 berokkend werd De overheid had zich trouwens enigszins tegen deze beschuldiging van het meten met twee maten kunnen verweren Ze heeft geaarzeld om het consent tot drukken te verlenen Op 19 Juni 1621 wordt het voor de Fr Lusth gevraagde octrooi kortweg afgeslagen Op 24 Sept 1621 kiest men een tussenweg: in het algemeen wordt verboden, binnen vier jaar ‘eenige gedichten Poemata Emblemata ofte eenige andere Rymeryen door Jan Janssz Starter Legum Studiosus tot Franeker gemaeckt’ na te drukken Op 8Sept 1625 wordt de verlenging van het octrooi evenwel afgewezen 8) Tegenover de afkeuring van sommigen stond in de 17e eeuw de waardering van velen 9)Jacob Colom verklaart in 1647 dat Starters liedboek ‘meest over al gevonden wert, oock selfs dickwils in seer treffelijcke ende ('t welck te beklagen is) andersins Godtvruchtige huysgesinnen’ JH Brouwer, Starters biograaf, acht het ‘begrijpelijk, dat de rechtgeaarde Calvinist zich moeilijk kon vereenigen met’ Starters werk Het is mogelijk, maar afgezien van de Calvinistische 8) Naar de Resol der StGen, afgedrukt door Kleerkooper, aw, 4950 Merkwaardig isdat de Staten van Friesland 13 Aug 1621 het privilege wèl verleenden (aw, 29) 9) JH Brouwer, aw, 122123 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 110 tegenwerking ten aanzien van de Leeuwarder Rederijkerskamer 10) zijn er geen bewijzen voor De ‘erge’ passages die Brouwer uit het liedboek aanhaalt, lijken mij minder aanstotelijk dan hij voorgeeft De vermaning van Starter om onder het genot van de wijn niet te redekavelen over ‘goddelijke zaken’, zijn mening dat het prijzenswaardig is ‘dat een man is wijs in zijn beroep en vrolijk bij de kan’ lijkt mij, wanneer ik bv denk aan de schuttersmaaltijden, niet zo onverdraaglijk voor menig toenmalig ‘rechtgeaard Calvinist’ Alle Calvinisten waren zeker niet puriteins en de ‘puriteinen’ waren veelal niet Calvinist Het feit dat Starter de gezelschapsdichter is geweest van de Friese magistraatskringen, wijst in tegenovergestelde richting Na een eeuw waarin over Starter weinig of niet gesproken wordt, een houding, volgens Eekhoff 11) te wijten aan het zg vers van Camphuysen, volgens mij mede toe te schrijven aan de veranderde zedelijke begrippen, komt hij in de 19e eeuw weer in ere Zonder te overdrijven kan men zeggen dat sindsdien algemeen de Menn Vr als zijn beste gedicht, althans als een zijner beste gedichten beschouwd wordt Merkwaardig is de opvatting van de 19eeeuwse Doopsgzinde CN Wybrands in zijn studie over Het Menniste Zusje 12)Hij acht het ‘een juweeltje onzer Letteren, zoowel om den vorm als om de uitbeelding van personen en toestanden’ ‘Ik geloof niet’ zegt hij, ‘dat iemand de lezing zal mishagen, of hij moest een neefje van Droogstoppel zijn’ 13)Evenwel laat hij bij het afdrukken van het gedicht r4750 achterwege 14)In zijn nog altijd lezenswaardige fraaie studie erkent hij mèt de Doopsgez Hoogleraar De Hoop Scheffer dat Starters verwijt van schijnheiligheid tov enkele Menniste zusjes ‘mis 10) De afwijzende houding van de Gereformeerden tegenover het toneel iseen hoofdstuk op zichzelf; inhet geval van Starter was er trouwens wel reden voor verzet, gelijk we zullen zien 11) Bloeml uit den Friesche Lusthof (1862), 127 12) Inhet 55e Jaarverslag van het Kon Oudheidk Genootschap (1913), 27107 13) aw, 69 ev 14) Busken Huet laat, terwille van het grote publiek, de laatste tien regels weg! (De Gids 1862 II, 944) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 111 schien wel gegrond’ was 15)In zijn milde slotconclusïe is men van Doopsgezind standpunt met Starters felle satire in het reine gekomen: ‘Het Menniste Zusje in ongunstigen zin was het ware Zusje niet, maar een terecht gegispte nabootsing, een diabolische karikatuur, van ons lieve, reine en vrome Doopsgezinde Zusje, dat door niemand inniger vereerd wordt dan door mij’ 16) Anderen, die zich niet hadden te bekommeren om de reputatie van het Menniste Zusje, prezen onvoorwaardelijk Had Jonckbloet 17) nog enige reserves vanwege ‘de al te groote dartelheid, die sommige zijner gedichten en daaronder niet de minst geestige, men denke aan zijne Menniste vryagie in onze dagen, met zoo geheel veranderde kieschheidsbegrippen, niet voor een iegelijk even genietbaar zal maken’, Ten Brink is verrukt over dit ‘allergeestigste’ gedicht 18)In zijn bekende novelle Jan Starter en zijn Wijf (1890) laat hij het door de dichter zelf zingen in het logement De Koning van Frankrijk: ‘Geen enkel gedicht van den Frieschen bruiloftszanger is zoo bekend geworden De Amsterdamsche kooplieden hoorden met eene eerbiedige stilte, totdat aan het slot daverende toejuichingen klonken toejuichingen, waarvan de echo nog in onze dagen heeft nagetrild’ (bl 203) Prinsen, Te Winkel en Kalff zijn eenstemmig in hun lof; de laatste acht het ‘Breero ten volle waard’ en verzekert zelfs dat het publiek er ‘zich’ in ‘verkneuterde’ 19) De algemene waardering van dit gedicht, ook nu nog, ondanks het feit dat het een bewerking van een Engels origineel is gebleken, maakt het aantrekkelijk, een poging te wagen, te doorgronden uit welke geestesgesteldheid het is voortgevloeid Is het mogelijk, er achter te komen, hoe Starter het er op gewaagd heeft, zich de haat van een destijds sterke bevolkingsgroep op de hals te halen? Deze vraag bracht mij op een probleem van nog algemener strekking, nl dat van Starters religieuze persoonlijkheid Wel zegt Brouwer: 15) aw, 4243 16) aw, 107 17) Gesch der Ned Lett III(1889), 97 18) Gerbrand Adriaensen Brederoô (1871), 266 19) Gesch der Ned Lett IV, 180182 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 112 ‘Slechts met toegefelijkheid kan men een drietal (142, 177, 249) als godsdienstige verzen, of tenminste als verzen met een godsdienstigen inslag betitelen’ 20),zodat het onderzoek weinig positiefs schijnt te zullen opleveren Hiermee is de zaak echter niet afgedaan: het blijkt dat er zelfs een zekere ontwikkeling in zijn religieus leven is te constateren Bovendien zijn er behalve positiefgodsdienstige uitingen nog negatiefgerichte, als bv hekelingen van schijnheiligheid II Starters Afkomst Starters leven is, evenals dat van Bredero, in de loop van de 19e eeuw omringd met legenden, die te danken zijn aan het feit dat men zo bitter weinig van hun leven afweet Al de lagen vernis die Ten Brink, Eekhoff ea over het tafereel van zijn leven hebben gelegd, moeten zorgvuldig verwijderd worden, en met al de bekende, vaststaande feiten moet tot het uiterste gewoekerd worden De Duitse emigrant Gerth Schreiner heeft, mede zich beroepend op de Geref hoogleraar in kerkgeschiedenis D Nauta, al gepoogd, de legende van zijn Brownistische afkomst te weerleggen 21)Hij betoogt: ‘Bij de Starternavorsingen is het tot nu toe weinig opgevallen, in welk een felle tegenstelling het latere leven van Starter en zijn werk staat tot de strenge puriteinse levensopvattingen der Brownisten en dissenters’ (bl 184) Ongetwijfeld juist opgemerkt, al kan men de daarop volgende redeneringen over het ‘levensgevoel van het Elisabethiaanse Engeland’, ‘waarmee hij zich onder de Calvinisten in Holland zoveel vijanden maakte’ en over ‘de vrolijke late glans van “merry old England” die over Starters kinderkamer gelegen heeft’ (bl 188) als pure fantasie beschouwen Starter neemt in het land van Roemer Visscher, Bredero en Frans Hals niet zo'n buitengewone positie in als hier gesuggereerd wordt Om de Brownistische legende afdoende te weerleggen, is het noodzakelijk nog eens alle gegevens over Starters jeugd bij elkaar te zetten 20) aw, 46 Brouwer verwijst naar de edVan Vloten van de Fr Lusth 21) De Gids 1936 III, 180195 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 113 1 Onder de ‘Marriage Licenses issued by the Bishop of London’ (15201610) 22) staat opgetekend: Nov 18 (1592) 23) John Startutt, Weaver, & Alice Robynson, of St Bride's, London, widow of Edward Robynson, late of same, Haberdasher; Gen(eral) Lic(ense) 2 Het omschrift van het portret in de tussen 13 Aug en 24 Sept 1621 gedrukte 1e uitg van de Fr Lusth luidt: Ioannes Starterus Anglo Brittannus Aeta 27 24) 3 In het Album der Franeker Academie werd hij ingeschreven als: Ioannes Starterus Londin Jurisprud 25) 4 In de naamlijst van huwelijken, gesloten of geproclameerd in de Herv Kerk van Leeuwarden staat vermeld: Jan Jansz Starter Boeckverkoper gebortich Bijnen Amsterlerdamme 26) Uit deze gegevens vallen de volgende conclusies te trekken: 1 De familie Startutt heeft niet behoord tot de zg Brownisten Immers de Brownisten, of Barrowisten, zoals men de in de jaren 1586 tot 1593 ten bloede toe vervolgden en voor een deel in 1593 en volgende jaren naar Nederland uitgewekenen noemde, waren volstrekte separatisten Ze vermeden elke relatie met de Established Church; ze beschouwden de ‘parish churches’ als tempels van de Antichrist en synagogen des Satans, zodat wie deze (vroeger Roomse) gebouwen bezocht, zich blootstelde aan excommunicatie; ze zagen in de bisschoppen vervolgers van de gemeente Christi; en ze doopten, vierden Avond 22) Deze plaats isdoor Kleerkooper geciteerd naar de uitg van de Harleian Society (1887), aw, XIX Ten onrechte meent hij dat de naam Robynson en het beroep van wever ‘wat meer vastheid (geven) aan de gissing dat des dichters familie tot de Brownisten behoord zou hebben, welke wegens de vervolgingen van Jacob Inaar ons land vluchtten’ Immers: 1oer waren niet zoveel wevers onder de Brownisten; 2ode bekende Brownistenleidsman John Robinson isgeboortig uit een gegoede plattelandsfamilie inde Midlands (Sturton leSteeple, Notts) Vgl Champlin Burrage, The early English Dissenters inthe light ofrecent research (15501641), Cambridge (1912) I,xien 376377; 3ode naam Robinson komt verder (evenmin trouwens de naam Starter ofStartutt) niet voor onder de honderden met name bekende Brownisten; 4ohet isonjuist om inverband met Starter aan de emigratie van 160708 te denken 23) Oude Stijl 24) Kleerkooper aw, 29 25) aw, XV 26) JH Brouwer, aw, 14 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 114 maal en trouwden in de geheime vergaderingen of conventikels van de door een ‘covenant’ aan elkander verbonden broeders De door Champlin Burrage geciteerde verklaringen van gevangen genomen Barrowisten laten daar geen twijfel over bestaan 27)Zozeer zat de vrees voor bemoeiingen van geestelijke en wereldlijke overheden met huwelijken van de gelovigen er in, dat in de eerste tijd de Barrowisten te Amsterdam er zelfs afkerig van schijnen geweest te zijn, huwelijken uit hun kring te laten registreren door de Commissarissen voor Huwelijkse Zaken 28)Als John en Alice Startutt Barrowisten waren geweest, zouden zij voor hun huwelijk geen toestemming hebben gevraagd aan de bisschop van Londen, ambtsdrager van een gehate kerk en notoir vervolger van de broeders Hoogstens zouden zij sympathiserend kunnen zijn geweest 2 Als John en Alice de ouders van onze dichter zijn geweest en er is geen reden, deze hypothese te verwerpen dan zijn ze in 1593, tegelijk met, misschien wel in gezelschap van de Barrowisten of ‘falsely called Brownists’ 29) naar Holland geëmigreerd Hun zoon werd immers in 1594 (op zijn vroegst ultimo 1593) te Amsterdam geboren 3 Dat Jan Jansz Starter een geboren Amsterdammer was, is veel aannemelijker gezien zijn volkomen vertrouwd zijn met het Hollandse milieu, zijn Nederlandse patriottische gezindheid en het ontbreken in zijn geschriften van elke persoonlijke relatie met de vele Engelsen die in Amsterdam woonden dan de vroeger aanvaarde hypothese dat zijn ouders zouden hebben deelgenomen aan de tweede 27) aw I,127, 144; II,31, 37, 41, 54, 56 Zo verklaart de bekende ‘pastor’ Francis Iohnson: ‘for marriage he doth not accompt that an ecclesiasticall matter, nor laid uppon the minister of god as adewetie ofhis ministerie’ 28) JG de Hoop Scheffer, De Brownisten teAmsterdam, Versl en Med Kon Ac, Lett, 2e RX (1881), 228 Jean de l'Escluse, een boekdrukker geboortig uit Rouaan, die in1594 aansluiting zocht bij de Amsterdamse Barrowisten en later ouderling bij hen werd, raakte in1595 ingrote moeilijkheden gewikkeld met de Waalse kerkeraad, omdat het huwelijk van zijn stiefdochter ‘avoit esté faict domestiquement entre les amis’, zonder kennisgeving aan commissarissen bovengenoemd 29) HM Dexter, The Congregationalism ofthe last three hundred years (1879), 271 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 115 Brownistische emigratie uit Scrooby en Gainsborough in NoordEngeland onder leiding van Robinson en Brewster in 1607 4 Dat de dichter zich in bepaalde gevallen Engelsman en zelfs Londenaar noemt, behoeft slechts op zijn afkomst, niet op zijn geboorte te wijzen Zelfs in ons kleine land kan iemand zich vol trots een Fries of een Groninger noemen, zonder in Friesland of Groningen geboren te zijn, alleen omdat zijn ouders er geboren en getogen zijn Bovenstaande reconstructie laat twee vragen open: 1 Welke motieven kunnen John en Alice genoopt hebben, naar Amsterdam te emigreren? 2 Is er te Amsterdam in en na 1593 een groep Engelsen aan te wijzen die zich niet hebben afgescheiden van de Church of England, en dus niet behoord hebben tot de ‘Brownistische’ gemeente(n) aldaar? Ad 1 Het jaar 1593 is in Londen een jaar geweest van religieuze onrust De kerkelijke autoriteiten vonden dat het nu maar eens afgelopen moest zijn met het gevaarlijke separatisme Het gevangen nemen van tientallen in hagepreken en huiselijke conventikels bijeengekomen Brownisten had niet geholpen; evenmin de schandelijke behandeling, hun in de gevangenis aangedaan 30)Er moesten voorbeelden gesteld worden: op 6April werden de leidslieden John Greenwood en Henry Barrowe gerechtelijk geëxecuteerd door ophanging; 29 Mei deelde John Penry dit lot In een land, waarin men geen Roomsen meer terechtstelde, werden drie gelovige Protestanten opgehangen, omdat ze zich hadden afgescheiden van de publieke kerk! Men kan zich voorstellen, wat een beroering dit gegeven heeft Wie niet ter kerke kwam, kon zich als suspect beschouwen 31) Emigratie is veelal, wanneer zij niet onder dwang geschiedt als bij de Brownisten, een gevolg van ontevredenheid of onbehaaglijkheid 30) Inde jaren vóór 1593 kwamen er alleen inde City van Londen 24 met name bekende Brownisten inde gevangenis om, vgl Burrage aw I,153 31) ‘A still more stringent measure was passed in1593, enacting imprisonment for those over sixteen years ofage who refused toattend the Established Church, with afurther provision ofbanishment ifthey persisted, and afinal sentence ofdeath ifthey returned from exile’: AM Myers, Representation and Misrepresentation ofthe Puritan inElizabethan Drama, Philadelphia (1931), 72 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 116 Men kan zich voorstellen dat vrijheidlievende geesten, verontwaardigd over geloofsvervolging, hun stadgenoten aangedaan, de drang in zich voelden opkomen, liever naar een land te gaan waar niemand om zijn geloof werd vervolgd Als onze dichter in die vrijheidlievende geest door zijn ouders is opgevoed, wordt zijn fel de intolerantie bestrijdende Geuzenpoëzie begrijpelijker John Startutt was een ambachtsman, en juist onder de ambachtslieden zaten de Brownisten Hun voorbeeld kan het jonge echtpaar hebben aangemoedigd Ook avonturenzucht kan een rol hebben gespeeld: de zoons Jan en Frans werden later ook typische avonturiers Amsterdam, dat juist weer begon met een nieuwe stadsuitleg, bood gaarne plaats aan honderden gezinnen, van heinde en verre samengestroomd 32)Ten slotte, de wever John Startutt kan al jong in aanraking geweest zijn met Hollanders In Engeland woonden veel Hollandse wevers 33),en elke Nederlandse patroon was verplicht, een Engelse leerjongen in dienst te nemen ‘and thus the sphere of their religious and material influence was extended in the most effective personal way’ 34) Ad 2 Er zijn in die jaren niet alleen Brownisten onder de Engelse emigranten geweest Zo heeft er te Amsterdam een merkwaardig persoon gewoond: Henoch Clapham, naar zijn voornaam te oordelen een Presbyteriaan 35)Over hem wisten De Hoop Scheffer en Dexter weinig licht te verspreiden, maar Burrage zoveel te meer ‘As he loved his liberty’ ging deze Engelse geestelijke zonder vaste standplaats, wsch in 1593, naar Amsterdam Hij reisde geregeld heen en weer van die stad naar Schotland, wat op Presbyteriaanse sympathieën wijst, en noemt zich in 1597: dienaar van ‘that poore English Congregation in Amstelredam’, in 1598 door hem aangeduid als ‘a Remnant of the 32) De Hoop Scheffer aw, 221, 225: de Engelsen vestigden zich vooral inhet nieuwe stadsgedeelte dat begrensd werd door Amstel, Munt, Reguliersdwarsstr, Amsterstr, Blauwbrug Vgl ook Dexter aw, 269 33) JLindeboom, Austin Friars (1950), 104 34) Myers aw ,70 35) Herbert Schöffler, Abendland und Altes Testament (1937), 48: deze voornaam werd gegeven onder invloed van de Geneefse Bijbel Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 117 ever visible Catholike and Apostolicke Church’ 36)Hij was een onafhankelijke geest, die daardoor blijkbaar enig gehoor vond bij sommigen, want hij schreef minstens 15 boeken Een andere belangrijke aanwijzing voor een tussengroep, nietAnglikaans en nietBarrowist, biedt ons John Paget in zijn An Arrow against the Separation of the Brownists, Amst 1618 Deze Paget was de eerste predikant van de in Febr 1607 na enige strubbelingen in de voorafgaande jaren tot openbaring gekomen Engelse Gereformeerde kerk van Amsterdam Hij noemt als de door Ainsworth en zijn Amsterdamse Brownistengemeente aangerichte schade: ‘First, the mindes of many are troubled and distracted hereby; even of such as do not separate, but have some liking thereof Secondly, for those that separate but do not yet joyne unto them, or being joyned do withhold from actual communion, living alone and hearing the word of God in no church, as some do’ 37) Men ziet het, er was genoeg geestelijke differentiatie onder de Engelse kolonisten, en men behoeft ook daarom niet Starters ouders onder de Barrowisten te zoeken Ik voor mij zou hen het liefst zoeken onder diegenen waarvan Burrage (I, 194) zegt dat zij ‘for purposes of business’ naar vreemde landen togen, en die ‘in the atmosphere of greater freedom undoubtedly became more liberal than would have been the case, had they remained in England’ Deze mensen, min of meer op zichzelf staand, moeten zich al spoedig aangepast hebben aan de Hollandse verhoudingen, wat te geredelijker kon, daar ze als nietBrownisten kerkelijk niet gescheiden waren van de Gereformeerden Volgens de in de Ned Geref kerken geldende opvattingen was de Church of England de Gereformeerde Kerk van God in Engeland 38);de ‘Brownisten’ daarentegen golden als schismatieken Leerden ze de Hollandse taal spreken (de mogelijkheid bestaat dat Starter Sr die taal al in Londen geleerd had, gelijk we boven zagen), dan was hun, ondanks het feit dat ze immigrant waren, de weg geopend tot een 36) Burrage aw I,196 37) Burrage aw I,171 38) ReitsmaVan Veen, Acta der Prov en Partic Synoden I(N Holl), 306 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 118 behoorlijke broodwinning 39)Geregeld EngelsGeref leven was er in Amsterdam niet vóór 1607 Vermoedelijk hebben de Starters zich al vrij vroeg aangesloten bij de heersende kerk Het feit dat hun zoon Frans in 1623 trouwde in de Grote Kerk te 'sGravenhage met een meisje uit Vianen, dat hun (vermoedelijke) zoon Rogier in 1626 in dezelfde kerk met een meisje uit Utrecht trouwde 40),en dat het huwelijk van de dichter zelf op 14 Aug 1614 te Leeuwarden in de Geref kerk werd bevestigd, wijst er op dat de familie Starter een NedGeref gezin heeft gevormd, zij het van Engels origine III Opleidingsjaren Brouwer (bl 9) merkt terecht op dat Starter de indruk maakt, goed thuis te zijn in de klassieken Het feit dat hij meest Latijnse werken uitgaf en zich later aan de Franeker hogeschool als juridisch student kon laten inschrijven, wijst op vertrouwdheid met het Latijn De keuze van zijn beroep wijst in dezelfde richting Van oudsher waren drukkers en uitgevers geleerden geweest, die de klassieke talen en/of de natuurwetenschappen beheersten Waar kan deze dichter, zoon van een Engelse wever en broer van een ‘toubacvercoper’ deze kennis hebben opgedaan? Hieromtrent valt niets te bewijzen, maar een hypothese is op te stellen Er is één figuur in de Engelse kolonie te Amsterdam geweest, die tot nog toe, wel in verband met Vondel 41),maar niet met Starter, genoemd is Waarschijnlijk in 1596 arriveerde te Amsterdam, in gezelschap van enige andere uit de gevangenis ontslagen ‘Brownisten’: Mathew Slade (Sladus of Sladius) Door zijn benoeming tot ouderling werd hij een der eerste ambtsdragers van de Engelse af 39) Iets wat zelfs sommige Brownisten deed afvallen van hun geloof De overigen bleven meestal arm en werden bedeeld: De Hoop Scheffer aw 226, 231, 375 40) Kleerkooper aw, VIVII 41) Vgl BH Molkenboer, De Jonge Vondel, Amst (1950), 310; de hypothese dat Sladus Vondels leermeester inhet Latijn isgeweest, isvolgens hem losgelaten Toch lijkt het mij niet onwsch dat hij de door Brandt bedoelde is: rector Slade kan de lessen om de een ofandere reden overgedaan hebben aan zijn conrector Hayo Gabbema Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 119 gescheiden gemeente Met de ‘teacher’, de andere ouderling en de diaken ging hij ‘from house to house, examined how they profited in Religion and instructed them, so that the blessing was gracious and wondrous’ 42)Reeds in 1598 ging hij echter over naar de Nederlandse Gereformeerde kerk en op 1Juli van dat jaar werd hij benoemd tot conrector van de Latijnse School aan de Oude Zijde (in de Koestraat) 43) Slade, die later rector aan deze school werd, was de man die in 1605 ter wille van ‘een aensienlyck getal van Engelschen, die de Nederduytsche taele niet verstaen’ de stoot gaf tot stichting van de Eng Geref kerk op het Begijnhof 44)Deze vernederlandste Engelse geleerde, die blijkbaar de relaties met zijn landgenoten onderhield en de Starters zeker gekend zal hebben, als zij, evenals hij, tot de geassimileerde nietBrownistische Engelsen behoorden, heeft mogelijk de begaafde jongen opgemerkt en op de een of andere wijze tot zijn ontwikkeling bijgedragen Met meer zekerheid kunnen wij spreken over de resultaten van zijn godsdienstige opvoeding Een belangrijke aanwijzing daarvoor vinden we in een van de oudste gedichten die we van zijn hand hebben, een gedicht dat niet door hem is opgenomen in de Fr Lusth Het is uitgegeven door MM Kleerkooper in Taal en Letteren (1899), 367370 onder de titel Een onbekend lied van Jan Jansz Starter Het staat in de NieuwIaar Lieden: Wtghegheven by de Nederduytsche Academi (1618) en isgedicht op de wijze van Hooft's ‘Ghy Haillichheidtjens die in bloemen en in cruiden’ (1610) Het is een fraai gedicht, dat in elke bundel Protestantse geestelijke poëzie een plaats zou kunnen vinden In verband met mijn betoog citeer ik de volgende strophen: 6 Dit nieu gheboren Kint verkondicht ons de vrede: Maer onder ons, helaes! en werdt de felle twist Vermindert noch gheslist, Ach! menschen staeckt betyts ugoddeloose zeden 42) Dexter aw, 278 43) De Hoop Scheffer aw, 251 44) aw, 313 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 120 9 Dus keert utot den Heer met een inwendich haken: Maer 'theylich veynsen acht den Heer in 'tminste niet Want hy de herten siet: Maer droevich en oprecht den armen wilt genaken, 10 Die uytghespannen zijn voor ellick die beladen Met sware sonden is: hy roept doch komt tot my, Ick sal umaken vry: Ick wensche dat ghy leeft, en laet uboose daden 11 O opper Prince wilt doch ons ghebeen verhooren, En uverkoren volck van sonden overheert, Ghenadelyck bekeert, En leyt haer op den pat van uvolmaecte sporen Op de volgende trekjes valt te wijzen: 1oafschuw van godsdiensttwisten, begrijpelijk bij iemand die in zijn jonge jaren veel gehoord moet hebben van de uiterst heftige godsdienstgeschillen in de Engelse kolonie, een afkeer die in zijn later werk voortdurend weer zal opklinken; 2oeen afkeer van hypocrisie, die eenmaal in de Menn Vr zijn verbeeldingskracht zou inspireren; 3oeen toon van oprechte vroomheid, die niet een conventionele aangelegenheid schijnt te zijn, gelijk zijn latere godsdienstige uitingen; 4ode uitdrukking ‘verkoren volck’ zou op invloed van de Gereformeerde verkiezingsleer kunnen wijzen Kleerkooper veronderstelt 45) dat het gedicht van oudere datum is dan van 1618, mogelijk zelfs van vóór 1614 Het feit dat men een dergelijk godsdienstig lied in de Fr Lusth niet aantreft, versterkt dit vermoeden Kleerkooper vindt 46) dat dit vroege gedicht volkomen dezelfde strekking heeft als het Nieuwjaarslied dat wel in de Fr Lusth (v Vl 142) is opgenomen en dat dit laatste bovendien technisch hoger staat Het schijnt, meent hij, dat Starter het heeft omgewerkt, omdat hij om technische redenen ontevreden was over eigen werk Wie echter de omwerking (niet veel meer dan een kreupeldicht overigens) aandachtig leest, zal bemerken dat de vier bovengenoemde trekjes daar niet voorkomen, dat de toon er conventioneelChristelijk is en dat de warmte er aan ontbreekt De dichter is in de tussentijd ge 45) Bibliographie, 23 46) Taal en Letteren, tap, 369 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 121 evolueerd naar de conventionele gezelschapstoon die zo kenmerkend is voor de Fr Lusth Uit het vroege gedicht leid ik af dat de dichter vroom is opgevoed, uit het latere dat door zijn leven als artistbohémien de vroomheid in hem is verflauwd en verworden tot een plichtmatige uiting, een concessie aan de wereld waarin hij leefde Het andere Nieuwjaarslied, opgenomen in de Fr Lusth (v Vl 249), schijnt een iets positiever geluid te laten horen, maar ook hier is de toon niet direct genoeg Het bevat de aansporing, ‘met Zijn Woord uw geile lusten’ te ‘teugelen’ en spreekt over de rekenschap, in de Dag des Oordeels af te leggen voor ‘ijdle wulpse reden’, maar hoever staat dit alles af van Bredero's verterend schuldgevoel Indien ergens, dan had dit gevoel moeten spreken in het gedicht dat door Van Vloten betiteld is als Boetsangh (177), een bewerking van een uitvoerig Engels gedicht 47) en als niet veel meer dan een dichtoefening te beschouwen Het is een algemene moralisatie over de wisselvalligheden der Fortuin en de er in verkondigde opvatting dat de deugd zalig maakt, is allesbehalve Calvinistisch Starter mag een fel patriot geweest zijn, een Oranjeklant, antiSpaans en antiRooms 48),in het godsdienstige kan hij in de periode, waaruit zijn meeste poëzie stamt, niet anders dan lauw genoemd worden Met deze opmerking bevinden we ons echter al in een volgende phase van zijn leven 47) Kleerkooper, Engelsche Gedichten, door Starter nagevolgd, T en Lett (1902), 421435 48) Zonder het teweten isSt als polemist der Geuzen aangevallen door een andere vernederlandste Engelsman, ook ‘courantier’ en polemist, maar dan aan Zuidned zijde: Richard Verstegen Het betreft hier de anoniem uitgegeven schimpdichten over de brandschatting van Brabant door Frederik Hendrik in1622 Maurits Sabbe heeft het Noordned gedicht, zonder teweten van wie het was, (onnauwkeurig) afgedrukt inBrabant in'tVerweer (1933), 119124, naar het ex inhet Rijksmus Dit moet het gedicht zijn dat Kleerkooper (Bibl, 1415), onder voorbehoud, op grond van de Rekeningen van 'sGravenhage (terecht) aan Starter toekende Het tegendicht isdoor mij (Het Calvinisme inde spiegel van de Zuidned Lit der ContraReformatie, Gron 1942, 220222) toegeschreven aan de Katholieke aartspolemist R Verstegen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 122 IV Opgang en Neergang Door de biographie van JH Brouwer met zijn vele Leeuwarder archivalia is onze kennis van Starter zeer verrijkt De gegevens zijn echter niet voor de volle honderd procent door hem uitgebuit Door een chronologische ordening van het verspreide materiaal kan een helderder licht op het karakter en de persoonlijkheid van Starter geworpen worden In 1612 zien we de ongeveer achttienjarige jongeman als uitgever te Amsterdam Hij geeft er blijkens de door Gustav Schwetschke gepubliceerde Codex Nundinarius Germaniae Literatae Bisecularis (Halle, 1850) 49) (een overzicht van de Frankfortse en Leipziger MeszKataloge) twee werken uit, tezamen met Wilh Jansonius, di Vondels bekende vriend Willem Jansz Blaeu, die sedert 1606 gevestigd was in den Vergulden Sonnewijser op 'tWater Het volgende jaar vinden we hem in het belangrijke uitgeverscentrum Leiden, waar hij vier werken uitgeeft Maar ook te Amsterdam heeft hij in 1613 drie werken in het licht gegeven Aan het einde van dat jaar woont hij te Amsterdam, want als hij op 31 Dec 1613 zijn handtekening plaatst onder het huurcontract van het huis bij de Brol in Leeuwarden dat hij tegen 1Mei 1614 huurt, noemt hij zich: ‘Boeckvercoper wonende binnen Amstelredam’ 50) In 1614 verschijnen er geen boeken van hem op de Frankfortse Jaarbeurs: misschien had hij het te druk met zijn installatie als boekverkoper en zijn huwelijksvoorbereidingen te Leeuwarden Reeds op 24 Juli 1614 gaan JJ Starter en Nieske Hendricksdr Harderwyck, geboren te Leeuwarden, in ondertrouw en op 14 Aug wordt hun huwelijk bevestigd door Ds Harmannus, di blijkbaar Ds Hermannus Kolde of Colde, pred te Leeuwarden sedert 1590, ‘gezond in leer en opregt in leven’ volgens Menso Alting 51) Er is geen reden, Nieske als een Mennist meisje te beschouwen 49) Kleerkooper, Bibliogr, 58 (Bijvoegsels) citeert deze bron, zonder er goed raad mee teweten 50) Brouwer aw, 128 Aan de door Brouwer gepubliceerde actestukken zijn de meeste volgende gegevens ontleend 51) TA Romein, Naamlijst der Predikanten inde Herv Gemeenten van Friesland, Leeuw (1886), 14 en 15n Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 123 Een beroep op het actestuk van 23 Aug 1615, waarin Nieske een belofte doet ‘als een vrouw met eeren bij waere woorden in eedes plaetse’, snijdt geen hout, zoals Brouwer (bl 12) ten onrechte meent N van der Laan heeft betoogd 52) dat een dergelijke formule gebruikelijk was zowel tov Katholieken en Doopsgezinden als Hervormden en Israëlieten Wie trouwens de strenge opvattingen van de Doopsgezinden in zake de zg buitentrouw kent, moet het wel zeer onwaarschijnlijk achten, dat zij ooit van haar ouders toestemming gekregen zou hebben tot een huwelijk, te bevestigen in een Geref kerk, met een Amsterdamse artist van Gereformeerden huize Theoretisch zou het mogelijk geweest zijn dat zij met haar milieu gebroken had, maar het feit dat zij financieel solider werd geacht dan haar man, ontneemt aan deze veronderstelling de grond Op 20 Juli tekent hij een schuldbekentenis ten gunste van A van Londerseel te Rotterdam voor de levering van ‘const ende printen’ ten bedrage van f282 en op 26 Sept een aan J Saskersz, papierverkoper te Leeuwarden, voor ‘seeckere quantiteit van pampijeren’ ter waarde van f323 Reeds in het eerste jaar van zijn vestiging als zakenman begint het traineren met betalingen Op 29 Nov verklaart de schoenmaker, van wie hij het huis in huur heeft overgenomen, dat hij nog niets ontvangen heeft, ‘vertrouwende dat Jan Starter ende zijn huijsfre (betekenisvolle toevoeging!) hem comparant deze belooffde huijshuijre wel sullen betalen’ Op 4 Jan 1615 verklaart ook J Saskersz, nog niets ontvangen te hebben, ondanks het verlopen van de betalingstermijn Pas 7Febr bevestigt hij de ontvangst van het verschuldigde In 1615 verschijnen er weer vijf Latijnse werken (werkjes?) van de uitgever Starter op de Frankfortse jaarbeurs 53)Eén daarvan is de Oratio anniversaria, dicta honori Isaaci Casauboni, Leovard Joan 52) Uit Roemer Visscher's Brabbeling I(1918), viii; vgl JFM Sterck, Aanvullingen tot het leven van Roemer Visscher, OudHolland XXXIII (1915), 239 en Ts XXXIV, 81 53) De naam Sartorius, door Schwetschke vermeld, isniet bevreemdend, zoals Kleerkooper meent: inde actestukken komt hij ook wel als Sarter voor (Brouwer aw, 132) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 124 Starterus, 1615, 4o54) door Hector Bouricius, advocaat van het Friese Hof; een ander de Epistola ad Fratres Belgas in qua calumnia diluitur recens sparsa de Logo creato van Joh Drusius, prof theol te Franeker († 12 Febr 1616) Op 23 Aug 1615 koopt het echtpaar Starter een rijpaard van kwartiermeester Hans Rijcken voor ƒ128,50 Deze persoon laat ‘tot meer der securite’ Starters vrouw mede de obligatie ondertekenen Dit paard wordt op tijd betaald Dat Starters omzet groot was (of dat hij zijn zaak te grootscheeps had opgezet) blijkt uit de aankoop, eind 1615, van 50 exx van Paulus Merula's Tydtthresoor, in 1614 te Leiden uitgegeven door J Claesz van Dorp, voor ƒ200 Dit boekwerk telt 1016 blz folio 55)Voorwaar geen kleinigheid voor een provinciale boekhandel Op 2Febr 1616 moest de helft betaald zijn, op 1Aug van dat jaar de rest Inmiddels koopt hij op 11 Jan 1616 van Dr Hero van Hottinga, Raad en Advocaatfiscaal van de Admiraliteit te Dokkum een bruine hengst met bles voor 91 daalder à30 st, voor ⅔ met boeken te betalen Het overige derde deel hoopt hij te voldoen, als hij in het voorjaar van de ‘messe van Francfort’ terugkeert, waartoe hij dit paard heeft aangekocht Wij zien op de jaarbeurs van 1616 (en nu voor het laatst!) weer Latijnse werken (werkjes?) van Starters uitgeverij verschijnen, ditmaal een vijftal 56) Uit de nu volgende acten meen ik te mogen opmaken dat de maatschappelijke neergang van Starter al begonnen is in de zomer van 1616, dus ruim twee jaar na zijn vestiging, waarschijnlijk door een leefwijze op te grote voet De schuld aan Dr H van Hottinga is pas afgedaan op 15 Nov 1616 Dan is er de grote schuld van 300 rijksdaalders aan Eelcke Lanckerts, die procuratie heeft van de koopman Gregorius Ketwich te Bremen Hoe deze ontstaan is, weten we niet, maar de 54) Paquot, Memoires II,92 55) Paquot aw, I,31 56) In1616 verschenen bij Starter oa twee herdrukken van kleine compilatiewerkjes van H de Bra: De curandis Venenis 16 oen Catalogus Medicamentorum Pestilentiae veneno adversantium 16 o(Paquot aw; II,247) De opgaven van Brouwer (bl 15) zijn niet geheel juist Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 125 afbetaling is een lange lijdensgeschiedenis geworden Op 10 Juni 1616 worden er 50 rijksdaalders aan de schoonmoeder van Lanckerts betaald; tevens wordt met haar afgesproken dat in halfjaarlijkse termijnen achtereenvolgens 50, 100 en 100 rijksdaalders betaald zouden worden Lanckerts procedeert eind 1616 tegen Starter, daar deze onwillig blijft de rest te voldoen Starter wordt veroordeeld, het resterende bedrag met rente en onkosten te betalen (24 Dec) Op 1Juni 1617 blijkt evenwel de helft van de 300 rijksd nog niet vereffend te zijn De echtelieden verklaren dat het hun ‘niet mogelijcken is denselffden nu datelijcken te betalen’ Er wordt een minnelijke schikking getroffen: er zal in termijnen betaald worden, en op Allerheiligen 1618 moet de hele schuld afgedaan zijn Intussen is er nog de schuld voor de 50 Tydtthresoren Ook hier komt een proces van, dat Starter 12 April 1617 volledig verliest; uit de bewoordingen van het vonnis blijkt dat dit het eerste rechtsgeding is waarbij hij chicaneert Door zo de gegevens uit de archieven te combineren, constateren we dat er medio 1616 drie zware schulden op het gezin drukken, waarvan Starter zich niet dan met de grootste moeite weet te ontslaan Het lijkt geen toevallige coïncidentie dat hij in diezelfde tijd de weg van het dichten om den brode opgaat Op 3Juli 1616 huwen Erich Brahe en Licia van Eysinga De bruiloftsdichten, te hunner ere door Starter gemaakt, vormen tezamen de eerste afzonderlijke uitgave van door hem gemaakte poëzie: Epithalamium, gedrukt bij Abr van den Rade te Leeuwarden, 1616 57)Op 29 Dec 1616 volgt het tweede bezongen bruidspaar, op 16 Maart 1617 het derde Het jaar 1617 schijnt vrij rustig verlopen te zijn, afgezien van de verloren processen Op 28 Dec van dat jaar wordt Willem Lodewijk bij zijn terugkeer in de stad door de Leeuwarder Kamer met een Welkomstdicht van Starter begroet 58)Nog eenmaal ziet er een Latijns werk van zijn uitgeverij het licht: Ausonii Popmae liber de ordine et usu Iudiciorum, bezorgd door de historicus Petrus Winse 57) Kleerkooper, Bibliogr, 1 58) Brouwer aw, 23 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 126 mius Ook dit had weer een proces als nasleep Starter had zich verplicht aan de drukker Abr van den Rade ƒ104,15 te betalen ‘eer hy eenige exemplairen lichte’ Op 28 Maart 1618 blijkt uit door Van den Rade afgelegde verklaringen dat slechts ƒ22,10 betaald is Ondanks het feit dat Starter verzekert dat hij alle exemplaren had betaald die hij ontvangen had, trekt hij aan het kortste eind Nog dieper blijkt hij gezonken op 1Juli 1618, als Van den Rade hem in rechten aanspreekt voor de luttele som van ƒ18,80 wegens drukloon en geleverd papier Ook nu zoekt hij zijn heil in uitvluchten, maar zijn tegenpartij toont onder ede de rechtmatigheid van zijn vordering aan, en Starter wordt veroordeeld In datzelfde jaar geeft de dichter zijn eerste toneelwerk uit, de tragicomedie Timbre de Cardone (Voor Jan Jansen Starter, Boeckvercooper by de Brol in d'Engelsche Bybel Anno 1618) In het gedicht ‘Tot de Kunstvroede Lesers’ zegt hij: En dit heb ick, om re'en, die ick verswygh gheschreven So spoedich als het my de pen heeft opghegheven Was die verzwegen reden de berooide staat van zijn geldmiddelen? Moest hij door verkoop van het door enkele Friese lofdichters hemelhoog geprezen stuk aan geld zien te komen? En was zijn satire op de advocaten in het comische tussenspel SotteClucht van een Advocaat ende een Boer een wraakneming op mensen waarvan hij vond dat ze hem financieel uitkleedden? Wel laat hij uit voorzorg als ‘Waerschouwinghe tot den Leser’ afdrukken de regels: So hier Doctoor of Boer uraeckt, denckt (zijt ghy schrander), Daer meent hy my niet met, dat schiet hy op een ander maar wie het stukje over ‘die Deaels Abbecact’ leest in het licht van bovenstaande tegenslagen bij de rechtbank, denkt toch het zijne van de slotwoorden van de boer: ‘Nu, ick silder jytte reverencie (revanche) fen hebbe hie ick hem reys op ons fenne herne (in onze veenhoek), ick sou him mey so yen kaad limmen (koud lemmet) sitte ney sijn kerne’ Op 21 Sept 1618 wordt zijn tweede stuk, de Daraide, voor het eerst vertoond op de Leeuwarder kamer ‘Och mocht het rysen!’ In Jan Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 127 daarop is het met de kortstondige toneelglorie alweer gedaan Op de 9e van die maand nl krijgt Jan Starter cum socijs van Gedeputeerde Staten aanzegging, 's Lands Tuchthuis te ontruimen De geschiedenis van de min of meer mislukte verkoop van de toneelinventaris aan Samuel Coster is algemeen bekend Het dieptepunt in de Leeuwarder periode moet nog komen Vier processen, op 24 Dec 1619 gevoerd wegens burenruzie en vechtpartij tonen tot welk maatschappelijk peil Starter is gezonken De ruzie had plaats op 18 Juni 1619, de vechtpartij op 19 Juli De hele historie werpt een schril licht op zijn karakter Hij toont zich wraakzuchtig en onbeheerst Het is mogelijk dat de tegenspoeden des levens hem zo verbitterd hadden dat hij zichzelf spoedig vergat De gebeurtenissen zijn uit de sententiën wegens de elkaar soms weersprekende getuigenissen niet gemakkelijk te reconstrueren 59) Evert Gerryts, een kleermaker, had op 18 Juni ‘met een vrouspersoon zijnde een appeltoit’ kwestie gehad; deze was bij Starters vrouw in de stoep gekomen om het haar te vertellen Gerryts zag dat en riep dat ‘de eene flotse hieldet met d'ander’ Nieske zweeg, waarop hij haar toen verder uitgescholden had voor ‘een flardse motte teve rijdtvarcken carongie’ ed Nieske vroeg of hij haar daarmee bedoelde Gerryts antwoordde ongeveer: ‘Jae du (besucte) deals flotse du Sacramentse caronie dy meen ick, bruy nae de Galeysterkercke (Galileeërkerk) toe ende sie hoe du het daer gemaeckt heste, kanstu dy daer verdedige, du biste dijn eere wel vandoen’ Starter riep hem hiervoor ter verantwoording Evert zei: ‘d'schroor by Galeijsterkerke heeft het gesecht’ Starter ontbood de ‘schroor’, maar deze ontkende, dit ooit gezegd te hebben Met de ‘schroor’ ging Starter op 19 Juli naar Gerryts' huis Deze zag ze aankomen en zette (volgens Starter) de bezemstok gereed Toen hem belet werd, hiermee te slaan, dreigde hij Starter met een kleermakersschaar, zodat deze niet wist, hoe hij ongekwetst zou ontkomen Starter rende de deur uit; Trijn Simons, de vrouw van Evert, wilde 59) Brouwer recapituleert de door hem afgedrukte processtukken, maar reconstrueert de feiten niet Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 128 haar man tegenhouden en kreeg (volgens Starter) waarschijnlijk van haar eigen man klappen met de bezemstok Volgens de lezing van de tegenpartij zat Gerryts rustig te werken, toen hij Starter kwaad zag binnenkomen Deze sloeg hem op de slaap van zijn hoofd, trok zijn mes, daagde hem uit en noemde hem: ‘schellem, bedelaer, hondtsvot, esel bengel landtloper’ Verder zou hij een bezemstok gepakt hebben en vervolgens Trijn zo op het hoofd geslagen hebben dat ze zich nauwelijks bewegen kon, en uitgescholden voor ‘caronie flardse motte’ ed Vier vonnissen werden gewezen Daar Nieske ‘een vrou met eeren’ was, werd Gerryts veroordeeld wegens belediging tot een schadevergoeding van 8goudguldens 60),benevens betaling van de kosten van het geding Ook aan Starter zelf moest hij 8goudguldens +kosten betalen voor deze belediging zijn vrouw aangedaan ‘soo hij ten hoogsten mede geiniurieert was’ Voor het gebeurde op 18 Juni kreeg het echtpaar Starter dus volledig genoegdoening, en men vraagt zich in gemoede af, waarom Starter ruim een maand na dato zo heethoofdig rechter in eigen zaak heeft gespeeld Voor het voorgevallene op 19 Juli werd nl Starter in hoofdzaak in het ongelijk gesteld Wel werd van de vermeende geweldpleging niet meer gerept (ze zullen beiden evenveel schuld gehad hebben) en ook werd Trijns eis niet ontvankelijk verklaard, weshalve zij veroordeeld werd tot betaling van de kosten van het door haar aanhangig gemaakte geding Voor de belediging, die blijkbaar van ernstige aard geacht werd (immers in feite samengaande met huisvredebreuk), moest Starter echter betalen 12 carolusguldens ‘in een (parthie)’ en 8goudgulrens ‘in een ander parthie’, benevens de kosten van het geding De eis van Gerryts was geweest: 100 goudguldens en revocatie in forma Niet minder dan elf getuigen traden in dit rechtsgeding op Na deze geruchtmakende zaak horen we van de uitgeverij niets meer Misschien dat de boekhandel nog iets opleverde Een belangrijke broodwinning lijkt voortaan het maken van bruiloftsdichten: van 7Nov 1619 tot 21 April 1620 worden niet minder dan zeven deftige Friese bruidsparen door de ‘grote Bruilofthymen’ bezongen 60) Goudguldens teLeeuwarden geslagen golden 3gld 3stuivers: WNT V 480 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 129 Op 22 Juni 1620 wordt hij als juridisch student te Franeker ingeschreven, voor welk feit nog geen bevredigende verklaring gevonden werd Ik zou op een merkwaardige coïncidentie willen wijzen Hector Bouricius, de Leeuwarder advocaat, van wie hij zoals we zagen in 1615 een oratie had uitgegeven, werd op 29 Juni 1620, dus één week later, professor in de Rechten aan dezelfde hogeschool 61)Heeft deze geleerde die even oud was als Starter (geb 1593) en die een tijdlang in Engeland geweest was, waar hij vriendschap gesloten had met Casaubonus, en die een vriend der letteren was misschien uit vriendschap Starter aan het Leeuwarder milieu willen onttrekken en hem een kans willen geven, een ambt te verwerven door rechtenstudie 62)?Indien dit de bedoeling is geweest, dan is deze opzet allerminst geslaagd Sedert Juli van ditzelfde jaar leurt hij overal met gedichten op Willem Lodewijk (‘presenteren’ noemde men dat euphemistisch) De studie zal, als het studie mag genoemd worden, op zijn hoogst een half jaar geduurd hebben Op 25 Febr 1621 is hij aanwezig bij de opvoering van Daraide op de Nederduitsche Academie en schrijft hij aan zijn vriend Dirk Graswinckel: ‘ick leef en sweef in moeyelijcke onrusten’ Op 13 April 1621 is hij te Haarlem, waar hij in een bruiloftsdicht de berouwvolle woorden uitspreekt: Heb ick het strengh bevel van Themis niet ontfanghen, Dat ick mijn soete Lier met haer cieraet soud' hanghen Aen Veneris Altaer, en laten nu voortaen 'tLustlockende ghedicht voor and're Dichters staen? Op 4Juli 1621 treffen we hem te Leiden aan 63) Het dramatisch slot van dit leven is bekend Als brooddichter en 61) Paquot aw II,92 62) ‘Dat hij van plan was zich aan de uitgeverij tewijden’ lijkt mij een bewering zonder grond van Brouwer (aw, 34) Het drukkersadres van Hamconius' Frisia luidt: Franekarae, Excudebat Ioannes Lamrinck Ordinum Frisiae Typographus, suis etIoannis Starteri Bibliopolae sumptibus Anno MDCXX Lamninck isde drukker, Starter isboekverkoper en draagt vanwege een vroegere gezamenlijke uitgave van de 50 gravures, mede de kosten Aan het slot van het kostbare werk wordt het drukkersadres herhaald zonder de vermelding ‘suis sumptibus’ Het eerste zal gedrukt zijn vóór 22 Juni, het tweede toen Starter zijn zaak aan kant gedaan had 63) Brouwer aw, 146 (bijlage 45) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 130 courantier tracht hij zich in leven te houden; 21 Amsterdamse kooplui gaan hem financieel steunen, opdat hij zijn onafgemaakte werken mag voltooien en zijn vaste woonplaats te Amsterdam zal houden (25 Aug 1622) Ook dit heeft niet mogen baten: ver weg bij de grenzen van Hongarije, marcherend in het vlakke veld, heeft hij in het najaar van 1626 de dood gevonden als ‘Commissary over the Strangers’ in het leger van Mansfeld VNogmaals de Menniste Vryagie Eén belangrijke gebeurtenis heb ik in het bovenstaande relaas met opzet buiten beschouwing gelaten: de tragedie van het Franeker faillissement Als er nl een aanleiding voor Starters felle Mennistensatire gezocht moet worden, dan zal deze hier schuilen De Menn Vr komt nog niet voor in de 1e druk van de Fr Lusth (1621), wel in de 2e (1623) Als hij het vóór de samenstelling van de 1e druk gemaakt had, was er geen aanwijsbare reden om het weg te laten Het is dus aannemelijk dat hij het tussen 1621 en 1623 gemaakt heeft 64) en dan zou het een wraakneming geweest kunnen zijn Het schijnt dat sommige crediteuren zich als hyena's op de bezittingen van de afwezige Starter hebben geworpen In de gegevens die Van Vloten (bl XIII ev) en Brouwer ons verstrekken ligt genoeg stof voor een geduchte revanche In April 1622 geven Dirck Lolcke z, bakker, en Trijntie, de vrouw van de chirurgijnbarbierbodekomenijhouder Jan Lamberts aan het gerecht te Franeker te kennen dat hun een belangrijk bedrag competeert van ‘Jan Starter ende zijn wijff’, dat zij beslag hebben laten leggen op goederen en meubilair, maar dat de vrouw van Starter bezig is, deze goederen weg te voeren Zij verzoeken nu dat de goederen geïnventariseerd en in goede bewaring mogen worden gesteld Hiertoe wordt besloten Burgem Doedes inventariseert de boedel en verzegelt hem, 64) Daar een straks tebespreken tegendicht van 1622 is, vraagt AEH Swaen inNogmaals de Menniste Vrijagie, ItBeaken IV (194142), 138, zich terecht afofer planodrukken ofafz uitgaven van de Boertigheden zijn geweest Ze verschenen inde verschillende drukken als afzonderlijk toevoegsel Inde 1e druk staat driemaal ‘Eynde’ onder de bladzijden (B 1vo,C 2vo,C4ro) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 131 waarvoor hij Trijntie bovengenoemd al vast ƒ5,75 in rekening brengt, omdat ‘anders niemant wijlde handt of fijnger aen die oncosten slaen’ Hij schrijft allereerst de goederen op die Starters schoonmoeder uit het arrest voor haar dochter ten huize van een zekere Cornelis heeft gedragen, en vervolgens het meubilair en huishoudgoed ten huize van Barbar Claes Jansdr, bij wie de Starters blijkbaar ingewoond hadden Als men de opsomming leest van hetgeen aan de inbeslagneming heimelijk onttrokken was, voelt men de verontwaardiging over de behandeling, Starters vrouw aangedaan, bij zich opkomen: een luiermand, kinderslabbetjes, kinderdoeken, mutsjes en befjes, een kinderhemdje, een paar vrouwenhandschoenen, beddelakens en slopen, kortom het allernoodzakelijkste lijf en huishoudgoed Wanneer de schulden nu inderdaad zo exorbitant geweest waren dat men er elke penning moest afslepen, zou men deze grove behandeling van Starters ‘wijff’, die vroeger toch een ‘vrou met eeren’ was, enigszins kunnen begrijpen Maar wat gebeurt er? In Nov 1622 wordt er boelhuis gehouden; de hele inventaris (inclusief een partij boeken) brengt ƒ355 op, hetgeen de gemaakte schulden met ƒ165 overtreft, bij de schuld inbegrepen ƒ35 die Jan Lamberts als bodeloon voor de liquidatie in rekening brengt De eigenlijke schuld blijkt dus minder dan de helft van de waarde van de inventaris bedragen te hebben Met het resterende bedrag van ƒ165 zit men nu verlegen: op 24 Mei 1624 neemt Burgem Doedes het in ontvangst en op 9Jan 1626 draagt deze het over aan zijn opvolger En dat terwijl Starter als brooddichter zijn gedichten rondvent om aan de kost te geraken Waarom trouwens werd het geld niet uitbetaald aan Nieske, die daar in de buurt bleef wonen blijkens de aantekening in het Harlinger doopboek: ‘Jan Starter en syn vrou tkynt Lysbet gedoopt den 7January 1625’? Starter moet geweten hebben, welk drama er zich in Franeker had afgespeeld, en de Franeker burgemeester zal toch moeite gedaan hebben om het geld aan de rechtmatige eigenaar te doen toekomen Ik kan hierin bij Starter niets anders zien dan gekrenkte trots Hoe fel hij in zijn woede kon zijn blijkt niet alleen uit zijn gedrag bij de Leeuwarder burenruzie, maar ook uit zijn voorrede bij de 1e druk van de Fr Lusth, waarin hij zich beklaagt over die Utrechtenaar die een deel van zijn werk Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 132 bijeengeschraapt had en onrechtmatig had laten uitgeven: men moet die uitval tegen de ‘Eerdief’ met zijn ‘beestigheyd’ en zijn ‘soo snooden voddery’ lezen 65)!Zijn woede op de personen die zich op de slabbetjes en mutsjes van zijn kind(eren) geworpen hadden, moet zo groot geweest zijn dat hij zich op generlei wijze meer met de Franekers wilde inlaten Hij zou zijn hand niet ophouden om het bloedgeld in ontvangst te nemen Trijntie en Jan Lamberts waren de hoofdrolspelers in het drama Hebben zij misschien tot de Mennisten behoord? Hun voornamen zijn zeer algemeen, maar toch is het merkwaardig dat hun gecombineerde namen voorkomen in een al bijzonder hatelijk versje in zijn (wsch in 1624 voor het eerst uitgegeven) Steeckboecxken Bij een afbeelding van een hart bij een schaap vindt men het volgende gedichtje: MennisteTrijn, die iszo fijn als 'tfijnste rag, Alleen maar in den naam, en van het grofste slag Al draagt ze een slechte muts, een keelband onderaan 66), Men ziet ze lijkwel in d'Beniste bruiloft gaan 67), Dat gaat er dan van gat, het schaapshert ziet me blaken: Wie weet hoe Jan en Trijn dan 'tsamen niet al maken 68) Starter was niet alleen van nature wraakzuchtig, maar ook was hij zich, als een Pietro Aretino in het klein, bewust van de macht van zijn pen Dit blijkt heel duidelijk uit enkele passages in het door hem geschreven gedeelte van Bredero's Angeniet (1623) 69) In vs 2169 ev zegt Starters Kloridon tegen de trouweloze Angeniet: Vreest ghy dan nergens voor? ontsiet ghy niet mijn pen? Ick sweer dat ghy eer langh sult speuren wie ick ben: Jae al de wereld sal met ubescheylijck weten, Dat niemand te vergeefs mach gecken met Poëten 65) Brouwer aw, 36 66) De vorm van mutsen en keelbandjes was bij de Doopsgezinden ook een onderscheidingsmiddel, vgl WNT VIIʹ, 1948 67) Over de befaamde, overigens keurige, muziekherberg van de Mennist Jan Theunis inde Oudebrugsteeg teAmsterdam vgl WJ Kühler, Gesch van de Doopsgez inNed IIʹ(1940), 5758 68) Naar de uitg van 1786, 116 Er zijn nog drie andere versjes met hypocrietensatire op bl 54 en 116 (ed vVl, 529, 530, 533) 69) Het verschil met Bredero indezen isook door Brouwer aangewezen, waar hij betoogt dat het geen wraakneming van Bredero was (aw, 110111) Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 133 En elders: Al 'tmenschelijck gheslacht sou eer zijn zonder spraack, Eer een bekend Poët sou sterven sonder wraack 70) Wie echter de aanleidende oorzaak voor Starters beruchte Mennistensatire geweest mogen zijn, dat de in het godsdienstige zo verdraagzame dichter in dit geval een wraakzuchtige bedoeling had, lijdt voor mij geen twijfel Zoals men weet, is de Menn Vr een vrije navolging van een Engels gedicht dat is opgenomen in het aan Thomas Heywood toegeschreven toneelstuk A Pleasant conceited Comedie Wherein is shewed how aman may chuse agood Wife from abad, London, 1602 71)Als de door Heywood gegeven lezing die is welke Starter onder ogen heeft gehad 72),dan treffen ons enige belangrijke verschillen De Engelse minnaar is driester, agressiever (‘[AZ] roughly did salute her with akisse’); de Hollander is hoffelijker, voorzichtiger, hij trekt zich eerst sneller terug en wacht later langer Dit is een gewichtige verbetering De Engelsman is een broeder, de Hollander daarentegen is eerst een volslagen wereldling, later wordt hij een pseudobroeder, evenals Jan Klaasz in Asselijns Kraambedt of KandeelMaal van Zaartje Jans De Engelse vrijster wordt ternauwernood gekarakteriseerd; het Hollandse meisje is kwezelachtig (r 56 en 2224 zijn toegevoegd) en Bijbelvast (r 1116 idem) Belangrijke verschillen merken we op in de Menniste en de Puriteinse kledij: Starters beschrijving past bij de Hollandse manier van zich te kleden, maar is ook tekenachtiger 73) 70) Jan ten Brink ea, De Werken van GA Bredero II,413 en 423 Ook inde Daraide isde wraakgedachte, en dat inde meest afschuwelijke vorm aanwezig Zij isdaar zelfs het hoofdmotief (z ben) 71) Afgedrukt inde ospr spelling door Swaen inItBeaken IV, 4142 Een andere versie isdoor hem uitgegeven inTs XXI (1902), 186 ev 72) Brouwer aw, 87 Starter iswsch teFrankfort met het Engelse toneel inaanraking gekomen 73) ‘Het stijfsel alteblauw’: feitelijk mochten kragen inhet geheel niet gesteven worden voor de vromen, vgl Wybrands aw, 36, 54 Vgl ook CB Hylkema, Reformateurs II,88, waar hij Syvaert Pieters' Corte Aenwysinge (Hoorn, 1624) citeert: deze toornt tegen ‘blauw en andere ghekleurt stijfsel’, mede wegens het misbruik van ‘een der aldervoornaemste en edelste kreaturen Gods, genaemt Terruwenbloem ofMeel’, door God alleen tot spijze geschapen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 134 De eigenlijke verleidingsscène is in beide gedichten gelijk; bij Starter is ze beter voorbereid (‘ick wierd metter tijd wat stouter en wat vryer’); en het meisje legt het wat kalmer aan: pas in r52 spreekt ze de man aan als ‘broeder’ Ten onrechte noemt Busken Huet het meisje ‘Lady Tartuffe’ 74)In werkelijkheid is de ik van het gedicht de Tartuffe Bij hem is een opzettelijke geveinsheid, om daardoor zijn lusten te bevredigen, bij het meisje is sprake van onbewuste schijnheiligheid 75)Haar hartstocht (vooral in Starters gedicht) is ingetoomd door de vroomheid; de list van de minnaar breekt haar weerstand Hij vangt haar door een der meest geprononceerde principes van Brownisten en Mennisten beide toe te passen: hun verwerping van eden en stellige beweringen 76)Zij voert deze eedsbeschouwing door tot in de uiterste consequentie, om een voorwendsel de psychische ‘drogreden’ te hebben, haar lusten bot te vieren Myers karakteriseert het Engelse gedicht als volgt (bl 97): het is een ‘shocking but truly ingenious “jest” regarding the fall from grace of a“sister”’ ‘Like others of these libellous accounts, this one is enlivened with genuine humour; and even the accusation of unchastity is so ridiculous as to become ineffective Not so pardonable is the Puritan's hypocritical wavering, her fears lest “the longtongu'd men would tell” and her endeavour to an unwillingness to break ascruple She is the twofold hypocrite 77),and hypocrisy, because itat least is probable, is more disgusting than the always doubtful charge of licentiousness’ In de Nederlandse verhoudingen zullen de zaken niet anders gelegen hebben De beschuldigingen van losbandigheid waren 74) De Gids (1862) II,944 75) Voor dgl verschillen: Schijnheiligen inde Literatuur inmijn Op de keper beschouwd (1951), 67 ev Voor de ‘drogreden’, vgl bl 75 76) Het meisje wijst hem direct afmet de uitdrukking ‘by yea and nay’, een terminologie, later door de man inzijn schijnheilige phase overgenomen De Brownisten hadden een grote angst om iets pertinent tebevestigen ofteontkennen Vandaar deze methode om zich op de vlakte tehouden Starter heeft dit waarschijnlijk niet geweten: het ‘ja’ invs 55 en het ‘trouwen’ invs 45 valt bij hem uit de toon; de Eng tekst heeft dit dan ook niet 77) 1ohaar angst dat anderen er iets van zullen zeggen; 2ohaar goedpraten van wat verkeerd is Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 135 uit de lucht gegrepen, maar de hypocrisie lag bij al te strenge vroomheid op de loer Potentieel was de transfiguratie van het Engelse ‘zusje’ in een Hollands Mennistje gegeven in de wezenlijke gelijkheid van de grondtrekken der Brownistische en Mennonietische geesteshouding 78)Reeds vóór 1597 gingen een aantal Amsterdamse ‘Brownisten’ tot de Doopsgezinden over 79),en ook later hadden er dergelijke aansluitingen plaats, zoals in 1615, toen ongeveer 25 Engelsen tot de Waterlanders overgingen Zeer belangrijk is in dit verband de satire op de Brownistische en Menniste ‘uniform’ Starter moet in zijn jeugd de echo vernomen hebben van de ongehoord heftige kledingtwisten die de Engelse gesepareerde kerk te Amsterdam omstreeks 1598 verscheurd hebben Een hoed, een japon ea opzichtige kledingstukken van de vrouw van de voorganger Francis Johnson leidden zelfs tot excommunicaties 80)In de Doopsgezinde kerken was het hiermee al niet anders gesteld 81) De vraag mag gesteld worden of Starter, die zo goed de schijnheiligheid van het Menniste zusje heeft getekend, zelf een hypocriet is geweest Deze vraag hangt ten nauwste samen met de kwestie of het Steeckboecxken, zoals wij dat kennen in 18eeeuwse uitgaven, een ongewijzigde herdruk is van de ospr editie van 1624 De voorrede druipt van vroomheid, terwijl de versjes soms zeer obsceen zijn Passages als ‘bewaar uwen Zaligmaker Jesum Christum getrouwelijk in uwe Herten’ enz klinken bepaald huichelachtig, als men de lichtzinnige versjes daarna (bv op blz 130 en 132) leest Swaen 82) is van mening dat dit alles niet van Starter kan zijn: ‘hij verlaagt zich niet tot de vuilheden van sommige der versjes in het steekboekje’ en: ‘Er kan mijns inziens ook geen twijfel aan bestaan dat de Voorreden 78) Al werden inde caricatuur de verschillende groeperingen door elkaar gehaald, de Puriteinen (nonconformisten van allerlei schakering) mogen niet verward worden met de ‘Brownisten’ (separatisten), vgl Burrage aw, 34 ev Het zusje van Heywood vertoont Brownistische trekken (by yea and nay) 79) De Hoop Scheffer aw, 231 80) aw, 258266; Dexter aw, 271276, 283296 81) Wybrands aw, 35 ev 82) ItBeaken IV, 143 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 136 verhanseld is’ Weten doen we het in elk geval niet Pas de vondst van een der oudste drukken kan ons licht schenken over de vraag of Starter inderdaad in zijn laatste levensjaren tot dit peil is gezonken Wie hem als een snode huichelaar beschouwd heeft, althans schijnbaar, is de persoon die het Antwoort op de MenisteVryage geschreven heeft Het is oa opgenomen in de bundel drink en minneliederen Venus Minnegifjens (1622), waarin oa gedichten zijn opgenomen van Rosaeus, Matthijs v Velden, Meyndert Voskuyl (een van Starters lofdichters), WD Hooft, Jan Robbertsz, JP Roosendael, AM Panneel, Joh de Neeff en Bredero, en die uitgegeven is door Cornelis Willemsz BlauLaecken (Amsterdam) Swaen, die het gedicht volledig heeft afgedrukt in ItBeaken (IV, 138 ev), constateert: het past niet bijzonder in deze omgeving Zou het misschien zo zijn dat het een tegendicht, quasi verontwaardigd, van een van Starters vrienden is, of althans van een dergelijke vrolijke snaak? Starters gedicht is een ‘Rollengedicht’: de dichter neemt de rol aan van de listige vrijer De tegendichter speelt nu de rol van het verontwaardigde bedrogen meisje Een dergelijk spel moet zeker tot groot vermaak van de luchthartige zangers van drink en minneliedjes geweest zijn De inhoud komt op het volgende neer De jongedochters moeten rouwdragen daar de jongelingen hen van hun eer beroven ‘Hier brengt een Bloet wat voort, en noemt 'tMeniste vryen /Om ons foey! met dien naem soo schandich te betyen’ De meisjes spreken het niet tegen, maar lachen er om en roepen spottend: ‘Ha, dat is wel ghedaen’ En daardoor wordt ‘den snooden mensch’ nog in het kwaad gestijfd Misschien zegt gij, meisjes, nog: dit raakt mij niet, ‘het is tot schimpe van 't schynheylich volck ghemaeckt’ O neen, hoe hij het ook bemantelt, hij bedoelt ons allemaal Ik zal het nu voor utegen ‘den herseloose Bloet’ opnemen ‘Goddinnen kuysch’, help mij dat ik ‘met een verheven stem’ en zonder krenking van het ‘adelyck ghemoet’ zijn leugens mag afmalen Ik spreek uit naam van degene die zo smadelijk door hem is bejegend Gij kwaamt mij met een geile kus zo onbeschoft begroeten, met wulpse praatjes er bij Verontwaardigd heb ik uverzocht heen te gaan Ik zeg udat ‘ghy 'trechte spoor van red'lijck Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 137 heyt en eer /Verlaten hebt, en dwaelt daer af hoe langhs hoe meer’ Toen uvan uw smart sprak, heb ik umet ‘het Goddelijcke schilt’ weerstaan U spotte met Gods Woord en met Zijn wetten Balsturig liep udaarop weg, om mij een andere keer ‘door een heyligh schijn’ te bedriegen Gij deedt dat door kleding en gelaatsuitdrukking, ‘o snoode huychgelaer’ Gij naamt de houding van Stephanus aan en steldet uaan als een wolf in een schapenvacht Zo goed wist ge de ware godsdienst na te bootsen dat ik me aan utoevertrouwde Gij genoot van de tekenen ener eerlijke liefde Door uw schijnheiligheid werd ik in slaap gesust, tot ik op 't onverwachtst door uwerd aangerand Ik gebood udit te laten, en toen gij daar niet om gaaft, heb ik ugewezen op ‘het snappen van quaed' menschen’ U bezwoer mij stil te zijn, in de hoop uw zin te krijgen Dit is echter niet gebeurd, en nu werpt gij deze smet op mij ‘'k Weet dat ghy barst van spyt /Om dat oncuyse lust haer nu niet mach volvoeren’ Houd nu uw mond maar: usmaadt mij niet, maar uzelf ‘Het is gheen kleyne schant, onteeren ach een Maeght! Maer noch veel meerder schand' voor die daer roem af draeght’ Houd unu maar tevreden met deze berisping ‘Op dat ghy my niet sart, tot hevigher ick ben /Die die uniet ontsie, noch niet ontzien en ken’ Gezien de omgeving, is het als niets anders dan een literair schertsgedicht te beschouwen Jammer dat het niet op het peil van het origineel staat VI Godsdienstig Indifferentisme Zagen wij uit een jeugdvers dat in Starters jeugdjaren het zaad des geloofs in zijn hart is uitgestrooid, en uit latere godsdienstige verzen dat hij niet dan een conventioneel geloof op uiterlijke wijze beleed, in het laatst van zijn leven heeft hij ook dit laten varen Om dit aan te tonen willen wij nog enkele werken uit de tien laatste jaren van zijn leven ter sprake brengen: allereerst de twee tragicomedies Brouwer (bl 25) schrijft: ‘Op zichzelf beschouwd lijken Starters tragicomedies “Timbre de Cardone ende Fenicie van Messine” en “Daraide” vrij onschuldig, maar in de tusschenspelen komen toch Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 138 reeds elementen naar voren, die den oprechten Calvinist tot verzet moesten prikkelen’ Deze onderscheiding tussen de tragicomedies en hun tussenspelen kan ik niet aanvaarden Er is nl een groot verschil in ethisch gehalte tussen enerzijds de Timbre de Cardone met haar tussenspel en anderzijds de Daraide met het hare Men zou het eerste stuk het drama van de beloonde deugd, het tweede dat van de tomeloze wraakzucht kunnen noemen T de Card is zo'n degelijk stuk dat men zich afvraagt of het een proefstuk is geweest om te bewijzen dat het toneel een leerschool voor de deugd kan zijn Hij geeft het uit als een leesstuk, maar voegt er voor de ‘Kunstvroede Lesers’ aan toe: Neemt dit dan aen in danck en wilt het gheen doorlesen Dat uin 'tspelen sou veel aenghenamer wesen Fenicie van Messine wil alleen trouwen met de man die haar ouders goed vinden: Ick volghe doch haer raed, en so icdie versmaden, Ick sou Godts straf met schand' my op den halse laden De vrees des hooghen Godts sal in mijn herte rusten En royen wt myn hert des werelts yd'le lusten Verontwaardigd wijst zij de hand van De Cardone af, als zij denkt dat hij slechts een onderhoud wil om met haar te minnekozen In de nu volgende alleenspraak van Fenicie, de kern van het stuk, blijkt de er dik opgelegde ethische strekking: Ghy maeghden wilt altsaem aen myn Exempel leeren Der looser Vryers list stantvastich af te keeren, Want in een Ionghe Nimph het maeghdelijck cieraet Ver boven alle schat en 'swerelts rijckdom gaet, Als d'eere wort ghequetst, als die begint te stooten Den wilden ontucht wort de poort dan opghesloten Al wat sy brenghen voort, 'tzijn lieffelycke re'en Maer meysies looftse niet, sy dencken daer niet een Daer isop dese tijdt (hierom machmen 'twel myen) Gheen valscher neeringh in de werelt als het vryen Dus maegden (zijt ghy wijs) volcht altesaem mijn raet En van des minnaers tongh uniet verleyden laet Als de graaf de Cardone verteerd wordt door wroeging dat hij zijn Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 139 geliefde op een losse beschuldiging van hoererij heeft verstoten, dan richt hij zich tot de jongelui onder de toeschouwers met deze vermaning: ‘Ghy Ionghmans die her sit, ghy Eedele Iuffrouwen, Comt spiegelt uaen my en wilt niet licht vertrouwen’ En om te bewijzen hoe dit stuk bijna druipt van zedelessen, citeer ik nog de volgende Catsiaanse woorden van Fenicie: Een Eerbaer dochter volgt altijt haer ouders raedt En schuwt het heymelyck en het verboden praet Na 'tspreken comt de min, na tminnen comt het mallen Men moet de plaetsen vlien, moer, daer de plagen vallen So wy de gayle lust niet teug'len in 'tbegin Wy halen met gheneucht ons eyghen plaghen in Op bl D1r ovinden we een regel die om zijn afwijkende druk als de ‘zin’ van het drama mag worden beschouwd Hij luidt: ‘De Rijckdom des gemoets gaet alle schat te boven’ Ook met de ingelaste vermaecklijk SotteClucht van een Advocaet ende een Boer op 'tplat Friesch heeft hij kennelijk in een goed blaadje bij het publiek willen komen Het was een net specimen van het genre, terwijl de bespotting van het domme boertje groot succes moet hebben gehad bij de Leeuwarder burgerij Hoe gaarne zouden we weten of dit stuk opgevoerd is vóór of na de Synode van Dockum, die van 2tot 9Juni 1618 gehouden is en waar gehandeld werd over het gravamen ‘hoedat de heydensche comoedien ofte schouspelen, die tot Leeuwarden ende Boolswerdt tegens verscheydene synodale resolutien wederomme doorbreken, op het gevoechlijckste voortaen sullen mogen verhindert worden’, waarop ‘is geresolveert, aengesien tsynodus hope gecregen hadde, dat sulcx welhaest ophouden soude, dat de respective classes haere beste sullen doen om sulcx mette beste middelen af te crijgen’ 83) Mocht Starter getracht hebben, met dit spel de kerkelijke vergaderingen en de wereldlijke overheden gunstig voor zich te stemmen, dan heeft hij dat wel geheel verbroddeld door het stuk dat hij 21 Sept van hetzelfde jaar liet opvoeren: Daraide Hiermee moet hij het laatste greintje goodwill verspeeld hebben, en dat terwijl de overheid blijk 83) ReitsmaVan Veen, Acta VI, 258 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 140 baar aarzelde, het spelen te verbieden Men kan er de Friese Calvinisten geen verwijt van maken dat zij tegen dergelijke stukken in het geweer kwamen De tragicomedie heeft ondanks het feit dat het stuk gespeeld werd op de schijnbaar godsdienstige regel: Seght niet, dit wil ick dus, oMensch! Want God schickt alles na syn wensch, een grove intrigue Alles draait om het plan van de hysterische, wraakzuchtige koningin Sidonia, haar ontrouwe 84) vroegere minnaar Florisel te laten onthoofden, waarbij zij als premie voor hem die dit stuk bestaat, de hand aanbiedt van Diana, de Dochter van Florisel en haarzelf Zeer pikant is in dit stuk de vermomming van twee jongelieden, de prinsen Agesilan en Arlanges, als musicerende Amazonen Ze worden beiden verliefd, Agesilan op de schone Diana en Arlanges op Diana's gezellin: een hartstochtelijke, schijnbaar Lesbische liefdesverhouding, die op de omstanders begrijpelijk een vreemde indruk maakte Ten slotte moet in dit stuk de vermenging van heidense en Christelijke elementen de consciëntieuze toeschouwer tegen de borst gestuit hebben Ieder weet, hoever men in die tijd, ook in Christelijke poëzie, kon gaan in de vermenging van klassieke mythologie en een Christelijke gedachtenwereld De mythologische figuren zijn echter meestal niet meer dan een stereotype versiering van de Renaissancepoëzie 85)Ook bij Starter doet zich deze mythologiseringstendenz voor, maar in Daraide treffen we bovendien een slordige verhaspeling van mono en polytheïsme aan d'Opperheer, den hemel, de go'on, God, de Heere der Heyrscharen doen beurtelings dienst bij de aanroeping van hogere machten Op bl H4r olezen we bv: ‘Op dat ons niemand kend, voor dat de tyd sal maken /Met wille vande Go'on een uytkomst onser saken’, maar drie regels verder zegt dezelfde Daraide: ‘Nu leyd den Held en slaept, oHeere der Heyrscharen! /Wild hem van alle quaed bewaren’ Op de volgende bladzijde staat echter weer: ‘Maer nu ist vande Go'on gansch anders omghekeerd’ Op 84) De ontrouw wordt bij Starter door niets gerechtvaardigd, blijkbaar omdat hij boek Xvan zijn bron, de Amadis niet gekend ofgebruikt heeft; vgl HE Moltzer, Studiën en Schetsen van Ned Lett (1881), 204 85) Walter Schirmer, Antike, Renaissance und Puritanismus (1933), 24 ev Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 141 blz F1v olezen we, zo Christelijk als 'tmaar kan: ‘En ondertusschen so beveel ick uden Heere’, maar op H1v o:‘Tot datmen seker weet wat end van uwe saken /De hooghe Goden door haer wille willen maken’ Dit syncretisme maakt de indruk, voortgevloeid te zijn uit een geestesgesteldheid die al heel weinig religieusbewust is Hoe aanstotelijk dit halfheidense spel ook moest zijn voor overtuigde Christenen, nog bonter maakte het de auteur met de ingelaste klucht van Jan Soetekauw De mening van Brouwer (bl 116) dat deze te Leeuwarden wsch niet gespeeld is, kan ik niet delen Waarom zou men zich daar niet vermaakt hebben met het grappige Amsterdamse dialect? Koeterwaals was iets wat het in die eeuw altijd op het toneel deed Bovendien heeft de klucht functionele betekenis: het 2e toneel van de klucht vult een tijdpauze op tussen 1e en 2e toneel van het 2e bedrijf van Daraide, en de 3e scène van de klucht eveneens tussen 2e en 3e scène van het 5e bedrijf, zodat het stuk van nominaal 5bedrijven er eigenlijk 7heeft Ook al kon men in de 17e eeuw op dit gebied veel verdragen, zo moesten de uitlatingen van Jan Soetekauw over zijn moeder (‘die besuckte oude teef’) en de uiterst plastische beschrijving van zijn sexuele emoties in een landelijk, strenggodsdienstig milieu als dat van de Friese hoofdstad verontwaardiging wekken Een van Starters lofdichters, Renerus Oliva, mocht dan nog zo te keer gaan tegen de ‘bevrosen Friesen’ die zo ‘yskoud’ en ‘blind in liefd der konst’ waren en die ‘d'eerbaer kuysch' en RedenryckeMaget’ vermoord hadden en ‘verkapt met Heylige Schyn’ hadden ‘geschopt van 'tpronckTooneel, al waar sy was gewent /Met vreughd te leeren deughd, al lachende met lusten’ zo Starter het al niet eerder had gedaan, dan heeft hij zeker met zijn Daraide zijn eigen graf als ‘opperkamerHooft’ gedolven 86) Als godsdienstigindifferent komt hij ons ook voor in zijn vaderlandse en politieke poëzie In onze opstand tegen Spanje zag hij alleen verzet tegen tyrannie Een wel zeer eenzijdige kijk krijgen we op het grootse gebeuren van de vrijheidsstrijd, als hij in het gedicht Wt 86) Fr Lusth 1e dr (1621): Eerdicht over 'tFriesch Vermaack Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 142 treckinghe van de Borgery van Amsterdam de uitbuiting van de rijken door de koning als hoofdmotief noemt: Ja, dat hy Wett'loos deed onthalsen en vermoorden De rijckste, die hem noyt, met wercken of met woorden, Misdeden op het minst, alleenighlijck om dat Hy door haer ondergang verrijcken mocht sijn schat 87) In een Princelied ter ere van Maurits klinkt met het materiële motief nog een zwakke godsdienstige toon mede: Wild Spaengiens hooghmoed buyghen, Verlossen 'tVaderland Van lasten //die tasten In goeden en gemoeden Vande Vromen //die volkomen Nu den Tyran niet schromen 88) In een figuur als Willem Ierkent hij als allerhoogste deugd: ‘de vrees des Heren’ Maar in al deze gedichten, zoals bv dat op 'tOntset van Bergen op den Zoom (1622) 89) met het refrein ‘Als God ons Staet beschut, gheen Vyand mach ons deeren’ en dat men eenvoudig niet kan vergelijken met Revius' gloeiende Christocentrische gedicht op dezelfde gebeurtenis klinkt ons een plichtmatige religieuze pathetiek tegemoet Geen wonder dat de dichter, hoewel hij er belang bij had de Contraremonstrantse zijde te kiezen, zeer weinig of in het geheel geen begrip had van wat de godsdienstige partijen in de woelige jaren rondom 1618 eigenlijk bewoog Ieder moet maar op zijn manier zalig worden, en feitelijk wordt de hele strijd ‘om een ding van niet’ gevoerd Duidelijk blijkt dat uit het gedicht AMNH ΣTIA, een vermaning om te vergeten ‘al de bitterheden, die onder de naem van Remonstranten, Arminianen, etc in hare harten gheherberght zijn gheweest ende noch souden moghen wesen’ (1623) 90)Dit gedicht kent lang niet die ge 87) Fr Lusth ed vVloten, 331 88) Fr Lusth 3e dr (1624), 206 89) ibidem, 175 90) Fr Lusth ed vVloten, 378 Planodruk Vondelmuseum, C117 Starter hechtte aan dit vers veel waarde blijkens de slotwoorden: God geef, dat dit ghedicht, de menschen sticht in 'tleven, So heb ick nutter dicht mijn daghen niet gheschreven Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 143 zwollenheid die ons in andere vaderlandse gedichten van hem zo opvalt Omdat het oprechter is? Het is een oproep om al het twistgeschrijf in het vuur der liefde te verbranden Al dat getwist wordt aangestookt door eerzuchtige lieden, die het toppunt van hun wensen willen bereiken In het vuur met al dat lastertuig: die boekjes vol van gal, en prenten die als roet de bitterheid en haat doen prenten in 'tgemoed Mede hierom prijst hij tot tweemaal toe de Friese predikanten, dat ze de vrede bewaard hebben; welke partij ze kozen was blijkbaar van minder belang De Friese Maagd zegt ergens: Mijn dienaers van Gods woord, die trecken eenen lijn, En soecken in de vreed' en buyten twist te zijn, Sy houden sich al stil, in 'tmidden vande baren 91) Evenals Vondel in zijn Harpoen heeft Starter ons in Den Nieuwen Kuyper 92),zijn bekende satire op het kuipen, de ideale en de verkeerde predikant getekend Een van de mannen die meent dat hij vanzelf door zijn bekwaamheid hoger op de maatschappelijke ladder zal komen, is een ‘pastoor’ (dominee) Hij meent wel uit zijn dorpje in een grote stadsgemeente te zullen worden beroepen Hij is een bekwaam theoloog 93),heeft een hoge opvatting van zijn herderlijk werk, de eendracht heeft hij bewaard en zich nooit met de politiek ingelaten, omdat dit het terrein van de overheid is; maar hij zal niets bereiken Vriendengunst is het enige middel ‘Wat d'heyligheyt belanght, die moet men nu wat recken, /En wilt ghy dat niet doen, soo blijft ghy onbekent’ De heren moeten je ongunst vrezen, en steun bij je zoeken voor hun politiek, bij u‘als hebbende verstandt /Van 's werelts policy, veel meer als van de Godtheydt, /Hoewel het maer voor Godt is een oprechte sotheyt’ Het is geen wonder dat hij zijn vrienden kiest onder de verdraagzamen In het Album Amicorum van Petrus Scriverius heeft men een sonnet aangetroffen van ‘sijn op het hooghste hem toegedanen Vrund’ 91) Fr Lusth 1e dr, 23, vgl 57; ed vVl, 27, vlg 83 92) Fr Lusth ed vVl, 510 93) Merkwaardig isde opmerking: de dominee had inzijn jeugd ‘beclommen d'hooge bergh van de philosophy /Om dies tegrondigher de Godheyd t'overweghen’ Philosophie als een soort natuurlijke theologie! Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 144 Jan Starter (1621) 94)De gevoelens waren wederkerig: had Scriverius niet in een voordicht voor de 1e druk van de Fr Lusth verklaard: ‘Jan Starter, soo men my oock in dees konst gelooft, /Ick sie de Eeuwigheyd uhangen over 'thooft’? Niemand heeft hij als vriend hoger geprezen dan Theodorus Graswinckel (nl in ToeeigenBrief vóór Daraide ),de originele, geleerde, scherpzinnige, maar materialistische en aan de drank verslaafde dichter Dirk Graswinckel 95)Hij noemt hem ‘de waerdste vriend, dien ick oyt heb gekend’; ‘myn groote vriend daer alle mijn ghedachten /Van mimeren by daegh, van droomen alle nachten, /Die altyd om myn speeld, blyft altyd oock de myn, /ghelijck ick d'uwes ben, en eeuwigh hoop te syn’ Belangrijker voor ons zijn echter de regels waarin hij verklaart dat hun vriendschap daarom zo ‘bondig’ is ‘mits wy beyd zijn eenigh inde Geest’ Deze Graswinckel immers was een volgeling van Hugo de Groot en stond als zeer verdraagzaam bekend, hoewel hij niet tot de Remonstranten behoorde Zoals het Nieuwjaarslied uit zijn jeugd het eerste stadium van Starters godsdienstig leven vertegenwoordigt, zo typeert het zeer persoonlijke PinxsterLiedt door Ian Iansz Starter aen zijn waerde vriend, Ferdinandus vande Spiegel Gesonden Dito, 'tJaer 1624, het eindpunt van zijn religieuze ontwikkeling Hier geen Christelijk geloofsbesef meer Het Pinksterwonder is als Christelijk geloofsfeit volkomen zinledig voor hem geworden; het werd een allegorie van een aristocratischhumanistisch vriendschapsbegrip O, laet ons oock betreden Het pad van waere vreught, Geharnascht door de reden, Gewapent door de deught , Als ons VoorOuders deden, Juyst op den dagh van heden Door Godes geest verheught Elk Christen ontving de kennis der talen en het spelen met de tong Laat ons nu ook ‘tongen spelen’, di converseren op een hoog geestelijk plan: 94) Brouwer aw, 146 (bijlage 45) 95) Vgl Fruin, Verspr Geschr IV, 203, 211 ev en Ned Biogr Wdb III, 489 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 145 Ons lust bestaet in spraken, Daer mennigh botte beest Nau yet weet van te maken, Die nergens isgeweest Ware Rijckdom vindmen meest In de gaven vande Geest, Vuyr, noch swaerd kan die wegh voeren, Als sy doen den Schat der Boeren; Sulcken Rijckdom uby staet Als ualle Schat afgaet Daerom gaf, in plaets van haven God zijn Dienaers dese gaven, Juyst op desen Pinxsterdagh, Doen men Tongen dalen sagh; Daerom zijn oock nu de tongen Vande Geesten onbedwongen 96) Dit is de confessie van de wel aan lager wal geraakte, maar ondanks alles in de voortreffelijkheid van de geest en de ‘geesten’ gelovende dichter Deze man, die de adel des geestes stelt boven tijdelijke have, die gelooft in de onsterfelijkheid van zijn poëzie (‘wanneer mijn rif verrot’ 97)),doet uiterst modern aan, meer dan enig ander Nederlands dichter van die tijd Naast de uitbundige levensvreugde treffen we bij hem aan de doodsvrees, die elke vitalist bij de keel kan grijpen Helaes! wat isde mensch? hy schijnt een bel, een veder, Die met veel moeyten rijst, en daelt van selven neder, Hoe sterck, hoe jong, hoe schoon, hoe treftig van geboort, Hoe rijck van geest en goed, hy moet in 'tende voort: De dood siet niemant aen, de scepter en de spade De Keyser en de Boer heeft by hem (g)een genade Die dan geen naem nalaet door deughden vande geest Verdwijnt, als of hy noyt in 'tleven had geweest 98) 96) Fr Lusth 3e dr, 204 Cursivering van mij Vgl het gedicht voor Scriverius: die ‘doet dagelijx oprijsen /Veel geesten, dien hij tot een spoor en prickel diend’ 97) Gedicht op Scriverius 98) Fr Lusth 3e dr, 196: LijckDicht over d'Onrypen Doodt vanden inalle Deughden en Geestighe Oeffeninghen uytmuntenden Jonghman Mathys van Beeck Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 146 Vele moderne kunstenaars zijn uiterst humaan in hun levensopvattingen, zij willen door het vuur gaan voor de menselijke waardigheid, maar tegelijk schieten zij vaak door de zwakheid van hun vlees en van hun wil zo hopeloos tekort in het gehoorzamen aan de zedelijke normen en de volbrenging van hun alledaagse plicht Zo'n bohémien was Starter, strijdend voor verdraagzaamheid, tegen kuiperij en huichelarij, en daardoor op zijn wijze kampvechter voor de waardigheid van de mens; zijn zaken verwaarlozend, liefde en drank verheerlijkend, onbeheerst in zijn persoonlijk levensgedrag Meer dan Breero modern, want evenals zovelen in de jongste tijd, het geloof van zijn jeugd verliezend Meer dan Bredero, die zich als vaandrig liet invoegen in een zo bij uitstek solide stedelijke corporatie als de schutterij, was Starter een bohémien avant la lettre: zich losmakend van de georganiseerde en welgeordende maatschappij, sloot hij zich aan bij de outcasts, de paria's van die tijd, de vuuraanbidders, en stierf met hen, marcherend in het vlakke veld in een vergelegen land WJC BUITENDIJK Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 147 Boekbeoordelingen J Horrent, La Chanson de Roland dans les littératures française et espagnole au moyen âge Id, Roncesvalles, étude sur le fragment de cantar de gesta conservé àl'Archivo de Navarra (Bibliothèque de la Faculté de philosophie et lettres de l'université de Liège, fasc CXX et CXXII) Paris, Les Belles Lettres 1951 (fr 1100, en 500, ) Dr J Horrent, assistent aan de Luikse universiteit, heeft reeds sinds jaren al zijn aandacht geconcentreerd op het Franse Rolandslied en zijn bewerkingen: in 1946 verscheen van zijn hand Roelantslied et Chanson de Roland; twee jaren later Un echo de la Chanson de Roland au Portugal en nu geeft hij ons de beide hierboven vermelde studies Over de tweede publicatie kunnen wij kort zijn Zij bevat van het honderd regels tellende Spaanse fragment een nieuwe uitgaaf, die niet wezenlijk afwijkt van de bekende door Menéndez Pidal uitgegeven tekst, een woordenlijst en een uitvoerige studie over de taal en het karakter van dit epische brokstuk en de plaats die het in de Rolandtraditie inneemt De conclusies waartoe schr komt worden benut in zijn belangrijk werk La Chanson de Roland dans les littératures fr et esp ou moyen âge Hierin laat schr alle Franse en Spaanse teksten de revue passeren waarin het gedicht in min of meer gewijzigde vorm, al of niet gecombineerd met andere elementen, wordt gevonden Zijn bedoeling is niet de oude, maar steeds actuele, kwestie van de oorsprong van het epos weer op te rakelen; hij wil de ontwikkeling van het lied bestuderen, hoe het naar tijd en plaats en naar de aard van de bewerker werd verkort, verlengd, veranderd en aangepast De verschillende hss worden dus niet benut om de tekst van het lied te emenderen, neen zij nemen hun eigen plaats in in het proces van adaptatie dat ons gedicht in zo hoge mate heeft ondergaan Dr H bepaalt zich tot het Frans en het Spaans De zo belangrijke Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 148 ontwikkeling die Roland in Italië heeft doorgemaakt blijft buiten bespreking Ook ons Middelnederlands Roelantslied Toch niet geheel Immers, wel wil schr zich angstvallig verre houden van de strijd over de oorsprong van het Rolandsepos, maar bij zijn historische beschrijving moet hij toch bij het begin beginnen En wat is dit begin? Welke is de oorspronkelijke vorm van ons gedicht? Is dit de redactie die wij in het Oxfordhandschrift (O) vinden (Bédier), of vertegenwoordigen het Carmen de prodicione Guenonis en de Historia Karoli Magni et Rotholandi of PseudoTurpinus een ouder stadium (Gaston Paris) en eveneens de Mnl fragmenten (van Mierlo)? Zo is dus H gedwongen zich een mening te vormen omtrent enige belangrijke kwesties die met de vraag naar de oorsprong samenhangen, en zo worden ook andere dan Franse en Spaanse teksten in de discussie betrokken Dr H betoogt nu eerst dat geen der ons bekende redacties hoger opklimt dan O Indien passages als die van Baligant, Blancandrin en de schone Aude ontbreken, dan zijn deze geschrapt door bewerkers die de tekst wilden bekorten, en geen latere bijvoegsels in O Er komen namelijk in deze redacties verschillende zinspelingen op de ontbrekende passages voor, die bewijzen dat zij in hun bron hebben gestaan Waarom zou bijv in het Roelantshed 1)Ganelon verrader worden genoemd en waarom zou Karel dadelijk, toen Roelant's hoorngeschal weerklonk, aan verraad van Ganelon hebben gedacht, indien deze altijd aan Karel's zijde was gebleven en niet als gezant naar Marsile was gegaan? En wat betekenen de beginverzen van het Volksboek anders? Mer die valsche Guwelloen hadt al bedreven, Also wi in die gesten vinden bescreven Roelant isdood Karel komt op het slagveld en achtervolgt de vluchtende Sarracenen, die voor het merendeel omkomen in de Ebro Des nachts daarop, terwijl Karel slaapt, zendt God hem de engel Gabriel: Par avisun liad anunciet D'une bataille kiencuntre lui ert Zo droomt hij oa dat hij met een leeuw worstelt Dit slaat duidelijk 1) Ed Van Mierlo inMed VA, 1935, bl 31166; Nieuwe fragmenten, uitgegeven door Kloeke in dit Tijdschrift, LIX (1940), bl 93120 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 149 op de Baligantepisode, waarin de keizer in harde tweekamp de emir van Babilonië verslaat Welnu de droom komt ook, verkort, in de mnl tekst voor (17171761) Moeten wij daaruit niet de conclusie trekken dat diens bron ook deze episode bevatte? Trouwens vers 1814 noemt koningin Bramimonde ‘den amirael’ met name Wij zouden voort kunnen gaan, maar het blijkt wel dat het mnl Roelantslied ons geen ouder stadium biedt dan de redactie die wij in O vinden 1)En Dr H bewijst hetzelfde ten opzichte van de andere redacties Moeten wij dan aannemen dat aan het begin der evolutie de tekst van O staat? Neen, zegt H, het zou vreemd zijn, indien er wel na 1100 voortdurend aan de tekst wijzigingen zijn aangebracht en niet vóór die tijd (wij zullen de waarde van deze redenering dadelijk nader bezien) En hij meent op grond van interne redenen vroegere stadia van het Rolandslied te kunnen reconstrueren Het is natuurlijk niet mogelijk al zijn argumenten onder de loupe te nemen Alleen twee passages, de belangrijkste, willen wij hier bespreken Tegenover de twaalf christelijke pairs staan twaalf heidense Tien van hen sneuvelen; alleen Margariz en Chersuble blijven nog over Margariz rijdt op Olivier af, doorboort met zijn lans diens schild, maar ‘Deus le guarit’, God beschermde Olivier 2)Margariz rijdt hem voorbij en steekt de trompet om de zijnen te verzamelen In de volgende laisses zien wij Roland Chersuble doden en de strijd voortwoeden Van Margariz is er in O geen sprake meer In de andere hss echter verschijnt hij verderop weer ten tonele Door vier speerstoten gewond vlucht hij naar Marsile, vertelt hem van de strijd en hoe nu de christenen uitgeput en gemakkelijk te overwinnen zijn H meent dat deze verzen in het oorspronkelijke gestaan hebben, omdat het onaannemelijk is dat de dichter geen verdere melding van Margariz zou gemaakt hebben Maar verre van de moeilijkheid op te lossen brengt deze passage er nieuwe bij Immers onmiddellijk vóór deze passage lezen wij juist 1) Ikmag verder wel verwijzen naar mijn bespreking van Van Mierlo's uitgave van het Roelantslied inOTt, V(1936), bl 219222 2) H denkt blijkbaar dat leop Margariz slaat, en fantaseert dat deze een renegaat was, die door God beschermd wordt daar hij eenmaal christen isgeweest Voor de naam Margariz zie men nog LiFet des Romains, p433, reg 7,en de daarbij gegeven aantekening Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 150 dat Marsile met zijn leger op het slagveld verschijnt Het is dus volkomen overbodig dat Margariz hem bericht komt brengen En dat de heidenen bij zijn woorden opspringen (salent en piez )en dus blijkbaar daar gelegerd waren, is daarmede in flagrante tegenspraak Ten slotte, indien wij het vreemd vinden dat de dichter ons niet inlicht omtrent het lot van Margariz, waarom laat hij ons dan in het onzekere met wat er verder met hem gebeurt? Alles wijst erop dat deze passage een later invoegsel is Moeten we nu in O na v 1319 een lacune van enkele verzen aannemen, waarin vermeld stond hoe Olivier op zijn beurt Margariz aanvalt en hem dood van zijn paard werpt? Het is mogelijk, maar niet noodzakelijk Om op grond van deze passage tot de slotsom te komen conclusion grave, zegt H dat de archetypus van alle handschriften ernstige fouten bevatte lijkt mij niet gerechtvaardigd Van meer gewicht nog is de Baligantepisode Het gaat hier om ongeveer negenhonderd verzen, die na enige aarzeling door Dr H worden toegeschreven aan een copiist, maar aan een copiist die tevens een ‘créateur’ was Inderdaad kunnen wij ons een gedicht voorstellen zonder deze episode Inderdaad wordt door de strijd tussen Karel de Grote en Baligant de aandacht van de persoon van Roland afgeleid Maar het is zulk een grootse conceptie om in de persoon van Keizer Karel en die van de Emir van Babilonie christendom en heidendom tegenover elkander te stellen; zij is ook zo in overeenstemming met de geest van het gehele gedicht roept ook Roland niet uit: ‘Paien unt tort echrestien unt dreit’ ,dat wij ons afvragen waarom de dichter zelf niet de grote kunstenaar kan geweest zijn die bij het scheppen van zijn gedicht deze visie vorm heeft willen geven, zonder zich er al te zeer om te bekommeren of daardoor zijn Roelantslied in zekere zin een Karelslied zou worden Het lijkt mij dus dat schr er niet in geslaagd is aan te tonen dat de copiist van O slechts een ‘rifacitore’ is geweest en dat wij oudere stadia van ons gedicht kunnen reconstrueren Zeker, de mogelijkheid dat deze bestaan hebben, ook buiten de geest van de scheppende kunstenaar, kan men niet ontkennen Maar wij weten daar niets van Natuurlijk heeft de dichter zijn kunstwerk niet uit het niet geschapen Natuurlijk heeft hij allerlei uit de legende omtrent Roland ontleend Maar in Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 151 welke vorm deze legende hem bekend was, nog eens wij weten het niet Wij moeten trouwens ons er wel rekenschap van geven dat, terwijl wij oudere stadia van een gedicht denken te reconstrueren, wij eigenlijk bezig zijn met de legende En deze is een ongrijpbaar iets Hierop heeft nog kort geleden Siciliano terecht gewezen 1) Wij zijn ongeveer op de helft van het boek gekomen In een honderdtal bladzijden wordt de verdere ontwikkeling nagegaan en worden de verschillende redacties van PseudoTurpinus, van de berijmde Roland, het Carmen de prodicione Guenonis, en vooral de redactie dié wij in Galien le Restoré vinden, nauwgezet bestudeerd en gekarakteriseerd en de intenties nagegaan die de bewerkers brachten tot hun verkortingen en aanvullingen, hun wijzigingen en contaminaties met allerlei vreemde elementen De laatste honderd bladzijden zijn gewijd aan de Rolandtraditie in Spanje, waarbij een francophile en een antifranse stroming zijn te onderscheiden, die beide merkwaardigerwijs naast elkaar bleven voortbestaan Tot de eerste behoort het Roncesvallesfragment, dat oa ook Renaud de Montauban aan Roland's zijde laat strijden en sneuvelen; tot de tweede behoren de teksten waarin een legendarische held, Bernardo del Carpio, naast en zelfs tegenover de Franse ridders wordt geplaatst, een merkwaardige uiting van nationale trots De Luikse geleerde heeft al de ingewikkelde kwesties die aan dit onderzoek vastzitten scherpzinnig ontward en helder uiteengezet, waarbij hij voor het Spaanse gedeelte, zoals hij zelf dankbaar erkent, veel aan de prachtige studies van Menéndez Pidal verschuldigd is Wij hopen nog dikwijls werk van hem te lezen dat op hetzelfde hoge wetenschappelijk niveau staat als beide hier aangekondigde boeken Groningen K SNEYDERS DE VOGEL HJ VieuKuik, Het gebruik van Franse woorden door W olff en Deken, een bijdrage tot de cultuurgeschiedenis der 18de eeuw Deel I:W oorden, die betrekking hebben op den mens in zijn verhouding tot den evenmens Arnhem: Van der W iel 1) Italo Siciliano, Les origines des chansons de geste, Paris 1951 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 152 & Co [1951] Tevens verschenen als Groninger dissertatie 1951 269 blz, prijs ƒ5,90 Dit boek voert zijn ondertitel met ere; het beperkt zich niet tot een zuiver linguistische catalogiserende beschrijving der feiten, maar schetst ons tegelijk de cultuurhistorische achtergrond van het taalkundig gebeuren Men kan dit slechts prijzen! Met de wisseling der wetenschappelijke getijden mogen linguisten beurtelings de lof zingen van de neogrammatische, de geografische, de onomasiologische, de stilistische, de structurele methode van taalonderzoek, het beeld van de taal kan nu eenmaal niet duidelijk worden zonder dat we daarbij een beeld van de sprekers (en van hun doen en laten) voor ogen hebben Welnu, schr heeft haar uiterste best gedaan om, uitgaande van de taalkundige feiten, dit beeld te acheveren Onder welke noemer moet ik haar ‘methode’ nu brengen? Laat mij volstaan met de opmerking dat haar wijze van werken een reële en verstandige indruk maakt en dat haar betoog over het algemeen overtuigend is Wat dat aangaat ben ik van mening dat bij taalkundige bewijsvoeringen de evidentie doorgaans meer gewicht in de schaal legt dan constructies volgens om 'teven welke vernuftige ‘methoden’ Catalogisering kan bij een dergelijk onderzoek niet worden vermeden, maar door de heldere indeling der stof blijft de aandacht van de lezer voortdurend geboeid Het materiaal wordt trouwens telkens door de schr gelardeerd met persoonlijke opmerkingen en conclusies Het feit dat alle citaten onverkort worden opgenomen draagt het zijne bij tot verlevendiging van het geheel Zo breidt schr op onbekrompen wijze de schatten van haar materiaal en haar kennis voor ons uit en geeft ons tenslotte heel wat meer dan door de titel wordt aangeduid Met bizondere waardering mogen de 14 illustraties worden vermeld Vele excursies en toegiften verhogen nog de waarde van het boek Zo prijst Prof Van Es in zijn voorwoord terecht het levendige hoofdstuk over de mode ‘met al zijn aardige onderverdelingen, met zijn details over de kleding van mannen en vrouwen, over sieraden, over kapsels en hoofdbedekking, maar ook over modetypen, fatjes en modegekjes’ Een enkele maal constateren we toch ook een overmaat Zo moge Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 153 een woord als plat (133, 146), dat reeds mnl was, oorspronkelijk uit het Frans ontleend zijn, uit niets blijkt dat er nog enige samenhang met het Franse woord gevoeld werd Veeleer zijn beide woorden sinds lang eigen wegen gegaan Zo kunnen platje (ondeugd) en platvisch (140) toch niet als ‘Franse woorden’ beschouwd worden Soortgelijke opmerkingen zou men kunnen maken naar aanleiding van staat met zijn samenstellingen en afleidingen (33 vv, 154), dammen (116), piesjes (154) hokus pokus pas (168) De woorden kaatsspelen (122), apenkuren (147) lijken hier bij vergissing mee opgenomen (ze worden ten minste niet in het register vermeld) Zomertent (100) maakt eerder de indruk van een soort purisme voor ‘prieel’ Over rarekiek zie WNT Dat zoet een ‘zeer oude’ ontlening van het Fra chut (stil) zou zijn (159) lijkt mij reeds om formele redenen weinig aannemelijk (het Fra woord is niet vóór de 17de eeuw overgeleverd) Verwante betekenissen van soete en soetelike treft men al in het mnl aan Vgl bovendien zoetjesaan Naast zoet wat kennen we toch ook zacht wat (in Zwolle hoorde ik vaak stille wat ) De wijze waarop het woord kabrioleeren op blz 123 wordt besproken (in het citaat staat trouwens kabriolen )wekt ten onrechte de suggestie alsof met kabrioleeren een bepaalde ‘gang’ van paarden bedoeld zou zijn (tegenover galopeeren ) Wat verstaat schr eigenlijk onder ‘scherpe palatalisering’ (173) ‘nader besproken bij de taal der verliefden’ Zie ik het goed dan heeft schr hierbij het oog op blz 92, waar het ‘piepen’ en ‘murmelen’ bij liefdesverklaringen wordt besproken Maar kan men dit verschijnsel als ‘scherpe[?] palatalisering’ aanduiden? Onwillekeurig dacht ik hierbij aan een eigenaardige taalhabitus die ik wel eens bij ‘Haagse heertjes’ constateerde en waarvan de hoofdkenmerken zijn 1oeen opvallend rad spreektempo, 2osterke gelaatsmimiek, 3oeen veel uitgebreider scala van toonhoogten dan men bv bij de gemiddelde ‘provinciaal’ aantreft, 4ohet handhaven (vooral bij affect) van een betrekkelijk hoog toonniveau dat niet zelden zelfs overgaat tot falset Is deze taalhabitus een nazaat van het ‘piepen’? Mocht schr gelijk hebben met haar mening dat dat ‘piepen’ onder Franse invloed in de mode is gekomen (wat mij volstrekt niet onwaarschijnlijk lijkt) dan moet althans Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 154 aan de mogelijkheid gedacht worden dat in de taal der huidige ‘Haagse heertjes’ een eigenaardigheid is geconserveerd die dagtekent uit de 18de eeuw Ik kan mij voorstellen dat velen deze taalhabitus als ‘geaffecteerd’ en ‘aanstellerig’ zullen brandmerken, maar meen dat men met het aanwrijven van deze karakterfout de ‘Haagse heertjes’ onrecht doet Zij praten slechts zoals zij hun ouders en grootouders steeds hebben horen spreken Wel zou er in de waardering door de comtemporaine niet‘Haagse’ sprekers een kern van waarheid kunnen schuilen, in zoverre dat men de eventuele 18deeeuwse initiatoren niet van geaffecteerdheid vrij zal kunnen pleiten Schr geeft de noten niet aan de voet der bladzijden, maar laat op elk hoofdstuk een aparte notenlijst (ieder met eigen nummering) volgen De lezer die het boek zorgvuldig wil bestuderen wordt dus feitelijk gedwongen zijn aandacht op twee plaatsen tegelijk te concentreren Dit is een weinig geriefelijke methode waarvan de hinderlijkheid vooral zal worden gevoeld door de (naar we hopen: vele) lezers die het boek zo nu en dan raadplegen om zich omtrent bepaalde verschijnselen te oriënteren Bepaald tijdrovend wordt het naslaan wanneer men, getroffen door een belangrijke noot, wil uitzoeken bij welke blz zij behoort Een grote verbetering zou het al zijn, wanneer alle noten (en dan doorlopend genummerd) aan het slot zouden staan Maar persoonlijk ben ik een overtuigd voorstander van het oude systeem waarbij de noten staan op de bladzijde waar ze horen Misschien is het hier gewraakte systeem van notenverdeling (waarbij de noten dus geheel en bagatelle worden behandeld) voor de uitgever wel efficient, maar voor hen die dagelijks dergelijke boeken moeten gebruiken is ze het zeker niet De uitgevers zullen moeten bedenken dat de tijd tegenwoordig niet alleen kostbaar is voor de zetter maar ook voor de boekgebruiker Maar voor het overige slechts woorden van lof voor de ijverige en toegewijde schrijfster Men wordt aangenaam getroffen door de zakelijke eenvoud van het betoog en de dappere wijze waarop schr haar weg door een overvloed van materiaal heeft weten te banen Het is zeer te hopen dat schr ook haar tweede deel nog mag voltooien en dat ze de steun zal vinden, die haar werk ten volle verdient G KLOEKE Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 155 W oordeboek van die Afrikaanse Taal [Die Afrikaanse W oordeboek, Deel I,AC] Pretoria, Die Staatsdrukker ,1950 ‘'N so volledig moontlike versameling van ons Afrikaanse woordeskat’ in een groot, wetenschappelijk woordenboek, dat is het ideaal dat prof JJ Smith zich stelde in zijn opstel van 10 Juli 1920, dat aan het begin van de inleiding tot het voor ons liggende werk wordt aangehaald Het is een ideaal zoals sinds de opkomst van de nieuwere (di nietklassieke) taalwetenschap alle beoefenaars daarvan voor ogen zweefde, en welks vervulling, vooral sedert Jakob Grimm met zijn Deutsches Wörterbuch voor den dag kwam (1837), als een zaak van nationaal belang en een nationale erezaak werd gezien Het eerst in Nederland, en na korter of langer tijd in de overige Germaans sprekende landen, zette men zich aan de arbeid en na meer of minder strubbelingen kwam een zodanig werk op gang; voltooid is alleen nog het Engelse woordenboek; het Deense, waarmee het laatst begonnen werd, heeft de eindstreep in het gezicht In de meeste gevallen is de woordenboekszaak een zaak van veel hartzeer en teleurstelling geworden; niettemin is zij nergens opgegeven De oorzaken van die teleurstelling zijn tweeërlei: in de eerste plaats juist dat men zo'n woordenboek als een nationale erezaak zag, en erezaken verlangen nu eenmaal een regeling op korte termijn, wat bij zo'n werk apriori uitgesloten is; het enthousiasme, zoals dat in Nederland bv bij het verschijnen van de eerste aflevering in 1864 nog bestond, is geen eeuw gaande te houden En in de tweede plaats dat men er van uitging dat zo'n nationaal woordenboek ook nog ‘aan de eischen van wetenschap en practijk’ moest voldoen 1)De vervulling van die twee eisen gelijktijdig is immers een onmogelijke zaak De practijk verlangt een gemakkelijk hanteerbaar woordenboek van hoogstens drie àvier delen, binnen enkele jaren verschijnend, up to date en met in de eerste plaats aanwijzingen voor het verstaan en het hanteren van de woordenschat en de taalvormen van het ogenblik De wetenschap daarentegen is alleen te bevredigen met een zo volledig mogelijk gedocumenteerde, diachronische, etymologisch toegelichte inventaris van de taal in al haar verschijningsvormen, een 1) WNT, afl 1,‘Een woord aan den lezer’, 2 Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 156 werk dat generaties eist en minstens twintig boekdelen De meeste woordenboeksondernemingen hebben de laatste weg gekozen, en terecht Zij mochten en moesten dit doen, omdat er in de Europese landen al lang min of meer betrouwbare handwoordenboeken bestonden; om deze te vervolmaken was echter een groot wetenschappelijk woordenboek nodig Voor het Afrikaans lag de zaak anders Een gezaghebbend handwoordenboek van enige omvang bestond daar nog niet Prof Smith wilde de weg volgen van zijn Europese voorgangers: eerst een groot, wetenschappelijk woordenboek; dan, daarop gebaseerd, een standaardhandwoordenboek Maar de practijk kon zo lang niet wachten; de snel evoluerende Afrikaanse taal en het gelijktijdig groeiende taalbesef verlangden zo spoedig mogelijk de steun van een voor de practijk ingericht en toch zo volledig mogelijk, door bevoegde taalgeleerden samengesteld woordenboek Aan dit verlangen heeft de huidige redactie, onder leiding van Dr PC Schoonees, voldaan met het werk waarvan het eerste deel in 1950 gereed kwam, en waarvan de voltooiing binnen afzienbare tijd verzekerd schijnt Dit werk is een compromis; het draagt een voorlopig karakter en een groot, historisch, wetenschappelijk woordenboek wordt alsnog in uitzicht gesteld Die tweeslachtigheid blijkt ook uit de ietwat eigenaardige dubbele titel: op de titelpagina staat ‘Woordeboek van die Afrikaanse taal’, op de band ‘Die Afrikaanse Woordeboek’ Die dubbele titel is weliswaar niet met dit opzet gekozen (Dr Schoonees berichtte mij dat de bandtitel gekozen was omdat het boek bij het publiek nu eenmaal aldus wordt aangeduid, zoals het WNT ook wel ‘Groot Nederlands Woordenboek’ genoemd wordt), maar de innerlijke structuur wordt er toch ook wel door gekarakteriseerd: ‘Woordeboek van die Afrikaanse Taal’ is het voor zover het de eigen Afrikaanse taalschat op grond van directe mondelinge en schriftelijke gegevens registreert, met zorgvuldige betekenisomschrijvingen, voorbeelden van gebruik (ook, maar niet zeer veel, citaten), idiomatische uitdrukkingen, gewestelijke benamingen enz; ‘Die Afrikaanse Woordeboek’ voor zover het in zijn wijze van bewerking de Afrikaanse opvatting van een standaardwoordenboek weerspiegelt, een opvatting die het dichtst staat bij die van de Amerikaanse, nl dat zulk een werk ook vrij ver gaande encyclopaedische eisen Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 157 moet bevredigen Dit blijkt ook uit het uiterlijk aspect, dat met zijn zwarte en gekleurde illustraties zeer sterk herinnert aan dat van de voortreffelijke Century Dictionary, die zich echter in zijn ondertitel ook uitdrukkelijk noemt ‘An encyclopedic lexicon of the english language’ In zijn inleiding zegt Dr Schoonees dat de gebruikers van het wdb een verklaring mogen verwachten van ‘die meeste woorde wat hulle in hul lektuur of handboeke teëkom’ en ‘met die opneem van vreemde woorde was die Redaksie vrygewig’, maar ergens moest een grenslijn getrokken worden Die grens is zo ruim genomen dat er binnen vallen namen als Acalypha ,‘'n Tropiese plantegeslag’ enz, Acalyptrata ‘'n Groep tweevlerkige vlieë beh t/d superfamilie Muscoidea ’,Acanthocephala, Acanthoceras ‘'n Geslag uitgestorwe skulpdiere v/d Ammonietegeslag wat i/d Krytperiode geleef het’, Beenganoïdes ‘Verouderde naam vir 'n orde visse met 'n goed ontwikkelde beenstelsel, beh t/d groep Ganoidei ’, accessorius ‘Wetensk benaming vir die elfde harsingsenuwee, wat dien tot innervasie v/d monnikskapspier en die groot kopknikker’, enz enz, dus vrijwel alle latijnse natuurwetenschappelijke, medische, anatomische ed benamingen Naar onze mening horen deze zeer stellig in een algemeen nationaal woordenboek niet thuis; deze namen behoren tot de internationale vaktaal der geleerden, niet tot enige nationale taal Enkele van die latijnse namen zijn in ruimere kring bekend en verdienen daarom wel opneming, en men kan dan natuurlijk wel eens aarzelen, maar het lijkt ons bepaald onjuist de knoop in die zin door te hakken dat men dan maar alles opneemt Het geeft ook aanleiding tot overbodige herhalingen en verwijzingen: zo vindt men hier bv een artikel ‘cerebellum (L, anat )Kleinharsings, dié afdeling v/d harsings net agter die breinstam’ enz (art van 14 regels) Nu moet er dus een artikel kleinharsings komen, dat òf hetzelfde herhaalt, òf een verwijzing bevat naar cerebellum ,terwijl het toch in de rede had gelegen, gesteld dát men cerebellum wilde opnemen, wat ons al overbodig lijkt, het andersom te doen en cerebellum alleen op te nemen als verwijzing naar kleinharsings Ook met art als calascione (It, mus )‘'n Snaarinstrument, vroeër in SuidItalië in gebruik; dit lyk na 'n mandoline en het gew 'n baie lang hals en 2of 3metaalsnare’; calata (It, mus ) ‘Ou Italiaanse dans met rustige ritme Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 158 (omstreeks 1500)’, lijkt ons de grens naar het encyclopaedische zeker overschreden In een ander opzicht is dit het geval waar soms op zakelijke bijzonderheden te ver wordt ingegaan, zoals bv in het artikel astigmatisme, dat ruim een halve kolom omvat; met hetgeen in de eerste negen regels gezegd wordt, had ruimschoots kunnen worden volstaan Een woorden boek behandelt per definitionem woorden , tw woorden als delen van de taal, waarbij een nauwkeurige betekenisomschrijving van het grootste belang is, vooral toegelicht door voorbeelden van de wijze waarop en het verband waarin ze gebruikt worden, maar niet door het opsommen van en ingaan op zakelijke bijzonderheden en aspecten Dat is juist het terrein van de encyclopaedie, het zaak woordenboek Waarschijnlijk is het juist het ontbreken (voor zover ons bekend) van een encyclopaedie in het Afrikaans, dat de samenstellers van het WAT verleid heeft zich soms wat ver op het terrein daarvan te begeven en zich op het standpunt te stellen van het ‘liever te veel dan te weinig’ Wij kunnen dat standpunt zeker begrijpen, maar wilden slechts even wijzen op het principiële verschil dat tussen beide soorten van werken toch blijft bestaan, en waarschuwen voor de vertraging in de voltooiing van het werk die juist door het streven naar volledigheid in dién zin kan ontstaan Verder nog enige losse opmerkingen De bron van de citaten wordt slechts met de enkele naam van de auteur aangeduid, zoals ‘Preller’, ‘Langenhoven’, maar een bronnenlijst ontbreekt Het is de bedoeling, naar Dr Schoonees mij berichtte, dat deze aan het eind van het werk zal verschijnen, omdat er nog steeds geëxcerpeerd wordt, maar het zou toch wel wenselijk geweest zijn althans een voorlopige lijst te geven, daar niet ieder dadelijk zal weten welk werk met die namen bedoeld is Op den duur kunnen misschien ook wat meer eigenlijke citaten gegeven worden Grammaticale bijzonderheden, als het mv der znw en de werkwoordsvormen, worden alleen gegeven als zij onregelmatig zijn, en dan soms nog alleen in de voorbeelden, niet aan het hoofd van het artikel, maar er zijn wel eens inconsequenties; zo bv als wel bij aankoop het mv aankope vermeld wordt, en niet dat van aanloop Direct na het lemma wordt aangegeven welk rededeel het behandelde woord is, maar bij de zelfst nw alleen dán als het woord ook als ander rede Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 159 deel voorkomt Eenvoudiger, ook voor de bewerkers zelf, lijkt het ons álle zelfst nw als zodanig aan te duiden, en altijd het mv aan te geven Voor ‘selfstandige naamwoord’ wordt de afkorting s gebruikt, wat niet geheel in overeenstemming is met de afkorting bn voor ‘byvoeglike naamwoord’ Verder valt over de redactionele afkortingen nog wel het een en ander op te merken: de afkortingen bw voor ‘bywoord’ en tw voor ‘tussenwerpsel’ ontbreken, evenals gew voor ‘gewoonlyk’, tenzij dit laatste tot de ‘gewone, erkende afkortings’ gerekend wordt, die aan het begin van de betrokken letter worden verklaard Er is een afkorting Ind voor ‘Indies’, zonder dat aangegeven is wat daarmee precies is bedoeld; de afkorting NOI, ‘Nederlands OosIndië’ is verouderd; drukk, ‘drukkuns’, naast boekdr ,‘boekdrukkery, boekdrukkuns’ lijkt wat overbodig, zonder nadere explicatie Niet fraai is het gebruik van afkortingen als m/d, v/d in de voorbeelden en de citaten; deze dienen oi in elk geval beperkt te worden tot het redactionele gedeelte Bij de afkortingen aan het begin van de letter C wordt achter cwt alleen de omschrijving ‘sentenaar’ gegeven, zonder vermelding van het oorspronkelijke woord centweight Onjuistheden hebben wij overigens weinig aangetroffen De twee betekenissen van antifoon hadden wij liever in afzonderlijke artikelen behandeld gezien, daar zij etymologisch verschillen Bij bellettrie wordt alleen verwezen naar belles lettres, maar dit zijn toch niet geheel synoniemen Deze enkele opmerkingen doen niet af aan onze waardering voor dit werk, het eerste wetenschappelijk gefundeerde Afrikaanse woordenboek van wat ruimer omvang dan een handwoordenboek, al is het dan nog niet het grote historische woordenboek waarvan Prof Smith droomde; wij wensen de redactie geluk met het verschijnen van dit eerste deel en spreken de hoop uit dat de voltooiing vlot moge verlopen Leiden, Juni '52 C KRUYSKAMP Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 160 Ingekomen boeken OVERMAAT ,BGL, Mellibeus Een geschrift van Dirc Potter Inleiding en tekstuitgave Met enkele nieuwe gegevens voor de biographie en aantekeningen over de bron van de Blome der Doechden Academisch proefschrift Nijmegen 1950 Arnhem Drukkerij JH Paap & Zn 8o122 blz Prijs ing ƒ5 BENNINK ,Dr W, Alberdingk Thijm, Kunst en Karakter Dekker & Van de Vegt NV Utrecht, Nijmegen 1952 8o211 blz Prijs ing ƒ690 TER LAAN ,K, Letterkundig Woordenboek voor Noord en Zuid Tweede, vermeerderde druk met medewerking voor België van L Roelandt GB van Goor Zonen's Uitgeversmaatschappij NV 'sGravenhageDjakarta 1952 8o 634 blz Prijs geb ƒ790 ZuidAfrikaanse Poëzie (Klassieke Galerij, Nummer 15) Verzameld en ingeleid door Dr R Antonissen Tweede uitgave Wereldbibliotheek NV AmsterdamAntwerpen 1951 8o134 blz Prijs gecart ƒ275 SCHOLTZ ,J DU P, Nederlandse Invloed op die Afrikaanse Woordeskat Intreelesing gehou voor die Universiteit van Kaapstad op 3April 1951 (Lesingreeks van die Universiteit van Kaapstad No 3) Oxford University Press, KaapstadLonden, New York 1951 8o22 blz Prijs ing £2/6 Den Spyeghel der Salicheit van Elckerlijc, in het kader van de tijd uitgegeven door Dr P van der Meulen JM Meulenhoff Amsterdam 1952 8o82 blz Prijs ing ƒ240, geb ƒ290 Rondom De Gids Een keuze uit het werk van Potgieter, Drost, Heye, Geel, Bakhuizen van den Brink, Busken Huet (Meulenhoff's Bibliotheek van Nederlandse schrijvers Nr 42) samengesteld door Dr ThH d'Angremond JM Meulenhoff Amsterdam 1952 8oX+106 blz Prijs ing ƒ240, geb ƒ 290 HUYGENS ,C, De nieuwe Zeestraet van 's Gravenhage op Schevening (Klassieke Galerij, Nummer 64) Uitgegeven door L Simoens Wereldbibliotheek NV AmsterdamAntwerpen 1952 8oXII +45 blz Prijs gecart ƒ225 HERMODSSON ,L, Reflexive und intransitive Verba im älteren Westgermanischen (Inauguraldissertation Uppsala) Almqvist & Wiksells Boktryckeri A B Uppsala 1952 8o347 blz Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 161 Over enige vaktermen en begrippen bij Molinet en de Casteleyn IW at is ‘rethorijcke’? Als Marieken van Nieumeghen en Moenen te Antwerpen Inden Boom de bankgezellen imponeren met haar geleerdheid horen wij eerst uit de mond van Moenen: 491 Die vrije consten can sialle sevene: Astronomia ende geometrica, Arithmetica, logica ende gramatica, Musijcke ende rethorijcke, dalderhoutste 495 Si soude derren staen teghen den alderstoutste Clerck, die in Parijs oft in Loevene studeert Als dan de gezellen iets van haar kundigheden willen horen, vervolgt hij: Dat refereynken, dat ghi ghisteren maectet, Doen wi ons noenmael deden te Hoochstraten 505 Segt hem lieden datte Moenen heeft haar dus volgens zijn belofte de zeven vrije ‘consten’ geleerd, al noemde hij vroeger (vs 202204) alchimisterie in plaats van astronomie, en bovendien blijkt zijn leerlinge ook zover in de toepassing te zijn dat zij zelf een refereynken maakte Nu echter laat zij zich nog even bidden en geeft eerst een tegenwerping ten beste: 506 In rethorijcken slacht ical den slechten scolieren, Al soudic gheere rethorijcke hantieren Om die seven vri consten daer met te vermeerene Rethorijcke en ismet crachte niet te leerene, 510 Tes een conste, die van selfs comen moet Alle dander consten, alsmen daer neersticheit toe doet, Die sijn te leerene met sien, met wisene, Maer rethorijcke es boven al te prisene, Tes een gave vanden heylighen gheeste Maar er zijn veel mensen zonder begrip die dat niet voelen en de Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 162 kunst versmaden ofwel bederven En dan laat zij haar refereyn horen met de stocregel: Doer donconstighe gaet die conste verloren De dichter van Marieken van Nieumeghen stelt ons hier voor een dubbele betekenis: rhetorica als leervak, een van de zeven vrije kunsten, en rethorijcke als scheppende kunst, een persoonlijke gave die men moet hebben meegekregen Voor ons begrip is deze tegenstelling maar al te duidelijk Wij zullen er afstand van moeten nemen als wij de leermeesters van rethorijcke willen begrijpen Er is geen bijzonder historisch gezichtspunt nodig om te onderscheiden dat kunstonderwijs en oorspronkelijk kunstenaarschap uit verschillende bronnen putten, zelfs als zij zich in een en dezelfde persoon manifesteren Er zijn nu eenmaal kunstacademies, die deze problematiek qualitate qua levend houden Maar voor elke kunst en voor elke tijd apart is wel een bepaald historisch inzicht vereist om de krachten van traditie, smaak, utiliteit, theorie, naast die van talent en persoonlijke aandrift te onderscheiden en te meten In de literairhistorische realiteit zijn de producten van de Franse en Nederlandse rederijkers eenvoudig de dichtkunst van die dagen, min of meer lyrisch, vaak allegorisch, overwegend didactisch, vertellend of gedramatizeerd, zowel in het ernstige als in het komische En naar het criterium van originaliteit en persoonlijke scherpte of gevoeligheid lijkt ons dan de Nederlandse poezie van dat tijdperk voor het overgrote deel niet heel belangrijk, althans bedenkelijk dicht bij de grens van het ambachtelijke maakwerk, niet alleen in vorm maar ook in wezen Dat zij zo En de tijdgenoten zullen ons zelfs dikwijls bijvallen in onze veroordeling, want doer donconstighe gaet die conste verloren Maar zij zullen ons toch wel heftig bestrijden als wij blijk geven de hele conceptie van de edel conste rethorijcke als levende bron van alle wijsheid en taalschoonheid maar matig te kunnen waarderen Daar ligt inderdaad een kloof tussen hun punt van uitgang en het onze In Frankrijk en de Bourgondische landen bedient de poezie zich in de overeenkomstige periode van dezelfde of soortgelijke vormen, die in het Nederlandse gebruik zijn nagevolgd Het ligt in de aard van Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 163 deze spraakzame kunst dat haar schrijflustige beoefenaars eerder dan de schilders of meubelmakers ertoe kwamen handleidingen te boek te stellen met voorbeelden en aanwijzingen voor de aankomende kunstbroeders Er zijn een hele reeks dergelijke Franse tractaten bewaard Het oudste, L'art de dictier van de grootmeester Eustache Deschamps, dateert van 1392 (uitg in Oeuvres complètes de Eustache Deschamps door G Raynaud, deel 7, blz 266292, Société des anciens textes français, Paris 1891) Uit de 15e eeuw zijn er een aantal van anonyme en van met name genoemde auteurs, onder wie Jean Molinet als de meest vermaarde uitblinkt In de 16e eeuw gaat de reeks nog voort om met de Art poetique françois van Thomas Sebillet, verschenen in Parijs 1548, de overgang te leveren naar de Pleïadedichters en Joachim du Bellay's Deffence et illustration de la lange francoyse, 1549 Juist dan is ook in de Nederlandse litteraire wereld Matthijs de Casteleyn toe aan zijn Const van rhethoriken, gemaeckt in 'tiaer ons heeren 1548 en verschenen te Gent in 1555, vijf jaar na zijn dood Zijn werk staat inderdaad zowel voor zijn persoonlijk leven als in het gehele historische verband aan het einde van een belangwekkende ontwikkeling en het maakt op bijzondere wijze zijn zinspreuk waar: Wacht wel 'tslot De studie van deze stof is ontgonnen door Ernest Langlois, eerst in zijn proefschrift De artibus rhetoricae rhythmicae (Paris 1890), dat een sobere beschrijving van de inhoud en de onderlinge verhouding geeft, en daarna door de zorgvuldige uitgave van zeven belangrijke teksten in zijn Recueil d'arts de seconde rhétorique (Paris 1902), dat deel uitmaakt van de Collection de documents inédits sur l'histoire de France Met de termen rhythmica (dwz berijmde) rhetorica en seconde (dus tweede) rhétorique tastte Langlois naar een ondubbelzinnige aanduiding voor datgene, waarvoor het Nederlandse spraakgebruik zich eenvoudig kan bedienen van de oude benaming rethorijcke of in de latere puristische verhaspeling rederijkkunst Met de naam hebben wij dus minder moeite dan Langlois Maar voor het bepalen van een begrip is juist het zoeken naar een benaming bijzonder verhelderend Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 164 Eustache Deschamps op het eind van de 14e eeuw vormt in alle opzichten een hoogst merkwaardig voorspel L'art de dictier (di samenstellen) et de fere chançons, balades, virelais et rondeaulx, behoort volgens hem niet tot de rhetorica maar tot de muziek Hij begint zijn verhandeling met een overzicht van de zeven wetenschappen ‘par lesquelles ce present monde est gouverné ét qui sont appellez ars liberaulx’ Deze zijn in de tijden van Abraham uitgevonden door Zoroaster en de eerste onder hen is gramaire, want door middel van de letters van het abc, waarmee de kinderen beginnen, komt men tot de kennis van alle andere wetenschappen Logique dient om te leren onderscheiden tussen waarheid en schijn, rethorique om te leren zich juist en duidelijk uit te drukken Dan volgen geometrie, waardoor men omvang en inhoud van alle soorten voorwerpen leert bepalen, arismetique, waardoor men afstanden, de loop van hemellichamen en alle soorten geldzaken kan uitrekenen, astronomie, die de kennis van sterren en planeten, hun eigenschappen en invloeden op de gezondheid en dergelijke verschaft, en tenslotte de muziek, die eigenlijk de remedie is op de zes voorafgaande, doordat men bij haar de geest kan ontspannen en herstellen van de vermoeienissen Nu zijn er twee soorten muziek, waarvan de ene artificiele en de andere naturele wordt genoemd De eerste, de kunstmatige, bestaat eenvoudig uit de kennis van de zes noten us ré mi fa sol la en daarmee kan iedereen leren zingen of, als hij geen goede stem heeft, tenminste op instrumenten de vereiste tonen voortbrengen ‘L'autre musique est appellée naturele pour ce qu'elle ne puet estre aprinse anul, se son propre couraige naturelment ne s'i applique, et est une musique de bouche en proferant paroules métrifiées, aucunefoiz en laiz, autrefoiz en balades’ en nog andere vormen van verzen Hij wijst wel op de traditie die meebrengt dat sommige dichtvormen gezongen behoren te worden, zodat daarbij dus ook de kunstmatige muziek op noten wordt toegepast, maar voor de makers van verzen is dat bijkomstig en ook de voordracht met gewone spreekstem heeft het volle recht op de naam muziek Als beide soorten muziek samengaan, waarbij de zang dan nog door meerstemmigheid verfraaid kan worden, is dit inderdaad een prachtig huwelijk van kunsten, maar elk van beide is onafhankelijk van de andere een Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde Jaargang 69/70 165 volkomen zelfstandige kunst En deze inleiding, met haar wel heel middeleeuwse systematiek van de menselijke wetenschappen, eindigt dan met de belofte dat de schrijver nu enige regels en aanwijzingen zal geven over die musique naturele, die toch niemand, hoe wijs de leermeester of de leerling ook mogen zijn, ooit zal kunnen leren dan door zijn eigen natuurlijke aanleg Daarop legt hij telkens en ook in zijn epiloog nog weer de nadruk; hij heeft dit werk dan ook alleen ondernomen op de uitdrukkelijke wens van een zeer groot heer en meester die hem dit opdroeg De eigenlijke lessen bestaan dan allereerst uit een voor onze begrippen tamelijk barbaarse beschouwing over klinkers en medeklinkers en daarna uit allerlei voorbeelden van versvormen en over de verschillende soorten van rijmen, zoals die ongeve